Izegem - Izegems dialect (deel 2)


Izegem
Zie eventueel ook: > Deel 1
> Algemene informatie aangaande stad Izegem (blog vlaanderen)
Op z'n Izegems (deel 2)
Vervolg van > Deel 1
Woorden in het Izegems
A
afgeroomde melk: fluttemelk ; aangetast, rot: deurmieterd ; absoluut, dringend: moagrie ; achter: bacht'n ; achteruit: achtruut ; achteruitversnelling van een wagen: in achtruut steek'n ; achtertuin: achtruut ; achtienmoandre: iemand die er nog jong uitziet voor zijn leeftijd ; anderzijds: andersies ; artiest:akkreboat ; aankleden: anstropp’n ; afvoerpijp: gotegat ('t) ; angst: benouwdegie ; armband: branjelee ; ajuin: andjoen ; arme vrouw, sloor: Sloare ; astrabansie: grote verwarring ;
B
baksteen: briek’n ; bakkebaarden: fabrienn'n ; bangerik: broekskietre ; batterijtje: pielle : belediging; affront ; beduimeld: bemokkeld ; betonnen bunker/schuilplaats: abrie ; betonnen of arduinen rand tussen voetpad en straat: bordeure : borstelig haar: broshaar, allabros ; bord: assiete ; brandweerkazerne: arsenol ; blootvoets: barrevoets ; bumper: barsjok ; bagag: bazatse ; beeje bij beetje: eff'nans ; beerkar: oalkartjeel ; bekladden: bklèter’n ; beschadigd: gatmandeerd, gakmandeerd, gapmandeerd ; beurtelings: elkoverans ; bewegen: wikkeln / roern ; bezoek: overkomste ; broekspijpen: eenderling’n ; beduimeld: bemokkeld ; bekeuren: bestrien ; besmetten door ziekte: betroap’n ; besmettelijk: betroaplik ; bij jullie: tulders ; bitsig spreken: biett’n ; bijna: biekans ; blozen: bleuz’n ; belanden: blend’n ; balpen: biro ; bloedblaar: bloeblinne ; blaaskaak: bloaze ; bloedworst: bloelink ; beroepsmilitair: boeffre ; bewegen: boezjeer’n ; booneperse: slank meisje, mager persoon ; boterham smeren: breen ; borduren: brodeer’n ; bobbel – klein kind: bubble ; boterhammenbedelaar: stuteskooijer ; boterhammen: Stuttn ; boodschappentas/zak: meuzel, buzze ; broshaar, borstelig haar: allabros ;
C
cellulitis: vetophoping onder de huid, appelsiennevel ; cuttermes: keunesniederke ;
D
de gehele entourage: annekesnest ; deken (op bed): sjarze ; dertwésdeure: er dwars doorheen ; dichterbij komen, naderen: noaz'n ; dik achterwerk: kachtelgat ; dikke vrouw: barze ; dikke vrouw: beuterstande ; de school verzuimen: blouw’n ; deurklink: klienke ('n) ; dikke buik: bolg ; dierenarts: pèrdepiet (ne) ; doof worden door te veel lawaai: bolloorde ; drinkbus: bosse ; dakgoot: cornisje ; deken: sarze/soaze ; droge grappenmaker: pallullewuppre ; de vaat doen: sk(e)uttels, de sk(e)uttels doen ; de zolder: ’t upperste ; deur: door ; deur: deure : dikken nek: geistekakker ; dierlijk uitwerpsel: keutle ; doe-het-zelver: futteroare ; dom persoon: goai (ne) ; dwars: van tweistn ; deksel: ulle ; direct tefeihte ; doen alsof: geboar'n ; dunne kuiten: papkiett'n ; duur, heel duur: diere, strontediere ;
E
een handvol: ansvul ; een buitenechtelijke relatie erop nahouden:anoed’n ; eelt:artvel ; eten:bin’npak’n ; een zeurkous: ertefretter : een king-size knikker: bollekette ; een gebrekkig mens: fikke ; een gat, kier: gerre - bv. de deure stoat up e gerre ; een goed gebouwde vrouw: porre [kloeke porre] ; eigenaardig: kurjeus ; elleboog: elletuut ; enorm trots zijn: trots / preus/preus lik tvjirtih ; emmer: seule: eethoeken en/of meubels: itplatse ; erg, veel, dik: ferme ; ernstig: serjeus ;
fietswiel is geplooid:achterwiel stoat in ’n achte ; flessenopener: biersleutle ; foefelaar: brielpot ; flemen: frottn ; flesopener, kroontjeswipper: ullewuppre ;
G
geburte ('t-): de buren, de omgeving ; gereedschap , mannelijke geslachtsdelen:alloam ; gereedschapskist: alloambak ; gebed bij een overlijden: beeen ; gebruiken: bezig’n ; gierige vrouw: pinne ; golvend haar:bek-oar ; geen katje om zonder handschoenen aan te pakken: bette ; gebruiken: bezig’n ; gezonde kleur hebben: bleuzekoak’n ; gierigaard: krebbenbiettre ; goede opbrengst: boerejoar ; grote knikkers: bollekett’n ; geladen buitenkomen: but’nrobbel’n ; gas geven (met auto): goaze geevn, buzze geevn ; goedkoop en duurkoop: kamelot ; goedkoop, tamelijk voordelig: skapp'lik ; goederen van bedenkelijke kwaliteit: smeirlaprie ; geniepig vertrekken: Joen Puste skeurn ; goed vooruit gaan: affeceern ; geduld: passensje ; groenteventer: groenselpiet (ne) ;
H
hard wrijven: frott'n ; horloge: alloojze ; handvat: antaeve ; hakbijl:appe ; hard botersnoepje: bablute ; het aftrappen: anpuupp’n ; hetzelfde: pecies ; houten balk: baddienk ; toiletbezoek: bacht’n ; het geeft niet; besan’nie ; huisjesslak: beuterslekke ; het er goed vanaf brengen: biekl’n ; handboeien: branzjelett’n ; helemaal kapot: brokke-verskeen ; hard kloppen: buuk’n ; heel dat zaakske: gjil die santeboetik ; heen en terug: deur-en-weere ; iemand die er nog jong uitziet: achtienmoandre ; iets wagen:avontrier’n : imiteren:achterdoen ; iemand die nergens werk kan vinden: andjoenpikkre : ingewanden: beulinge ; iets doen wat niet geweten mag worden: blouwmeske doen ; integendeel, tegendraads: kontroarie ; ik ben benieuwd: Kwihstje/kitzwonders ; iemand die op cafe blijft hangen: pekker ;
J
jij we: baggedoet ; jerrycan: biedoeng ; janker bletre ; Je laten gaan: lutte geevn / goaze geevn ; jazeker: Jattetoet ;
K
kind dat veel later geboren is dan zijn broer(s) of zus(sen), achterkommerke ; kinderlijk hunkeren: anker'n ; kindertandjes: bietters ; kinderwagen: feteure, foteure ; kiessak (ne): vuil persoon ; klachten uiten bij pijn of onwelzijn: kermiett'n ; kleine dikke vrouw: beuterstande ; klein ventje: akkerbuk ; klein zwarthoofddeksel: alpingske ; kinderlijk hunkeren: anker’n ; kippenvel: innevel ; klein zwart hoofddeksel: alpingske ; kledij uitdoen: ofstropp'n ; kletswijf : babbelgat, bablète ; knuffelen: bedrètel’n ; kruippakje: barbeteuze ; kruiwagen:bakwoagne ; kloek manspersoon:bèr ; kan het kwaad: besann’t? ; knuffelen: bekuttel’n ; kleuterschool:bewaerskoolke ; klos garen: bobbienne ; kloof:boste ; kruimels: bruzelinge ; kruiwagen: kortwoagn ; kleingeld: klutters / kluttergelt ; knikkers/met knikkers spelen: marbels/Marbeln ; klap in t gezicht (muilpeer): mullepeehre/mot ; kreuken, oneffen maken: rompel'n ; kruiperig iemand: fleemre (ne) ; kruiwagen: puppegoale/Bakwoagn ; fluiten, ook vogelzang: skufln ; gevaarlijk/geweldig (let op het verschil in betekenis): skuw ; kwaatspreke(e)k(st)er: kwoatoenge ; kussen, zoenen: pieper'n ;
L
lichtkoepel , glazen verlichting in het dak: anternoo ; laag broekkruis: allidéze ; likdoorn: aksterooge ; laat op het jaar: achterwaersjoaers ; levendig kind: akrol ; land bewerken: bedricht’n Beele ; lange haarkrullen: bell’n ; lawaai maken: beurl’n ; leghen: poepinne ('n) ; lieveling: keppe ('n) ; int: bindre ; lief – kinderzoen: beze ; landweg: binneoane ; licht bebost: buskoazjz ; leuvense kachel: buzestove ; losse stoelgang: dinne kak ;
M
maar natuurlijk, niet verantwoordelijk: ginkeure ; melo cakes: nunneskeet'n ; met veel plezier:allabonneur ; metselaarshulp: diendre ; met vuil bedekt:angelad ; moeilijk te omschrijven kleur: appelblauwzeegroen ; metalen knikker: biele ; meeëter: biesoorme ; moestuin: Lochtink ; mug: meuzje ; motregen [motregenen]: smuk [smukk'n] ; materiaal: stoffoasje ; morsen: sturtn ; misser: flutse ; meikever: rulle ;
N
nee, ik niet:baninuk ; neffenheid; barms ; niet waargemaakte belofte: beskeet’n kommissie ; noa bacht'n goan: naar het toilet gaan ; nors persoonb bietebow ; nummerplaat: blek ; niet slagen in examens: buz’n ; nietsnut met grote mond: kalisheklutser: nochtans: pertank ;
O
onhandig verwerken, knutselen: fikkel'n ; onnauwkeurigheden: akkelgoat’n ; onwel worden: oardig komm'n ; overloop , ook vragend vb: wat ge nu zegt: allee ; onozelaar, prutser:beuterklutre ; opmaken: opgedoan ; opschepper: beslagmoakre ; opschepper: blagoajmoakre ; onbeschoft: boddès ; onbeleefd:bot ; oud vehikel: kariot ; onhandig mens: kluntn ; ongedierte (bij insecten): furnin ; klein: pernikkel ; onnozelaar: wietn ; overérde ligg'n: de tijd tussen de dood en de begrafenis ; overjas: frak ;
P
plakband, pleister: lakkre (ne) ; plat (helemaal): luuzeplat ; platzak, bankroet: gerinneweerd ; populier: achtkantre ; paardebloem: beddepisre ; postbode: boodje ; pannenkoek: pallulle ; peperkoek: krudekoeke / zoetekoeke/pennepisse ; prutser: foefeloare (ne) ; puuperzakske: borstzakje ;
Q
R
raar aangekleed: angetroeteld ; regenbui: biezze ; rem: fring (ne) ; roekeloos / roekeloos persoon: Skurdug/Skurdugoard ; rommel: briel ; sierspeld: brosje ; rommel: bucht ; ruzie maken: In kweiste zin ; regenworm: tettink ; rolluiken: Lattestwoors ; rap voortdoen: goaze geevn, sjette geevn ;
S
sinaasappelsap: appelsienezop ; schot in de zaak: avvesoasie ; schuilplaats:abrie ; schuurborstel: ankerke ; schoenlepel: antrekkre ;schommelpaard: rennepèperd ; schommel: ballanswoore, juttekakokuhr, renne ; skoffelaere: iemand die altijd gehaast is en bijgevolg onnauwkeurig tewerk gaat; slabbetje: bavette ; streng zijn:ardie zien ; slim, schrander: boos : stekelbes: beire ; strandschoenen: bendemèrs ; schouwroet: bittre ; schoensmeer: blienk ; schitteren , ook nors kijken: blekk’n ; soepvlees:boelie ; slank meisje:booneperse ; stoep:bordeure ; slim: boas ; schoenstikster: bottienestekstre ; slijmbal, zagevent: zeemtette ; succes hebben: oftrek én ;
T
taartje: pateetje ; tandbeugel:apparei ; tendereke: als het er op aan komt ; toetakelen: akmandeer’n ; toch wel: bajoat ; toch niet: bat’ndoet ; tang om haar te krullen: bektange, tijdverdrijf ;– weten wat gedaan: bezigoedienge ; tanden: bieters ; terwijl: binstien ; terzelfdertijd; binst ; t'nuutkante: landelijk op boerenbuiten ; toilet: fertrek ; trui: boaj ; treuzelaar: trunte ; teil: tjeehle ;
U
ui, ajuin: andjoen ; (zilveruitjes): andjoenléz’n ; uitblinker: as (nen) ; uitdrukking van verwondering, het is toch niet waar zeker: alligie ; uitgangbord: assing ;
V
van pas, juist gepast: verpasse (zjuuste verpasse) ; veel moed: keroajze ; veelprater/kletsijf: babbelgat ('n), babbelkoese ('n), babléte ('n) ; venijnige vrouw: eksevel ; verstopte portie, mee-eter: biesoorme ; verwarring:astrabasie ; verwend kind: bedorbne stront (nen) ; verzekering:assransie ; verband:bandoajze ; vechten:natter’n ; vlijer: gatlekkre (ne) ; vork: fersette ; voorbehouden: bestakt ; verlangend uitkijken: betinteld zien ; voor een onaangenaam feit staan: bezikt zien ; veelvraat: bolgvuldre ; verband: bandoajze ; voetzoeker:buuskre ; vogel, ook figuurlijk, vandaar het werkwoord: veugl, veugln ; vleugel: vlerke, vleire ; vrouw: vrommins ; vrouw (geen negatieve connotatie): wuf ; vertrekken: antertn ; vroeg: antidns / tielik ; vrouwspersoon dat meestal in de struiken gevonden wordt: gês-oere:
vrouw met de intelligentie van de gesoere maar met minder succes bij de mannen: gês-gjeete ; vervangmiddel van mindere kwaliteit: ersatz ; vangtros: flusj ; venster: Rutte ; vettigaard: Kissak ; vod / vrouw met lichte zeden: slunse ; vuil, besmeeurt: gepatteeld ;
W
warm eten: gekoksle ; wisselvallige liefde: an-en-of ; weggaan met kleine pasjes: assietetertre ; weggaan: anzett’n ; wenen: blèt’n ; weinig: lettre ; waarschijnlijk: verzekers ; wesp: frutnier ; winterjas, dikke mantel (meestal voor vrouwen: palto ; wij niet: bamm'ndoen ; wol: sjette ;
X
Y
Z
zeer moe, uitgeput: pompof ; zich inspannen: wér'n ; zijkant;anziets ; zuurpruim: azienpisre ; zijn hele hebben en houden:battaklang ; zuinig:bendig ; zeer zeker: biechtewoarheid ; zuurtje: bietre ; zonder ervaring: blootepoepe ; zie: seule oakre ; "zolder"boven stallen, dient op hooi/stro te stockeren: dilte ; zich amuseren: Jeunn ; zeveren: miern zjihkn ; zorgeloos iemand: ruuskabuus ; zuurpruim: azienpissre (nen) ; zuurtje (snoepje): biettre (nen) :
Op zijn Izegems gezegd
aan de toog hangen: mette gloaz’n amboom werken
als het niet geeft: oatniebesant
de kaarten schudden, schiften van de melk, verward zijn: kappel'n
een voorschot betalen: Ip d’and geev’n
er is spanning in het gezin: de katte in d’ alloojze
hoe dan ook: geliek oe
huwelijk dat niet doorgaat: beele ;
op den duur: deur'ndeur
om het even wat: geliek wik
om het even waar: geliek woa
hij is uit zijn lood geslagen: j’is an zien appoerke gepakt
het is een onhandig persoon: ’t is d’ andoave die nie’n deug
het is een grote slanke dame: eur nen akstr weunt ooge
het helpt toch niet: ’t is ooltoope gen avanse
het is mij gelijk: ’t is mie answorst
hoe bedoel je?: wikdadde
kom erbij en doe alsof je thuis bent: zet en anstikt
ik niet, wat zou ik: wik soek
naar het toilet gaan: noa bacht’n goan
profijt doen: n’ batje doen
misnoegd zijn: van nen bér geet’n èn
wie veel gedronken heeft, heeft weinig honger: woa dat d’n broure goat, moet d’n bakkre nie zien
het zal er nooit van komen: in t’joar blok
de plannen gaan niet door: zienen oaerink brad niet
nu heb ik genoeg gezien: k’ ben beskit wè
zeer verlangend uitkijken: betinteld en betoverd zien
zich mooi aankleden en maquilleren: ipzett'n
Zich niet goed voelen: oardig zien
Bron: Yvette
> Izegem – Izegems (www.mijnwoordenboek)
> Izegem algemene info (blog vlaanderen)
> West-Vlaams dialect (info op dit dialectblog)
> Stad Izegem (www.youtube.com)
> Izegem in beeld (www.google.com)
> Leiestreek (blog vlaanderen)
> Kaart West-Vlaanderen (www.google.be)
> West-Vlaanderen algemene info (blog vlaanderen)
Zie eventueel ook: > Deel 1




























