
Zwijndrecht
Zwijndrecht is een gemeente in het Waasland geannexeerd door de Provincie Antwerpen.
Zwijndrecht bestaat uit twee woorddelen, namelijk zwijn en -drecht.
Drecht, een woorddeel dat vaak in plaatsnamen wordt aangetroffen, is een woord van West-Nederfrankische herkomst en heeft de betekenis stroming, drift (der rivier).
Zwijn verwijst niet zoals men zou vermoeden naar varken, maar is vermoedelijk een verbuiging van het eveneens West-Nederfrankische woord Swin met de betekenis geul of kreek.
Zwijndrecht kan dan ook verklaard worden als een stromingsgeul.
Scheld of spotnaam van Zwijndrecht: machuten.
> Diverse informatie aangaande gemeente Zwijndrecht (blog vlaanderen)
Zwijndrechts dialect (deel 1)
Zwijndrechts dialect wordt plaatselijk Zwindrechts genoemd.
Zwijndrechts is een mengeling van het Oost-Vlaams, Waaslands en het Brabants dialect.
Beschouwingen over ons Zwindrechts dialect
Ons “Zwindrechts dialect” heeft steeds de neiging om alle klanken uit te rekken en de woorden samen te trekken.
De moderne woorden en het algemeen Nederlands dringen met zekerheid in ons dialect binnen.
Onze kinderen nemen vele nieuwe woorden (Nederlandse en vreemde) over van de televisie,
het telenet en uit de boeken en tijdschriften (er wordt gelukkig meer gelezen!).
Aangezien Zwijndrecht eeuwen aan de oostgrens van het Waasland en ook aan de vroegere grens van het Graafschap Vlaanderen en het Hertogdom Brabant lag en de Zwijndrechtenaren daar-enboven voor school, handel en werk steeds gericht waren op de Sinjorenstad , werd ons dialect ook fel beïnvloed door de Brabantse streektaal.
Vele nieuwe bewoners van Zwijndrecht komen nu van heinde en ver ; huwelijken worden gesloten met een uitheemse man of vrouw, huizen en appartementen worden gekocht of gehuurd door niet-Zwijndrechtenaren.
Vroeger was onze gemeente grotendeels agrarisch en waren er ook vele honkvaste hande-laars.
Hun afstammelingen bleven steevast op de gemeente, huwden meestal met een inwoner of inwoonster en onderhielden samen het “ Zwindrechtse dialect “.
De weinige inwijkelingen moesten reeds bij voorbaat zich inwerken in de plaatselijke streektaal!
Die gunstige situaties voor het dialect zijn nu onherroepelijk veranderd…
Zal dat het einde zijn van de dialecten?
Daarom is het goed dat wij de nog bestaande dialecten op een degelijke manier, zoals deze, kunnen bundelen….
Uitspraak in Zwindrechts
Heldere klanken worden soms dof uitgesproken: muziek – meziek
De h en eind-n worden nooit uitgesproken: uis, spoare
Verkleinwoorden eindigen altijd op –ke : kinneke, schopke
Behalve bij woorden die eindigen op t of d: teint-sje, taand-sje
A wordt praktisch normaal uitgesproken, alhoewel ze vóór de s klinkt als een halflange klank
tussen de algemeen Nederlandse a- en aa-klank Vb.: kas, as
Vóór een r wordt de korte a-klank uitgerekt (voorgesteld als â , zoals in het Franse “ gâteau”)
Vb.: kar = kâr
Aa wordt meestal ei , oa , ou , oe : peir , proate , wouter , toert
Vóór een r wordt de lange a-klank meestal ei Vb.: varen = veiren ; paard = peird ; gaarne = geire
Vóór een k verandert de lange a-klank in oa Vb.: maak = moak ; kaak = koak ; raken = roake
Vóór een s wordt de lange a-klank meestal ou: Vb.: baas = bous ; kaas = kous
E wordt meestal normaal dof ( het) of helder (pet) uitgesproken;
Enkele uitzonderingen: bes = bees ; serre = seir ; ster = stâr ; ver = vâr
Ee wordt meestal ei , i : wereld = weireld ; zeven = zifte
Vóór een r wordt de lange e-klank een ei Vb.: peer = peir ; keren (borstelen): keiren
De korte en lange i-klanken worden praktisch normaal uitgesproken.
Dat telt ook zo voor de korte en lange u-klank en de eu-klank.
De korte o-klank wordt vóór een r een ui Vb.: dorp = duirp ; dorpel = duirpel
Vóór een l en n wordt de korte o-klank een oo Vb.: polder = poolder ; ronde = roonde
Soms wordt de lange o-klank veranderd in een eu of oeë
Vb.: voor = veur; bomen = boeëme :roken = roeëke
Ei-klank wordt vóór een n en s verwrongen tot een âi – klank:
Vb.: klein = klâin ; plein = plâin ; reis = râis ; zeis = zâis - maar : een ei = een â ; eieren = âren
Voor de ij-klank bestaat er geen gepast teken om de “ Zwindrechtse ij “ aan te duiden!
Deze klank klinkt wat meer uitgerekt dan de algemene Nederlandse ij, juist zoals de klank
in de Franse woorden: gêne (last), chêne (beuk) en gaine ( elastisch buikcorset).
Vb.: wijn = wên of wain ; prijs = prês of prais ; ijs = ês of ais ( steeds met de Franse klank in het oor!).
Bij de au en ou merken wij geen verschil in klankuitspraak ( au en ou = aa): Rauw = raa ; rouw = raa ; saus = saas ; kous = kaas
De uitspraak van eeu , oei en ooi is zoals bij het algemeen Nederlands.
Bij ieu valt vaak de u weg of ze wordt lang: nieuw = nief ; nuuf
De ui wordt soms een uu:
Vb.: duivel = duuvel ; juist = juust
Woorden in Zwindrechts
A
aasvlieg: ronker ; aalbes: roobees ; aalput: beirput ; aalschepper: beirluut ; aardappel: petet ; aardappelen: petette ; aardappelmesje: petettescheller; aardappelpuree: platte petetten, gestamte petette ; aardbei: eirbees ; aardbol: weireldbol ; aasvlieg: roonker ; achtermiddag: achternuun ; achteruitrijden: dâi-ze ; accordeon: trekzak ; afsluiting (hout, beton): gelijnt ; alarm: siereine ; alarmlicht: zwoalicht ; alchohol: alkool ; alfabet: aabeecee ; alstublieft: astemblieft ; amusant: plezaant ; angina: aansjien ; anjer: genoffel ; armband: brasselet ; apart: appaart ; avond: ouved ; ’s avonds: souves ; akkoord: takkoord ; aardworm: pierewurm ;
B
bakvis (jong meisje): mokske; bal(letje): ketse-bal(leke) ; balpen: stielo, biek ; bangerik: ne scheiter ; bang zijn: benaat zijn, ’t benaat ein ; bedevaart: beeweg, begaankenis ;’n beetje: een bitsje ; beer: beir ; begraafplaats: kârekkof ; benen: biëene ; benzine: naft ; biefstuk: bufstik ; bij(en): bie(jen), bie(kes); bijna: ost, bekanst ; bles(je): froefroe(ke) ; blikopener: opendoener, aftrekker ; bliksem: weerlicht, eemellicht ; bloedworst: bulling ; bloem(en): blom(me) ; blootvoets: barrevoets ; boekentas: kazak ; boezem: tet-ta-geire, schap; bonenstaak: kodde ; boodschap: kommissie ; boodschappentas: kabas ; boom: boeëm ; boveneinde van boomstam: herpen ; borst: buist ; borstel: buistel, vaager ; boterham: botteram ; braambes: brombees ; braken: spoage, kotse, overgeve ; broodbeleg: toespijs ; broodje: piestollee ; wij begonnen: wij begoste ; bakfiets: trieporteur ; bepleisteren: beploastere ; boomgaard: boogoard ;
C
cake-walk: kakkewallek ; catalogus: kattaloog ; catechismus: kattekismuus ; champagne: sjampieter ; chirurg: operateur ; chocolade: sjoklat ; chronometer: kronnoomeeter ; cirkel: roonde ; cliënt: klant ; clown: kloon ; cola: kokkakoola ; concert: konseir ; condoom: kapoot ; confituur: sjelâ ; conservatief: aa-wets ; consumptie: vertier ; contactdoos: pries ; controle: kontrol ; coöperatief: kopprattief ; cow-boy: koobouj ; crème: kreim ; cross-fiets: krosvieloo ; crooner: kreuner ;
D
dagblad: gazet ; dakgoot: kornis ; das: foelâr ; deksel: scheel ; dertig: dârteg ; deugniet: nietdeug, nieweirt, bietskoemer ; diesel: mazoet ; dikkopje: oekedoeleke; diploma: dieplom ; directeur: bestuurder; dommerik: mutte, annewuite ; doofstomme: stomme doove ; doopmeter: pit; dooppeter: peetere ; dopen (in vloeistof): doppe, oonderdoompele ; dorp: duirp ; dorpel: duirpel ; draagtas: netzak ; drassig: zoompig ; driewieler: trieporteur; drop: zwarte sjap ; dropje: jiejiepeke, jappeke; durven : dârven ; dokter: doktoor; doopsuiker: kinnekessuiker, suikerboeëne ; dotje: toefke ; douanier: doewaan ; draaiing: slaptietuut ; dwaas: dweis ; dweil: dwâl ; daar: doar, der ; dat is alles : da’s al ; deken: soaizie ; dikke vlieg: dol ; druk: pres ; drukken: presse ; drukking: pressing ;
E
een: ne (m.), een (v.), e (o.) ; eenden: pille; eetbord: talloeër ; eetzak: schoofzak ; ei: â ; eieren: â-re ; elektriciteit: ellentriek ; emmer: ieëmer ; enkel (voet): knoesel ; erwt(en): artje(s) ; erwten peulen: puren ; echt: echtig ; echtgenoten: alvetraaboeken ; eerst: eest ; engel: ingel ; erfenis: ârfenis ; erna: erachter ; ernaast: erneffes ; ernstig: serieus ; eronderdoor: eroonderdeur ; evenaar: eveneir ; evenaren: eveneiren ; evenzo: a-zoo ; examen: ekzaam ; echo: weergallem
F
fiets: vieloo ; fietsstuur: giedon ; fluwelen broek: floere broek ; foefelaar: foefeleir ; fopspeen: tuuter ; fornuis: fenage: cuisinière ; foto: portet ; fotograaf: fottegraf, portrettetrekker ;fotograferen: portrette trekke ; fototoestel: kodak; frieten: petetfruut ;
G
garnaal: geirnout ; gebreide puntsjaal: neusdoek ; geel: geil ; gehakt: gekapt ; gerookt vlees: peirdennank , ossennank ; gevangenis:’t prezon ; goochelaar: schammateur ; geweest: gewist ; glad: gladdig ; glijden: sluiveren ; goedzak: ne (goeie) loebas, goesak ; gootsteen: pombak ; gerief: grief ; graag: geire ; grimassen: tootentrekke ; grote mond: groeëte noove ; goud: gaat ; grond: groond ; geschrokken: verschoote ; gebrekkig: gebrekkelek ; geletterd: wijs ; gemengd: oonderiëen ; geregelementeerd: geriglemeinteerd ; geronk: geroonk ; gerst: gjeist ; gesnurk: geroonk ; gezondheid: gezoonteit, saantee ; gips: ploaster ; goedemorgen: goeiemorge ; goedenavond: goeienavend ; golf: gollef ;
H
haag: weir ; haast: ost ; haastig: ostig, hitsig ; haken: krosteere ; ham,hesp: eps ; hamer: oumer ; handen: aande ; handje: polleke ; handschoen(en): waant(e) ; handtas: sjakos ; hard: neig ; haren: oar ; haring: eiring ; hinderlijk: ambetaant ; hobbelig veld: petetteveld ; hoge hoed: buis ; hommel: bombie ; homofiel: jeannet, mietje, ne verkeerde ; hooghartige: schitkoont ; horloge: loozie ; huid: vel ; huis: uis ; handvol: aaffel ; hakkelaar: doddeleir ; hakkelen: doddele ; haar: eur ; herhalen: rippeteere ; herhaling(en): rippetiesie(s) ; Hebben = ein: ik heb = ik ein , k’ein: jij hebt = gij et, g’et: hij heeft = ij ee,
wij hebben = w’ ein: jullie hebben = gulder et: zij hebben = z’ ein.
I
ijsroom: krimglas ; ijscokar: krimglaskâr ; ijscoman: krimglasveint ; ijskast: friegoo ; ijskegel: ijspeegel ; injectie: sputsje ; inkom: aantree ;
J
jas: frak ; jasmijn: juuzemien ; jeuk: joeksel ; jeuken: joeke ; juffrouw: juufraa ; juist: juust ; jullie: gulder ; jutenzak: baal ; jongste kind: ’t kakkeneistje ;
K
kaars: keis, boegie ; kaas: kous ; kalender: almanak ; kalf: mutte ; karakter: karakteir ; katapult: musseschieter ; kauwgom: tuutefruut ; kers: kaas ; kersen: kaa-ze ; kikker: puit ; kikkerdril: paddegerek ; kind: keend ; kinderwagen: vwattuur ; kinderstoel: kakstuul; kip: kieke ; kippenvel: kiekevlees ; klaar: kleir ; kleine jongen: pagadder, snotneus ; klets: veig, mossel, peir ; kleuterschool: papschool ; klompen: blokke ; kniebroek: poefbroek ; knikkeren: marbolle ; knikker(s): marbol(le) ; knutselen: foetere ; koe: koei ; krijt: kruit ; koekje: koekske ; kokkin: kook-as ; koning: keunink ; koningin: keuningin ; koprol: kunstlabaareg ; kotelet: kortelet ; koud: kaat ; kousenophouder: sjartel ; kruimels: krummels ; kruisbes: stekelbees ; kruiwagen: kruwwaage ; krul: krol ; kuip: bassing ; kus: bees ; kortademig: deimpig ; kraaien: kroan ; kraan: kroun ; kracht: fors ; kruisje: kruske ; kunnen: keune ; kwaad worden: bluspoeier zin ;
L
laarzen: botte ; lamp: laamp ; lampekap(je): laampadeir(ke); lantaarn: laanteire ; lavabo: wasbak ; leggen: leige ; leugenaar: leugeneir ; lichaam: lijf ; lichte koffie: kattepies, kattezieëk ; liedje: lieke, eirke ; lijst: lieest ; lisdodde: dulpoes ; lolly: lekstok ; lomperik: pummel; loon: pree ; luchter: luuster; lucifers: stekskes ; luid: neig ; luier: piesdoek ; luik: blaffetuur : de laatste: de leiste ; de lente: den uitkom ; leuk: leutig ;
M
maand: moond ; maan: moun ; Machutus: Machuit ; magere: panlat, boeënstoak ; mantel: frak ; margarine: margrien ; masker: mombakkes ; markt: mart ; meikever: meuleneir, mulder ; meisje: maske, pieskaas ; merel: meirlon ; mesthoop: messing ; mier: muureziëeker ; mille-feuille: tompoes ; mirabel: marbeloun ; mispel: mupsel ; modder: moor ; molen: meule ; molenaar: meurelaar ; mooiprater: blageur ; mosterd: mostoart ; mouw: maa ; muts(je): pots(ke) ; morgen: mârren ; ’s morgens: smârres ; maîtresse: matras ; mens: meins, mâsse ; meester: miëester ; motor: motteur, motto ;
N
naarstige: neirstigaord ; nachtkleed: japon ; navel: naogelebuik ; neef: kozijn, kozze ; nergens: nieveraanst ; netel: tingel ; neuken: poepe ; neusverkoudheid: sneuvering, snotvalling ; niets: niekske ; nietsnut: flierefluiter, nieweird ; nieuw: nief, nuuf ; nijdige vrouw: pieketijn, tang , jeandârm; nochtans: pertang ; notenboom: nooteleir ; nu: nou ;
O
ommelet: ârekoek ; ondertussen: swinst,binst ; ophef maken: servietuuten ein ; oud: aat ; ouderwets: aa-wets ; overgeven: spoage ; oom: noonkel ; op tijd: in tits ; ontkurken: aftrekke ; opa: bompaa, vokke :oma: bommaa, meemee, moeke, mitteke ; opening: gat, ol ; omtrek: kontoer ; onderwijl: in passaant ; oren: oeëre ;
P
pagekopje: kalot ; paard: peird ; paardenbloem: piesbloem ; pandjesjas of jacquet: gatte-kletser, pieteleir ; pannenkoek: koekebak ; pantoffel(s): sloef(e), slets(e) ; papieren geld: briefke ; parfum: riekede reuk, oodeklonje ; pastoor: paaster ; paternoster: pottenoster ; peer: peir ; pek: târ ; penseel: vârrefbuistel ; perenboom: peireleir ; perzik: paas ; perzikboom: paazeleir ; pet: klak ; pink: peenk ; peterselie: pieterselie ; peuter: baazeke, kadeeke ; pietepeuter: pietje juust ; pijn: ziëer ; pissebed: vârkesluis ; plakleertje: vaantoezeke ; plankenvloer: plaansjee ; pletten: deddere ; postzegel: tijmber ; praten, babbelen: tettere, lameere, klappe ; prei: parraa ; prentje: beeleke; pruimenboom: pruimeleir ; premie: priem ; paars: violet, mouf ; pauw: paa ; pauze: poos ; petroleum: petrol ; pessimist: zwartkijker ; pistool: revolver ; pizza: piezaa ; politie: polies ; politicus: poletieker ; punaise: pienijs ; pureren: staampe ; purgeermiddel: poepsnoepje ; pudding: podding ; pastij: pattee ; permanent: parmenaant ;pier, aard(e)worm: piereworm ;
R
rabarber: roobarber ; ragebol: kopjouger ; rap: neig ; rauw: raa ; reine-claude: reigelloot ; reklame: reklam ; regenbui: vloug ; rem: frein ; remmen: freine ; ring: reenk ; rijden: rijn ; rijmpje: rimke ; rijstpap: rispap ; rolluik: persjen ; roodharige: roste, ne koopere ; rouw: raa; rusthuis: aa-mannekes-uis ; rapport: buulletijn ; resultaat: uitslag ; raadsel: rotsel ; raden: roan ; rechter: sjuuge ; ruzie: ambras ;
S
sabbelen: zabberen ; staander(tje): pieedestal(leke); staart: steirt ; schaap: schoup ; schaapje: schopke ; schaar: scheir ; schaduw: lommer(te) ; schoensmeer: bleenk ; schommel: bijs, touter ; schort: vurschoot ; schouw: schaa ; schrift: kajee ; scouts: schouten ; snijden: snijn ; schroevendraaier: toernavies ; sering: juuzemien ; slabbertje: bavetteke ; snel: neig, rap ; snor: moestasj ; soldaat: piejot ; soms: ammets; spaarder: potter ; sparen: potte ; speelplaats: koer ; spiegelei: peirdenoog ; spuwen: spuchele ; station: stasie ; stempelaar: dopper ; stoel: stuul ; stoep: trotwoar, plansier ; straffe gast: ne kastaar ; straks: suubiet, seffens ; strikje: neuke, non-de-djuuke, strekske ; strohoed: tiets ; sukkelaar: sukkeleir, ârme duts ; scheiding (in haren): schiee ; schilderen: vârreve ; sinterklaas: sintekloas ; schenken: scheenke ; schrikken: verschiete ; sleutel: sleuter ; stopverf: stokvârref ; stropdas: plastron ; Schelde: ’t Scheild, de Scheilde ;
T
taart(tje): toert(sje); taartje: pateeke ; tabak: toebak ; tafel: toffel ; tafelkleed(linnen): toffellouke ; tafelkleed(zeildoek): twaalseree ; tandarts: taantiest ; tanden: taande ;teenslippers: pillepoten; telegram: tellegram ; telefoon: tellefon ; televisie: tellevies ; terwijl: swinst ; toilet (w.c.): tuske, gemak ; toiletstoel: kakkedoo ; trage (treuzelaar): laanterfaanter, treuzeleir, zeemeleir ; trapzaal (overloop): allee ; treuzelen: zeemele ; tuil: boekee ; tuil bloemen: blommekee ; tweede: twiets ; tante: taante(ke) ; toonbank: toog(t) ; traan: troun ; trein: trân ; trouwen: traan ;
U
u: ou ; uw: ou, ulder ; ui: arjuin ; uitademen: uitaaseme ; uitdijen: kreenkele ; uitsteeksel: teut ; uitvaart: begraafnis ; urineren: piessen ; urinoir: piessijn ; uzelf: ouzelve ;
V
vaas: fous ; vaars: vjeis ; vader: vouder ; vakantie: vakanse, kongee ; varken: vârke ; vaat: afwas ; veearts: vietrieneir, peirdepiet ; veiligheidsspeld: toespel ; venster: vuster ; ventiel: soepap ; ver: vâr ; verdrinken: versmoeëre ; vergaderen: vergoare ; vergadering: vergoaring ; vergiet: triezee, strommijn ; verkoper: marsjang ; verkoudheid: valling, snotvalling, sneuvering ; verlegen meisje: truut ; verlof: permissie, kongee ; vervelend personage: beddezieeker, zieeker ; vest: gielee ; vlaamse taal: vlomse toal ; vleessbrood: friekandon ; vlechten (in het haar): keperingen; vluggerd: rappe, ne neige ; voetpad: plansier, trotwaar ; volgende week: noste week ; vooraan: van veur ; vorig jaar: veurig joar ; vork: verket ; vraatzuchtig: frette, schoefele ; vraatzuchtige: fretter, schoefeleir ; vrachtwagen: kabion ; vreten: schoefele ; vriend: mout ; vuilniszak: vulzak ; verzekering: assuraansie ; vinnig: kittig ; vink: veenk ; vleugel: zwing ;
W
wat: wa ; watten: wat ; wat zeg je?: wa zegde (gij)? ; wafel: woffel ; wagentje (2 wielen): pierewiet ; wang: koak ; warm: wârem ; warmte: wâremte, heette ; waspoeder: waspoeier ; water: woater ; waterketel: moor ; welnu: awwel ; weduwe: weef ; weduwnaar: weveneir ; web : spinnenet ; weegschaal: baskuul ; weigeren: revezeeren ; wenen: bleite, uile ; wereld: weireld ; werk: wârek ; wesp: weps ; wind: scheet ; wind laten: scheet loate, eene loate vliege ; windje: schitsje ; wimpers: peenkers ; worden: wierre ; wordt gij…: wierde gij…; woede: kolleire ; worst: wuist ; wortel (van ’n plant): wuirtel , pees ; wortelen: peekes ; waarlijk: effenaf ; weeral: wirral ;
X
Y
Z
zachte kaas: platte kous ; zagen: zouge ; zaklamp: piellicht, piellaamp ; zaniken: memme ; zeef: zift ; Zeven: zifte ; zeemvel: zeemelap ; zeker: vaneiges ; zeveraar: zieeker, truuter, zieeverreir ; zinken bad: bassing ; zijn best doen: zen devooren doen ; zijn wij…: zin wè…; zijt gij…: zidde gij… ; zoethout: kalliessenaat ; zolder: ’t opperste, zoolder ; zon: looraa ; zoon: zeun ; zure snoep: smoelentrekkers ; zwanger zijn: a-zoo zijn, spoare ; zweer: zweir ; zwoel: doef ;
Gemeenten namen in Zwindrechts
Antwerpen: Aantwârpe
Bazel: Bouzel
Beveren-Waas: Beevre-Woas
Burcht: Buirecht
Dendermonde: Deirmoonde
Haasdonk : Ostdoonk
Gent: Geint
Hulst: Ulst
Kruibeke: Krubbeeke
Lokeren: Lookre
Meerdonk: Meirdoonk
Melsele: Meilse
Moerbeke: Moerbeek
Nieuwkerken: Niekârreke
Rupelmonde: Ruupelmoonde
Sint-Anneke: Sintan
Sinaai: Snaa
Sint-Niklaas: Sint-Nikloas
Steendorp: Stieenduirep
Stekene: Steekne
Sint-Gillis: Sin-Djielles
Temse: Temst
Verrebroek: Vârrebroek
Vrasene: Vroase
Waasmunster: Wousmuster
Weert: Weirt
Zwijndrecht: Zwindrecht ; Zwijndrechtenaar: Zwindrechteneir
Getallen in Zwindrechts
Drie: drij
Twaalf: twellef
Dertien: dârtien
Zestien: zeistien
Dertig: dârtig
Veertig: feertig
Vijftig: fifteg
Zestig: tseisteg
Zeventig: tseefeteg
Negentig: tneegeteg
Honderd: oonderd
Duizend: duuzend
Straatnamen in Zwindrechts
Bemdt: den Bumt
Borgerweert: den Buirgeweirt
Half Maan: d’Allef Moun
Heidam: den Âdam
Heiken: ‘t Âke
Laar: ’t Loar
Molenstraat: Meulenstroat, Meulendam
Nieuwland: ‘t Nielaand
Pijp Tabak: Pijp Toebak
Poenjaard: Poenjoard
Polder: de Poolder
Polderstraat: Poolderstroat
Heilige Geesthoek: Eilige Geestoek
Smoutpot: de Smaatpot
Stationstraat: Stasiestroat
Vendoorn: de Vandoore
Neerstraat: Niesstroat
Vlietbos:’t Flietbos
Bron: Etienne Van Laer
Zwijndrechts dialect Deel 2 en dialect van deelgemeente Burcht
∇