Naar de inhoud

Vlaamse dialecten

seniorennet.beseniorennet.be

Nederlandstalige dialecten

 < De hoofdpunten van deze site vind je aan de linkerkant!

 Klik op onderstaande buttons voor dialect per Provincie of Gewest 
 ∇
mijn prentje

mijn prentje


mijn prentje


mijn prentje


mijn prentje


mijn prentje

mijn prentje


mijn prentje


mijn prentje


mijn prentje

P57-005b37df763ad60e8d8bbf923e32b7c6.jpg

 37162.jpg

mijn prentje

mijn prentje

mijn prentje

mijn prentje

mijn prentje

mijn prentje
 ^ Je bevind zich nu hier ^
mijn prentje

 mijn prentje
 


Senioren site

mijn prentje

mijn prentje


mijn prentje


 mijn prentje 

 ^ Wekelijks nieuwe evenementen Informatie! ^

Zottegem - Zottegems dialect Sint-Maria-Oudenhove - Oudenhoofs dialect

 

 

     Zottegem






 

De naam Zottegem komt van *Sutto-inga-haim en betekent de hoeve van de sibbe van Sutto; Sutto was een Germaanse naam en betekent "de zoete". De oudste teruggevonden vermelding van de plaats dateert uit 1083 als "Sotengem". Een andere bron vermeld Sottengem 1088.
In de 12e en 13e eeuw werd achtereenvolgens van Sottingem, Sotengem en Sotteghem gesproken.
Bijnaam, scheldnaam of spotnaam van Zottegemnaars: mergelspensen, zotten, stoofmakers, beslagmakers, theezeikers, schoenmakers.
> Zottegemse legende (www.zottegem.be/geschiedenis/duivelsvoetstap)   
> Diverse informatie aangaande gemeente Zottegem (blog vlaanderen)   

 

Zottegems dialect

Vervoegingen van werkwoorden in het Zottegems zijn toch wel enigszins uitzonderlijk te noemen.
> Zottegems dialect (www.mijnwoordenboek.nl/dialect)   
> Woordenboek van Zottegem (www.zottegem.be)   
> Oost-Vlaams dialect (info op deze site)   

 


> Zottegem blues met tekst (www.youtube.com   

> Zottegem (www.youtube.com)   
> Zottegem in beeld (www.google.com)   

 
 Sint-Maria-Oudenhove
Deelgemeente van Zottegem.
.
175539.jpg

Uit 1428 dateren vermeldingen van het dorp als Sente-Marien-Oudenhove. In de volksmond wordt nog regelmatig gesproken van "Aunove". De naam heeft eenzelfde oorsprong als Sint-Goriks-Oudenhove en zou liggen bij het ontstaan van een gemeenschap rond een hof dat er altijd (van ouds) heeft gestaan. Oudenhove kan dan geïnterpreteerd worden als "het oude hof".
> Diverse informatie aangaande Sint-Maria-Oudenhove (wikipedia.org)   

 Oudenhoofs dialect

In elke deelgemeente van Zottegem wordt een ander dialect gesproken, zo ook in Sint-Maria-Oudenhove.
> Oudenhoofs dialect (www.mijnwoordenboek.nl/dialect/Oudenhoofs)    
> Oost-Vlaams dialect (info op deze site)   

 



> Sint-Maria-Oudenhove (www.youtube.com)   
> Sint-Maria-Oudenhove in beeld (www.google.com)   


47131.jpg

> Vlaamse Ardennen (blog vlaanderen)  

 

107273.jpg  

Zie voor diverse algemene informatie en toerisme.
> Provincie-Oost-Vlaanderen (blog vlaanderen)  

button

Geraardsbergen - Geraardsbergs dialect

 

 

    
      Geraardsbergen

 

 

 

 

 

Geraardsbergen werd na 1060 gesticht door Boudewijn VI van Vlaanderen wegens zijn strategische ligging op een heuvel aan de rechteroever van de Dender op de grens met het hertogdom Brabant en het graafschap Henegouwen. Het graafschap Vlaanderen was tot 1046  in het oosten begrensd door de Schelde. In dat jaar palmde Boudewijn V, graaf van Vlaanderen het gebied tussen de Schelde en de Dender in. De oostgrens werd vanaf dan de Dender en de steden op deze rivier moesten het nieuw verworven gebied beschermen. Vervolgens kocht Boudewijn de heuvel met het omringend gebied van Geraard van Hunnegem, vandaar de naam Geraardsbergen die hij aan de nieuwe plaats gaf. Maar de plaatsnaam Geroaldi Montem, de Latijnse vertaling van Geraldsberg.
In de geschiedenis, de letterkunde en geschriften komt de naam Geraardsbergen onder verschillende vormen voor : Geroaldi monte (1034  - 1058), Geraldimontem (1081), Geraldimons (1096), de Geraldi monte (1107), Geraldimontensis (1092  - 1110 ), Geromontensis (1142 ), de monte Geraldi (1166), Geralmont (1167), de Geraudi monte - Graumont (1195), Geromontis (XIIe), Geraumont of Gerautmont (1201), Geramont (1211), Gerardi monte (1225
) , Gerardimontium, Geroaldimontem, Gheeraerdsberghe, Gheerardsberghe, Gheraertsberghe, Gheeroutsberghe, Gheroudsberghe, Geroudsberge, Geroutsberghe, Gheeroudsberghe, Gheroustberge, Geertsbergen, Geeraerdsbergen, Gramont, Grandmont, Grantmont, Grammont.  
Bron: wikipedia.org 
> Diverse informatie aangaande de stad Geraardsbergen (blog vlaanderen)   

 Geraardsbergs dialect

Het dialect van Geraardsbergen wordt plaatselijk Giesbaargs genoemd.
Giesbaargs is een typisch dialect en word vrijwel uitsluitend in de stad gesproken, de andere 15 deelgemeenten hebben hun eigen divers dialect.
Volgens sommige dialectologen is Giesbaargs geen Oost-Vlaams dialect, maar een Brabants.
> Giesbaargs dialect (www.giesbaargs.be)   
> Giesbaargs dialect (www.mijnwoordenboek.nl/dialect)    
> Oost-Vlaams dialect (info op deze site)   






> Geraardsbergen (www.youtube.com)   
> Geraardsbergen in beeld (www.google.com)   



47131.jpg

> Vlaamse Ardennen (blog vlaanderen)  

107273.jpg  

Zie voor diverse algemene informatie en toerisme.
> Provincie-Oost-Vlaanderen (blog vlaanderen)  

button


Brakel - Brakels dialect

 

 

           Brakel

 

 

 

 

Brakel ontleende haar naam aan die van Nederbrakel en Opbrakel. Zij waren op hun beurt afkomstig van de Karolingische villa "Braglo", welke al in 866 werd vermeld en die zich bevond ter plaatse van de huidige dorpskern van Opbrakel.
Brakel wordt in de volksmond 'broakel' genoemd.
Scheld of spotnaam van Brakel:
Marktschijters   
> Kaart van gemeente Brakel (www.google.be/maps)   
> Diverse informatie aangaande gemeente Brakel (wikipedia.org)   


 Brakels dialect
> Brakels dialect (www.mijnwoordenboek.nl/dialect)   
> Oost-Vlaams dialect (info op deze site)   

> Brakel (www.youtube.com)   
> Gemeente Brakel in beeld (www.google.com)   



47131.jpg

> Vlaamse Ardennen (blog vlaanderen)  

Brakel behoort ook tot de Denderstreek ook wel Denderland genoemd.
> Denderstreek (Wikipedia.org)   


107273.jpg  

Zie voor diverse algemene informatie en toerisme.
> Provincie-Oost-Vlaanderen (blog vlaanderen)  

button

Herzele - Herzeels dialect

 

 

    Herzele

 



 

 

De naam ‘Herzele’ is afkomstig uit de 7e eeuw van ‘harja sali’, wat zoveel wil zeggen als ‘een gebouw van de heer’. Dit wijst op de burcht, die, weliswaar een primitieve versie uit hout- en vlechtwerk en aarden wallen, een goede verschansing was tegen de Noormannen.
Herzele wordt plaatselijk Eizel uitgesproken.

Scheld of spotnamen van Herzele: Ganzenwachters , Makraangasten.  
> Kaart van gemeente Herzele (www.google.be/maps)   
> Diverse informatie aangaande gemeente Herzele (blog vlaanderen)   


Herzeels dialect

Het dialect van Herzele wordt plaatselijk Eizels genoemd.
> Herzeels dialect (www.mijnwoordenboek.nl/dialect)   
> Oost-Vlaams dialect (info op deze site)   


Het Oost-Vlaamse Herzele in het West-Vlaams Osténs dialect (Oostende) voorgesteld. 
> Herzele (www.youtube.com)   
> Herzele in beeld (www.google.com)   

 47131.jpg

 Herzele behoort tot de Vlaamse Ardennen en Denderstreek 

 
107273.jpg  

Zie voor diverse algemene informatie en toerisme.
> Provincie-Oost-Vlaanderen (blog vlaanderen)  



button

Zingem - Zingems dialect Ouwegem - Ouwegems dialect

 

 

    Zingem

 

 

 

 

De naam gaat terug op de Germaanse nederzettingen: Sigginga-heim betekent letterlijk nederzetting van de lieden van Siggo, die zich vestigden op de zachte helling van de linker Scheldevallei 967.
Scheld of spotnaam van Zingem: Wannemakers 
> Kaart van gemeente Zingem (www.google.be/maps)   
> Diverse informatie aangaande gemeente Zingem (wikipedia.org)   

Zingems dialect
> Zingems dialect (www.mijnwoordenboek.nl)   
> Oost-Vlaams dialect (info op deze site)   


  

> Zingem (www.youtube.com)   
> Gemeente Zingem in beeld (www.google.com)   

 

Ouwegem
Deelgemeente van Zingem

De naam Ouwegem is afgeleid van de Germaanse familie van een zekere Aldo; het was het 'Aldinger-heem', en werd reeds in het jaar 830 als dusdanig vermeld. 
> Kaart van Ouwegem (www.google.be)   
> Diverse informatie aangaande gemeente Ouwegem (wikipedia.org)   


Ouwegems dialect
> Ouwegems dialect (www.mijnwoordenboek.nl)   
> Oost-Vlaams dialect (info op deze site)   


139120.jpg


Klik op de afbeelding om te vergroten.
> Gemeente Ouwegem in beeld (www.google.com)   
> Ouwegem (www.youtube.com)   


47131.jpg

> Vlaamse Ardennen (blog vlaanderen)  

107273.jpg  

Zie voor diverse algemene informatie en toerisme.
> Provincie-Oost-Vlaanderen (blog vlaanderen)  

button


Gavere - Gavers dialect Asper - Aspers dialect

 

 

       Gavere
 

 

 

 

 

De vorige plaatsnaam van Gavere was Gauere of Gauara 10de eeuw, in Germaans Gabra betekenis voor moeras of drassige weide.
Gavere wordt ook wel eens het ‘prinsdom aan de Schelde’ genoemd.
Scheld of spotnaam van Gavere: kijkers, koldragers.
> Kaart van Gavere (www.google.be/maps)   
> Diverse informatie aangaande gemeente Gavere (wikipedia.org)   

Gavers dialect

> Gavers dialect (www.mijnwoordenboek.nl/dialect)   
> Oost-Vlaams dialect (info op deze site)  

> Gemeente Gavere (www.youtube.com)   
> Gemeente Gavere in beeld (www.google.com)   

Asper
Deelgemeente van Gavere.

Voor de plaatsnaam betekenis van Asper verwijzen Etymoloogen naar verschillende afkomst en uiteenlopende betekenissen. Van de 10de eeuw af zijn de plaatsnamen Haspra, Aspera, Haspere en vanaf 1200 Asper. Het zou met weiden en rivieren te maken hebben. Ook kan de plaatsnaam met een lokale grondbezitter te maken hebben.
> Diverse informatie aangaande gemeente Asper (wikipedia.org)   

Aspers dialect

> Aspers dialect (www.mijnwoordenboek.nl/dialect)
> Luister naar het Gavers dialect (www.erfgoedbankleieschelde.be)   
> Oost-Vlaams dialect (info op deze site)  

 

140584.jpg

Klik op de afbeelding om ze te vergroten.
> Gemeente Asper in beeld (www.google.com)   

 
47131.jpg

> Vlaamse Ardennen (blog vlaanderen)  

107273.jpg  

Zie voor diverse algemene informatie en toerisme.
> Provincie-Oost-Vlaanderen (blog vlaanderen)  


button

Waasland - Land van Waas Waaslands dialect

       
       Waasland

      Land van Waas

 

 

Het Waasland wordt ook Land van Waas genoemd.
Herkomst van de naam: 'Waas' gaat etymologisch misschien terug op het Germaanse 'wasu', dat 'drassige grond' betekent, of op een oud Teutoons woord met de betekenis van 'slijk'. Een andere mogelijkheid is het Middelnederlandse woord 'wastin(n)e', wat 'woeste grond, woestenij' betekent (vgl. Engelse 'wasteland').
> Diverse informatie aangaande het Waasland (blog vlaanderen)   
> Diverse informatie aangaande het Waasland (blog waasland bericht)   


 Waaslands dialect

Dialecten
Het is vijf voor twaalf voor de dialecten', 'Alle dialecten zullen verdwijnen!', ... zijn tegenwoordig vaak gehoorde opmerkingen. Maar klopt dat ook? Spreken jongeren minder dialect?
Het Waaslands dialect wordt naar men beweerd meer en meer ‘Verbrabantst’.
Tijd dus om het oorspronkelijk dialect van de diverse Wase gemeenten in hun specifieke schrijfwijze te bewaren.

Waaslandse gezegden
- comfortabe: gelijk ne puit op nen harde wegel
- een windje laten: een padde doodtrappen
- flauw vallen: kollek te pas
- flauw vallen: van zijn stekken gaon
- hem slagen geven: hem een goeie dussing geven
- het is gedaan: schaap is de preut af
- hij heeft vreemd geweest: die eet neefste de pot gepist
- je moet niet hopen: ge moet a bonen niet te week leggen
- lange regenjas: gabardien
- spijbelen: achter de weijr lopen
- tot het randje toe gevuld: met een Beverse moat
- wc: ‘tgemak
> Spraak van de Waaslanders, hoe Waaslands spreken (www.woordenbank.be)   
>
Waaslands dialect (www.mijnwoordenboek.nl/dialect/Waaslands) 
 
> Oost-Vlaams dialect (info op deze site)   

175540.jpg

> Het Waasland (www.youtube.com)  
> Waasland in beeld (www.google.com)   

Waaslandkaart

mijn prentje 

Klik op de kaart om te vergroten.
> Kaart van het Waasland (https://www.google.be/maps)   
>
Historische kaarten van het Land van Waas (www.google.be)   
  > Waasland (blog waasland bericht) 

getimage2.php?imageid=460724&albumid=7374&typeid=4
> Waasland (blog vlaanderen) 


 107273.jpg  

> Provincie-Oost-Vlaanderen (blog vlaanderen)  


mijn prentje

 > Vlaanderen (blog vlaanderen)  

     
button

 
Dialect van Wase Steden en Gemeenten 

∇

Sint-Niklaas (deel 1) Sinnekloases dialect


          
     

   Sint-Niklaas (deel 1)




 

 

 

 

De naam Sint-Niklaas is afgeleid van Nicolaas van Myra, de patroonheilige van de stad. Begin 13de eeuw werd voor hem een parochie opgericht en een bijhorende kerk gebouwd, de Sint-Nicolaaskerk. Deze naam is men dan ook voor het omliggende dorp gaan gebruiken. Later is Sint-Nicolaas enigszins verbasterd tot de huidige naam. In het verleden zette men achter de stadsnaam soms ook nog "-Waas", verwijzend naar de ligging van Sint-Niklaas in het Waasland, maar deze gewoonte is buiten gebruik geraakt.
Scheld of Spotnamen van Sint-Niklaas: rapenbraders, oliezekers, blauwselmannen.
Sage: De raap van Sint-Niklaas (www.figy.be/legenden)   
> Diverse informatie aangaande stad Sint-Niklaas (blog vlaanderen)   

Mooiste dialectwoorden in het Sint-Niklaas dialect

Allemanswies: iemand die met iedereen overeen wil komen en dus iedereen naar de mond praat ; Bieènaarsreis: nutteloze verplaatsing ; Dedderen: pletten / stampen ; Djakken: (uit)gieten / hard regenen ; Dreevelen: slenteren / heen en weer ; Knoesels: enkels ; Lutsen: uitvragen, uithoren / informeren, schudden ; Meulenjeir: meikever ; Muttekesknien: X-benen ; Mwaaësteek: wormstekig, gaten van wormen in bv appels ; Oarzak: valsspeler ; Pauzewol: donshaar ; Pieketijn: tang van een vrouw / boze ; Pieternel: lieveheersbeestje ; Oekedoeleken: kikkervisje ; Savooëpjeird: Libel ; Schuddemattijs: vanillepudding / hevig trillend of bibberend ; Swenst: ondertussen, terwijl ; Tingels: brandnetels ; Toespaal: veiligheidsspeld ; Tootentrekker: schijnheilige / iemand die iedereen gelijk geeft, grimassentrekker ; Wabbedei: sul, sukkelaar / bangerik.  

 Sinnekloases dialect

In Sint-Niklaas wordt een dialect gesproken, het Sinnekloases. Het is een Oost-Vlaams dialect met invloeden van de Brabantse dialecten.
Het Sinnekloases zou naar alle waarschijnlijkheid deels voortkomen uit het Bargoens.   
Zie eventueel ook: > Waasland dialect (op deze site)  

A
aarde: jerde ; aardappel, petet ; aardappelen: patatten ; aardappelmesje: petteteschaaler ; aangezicht: wezen, toot ; aalput: bjeirput ; aap: aop ; aambeeld: ambild ; aanhang: annekesnest ; arm: eirm ; achterwerk: gat , kont, poepegat ; appelmoes, appelspijs: appeltrut ; aardbei: jerrebees ; afvoerput(je) aan straatriool: konduit : afboortsel (kleding): biezeken ; anjer: djanoffel ; armband: brasselee ; auto: otto ; afwisselen, eten: schransen ; avond, nacht ; donkeren ; allemaal: aamel ; achtertuin: achterbuiten ; achterna, naderhand: achternoar ; afdingen, afbieden: afbieën ; afnemen, afpakken: aflangen ; afzetten, bedrieglijk afnemen, afluizen, aflutsen ; afluisteren, siekem luisteren: aflusteren ; aftelrijmpje: aftaëlselken ; akkoord: akkort ; alarm: aleirm ; altijd, immer: alt, altid ; allemaal, allen: ammel ; als we, indien we, wanneer we: ammen ; appelboom: appeljeir ; appelmoes: appeltrut ; afzonderlijk, breng terug, haal: apport ; apotheker: apteeker ; als, indien: as ; asthma, azemma, asma ; advokaat: avvekoat ; aldus, zo, bv.: azooë ; als, indien, bv.: azze ; afsluiting, plankenscherm: bard ; aanlegsteiger: barkadeir ; achtergehouden loon: blaagaëld, blaan ; aanstellerij, kouwe drukte, complimenten, streken: chi-chi ; vroedvrouw : achtergoaras ; afdokken: afspetten ;  achtergehouden geld: blagaeld ; achterlijk onverzorgd mens: djoeben ; 
B
baalkatoen: amblozie ; bil, dij:
bul ; blauwsel voor was: blaasel : blauw: blaat ; bloem: blom, blomme ; buien van neerslachtigheid: loeten ; beetje: bitsjen ; bijna: bekans, bots ; bril: brul ; brildrager: brulkas ; bloedworst: bullink ; bruine suiker: poejesuiker ; bootschappentas: kabbas ; boekentas: karnacheir, cannaciére ; boord van voetpad: borduur ; buitelen: n'n toer leigen ; borstel: bustel ; brievenbus: bwat ; breigaren: swaa ; blootsvoets: berrevoets ; beer: bjeir ; been, bieden: bien ; behangen: bejangen ; bestellen: bestaalen ; bloot: bloat ; borst: bust ; borstomvang vrouw: vanveuren, schap ; bakkebaarden: fabries ; bederf: bedeirf ; bel, schel: baal ; bles: froufrou ; boodschap: kommisie ; braken: broaken ; breien: brein ; broekophouder: bruttaal ; broodbeleg: toespeas (toespijs) ; brutaal: brutoal ; buiten de stad: op den buiten ; blootvoets: berrevoets ; binnenkort: achtereën ; beeindigen, af hebben: af ein ; bergaf: afberg ; betalen: afdokken, afspétten, lammeren ; belediging: afront ; beledigen: affronteeren ; bedelen, schooien: afvroagen (persoon die bedelt: afvroager) ; buitenspel: alfsijt ; blindedarmontsteking: appandesiet ; besef, benul, sprake van: apprensie ; bakzitter: bajesklant ; bijlange niet, absoluut niet: belange nie ; bandiet: baldiet ; boezem: balkon, vaveuren, tettazjeire ; behalve: balven ; bed: bëdden ; bedsponde: bedspoanen ; bedorven kind: bedeirfstront ; bedelaarster: beedelas ; beeldje, prentje: beeleken ; begonnen: begosten ; bij god: begot ; berg: beirg ; bijna: bekan, bekans ; belegt: beleed ; bangerik: benaakakker, benaaschijter, broekschijter ; bescheid: beschieéd ; beschaamd, verlegen: beschomd ; bezem, borstel: bêsom ; beboffen, ophemelen: bestoeffen ; bavette, slabbetje: bavetsjen ; babbelaar, pratjesmaker: babbeljeir ; betalen: betietsen ; betijen: betijn ; betrouwen, vertrouwen: betraan ; betlehem: bêtteljem ; beweren: bewjeiren ; bakkes: bëk ; bieden, afbieden: bieén ; beenhouwer, slager: bieénaar ; beitel: bieétel ; bullebak: bietskoeber ;  bijltje: bilken ; binden: binnen ; bijeenbrengen, inzamelen: binnenrijven, binnenschijeren ; beetjes: bitjes ; beetje: bitsen ; beer: bjeir ; beerkar, wagen van de ruimdienst: bjeirkeir ; beerlepel: bjeirloet ; blauw: blaa, blaat ; blood: blooët ; blaar: blein, bloar ; blind: blénd ; blinde: blénde ; bladeren, bladen, bladzijden: bloaren ; blaasbalg: bloasbalk ; bloeden: bloeien ; bloeiend, welvarend, gezond: bloeikens ; bloem: blom ; bloemsuiker: blommekee ; baal, zak: boal ; bloemtuil: boekee ; bewegen: boezjeeren ; bakkebaard: bokkenboard ; beukenoot: bokkenoot ; balie, bewaakte spooroverweg, soepvlees: bollie ; bodem, boom: booëm ; bonestaak, lange persoon: booënkodde ; baasje, ventje: bosken ; bijna, bekan: bots ; boterham: botteram ; branderig, geirriteerd: brandig ; besmeren met boter: brieén ; brildrager: brilkas, brulkas ; brengen: bringen ; brouwer: broar ; brouwerij: broarij ; bobbel, knobbel, boebel: broebel ; bangerik: broekschijter, benaakakker, benaaschijter, benaan ; broodje: brooëke ; braden: brwjaën ; braadpan: brwjaëpan ; brutale speler, ruwe speler: brutus ; beurs: bus, buzze ; bischop: buskop ; borelink in luiers gewikkeld: busselkind ; borst: bust ; bezem, borstel: bustel, bessem ; barsten, buigen: busten ; beurs, bus: buzze ;  blaffen: bassen ; beetje: bitteken, bitsen ; brievenbus: bwaét ; beeld: buld ; beeldje: bultsjen ; beuling, pens: bullink ; boekentas: carnasjeire ; bij: bie ; blonde jongen: ne witten ; afglijder in speeltuin: ne ritser ; beenhouwer: bienaur : bangerik: benascheet ; beslissing: beschjieed ; bieden: bjeen ; blauw oog: blasie ; bijna: bots, bekan ; borstel: bussem ; betten: bwoan ; Bakkebaarden: Fasjen ;
C
café (herberg) bezoek: pintelieren ; café  met vrouwelijk gezelschap: kabberdoeschken ; chocolade: sjoklat ; circus: cierk ;
D
drie:
drij ; drank (bevat alcohol): druppelken ; doopmeter: pitchun ; dooppeter: peteren ; dokter: doktoor ; dorpel: durpel ; duimspijker: puneize ; dakgoot: kornich ; doos: doez, dous ; duizend: duzend ; dennenappel: slouper ; straks: sebiet ; das: plastron ; de eerste: ierstes ; de laatste: leste ; deze: dees ; darmen: deirmen ; deken: sorjie ; derven: deirven ; domme vrouw : kallewiet, kal ; dommerik: annewuiten ; dorp: durp ; dronken: strontzat ; drukknop: prusjong ; duivel: duvel ; dweil: dwaal ; dwerg: dweirg, kabater ; deksel: scheel ; dok, haven: bassin ; dokwerker, havenarbeider: bassinweirker ; dronkenlap, bierlut ; drinken: binnepeiren ; duidelijk, klaar, vlak: black ; dank: bedankt ; dwaas meisje, lomp meisje: boeresieés ; deren, raken, schelen: bommen ; droogvis: booning ; dwaze praat verkopen, wartaal uitslaan: broebelen ;  doorwerken, spoeden: buzzegeven ; deurlijst: chambran ; deken: sorgie ; dropje: senjupeken ; dat is niet waar: das just ; de pot op, den boom in: foert ; dan: den ;

E
eten, maaltijd: biek ; (op)eten: biekken, boeffen, binnensloan, binnenspeelen ; eetbord:
teloar ; elleboog: aleboog ; enkel: knoesel ; eenzaam: moederziel alleen ; emmer: iemer ; een, ne ; engel: ingel ; znkel: knoessel ; elleboog: aëleboog ; erger en erger: allangsomeiger ; elders: ander ;

F
fiets:
velo ; fietszadel: selle ; fietsenstuur: giedon ; fluitje:
flutje ; frieten: petetfriet ; fopspeen: tutter ; foto: portret ; flauw: flaa ; foefelaar: bietskommer, foefuljeir ; fotograferen: trekken ; fondant, dragee, suikersnoepgoed, avandanskes ; foorkramer, nietsnut: brakman ; fruit van boom stelen: bunderen ; fondant chocolade: fondang ; foei: Eits ;
G
gemakkelijk:
flutje van ne cent ; geel: gjaal ; geur, parfum: reuk ; gootsteen: pompbak ; gescheiden: gescheen ; geneesmiddelen: pillekes ; gedaan: gedoan ; geld: gaalt ; geld (papieren): briefkes ; garnaal: gjemoart ; gevangenis: tkasot ; gezicht: smoel, bakkes ; grote borsten: veel volk in de stoatie ; grote mond: gaffel ; gaaf: gjeif ; gehakt: gekapt ; gekreukt: vurmoeust, vurfrommult ; geldbeugel: portemonnee ; gelovige vrouw: kwezel ; gescheiden vrouw: levende weef ; geweest: gewist ; gezellig: gezaallug ; glad: gelattug ; graag: gjeiren ; geneesmiddel tegen hoofdpijn: antiekoliek ; gebouw, ouderlingengesticht: baa ; gevangenis, cachot: bak ; gezicht, mond: smoel, bakkes ; gebruiken, lenen: beezen ; gerookte haring: boestring, bokking ; braambes: brombees ; geldbezit, portemonee: bruinen ; gloeilamp: bolleken ; gevangenis: cachot ; geluk: sjangs ; grapjas, stommerik: blaastuit ; gooien: peiren ; geliefd door allen: allemanswies ; grote trom: djoembal ;
H
handschoen:
wanten ; handtas: sakosj, sjakosj; hesp: heps ; hamer:
ommer ; huid: vaal ; haag: wjeir ; haastig: ostig ; hard: neig ; hart: ert ; hartje: ertchen ; habijt: gattekletser, pietelier ; haren: hoar ; herstellen: herstaalen ; haken: krossjutteren ; handje: polleke ; handjes: pollekes ; haring: njeiring ; het is: tis ; hik: nuk ; hinder: ambetant ; hooghartige: schitkont ; hotel: hotoal ; hoogstwaarschijnlijk: vantiennegen ; hommel: bombie ; hel: aël ; hun, hulder: aëlder ; hard werken, zot worden: afdrjaaën ; haasten, zich afjagen: afstaan ; halfweg: alverweegen ; hersenen: assens ; herrieschopper, opschepper, beslagmaker: bagaamoaker ; hebben en houden: bataklan ; hoplaba: oeplaba ; hond: poezewoef ; hoopje: avel ; hevig regenen: djakken ;
I
ijsroom, ijsje:
pillekenkaat ;  ijverig, naarstig: njeistug ; iedereen: aëlkendieën ; indien: ak ; indien ge: agge ; ingang: antree ; incidentje, voorvalletje, tegenslag: arrëtsjen ; iemand met veel geluk: pietzak ; iemand die doet alsof: plantrekker, karooitentrekker ; houten schoeisel: atetonen ; leperd: floerentoeter ; in modder trappelen: dasterren ; 
J
jullie:
gulle, (hebben jullie: hedde gulle) ; juist: juust ; juffrouw: juffra ;
K
kus, zoen:
bees ; koekjes:
koekskes ; koffie: kaffie ; koud: kaat ; kers: kazebees ; kruisbes: stekelbees ; kauwgom: chic ; kopje (drinktas): jat ; klein kopje (drinktas): tasken ; kruiwagen: kurrrewoagen ; kraag, lijm: kol ; knikker: merreboel ; klets, mep: veig, furrel , mossel ; kindje: kinneken ; kikkervisje: oekedoeleken ; kleintje (kind): schopken ; kast: kas ; kaal (hoofd): kletskop, klets ; kaai: kwa ; koe: koei ; kikker, pad: puit ; kaak: koak ; kaart: kort ; kar: keir ; kip: kieken ; kippevel: kiekeboelen ; koning: keunink ; koningin: keuningin ; kookpan: kastrol, kasserol ; kort kapsel: kallot ; kwajongen: raffasjol ;  kater: koater ; klaar: kljeir ; klap: plak ; klompen: blokken ; koets: karros ; koets met paarden: viezjelant ; koopwaar: marsjandies ; kort verblijf  (in afwachting van...): schupstoel ; kozijn, neef: kozzun ; krant: gazet ; krul: krol ; krulletjes: krollekes ; kwispel, tres: kwupsel, flosj ; kompassie hebben: ochottekkus ; kuip: bassing ; koorts: kursen ; komen aanlopen: afstisselen ; koord: ballepees ; kinderspel: ballepjeird ; kaartspel(boek speelkaarten): bat ; krul, smoel, kogellagers: bielles ; kwetsen, verwonden: blesseeren ; kloefnagel, klompnagel: bloknoagel ; kapper, barbier: boardschjeirder ; knobbel, bobbel: boebel ; kruimels, klein stukje: brokkeling ; kuit: brwjaë ; kruinoot, tik op hoofd: calot ; kaatsbal: ketsenbal ; kippevel van de koude hebben: kiekevlieas ; konijn: kornijn ; kat: poezekat ; kom nu: allatoe ; kind dat teveel krijgt: bederfstront ;
L
lomperik:
boerepummel ; lantaarn: lantjeirel ; lievelingkind: kakkenest ; lastige: nen ambetanten ; laarzen: botten, bottinen ; lenden: lee ; letterkoekjes, knappe meisjes: mokskes ; liedje: lieken ; lucht: logt ; lucifers: stekskes ; laarzen: ljeirzun ; larve: mwoa ; leggen: leigen ; leugenaar: leugenjeir ; lichaam: lijf ; lijst: lieest ; luik: blaffetuur ; leeftijd, ouderdom: aade ; lastig: ambetant (lastigaard: ambetanterik) ; lastigvallen, ambeteren: ambeteeren ; leugen: bloag, bloas wijsmaken ; leurder: boanman ; laarzen: botten ; lekstok: gattekletser, ne lekkestok ; lomperd: badden ; lompe vrouw: dwoazekal ; kinderuitroep: eipepei ; Lies: ekenissen ; Lievertje: sgatje ;
M
modder:
moor ; mooiprater: blageur ; melk: maalk ; mantel, jas: frak ; mouw: maa ; mier: murezzeaker ; muggezifter: muggezeaker ; maart: mjeirt ; meersen: mjeisen ; maand: mond ; meikever: meulenjeir ; meisje: mesken ; maag: moag ; masker: mombakkes ; meesteres (bazin): mastes ; merel: mjeirel, mjeirlon ; middag: noen ; meter: pit ; moffel, handenwarmer: mansjong ; motregen: zeveren ; moeilijkheden: ambras ; massageolie: ambrokoazie ; mond: babiel, babielle ; minderwaardig artikel: bocht, bazaar ; maagdelijkheid: blom ; meikever (witte-mulder): bomboard ; medaille, eremetaal, brelok, madollie ; miderwaardig artikkel, minderwaardig persoon: brol  ; maaltand: boktand ; manspersoon, kind: kadee ; maak dat je weg komt, verdwijn: trap et af ;
N
netel:
tengel ; nergens: nieveranst ; nachtkleed: tabbert ; nu: noa ; naakt, bloot: padderren ; naald: nold, nolde ; navel: noagelbuik, noavel ; niets: niekskes ; nieuw: nuuf ; nieuws: nuus ; nochtans: purtang ; nonnen: kwezelkus ; nu: noa ; nuchter: nugteren ; nergens: nieveranst ; neusverkoudheid: sneuvring ; nachtegaal: achtergoal ; nadoen, nabootsen: achternoardoen ; nietemin, nochtans: allegelijk ; niemendaal, bout, stront: baat ; neus die nogal groot is: bataaf ; nietsnut, bullebak: bietskoemer ; naakt: blooëten ; nut, baat: boat ; nul, niets, zero: bros ; nietdeug: nietsnut, smeerlap, schurfterik, beest van ne vent ; notaboekje: callepênske ; nu: noa ; nasleep: bataklan
O
ondertussen:
swens ; ouderwets: aawets ; operatie: operoatie ; oud, hout: aat ; onderjurk, onderkleed: kombineezon, communaison ; overgeven: spoagsul ; overgeefsel:
spoagsul ; oude man: aaman ; oude vent, vader, houden: aan ; ouder in tijd: aar ; ouders: aars ; oud, hout: aat ; ouderwets: aawets ; oudste, vader: adsten ; ontkennen, weerleggen: afstrijn (persoon die ontkent: afstrijr) ; ontsteltenis: arroazie ; omstreken: aviron ; onozelaar, dwaas persoon: badden, baddevinus ; ophemelen, bestoeffen: beboffen ; opschepper: blageur ; opzettelijk, exprés: asprés ; oude kaas: brokkelkoas ; opdienschotel: cabree, cabberee ; ouderlingenhuis: aamannekeshuis ; ontstentenis: alteroatie ; onbepaalde kleur: appelblazeegroen ; onderlegger kookpot: barreken ;
P
prentje: beleken ; 
pijn: zier,zear ; peperkoek: pompkoek ; pletten:
dedderen ; pantoffels: sloeffen, sletsen; pesten, treiteren: koejeneren ; plankenvloer: plansjee; paard: pjeirt ; papegaai: poapegwa ; pannekoek: koekenbak ; pantoffels:
sletsen ;
pels: paals ; pet: klak ; pakken: ik heb hem te stekken ; pastoor: pastur ; peer: pjeir ; perzik: peas, paas ; pier: piellewuiter ; plaats onder gesloten trap: spender ; politie-agent: sjampetter ; praten, babbelen: klappen ; preekstoel: prikstoel ; puist: pust ;  speelplaats: koer ; pauze: antrakt ; proppenschieter, ballebuis ; pedaalas van fiets: brakkee ; persoon die wartaal uitslaat, broebeljeir ; pletten: dedderren ;
Q
R

rolluik:
persjen ; roodharige: roste ; rusthuis: aamannekeshuis ; schaduw: lommer ; reclame: reklam ; rem: frein ; reimpje: rimpken ; ring: rink ; rouw: roa, raa ; regenbuien: vloagen ; roomhoorntje: eirepijp ; rijke begrafenis met elf uren mis: aëlfuurenlijk ; rap, vlug, snel: agaa ; vooruitgang, baat, genaderd: avans ;rijstpap: rispap ; ragebol: koppejaeger ; regenworm: pielewuiter ; rammeling, pak slaag: bootering, smering, roefeling, toefeling, pekking ; ritssluiting: tiret ; rolluik: blaffetuur ; ruiker: blommekee ;

S
scharenslijper:
scheiresliep : scheiding in hoofdhaar: schea ; schilderen: schulderen ; schilderij: schulderij ; schort: vusschoet ; schouder: schoar ; schouw: schaa ; schrik angst: schoa ; snijden: snein ; speld: spaal ; sporen: spoeren ; staal, monster: stoal ; staart: stjeirt ; strikje: streksken ; stelen: pieken ; stelten: staalten ; stoelgang: afgang ; strooien hoed: tiets ; schroevendraaier: tournavies ; schuld betalen, met drogredenen afkomen: afkommen ; stilletjesaan: allangsom ;straatafvoer: conduit ; stro voor dieren: stroeut ; stotteren: hakkelen ; stuur van fiets: quidon ; scheelzien: schjaal ; slapen: sloapen : soms: amêts ; streepje: sripken,strippeken ; strepen: stripkes ; straks: sebiet ; snoepje in papier verpakt: karremaal ; speculoos: spekeloas,spekuloas ; schillen: schalen ; schroef: veis ; schroevendraaier: tournevies ; straat: stroat ; step: trottinet ; schommelen: biezebeizen ; schaar: schjeir ; sukkeltje: dutsken ; schaap: schoap ; station: stoatie ; smiddags: snoenus ; smorgens: smeirus ; scharenslijper: schjeiresliep ; schildpad: schulpadde ; schoppenhaas: schuppenoas ; schrift: kajee ; sla: salwoa ; slab: bavet ; smeren: smjeiren ; snor: moestasj ; sokophouder, kousenophouder: djartaal ; soldaat: piejot, soldoat ; spuwen: spuggullun ; staart: kodde ; stapel: stoapel ; scherp smaken: afsmoaken ; spek, snoep, karemel, muntstuk: bal ; schommelstoel: beizestoel ; schommelzetel: beizezetel ; schrik: banaat ; spoorwegbiels, dwarsliggers: bielles ; schommel: bijs ;  schommelen: biezabijzen ; schommelpaard: bijzepjeird ; straf, berisping: boelen ; persoon die wartaal uitslaat: broebeleir ; snelgaand persoon: buzzesneir ; stempel, waarmerk, winket loket: cachêt ; schrijfboek, schoolschrift: cajee ; schrijfpen: cajeepen ; smoelentrekker, plantrekker: carootentrékker ; sintels: cénders, schrabielen ; stuipen: céskes ; sjachelaar, onbetrouwbaar handelaar: chaggeljeir ; strandsloffers met stuk tussen de tenen: piellepoeuten ; schommel: biezabijs ; step: trionet ; slaan: afdoefen ; snel: aga ; soms: ammets ; snelle gast: antekal ; sul: baddevinus ; snel lopend persoon: bussesneir ; schommel: bijs ; schurk: bullebak ; stotteraar: doddereir ;
T
tas of kopje:
sjat ; tabak: toebak ; teen: tean ; turkoois: appelblaazeegroen ; traag: troag ; taart: toert ; taartje: toertje ; trage: lanterfanter ; tandarts: tantist ; trapovergang: allee ; terwijl: binst ; toen: toens ; toendertijd: toen ;
tavel: toffel ; teerling, dobbelsteen: tjeirlink ; toilet, wc: tgemak, koer ; t leger: den troep ; taartje: patteeken ; tabak: toebak ; teren: tjeiren ; terwijl: binst ; tom-pouse: boeksken ; tweede: twiets ; tafellaken: twalseree ; trap overloop, pallier: allee ; ontsteltenis, alteratie: alteroazie ; toestel: apparael ; tong: blad ; tarwemeel, meel: blom ;
U
uitsteeksel aan kleding:
teut ; uit gedaan: af ; uitstaans, zaken, zaak, affaire: affjeire ; uurwerk, horloge: arloozie ;


Deel 2
∇

Sint-Niklaas (deel 2) Sinnekloases dialect

            
          
Sint-Niklaas (deel 2)
               Zie  eventueel ook: >
Deel 1   

         > Diverse informatie aangaande stad Sint-Niklaas (blog vlaanderen)   


Sinnekloases dialectwoorden vervolg van
Deel 1  

V
varken: veirken ; voetpad: plansier ; vloek: nondedju ; vrouw: vraa ; vroedvrouw, baker: achtergoaras ; verwelkt: verslenst ; verbaast: jawadde ; vork: vurket, furchet ; voetpad: trottoir ; vest (gebreid): jilee ; verstoppertje: piepkenduik ; vader: vodder ; vlugge: rapiet, rappe ; verkoudheid, bakvis (jong mens):snotneus ; verkoudheid: valling, snotvalling, sneuvering ; veiligheidsspeld: toespaal ; vensterluik, zijluik: blaffetuur ; vroeger: vroeger joaren ; vaars: mutten ; verlof: kondjee ; verstellen: verstaalen ; vooraan: vanveuren ; voorhoofd: vurhooft ; vorig: veurig ; vaars: vjeis ; ventiel: suppap ; ver: veir ; verdrinken: versmoeren ; verkoper: marsjang ; verlengstuk bij hemden: slep, sleppen ; verlooft zijn: vrijoage ; verstoppertje spelen: piepkunduik ; verbeteren: vurtjeiren ; vlaag: vloag ; vleesbrood: friekandon ; volgend: noste ; vrijer, verloofde: lief ; hemd gedragen boven broek: voan ; vechten: aflappen ; vechtersbaas: aflapper ; van elk de helft: alf en alf ; vrijpostig, frank: aschrant ; vooruitgaan: aveceeren ; veelpraatster: babbelas, babbeljeir, babbeltoot ; veelprater: babbelgat ; vreten: baffen ; vechten, kakken: batteren ; verwanten, nakomelingen: bestonsel ; valsspelen: oarzakken, biebaan ; valspeler, oarzak: biebaar ; vent, kerel: bink ; vreten: boeffen ; veelvraat, beroepsmilitair: boeffer ; vrouw die van dieren houd: bieëstevraa ; vlinder: mottevijver ; vliegenraam: vliegeroam ; verzamelaar prullen: acor ; vervelend: asgrant ; vechten: batteren ; vals spelen: biebaan ; vleien: flammakken ; vleermuis: floeremuis ;
W
water:
wauter ; waterketel: moer ; wenen: blijten ; wagen, koets: cheireban ; wagentje om zakgoed met te vervoeren met twee wielen:
pierewiet ; wind laten: scheet ; windje laten: schitjen ; worden: wurren ; word gij: wurde gei ; worst: wust ; wortel: wurtel ; warm: werm ; weduwe: weef ; weduwenaar: wevenjeir ; wrat: wurt ; wereld: wjeireld ; wafel: woffel ; warenhuis: twoarenhuis ; weegschaal: baskuul ; wenkbrouw: wenkbroa ; wimpers: pinkers ; wang: koak ; weigeren: ruvuzeren, revezeren ; wel: waal ; welkom: waalkom ; wc toilet: achteren ; waterafvoer: goot ; welnu, wat nu, ach wel: awaël ; welja: bajaa ; welja, inderdaad: bajaat ; welja we stemmen in: bajaamen ; welnee: baneé ; welnee ik, neen ik, banieuk ; welnee we zijn niet akkoord: banieumen ; warande: barande ; weinig, niets: briezel, briezelken ; worstelen, vechten: bustelen ; washandje, zakje: buzzeken ; wesp: weps ; worm: wurm ; wijk: weak ; washandje: buzzekken ; wat zeg je nu: djeurjong ;
X
Y
Z:
zwoel: doef ; zeker: vaneiges ; zinken bad: bassing ; zwanger zijn: spoaren ; zolder: opperste ; zijde, stikzijde: zij ; ziekenhuis: hospietoal ; zoon: zeun ; zo is het: zulle ; zou jij: zodde gei,zulde gei ; zeef: zift ; zagen: zanieken ; zeveren, : zeaken ; zeveraar: zeaker ,zeverjeir ; zeemvel: zeamlap ; zakgeld:, loon: pree ; zijt gij: zidde ; zin hebben in: goesting ; zolder: toppurste ; zwarte piet: nikodeemus ; zweer: zwjeir ; zaklamp: pielamp ; zak, plunjezak: bazas ; zwieren, duiken: bëkken ; zegelring: cachétring ; zulke: azoeker ;

Vooral de zeer zware A is typisch voor het Sinneklase dialect , ook het stopwoord zunne op het einde van een zin of als tussenwerpsel gebruikt , wurre was ook iets dergelijks , in de omgeving van de stad is dat telkens een kleine variatie , onderandere , in Sint-Niklaas was er eertijds een duidelijk verschil naargelang de straat waarvan je afkomstig was , het meest , zoals die van Tereken , nu niet meer in gebruik het klonk als muren ;mieren , luiken aan een huis ; blaffetieren , plansier schieren = voetpad schuren enz... 
> Sinnekloases dialect leren (www.youtube.com)    

Getallen in Sint-Niklaas (Sinnekloases) dialect
vijftien: vuftien 
vijftig: vuftug  

Op zijn Sint-Niklaas (Sinnekloases) gezegd

- Dat kan ik niet betalen: da kan mijnen bruinen nie trekken
- Heb het begrepen:
't zit in de sakosj
- Iemand aanhouden, vastnemen: bij zijn lurven pakken.
- Komt er nog iets van: awaal
- Langs daar: lanst doar
- Mijn ouders:
m'n aars
- NMBS (Nationale maatschappij Belgische spoorwegen): ijzeren weg.
- Niet helemaal de waarheid vertellen:
zwaënzen
- Nogal enen:
kadee
- Op bedevaart: beewegen
- Pietje juist:
pezewever
- Wat doe je daar: elaba
- Iets niet naar behoren doen: konkelfoezen
- Dat meisje heeft een grote boezem: die mok 'ee ne vrieén balkon.
- Je moet daar niet bang van zijn: ge moet dor nie benaat va zin.

- Vrouw die met alle mannen meeloopt: allemanswies.
- Omdat ge veel last hebt moet ge nog geen ruzie maken !:
omda ge veel ambras ' êt moete nog gieënen ambras moaken !
- Tegen iemand die zich haast zegt men:
ge moet oa zooë nie afstaan, ge komt er waël zonder oa t' osten !
- Kijken wat iemand doet: ziene kieér achternoar wa dedtie ammel uitstikt !
- Iemand achternadoen: ge moetda zotteke nie achternoardoen !
- Na het werk en pint bier drinken:
as da weirk af ' ein gommen un pint pakken !
- Als men hard moet werken zegt men:
vur zoeên preeken gin ' é zun klooëten niemer afdrwaain !
- Tegen iemand die met drogredennen afkomt zegt men:
ge moet mi dieé flaa zieéver nie afkommen !
- Als men zegt waar men geboren is:
mi moeder kocht mi op d' arduine scheepen va Puivaëlden.
- Laat ons nog een pint bier gaan drinken: lot ons nog moar nen baat go stekken
- Op iemand zijn gezicht slaan: op zun bakkes sloagen
- Van een persoon die er vuil uitziet zegt men: beroesten
- Tegen het maken van een nutteloze reis zegt men: bieénaarsreis
- Van of tegen een persoon die graag veel bier lust zegt men: bierlut
- Van gezonde kinderen zegt men: 't zin bloekes van kinderen.
- Tegen een meisje dat vanalles tegenkomt zegt men: gij trezebees.
- Ga jij eens naar de slager: godde gij ies nor den bienaur.
- Ik zal je eens goed liggen hebben: ik zal ne keer schrabielen over ou weir peiren.
- Ge zou er iets ergs van kunnen krijgen: ge ze ter ne kaan oap van kakken.
- Haast je of je komt te laat: affeseer do wa of ge kom nen trèn te loat.
- Het is me niet gelukt: kben van nen bjeenaersrès teruggekommen.
- Hij bezit niets meer: ei ee gjenen noagel mjeer om in zin gat te kraen.
- Op uw zenuwen beginnen werken: ge zut er de ka kurs van krègen.
- Het lukt niet: zennen jèring broa nie.
- Ik begin te rillen: het doakerrekken rèd over minne rug.
- Zwijg ik heb het genoeg ondervonden: ge moet nen aen oap geen smoelen liejren trekken.
- Ik heb daarvoor geen geld genoeg: da kan mènen bruinen nie trekken.
- Dat wispelturig ventje moet kalm blijven: da buzzekken vloeen moet nie veel bonjoer nie mer moaken.
- Dat is niet zo: das allemoal zjiever i pakskes.
- Laat alles zoals het is want hij is niet van de slimste: loat de boeren moar dussen, tis gjeen avans want è is tog te lomp om taelpen donderen.
- Ze zullen hem lynchen: ze zullen em tvas nog afsloan.
- Ik ben het werkelijk beu: kben da so beu as ka pap.
- Hij heeft me iets erg aangedaan: hè ee mè ne poater geschilderd.
- Diaree hebben: mè den dapperen zitten.
- Nooit: in tjoar een as duilen preken.
- Goed en veel praten: zen babbielie afspelen.
- Zijn kuren krijgen: è eet zen frieten weer gekregen.
- Ver weg gaan: noar sjakkamakka goan.

Gemeentenamen in Sint-Niklaas (Sinnekloases) dialect

Aalst: Olst
Belsele: Baëlsieél

Elversele: Aëlversieël
Haasdonk:
Hoasdonk
Meerdonk:
Mjeirdonk ; Melsele: Maalsen
Sinaai: S
noa ; Sint-Pauwels: Sintpals
Temse: T
emst
Waasmunster:
Woasmunster

Wijknamen

Pristragewijk: wallekes

Landen - Provincies
Belg: Baëls, Bels
Vlaanderen:  

Personen namen in Sint-Niklaas

Albert, Robert, Norbert: bair

Bron: Wordelieést va Sinnekloas
Georges "Juul" Lenart
> Sint-Niklaas (Sinnekloases) dialect (www.mijnwoordenboek.nl/dialect)   
> Sint-Niklaas dialect op facebook   
> Waasland dialect (op deze site)   
> Oost-Vlaams dialect (info op deze site)   
> Diverse informatie aangaande stad Sint-Niklaas (blog vlaanderen)   

 



Luister naar het Sinnekloases 

> Sint-Niklaas (www.youtube.com)  
> Sint-Niklaas in beeld (www.google.com)    

> Diverse informatie aangaande het Waasland (blog vlaanderen)   
> Diverse informatie aangaande het Waasland (blog waasland bericht)   
 

 107273.jpg  

> Provincie-Oost-Vlaanderen (blog vlaanderen)  

 Zie  eventueel ook: > Deel 1  

button

Belsele - Belseels dialect


                    
       

    Belsele 

 

 

 

 

Oorsprong van de naam "Belsele"
Er lag eertijds tussen de huidige gemeente
Belsele en Waasmunster een diepe kuil, waarin rovers nestelden, die gans de omtrek onveilig maakten.
Omdat geen enkele reiziger hun zou kunnen ontsnappen, hadden ze van de kuil tot de overkant van de weg een zeel gespannen en hieraan een bel vastgehecht.
Wanneer iemand over de weg ging, schopte hij tegen het zeel, dat dicht tegen de grond gespannen was en op dat ogenblik rinkelde de bel, waarop de rovers te voorschijn kwamen en hun slachtoffer van kop tot teen uitschudden.
't Volk noemde weldra die onveilige plaats "het Belzeel" of "het Belzele", later dan Belsele .
Spot of Scheldnaam van Belsele: Klokkelappers.
> Sage: Belsele de verzonken stad (www.figy.be/legenden)   
> Diverse informatie aangaande gemeente Belsele (blog belgië)   

 Belseels dialect

Het Belseels Waaslands is verwant met het dialect van Sint-Niklaas en Lokeren . 
Woorden in Belseels dialect
A
aardappelen: pattaters, petetten ; aarde: deirde ; arm: eirm ; advocaat:
avvekoat ;
B
beerput; bjeirput ; bedriegen: afluizen ; boekentas:
cannaciére ; blootvoets: berrevoevoets ;
C
D
deksel: scheel ;
E
F
G
gemaakt: gemokt ; gezegd: gezeed ;
H
halen: hoolen ; haan: oune ; hoogstwaarschijnleijk: vantiennegen ; hommel: bombie ;
I
ingieten:
inkappen ; inrij akkerland: mennegat ;
J
K
kikkervisje: puipadoeleke ; kuip: bassing ; koorts: kursen ;
L
luik:
blaffetuur ;
M
meter: pit ;
N
nergens:
nieveranst ; naakt: padderen ; nooit: noeit ;
O
onderkleed:
commuaison ;
P
Paardenuitwerpsel: paardestront ;
Q
R
raar persoon: wuiten ; riool: kanduit ; rundvlees: rendersvlees ; rolluik: percen ;
S
schroevendraaier: tournavies ; neusverkoudheid: sneuvering ; speelplaats: koer ; soort snoep: pee lange rek ; slordig: nigliezjent ; snoepje: sjiesjiepken ;
T
tafel onderlaken: twalseree ; toiletpapier: schijtpapier ;
U
uier:
eur ;
V
vastgenomen: vastgat ; ventiel: suppap ; verkopen: verkoept ; verkoudheid: valling ;
W
wat aangedaan: een pee gestooft ;  worst: (braadworst): witte worst ; worsten: sosiden ;
X
Y
Z
Zeemlap: ziemlap ;

Vogels
vlaamse gaai: annewuiten ; 

Dieren
gans: goele ; kip: kieken ; kikker , pad: puit ; konijn (mannelijk): rijre ; schaap (ooi): beite ;

Insecten
mier: murezeker ; regenworm; pielewuiter ;

Op zijn Belseels gezegd. (Op zijn Baalsiels gezeed)
- De aardappelen staan lang in de aarde:
de petetten ston lank in deirde.
- Aardappelen schillen met en mesje:
petetten schaalde liefst mu nun goeie petetteschaaler.
- Mijn arm doet pijn van de beerput leeg te halen:
minnen eirm doe zier van den bjeirput leeg t' hoolen.
- Het afvoerputje van de riool is nog steeds niet hersteld:
da kanduit is nog alt nie gemokt.
- De advocaat tracht u te bediegen:
den avvekoat probeert o af te luizen.
- Ze maakt complimenten en heeft nog nooit met een zeemvel gewerkt: da verkoept chichi
en da heeft nog noeit ne ziemlap vastgat.
- Alle middelen zijn goed als ze maar helpen: al wat rookt is vuur omtrent, zie Uilenspiegel, en hij warmde zijn handen aan een paardestront.
- Men heeft je iets of wat onhebbelijks aangedaan: zen mij een pee gestooft.
> Belseels dialect (http://www.belsele.be/belseelsdialect.pdf)   
> Sinnekloases dialect (op deze site)  
>
Lokers dialect (op deze site) 
 

> Waasland dialect (op dit dialectblog)   
> Oost-Vlaams dialect (info op deze site)   

175542.jpg

> Belsele (www.youtube.com)   
> Gemeente Belsele in beeld (www.google.com)  

> Diverse informatie aangaande het Waasland (blog vlaanderen)   
> Diverse informatie aangaande het Waasland (blog waasland bericht)   
 

 107273.jpg  

> Provincie-Oost-Vlaanderen (blog vlaanderen)  

button

Nieuwkerken-Waas Niewkerkes dialect

 
                       
       
     Nieuwkerken-Waas

           Deelgemeente van Sint-Niklaas 
 
   
 



 

Nieuwkerken-Waas ontstond omstreeks 1100. Nieuwkerken bezat volgens oude overleveringen in 1143 een kapel. De plaats was toen een gehucht van Sint-Niklaas. Het werd in 1274 van Sint-Niklaas gescheiden om een zelfstandige parochie te worden die afgaande op haar naam één der jongste gemeenten werd van het voormalig Land van Waas. De scheiding gebeurde op bevel van de bisschop van Doornik. De naam Nieuwkerken werd voorzeker gegeven bij de oprichting in 1274. Bron: Archief Nieuwkerken-Waas.
Scheld of Spotnaam van Nieuwkerken:
Schapenkoppen   
> Kaart van Nieuwkerken-Waas (www.google.be/maps)   
> Diverse informatie aangaande gemeente Nieuwkerken-Waas (blog vlaanderen)   

Nieuwkerkes dialect

Het dialect van Nieuwkerkes dialect wordt plaatselijk Niekaarks genoemd.
Er zijn gelijkenissen met het
dialect van Sint-Niklaas maar ook wel duidelijke verschillen.
Woorden in Niekaarks dialect
A

aarde: jierde ; aardappel, petet ; aardappelen:
 petetten ; aardappelmesje: petetscheller ; aangezicht: wezen, toot; aalput: bjeirput ; aap: aop ; aambeeld: ambild ; arm: aarm; achterwerk: gat , poepegat of kont ; appelmoes, appelspijs, appeltrut ; aardbei: jerrebees ; afvoerput(je) aan straatriool: kanduit ; afboortsel (kleding): biezeken ; anjer: djanoffel ; armband: branzelee; auto: otto ; afwisselen, eten: fretten ; avond, nacht ; donkeren ; allemaal: aamel ; achtertuin: achterbuiten ; achterna, naderhand: achternoar ; afdingen, afbieden: afbieën ; afnemen, afpakken: aflangen ; afzetten, bedrieglijk afnemen, afluizen, aflutsen; afluisteren, stiekem luisteren: aflusteren ; aftelrijmpje, aftaëlselken ; akkoord: akkort ; alarm: alaarm; altijd, immer: alt, altid; allemaal, allen: ammel ; als we, indien we, wanneer we: ammen ; appelboom: appeljeir ; appelmoes: appeltrut ; afzonderlijk, breng terug, haal: apport ; apotheker: apteeker ; als, indien: as ; asthma, azemma, asma ; advokaat: avvekoat ; aldus, zo: azooë ; als, indien: azze ; afsluiting, plankenscherm: bard ; aanlegsteiger: barkadeir ; achtergehouden loon: blaagaëld, blaan; aanstellerij, kouwe drukte, complimenten, streken: chi-chi ;
B
baalkatoen: amblozie ; bil, dij: bul ; blauwsel voor was: blaasel : blauw: blaat ; bloem: blom, blomme ; buien van neerslachtigheid: loeten ; beetje: bitsjen ; bijna: bekans, bots ; bril: brul ; brildrager: brulkas ; bloedworst: bullink ; bruine suiker: poejesuiker ; bootschappentas: kabbas ; boekentas: karnacheir, cannaciére ; boord van voetpad: borduur ; buitelen: n'n toer leigen ; borstel: bussem ; brievenbus: bwat ; breigaren: swaa ; blootsvoets: barrevoets ; beer: bjeir ; been, bieden: bien ; behangen: bejangen ; bloot: bloat ; borst: bust ; borstomvang vrouw: vanveuren, schap ; bakkebaarden: fabries ; bederf: bedeirf ; bles: froufrou ; boodschap: kommisie ; braken: broaken ; breien: brein ; broekophouder: brettel; broodbeleg: toespeas (toespijs) ; brutaal: brutoal ; buiten de stad: op den buiten ; blootvoets: berrevoets ; binnenkort: achtereën ; beeindigen, af hebben: gedoan ein ; bergaf: baargaf ; betalen: afdokken, afspétten, lammeren; belediging: afront ; beledigen: affronteeren ; bedelen, schooien: schoin (persoon die bedelt: afvroager= sho^ir); buitenspel: alfsijt ; blindedarmontsteking: appandesiet ; besef, benul, sprake van: apprensie ; bakzitter: bajesklant ; bijlange niet, absoluut niet: belange nie ; bandiet bangdiet ; boezem: balkon, vaveuren, tettazjeire ; behalve: balven ; bed: bëdden ; bedsponde: bedspoanen ; bedorven kind: bedeirfstront ; bedelaarster: beedelas ; beeldje, prentje: beeleken ; begonnen: begosten ; bij god: begot ; berg: baarg ; bijna: bekan, bekans; belegt: beleed ; bangerik: benaakakker, benaaschijter, broekschijter; bescheid: beschieéd ; beschaamd, verlegen: beschomd ; bezem, borstel:busom ; beboffen, ophemelen: bestoeffen ; bavette, slabbetje: bavetsjen ; babbelaar, pratjesmaker: babbeljeir ; betalen: betietsen ; betijen: betijn ; betrouwen, vertrouwen: betraan ; betlehem: bêtteljem ; beweren: bewjeiren ; bakkes: bëk ; bieden, afbieden: bieén ; beenhouwer, slager: bieénaar ; beitel: bieétel ; bullebak: bietskoeber ; bijltje: bilken ; binden: binnen ; bijeenbrengen, inzamelen: binnenrijven, bijienscharen; beetjes: bitjes ; beetje: bitsen ; beer: bjeir ; beerkar, wagen van de ruimdienst: bjieirkaar; beerlepel: bjeirloet ; blauw: blaa, blaat ; blood: blooët ; blaar: blein, blaan; blind: blénd ; blinde: blénden; bladeren, bladen, bladzijden: bloaren ; blaasbalg: bloasbalk ; bloeden: bloien; bloeiend, welvarend, gezond: bloeikens ; bloem: blom ; bloemsuiker of poeiersuiker: blommekee ( blommekee is ook bloemenruiken) ; baal, zak: boal ; bloemtuil: boekee ; bewegen: boezjeeren ; bakkebaard: bokkenboard ; beukenoot: bokkenoot ; balie, bewaakte spooroverweg, soepvlees: bollie ; bodem, boom: booëm ; bonestaak, lange persoon: booënkodde ; baasje, ventje: bosken ; bijna, bekan: bots ; boterham: botram ; branderig, geirriteerd: brandig ; besmeren met boter: brieén ; brildrager: brilkas, brulkas ; brengen: bringen ; brouwer: broar ; brouwerij: broarij ; bobbel, knobbel, boebel: broebel= bu^ul ; bangerik: broekschijter, benaakakker, benaaschijter, bena^arik ; broodje: bruëken; braden: brwoän; braadpan: brwjaëpan ; brutale speler, ruwe speler: brutus ; beurs: bus, buzze ; bischop: buskop ;
> Niekaars dialect (www.mijnwoordenboek.nl/dialect/niekaarks)  
> Dialect van Sint-Niklaas (Sinnekloases op dit dialectblog)
> Waasland dialect (Waaslands op dit dialectblog)  
> Oost-Vlaams dialect (info op deze site)   
> Diverse informatie aangaande het Waasland (blog vlaanderen)   
> Diverse informatie aangaande het Waasland (blog waasland bericht)    

 107273.jpg  

> Provincie-Oost-Vlaanderen (blog vlaanderen)  

button

Sinaai - Snôas dialect

 
                              
                     
                      Sinaai
       Deelgemeente van Sint-Niklaas

 

 



De herkomst van de plaatsnaam Sinaai.
Sinaai is genoemd naar de berg Sinaï in Egypte, waar God volgens het boek Exodus van het Oude Testament aan Mozes de stenen tafelen met de Tien geboden gaf.
Bron: wikipedia.org
De herkomst van de plaatsnaam Sinaai volgens de Historiek Sinaai leeft.
- “sin” is een vervorming van “swin” (inham) en “aai” is een vervorming van “aa” (waterloop)
- de naam gaat terug op het oud-Germaanse werkwoord “sinnan” (ergens heengaan)
- de naam is een samenvoeging van het zelfstandig naamwoord “sin” (loop, bedding) en “aa” (waterloop)
Bron
www.sinaaileeft.be    
Scheld of Spotnaam van Sinaai: schinkeleters.
> Kaart van Sinaai (www.google.be/maps)   
> Diverse informatie aangaande gemeente Sinaai (wikipedia.org)   

  Snôas dialect

De dialect uitspraak voor Sinaai varieert van “Snôa” ,“Snau” tot “Schnau”
Het dialect van Sinaai wordt plaatselijk Snôas genoemd.
Het Snôas Waasland dialect  heeft wel wat gemeen met de buurtgemeenten Stekene en Klein-Sinaai. 

Woorden in Snôas dialect

A
B

borstel:
bostul ; beerput: den beirput ; beerschop voor vloeibaar mest: beirloete ; brandnetel: tingel ;
C
D
E
F

G
gummi speelbal: katschebal ; 
H 
hesp, ham:
epsu ; houtkrullen: schauvelingen ;
I 
ijskreem: pieleke koad ;
J
K
kikkervisje: puipadoeleke ; klompen: (houten schoenen): houteschuiten ; knikker: lavuur ; kruiwagen: kurrewoagen ; L
M
N
O
ook: ukku ;
P
Q
R
S 
schaar: schieijr ; soeplepel voor bediening: pollepel ; stoel:
stuul ;
T
U
V
vergiet, stramien: stromijn ;
W
X
Y
 
varen: veijren ; venster:
vuster ; vensterluiken: blaffeturen ; vlaaienschotel (kom): vlaa-teste ;
werk:
wiéurk ;
Z 
zwerm: zwolm ;

Vogels
- merel: meirlom
- zwaluw:
zwalm ; 

Gemeentenamen in Snôas
- Sinaai: Snôa,
- Sint-Niklaas: Sinnekloas
- Hamme: Ham
- Lokeren: Lokren
- Belsele: Baalsele 

Diversen
- ik zal maar zwijgen: 'k zal mijnen bek maar in mijn pluimen oan.
- onhandig persoon: kloefkapper (woord komt van houten klompenmaker)
- slag op aangezicht: ne klop op a muile.  

> Snôas dialect (www.mijnwoordenboek.nl/dialect/Snoas)    
> Stekene – Stekens en Sinaai - Snôas dialect (op dit dialectblog)     
> Waasland dialect (op dit dialectblog)  
> Oost-Vlaams dialect (info op deze site)   

 

 

> Gemeente Sinaai (www.youtube.com)   
> Gemeente Sinaai in beeld (www.google.com)    

> Diverse informatie aangaande het Waasland (blog vlaanderen)   
> Diverse informatie aangaande het Waasland (blog waasland bericht)   
 

 107273.jpg  

> Provincie-Oost-Vlaanderen (blog vlaanderen)  

button

Lokeren - Lokers dialect inleiding

 

 

     
    Lokeren

 





 

 

Over de oorsprong van de naam Lokeren zijn al heel wat theorieën ontwikkeld, de ene al wat geloofwaardiger dan de andere. Een grote groep auteurs ziet in de plaatsnaam het element 'luken' wat (in)sluiten of toedoen betekent. Lokeren zou verwijzen naar een ingesloten plaats tussen de Durme en een bosgebied met wilde dieren. Volgens een recenter, meer wetenschappelijk verantwoorde interpretatie zou Lokeren in oorsprong een waternaam zijn die later overging op de daar gestichte nederzetting. Lokeren zou dan afgeleid zijn van enerzijds het Indo-Europese grondwoord 'leuk' dat helder of glanzend betekent en anderzijds het prehistorische hydronymische achtervoegsel 'arna' wat water betekent. Probleem is dat er voor 'Leuk-arna', hoewel taalkundig aannemelijk, geen feitelijke, historische bevestiging te vinden is.
Spotnamen van Lokeren: rapenbraders, rapenfretters (rapeneters) 
Bron: www.wikipedia.org  
> Waaslandkaart  
> Diverse informatie aangaande stad Lokeren (blog vlaanderen) 
> Waasland informatie (blog waasland bericht)  

Lokers dialect

Inleiding van het Lokers dialect
Het Lokers is een dialect uit de Vlaamse stad Lokeren.
Het is een grensdialect tussen de westelijke Oost-Vlaamse en de (verbrabantste) Wase dialecten. Kenmerken van het Lokerse dialect op het gebied van fonetiek zijn korte eenklinkers, langgerekte eenklinkers en tweeklanken evolueren in de richting van de doffe sjwa. In de eindcombinaties –len, -men en –nen is de doffe sjwa weggevallen. Ook de stembandklinkers (-h) worden niet uitgesproken. Op het gebied van de woordenschat bracht de verdwenen specifieke Lokerse haarsnijdernijverheid een aantal unieke Lokerse dialectwoorden voort.
Lokeraar Marcel Pieters stelde een woordenboek van het Lokers dialect samen. Het woordenboek is ondertussen al een tweede keer uitgegeven naar aanleiding van het 40-jarig bestaan van de Lokerse Culturele Raad. Naar aanleiding van dit woordenboek werd ook het mooiste Lokerse woord verkozen, namelijk een moazart of meikever. Een moazart wordt in Lokeren ook gebruikt in het spreekwoord ‘k Zijk ik geene moazoart zolle!, dat wordt gebruikt wanneer men op de tenen wordt getrapt. Deze zegswijze verwijst naar het feit dat wanneer men met een vingertop op één der poten drukt van een meikever deze zich klaar maakt om weg te vliegen.
 > Waasland dialect (op deze site)   
> Stad Lokeren (www.youtube.com)  
> Stad Lokeren in beeld (www.google.com)   


175543.jpg

> Diverse informatie aangaande het Waasland (blog vlaanderen)   
> Diverse informatie aangaande het Waasland (blog waasland bericht)   

Deel 1, 2 en 3
∇

Lokeren - Lokers dialect (deel 1)

                                                      
                                               

           

   Lokeren 
   
   > Diverse informatie aangaande stad Lokeren (blog vlaanderen)   






   
Lokers dialect (deel 1)
Zie eventueel ook: > Inleiding van het Lokers dialect  

Het uniekste Lokers (alleen in Lokeren gesproken)
moazoart: meikever

Het mooiste Lokers
akaks: toevallig, terloops
klooterspoaëne: rammelaar voor baby
komaale: diepe kom
léekkerbeetsjen: klim of staakboon
litsepoepe: vanillepudding
lootersteiërten: kwispelstaarten, maar ook jonge man op vrijersvoeten
moazoart: meikever
pieskalotere: piemel
tuuëverasbruuëd: paddestoel
verfeurtelen: struikelen

Woorden in Lokers

A
aan: aone ; aanstaat: oaënstaot ; aantrekken: aontrèken ; aardeweg, wegel: struitjen ; aantrappen: aonterten ; aanhalen, aandraaien: hoelen ; alzo: azuë ;  achterwerk: gat, konte ; afbreken (b.v. draad): afkassen ; afschaffen: afstaalen ;  avonturen: offeturen ; aftreksel van zoethout: bagijnenbaot ; arm: eirme ; april: aprol : aardappelen: petetten ; aarde: eirde ; aarde (gele): zouvele ; aardewormen, pieren: teken ; aardbei: eirbeeze ; aalschepper: beirloete; aars: gat, ol ; aasvlieg: spanjaard ; appelmoes: appeltrot ; apotheker: appetékere ; auto: otto ; anders: andres ; ajuin: andjuun ; ach zo: a zuë ; achterwerk: konte ; andersom: kontreire ; afsluiting (hout of beton): gelent ; als er: aster ;
B 
baan: boaëne ; bakje, kleine auto: baksken ; babbelaar: babbeleire ; baron: barong ; barometer: baroomeetere ; blaffen: bassen ; braaf: broaëve ; bastaard: bastaord ; baasje: baosken ; blazen: bloaëzen ; bazige vrouw: tieke: braambessen: brombezen ; bladeren: bloaren ; bleek (ziekelijk) uit zien; smiiëkes of smiër ; bonvivant: flierefluiter ; brood: bruuëd ; boomzaag: beumzoage ; bijl: bijle ; boomwortels: pezen ; brokkelen: brokken ; begonnen: begost ; bangerik: schoaschijtere ; bellenboompje (fuschsia): baalenbuuëm ; bankschroef: bankvijze ; bouwwerf: bao ; bed: bedde ; bedwateraar: beddezieëkere ; bedrijgen: bedrieëgen ; beenhouwer: beenhaore ; beitel: beetle ; beetje: beetsen ; bes, kus, zoen: beeze ; bessenstruik: beezeleire ; bezigen: beezen ; bekwaam: bekwaom ; bedevaart, grote volkstoeloop: begankenisse ; begonnen: begost ; bekakt: bescheten ; beursje: bozzeken ; binnenvallen, aankomen: toèstuiken ; breed: brieëd ; bevorderd worden, promotie maken: verheugern ; bijdoen, aan toevoegen: bijduune ; bevriend: amie ; bestweter: waalwetere ; betalen: afspetten ; blaffen: bassen ; bloedworst: beulingen ; bergop: opberg : bergaf: afberg ; ballon voor kinderen: bloaze ; bliksemen: hemelichten (h niet uitspreken) ; brievenbus: boate ; bier: pinte ; bromvlieg: moajschijtere, brommere ; breigaren: sette ; boter: bootere ; broodpap: pielepap ; bangerik: broekschijtere ; beerschepper (werktuig): beirloette ; bazige vrouw: da wijf ; blote voeten: beiërvoets ; bedelaarster: schoerasse ; bedelaar: schoer ; bloembollen: kliesters ; bloemperceel: blombedde ;  bleek: smiër ; bidon: does ; bloodvoets: berrevoeds ; boterham smeren; brieën ; broodsnede besmeert met boter: boot ; bijna: bekan ; bijna: ost, bijkans ; bootschappen: kommissens ; bootschappentas: kabau ; brood: bruëd ; boterham: botteram ; bord (voor eten): tallore ; bloemenvaas: blommenvauze ; begraafplaats: vetten akker ; boomzaag: beumzoage ; bijl: bijle ; boomwortels: pezen ; bel: bale ; beest: biëste ; begonnen: begost ; boom: buëm ; bonen: buënen ; bonestaak: beunkodde ; bijna: bots ; binnenpretje beleven: vernichelen ; bedriegelijk toeëgenen van andermans fruit: gefruitenierd ; brood: bruéd ; brijwol: sette ; barende vrouw, huilende dwarrelwind: beirnavrou ; botermelk: keiremaalk ;
C
carramel, snoepje:
bal ;
cornetje met ijs: nen toetere ; centen: cènsen ;
D
dorst: dust ; drinkbus: pulle ; drank: alcol ; dronken man: zatlap, die zeupe ; deugniet: sjarel ; deken: soarge ; duimspijker: pieneize ; dorpel: durpele ; deurklink of iets uitgestoken hebben: kleenke ; dat: dadde ; dommerik: troetten, loeddere, wuiten ; dagblad: gazette ; (kleiner weekblad: 't gazeitsen) ; denneappel: sparrenote ; dubbel: dobbel ; drassig: zompig ; drogen: druëgen ; durpel: dirpel ; doen: duut ; dood: duê ; duister: duimster ; doorheen: lossendeure ; dun ijslaagje: kelderijs ; dichtbij, rakelings, ij-zo-na: iesenaor ; direct: sebiet ; dat ge: dadde ; daar: doar, doare ; dorst: dist ; dood: duëd ; dodenakker: den vetten akker ; doet: duut ; deken: sjoarge ; deemstering: duimster ; drukte: begankenis ; dubbel: dobbel ; sukkelaar: sikkeleire ; die het graag voor het zeggen heeft: baosmmoakere ; dag: doag (vandaag: vandoage) ; denken: peizen ; dan: dèn ; dagblad: gazètte ; dezelfde: dezaalfste ;
E
eetvork: forcet ; eend: kanaar ; erwt: eirte ; ekster: oukstre ; eed afleggen: zweiren ; elkaar: mekoar ; ergens: ieveranst ; einde: tende ; een keer: ne kir ; eend: ienze ; emmer: iemere ; elastiek: nun Reikere ; elk: aalk ; ellebogen: aaleboogen ;
F
fiets: vilo ; fietszadel:
zoale ; fietspedalen: terten ; foto: fottoo ; fototoestel: kodak ; fopspeen: tiete ; frambozen: bimbombeirs ; feine motregen: ziëveren ; foor: fuëre ; feest: fiëste ; fruit dat men legt te rijpen op een verdoken plaats: mouternest ; framboos: bimbombeir ; fondant: fondangs ; flesje: fleschken ;
G
gaan: goan ; gooien:
smijten ; golven: baren ; gans het leven van iemand: alsijleven ; geeuwen : goupen ; gierigaard: pezewever , vrek ; gras: gas ; goeie dag: jeurs ; goed: goe ; gezegt: gezeet ; gezicht, gelaat: wezen, toote ; gevoeg doen: kakken, schijten ; geld achterhouden: blaun ; groep: troep, bende ; geen: gieëne ; geloven: geluëven ; groot meisje: lange loute ; groot kaasjeskruid: koaskeskruid ; gladiolen: vlammend zweird ; gehad: ghadte ; gedaan: gedoane ; groente en varkensvleessoep: smokkelsoepe ; goedkoop minderwaardig hout: woabuëmenhout ; gaarne: geiren ; glazen: gloazen ; geraaktijd: geraoktijt ; geschonden: geschaluind ; gummi snoepjes: surziep ; gaarne: geiren ; geld: gaald ; hansworst, hoorndrager: pieroo ; geldbeugel: portemenee ; geldbeugel die met lint of riem aan het lichaam vastzit: moale ; groentesoep met varkensvlees in: smokkelsoepe ; gefeest: gesmeird ; gezelschap: kompagnie ; geheimzinnig doen: meutelen ; (je bent dan een: meuteleire) ; gesneden: gesneën ; gier, vloeibare mest (aal): beir ; geluk: sjäns ; gehoord: g’uuërd ; gezanik: gezoag ; gezegd: gezeed ; gehuwd, getrouwd: getrat ; goed van voorzien: besleegen ;
H
haastig: kittig ; hond: nen oond ; hemel: eemele ; hooi: ooi ; huichelaar: totentrekker ; hier: hiere ; huis van lichte zeden: hoerekot, kabardoesken ; hakmes, hakbijl: kapmes ; hakblok: kapblok ; horen: heurt ; hoor: zonne, zunne, zanne ; hagedissen: lokketisten ; hier: iër ; huizen: dhuizen ; haag: weire ; houtmijt: mijte ; houten wig: spien ; houtresten: sprokkelingen ; haar: hoar ; heb ik: hék ; heel zeker: vaneigenst ; hun: hulder , huldre ; heps: hespe ; heewel: awaal ; hutsepot: domp in de pot ; hard lopen, sprinten: ketsen ; halen: hoalen ; hoeveelheid van iets: poose ; haag: weire ; hagelstenen: hoageballen ; hovaardige vrouw: greutse konte (konte = achterwerk) ; houtmijt: mijte ; hevige verwijten maken: uitschijten ; handvol: affel ; hij die beroepshalve veel op de baan is: baonman ; hapjes, lekker eten: beetses ; hoog: huuëge ; hewel: waal, awaal ; heeft: heet ; heb je: hèdde ; heren: hieëren ; hik: snik ; hemd: hènde ; hun: hodderen ; het heeft er: ’t heeter ;
I
iets verkeerd doen:
oese ; iemand die weent: schriepépe, schriëmuile ; iets niet zo gaaf of mooi: groezelig ; ijsroom: pilekenkoud ; ijsroom tussen twee wafelkoekjes: boeksken ; ijsroom in een hoorntje: toeterken ; ijsje: crémeke ; iets op verdoken plaats wegsteken: mouternest ; iemand die moeilijk te ontwarren zaken afhandeld, bedrieger: knosseleir ; iemand die zijn snot op likt: keiseleekere ; in blijde verwachting van kind: in pesise ;
J
jute zak: boale ; jullie: gholder ; jaar: joaër ; jenever: genever ; jonge man: kadee ; juist: zuust ;
K
kast: kasse ; kaarsen: keisen ; katapult: mikke ; koffie: kaffe ; kunnen: keunen ; kauwgom: sieke ; kookpot: teste ; kaal: klets ; kastanje (wilde): gallenote ; Kastanje (eetbare) kastanne ; knikker: lavuër ; kever: mozort ; kruiwagen: kirrewoagen ; kers: kaze ; kinderwagen: voitûre (stekertje waar kind in rechtzit: poesette) ; kip: kieken ; kippenei: tiekenei ; kippenvleugeltjes: vlaringen ; kikkerbilletjes: puitebillen ; kikkerdril: puirekke ; koren: kürne ; klaar: klijër ; kus: beze, tote ; kaak: kauke ; koord: kurde ; kwajongens, rakkers: koajongens, sloebers ; kikkers: puiten ; kikkervisjes: puibollekens ; klompen (houten schoenen): schuiten ; kastanje: galnote ; kleine rustperiode: paeze ; kus: beze, tote ; kusje: tootje ; kikker: puit ; kunnen: keunen ; kachel: stove ; kip: kiekken ; kookpot: kastrolle ; klompen (houten schoenen): schuiten ; komen: kommen ; koren: kurne ; kruiwagen: kurwaugen ; kelder: kaaldre ; kindertanden: snoakerkens ; klimmen: kletteren ; klimtouw: klemkleurde ;  staken: stoaken ; knotwilgen: tronken ; kruin of of kroon van een boom: woa ; kerk: keirke ; koperen knoppen: tetsen ; keer: kiër ; knikker: lavuur, mérbol ; koken: zoôn ; krentenboterham:  rozijnenbotterham ; katapulk: mikke, ook een vrouw die met haar benen open zit: ” ze zit mé heur mikke open” ; piemelken: kietsken ; kalkstukje dat in baksteen mee gebakken is: kälkluize ; karnen: keirnen ; kans wagen: offetuuren ; kind: kiene ; klein wasje: plodderken ; kerk: keirke ; knopen: knuêpen ; kaars: keisse ; koord: keurde ; klimmen: kletteren ; knotwilgen: tronken ; verliefd koppel: vrijage ; krabben: kravven ; korf: kalabaos, kaba ; kleine houten spie: scheisken ; knutselen: fotteren ; kelder: kaalder ; kleuterpenisje: piskaloterken ; karamel: babbeleire ; kalender: älmenak ; kloosterzuster: bagijne ; kleine linnen zak: bazaosken ; krentenkoek: beezekoek ; krentenboterham: bezenboot ; kop: bol ; kleren: klieëren ; kapel: kapaale ; kwaad: koaëd ; kous: kaese ; kleine hoeveelheid vloeistof: scheutsen ; kruk: krikke ; kerel: keirle ; kledingstuk afdoen of laten zakken, hard werken: afsluuëven ;
L
langwerpige dunne houten stok: kodde ; lawaai: laweit ; verloofde (vrouwelijk): lief, mokke ; lawaai: laweit ; luiaard: luirik, carottsé ; landbouwer, boer: boer, koetter ; laat: laote ; lekstok (snoep): nen dots ; lisdodden: polderkeisen, fakkels ; lichtjes aanraken: rézzekens ; lopen: luëpen ; lopende neus, kleine jongen: snotneus ; laatst: 't lest ; lip: léppe ; lastig mens, onmogelijk mens: beuram ; lichtzinnige, onverantwoordelijke  moeder: kattemore ; lichtjes aanraken: rezzekens ; loyaal man: roalen tiste ; laat: laot ; leugen: leuges ; lied: liekken ; liedje: lieksken ; lopen: luuëpen ;
M
maar: moar ; mooi: scheune ; mooiprater
: stoeffer ; modder: more ;  molenbrood: meulenbrued ; meisje: meisken ; meersen: mjeisen ; moeder: mau, moedre ; merel: mêirloo ; mooi meisje of vrouw: tisün fale ; mauwveger: mauvauger, gatlekkere ; moto: motto ; motorfiets: brommer ; maar: maore ; melk: maalk ; melk afgeroomd: fluitjesmaalk ;mestvaalt: messink ; mist: smuër ; mopperen: monkelen ; met gespreide benenen: scharlabeens ; meneer: menier ; mogelijkheden: meugelikheden ; meikever: moisaert ; meter: meetjen ; dringend, desondanks, zo nodig: malgree ; mager: moager ; mist: smuër ; melk: maalk ; mestvaalt: messink ; meesteres: miestesse ; moedwillegaard: deikop; meneer: meniër ; meter: meetjen ; mond: tote ; moor: muër ; mogen: meugen ; muts: mitse ; moed: kroaëze ;
N
nadenken: peisen ; natuurlijk, zeker: vaneigenst ; nergens: nieveranst ; nachtjapon: tabboart ; netels: tingelen ; neus: neuze ; nieuwe: splenternieve ; nochthans: pertang ; neuskrekels:poken ; nieuwsgierige mensen: kreuzeneusen ; nieuwjaar: nievjoar ; nietdeug, slechte kerel: badden ; naaien: noaën ;
O
overgeven (maaginhoud): spaugen ; oren (grote): blaffeturen ; ook: okke ; oude: aun ; oude man: nen aun ;  opschepper: stoefer ; onozelaar: oapendroare ; op het nippertje: rezzekes ; onderdompelen: dompen ; omvallen: omtuimelen ; oversteek van dak aan huis: d' euze ; onderrok: endrok ; onozelaar, bespottelijk iemand: aopendrroare ; ontstoken ooglid: pinkuëge ; onwaarheid: ziëver ; onverschllige: omverscholligoard ; opruimen, opredderen: opridderen ; ongewenste zwangerschap: zé prijs ; openspringen, openbarsten: poffen ; oren: uëren ; oortjes: eurkes ; onthouden: omtoadt ; optillen: opheffen ; omdat: omdèt ; onzedig: schiftig ; onzedig mens: schiftegaord ;
P
pantoffels:
sletsen ; pudding: lutsepoeppe ; pit van citrus of steenvrucht: karl ; perzik: paeze ; poedersuiker: poersuikere ; peperkoek: ponkoek ; pompstation: naftstation ; proberen recht te staan na val: klawieteren ; penis: luit, fluit, pinne ; praten: babbelen ; portie: pôse ; peer: pêre ; paard: pjeirt ; politie: polisse ; plezier: leute ; poort: puerte ; prentje: zountjen ; praten: klappen ; peperkoek: ponkkoek ; poort: peurte ; poortje: puurtsen ; paardebloem: pisblomme ; paardestaart:
ne peirdesteirt ; paardeworst: peirdewurst ; parelhoen: pandaar ; pladijs (gebakken): plaute ; pudding (van brood): potting ; pudding (vanillepap): lutsepoepe ; vanille pudding: chiropap ; plezier: leute ; pantoffels: sletsen ; poetslap: vodde ;  pastoor: pastere ; penis: luite ; pijn: ziëre ; pijn uiten: kajieken ; patronaat: patronage ; piepjonge vogeltjes: paddeklutskens ; paling gaan peuren: po-ren ; paard: peird ; peuter: dreumes ; pubertijtsjaren: aupejoaren ; pesten: kluëten ; poeder: poer ; paal: poal ; peter: peetjen ; prentje: zaontsen, ; pruik: parike ; pleintje: dein ; praatzieke vrouw: babiele, babbelgat ; poten: puuëten ; pootje baden: ponseln ; plaats maken: mijken ; plaats: pluitse ;
Q
R

raamdorpel: tablette ; ruilen:
mangelen ; roomhoorntje: beuterflutjes ; raps: raspe ; rapen: roupen ; rijf: rauke ; regen (fijne en zacht): ziëveren ; regenscherm: paraplu ; roddelaar: vuilmuile ; rammelaar voor kleuters: kloterspoane ; rubberen speelbal: gommola ; rij: rote ; rood: ruëd ; raden: groan ; rechtdoor: rechtendeure ; raap, scheldwoord van hoofd: roape ; raadsel: raodsele ; rap: agao ; rouwmaal: rämoaël ; raagbol: koppenjager ; rij: rote; ruisen: reuzelen ; rommel: bataklang; roemen: beboffen ; roken: smuuëren ; recht: rèchte ; roest: ruust ; roestig: beruust ;
S
spijker:
nagel ; spijbelen: achter 'dougen luëpen ; speelbal: gommela ; selder: saaldere ; schoon: schunne ; school: schole ; schijnheiligaard: heilig zauntjen ; sukkelaar: duts ; sukelaartje: dutsken ; soms: amets ; slipjas: pitaleer ; schouders: schaors ; slapen:  sloapen ; slijk: more ; slaapkleed: tabboard ; sla: salau ; slag: koekenote ; slagen: kletsen ; snoepen: sneukelen ; schommel: bijze ; schuin: scheef of noens ; stookolie-diesel: mazoet ; schoon: schunne ; step: tottenet ; speelbal: gommela ; schareslijper: scheiresliep ; stenen: stiënen ; steenkool (verbrande rest): zendels ; schort: schavve ; struikelen: verfuërteln : simpel mens: dook, troeten ; stuk stoofhout: klippel ; snoep (dropveters): schoenveters ; spade: spaue ; spitten: spetten ; schop: schuppe ; schoppen: schuppen ; school: schole ; sleutel: sneutel ; slaag krijgen: rammeling, pandoering ; serre: sêire ; straks: sebiet ; schudden: litsen ; schort: veurscheut ; spinneweb: koppenet ; snuffelen, peuteren, geheimzinnig doen: meutelen ; snoeien: snoen ; spillen: spollen ; splinters: splenteren ; schilderen: scholderen ; stukje: stuksken ; sneeuwen: sniën ; straat: stroate ; sokjes: brooskens ; schuimspaan: vispaan ; stekelbaarsjes: stekelbakskens ; (zeer kleine stekelbaarsjes: hagelingskens) spatten,uitstorten: dretsen ; stil: stolle ; stoot: ne stuëteen ; verslijten: verbuëmen ; schrokkerig en veel eten: balken ; spugen: spukken ; stoelpoot:  stoelpueut ; spit- of ploeggleuf: veure ; staan: staon ; straat: stroate ; slagboom: barieële ; slapen: sloapen ; samenwonen: tuuëpweunen ; schudden: schidden ; schatter landbouwgrond: prezeire ; spinneweb: koppennet : sneeuw: snië ; snuffelen, peuteren, schouders: schaors ; schop: schup ; soldaten: soldoatjen ; spiegeleiren: peirdenuëgen ; snoeien: snoen ; spillen (houten): spollen ; speels, bronstig: speldig ; stoelgang: gevoeg ; scrotum: bozze ; smiddags: ’t snuuns ; smalle strook (b.v. behang): bend ; slijpen: wetten ; snoep: bal ; snoepje: baballeken ; schrokkig veel eten: balken ; seringen: balzemienen ; stukken: stikken ; scheidingslijn: meet, meete ; scheren: scheiren ; sintels: schramoelen ; schafttijd: schof ; schone: scheune ; schil: schaale ; sla: saloaë ; sigaar, sigarre ; splinter: splèntere ;
T
taart:
toerte ; trappen: terten ; tomatensous:
taattesaase ; toestemming: permissie ; teelbalzak, scrotum: bozze ; tenen: tiënen ; te goed gedaan: gesmeird ; tafellaken: amelaoken ; terloops: akaks ; taats (metalen spijkers onder bottines): tetsen ; tafelpoot: t taffelpueut ; tanden van vork of riek: tinken ; teelbal: kluët ; twaalf uur: twoalven ; terloops, langs zijn neus weg: akaks ; teken: tieëken ; tong: tonge ;
U
u, je of gij hebt
: get ; ui: andjun ; urineren: pissen, zieëken ; uitwerpselen: stront, gasdekker ; uitdunnen: uitdinnen ; uitdoen: uwen: oane ;
V
varkens: veirkens ; verwelkt:
verslinst ; vensterluik: blaffeture ; vlekken: plekken ; veter: rijkurde ; venster: vuistere ; vensterluik: blaffeture ; vechten: boateren ; vislijn: pore ; vleesvlieg: bromvliege, brommer, maaischijtere, ronker, spanjaard, strontvliege ; verdorie: dju ; vagina: kutte, preute, pruime ; voetpad: plansier ; veiligheidsspeld: tôespale ; veeg rond de horen krijgen: voage rond zijn uëren krijgen ; vals spelen: zeuren ; vader: pau, vaudre ; verstrooid: kuffel(e) ; vlooien: vloeën ; vrachtwagen: camion ; vragen: vraugen ; versterkte grachtkant: scheutkant : verwarreld, omstengeld: verknosseld ; vleugel van vogel: vloarink, vlerk ; vuist: vuiste ; voor: veur ; verkeer: gerei ; vooral: surtoe ; verloop van mensen: begankenisse ; verder: veurder ; valsspeler: hoarzak ; voorschoot: schavve ; vel: vaal ; verbrande koolresten: schrammoelen ; verbrande koolresten met scherpe kanten: sintels ; verwisselen: mangelen ; verwarren: knosselen ; veld: 't vaalt ; vogels: veugels ; verschil: vrouwelijk geslachtsdeel: mie – uitdrukking: “ze zit met heur mie blueut” ;verschol ; vuile woorden: vuile roten ; varens: hoanekammen; vandaag: vandoaëge ; vlaag: vloage ; varen (sporendragende plant) voarent ; vleugels: vloaringen, vleuringen, vlerken ; vals lachen met leedvermaak: grimmelen ; vooruit: veruit ; verwisselt: vermangeld ; verbergen, bedekken: duiken ; verleiden: verliën ; vleier, mouwveger: gatlekkere, mouwfrottere ; vechten: baoteren (hij die vecht: baotereire) ; verwend: bedorven ; veel, hard: nijg ; verkopen: verkuuëpen ; vergiet: stramijn ; vuur: vier ; vochtig: klam ; 
W
water: woutere ; waskom: teste, tiële ; wasknijper: wasspa'le ; waterpomp: pompe ; wesp: peiretere,
wepse ; werkvestje (blauw): zieppeke ; werkschort: schavve ; wroedvrouw: achterwoarrasse ; wij, we: wuldre ; wij , ze: zuldre ; weekblad: 't boeksken ; waardeloze voorwerpen: prutsen ; wc: 't huisken ; wratten: worten ; willen: wollen ; wild konijn: keuntje ; weegschaal: baskuul of balance ; warwaterketeltje: muër ; wreed: vrië ; wortel: pee ; woordenstrijd: strijment ; woont: weunt ; woordenstrijd: strijment ; watergeul: goele ; waard: weird ; waarde: weirde ; wind (windje laten): scheete ; winden (b.v. draad ergens rond winden) woelen ; wij zullen: we zamme ; wederom: verdrom ; willen: wollen ; water: woatere ; wateren, urineren: pissen ; wegzenden: verzènden ; wenen: schreiën ; werken: weirken ; wil: wol (willen: wollen); worden: worren ;
Y
X
Z
zwoel weer: doef ; zo: zuë ; zo is het:
zulle ; zetel: zeet-le ; zaklamp: piellaâmpe ; zwarte bes: allebeeze ; zeepsop: luëge ; graszoden: gaszoeên ; zijn: zijne ; zakuurwerk: andjuun : zweer: zweren: zweiragies ; zoemen: zuëren ; zwaar: zwoar ; zure snoep: muilentrekkers ; zeker: vaneigest ; zich inspannen: weiren ; zeg: seg ; zien: ziene ; zijdelinkse begerige blik werpen: lonken ; ziekte: ploage ; zware boezem: balkon ; zou je: zodde ; zelfs: tsaalfs ; zweren: zweiren ; zon: zonne ; zenuwen: zeemels ; zoom: zuuëm ; Zult ge: zolde ; zunne: zolle; Zure snoep: muilentrekker
Bron: Tijdschrift - De Souvereinen - Heemkring Lokeren 

Zie eventueel ook:
> Inleiding van het Lokers dialect    

Deel 2 en 3
∇

Lokeren - Lokers dialect (deel 2)

         
         Lokeren 
           > Diverse informatie aangaande stad Lokeren (blog vlaanderen)   


 

  Lokers dialect (deel 2) 
Zie eventueel ook: > Inleiding en deel 1 Lokers dialect       

Op zijn Lokers gezegd
- Een gelukkig jaar en al wat ik je wensen kan:
'n gelukkig joar én aol wa 'k ou wénsen keun.
- Als ik het:
aseket
- Dat zal zo zijn:
da sa wal ; dat ge: dagge
- Er komt niets van:
tis van de kluëten
- Krenterig iemand:
hij zô tsaalfs zijne ruëk ziften die deur de schou goat
- Onverzorgde vrouw: slonse ;
- Onrustig iemand:
héét muren oan zijn gat
- Opschepper :
bluffer
- Ga weg:
tertent 'taf ;
- Hoe wreed zeg: oe vriët seg ;
- Het gazon maaien:
'tgas af rjn
- Hij ging naar de wc en kuiste zijn achterse af met een dagblad: hij gin naer't huisken en kuiste zijn gat (ol) af mijën gazette
- Het kan mij geen barst schelen:
't kan mij nie bommen
- Ik ga het konijn de pels afdoen: kgou 'tkonijn 'tvaal afstruëpen
-Iets wat je wilde doen en niet lukte:
twas ver den drol
- Iemand die niet naar behoren presteert: ne pruts
- Iemand die een grote mond opzet: gruët bakkes
- Iets arrangeren dat niet zo eerlijk is: foeffelen (iemand die zo iets doet is een: foeffeleire)
- Iets niet zo goed maken: knosselen (iemand die dat doet is een:
knosseleire)
- Ik heb het: kent
- Mooie of wat losse vrouw:
bieken
- Maak dat je weg komt: meikt ou weg
- Naar de school fietsen: narde schole terten
- Nog een goede dag:
sallu
- Over het algemeen:
deur den baand
- We zullen door gaan:
we goun deure goune

-Tegen een veelvraat die alles door elkaar naar binnen jaagt zegt men: gij moakt van ou lijf 'n spoelkuipe.
- Wie vermoed dat een kind aan het liegen is zegt: zwijg maar want ghet 'n gruéd zwart kruis op ou veurheuft ;
- Kleine kinderen, kleine zorgen, grote kinderen grote zorgen:
as de kinders kleine zijn terten z' op ou tienen as ze gruêt zijn op ou erte.
- Als iemand een wind laat:
wie hééd hier in zijnen vinger gesneen.
- Iemand die zijn eten niet gans op eet:
zijn uégen zijn greuter as zijnen buik.
- Als men iets zegt en men vraagt om teherhalen:
de pastere doe geen twie missen veur tjaalfste gaald.
- Als iemand snel zijn behoefte moet doen zegt men:
hédde soms slijtpap géten.
- Als iemand in een dure zaak binnen gaat zegt men: doar moede nie mier binnengoane, ze schrijven doar mee dobbel kruit.
- Als men iets in bruikleen vraagt en het niet krijgt zegt men: dau 't hij oplegt in den azijn.
- Van iemand die graag een hoge borst opzet:
hij peist dan 't zwiest en 't zwast nog nie.
- Als men zit te klagen zegt men: geef de stoefer 'n bruëd, de kloager hé gien nuëd.
- Alshet gezinzich in nieuwe kleren steekt: wij hén ons allemoal in spie moeten steken.
- Als de fanfare hun geliefde muziek speelt zegt men: heurt ze spelen weer older lijfstuk.
- Wie het schoentje past trekt het aan:
as ge ne neuze hét, kende rieken.
- Men zegt vaneen kind dat goed leert:
kijk nou ne kir, hij spreekt al op de lettere.
- Als men iemand wil leren kennen zegt men:
veur iemand te liëren kennen moed'er eerst ne kir pap mee eten !
- Als iemand te schrokkig gegeten heeft en hij moet een boertje laten zegt men:
mijne kaalder valt inne.
- Van iemand die uit alles munt wil slaan zegt men:
hij zô vliegen vangen mee zijn gat ast hij intijds moest keunen toenijpen!
- Tegen iemand die smorgens slecht geluimd is zegt men:
hêd ou aaiken nie ghatte ?
- Hij wil van geen overeenkomst weten, hij wil niets toegeven, hij houd zich op zijn standpunt:
hij wol nie steken of nie snîjn!
- Iemand die recht in zijn schoenen staat, rein in gewetenis:
wie nie besnot is moet nie snuiten !
- Wie niets heeft kan niets geven:
ne kei keude 't vaal nie afstruëpen!
- Met die man moet men opletten:
pas op dadde tegen den dienen zijn karre nie rijdt!
- Wanneer iemand geregeld aan zijn achterste krabt zegt deze:
de boter goat afsloagen.
- Alsiemand zijnhoofd jeukt zegt deze:
mijne kop iekt, dés regenachtig !
- Ik weet wat ik zeg, ik heb het zelf gezien:
mijn uëgen zijn geen kattestronten!
- Als iemand te laat op zijn werk komt zegt men:
heêd ou vrau soms te lank op ou (h)ende gelegen ?
- Als ge ergens tevroeg op de afspraak toekomt zegt men:
hédde soms in ou bedde gepist?
- Bij een scheldpartij zegt de tegenstander:
leg ne kir ou hand op ou huéfd en kijk wie datter ondrstoat!
- Van een onbeholpen iemand zegt men: hij is nog dommer as 't peird va christus, waarop volgt,
en 't was mondedju nen ezele!
- Tegen een nieuwsgierig kind dat blijft zeuren zegt men: dé zijn kreuzeneusen en vroagstroaten.
- Als de vrouw denkt dat de zoom van haar kleed onderuit komt vraagt ze:
speel ik gene poattere (pater)
- Als de vrouw een kleine linnen wasbeurt doet noemd dat:
'n plodderken sloagen.
- Van iemand die er maar bleek bijloopt zegt men:
hij ziet er maar smiëkes uite.
- Vaniemand die niets lost zegt men:
hij is nogal steeg van afgoane.
- Als men denkt dat het gaat regenen zegt de boer:
't zal nog regene vandoage de veirkens luëpen mee struëd in olde muile!
- Als men een gebroken arm heeft zegt men:
hedde soms oane vloarink gebroken!
- Als men beschuldigt word van iets wat men niet deed zegt men:
mij gat zee bakkere!
- Een vrouw met moeilijk onhandelbaaren venijnig karakter:
'n tiptoerte.
- Een vrouw met haar op haar tanden: een tieke - men zegt dan:
zo 'k nie geiren 'n eiken te palen énne zonne ! azuë 'n tieke van 'n wijf.
- Men zegt van iemand die graag een grote mond opzet:
her ne ker doare, de muilem is weer bezig !
- Wanneer men het echt goed heeft en zich gezellig voelt zegt men:
loat de boeren moar dussen !
- Tegen iemand met een ooggezwel (pinkoog)zegt men:
hédde soms in ne karreslag gepist ?
- Tegen iemand die zenuwaxhtig rondloopt zegt men:
moede soms eiren leggen ?
- Als iemand zij vroegere levenswijze moet opgeven zegt men: as 'n oer oud wordt pist ze wijwoatre!
- Als men door iemands schuld in een benarde situatie geraakt zegt men: nou hédde mij nogal ne poater gescholderd.
- Als er koude rillingen over het lichaam lopen zegt men: het duëmanneken leupt over mijn
lijf.
- Als men niet goed luistert zegt men: of dadde tegen hem spreekt of schijt dés zjuust tsaalfste!
- Van een bloedneus zegt men:
ne goe bloeneuze is 'n ziekte gespoard!
- Van iemand die zeer gelukkig is en dat duidelijk laat blijken zegt men:
moest hij (zij) nouin zijn (heur) handen schijten, hij (zij) zou peizen dan 't ne spekkoek is !
- Van iemand met een schorre stem word gezegt: hij (zij) hee precies ne puit in zijn (heur) kele!
- Doen of als ge het niet gezien hebt: geboaren van krommen hoaze!
- Wat een domerik ben jij:
wa veur nen truten zijde gij?
- Spijbelen op school:
achter d' hage luëpen.
- Iemand die uit de hoogte doet en alles beter weet:
bajaar.
- Vrouw dat medelijden opwekt, onhandig in doen en laten:
santeutje.
- Lichtzinnige onnadenkende vrouw:
tuite.
- Moet dat voor het kindzijn neus niet uitdrinken:
moedde dé veur dé mannekens zijnen neus uitdrinken, moet hij misschien zijnen was verliezen?
- Iemand een ongename verassing bezorgen:
ne kir ne pee stoven.
- Van iemand die graag een hoge borst opzet zegt men:
hij peist dan 't zwietst en 't zwast nog nie.
- Van iemand die in het nauw gedreven en bedreigd voeld zegt men:
zijn woater wordt neig bliêk.
- Van iemand die niet van zijn stuk te brengen is zegt men:
hij héét zijnen duim in zijn handen
- Als een kind zich moeilijk rustig kan houden en bv. heen en weer op zijn stoel schuift word gevraagt: ofdét hij muren (mieren)
oan zijn gat héét
- Als men van iemand iets in bruikleen vraagt zonder gevolg zegt men: dau 't hij oplegt in den azijn. Is deze persoon ook krenterig zegt men:
hij zô tjaalfs zijne ruëk ziften die deur de schou goat.
- Het spreekwoord "kleine kinderen,kleine zorgen, grote kinderen, grote zorgen", luid in Lokeren als volgt:
as kinders kleine zijn terten z'op ou tienen, as ze grueët zijn op ou erte.
- Wie vermoed dat kinderen aan het liegen zijn zegt:
zwijg maar want ghet 'n gruët zwart kruis op ou veurheuft.
- Van een vrouw die voordurend heen en weer loopt zegt men: z 'is op heuren drevel. Zij zelf zegt:
wa'k van vandaag afgedreveld hén, dés ongeleufelijk!
- Een gigantisch klinkend, maar toch vriendschappelijk gezegde:
wie veur zijn eigen zirgt, zirgt veur ne goê vriend !
- Voor nutteloze uitgaven zegt men:
des op de kosten van 't sterfhuis!
- Van iemand die op zijn laatste benen loopt en gaat sterven zegt men: hij leupt mee zijn duêkiste onder zijnen eirme. Als hij dan dood is zegt men: hij heet zijn tiënen uitgestoken. Als hij naar het dodenhuisje word gebracht zegt men: hij ligt op de blau steen. Als hij begraven is zegt men:
hij ligt mee gas op zijnen buik.
- Als getrouwde kinderen niet meer naar huis op bezoek komen zegt men:
ach wie nie komt moe nie kiëren.
- Tegen een vrouw die niet goed aan haar fietspedalen kan tijdens het fietsen zegt men:
héd al botere madammeken?
- van iemand die een slag op zijn kop gekregen heeft zegt men: hij éé nen tets op zijne kop gatte (tets is hier de taats die onder bottines geplaatst word
).
- Van iemand die hoogmoedig op het gewone volk neerkijkt zegt men:
dien blageur is zeker vergeten dat hij uit 'n werkmansbroeke komt?
- De tijd heelt alle wonden:
dé verbuëm wal
- Als een van de huwelijkspartners iets verteld aan buitenstanders over de gemeenschap zegt de andere partner:
zwijg moral, mee oanen flau savec, over 't bédde wordt er nie gesproken!
- Als iemand snel voorbij loopt zegt men:
schiëter moar uite z' hén hem al!
- Van iemand die een vlot passend antwoord kan geven zegt men:
hij keu rijmen en dichten zonder zijn gat op te lichten.
- Als een man wel eens een slipertje durft te maken zegt men: hij zotter zijn klakke nie overleggen! Hij zelf zegt dan:
omdak mijn vrou nou geiren zien, moet ik op d'andere toch nie koad zijne!
Als een gezinslid iets vraagt dat moeilijk betaalbaar of onverantwoord is zegt men:
dé keud onzen bruinen nie trekken.
- Tegen of van mensen die veelal tegenslag hebben zegt men:
jaja 't leven is ne strijd, wij stoan der veuren en wij moeten der deure, den iënen wort er deurgedregen, den anderen moet er deurkruipen, doar zittend em, dés 't leven.
- Van iemand die nog niet geestesrijp is zegt men (vooral kinderen die iets nog niet begrijpen):
dé heêt doar nog geen verzaë van.
- Van iemand die er warmpjes inzit (vermogend is) en dat laat merken en zijn weelde ten toon spreid zegt men:
wie dan 't lank heêd loatend lank hangen!
- Als men een duurdere aankoop verantwoord vind omdat deze wellicht langer meegaat zegt men: dé komt allemoal zeu lank as dan 't briëd is. Men zegt ook wel: koeken noar gaald
Kwaliteit moet betaald worden.
- Als een man te laat komt (b.v. het werk) zegt men wel eens: “Heêd ou vrau soms te lank op au (h) ende gelegen?” Heeft je vrouw soms te lang op je hemd (pyjama) gelegen?
- Als een man te vroeg ergens toekomt (b.v. het werk) zegt men: “Hèdde soms in ou bedde gepist?” Heb je soms in je bed gewaterd?
- Als je denkt dat ze van jou spreken zegt men: “Mijn uëren tuiten !” Mijn oren tuiten!
- Van iemand die graag een grote mond opzet, roept of tiert zegt men: “Heurt ner ker doare, de muilem is weer bezig!” Hoor eens daar de grote mond is weer bezig!
- Van iemand die een bonvivant leven heeft geleid en het nu kalmer aan moet doen door ziekte enz… zegt men: “Hij hee zijnen tijd ghatte gelijk de brombezen” Hij heeft zijn tijd gehad zoals de braambessen.
- Een moeilijke stoelgang hebben, gierig zijn: “Steeg van afgoane!”
- Een vrouw met haar op haar tanden zoals men zegt: “Azuë ’n tieke van ’n wijf “ Zo een bazige vrouw.
- Als men een rotslechte dag heeft en alles tegenslaat wat men doet, zegt men: “Zo’ der ou nie van beschijten !” Ge zou je er van bevuilen ! Of wel zegt men: “Zodde doar millegrijs ou bluët gat nie loaten va zienne!” Zou je daar je ontbloot achterste niet van laten zien!
- Als men er harder moet tegen aangaan roept men: “Allei manneken bozze geven.” Bozze = scrotum (teelbalzak).
- Van iemand die alle soorten drank lust zegt men: “Zijn tote past op alle teuten” Zijn mond past op alle fleshalzen, als het maar alcohol is.
- Van een gezin dat de ene tegenslag na de andere te verwerken heeft, zegt men: “Den duvel (h) oud doar de keisse” De duivel houd daar de kaars vast.
- Van een dronkaard zegt men: “Hij meugt ze nogal” of “Hij zal ze in zijn schoenen nie gieten”.
- Als men zijn vermogen wil wegschenken als men nog goed gezond is zegt men: “Ge meugt ou nie ontbluêten veuren dadde sloapen goat!” Je mag je niet uitkleden voor je slapen gaat, wat wil zeggen, schenk je vermogen niet weg vooraleer je stervende bent.
- Het verschil tussen een arme en rijke Lokeraar: “Nen eirme moakt ruze op’t stroate en een rijke in zijne salon” Een arme maakt ruzie op straat en een rijke binnenhuis.
- Van iemand die er financieel goed inzit zegt men: “Hij hangt lank!” Hij heeft nog veel geldreserve! Men bedoeld evenwel niet de echte rijke.
- Als iemand iets onverwacht veel geld gekost heeft zegt men: “Z ‘hèn hem doar ’n snee in zijn uëren gegeven!” Ze hebben hem daar een snee in zijn oren gegeven!
- Als iemand de negatieve karaktertrekken van zijn vader heeft zegt men:“ ’t is zjuust zijnen aon (oude)".
- Als men de positieve karaktertrekken van de vader waarneemt zegt men: “Hij is uit zijn vader gesneën (gesneden)”.
- Als men u bij de bediening van eten al dan niet gewild overslaat zegt men: “Nou moede kijken si ! wij hèmme weeral ’n houten muile!” Nu moet je kijken, wij hebben zeker een houten mond!
- Als iemand door eigen schuld in moeilijkheden verkeert zegt men: “Het zijn zijn eigen luizen die hem bijten!”
- Van een vrouw die met regelmaat haar kinderen aan hun lot overlaat zegt men: ”’t is ’n echte kattemore (kattenmoeder)!”
- Als een echte Lokeraar een plasje moet maken is een van de uitdrukkingen de volgende: “’t is huëg tijd dè k mij petetten ne kir goan aofgieten!” Het is hoog tijd dat ik mijn aardappelen ga afgieten.
Als je wat vergeten zijd (b.v. tijdens een boodschap doen) zegt men: “As ge aone kop kwijt zijt moede ao biënen gebruiken !” Als je er met je hoofd niet bij zijd, moet je nu maar je benen gebruiken om het vergetende te halen. - Van een bereidwillig persoon zegt men: “Dès ne kir ne gouêt kluët si ! doar keude niets aen misvraoagen” Bedoeld word dat het een goed manspersoon gaat waar je niets aan kan misvragen (kluët = teelbal).
- Van een kruidje-roer-mij-niet, dat tevens een beetje de schijheilige kant opgaat, zegt men: “Is mij dé ’n heilig zaontsen!” Het is een heiligprentje.
- Als een Lokeraar wil diets maken dat hij u geen uitstaans meer wil hebben zegt hij: “Gij éd op mijnen dein (pleintje) gescheten!” Je hebt je behoefte (stoelgang) bij mij achtergelaten.
- Als men in Lokeren hoort zeggen: “Die mens is neig vervet. Joa’n, gelijk ne reiger op zijn schenen” Betekend het dat die persoon fel vermagert is, ook bij een reiger komt er geen spiertje vlees op zijn schenen.
- Als men van iemand zegt: “Hij droagt uëren gelijk taluëren” Hij heeft oren gelijk eetborden, bedoeld men dat zijn vrouw hem bedriegt met andere man(nen). De Lokeraar heeft hier het gebruikelijke hoorndrager omgevormd tot orendrager.
- Van iemand die luidruchtig boert (door spijsvertering) zegt men: “Zijne kaalder valt inne!” zijn kelder stort in.
- Als iemand nog weinig interesse voor iets betoond zegt men: “Hij voagt ‘er hij tegenwoordig vierkant zijn gat aone!” Hij draait er zich met zijn achterste naartoe, het interesseert hem eenvoudig niet meer.
- Wanneer men slaap krijgt zegt men: “De voakluizen zijn doar al!” De slaapluizen zijn er al, men begint dan vooral in de ogen te wrijven.
- Van iemand die al te begerige blikken werpt zegt men: “Eu wa vrië dingen! keud diene mens lonken, hij droadt hij bots mee zijn uëgen tot in ’t holleken van zijn gat” Wat wreed, kan die mens zijdelinks kijken, hij draait met zijn ogen tot voor de opening van zijn achterste.
- Als iemand de deur openlaat vraagt men hem: “Of dat hij soms gewuën is is van naor de keirke te gaone?” Gewoon is van naar de kerk te gaan.
- Als een man helemaal weg (verblind) is van een vrouw zegt men: “Dè steekt zijn uëgen uite!” Zij steekt hem de ogen uit.
- Wanneer iemand het je zodanig op de heupen doet krijgen dat je er bijna je zelfbeheersing bij verliest zegt men: “Si diene mens zod oa ’t schijt duun krijgen!” Die mens zou u de afgang doen krijgen! Of “Van diene mens krij ‘k de kao korsens !” Van dienen mens krijg ik de koude koorts!
- Tegen een deugniet zegt men: “Ge zij nen deugniet gij, en doarmee zijde geprezen !” Ge zijt een deugniet en daarmee heb ik je op de volle waarde geschat!
- Van iemand die rap buiten adem is bij een normale inspanning zegt men: “Nen ezel zweet van ’t schijten!” Een ezel zweet van zijn grote behoefte te doen!
- Als men iemand onrechtvaardig behandeld heeft zegt men: “Zen die sikkeleire doar verdrom ne kir ne kluët aofgetrokken si!” Ze hebben die sukkelaar daar wederom eens liggen gehad ((kluët = teelbal).
- Als men vermoeid begint te raken en de benen gaan niet goed meer mee zegt men: “Ja, ja bij nen ezel beginnend altijd aan zijn puëten!” Ja bij een ezel begint ook de vermoeitijd altijd bij de poten!
- Van een vergeetachtig mens zegt men: “Hij omtoadt zjuust van ’t snuuns tot den twoalven!” Hij onthoud juist van smiddags tot en met 12 uur!
- Als ge ergens een voordeel gehaald hebt zegt men: “Dir is wa van de karre gevallen!” Er is wat van de kar (wagen) gevallen!
- Bij hoog oplopende ruzies zegt men wel meer: “Gij meugt nog nie gaan rieken woar dè ‘k ik gescheten hèn!” Gij moogt nog niet gaan rieken waar ik mijn grote behoefte gedaan heb!
- Tegen een jong meisje dat al eens weent zegt men: “Spoard oa troanen moar veur laoters meisken, ge za ze nog genoeg nuëdig hènne” Spaar je tranen maar voor later meisje, je zal ze nog genoeg nodig hebben.
- Van twee goeie onafscheidbare vrienden zegt men: “si die twië plakken aon makoar gelijk stront aon ’t hènde!” Zie die twee plakken aan elkaar gelijk uitwerpsel aan het hemd!
- Als men iets komt vertellen dat je al weet zegt men: “Das ao vuil!” dat is oud vuil! met andere woorden dat is oud al gekend nieuws.
- Als men in Lokeren zegt: “Als ’t te wit wordt, tèn worret zwart!” Als het te wit wordt, dan wordt het zwart!” Dan bedoeld men dat een goede vriendschap plots kan omslagen naar vijandschap.
- Als vrouwlief je geen woord gunt, zegt de man: “’k Hèn beeld maor geene klànk!” ik heb beeld maar geen klank!
- Als men een nutteloze verplaatsing gemaakt heeft spreekt men van een: “Beenhaowersreize” Beenhouwersreis (komt van beenhouwer die zonder resultaat op zoek was naar geschikt slachtvlees).
- Wanneer men zich veilig en goed geborgen voelt zegt men: “We hier huuëg en druuëge” We zitten hier hoog en droog.
- Als iemand met zichzelf hoog oploopt zegt men: “Wie dènt huuëge op heed keu lieëge välen” Wie dat het hoog met zichzelf opheeft kan laag vallen.
- Van iemand (vrouwmens) die dan ook maar alles ziet zegt men: “Dè mèns heed uuëgen op heur gat staone! " Dat mens heeft ogen op haar achterste staan!
- Wanneer je voortdurend op je hoede moet zijn zegt men: “Ge zo’d uuëgen op oa gat moeten hène!"  Ge zou ogen op je achterste moeten hebben!
- Van iemand die veel invloed heeft zegt men: “Hij heen ne vrieë langen eirme!” Hij heeft een lange arm!
- Als iets vanzelfsprekend is en geen verdere uitleg hoeft, zegt men: “ Dè voag zijn gat zonder papier!” die veegt zijn achterste zonder papier!
- Als iemand morgens vroeg aan het fluiten is, zegt men: “Pas maor op dèn de katten oa nie pakken!"  pas maar op dat de katten u niet pakken. Men bedoeld, vroege vogels blijken gevaar te lopen.
- Van een langslaper zegt men: “Hij zod in zijnen nest blijven liggen tot de zon in zijn gat zit!” Hij zou in zijn bed blijven liggen tot de zon in zijn achterste zit!
- Als men in Lokeren hoort zeggen: “’k Zan hèm ne kir van de stoaëse gaon hoalen!"  Ik zal hem eens aan het station gaan halen! Wil dit zeggen dat hij hem een pak slaag zal toe dienen.
- Als men een bankbriefje (geld) laat wisselen waar en persoon met baard opstaat, zegt men: “wij gaome nog ieënen loaten scheiren!” We gaan er nog een laten scheren!
- Van iemand die in zijn kaarten niet laat kijken wordt gezegd: “Den dienen laot ok zijn hènde nie ophèffen!” die laat ook zijn hemd niet optillen!
- Van iemand die grote voeten heeft zegt men: “Diene kadee keut op zijn voeten staon sloapen!” Die jonge man kan op zijn voeten staan slapen!
- Van haar die met een slecht afbrokkelend gebit geplaagd zit zegt men: “’t Is zuust nen bak schramoelen as z’euren mond oopenduut!” Het is juist een bak sintels als ze haar mond opendoet!
- Van iemand die niet langer iets kan verzwijgen zegt men: “’t Ligt te zweiren op zijn tonge!” Het ligt te zweren op zijn tong!
- Van iemand die ligt te sterven zegt men: “Hij is aon zijn leste schof beezig!” Hij is aan zijn laatste uren bezig !
- Van iemand die stekeblind is zegt men: “Hij zie zeu goed in den donker as zonder licht!” Hij ziet zo goed in het donker als zonder licht!
- Als alles al op voorhand geregeld is en men mag zelf niets meer in te brengen, zegt men: “’t Veirken is al deur den buik gestooken !” Het varken is al geslacht! Alles is zonder ons geregeld bedoeld men hier.
- Als een persoon na een al dan niet terecht gekregen opmerking uiting geeft aan zijn ongenoegen, zegt de berisper kortweg: “As ’t oa nie aoënstaot lègter gij oane kop tèn bij!"  Als het je niet aanstaat leg er je kop dan naast!
- Als een week onderbroken wordt door een vrije dag zegt men: “’t Is maor ’n bescheeten weeke!” Het is maar een bekakte week! Men bedoeld dat men er door uit zijn gewone doen geraakt.
- Van een gierigaard zegt men: “Die zo zijnen eigen stront opeeten!” Hij zou zijn eigen uitwerpselen opeten! Zo gierig (krenterig) is hij.
- Als het ’s avonds donker wordt zegt men: “Ze bloaëzen de gruuëte keis uite!” Ze blazen de grote kaars uit!
- Van iemand die er stralend bij loopt zegt men: “Zij weezen leupt op wielekes!” Zijn gezicht loopt op wieltjes!
 - Van iemand die veel schulden gemaakt heeft en deze niet kan voldoen zegt men: “Hij stao mee zijn uuëren aon den blok” Hij staat met zijn oren aan de (kap) blok.
- Van een vrouw waarvan de sleuf tussen haar borsten zichtbaar is door een diep uitgesneden kleed, zegt men: “Ze luuëpt mee heur wijwatervat bluuët” Ze loopt met haar wijwatervat bloot.
Bron: Tijdschrift - De Souvereinen - Heemkring Lokeren.

> Waasland dialect (op deze site)   
          
> Waasland informatie (blog waasland bericht) 
> Oost-Vlaams dialect (info op deze site)   



Zie eventueel ook
> Inleiding en deel 1 Lokers dialect   

Deel 3
∇

Lokeren - Lokers dialect (deel 3)


               
          

      
     Lokeren 


    > Diverse informatie aangaande stad Lokeren (blog vlaanderen) 




 


 Lokers dialect (deel 3)
  Zie eventueel ook: > Inleiding, deel 1 en 2 Lokers dialect   

Een Lokeraar zegt van zichzelf
Ik ben: Lokeraar (man): Lokereiër ; Lokeraar (vrouw): Lokerasse ;

Weerspreuken in Lokers dialect 
- In verband met het rijpen van de oogst: Rijp of niet ! Op Sinte-Margriet pikken !
- In verband met de windrichting zegt men: Waar hij op Pasen gaat slapen, zal hij op Sinksen opstaan !: woar dét hij op Poasen goa
sloapen, zadt hij op Sinksen opstoane !
- Dooi zonder regen of wind, is niet waard dat het begint !:
dooi zonder regenof wind is nie weird dant begint !
- Als er na lange droogte een zappig regentje valt zegt men:
't regent vijf frankstukken !
- Weerspreuk in verband met de lengte van de dagen:
mee Kerstdag stoan ze, mee nievjoar goan ze, mee drijkeuningen zijn ze gelingd zeudat de ruiter op zijn peirde springt.
- Sneeuw regen of wind voor nieuwjaar doet niets af van wat nog komen gaat, men zegt
dan: veur nievjoar is genen afslag.
- Als de zon zich niet laat zien en het weer is overtrokken en regenachtig zegt men: 't is moar ne bruinen.
- Kring rond de zonne Woater in de tonne (tonne = watervergaarelement of waterton)

 Gezegden van vroeger in Lokers dialect
- Daknam hottentot, zeven huizen en een veirkenskot.
- Moager en toai, gelijk de bokken van Snaui
(Mager en taai gelijk de bokken van sinaai)
-Typisch gezegde van een stotteraar: spukt et moar in mijn klakke, 'k zaan ter wal uitroapen (spuwt het maar in mijn pet, ik zal het er wel uitrapen)


Gemeentenamen uitgesproken in Lokers dialect

Antwerpen: Aantwürpen; Dendermonde: Deiremoonde;Eksaarde: Exoarde ; Overmeire: Overmére ; Sint-Niklaas: Sintniekloas ; Waasmunster: Wasmuisteren ; Waasland: Waosland 

Dialectnamen van vogels in Lokers dialect

Blauwe reiger:
reigere
Zwaan: zwaone
Gans:
wolde ganze
Wilde eend:
wolde ienze, volle ienze, piele
Lepelbek:
slobeend
Buizerd:
brawier
Sperwer:
scherpen
Patrijs:
patrijsse
Kwartel: kwakkel Kwartelkoning:
bremscherre
Fazant:
fezante
Waterhoen:
waterkieken
Meerkoet:
marol
kievit:
kieviete
Watersnip: sneppe Houtsnip:
bossneppe
Bokje:
deuverken
Wulp:
fluiter
Meeuwachtigen:
zeemeeuw
Houtduif:
bosduive
Tortel:
tortelduive
Steenuil:
uileken, uil, bosuileken Ransuil: katuil
Zwaluw: zwolmGierzwaluw:
kerkzwaluw, kerkzwolm
Oeverzwaluw:
zandzwolm, zavelzwolm
Ijsvogel:
ijspauwken
Grote bonte specht:
steenspecht
Boomleeuwerik: kortsteirtje, horliaantje Veldleeuwerik:
luwerke
Wielewaal:
geile wiewaol
Zwarte kraai: kraue Bonte kraai:
grijze kraue
Kauw:
kauken
Ekster: okstere Klapekster:
oksterke bont
Gaai:
wouter, annewuiten
koolmees: dobbel kees meesachtigen:
keesken
winterkoning:
pietje keuning
Grote lijster:
peirdelijster, witte djaklijster,
Kramvogel:
djaklijster, blauwe djaklijster, blaukop
zanglijster: franse

Gebed van de Lokerse dronkaards
Onze vader die in al de herbergen zijt
Geheiligd zij de klare en de bittere
Laat ons toekomen de genever
Geef ons heden onzen dagelijkse druppel
En vergeef ons onze schulden
Die wij in de herbergen staan hebben
Gelijk wij geven aan de bazin
Die ons slechten drank verkocht
En leidt ons niet in de kroegskens
Maar verlos ons altijd van de lege glazen
Vat van genever, vol van spiritus
Wij zijn met u, gebenedijd is ’t citroentje
En gebenedijd is de vreugd van ’t fleschken
Heilig genevervat, moeder der zatlappen
Nu en in de uur als wij aan ’t zuipen zijn.

Specifiek dialect van het gehucht Lokeren Heiende
blote voeten: pletsen beiërvoets ;
dwaas: fillefou ;
eindelijk:
jauft ;
invetten, smeren: smaoten ;
noorderwind:
de wint zit omuëge ;
moto: motosiekel ;
roddelaar:
vuilmulle ;
simpel mens: ne wietel ;
Varens: bijkammen ;

Gezegden en uitspraken
hebt u ze alle vijf: zijde gij wa maboel ; 


Bron: Tijdschrift - De Souvereinen - Heemkring Lokeren.  

> Lokers dialect (www.mijnwoordenboek.nl)   
> Waasland dialect (op deze site)               
> Oost-Vlaams dialect (op deze site)   
> Inleiding, deel 1 en 2 Lokers dialect   
> Diverse informatie aangaande het Waasland (blog vlaanderen)   
> Diverse informatie aangaande het Waasland (blog waasland bericht)   

 

 107273.jpg  

> Provincie-Oost-Vlaanderen (blog vlaanderen)  

button

Eksaarde - Eksaardes dialect Daknam - Daknams dialect

                                                            

          

        Eksaarde
    Deelgemeente van Lokeren.



  


Eksaarde (oude schrijfwijzen Eksaerde of Exaerde) is waarschijnlijk ontstaan langs de heerweg tussen Antwerpen en Brugge. Het werd rond 1230 een aparte parochie met eigen kerk, waar het tot dan een onderdeel van de parochie Waasmunster was.
Eksaarde wordt plaatselijk Gezoaerde uitgesproken. 
Spotnamen van Eksaarde: blauwbuiken, witvissen.
> Legende: De Kruisen van Eksaarde (www.figy.be/legenden)   
> Diverse informatie aangaande Eksaarde/Lokeren (blog vlaanderen)   

Eksaardes dialect

Eksaardes dialect wordt plaatselijk Gezoaerdes genoemd.
Eksaarde is ook voor het dialect verwant aan Lokers, toch zijn er ook belangrijke verschillen waarvan hier een aantal beschreven.  

Woorden in Eksaarde dialect
boterham:
boot ; boterhammen van rozijnenbrood: bezeboten ;
geperste kop (hoofdvlees): oofflakke ; grof brood:
gruizenbrood ;

karbonade, koteletten: kramenaôn ;
lokerse vlaaien:
lokerse vlaen ;

macaronipap: noellekespap ;
pistolets:
pollen ;

reuzel: pillekessmout ;
oliebollen:
oliedots ; ontbijtkoek: pomkoek ;
snoepschuim (schuimpje): nonnescheet ;
> Lokers dialect (op dit dialectblog)  
> Waasland dialect (op deze site)   
> Oost-Vlaams dialect (op deze site)   


 

Luister naar het Gezoaerdes dialect.
> Gemeente Eksaarde (www.youtube.com)   
> Gemeente Eksaarde in beeld (www.google.com)  

Daknam
Deelgemeente van Lokeren.   

Daknam, periode 1156 Dackenham. Betekenis van de plaatsnaam is omheind stuk land. 
 Spotnaam van Daknam: Hottentotten. 
> Diverse informatie aangaande Eksaarde/Lokeren (blog vlaanderen)   


Daknams dialect

Het Daknams dialect is verwant aan Lokers, evenwel ook verschillen in uitspraak. 
Woorden in Daknams
pier, aard(e)worm:
poer ; 

> Lokers dialect (op dit dialectblog)  
> Waasland dialect (op deze site)   
> Oost-Vlaams dialect (op deze site)   

>
Gemeente Daknam (www.youtube.com)  
 
> Gemeente Daknam in beeld (www.google.com)   

> Diverse informatie aangaande het Waasland (blog vlaanderen)   
> Diverse informatie aangaande het Waasland (blog waasland bericht)   
 

 107273.jpg  

> Provincie-Oost-Vlaanderen (blog vlaanderen)  

button

Moerbeke-Waas - Moerbeeks dialect

               
       
     
     
     
Moerbeke-Waas

                 



 

 

 

De naam Moerbeke komt van enerzijds het Germaanse woord 'mora' wat veenmoeras ( of later turf-ontginningsterrein) betekent en anderzijds het Germaanse 'baki' wat beek betekent. De naam wordt voor het eerst vermeld in 1271 . Reeds in de Romeinse tijd bestond er al een woonkern aan de noordelijke heirbaan. In de periode 1142 was de plaatsnaam Morbecca.
De officieuze naam "Moerbeke-Waas" wordt soms gebruikt om onderscheid te maken met het andere Moerbeke, deelgemeente van Geraardsbergen.

Spotnaam van Moerbeke-Waas: smeerkoeketers. 
> Diverse informatie aangaande gemeente Moerbeke (blog belgië)   


Moerbeeks dialect 
Wie helpt bij het Moerbeeks dialect?
Contacteer: andreotte@hotmail.com

Dialectwoorden 
A
ajuin: adzun ; ambetante mens: ne beu'en ; appelsoort (Jacques Lebel): sacrabel ; 
B  
bang zijn: schau zijn ; biggetje: Sjut, tseutsen ;bloeding: bloeinge ; boekweit; bokéstoppel ;  
C 
catechismus: kattekesmus ;  
D 
dakgoot: kornisse ; dokter: dookteur ; doodsprentje of heiligenprentje: zantje ; dorsmachine: duskasse ;   
E 
eg (landbouwmachine): eegde ; 
F 
fuchsia (bloem): belleman ; 
G 
H 
haag: weire ; heilig oliesel (als iemand op sterven lag): berechtinge ; hij heeft het opnieuw: ei eend weere ; 
I 
iemand die altijd het juiste weet: bestweetre ; ik ben veranderd van mening: ka mijn kaare gekeerd ;  inspuiting: piekure ; 
J 
K 
kleibolletje (klein) om te knikkeren: feute ; knikker (grote): bolleket ; kookpot: kastrol ; koortsblaar: korseblaze ;kwaadaardige vrouw: pekelteve ;
L 
landbouwmachine, cultivator: kuullefoiter ; lompe vrouw: kalle, kloefkapper ; 
M 
man: ne vant ; meikever: meulenaire ; missaal die je kreeg bij plechtige communie: kirkeboek ; moerbeeks bietenseizoen: de kampagne ; 
N 
O 
opkoper van vee: bjeestenkjuper ; oogst binnenhalen: oest afdoen ; opslagplaats (groot) voor suiker: suikerbasiliek ; overjas: pardesu ; 
P 
paaien: flamakken ; persoon die weinig kan verdragen: seute ; persoon met veel streken: preetainse ; pier: teek ; politie: de sondurmus ; 
Q 
R 
rammeling: dussinge ; rem: fran ; ribbetjes: rabekes ; roddelaarster: comere ; 
S 
schoenveters: rekkeurden ; schop (onder je achterste): ne schup in aonen inktpot ; smospot, smossen: djefeleire, djefelen ; 
T 
tesamen: tjeupe ; tuin, hof: logting ;  
U 
V 
valsspelen: eurzakken , zeurzakken ; veearts: peirdemeester ; veiligheidsspeld: toespelle ; verfrommelen: verkreukelen, verfroefelen ; verkoper: commersant ; verwelkte bloemen: verslunst ;verwelken: verslinsteren ; vroedvrouw: achterwoarsterigge ; vuilblik met borstel: zwijntje ; 
W 
wc: tvertrak ; 
X 
Y 
Z

> Waasland dialect (op deze site)   
> Oost-Vlaams dialect (op deze site)    


> Gemeente Moerbeke-Waas (www.youtube.com)   
> Moerbeke-Waas in beeld (www.google.com)   

> Diverse informatie aangaande het Waasland (blog vlaanderen)   
> Diverse informatie aangaande het Waasland (blog waasland bericht)   
 

 107273.jpg  

> Provincie-Oost-Vlaanderen (blog vlaanderen)  

button

Waasmunster - Waasmunsters dialect



                

   Waasmunster

 




De naam Waasmunster zou komen van Waes-monasterium, ofwel een nederzetting in het Waasland. De vroegere plaatsnaam was Wasmonasterium 1019.
Waasmunster wordt plaatselijk Vasmusteren genoemd.
Scheld of Spotnaam van Waasmunster: hespeneters

 

Waasmunsters dialect

Waasmunsters dialect wordt plaatselijk Vasmusterens genoemd.
Woorden in Waasmunsters
  
A
aardappelen: petetten ; aardappelenpetetten; appelmoes, appeltrut ;
borstenhouder: loezekabaa, loezekabaa; bloeden: bloein ; boodschappen doen: komisses doen ; boom: buum ; bord ; talluur, taloor ; broodpudding: bodding
B
C
charcuterie: toespijs ; chocoladefiguur: choclatte postuur ;
D
droog: dreug ;
E
erg: neig ;
F
G
gracht: sljuut ;
H
haag: weir ; handtas: sjakos ;
I
ijsje: pillekekaat ;
J
K
koekjes (klein rond): mokken ; kookpot: kastrol ;
L
lekstok: Stamper ;
M 
N
letter-cijfer koekjes: mokskes ;
O
P
pak slaag: rammeling ; pompbak: pomstiejn ;
Q
R
regenworm: pielewuiter ; rolluik: perchen, persjenne ; roomijs: pilleke'kaat ;
S
Sallamie: Sosis ; schommel: beis ; slaapkleed: tabbord ; sloefen: sletsen ; stok: knuppel ; straks, later: fleus ;
T
tafel: tauffel
U
uit gieten: uit paren ;
V
veel: neig ; vergiet: stramijn ; vork: ferket ;
W
werkmateriaal: auëllam ; wij: wulder ;
X
Y
Z

Gezegden
Waar is de tijd naartoe?: waur is d’n tijd naurtoe?

Gemeentenamen

Sint-Niklaas: Sinnekloas
Waasmunster: Vasmusteren 

>
Waasmunsters (www.mijnwoordenboek.nl/dialect/Waasmunsters) 
    
> Waasland dialect (op deze site)    
> Oost-Vlaams dialect (op deze site)   

> Waasmunster (www.youtube.com)   
> Gemeente Waasmunster in beeld (www.google.com)   

> Diverse informatie aangaande het Waasland (blog vlaanderen)   
> Diverse informatie aangaande het Waasland (blog waasland bericht)   
 

 107273.jpg  

> Provincie-Oost-Vlaanderen (blog vlaanderen)  

button

Stekene - Stekens dialect Klein-Sinaai - Snôas dialect

                                                            
          

     Stekene 





 

De oudste vermelding spreekt over Stekela (1223) en Stekelt (1247) duiden direct op het verband met de versterking Stekelburg (1178), gelegen in het noorden, waar nu nog de mottei te zien is in de Hulsterstraat en Alvinusberg genoemd wordt.
De betekenis Stekene – Stekela, past niet bij het huidig uitzicht van de gemeente maar bij dat van voor 1315 . Toen werd de vaart gegraven tussen Gent en Hulst, en onderging de gemeente een gedaanteverwisseling.
Bron: wikipedia.org en www.deuzie.be    
Scheld of Spotnamen van Stekene: blauwbuiken, messenvechters , baanstropers.
> Diverse informatie aangaande gemeente Stekene (blog vlaanderen)   

  Stekens dialect

In tegenstelling tot sommige Wase gemeente dialecten vertoont Stekens dialect uitsluitend Oost-Vlaamse kenmerken, en geen Brabantse.
Woorden in Stekens dialect

afhaken: afpieken ;
borstel:
bostul ;
dook: vuile vent ;
dronkaard: lapper ;
geld: cénzewuters ;
gereedschap: gesmei ;
goochelen: schameteern ;
grootmoeder:
meetsjen ;

haag: weire :
hersenen: hésses ;
hesp:
epsu ;
hobbelpaard: jutekapeird ;
klein kind: patotterken ;
kleuterschool:
kakschole ;
mouwveger: flamakre ;
niemendal: eilenniet ;
ook:
ukku ;
schaar: schieijr ;
stoel:
stuul ;
stoppen (b.v. met werken): uitschien ;
terug: verdrom ;
venster:
vuster ;
vernielen: rinneweern ;
veter: nestling ;
vleugels: vlaringen ;
voetzool: tert ;
vrouw met breed achterwerk: wanne ;
werk: wiéurk ;
zwarte drop: zieziepken ;

Dierennamen in Stekens dialect
hagedis:
okkerteesie ;

Vogelnamen in Stekens dialect
wilde eend: lenze ;
zwaluw:
zwalm ; 
> Stekens dialect (www.mijnwoordenboek.nl)  
> Waasland dialect (op deze site)  
 
> Oost-Vlaams dialect (op deze site)   

> Gemeente Stekene (www.youtube.com)   
> Gemeente Stekene in beeld (www.google.com)   

 Klein-Sinaai 
Dorp van Stekene

De fusiegemeente Stekene bestaat uit twee deelgemeenten: Stekene zelf en Kemzeke. In 1977 werd ook de kern Klein-Sinaai van de voormalige gemeente Sinaai naar Stekene overgebracht. Hierdoor wordt soms gezegd dat de gemeente drie deelgemeenten heeft hoewel formeel Klein-Sinaai geen deelgemeente is daar het nooit zelfstandig geweest is.

Snôas dialect

Het dialect van Klein-Sinaai is vrij identiek aan dat van Sinaai en verwant met het dialect van Stekene. 

Snôas dialect woorden

borstel: bostul
hesp: epsu
schaar: schieyr
ook: ukku
stoel: stuul
Werk: wiéurk
zwaluw: zwalm
> Stekene dialect – Stekens (info op dit dialectblog)   
> Waasland dialect (op deze site)  
> Oost-Vlaams dialect (op deze site)   

 > Klein-Sinaai (www.youtube.com)  
> Gemeente Klein-Sinaai in beeld (www.google.com)   

> Diverse informatie aangaande het Waasland (blog vlaanderen)   
> Diverse informatie aangaande het Waasland (blog waasland bericht)   
 

 107273.jpg  

> Provincie-Oost-Vlaanderen (blog vlaanderen)  

button

 

Meer van Vlaamse dialecten

↑ Terug naar de berichten