Verhalen, sprookjes, fabels, mythen, sagen en legenden
welkom!
Problemen Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.
28-01-2010
De opschepper
De opschepper - Tijger en Awari -
"Zullen we een keer samen gaan jagen?" stelde Buidelrat Awari aan Tijger Tigri voor. "Want jij bent een goede jager en ik weet ook mijn mannetje te staan. Ik vind dat wij compagnons moeten worden." - "Dat van die compagnons weet ik niet," bromde Tijger Tigri, "maar kom me morgen maar halen."
Buidelrat Awari kon bijna niet slapen van opwinding en de volgende dag klopte hij voor dag en dauw bij Tijger Tigri aan. "Ik slaap nog!" brulde Tijger Tigri, maar omdat hij nu toch wakker was, kwam hij zijn bed uit. "Wat kom je zo vroeg doen?" - "We zouden toch samen gaan jagen?" - "Het is nog donker," protesteerde Tijger Tigri. "Maar straks is het licht,' zei Buidelrat Awari opgewekt.
Dat wist Tijger Tigri ook wel, dus rekte hij zich maar eens flink uit, sprong een paar keer op en neer - "even m'n ochtend-gymnastiek doen" - en tenslotte scherpte hij zijn nagels aan de drempel. De beide jagers trokken het bos in. "Ho!" fluisterde Tijger Tigri opeens en hij wees in de richting van een omgevallen holle boom. "Een konijn!" zag Buidelrat Awari. Konijn Konkoni verdween in de holle boomstam.
"Ik blijf hier," zei Buidelrat Awari, "en jij port hem eruit. Zodra hij naar buiten vlucht, vang ik hem." - Tijger Tigri nam een lange stok en porde in de holle boomstam. "Au!" schreeuwde Konijn Konkoni en hij vloog eruit. "Konkoni, ik heb je!" riep Buidelrat Awari en sprong boven op hem.
"Mis!" lachte Konijn Konkoni en hij rende weg. "Hoe is het mogelijk!" verbaasde Tijger Tigri zich. "Je miste hem! Wat ben jij een slechte jager!" - "Sorry," zei Buidelrat Awari, "dat kan iedereen overkomen." - "Let op... daar!" Een gordeldier schoot voor hun voeten langs zijn hol in. "Die is voor ons," zei Buidelrat Awari, en hij pakte een dikke tak. "Jaag hem er maar uit en ik geef hem zo een tik op zijn kop."
Zo gezegd, zo gedaan. Tijger Tigri porde in het hol. Gordeldier Kapasi kwam eruit. Buidelrat Awari sloeg. Mis! Tijger Tigri zei niets maar zijn gezicht sprak boekdelen. Toen ze even later een bosvarken zagen, zei hij: "Ik zal je laten zien hoe het moet, ga jij maar porren."
Buidelrat Awari joeg Bosvarken Pingo op en het duurde niet lang of Tijger Tigri had hem gevangen tussen zijn scherpe klauwen. "Zo moet dat," zei hij smalend tegen Buidelrat Awari. "Niks aan," zei Buidelrat Awari en toen er weer een konijn opdook, riep hij: "Laat mij maar!" en daarna... "Ik weet niet wat er vandaag met mij is." - "Laat maar," zei Tijger Tigri en hij nam de leiding over en ving nog twee bosvarkens en een konijn.
Toen ze bij Tijger Tigri thuis de buit verdeelden, begon Buidelrat Awari op te scheppen over zijn rol in de jachtpartij. Het leek wel of hij al het wild had verschalkt en Tijger Tigri bijna niets. "We moeten het morgen nog maar een keer proberen," besloot hij.
De volgende dag zei Tijger Tigri dat hij zich ziek voelde. Misschien wilde Buidelrat met zijn dochter gaan jagen? Buidelrat Awari kon moeilijk weigeren en zo gebeurde het dat de geschiedenis zich herhaalde: Buidelrat miste alles en Zus Tijger, Sa Tigri, ving drie bosvarkens en een konijn.
Toen ze thuiskwamen en Buidelrat Awari weer wilde gaan opscheppen, werd Tijger Tigri zo kwaad dat hij Buidelrat Awari een pak slaag wilde geven. Razendsnel klom Buidelrat Awari een boom in... Tijger Tigri zat hem op de hielen en hap... zijn tanden gleden over Buidelrats staart. Buidelrat Awari slaagde erin naar boven te klimmen, maar sinds die dag heeft hij geen haar meer op zijn staart.
* * * EINDE * * *
Bron : "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Dieren. Dierenverhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" Lemniscaat, Rotterdam, 1990.
De vos op de koningstroon Een Tibetaanse fabel over een vos die zich voordoet als koning der dieren
Een gulzige vos sloop op een keer stilletjes naar een dorp om een jonge eend te stelen. Op weg daarheen verzeilde hij per ongeluk in een ververij en viel in een emmer met verf. Dodelijk geschrokken kwam hij er met inspanning van al zijn krachten weer uit en nam overhaast de vlucht.
Toen hij nu zo door de velden rende, glinsterde zijn zojuist geverfde huid in de zonneschijn als een kostbaar brokaten gewaad. In het bos aangekomen herkende niemand hem meer; zelfs de vossen hielden hem voor een voorname gast van buiten het bos en vroegen hem waar hij vandaan kwam en wie hij was.
De vos wilde van deze gelegenheid gebruik maken en zei met een verdraaide stem: "Ik kom zojuist van Sakka, de God der Hemelen, ik ben de koning van alle viervoeters."
Vol eerbied bogen de vossen voor hem. Geen enkel dier in het uitgestrekte gebied had nog ooit zo'n prachtig gekleurd vel gezien, en daarom erkenden ze de vreemdeling als koning der viervoeters en daarmee tegelijkertijd als hun heerser.
Het nieuws had zich als een lopend vuurtje verspreid. Van heinde en verre kwamen de dieren aangelopen om hun koning te huldigen.
De heerser van alle viervoeters sloeg zijn troon op op de rug van de olifant, die hem nu overal heen droeg. Zo bezichtigde hij zijn rijk. Bij deze uitgebreide reizen werd hij omgeven door een schare sterke leeuwen als lijfwachten die hem beschermden. Alle dieren moesten hem hun schattingen betalen. En zo vielen de koning de fijnste en zachtste brokken van de jachtbuit ten deel. Hij voerde vele van deze nieuwe maatregelen in, die er echter alle op gericht waren zijn macht en aanzien te vergroten. Zoals alle vossen had ook de 'Koning der viervoeters' een uitgesproken gevoel voor familierelaties, en daarom wilde hij ook nog eens zijn moeder weerzien. Gaarne zou hij zijn geluk met haar gedeeld hebben.
De heerser riep vanaf de rug van de olifant een vos bij zich waarvan hij wist dat hij een goed geheugen had en snel kon lopen. "Loop hard," zei de heerser, "loop hard naar mijn moeder in het dal met de vele eenden en zeg haar: 'Lieve moeder, je zoon is koning der viervoeters geworden, deel dit geluk met mij en kom mee!' Daarna breng je haar direct bij mij. Jij bent verantwoordelijk voor haar veiligheid!"
De vos ging als bode op stap en vond na een paar dagen de moedervos in het dal, waarin zo veel eenden waren. "Mijn zoon koning?" zei ze. "Hmm, gedraagt hij zich goed of is hij verwaand en heerszuchtig?" De bode, die totaal uitgeput was van het lange lopen, gaf ten antwoord: "Ja, als ik eerlijk moet zijn, hij is inderdaad tamelijk heerszuchtig en verwaand. Hij zit altijd op een olifant en Iaat zich bewaken door leeuwen en tijgers. Hij handelt als een echte despoot en zijn onderdanen hebben vaak van zijn slechte humeur te lijden. Vooral voor ons vossen is het lang geen pretje. We moeten de smerigste karweitjes opknappen. Hij is wel een voornaam heer, maar hij is erg grillig en vaak niet om uit te staan."
De moeder van de vos was over deze mededeling helemaal niet te spreken. "Dat is bedroevend," zei de oude vossenmoeder, "breng hem maar de boodschap over dat ik hem niet zal bezoeken; eerst zal hij zich beter moeten gaan gedragen!"
De bode kwam bij het hof van de koning terug zonder zijn opdracht vervuld te hebben. Hij ging echter niet naar de koning, maar naar de onderdanen aan diens hof, zwaaide gewichtig en opgewonden met zijn staart en sprak: "Kom allemaal luisteren! We zitten met een bedrieger opgescheept. De koning der viervoeters is net zo'n vos als wij; hij is afkomstig uit het dal met de vele eenden. Ik heb met zijn moeder gesproken en die ziet er precies zo uit als wij en is een heel gewone, eenvoudige vos."
De dieren werden rood van schaamte en woede omdat ze bij de neus genomen waren. Een van de wachthebbenden kwam tenslotte op een goed idee en zei: "We moeten de zaak onderzoeken. Iedere vos begint te janken als hij andere vossen hoort janken. Alle vossen aan het hof moeten daarom na een geheim teken van de olifant beginnen te janken. Als onze koning nu een gewone vos is, zal hij zonder erbij na te denken met het gejank instemmen."
Zo gezegd, zo gedaan. De dieren kwamen overeen dat de olifant die middag bij het uitrijden met zijn slurf zou trompetteren. Op dit teken zouden alle vossen in koor gaan janken. Alle dienaren aan het hof en de wachten, alle koks en andere bedienden wachtten met spanning op het teken. Toen trompetterde de olifant en alle vossen begonnen om 't hardst te janken. De koning, die trots en verwaand op de rug van de olifant zat, jankte plotseling uit alle macht mee.
Toen begonnen de dieren te schreeuwen en door elkaar te krijsen: "Bedrieger, zwendelaar! Het is een vos! Weg met hem! Pak hem in zijn kraag!"
De olifant gaf nog eenmaal een trompetsignaal en donderde: "Ellendige booswicht! Hoe kom je erbij om op mijn rug door het land te reizen? Hola hoep!" En bij die laatste uitroep wipte de olifant wat in de hoogte en wierp de vos met een grote boog op de grond, zodat de koning der viervoeters in de sloot langs de weg terechtkwam. De dieren lachten zich slap en moesten hun buik vasthouden.
* * * EINDE * * *
Bron : "Chinese volkssprookjes" uitgegeven door Elmar, Rijswijk, 1990. ISBN: 90-6120-8343
Hoe Zebra aan zijn strepen komt - Een Afrikaanse fabel over een onverstoorbare grazende zebra -
Lang geleden, toen de wereld nog helemaal nieuw was, waren de dieren ook nog nieuw. Ze hadden geen hoorns en geen mooie vachten. Ze hadden niets om zich in te verstoppen en niets om mee op te scheppen. Van alle dieren was Zebra de enige die het wel best vond. "Waarom zouden we hoorns en een vacht moeten hebben?" zei ze. "Wat doet het ertoe hoe we eruitzien? We hebben toch genoeg lekker vers gras te eten?"
Maar ondanks al dat gras bleven de andere dieren naar een vacht en hoorns verlangen. En ze bleven geloven dat ze die nog wel een keer zouden krijgen.
Op zekere dag was het zover. De zon kwam op boven de heuvels. De nevel trok weg over het meer. Net als op elke andere morgen kwamen de dieren water drinken. Ze keken omhoog en plotseling wisten ze het. Vandaag zou het gebeuren. Bij de grot aan de overkant van de vlakte. Als de zon halverwege zijn hoogste punt stond. En het zou zijn: wie het eerst komt, het eerst maalt. Opgewonden gingen ze in de rij staan. Ze hielden de zon goed in de gaten en wachtten tot het tijd was om op weg te gaan. Zebra was de enige die er niet bij stond. Ze had het veel te druk met eten.
"Hé, Zebra! Ga jij niet mee?" riep Sabel, de antilope.
"Nog één hapje," zei Zebra.
"Maar we gaan zó weg," riep Koedoe, een neef van Sabel. "Trouwens, kijk eens naar de zon. We gaan nu meteen."
"Nog één hapje," zei Zebra. De andere dieren renden weg over de vlakte. "En nog een hapje... nog ééntje... het gras is ook zo lekker vers en zacht..." zei ze toen Olifant al bij de grot was; Sabel kwam na Olifant en Koedoe kwam achter Sabel.
"Eentje nog. En nog een," toen de andere dieren in een rij achter Koedoe gingen staan. Ze keken met grote ogen naar de prachtigste hoorns en de schitterendste vachten. "En nog een," toen Olifant de mooiste vacht in de wacht sleepte met de ongelooflijk lange, ongelooflijk sterke neus die erbij hoorde. "En nog een," toen Sabel een zijdeachtige vacht uitkoos, met een prachtige, warme zandkleur. Ze koos ook een paar lange hoorns om mee te kunnen vechten. "En nog een," toen Koedoe een grijze vacht aantrok met een paar elegante strepen en dolgelukkig was met zijn kurkentrekkergewei. "En nog een, en nog een, en nog een," toen de andere dieren wildenthousiast hun keus maakten en de vlakte op stoven om zich uit te leven en op te scheppen...
"O nee toch!" zei Olifant. "Ben je nu nog steeds aan het eten? Wil jij geen vacht en hoorns?"
"Wat?" zei Zebra en ze stopte even met eten. Nu was het háár beurt om grote ogen op te zetten. Wat zagen de dieren die terugkwamen er fantastisch uit in hun mooie nieuwe kleren! "Eh, nee, ik ben uitgegeten. Ik was net van plan om te gaan," zei ze vlug. Ze zag zichzelf ook al zo mooi aangekleed. Net zo'n neus als Olifant, net zo'n vacht als Sabel en hoorns zoals Koedoe. Zo snel ze kon draafde Zebra naar de grot aan de overkant van de vlakte. Maar daar wachtte haar een enorme teleurstelling! De hoorns waren op. Er was nog maar één ongelijk paar, en dat werd net vol trots door de bijziende Rino, de neushoorn, opgezet. En vachten waren er ook niet meer, zo te zien. En toen zag Zebra hem! De laatste vacht, de lelijkste vacht, een drukke, opzichtige vacht. Hij had vreselijk opvallende zwarte en witte strepen. Niemand had die vacht willen hebben; hij lag verloren op de platgetrapte aarde.
"Wat zullen ze me uitlachen als ik daarin terugkom," zei Zebra. "En nog zonder hoorns ook." De tranen sprongen in haar ogen. Maar plotseling viel haar iets op aan de vacht. Eigenlijk was druk en opzichtig zo erg nog niet. Eigenlijk was druk en opzichtig wel leuk. Haastig pakte ze de vacht op, schudde hem uit en paste hem aan. En ze wist meteen dat ze hem nooit meer zou uittrekken.
"Deze is voor mij gemaakt!" riep ze. "Hij past precies! Wie wil er nou zo'n saaie vacht die iedereen heeft! Of van die grote onhandige en ingewikkelde hoorns!" Ze was weer helemaal gelukkig en draafde over de vlakte terug naar het meer. Maar toen ze daar aankwam, kwamen de andere dieren bijna niet meer bij van het lachen.
"Daar hebben we de Hoornloze!" lachten en spotten ze. "Ha die Hoornloze! Ze had het zo druk met eten dat ze die drukke, opzichtige vacht, die niemand wilde, wel moest nemen!" Maar Zebra hoorde het niet. Want het kon Zebra eigenlijk niets schelen. Ze had namelijk al ontdekt waarom ze deze vacht plotseling zo graag had willen hebben. Dat kwam door de ENORME mond met de ENORME elastieken lippen!
"Het kan niet beter," zei ze vol aandacht voor een grote pol sappig groen gras, "voor iemand zoals ik die alleen maar denkt aan nog een hap... en nog een... en nog een... en nog een... en nog een... en..."
* * * EINDE * * *
Bron : "Wie is het slimst? Dierenverhalen uit Afrika" door H. Oram. uitgegeven door Lemniscaat, Rotterdam, 1997.
Het hert en de tijger - Een fabel uit China over een bluffend hert -
Op een ochtend kwam er uit het gebergte een pasgeboren tijger, die geen enkel idee had van wat er in de wereld te koop was. Hij had een hele tijd gelopen en een geweldige honger gekregen, toen er van de andere kant een hert kwam. De tijger wilde het hert grijpen en opeten maar omdat hij nog nooit een hert had gezien en niet wist wat een hert allemaal kon, ging hij eerst eens op hem af om dat uit te vinden. "Mijn beste vriend, wat is het nut van dat ding dat op je hoofd groeit en wel een struik lijkt?"
Het hert wist dat de tijger van alle dieren de gemeenste vijand was en dat hij met zijn vraag vast niets goeds in de zin had, dus hij antwoordde: "Vriend, je wilt toch niet zeggen dat je deze tijgervork op mijn hoofd niet kent?"
De tijger vroeg: "Waar dient die tijgervork dan voor?"
Het hert zei schaterlachend: "Een tijgervork gebruik je natuurlijk voor het eten van tijgers! Wanneer ik een tijger heb gegrepen, dan prik ik dat stuk vlees van zijn lijf dat ik wil eten op mijn vork! En wat er na de maaltijd overblijft dat hang ik ook aan mijn tijgervork, in afwachting van de volgende maaltijd." Toen de tijger dat hoorde schrok hij wel even! Omdat hij ook de stippen op het lijf van het hert zag vroeg hij vervolgens: "Wat is het nut van al die stippen over je hele lijf?"
Het hert antwoordde: "Dat zijn de merktekens voor de tijgers die ik heb opgegeten. Telkens wanneer ik een tijger heb gegeten, maak ik er weer een bij, omdat ik met mijn vrienden een wedstrijd doe wie de meeste tijgers kan vangen." Toen onze tijger dit had gehoord werd hij nog banger. Het hert nam daarop een dreigende houding aan en begon luid te brullen, en de tijger die zag dat de situatie zich ongunstig ontwikkelde, vluchtte zo snel als hij kon.
Toen de tijger lange tijd had gerend, kwam hij in een diep woud en pas daar durfde hij te rusten. Toevallig zat daar bovenin een boom een aap een vrucht te eten. Toen de aap zag hoe overstuur de tijger was, vroeg hij meteen: "Broer tijger, wat heeft je zo aan het schrikken gemaakt?" Pas toen de tijger wat tot bedaren was gekomen, deed hij nauwkeurig verslag aan de aap van wat hem was overkomen. Toen hij alles had gehoord, moest de aap lachen, en hij zei: "Je hebt je laten beetnemen. Dat was alleen maar een onbenullig hert, daar hoef je niet bang voor te zijn! Kom mee, dan gaan jij en ik hem vangen voor het middagmaal!"
De tijger, die niet wist wat hij daarvan moest geloven, zei: "Ik niet, want hij heeft werkelijk een angstaanjagend wapen, en jij zou waarschijnlijk ook vluchten als je dat zag!" De aap antwoordde: "Kom nou! Als je het niet vertrouwt, moet je mij maar vastbinden aan een touw en dan gaan we samen, elk aan een uiteinde van ons touw." Daarop bonden ze zich aan een touw en gingen erop uit om het hert te zoeken.
Het hert stond op een berg boomblaadjes te eten en toen hij vanuit de verte de tijger samen met de aap zag aankomen, begreep hij dat ze niets goeds van plan waren. Van verre riep hij daarom luid: "Vriend aap, kom jij me die tijger brengen? Ik was al op zoek naar hem!"
Toen de tijger dat hoorde, dacht hij dat hij door de aap was beetgenomen en hij schrok zich het apezuur. Hij draaide zich om en rende voor zijn leven. De aap kon de tijger natuurlijk niet bijhouden en werd door de tijger voortgesleept tot hij dood bleef.
* * * EINDE * * *
Bron : "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Dieren. Dierenverhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" uitgegeven door Lemniscaat, Rotterdam, 1990.
De raad der ratten - Een fabel van Jean de La Fontaine over goede raad -
Een kater, Rodilardus heette hij, was zeer berucht. Hem kon geen rat meer zien of die sloeg voor hem op de vlucht. Hij had er zoveel koud gemaakt, De kop en poten afgekraakt, Dat zij die overleefden bleven beven in hun hol. Zij hadden niet veel eten, waren van de honger dol. Voor hen was Rodilardus niet zo maar een nare kater. Nee, voor dit arme rattenvolk was hij zowaar een sater! Toen kwam de tijd dat hij hoog en ver over daken liep En krols miauwend lief naar een van zijn vriendinnen riep. Terwijl hij heel het weekend lang zijn dame bleef versieren, Hielden de ratten de synode der bedreigde dieren. Althans, wat ervan overbleef kwam samen in een hoek. De deken van de ratten zei: "Wij zijn misschien niet kloek, Maar slim; dus moeten wij de kater straks de bel aanbinden. Zo kunnen wij als hij op jacht gaat snel een schuilplaats vinden." Een ieder vond: "De deken is geniaal, hij weet het wel. Maar het probleem is: wie van ons bevestigt deze bel?" De ene zei: "Mij niet gezien, ik ga er niet naar toe." De andere: "Ik durf niet meer, ik ben te traag en moe." Zo kropen zij weer in hun hol en werd er niets gedaan.
Zo heb ik menige synode ook uiteen zien gaan, Synoden niet van ratten, maar van herders van de kerk, van monseigneurs, en ook daar is de vraag: "Wie doet het werk?"
Waartoe dient goede raad? Het hof heeft raadgevers met hopen. Maar mannen van de daad, Die zie je echt zo dik niet lopen.
* * * EINDE * * *
Bron : http://www.lafontaine.net/ Oorspronkelijke titel: Conseil tenu par les Rats
Lang, heel lang geleden was Slang Sneki bevriend met Kikvors Todo. Als Slang Sneki een feestje gaf, nodigde hij Kikvors Todo en diens familie altijd uit om te komen eten en drinken en om te dansen natuurlijk. Maar Kikvors Todo nodigde Slang Sneki nooit uit. Kikvors Todo was in zijn hart jaloers op Slang Sneki, die zo lang en slank was en in mooie gladde pakken rondliep. Bovendien was Slang Sneki de beste danser van het dorp en dat vond Kikvors Todo het ergste, want hij kon alleen maar een beetje rondspringen, terwijl Slang Sneki zo prachtig bewoog.
"Kun je me leren dansen zoals jij?" vroeg Kikvors Todo op een dag aan Slang Sneki. "Natuurlijk," zei Slang Sneki, "kom elke week maar een avond bij mij thuis op les." Een jaar lang ging Kikvors Todo elke week naar dansles en toen was hij nog geen stap vooruitgegaan. Hij danste nog even slecht als toen hij de eerste les kreeg.
"Ik wil m'n geld terug!" riep Kikvors Todo, "ik heb niets bij je geleerd." - "Dat ligt dan aan jou en niet aan mij," zei Slang Sneki en hij weigerde het lesgeld terug te geven. "Ik heb ervoor gewerkt en eenmaal betaald blijft betaald." - "Jij bent een leraar van niets," kwaakte Kikvors Todo. "En jij bent een danser van niets," siste Slang Sneki.
En zo gingen ze maar door. Kikvors Todo kwaakte zo hard dat het hele bos uitliep om te kijken wat er aan de hand was. Slang Sneki wond zich ook verschrik-kelijk op en later zei iedereen, dat ze het hadden zien aankomen... Op een gegeven moment kon Slang Sneki zich niet meer beheersen: hij hapte naar adem en hij hapte naar Kikvors Todo en hij slikte hem in! Vanaf die dag zijn Slang Sneki en Kikvors Todo geslagen vijanden. Waar Slang ook maar een Kikvors tegenkomt, slokt hij hem op.
* * * EINDE * * *
Bron : "Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Dieren. Dierenverhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" Lemniscaat, Rotterdam, 1990.
De ogen van de jaguar Los ojos del jaguar - Een Colombiaans volksverhaal over de nieuwe ogen van de jaguar -
Op een dag zag de jaguar hoe de schildpad Jabuti een tapir in een aarden pan kookte. De jaguar sloop dichterbij en omdat de heerlijke geur van het vlees zo verlokkend was, begon hij met de schildpad te onderhandelen. "Geef me toch een stuk, een klein stukje maar! Als ik iets vang, geef ik jou daar wat van!"
"Ho-ho," lachte Jabuti, "wat jij vangt, verslind je direct. Je zou me nog niet aan een klein botje laten likken. Ik ken je toch, jij eeuwige hongerhals..."
De jaguar praatte met zoveel mooie woorden op de schildpad in, dat het een steen nog zou hebben vervormd, maar de schildpad bleef hard. Hij nam de pan van het vuur en stak de stukken vlees aan een tak, die hij daarna onder luid gesmak in zijn mond stak.
Dat was te veel voor de jaguar! Met een sprong was hij bij de pan. Maar toen hij een stuk vlees wilde pakken nam de schildpad een steen en gooide die in het kokende water. Dat spatte de jaguar in zijn ogen en maakte hem blind. De jaguar sleepte zich jammerlijk klagend voort en de schildpad trok gezichten achter zijn rug.
Toen de andere dieren hoorden, wat er gebeurd was, vielen ze de jaguar aan zonder medelijden met hem te hebben. De papegaaien pikten hem in zijn vel en de apen gooiden zo veel stenen naar hem dat hij nauwelijks verder kon.
Alleen de gier had medelijden. Met zijn klauwen en zijn snavel verdreef hij de aanvallers. En toen het nacht werd, was de jaguar veilig onder zijn vleugels.
Tegen de morgen zei hij: "Wees niet bang, ik breng nieuwe ogen voor je! Hoog in de bergen, zo hoog dat er zelfs geen mos meer groeit, maar alleen de snijdende wind rond waart, daar bloeit iedere nacht de konomemura-bloem. Zodra de eerste stralen van de zon haar bereiken schitteren haar zaden als glimwormpjes. Twee zaadkorreltjes van deze bloem breng ik voor je mee en zet die in de holten van je ogen. Wacht hier op mij. Ga niet van deze plaats."
Zo gezegd zo gedaan.
De hele nacht door vloog de gier hoger en hoger en toen de zaden van de konomemura-bloem als groene sterren afvielen, was hij op de plaats van bestemming. Hij nam twee zaadkorreltjes, stopte ze voorzichtig in zijn veren en begon aan de terugweg. De hele dag vloog hij lager en lager en toen het avond werd, was hij bij de jaguar, die ongeduldig op hem wachtte.
"Waarom ben je zo lang weg gebleven? Ik heb niet eens water gedronken, om van mijn honger maar niet te spreken."
"Klaag niet!" zei de gier. "Onderdruk je honger en houd je zo lang stil totdat ik je nieuwe ogen er in heb gezet." Toen legde hij de zaadkorrels van de konomemura-bloem in de lege oogkassen en in het donker gloeiden de nieuwe ogen als twee groene lantaarns. "Oeaa, ik kan zien, ik kan zien!" riep de jaguar.
Nadat hij een tijdje van vreugde in het rond gesprongen had, ging hij meteen weer op jacht.
Terwijl hij joeg, sliep de gier op een tak zijn vermoeidheid van de lange vlucht weg... Hij werd pas wakker toen de zon al hoog boven het oerwoud stond. En wat hoorde hij toen?
Onder de boom lag een tapir en naast de tapir likte de jaguar begerig zijn muil, blikkerde met zijn groene ogen en riep hem toe: "Broer gier, kom ontbijten, je hebt vast ook erge honger!" De gier liet zich dat niet twee keer vragen. Hij vloog naar de grond en zij lieten zich alle twee de maaltijd goed smaken.
Sinds die tijd nodigt de jaguar de gier iedere dag uit voor het ontbijt, als dank voor zijn twee prachtige groene ogen... ogen die in de nacht net zo lichten als de zaden van de konomemura.
* * * EINDE * * *
Bron : "Sprookjes van de Indio's. Mythen, sprookjes en legenden van de Indianen uit Midden- en Zuid-Amerika" door Vladimir Hulpach, vertaald door Anke Eggink. Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1979. ISBN: 90-202-0044-5