Ik ben Journée Wilfried , en gebruik soms ook wel de schuilnaam PAPOUM.
Ik ben een man en woon in LANDEN (België) en mijn beroep is gepensioneerde , slapen, goed eten en drinken..
Ik ben geboren op 04/06/1944 en ben nu dus 80 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: wielersport en tafeltennis, geschiedenis, reisverhalen, chansons, humor..
C'est plein d'Uylenspiegel Et de ses cousins Et d'arrière-cousins De Breughel l'Ancien
Le plat pays qui est le mien.
Tous les chemins qui mènent à Rome Portent les amours des amants déçus et les mensonges des anges déchus.
Pelgrim
Wat zich gaande voltrekt in de ziel van de pelgrim is niet een toenemend verlangen naar het bereiken van zijn reisdoel, niet het vinden van het heilige aan het einde van zijn bedevaart, maar zijn overgave aan de ruimte, aan de kiezels op zijn pad, zijn besef van niet-weten, zijn afdalen in de leegte.
Zijn benen worden zijn vrienden, de regen zijn lijden, zijn angst wordt gericht naar de honden langs de weg, het vele legt hij af en hij rust in het Ene. Al trekkend komt hij nergens, voortgaande bereikt hij niets, maar zijn vreugde neemt toe om een bloem en een krekel, om een groet en een onderdak.
Zijn reisdoel en zijn thuis vloeien samen aan de horizon, hemel en aarde vinden elkaar op het kruispunt van zijn hart. Het heilige verdicht zich in de dieren en de dingen. Zijn aankomst ligt verborgen in de wijsheid van het Zijn.
Catharina Visser
De Weg.
In de verte gaat een pelgrim, eenzaam over het pad. Met een blik voorwaarts, eindeloos turen naar het pad. Het pad dat hem leidt, de wind die hem begeleidt. Samen èèn met de natuur, de geur,het geluid en omgeving. Daar toont de schepping hem, nederig dat het pad van zand zo hard als steen is. Soms ook warm,koud en nat. De pelgrim stapt over het harde pad, met als enige vriend zijn schaduw. Samen op hun weg.
When we got to the sea at the end of the world We sat down on the beach at sunset We knew why we had done it To know our lives less important than just one grain of sand.
En camino de Santiago Sur le chemin de St Jacques Iba una alma peregrina Allait une âme pérégrine Una noca tan obscura Une nuit si obscure Que ni una estrella lucia ; Que ne brillait aucune étoile ;
Le patron de toutes les filles C'est le saint Jacques des Bourdons; Le patron de tous les garçons C'est le saint Jacques des Coquilles. Nous pouvons tous les deux nous donner un bouquet, Coquilles et bourdons exigent que l'on troque; Cet échange affermit l'amitié réciproque, Et cela vaut mieux qu'un œillet.
Dat een pelgrim bij terugkomst niet wordt herkend door de mensen thuis, is een geliefd thema in middeleeuwse pelgrimsverhalen. Waarschijnlijk wil de legende daarmee aanduiden, dat de pelgrim door zijn bedevaart een ander mens is geworden; hij is op Christus gaan lijken. Dat wordt uitgedrukt door de omstandigheid dat de mensen van vroeger de teruggekeerde pelgrim niet meer herkennen: hij beantwoordt niet meer aan het oude beeld, dat zijn nog hebben; de pelgrim is een nieuwe mens geworden.
Betrouw geen pelgrim met een baard Die met een schooikroes geld vergaart Al beed'lend langs de wegen sjokt En met een deerne samenhokt.
Priez pour nous à Compostelle - Barret et Gurgand - 1977.
Par milliers, par millions, le besace à l'épaule et le bourdon au poing, ils quittaient les cités, les chateaux, les villages, et prenaient le chemin de Compostelle. Gens de toutes sortes et tous pays, ils partaient, le coeur brulant, faire leur salut au bout des terres d'Occident, là où la mer un jour avait livré de corps de l'apotre Jacques.
Ik had het eerst niet in de gaten, en opeens zàg ik het spoor dat jij voor mij hebt nagelaten.
Mon père .
Assis dans un vieux fauteuil Recouvert d'un plaid usé, Il rêve de son passé, En attendant le sommeil.
La fumée d'un cigare Flottant au-dessus de lui, D'une auréole, pare, Sa tête grise, de nuit.
Vêtu d'un pantalon gris, Chemise de flanelle Sous le tablier bleu sali. Sa casquette est belle.
Il sait déjà que demain, Sera le grand jour pour lui. Mais il ne regrette rien, Et partira seul sans bruit .
***
La mort .
Le jour où tu viendras, A l'aube d'un matin, Me tendre les bras Me chercher par la main, Entre comme moi Par le fond du jardin.
Tu essuyeras tes pieds Sur le grand paillasson, Pour ne pas marquer Tes pas dans le salon, Et n'oublie pas d'ôter Ton noir capuchon.
La table sera mise Et le vin bien chambré, Quand tu sera assise Nous pourrons le goûter, Avant que je ne suive Ton ombre décharnée .
Mais si tu préfères Par surprise me faucher, Au début de l'hiver Ou au soir d'un été, Pousse la barrière Elle n'est jamais fermée.
Avant de m'emporter, De rendre ma valise, Laisse-moi griffonner Une dernière poésie Où je ferai chanter La beauté de la vie.
Ce n'est pas ce matin Que je quitterai le port, Puisque de mes mains J'ai caressé si fort Ses lèvres de satin Que je t'oublie, la mort.
+++
SEUL SUR LE CHEMIN .
J'ai traversé des villes, J'ai longé des cours d'eau J'ai rencontré des îles J'ai cotoyé le beau !
Tout au long du voyage Rien ne m'a retenu Même pas un signe de croix Tracé d'une main tremblante.
Le vent, la mer, la pluie M'ont façonné le coeur. Je suis leur propre image, Immuable douleur.
Je fais signe aux oiseaux, Seuls amis de ce monde, Qui m'entraînent dans une ronde A m'en crever la peau.
J'ai traversé des coeurs, J'ai rencontré des bras, J'ai caressé des fleurs, J'en ai ceuilli pour toi.
TENNIS DE TABLE MESATENISTA PING PANG QIU TISCHTENNIS TABLE TENNIS
photos courtesy ITTF
乒乓球 Stolni tenis Tenis Stolowy
ITTF TABLE TENNIS Classement mondial 26 - 08 - 2012 World Ranking Weltrangliste Ranking Mundial Värlen Rangordning Classifica Mondiale MESSIEURS : 1. ZHANG Jike - CHN 2. MA Long - CHN 3. XU Xin - CHN 4. WANG Hao - CHN 5. MIZUTANI Jun - JPN 6. MA Lin - CHN 7. BOLL Timo - GER 8. CHUANG Chih-Yuan - TPE 9. OVTCHAROV Dim - GER 10. WANG Liqin - CHN 11. JOO Se Hyuk - KOR 12. OH Sang Eun - KOR
-- DAMES : 1. DING Ning - CHN 2. LI Xiaoxia - CHN 3. LIU Shiwen - CHN 4. GUO Yan - CHN 5. ISHIKAWA Kasu - JPN 6. FUKUHARA Ai - JPN 7. FENG Tianwei - SIN 8. KIM Kyung - KOR 9. GUO Yue - CHN 10. WANG Yuegu - SIN 11. WU Yang - CHN 12. TIE Yana - HKG
De noodklok belt slechts éénmaal Komt weldra de ultieme speeltijd Ademen voor de laatste maal Gelukkig geen haat noch nijd Toch af en toe een flater Een zorg is dit voor later Lopen van os naar ezel Toch af en toe een flater Niet knikkers tellen, wel het spel Lopen van os naar ezel Dagelijks goed aan de kost Niet knikkers tellen, wel het spel Verwachtingen zelden ingelost Dagelijks goed aan de kost De beste blijft mijn moeder Verwachtingen zelden ingelost Water is het kostelijkste voeder De beste blijft mijn moeder Om bestwil een toontje lager zingen Water is het kostelijkste voeder Op zoek naar de diepte der dingen Om bestwil een toontje lager zingen Komt het varksken met de lange snuit Op zoek naar de diepte der dingen Nu is dit pantoumeke bijna uit Komt het varksken met de lange snuit Ademen voor de laatste maal Nu is dit pantoumeke bijna uit De noodklok belt slechts éénmaal.
Tibertyn. ***
Kleine mensenhand strooit op winterse dag kruimels voor de mus.
Schelpen op het strand die worden door de branding voor ons kind gebracht.
Molens in de wind draaien, draaien, en draaien in het vlakke land.
Kerstman in de straat borstelt met grote bezem sneeuw weg van de stoep.
De dode takken breken af bij felle wind van de avondstorm.
Kreten in de nacht van kikkers in de vijver lokken de reiger.
Hulpeloos jong lam verloren tussen struiken waar de wolf vertoeft.
De werkzame bij zoekt in de roze bloesems lekker naar honing.
The country with the biggest population in the world, the People's Republic of China, regards this sport as the most important.”
De pelgrim.
Hij is op de weg alleen al weet hij nog niet waarheen maar ergens stond geschreven dat hij die richting moest gaan en aarzelt hij soms even langs de eindeloze baan terwijl hij in zijn hart voelt dat velen eerder gingen mijmerend over dingen terwijl een windje afkoelt .
Verder dan Rome loopt de weg.
Ervaringen van een pelgrim.
09-10-2009
Heiligen van bij ons.
Ondanks mijn eerbied en bewondering voor de Heilige Padre Damiano die ik reeds meerdere keren bewees door een aftrekbare gifte aan de Damiaanactie, wil ik tijdens deze week van de heiligverklaring van De Grootste Belg het even hebben over enkele andere heiligen van bij ons in Limburg, Haspengouw, Hesbaye, en voormalig Prinsbisdom Luik. Het zijn heiligen die al werden vergeten of die nog altijd niet werden erkend en misschien dat zelfs nooit zullen worden. Maar de toekomst zal nog bewijzen dat zij toch veel belangrijker waren dan de meeste B.V.'s en de vele beroemde niet-maagden uit Dag Allemaal van vandaag. Ik beperk me om het kort te houden tot vier heiligen, evenwel wetende dat er nog veel meer zijn buiten mijn quattuor.
1. HET HEILIG PATERKE VAN HASSELT.
Jean-Louis Paquay - geboren te Tongeren in 1828 en gestorven te Hasselt op 1 januari 1905 om 15 uur. Ergens tussen de panden van de jeneverstokers ligt de simpele graftombe van de minderbroeder Valentinus die reeds tijdens zijn aards bestaan door de Limburgers als een levende heilige werd beschouwd. Dagelijks komen er in de kapel van het paterke van Hasselt tientallen mensen schietgebeden of de rozenkrans bidden, gelovigen die goed weten waarom zij dat doen omdat de volksheilige hen of hun familie reeds heeft geholpen of nog zou kunnen helpen. Lowieke Paquay , zoon van een boer en van een cafébazin, volgde zijn humaniora in het Klein-Seminarie te Sint-Truiden (waar ikzelf ook het zevende studiejaar volgde maar nadien niet meer welkom was wegens mijn slechte punten op Gedrag en Godsvrucht...). Hij verkoos van minderbroeder Franciskaan te worden. Gedurende een halve eeuw zou hij te Hasselt vooral bekendheid hebben als biechtvader. Hij kon de gedachten van de mensen lezen en de toekomst voorspellen. Hij versterkte het geloof van ontelbare gewone mensen , troostte de zieken en de stervenden, en hij bracht vele zondaars terug naar God. Maar het Paterke van Hasselt was niet erg geliefd door het Vatikaan. De meeste geschriften van deze minderbroeder werden verbrand. Een dossier over de Hasseltse Heilige werd opgesteld in zes talen maar bleef een eeuw liggen alvorens Valentinus dan toch officieel zalig werd verklaard.
2. CHRISTINA DE WONDERBARE - ( Brustem 1150 / Sint-Truiden 1224)
Christina Mirabilis- The Astonishing Christina- l'Admirable Christine.
Uit Brustem - nu zo bekend is voor La Chaussée de l'Amour waar veel wordt gezondigd - kwam uit de diepe Middeleeuwen een zalige maagd, een vrouw die tot ver buiten Haspengouw was gekend omwille van de gunsten en wonderen waarvoor zij had gezorgd. Zij werd aanroepen voor een goede bevalling en een goede dood. Haar relieken waren in het bezit van de families van Margaretha van Parma, van de Koning van Portugal, en van de Hertog van Toscane. Straffe verhalen over de vita van deze Christina zijn terug te vinden in oud-dietsche rijmen. Haar wereldvreemde gedragingen waren bovennatuurlijk, met veel fantasie, en gesitueerd in een waanzinnige tijd. Volgens de legende was Christina eerst een vroom weesmeisje dat zorgde voor haar zusjes en voor de dieren op een boerderij. Zij stierf jong en werd opgebaard in de Onze-Lieve-Vrouw- kerk van Sint-Truiden .Tijdens haar begrafenis werd zij plots weer levend en vloog weg als een witte vogel. Zo begon haar buitengewoon leven van heks, sjamane, heilige, begijn, kluizenares, en van vele vreemde bebeurtenissen en wonderen bij de vleet. Opmerkelijk is dat zij altijd onafhankelijk bleef en nooit non werd. Zij stierf zelfs een tweede keer, maar kwam terug om een vriendin te helpen. De derde keer was dan haar echte dood.
3. EDMOND LEBURTON - Le Grand Chef Blanc.
Niet het Vatikaan maar slechts de Goede God zelf zal oordelen wie een heilige was en wie niet. Ik ben er van overtuigd dat er ook heilige socialisten, heilige islamieten, heilige Joden, heilige negers, en heilige 'meisjes van plezier' zijn geweest en zelfs heilige unilingues francophones. Eén van deze laatsten heb ik vroeger nog ontmoet te Borgworm. Hij heeft me zelfs eens een pint betaald. Edmond Jules Isidore Leburton (1915-1997) was een tijd lang de machtigste man van Wallonië. In elk Local des Femmes Prévoyantes en in elk Maison du Peuple hing geen kruisbeeld maar wel grote foto van deze knappe kerel .Vele schone vrouwen hebben levenslang voor hem gestemd. Edmond Leburton studeerde politieke en sociale wetenschappen aan de universiteit van Luik. Deze sympathieke Bourgondiër verscheen overal , bij dag en bij nacht, steeds keurig gekleed en in sterke conditie tussen zijn partijgenoten. Hij heeft veel mensen geholpen. Vanaf 1946 was hij een groot politieker en dat bleef hij gedurende 35 jaren tot in 1981. Hij bracht het tot eerste minister, minister, partijvoorzitter, voorzitter van de mutualiteiten, burgemeester, kamervoorzitter. Hij was zeer lang een topspeler in de nationale politiek en boxte tegen kanjers als Leo Tindemans, Paul Van den Boeynants, Wilfried Maertens, Gaston en Marc Eyskens. In zijn stad Waremme zal hij nooit worden vergeten.Toch spijtig dat hij zo weinig Vlaams heeft gesproken, zullen kwade tongen zeggen, maar eigenlijk kon Edmond Leburton wel zijn tweede landstaal want hij was zeker slim genoeg.
4. JAN CARLIER. ( 1915- 1994) - Vader van Willy-Paul Carlier. De vriendelijke Jan Carlier uit een familie die reeds lang voor vervoer van personen had gezorgd, was een pionier van het volkstourisme in Haspengouw. Deze gelovige man, die geen liberaal was ook al koos hij als naam voor zijn bedrijf De Blauwe Vogel , begon in 1929 autocarbedevaarten naar Lourdes in te richten. In die tijd , zonder goede wegen, waren dat avontuurlijke tochten dwars door het grote en diepe Frankrijk. De Lourdesspecialist breidde weldra zijn aanbod uit met kortere en met langere tochten naar Banneux, Beauraing, Kevelaer, La Salette, Lisieux, Rocamadour,Fatima, Roma, Compostela . De Haspengouwse bevolking die volgens de Mechelse catechismus en het overheersende Roomse geloof leefde kreeg van reisorganisator Carlier kansen om alle voornaamste pelgrimstochten te beleven volgens ethische, gelovige, en financiëel haalbare normen. Tienduizenden gewone mensen maakten hun eerste grote reis met de autobussen van De Blauwe Vogel. Meer dan alle geestelijken zorgde Jan Carlier dat de Haspengouwse mensen meer en beter gelovig werden door bezoek aan gewijde oorden. Naast zijn beroep van reisorganisator was Jan Carlier ook een groot voetballiefhebber die samen met Pol Massa STVV naar omhoog heeft gebracht. De zakenman Carlier verdient in aanmerking te komen voor zaligheid. Als leek predikte hij dat bidden goed was, maar dat op bedevaart gaan nog beter was.
Ondanks dat ik meen dat fietsen niet gemakkelijk zal zijn in de straten van Rome en dat ik daarom veel zal stappen tijdens de komende dagen, ben ik toch zeker dat mijn programma prachtig zal worden. Ik ben aangekomen in de nabijheid van het Olympisch Stadion. Deze wijk werd helemaal veranderd vanaf 1935 want de Duce Benito Mussolini hoopte er in 1944 (mijn geboortejaar) de Olympische Spelen te laten plaatsvinden. Dat zou echter pas lang na de tweede wereldoorlog kunnen gebeuren in 1960. Het grote gebouw en de omgeving waren reeds vaak een plaats waar grote sportieve ontmoetingen zich hebben afgespeeld. Het Stadio de Centomila is vaak met 80.000 à 90.000 voetballiefhebbers gevuld want zowel A.S. Roma als Lazio Roma spelen er hun thuismatchen. De Olympic Games 1960 zijn voor altijd in mijn geheugen gebleven omdat we toen op de zwartwit beelden van onze Vlaamse Televisie atleten mochten zien die er onsterfelijke sportroem hebben veroverd zoals Wilma Rudolph, Armin Hary, Herb Elliott, Otis Davis, Tamara Press, Al Oerter, Iolanda Balas, Ralp Boston. Maar bovenal hebben onze kijkers de beelden mogen zien en herzien van onze Roger Moens die werd geklopt door Peter Snell. Het was ook in dit stadion dat een nog jonge Gaston Roelandts met de glimlach een vierde plaats heeft behaald in de 3.000 m steeple. Als sportkwisser weet ik uiteraard ook wat de Ethiopiër Bikila Abebe hier had laten zien. In de bar van de tennisclub offreer ik mezelf een bakje gelati mista waarvoor ik eerst elders een ticket had gekocht aan een centrale kassa. Terwijl ik de koude lekkernij uitlepel op een rustig tempo kan ik hoe langer hoe meer zien dat het drukker en drukker wordt in de omgeving. Weldra versta ik waarom. Er is vanavond geen match calcio in het stadion, maar wel een optreden van niemand minder dan Eros Ramazotti. De fans stromen toe. Er werden 50.000 entreekaarten verkocht. Wat een heksenketel. Weldra ratelt er muziek uit duizend luidsprekers. Opwarming voor het optreden van het popidool. Zij die laat aankomen zijn gehaast en zenuwachtig. De lucht hangt vol electriciteit. Ik vlucht weg want ik hoor niet bij dat veelkleurig jonge volk dat zich in de grote kuip heeft genesteld. Enkele minuten later is het zo ver. De halfgod heeft zich op zijn podium laten zien en de tienduizenden worden daar wild van, opgehitst door het spel van de muzikanten. Fantastico. De éne, de echte Eros Ramazotti , live in concert ! Na deze eerste wandeling in de Romeinse avond zoek ik terug de Ostello della Gioventu op, mijn veilige en toch wat rustiger thuishaven. In het cafetaria bestel ik aan de bar, met enkele woorden in het Engels, een grote Tuborg aan de bierpomp. De dienstdoende barman wil mij het blonde bier schenken in een kartonnen drinkbeker. Ik weiger. Ik wens mijn grote Tuborg te drinken in een fatsoenlijke glazen pint van de Deense brouwerij zoals er wel degelijk in de toonkast zichtbaar zijn. ' Mijn schoonste glazen worden allemaal gepikt ' zegt de barman. Ik geef toe aan de man dat ook ik dit heb gedaan tijdens mijn vlegeljaren. ' Ik zweer U dat ik dat nu niet meer zal doen' beloof ik hem, want nu ben ik noch een student, noch een maffioso, noch een ladro di bicchieri di birra .... maar wel een eerlijk fietsende pelgrim die op de dag van zijn aankomst te Rome toch wel recht heeft op een service met enige stijl. Wij Belgen drinken altijd bier uit schone glazen. Ik vraag hem of de Italianen spaghetti eten uit tennissloefen. De barman stopt met zijn gezeur. Weldra komt hij me een mooi getapte schitterende pint brengen aan mijn tafel. Ik betaal 3.000 lires. Een wat ouder dametje heeft me zien praten met de ober. Zij betaalt ook haar thee en komt daarna naast me zitten. 'Ik ben blij dat ik hier wat met een Vlaming mag praten' zegt zij. ' Ik kom uit het Waasland. Kijk eens rond. In deze jeugdherberg zijn wij veruit de oudsten ! '
De plots verschenen vriendin is al 55 jaar. Zij is alléén op reis. Eens was zij een trekvogel van de grote afstanden. Maar zij kroop pas uit een diep zwart gat. Haar echtgenoot was een felle bergbeklimmer geweest. Overal ging zij met hem mee. Zij klom toen ook tot in het tweede of derde kamp, terwijl haar man nog veel verder ging in het gezelschap van de sterkste alpinisten , meermaals tot boven de 7.000 m. Zelfs toen zij reeds de ouders van drie kinderen waren, deden zij nog aan bergbeklimmen. Maar zij werden te oud en grote kinderen laten studeren was duur. Zo moesten zij op een dag stoppen met hun geweldige hobby om fysieke en om financiële redenen. Haar sportieve man leed daar zwaar onder. Zeven jaar geleden kregen zij terug de kans om naar Peru te reizen, waar zij vroeger toppen hadden overwonnen. Het was maar een rugzakkentocht met een groep om op 3500 m te wandelen in de natuur en in de zuivere lucht. Zij bereikten daar ergens een hotel, en alhoewel er zeker in de Andes hogere plaatsen waren, was daar toevallig ook een groep echte bergbeklimmers die grootsere plannen hadden dan zij zelf. Met deze Duitsers waren zij snel goede vrienden en een hele avond was haar man toch zo gelukkig want hij kon toen vertellen over zijn vroegere expedities naar befaamde oorden. Hij beefde van goesting en verlangen om met die Duitsers mee te klimmen en die kerels waren zeer goed voorzien van het beste materiaal waar een bergklimmer kan van dromen. Terug op hun kamer gekomen, omdat hij daar toch zo lag te kwijlen met bijna tranen in de ogen, heeft zij toen plots aan haar echtgenoot en vader van haar kinderen gezegd " Maar ga dan toch mee, jong, seffens valt gij hier nog dood van frustratie en goesting ...! Wij laten onze groep verder wandelen zonder ons, omdat ik ziek ben en te moe. Ik blijf in het hotel om brieven te schrijven en gij gaat twee dagen mee met die Duitse bergbeklimmers ! ' . Hij liet het zich geen drie keren zeggen. Blij als een verliefde jongeling vertrok hij die volgende ochtend als bijkomend lid van het team dat graag zag dat deze ervaren klimmer mee omhoog wilde. De Duitsers hadden een beklimming tot 5.800 m voorzien en dat doel werd in de late namiddag vlot bereikt. De Waaslander had er echter nog niet genoeg van in zijn euforie van toen. Wat hoger blonk in het avondlicht een bergtopje van 6000m en de oude klimmer wou nog eens tot op die hoogte komen. Hij vertrok op zijn eentje om die prestatie te leveren terwijl de Duitsers hun kamp voor de nacht bouwden en gezellig samen aten. Alléén en roekeloos is hij net iets té ver willen gaan. Hij is nooit terug gekomen. De Duitsers hebben naar hem gezocht. Maar de Belg was spoorloos, verdwenen tussen sneeuw en ijs, tussen de rotsen en kloven van het onmetelijke Andes Gebergte.
Drie dagen later vernam de Waaslandse dat haar man was 'vermist'. Eerst besefte zij de ware inhoud van dat woordje niet. Zij bleef hopen dat hij plots terug zou verschijnen, dood of levend, en zij betaalde zoektochten aan plaatselijke berggidsen. Dat kostte haar een fortuin. Haar hotelrekening liep hoog op. Na twee maanden moest zij zonder resultaat terug naar huis. Zij werd toen de vrouw van een vermiste echtgenoot. Het is een verschrikkelijke situatie. Een hele familie blijft nog geloven in een antwoord op vele vragen, en hopen op een oplossing, verlangen naar zekerheid. Zeven jaren van wachten, administratieve moeilijkheden, onvermogen, problemen met inkomen en met spaarcenten, slapeloosheid, wanhoop, ziekte, tranen, psychiatrie, pillen, verlies van werk,verlies van vrienden ... . Dan waren er ook nog de kinderen die het trieste blad wilden omdraaien, een eigen leven beginnen, en die letterlijk uit het ouderlijk huis vluchtten en hun moeder in de steek lieten onder dwang van hun partners. Zeven jaar lang was het een nachtmerrie zonder einde. Aan dat alles had zij kunnen ontsnappen door reeds na één week te aanvaarden , in het wilde bergland van Peru , dat haar man nooit zou terugkomen omdat hij echt dood was en opgeruimd door de gieren en de insecten. Eén enkel papier van de burgemeester van het dorp waar de verdwijning werd vastgesteld, een officieel overlijdensbericht in de Spaanse taal zou alles veel gemakkelijker hebben gemaakt.
Het verhaal van die dame is zo droef, zo geweldig, dat ik een tweede grote pint bier nodig heb om het door te slikken. De weduwe van de vermiste bergbeklimmer drinkt alleen maar een tweede goedkope thee. Amper één maand is zij nu officieel een vrouw met papieren en zonder man. Zij kreeg wegens zenuwziekte haar vroegtijdig pensioen van het Ministerie van Onderwijs. Omdat zij zeven jaren eerder naar Rome hadden willen sporen , maar door een toeval toch dan maar naar Peru waren gevlogen, heeft zij plots besloten om die reis naar Rome die met haar man niet doorging , op haar eentje te maken. Zij boekte daarom een goedkope heenvlucht en zal met de trein terug naar huis sporen, binnen tien dagen. Met haar klein pensioen moet zij zuinig zijn, want zij heeft nog steeds medische kosten te betalen. Zij verblijft goedkoop in de Ostello, doch zij amuseert zich niet goed. Daarom reist zij morgen al naar Firenze waar zij een bed & breakfast wil zoeken. Wij praten lang. Het doet me goed van terug ons Vlaams te kunnen praten en horen. Het sluitingsuur van het cafetaria verplicht ons van te gaan slapen. Graag zou ik met twee slapen, maar in de jeugdherberg die 100% is bezet moet ik slapen in bed 2 op kamer 2 zoals op mijn bonnetje staat. Ik wens aan mijn landgenote veel geluk in haar verder leven en hoop dat het voor haar te Firenze prettig wordt.
(Foto= bekend beeld op Foro Italico uit de periode van Mussolini.)
26 september 1996. 14u 20. San Pietro. Ongelooflijk. Formidabel. Olive Green en ik zijn aangekomen in de over heel het universum bekende ruimte. Eén minuut stilte uit eerbied. Alles is er kolossaal.Wat zijn één man en één tweewieler toch klein. Mijn ogen beperken zich alsnog tot het bekijken van de vele houten afsluitingen die er het publiek, de fans van de heilige vader, moeten in bedwang houden. Ik zie fonteinen, vele groepjes mensen, en de zon die mij licht gaf om me de weg tot hier te laten vinden is overvloedig aanwezig. Ik kijk naar de hemel , maar ik zie de hemelpoort niet, maar wel nog enkele wolkjes die overblijven na de stortbuien van de vorige uren en daarop zitten noch heiligen noch engelen. De hoge kolommen rondom en voor de façade doen me meer denken aan een heidense tempel dan aan dé grote kerk tussen alle christelijke kerken, kathedralen en basilieken. Ik snuif de sfeer op maar proef toch niets dat heiliger aanvoelt dan elders. Aan de Sint Paulus fontein steek ik mijn harige kop helemaal in het water. Zo'n bijkomend doopsel te Vatikaanstad met Italiaans water zal wel beter zijn dan wat ik eertijds in het magere oorlogsjaar 1944 kreeg in het doopvont van Sint Pancratius te Waasmont. Zo ben ik heerlijk afgekoeld maar ik ben maar een mier op het reusachtige plein.Voor de anonieme dolende pelgrim, de oude rijder met vuile armen en benen die ik ben, is er geen bloem, geen kus aan de aankomst.
Maar ik vind dat ook een zondaar recht heeft op enig aandenken aan deze wel bijzondere momenten. Een foto zou hier en nu wel mogen getrokken worden. Mijn wegwerpcamera is echter al volledig opgebruikt. Zal ik aan iemand anders 5.000 lires bieden om me te vereeuwigen ? Zo'n man met een grote zoemlens op zijn toestel zou me toch kunnen fotograferen. Ik geef hem wat geld en mijn adres, zodat hij me later de schone foto zou opsturen. Vermits op het plein van Sint Pieter betrouwbare toeristen, pastoors en zelfs Vlamingen rondlopen, moet dit toch mogelijk zijn. Laat het maar zo... , want ik denk aan de volgende gulden regel : ' En toute circonstance soyez humble pélèrin ... '. Waarom zou ik later mezelf op een foto moeten zien en waarom zou ik met een bewijs van aanwezigheid op deze heilige plaats aan wie ook later moeten tonen dat ik hier was aangekomen op deze doodgewone namiddag van de twintigste eeuw ? In de omgeving van het Sint-Pietersplein zijn de postkaarten nog veel duurder dan elders.Voor 13.000 lires stopt een winkeljuffer er maar 8 in een papieren zakje, maar een zakje dat wel door de paus werd gezegend. Omdat ik weet dat op dit uur van een werkdag alléén mijn oude moeder thuis is, gebruik ik mijn telefoonkaart om haar te vertellen dat ik mijn doel veilig heb bereikt. Na 1.400 lires eindigt de communicate, maar het was lang genoeg om Alina Wauters blij te maken. Zij was reeds een volle maand aan het bidden opdat haar oudste telg onderweg niets zou overkomen. Ik vind het officiële postkantoor van het Vatikaan waar ik mooie postzegels koop en postkaarten aan een eerlijke prijs. Daarna zoek ik een schaduwrijke zitplaats waar ik vele kaarten schrijf om met fierheid te melden dat ik ben aangekomen te Rome.
Ondertussen koelde ik verder af. Ik ben niet meer zo gelukkig en fier. Mijn avontuur is opgesoupeerd. Mijn bord frieten is leeg. De sportieve uitdaging is voorbij. Er komt nu verwarring en onzekerheid in mijn hoofd. " What now old pussycat ...?"
Gelukkig had ik even voor Tarquinia een goed plan van Roma gekocht. Ik zie zonder moeite in welke richting de jeugdherberg ligt. Maar ik heb niet goed gekeken en ik heb niet gezien dat Via en Viale niet hetzelfde is. Dat is de reden waarom ik zo lang moet zoeken om dan nog op een verkeerde plaats te komen. Als een dwaas toerde ik met mijn fiets rond tot wanneer ik de oplossing ontdekte. Aangekomen op de Foro Italico, Ostello per la Gioventu, Viale delle Olimpiadi, 61, 00194 Roma, val ik echter op een Romeins mannetje dat er van geniet om me even te pesten door te zeggen dat er geen plaats meer is. Ik bekijk hem diep in de ogen en meld hem dat ik 39 dagen heb gefietst over berg en dal, en dat ik zo moe ben dat ik zelfs met zijn schoonmoeder zou kunnen slapen. Daarna toont hij meer ijver om iets te vinden. Hij bewijst me zelfs dat hij aan die balie een belangrijk man is want hij kan me uitzonderlijk toch in zijn Ostello overnachting aanbieden. Wat een charlatan ! Zouden in deze stad alle Romeinen met snorretje en zwarte blinkende haren zo zijn ?
Kamer 2, bed 2, voor 2 nachten. Het kost 23.000 lires per nacht. Tof. Hier zitten we veilig en goedkoop. Het is een jeugdherberg van grote afmetingen. Dra vind ik in de kelder het restaurant self-service waar ik een test doe en een plateau laad met hamburgers, doperwten, prinsessenbonen, eieren, brood. Even snel als Obelix eet ik mijn bordjes leeg. In een andere ruime kelder kan ik mijn fiets vastketenen aan de buizen van de verwarming. Naast dat bed 2 staat een ijzeren kast om al mijn bagage in te steken. Mijn hangslot is hier zeer nuttig. Na een korte beurt onder de douche kleed ik mij om op verkenning te gaan in de grote antieke wereld buiten de Ostello. Roma ontdekken en beminnen wordt mijn nieuwe uitdaging, mijn verse opdracht. Behalve enige woordjes uit de liedjes van Rocco Granata is mijn Italiaans nog steeds zo klein als dunne vermicelli maar ik voel me toch sterk genoeg om tegen eender wie mijn woordje te zeggen als dat zou moeten want ik ben toch een van de fortissimi belgae.
Wanneer in het midden van de zomer, in de maand juli als de renners van de Tour de France de cols van de Alpen moeten oprijden, de duizenden wielerfanaten met hun caravans, auto's, campingcars, de hoger gelegen gebieden kortstondig bevolken dan wordt tijdens de wielergekte overdreven aandacht gegeven aan iedere beweging, ieder geluid, ieder kleurtje, uit het wielercircus en veel te weinig aan de natuur en het landschap, de bergtoppen en de dalen, het verleden en het heden van de mensen die in de Alpen wonen, werken en liefhebben.
Dit jaar bleef ik luilekker bij moeder en hondje thuis voor mijn groot plat scherm, maar door omstandigheden van toen kon ik in 2008 gedurende vijf zware dagen de Ronde echt zien en voelen want ik sliep in mijn oude Passat boven op de Agnel en boven op La Bonette. Om post te kunnen vatten op zulke strategische punten van de Tour is het nodig er op tijd aan te komen, in ieder geval voor het begin van de catenaccio van de gendarmerie begint. Ik parkeerde mijn auto boven op die cols zowat 32 uren (twééendertig) voor de doortocht van de wielrenners. Méér dan één dag heb ik op de toppen van die cols de tijd met wachten gedood. Maar dat was prettig vermits ik niet alleen kon genieten van de omgeving maar ook mocht kennis maken met een aantal van mijn soortgenoten, gekke dames en heren van diverse nationaliteiten die me spontaan hapjes en drankjes hebben aangeboden. Ik maakte een wandeling, eerder een slalom tussen de geparkeerde voertuigen, de tenten, de BBQ's, de stoelen en zeteltjes, de vlaggen en posters, de letters op het wegdek en de commentaar van alle bestaande reporters. Maar op meer dan 2500 m boven de zeespiegel is de lucht reeds ijl en als 64-jarige met overgewicht en zwakke aders was ik ver verwijderd van de fietsende globetrotter die ik vroeger geweest was in Colorado en Wyoming. Met moeite bereikte ik nadien terug het kamertje in mijn personenwagen. Ik sliep in een slaapzak waarvan de ritssluiting problemen gaf maar die toch goed mals en warm was, en dat was wel nodig want toen ik om 5u00 in de ochtend uit mijn Volkswagen kwam ontdekte ik op het dak een laagje ijs dat weliswaar met de eerste zonneschijn zou verdwijnen.
De wielerfans in de huiskamer vragen zich soms af waar de renners plassen tijdens hun rit, maar minder bestaat de vraag waar de toeschouwers hun behoeftes doen. Als 500.000 mensen langs de weg staan zal afval en plassen toch een gigantisch probleem zijn. Op dit gebied heb ik mij keurig gedragen want ik had een vuilnisemmer en plastieken zakken bij. Maar de Tour 2008 is ondertussen lang voorbij, en de Tour 2009 is ook al oud nieuws. Vele cols baarden een muis. Gereputeerde kampioenen slenterden ' met de bus ' over die moeilijkheden waarvan de belangrijkheid toch wat opgeblazen wordt. De Tour is voorbij, ' Vive le Tour !' en wat gebeurt er nu met Briançon ? Wordt deze heilige plaats van het velopantheon na de zomer verlaten, zoals Macchu Picchu in het Andesgebergte , zoals de tumuli in het Haspengouwse landschap ?
Toch niet. In het departement van de Hautes Alpes, deel van de regio Provence-Alpes-Côte d'Azur, ligt de stevige stad Briançon reeds veel langer dan 1922 toen de Brusselaar en drievoudige Rondewinnaar Philippe Thys er na 274 km ritwinnaar werd. Oud Briançon is de hoogst gelegen stad van Frankrijk, op 1330 m. Deze stad is anno 2009 een topbestemming voor toeristen, zowel in de zomer als in de winter. Vele sporten zijn er mogelijk en in de schilderachtige bovenstad is het aangenaam vertoeven. Ook in de herfst wanneer de rosbruine kleuren van de lorken Le Parc National des Ecrins wondermooi maken komen veel bezoekers. Steeds is er meer dan 300 dagen zon te Briançon, 6 uren per dag. De vochtigheid is bijna niets en de goede lucht die komt van de tientallen méér dan 3000 m hoge bergtoppen, zorgt voor het herstel van de luchtwegen van ieder menselijk lichaam.
De renners blijven op de weg bij het overschrijden van een bergpas, maar hoger dan de punten die cols worden genaamd zijn er de bergtoppen, meestal hoger maar minder gekend door de klimmende fietsers. De vele namen van de toppen zijn gemeengoed voor de alpinisten, zoals Barre des Ecrins (4102m), Mont Pelvoux (3943m), la Mejie (3983m). Elke bergkam heeft zijn eigen charmes. De afwisseling in de landschappen is enorm. We zouden het hier verder kunnen hebben over gastronomie, vrouwen, beekjes en watervallen, dorpen, dieren, bloemen, vlinders, kunst, plaatselijke dialecten, economie, maar altijd lokt de geschiedenis mij. Briançon bezit een groot erfgoed, had een rijk en boeiend verleden. Zichtbaar zijn vandaag nog de indrukwekkende muren van deze versterkte stad. Een aantal van de militaire bouwwerken dateren uit 1693 . De grote Vauban gaf de opdracht Briançon te versterken en te beschermen tegen aanvallers uit Italië. Dit gebeurde tijdens de oorlog van Louis XIV tegen de Liga van Augsburg. De Slag van Neerwinden van 29 juli 1693 is een van de veldslagen van die oorlog. Maar Briançon bestaat reeds nog veel langer en vele van haar muren werden gebouwd tijdens La République des Escartons. Zij hebben gediend om de inwoners van de streek en hun rijkdommen te beschermen tegen voorbijtrekkende volkstammen, plunderende legers en zwervende bandieten .
Zodra ik op de Engelse kamer te San Marinella ben gekomen laat ik de kraan van de badkuip lopen en ik nijp ook bijna een hele tube zeep leeg. Even later kruip ik met mijn vuil groot lijf in een wolk van schuim en warm water. Wat een genot. Wat een heerlijke geur . Wat zijn de keramiektegeltjes op de muren mooi. Terwijl de spiegel reeds vlug bedwasemt, lig ik zo in het schuim van luilekkerland en ontspan . Op het nippertje wrijf ik over mijn gezicht met het washandje, zodat ik toch niet in slaap val. Is dit dan de zaligheid die de heiligheid voorafgaat ? Ik weet dat ik op tijd en proper in de eetzaal moet zijn. Ik luister naar de langzaam druppelende kraan en naar de vele zachte implosies die de massa badschuim doen verminderen. Dan kruip ik plots weer recht, spuit met de telefoon een flinke portie koud water over mijn reeds natte kop. Zo geraak ik helemaal terug tot mijn bewustzijn en ben ik weer voldoende fit en verstandelijk begaafd.
Dit is de laatste avond voor mijn aankomst in het centrum van de wereld. Ik vind dat ik dus de lichte lange broek en het hemdje mag aantrekken die ik reeds 38 dagen voor deze gebeurtenis diep in mijn fietstas had bewaard. Ik doe ook proper ondergoed aan, nette sokken en ik wrijf mijn wandelschoenen proper met het laatste sop van de badkuip. Ik borstel mijn haren en mijn baard. Ik ben echt een gentleman die verschijnt in de dining room van House Miramare. 19u20 . Ik ben te vroeg. Ik krijg toch al een plaats aangewezen aan een tafel gedekt voor één persoon. Er is nog een tafel gedekt voor vier en een andere tafel voor twee. Ik raap enkele tijdschriften op die onder op een rond tafeltje liggen. Op de vraag ' Something to drink ? ... ' antwoord ik met mijn wijsvinger mijn verlangen verduidelijkend ... " 'Of course, that bottle red wine there on the left side ... ! ".
Weldra slurp ik van dat wijntje terwijl ik met mijn neus snuffel naar de tien belangrijkste plaatsen die te Rome moeten worden bezocht. Het is reeds 19.45 u wanneer de andere tafels worden bevolkt, door een viertal uit Engeland, drie vrouwen en één man, en door een koppel tortelduiven die Italiaans spreken. Ondertussen ben ik met grote aandacht in die reisgids aan het lezen en heb ik reeds mijn derde glas wijn op. Maar vlug is het duidelijk dat er weinig contact zal zijn tussen de individuele man aan zijn tafeltje en de anderen. De verliefden hebben slechts oog voor mekaar en de travelers uit het fiere Albion, die per Rover Canterbury - Rome afgelegd hebben, vinden mij een barbaarse alcoholicus die aan tafel zit met bruine gespierde armen, twee bewijzen dat ik noch de Lord van Hull noch de Hertog van Brabant ben. Bovendien is het voor allen duidelijk in de dining room dat het laattijdig aanschuiven van de man op weg naar Rome de porties die avond van 1/6 naar 1/7 heeft doen verminderen. Minestrone, een stukje vis, raviolis, tiramisu, allemaal lekker maar net genoeg maar om het bord vuil te maken. Er komt ook nog koffie, maar ik pas voor deze afsluiter. Mijn fles wijn is op , terwijl de anderen nog aan hun eerste glas zijn , vergezeld van plat water. Grote vaak overvalt me op dat ogenblik. Ik zeg duidelijk dat ik ' very tired ' ben , wens iedereen ' good evening' en dan verlaat ik het gezelschap waaraan ik niets had.
Volgende ochtend. Er is een kleine bloedvlek op het schone witte laken van mijn bed. Heb ik tijdens mijn slaap een meisje ontmaagd, of wat betekent dit nu ? Helemaal wakker besef ik dat ik 's nachts niet aan borstjes van een maagd heb gevoeld, maar dat ik heb gekrabd aan de korstjes van de wondjes op mijn benen die eerder door insecten waren gebeten en maar moeilijk genezen. Ik neem nogmaals een bad met heet water en veel zeep waarna ik eau de cologne smeer op meerdere plaatsen van mijn ledematen. Genezing nadert. Na breakfast en na afscheid van mijn biljet van 100.000 lires, verlos ik my love Olive Green uit de veranda waar tussen bloempotten, drogende keukenhanddoeken en kuismateriaal zij eenzaam had overnacht. De zon schijnt goed op deze septemberdag en de Via Aurelia Antiqua wacht op ons. Deze namiddag zullen wij Rome bereiken.
Bij het verlaten van San Marinella, wanneer ik voel dat mijn wielen gemakkelijk draaien, ben ik als uitgelaten. Ik begin zo maar van pure vreugde luidkeels te zingen. Het liedje, nog uit mijn grootmoeders tijd, is van Tino Rossi, .... ' Marinella, viens encore dans mes bras, lalala, lalala, .... . Ik stop aan een betonnen wegwijzer, zeer oud zoals de weg naar Rome overal is, ondanks moderne aanpassingen en nieuwe laagjes verf. Fantastisch ! Geen twijfel mogelijk. Er staat in grote leesbare cijfers : Roma 65.248 meters.
De legioensoldaten van Caesar en van andere koningen en keizers waren gedrild om passen te maken van precies één meter.Wie deze norm niet kon halen aan het gevraagde tempo werd zonder medelijden gemuteerd naar Cataracticum, het gevaarlijk gebied tussen Brustem en Borgloon, waar tussen de bomen en grachten de Eburonen van Ambiorix moeilijke tegenstanders waren. Ik zie die Romeinen met hun blote voeten in sandalen de Jeker overschrijden, met kort zwaard en schild. Ook zij droegen voor de veiligheid een pothelm, zoals de wielrijder die ik ben. Maar als Obelix daar een klop op gaf konden zij geen Latijns woord meer uitspreken. Ik ben Willix, ook groot en dik, maar toch niet zo sterk als die Oude Belgen van vroeger die na het drinken van Haspengouws witbier een dobbelsteen in hun vuist konden verbrijzelen.
Voor de lol maak ik nog even een zijsprong naar de badplaats Marina di San Nicola. Daar koop ik melk, water, wurzelworst, brood, bananen, voor mijn volgende picknick. Omdat ik weer slechte bloedcirculatie in de voeten heb, loop ik er wat op blote voeten rond. Eenzaam fiets ik daarna nog gedurende vele mijlen verder. Ik word stil en kalm. Het is alsof een enorme magneet, die ginder achter de horizon ligt, me naar zich toezuigt. Op een volgende betonpaal op de Via Aurelia zie ik plots dat mijn einddoel nog dichter komt. Het cijfer is gezakt tot 19.822 meters. Ik begrijp dat ik op minder dan twintig km van Rome ben. Nu overvalt een felle emotie me. Ik begin te wenen op mijn fiets. Negenhonderdzestien uren zijn voorbijgegaan sedert ik mijn thuis en mijn gezin achterliet om pelgrim te worden, vrije trekvogel op Gods wegen. Mijn vlucht in de richting van Rome nadert een zwarte wolk. Even na een helling beginnen de regendruppels te vallen. Ik zou natuurlijk kunnen stoppen, schuilen, en niet nat worden. Maar de wind blaast goed en nattigheid is voor een oude kikvors geen probleem. In de bergaf duik ik letterlijk onder een douche in en dat maakt me nog gelukkiger. Ik word als een Felix De Goede reeds met water uit de hemel gezegend. De stortbui is kort en overvloedig, over orbi et urbi. Grote plassen liggen op de weg. Het stoort me niet als vrachtwagens met hun zware banden me nog natter maken door de plassen op me te spatten. Dicht bij Rome mag een christenmens voor zo iets toch geen vloek meer laten. Ik pedaleer over de natte Via Aurelia en zing ...' I'm singing in the rain.., I'm singing in the rain... 'en ook nog dat deuntje dat al jaren in mijn kop zit zonder dat ik eigenlijk weet waarom ... ' C'était un musicien qui jouait dans les boîtes de nuit, et toutes les jolies femmes venaient tourner autour de lui ...' .Ook mijn heilig en eeuwig idool Bécaud komt aan de beurt met ' Le jour où la pluie viendra ... . Ik blijf verder zingen, maar in de voorstad is de oude weg op vele plaatsen kapot gereden. Ik moet gaan opletten , me fel concentreren, want dicht bij Rome is het verkeer drukker dan eender waar ter wereld. Immers uit alle windstreken, van alle wegen, uit de randgemeenten en uit de verste steden van in finibus terrae, komen nu samen auto's, vrachtwagens, stootkarren, bussen, helikopters, driewielers, scooters, skateborders, vuilniskarren, politiewagens, mountainbikers, kinderkoetsen, in de richten van dat éénzelfde punt. Daar zal ongetwijfeld het centrum van het universum zich bevinden. Nog een beetje bergop, enkele verkeerslichten, wat getoeter en wat geremd, tot er plots boven de huizen een grote koepel zichtbaar wordt. Het is als een enorme zilveren luchtballon die wil opstijgen maar nog wordt vastgehouden door vele aardse kettingen en draden. Wel, wel, wel, ... is dat het dak van het Vatikaan ?
Ultimo chilometro. De rode vod. La flamme rouge. De bel voor de laatste ronde van de zesdaagse. De energie die nog in de steendood gewaande renner steekt wordt nu bij me wakker. Dynamiet komt in mijn benen. De laatste boogscheuten lopen over kasseien en daar ben ik als flandrien toch zo dol op. Maar ik ben te zenuwachtig en daarom vertraag ik om in een zijstraatje illegaal mijn kleine behoefte te doen, want weldra op de gewijde gronden van het grote Sint Pietersplein zal dat niet meer mogelijk zijn. Ik hoop dat door het gefoefel van de Italianen mijn plasje niet positief zal zijn zoals dat van de allergrootste in de Giro van 1969. De maffia heeft aan de carabinieri lires gegeven waardoor op 750m van de lijn de koplopers nog een verkeerde weg inslaan, en nu gaat de sprint der sprinten losbarsten . Ik trek aan de broek van Cipollini. Steels gooit met zijn bidon naar Moncassin. Blijlevens, Binda,Petacchi, Abdushaparov en Van Linden vallen. In het wiel van Kubler en Di Paco zit ik goed. Zij rijden als zotten allemaal rechtdoor. Zij hollen als jonge stieren in de richting van de goddeloze arena, waar elf hongerige leeuwen op hen wachten op het Brood en Spelen van die dag waar het bloed van dieren en martelaren voor de pret van het volk en haar wellustige leiders moet zorgen.
Met een wrong naar links aan mijn stuur heb ik me uit het kluwen van die duivelse stormloop naar de meet bevrijd, en vond ik de juiste weg, het allerlaatste stukje van de weg tot aan de fontein, de obelisk, op het Sint Pietersplein. Volk. Volk. Volk. Ik heb gewonnen. Ik ben de ware kampioen. Voor mij de kussen van de mooie vrouwen op het podium en voor mij het textiel in alle kleuren die de winnaars mogen omgorden en voor mij een lauwerkrans rond mijn kop.
Roma sporca, het vuile Rome. Toen Goethe, een ongelooflijk begaafd man, met een romantische en universele geest, Rome bezocht, werd het huisvuil er gewoon door de vensters op straat gegooid. Openbare toiletten waren er niet. Iedereen voldeed zijn behoefte waar hij wilde.
Terwijl zoveel aandacht gaat naar de gigantische Ronde van Frankrijk mogen de wielerliefhebbers toch niet vergeten dat er ook nog op vele andere plaatsen wordt gekoerst, en niet alléén daar waar waar de heren B.V.'s van de televisie het ons in het breed en het wijd tonen en uitleggen. Dit dan uit eerbied voor de mindere wielergoden die ook hard op de pedalen moeten duwen voor veel minder geld en roem, maar zeker ook voor de organisatoren, de officials, de sponsors, de vrijwillige medewerkers, de familieleden, de signaalgevers, de supporters, de klusjesmannen , de politieagenten, de verantwoordelijken voor bier en hapjes, de bloemenmeisjes , de opruimers, en voor iedereen die zorgt dat de wielerkoers veilig, proper en prettig is voor allen. Van vandaag woensdag 22 juli tot zondag 27 juli loopt de Ronde van Vlaams Brabant, rittenkoers in clubverband voor beloften en eliterenners zonder contract. Dit wielervriendelijk gebeuren vindt dag na dag plaats te Wilsele, Lubbeek, Dilbeek (tijdrit), Rotselaar, en te Asse. Bijna tweehonderd renners bekampen mekaar voor de dagelijkse rituitslag, en voor het algemeen klassement volgens tijd. Bijkomende klassementen met punten, voor de bergrangschikking, voor knelpuntspurten, voor de jongere deelnemers, voor de beste Vlaams-Brabander, en voor het ploegenklassement zullen ongetwijfeld deze wedstrijd veelzijdig animeren. De organisatie wordt gesteund door tientallen sponsors en partners waaronder de Provincie Brabant, KBC, Stella Artois, Spar, Java, Mobistar, Vermarc, Peugeot, Mobistar, Tönissteiner, Josan, e.a. , terwijl uiteraard ook de media aanwezig zijn ( ROB TV, Berg TV, Nieuwsblad) en de plaatselijke overheden zoals altijd ook sportief steunen. Niet minder dan 33 teams zullen aantreden met 6 renners. Dit zijn de vier continentale Belgische ploegen Fidea CT, Profel- Colossi, Josan-Isorex, en CT Jong Vlaanderen, en drie buitenlandse teams uit de USA (twee), en Nederland. Dit is echter vooral een Ronde die belangrijk is voor onze wielerclubs, die nog altijd de basis zijn van de Vlaamse wielersport. Uit Wallonië komen drie clubs, uit Limburg drie, uit Oost-Vlaanderen twee, uit West-Vlaanderen vier, uit Antwerpen zes, en vooral de Brabanders zijn talrijk met acht zestallen.. Tijdens de vorige jaren werd deze provinciale rittenkoers gewonnen door Daniel Verelst (2008 en 2003), Kurt Van Goidsenhoven (2007), Geert Steurs (2006),Thomas Berkhout (N) (2005), Koen De Kort (N) (2004), Jarno Van Frachem (2002), Nick Nuyens (2001) , Danny Van Capellen (2000), Dennis Heij (N) (1999), Bart Berden (1998).
Elke dag van de Tour de France eindigt op NOS-nl voor de verslaafde TV-kijkers met hetzelfde deuntje dat wordt gezongen door ene Yolanda Christina Gigliotti , geboren te Cairo op 17/11/1933, beter bekend als DALIDA. Zie en luister op
Alle wegen leiden naar Rome Daar kan geen vergissing bestaan Om in die oude stad te komen Houde men slechts de grote baan Maar wie als ik de dag kan loven Zonder dat haast hem begeleidt Die verkiest de landwegen boven De heerbaan van de korte tijd.
(Bertus Aafjes)
O, neen, ik heb niet goed geslapen. De nacht in mijn tentje duurde toch zo lang. Omdat ik geen jetons voor warm water had gekocht kwam ik voor het slapen gaan niet onder de douche. Zand op mijn lijf en zalf tegen de insectenbeten op benen en billen verhoogden mijn ongemak.Ook in het tentje naast mij werd weinig geslapen, want Cupido schoot daar vele pijlen af. Zo ben ik al vroeg op. Ik ga me wassen aan een kraan vanwaar ik mijn bezittingen kan in het oog blijven houden, want de kampeerders die daar rondlopen vertrouw ik niet goed. Muggen, vlooien, of iets anders, vanwaar kwamen die rode jeukende plekken toch. De situatie is verbeterd, maar toch smeer ik nog de rest van mijn tube op nadat ik me eerst goed met zeep heb gewassen. Ik ben klaar om te starten, maar op dat ogenblik is het 8u00 te Feniglia en opent de winkel van de camping waar ik koekjes, brood, mortadelle, water en melk koop. De melk is gekomen op haar ultieme verkoopsdatum en smaakt reeds wat naar yoghurt. De kosten voor het kamperen bedragen 15.500 lires. Dat is veel voor een kleine oppervlakte op vuil zand en voor wc's van het Franse type waarop ik me niet heb gewaagd. Alvorens te vertrekken toer ik rond het kamp om te zien of ik misschien toch niet alle accomodaties had ontdekt.Wanneer ik een laatste maal stop waar ik had geslapen om te zien of ik niets heb laten liggen, hetgeen al meer dan eens gebeurde, dan zie ik nog het tentje waar zoveel liefde was tijdens de nacht. De ritssluiting van de tentdeur is nog toe.Zij slapen nu nog in mekaars armen terwijl overal elders de nieuwe zonnige dag de levenden tot actie uitnodigt.
Te Orbetello kan ik uit een muur mijn geldreserve aanvullen met 300.000 lires. Ik verlaat het gebied waar zee en land zich merkwaardig dooreengevlochten hebben in een lagune tussen moerassen. Orbetello met haar Polviera de Guzman was steeds een strategische plaats van grote betekenis, vooral in die jaren toen Spanje over Europa heerste. Stadspoorten en stadswallen bewijzen de vroegere militaire macht van de monarch Filips II. Na weinig afstand op de SS1 heb ik maar slappe benen zodat ik op een parking stop om mortadelle en brood te eten. Dat geeft me weer energie voor veertig km, want daarna worden mijn sokken weer te zwaar en stop ik voor een sandwich en een biertje. Op een stenen tafel in de schaduw ga ik helemaal horizontaal liggen. Na een dutje voel ik me weer beter. Fietsen langs een grote baan is vooral een lichamelijke bezigheid. Op zijn eentje tempo maken op twee wielen wordt na zovele dagen vervelend. Ik bestudeer de landkaart en besef dat ik Latium nader. Vaarwel, schoon Toscanië, mijn fiets en mijn lichaam zullen U verlaten, maar een stukje van mijn hart en mijn hersens behoren U toe voor altijd.
Tarquinia. Gelegen links van de weg op een hoogte, op een rots van vulkanische oorsprong, is een oasis van graanvelden en olijfbomen. Drieduizend jaren geleden vestigden de Etrusken zich hier. De beschaving van de mensen die op deze heuvels bloeide is weinig gekend. Het wemelt in de nabijheid van Tarquinia nog van overblijfsels en graftombes van deze fascinerende en mysterieuze voorouders. Taxuna, hoofdstad van de Tarquini, was een nederzetting met minstens 100.000 inwoners. Rond de stad werd ooit een hoge muur gebouwd die 8km lang was. Er wordt door bepaalde archeologen beweerd dat er diep onder Tarquinia vandaag nog kunstschatten en artefacten van onschatbare waarde zouden rusten.
Het " heidense verleden", de schande van onwetendheid en vandalisme, de zonden van plunderingen en diefstal, moesten worden uitgeveegd en worden vergeten door de volgende generaties. In de VIIde eeuw werd een nieuwe stad gebouwd, eerst Corgnitum geheten en later Corneto, en de naam en het verleden van Tarquinia moesten verdwijnen. Pas omstreeks 1920 herstelde het opkomend fascistisch Italië de waarheid. De naam Tarquinia werd weer in ere hersteld. Wie durft echter de hoofdstukken van de officiële geschiedenis herschrijven en wie krijgt voldoende middelen om de Etruskische cultuur terug op te graven ?
Ik mijmer over het duister verleden van de Etrusken en fiets verder langs de grote baan. Wow... op vier plaatsen staan daar langs de wegkant op intieme parkings knappe zwarte hoertjes. Taxigirls van Taxuna. Dit is duidelijk een deel van een georganiseerd netwerk langs de Via Aurelia Antiqua , waar heidense werksters van het oudste beroep hun ambacht uitoefenen. In het midden van de dag is dit wel opvallend. Zonde mag een pelgrim niet bedrijven. Daarom verplaats ik mij naar de voorstad van Tarquinia, waar ik op een terrasje afkoel. Voor 3000 lires krijg ik daar een portie ijs die dubbel zo groot is dan wat ik elders kreeg.Wellicht is dit een portie voor een Etrusk en niet voor een toerist, want die krijgt meestal minder.Terwijl ik uitblaas heb ik Olive Green stevig vastgeketend aan het ijzerwerk voor een venster van de Banco di Lavoro.Wat later moet ik vaststellen dat een gewapende veiligheidsagent en een grote hond mijn rijtuig komen inspecteren. De Banco di Lavoro is wel erg goed beschermd.
Om te testen of de taart te Taxuna even goed is als de ijskreem bestel ik een capuccino met taart. Dit was van het goede teveel. Ik heb ondertussen de beslissing genomen om niet bergop te rijden naar het stadscentrum doch verder door Latium kilometers af te leggen.Een kilometer verder zit op een stoel weer een hoertje langs de weg, een negerin jong en mooi. De stoel heeft maar drie poten en met de rug van die stoel werd wellicht al eens een opdringerige kerel k.o. geslagen. Het meisje zelf heeft nog alle ledematen en toont die ook. Hoe lekker en hoe duur zou die wel zijn ... ? " Allez, niet stoppen, verder rijden, oude jongen, ... " stottert mijn engelbewaarder.Ik kom niet van mijn zadel af, ondanks dat teveel op zo'n hard lederen Brooks kan last bezorgen aan mijn prostaat. Op de SS1 worden mijn benen terug beter maar de tenen van mijn rechtervoet vallen in slaap. Storing in de bloedsomloop. De veters van mijn fietsschoenen rijg ik wat losser en ik wandel met de fiets aan de hand verder.Weldra zijn de prikkels en de gevoeloosheid in die voet verdwenen. De Goede God zorgde dat tijdens mijn wandeling noch links noch rechts van de heirbaan er nog wachtende dames op stoelen zaten.
Aan een verzameling wegwijzers gekomen blinkt plots in het zonlicht dat ik op minder dan 100 kmvan Rome ben gekomen. Dat zien en ademen, leven in vrijheid en in fatsoenlijkheid, maakt mij intens gelukkig. Emotie overvalt mij. Ik verlies mijn toestand van kalmte. Euforie geeft mij verse krachten. Even later echter geraak ik verdwaald in een wirwar van constructies, van bruggen en viaducten, van beton, ijzer, zand en cement. Reeds ogend naar de XXIste eeuw willen de Openbare Werken het landschap nabij Citavecchia met zware machines grondig wijzigen. Ik smokkel Olive en mezelf doorheen dit alles om te komen in een doolhof tussen verroeste schepen en hopen oud ijzer.Uiteindelijk zie ik de haven. Ik fiets tot aan de kade, want daar is veel lucht en ruimte tussen hemel, aarde en water. Ik leg mijn fiets tegen een muurtje en ga wat op verkenning. Een kleine jongen probeert er met een lijn en een stokje visjes te vangen. Zijn zuster waakt over hem en leest een stripverhaal. Er is een veerdienst om naar Sardinië te varen. In de verte zie ik hotels die waarschijnlijk te groot en te duur voor mij zijn. Ik eet de overschot van mijn mortadelle op. Ik ben aangekomen te Citavecchia.
Omdat ik toch graag op deze dag meer dan 100 km wil afleggen rijd ik nog een kwartier verder. Dan bereik ik San Marinella. Dit lijkt me beter om te overnachten. Prijsbewust en hopend van een kamer te vinden, klamp ik een wandelend paar aan. Zij verwijzen me naar House Miramare, een naam die goed klinkt.
De bazin staat me in het Engels te woord, want zij runt te San Marinella stijlvol een Bed & Breakfast. De Britse kamer is voortreffelijk. Vanavond om 20.30 u , op voorwaarde dat ik proper en op tijd aan tafel zit alsook 20.000 lires wil betalen, mag ik voor het avondeten samen met de andere gasten dineren, want er komt een lokale Kitchen Queen speciaal koken en het zal zeer lekker wezen.
Tonight we have a special guest from Belgium but he came all his way to here on a classic English Brooks genuine saddle and on a handmade bicycle with 531 Reynolds tubes !
De vissoep was lekker. Tijdens de nacht in Pension Souvenir slaap ik niet goed. Ik zweet en ik heb nachtmerries, stukken ellendige dromen waarin ik hulpeloos in moeilijkheden ben. Ik zie zelfs in mijn waanbeelden hoe Pruisen en Oostenrijkers in 1814 Napoleon Bonaparte op een boot naar Elba brengen, een eiland dat te klein zou zijn. De Corsicaan ontsnapte en kon zijn keizerlijke lotsbestemming verder zetten tot Waterloo. Er moet toch een onfrisse stekelbaars in die vissoep geweest zijn om dat 's nachts in je dromen te zien. Of was dit het verwerken van de grote schrik die de gevaarlijke autorijder me had bezorgd ?
Al vroeg verlaat ik Castiglione della Pescaia langs de Via Costiera op een nieuw fietspad tussen pijnbossen en mediterraan struikgewas. Een echte profwielrenner van het team Panaria rijdt mij voorbij. Zijn blonde haren tonen me dat hij waarschijnlijk Zbigniew Spruch is. Even probeer ik deze elegante wielrijder te volgen, maar zijn tempo benadert 40km/u en dat is voor mij onhoudbaar. Ik moet hem lossen. Erger nog, mijn armen en benen beginnen te jeuken, na het eerste zweet van deze nieuwe fietsdag. Wat is dat nu ?
Ik stop en inspecteer mijn body. Overal zijn er rode hobbels op mijn benen en op mijn billen. Op mijn armen zijn ook plekken maar die niet jeuken, terwijl op mijn borst en buik niets opvalt. Op mijn rug kan ik niet zien, maar die jeukt nergens en is dus in orde, zoals ook mijn intieme delen zijn. Heb ik bloedvergiftiging of een allergische reactie door het eten van die cacciuto ? Werd ik door een zwerm insecten gebeten toen ik gisteren van de weg afsprong ? Zogen teken uit het bos zich toen vast aan mijn vel of zaten al eerder vlooien en parasieten op mijn lijf ? Waren er in de propere kamer van dat pension toch enkele venijnige muggen die mijn bloed zoet vonden ? Deze ochtend nam ik met zeer heet water een douche, het ongedierte kwam daardoor los en nu zijn er gaatjes in mijn vel die geprikkeld en ontstoken worden door mijn nieuw zweet van deze voormiddag. Ik overweeg doktersbezoek.
Te Marina di Grosseto koop ik bij een apotheker zalf tegen insectenbeten. Gezeten op een bank nabij het strand besmeer ik alle pijnlijke plekjes. Ik trek mijn kleine zwembroek aan en ga in de voormiddagzon genieten van de zeelucht met haar talrijke helende eigenschappen. Ik drink een liter koele A-melk, want dat is goed tegengif. Mijn pen is wakker en met zwier bezorg ik zichtkaarten aan vrienden en familieleden. Het eeuwig boeiende spektakel van de zee, van het onbevuilde strand, van de glinsterende golven , van de verte en van de massa water zonder grenzen, is aan de Toscaanse kust altijd afwisselend en doorlopend aanwezig. Per minuut voel ik de toestand verbeteren van mijn armen, van mijn benen en van mijn billen. Een nieuwsgierige man komt mij gezelschap houden. In de taal van Dante, die door mij rijkelijk wordt aangelengd met Frans en Latijn, kan ik hem uitleggen dat ik een Belg ben, reeds weken per fiets op weg naar Rome, een nieuwe gepensioneerde die van het leven geniet na een loopbaan bij de Spaarkas, maar die op dit moment door beten van moscitos wat wordt belemmerd in zijn tocht doorheen de Maremma. De oude Italiano, nazaat van Romeinen, Etrusken, zeerovers, wijnbouwers, vissers, of van wie ook, heeft me begrepen. Hij strompelt verder. Zijn dag is weer goed, want hij zal de plaatselijke oude wijze zijn die kan uitleggen wie die zwerver met de fiets was en waarom die allochtoon altijd onbeschaamd naar zijn eigen billen keek .
Na deze gedwongen rust, begeef ik me weer op pad. Niet voor lang want weldra zie ik de vuurspuwende leeuw van AGIP. De Azienza Generale Italiana Petroli heeft niet alleen tankstations, maar ook wegrestaurants voor truckers. Rond het middaguur is een " routier" waar vrachtwagens staan geparkeerd altijd een oase voor goed en niet duur eten. De prijs is 22.000 lires. Een fles koud mineraal water kost maar 1000 lires, terwijl elders dat 9000 lires kan zijn. Er moet wel geweten worden dat de obers in zo'n restaurant de overbijvende literflessen water en rode wijn afruimen, samengieten, terug afkoelen tussen ijsblokjes, en wat later weer aan de tafels brengen waar zij ' à volonté' voor de gasten staan. Wanneer er papier op de tafels ligt en geen wit tafellaken, zal er geen coperto worden geteld. Voor de rest bestaan er niet veel andere tafelmanieren. Wijn, water, kaas, fruit, brood, zout, peper, olijfolie, azijn, mogen 'naar hartelust ' worden gebruikt. Na spijs en drank volg ik weer de hoofdweg en dan zwenk ik naar de tomboli die me zullen brengen naar de Monte Argentario. Ik stop wat later aan een badhuis, waar ik een blikje Schweppes drink. Hoe heerlijk is het daar ! Geen vakantiegangers meer. Iodiumgeur. Vogels. Struikgewas. Appelsienenbomen. Olijfbomen. Gelukkig is de pelgrim in de zachte zon van Toscane.
Ik voel me goed en fiets langs de lagune naar Porto di Stefano. Terwijl ik even stil sta om de weg te bestuderen, stopt naast mij een lichte Duitse bestelwagen waar een indrukwekkende mountainbike aan hangt. Een grote ongeschoren man springt daar uit en komt naar me toe. Werner Freitag uit Berlijn. Hij rijdt reeds drie weken rond in Italië, slaapt in zijn voertuig, en iedere dag heeft hij een individuele rit geprogrammeerd, een rondje op mooie of moeilijke plaatsen. Hij beleefde een mooie vakantie. Hijzelf is personeelschef op een bedrijf van 350 werknemers dat aan het afslanken is. Mensen afdanken, herscholen, outplaceren, vervangen door jongeren is zijn job. " Ich bin ein Berliner ..." zei hij. Dat waren ook eens de woorden van J.F. Kennedy. Werner wordt weldra een vijftiger. Na deze weken van grote vrijheid op zijn mountainbike is het voor hem duidelijk. Hij wil zichzelf laten afvloeien uit zijn bedrijf, met een aanzienlijke uitstappremie en een ander leven beginnen, en dit ook omwille van familiale situaties. Als fietsfanaat is zijn ultieme droom een bedrijf op te starten dat nieuwe hebbedingetjes voor de fietsers zal uitvinden en op de markt brengen. Maak al maar publiciteit voor mij in België en elders, zegt hij. Freitag aus Berlin. Nicht vergessen ! Freitag. Vendredi. Was dat niet het maatje van Robinson Crusoë ? Ben ik weer aan het dromen , zoals deze nacht, toen ik Napoleon zag. Ik voel eens in eigen wang. Mijmerend fiets ik verder. Het is nu dinsdag, und Freitag, vendredi prochain ... zal ik al te Roma zijn. Wat een tocht ! Vive le Vélo ...!
Na een taai klimmetje ben ik te Porto Ercole, waar het heerlijk rondkuieren is. Ik ben moe en verbied mezelf om tot op de Monte Argentario te klimmen. Dat betekent 11km om op 635 m boven de zeespiegel te komen. Ik voel me gelukkiger op 3 m boven de zeespiegel. Mijn berg geld is laag. Aan de muur van de Casa di Risparmio probeer ik dat te verbeteren. Niet mogelijk. Pech. Het gaat toch slecht bij de Spaarkassen, sinds goede bedienden zoals ik op rust moesten gaan. Misschien gaat die automaat gewoon niet door zout en zand in haar gleuf, of had ik er eens met mijn vuist op moeten bonken. In de nabije binnenhaven troost ik mij met een goedkope nieuwigheid : een ijsje van bevroren koffie. Dat is lekker en ik kreeg het in een kommetje dat ik niet wil weggooien in de container bij het vuil. Als een jongetje van zeven maak ik er een bootje van dat mag meedobberen op de trillende golfjes van de haven van Hercules.
Twee Spaanse forten uit de XVIde eeuw bewaken de ingang van deze pittoreske haven in hoefijzervorm, die in de avondstond toch zo gezellig is. Het is een schuiloord voor vele boten die aangemeerd liggen. De beroemde schilder Caravaggio werd in 1609 in deze haven door de politie hardhandig opgepakt en ten onrechte in de nor gesmeten. Toen hij de volgende dag terug vrij was, moest hij ervaren dat de zeilboot waarvan hij een passagier was met al zijn bezittingen reeds was vertrokken. Caravaggio werd door deze situatie onwel en kreeg koorts. Enige tijd later stierf hij daar aan malaria, toen nog in de Maremma op meerdere plaatsen gevaarlijk aanwezig. Hij was 37 jaar oud en werd begraven in de kerk van San Erasmo te Porto Ercole. Het eiland Montechristo ligt dicht bij deze haven. Alexander Dumas maakte het beroemd door zijn roman ' De Graaf van Monte Christo'. Zulke avonturen uit de tijd van mantels en degens, van zeilboten, pruiken, mooie kasteeldames, helden , paarden, enz. ... blijven boeiend voor velen.
Wat door een niet-royalitywatcher als ik onbelangrijk is, maar voor andere mensen zeer belangrijk, is het feit dat de Koninklijke Hollandse Familie in de omgeving van Porto Ercole een riant vakantieverblijf liet bouwen. Rijke mensen kunnen zich de mooiste plaatsen ter wereld aanschaffen om een huisje aan de zee te bouwen. De naam van de koninlijke villa is ' l' Elephante Felice' .
Om nog te kunnen kamperen buiten de haven is het voor mij tijd geworden om te vertrekken. Nog net voor dat de zon in de zee is gedoken, staat mijn tentje opgesteld in Camping Feniglia. Er staan woonwagens, zwerfwagens, tenten van alle kleur, soort en maat. Naast mij komen twee buren, die me helemaal niet zien staan, want met grote haast zetten zij hun tentje recht. Nog maar een paar seconden steken al hun haringen in de grond of zij duiken al dringend onder hun tentzeil waar geluiden weldra laten vermoeden dat zij houden van hetero privacy. Dit stoort me. Zij zijn op drie fietslengtes van mij bezig. Ik ga naar de wasbakken om wat textiel proper te krijgen. Een blonde vrouw komt ook haar was doen. Ik wed met mezelf dat zij een Hollandse is, een fan van Queen Beatrix. Ik ben niet verkeerd. Een gezellig praatje in het Nederlands volgt. Ik probeer ondertussen mijn was zo goed te doen als zij de hare. Afkijken mag aan wasbakken op een camping.
Ik kan toch nog niet slapen gaan. Geen eten en geen drinken te bekomen op die camping. Misschien elders ? Langs het strand zijn bijna alle lichten reeds uit of kapot gelagen door vandalen. Behalve de maan en enkele sterren, is alles daar duisternis en geur van zand en zeewater. Maar met een lamp op mijn voorhoofd kan ik wel mijn weg vinden. Ik had deze noen een goed middagmaal, maar het is toch weer fout dat ik aan het rondrijden was zonder enige reserve eten of drinken. Op het brede strand van Feniglia is het lage tij. Als boemannen staan in de zwarte nacht er hoge bomen tot nabij de zee. Dit is wel het einde van de wereld, zo een stilte en zo een duisternis. De zeewind maakt griezelige geluiden. Dan zie ik toch in de verte enig kleine lichten, alsof er daar mannen of vrouwen staan met een brandende sigaret tussen de lippen. Ik zie weldra schimmen met lange hengels waarop een lampje brandt. Zo weet ik dat het mannen zijn die bij lage tij lijnen in de zee zwiepen op zoek naar bijtende vissen. Ik schreeuw luid ' Buona sera ' want het is beter dat die lijnvissers weten dat ook ik daar ben, zoniet zouden zij me wel met een lijn met haken kunnen raken of me wurgen met hun sterke nylondraden. Mijn lijf verwijderen is duidelijk toch wat veiliger, en naar vissers kijken die niets kunnen vangen is toch niet plezant. Ik blijf nog ergens op een hoopje zand zitten, luisterend naar het geruis van de zee. Zonder eten, zonder drinken, zonder vrouwtje, naar bed. Jongen, wie zal ooit geloven dat jij op latere leeftijd zo een asceet was geworden !
Na een karig ontbijt betaal ik aan de oudere man van de receptie 116.000 lires. Ik zet nog wat orde in mijn bagage, gooi mijn oude pyjama en onfrisse sokken weg, en door die gekregen tent beter op te plooien, krijg ik terug wat meer ruimte in mijn fietstassen. Ik voel me sterk bij het vertrek. Gedurende de maand juni viel geen enkele druppel regen in Italië, maar op deze maandagochtend op het einde van september hangen wolken boven de zee die ongetwijfeld nattigheid zullen brengen.
Ik volg de Via Aurelia. Deze weg komt uit het verre Spanje en heet SS1. De Tyrrheense Zee ligt aan mijn rechterzijde. Een mooi panorama zou mijn beloning moeten zijn. Maar de zeewind en de regen die al vroeg valt verplichten mij om te gaan schuilen in een overdekte autobushalte. Mijn trainingsbloes doet me te veel zweten. Ik ben nat door mijn zweet en door de regen. Het is niet koud en het is duidelijk dat de regen langzaam verder zal neerkomen, waarschijnlijk tot op het middaguur. Ik trek een droog T-shirt aan. Om me te beschermen herknip ik met mijn schaartje een vuilzak op maat. Het opschrift " Houd Landen rein" blijft er op, maar de grijze plastiek is netjes rond mijn buik en over mijn billen, nadat ik een opening heb gemaakt voor mijn kop en mijn armen. In andere identieke vuilzakken steekt alles droog en proper in mijn fietstassen. Dun gekleed, profiteer ik maximaal van de zuurstof uit de natte zeelucht. Terwijl het verder regent fiets ik op een weg waar een doorlopende witte lijn een brede zone voor fietsers en wandelaars afbakent. Zo kom ik vlot 25 km verder.
Aan een Agip tankstation stop ik om een expresso te drinken en een warme panini met gesmolten kaas te eten. Er zijn daar wel 100 Agip-wegkaarten te koop van alle regio's van het schiereiland, maar van de streek waar ik nu ben is er niets meer. Ik herinner me de aanbevelingen die ik eerder had gelezen . Een andere randonneur schreef dat je steeds een wegkaart moet kopen twee dagen op voorhand, want de plaatselijke kaart zal onvindbaar of zeer duur zijn. Ik koop daarom reeds een stadsplan van Rome, nodig op het einde van deze week.
Nog meer regen. Dat geselt mijn blote en geschoren benen die ik met zonnebrandolie heb ingesmeerd. Het gaat goed. Ik draai vlot een groot verzet en weldra heb ik reeds 50 km afgelegd. Maar langs de grote steenweg wordt het te eentonig omdat de zee te ver is. Ik verlaat de SS1 op zoek naar San Vincenzo, een badplaats. Kunnen zien wat de combinatie van grauwe wolken en een onrustige zee betekent, is wel de moeite en de omweg waard.
De zon verschijnt weer in al haar glorie. Met mijn mes snijd ik de plastiek rond mijn lijf weg en laat de Landense vuilzak achter in een vuilbak. Ik trek mijn droge koerstrui en windjak terug aan, droog mijn natte voeten goed af en steek deze in nette witte kousjes. In een restaurant met zicht op zee ga ik rusten en eten, want het is bijna dertien uur geworden. Mista van gebakken zeedieren, salade en tomaten, brood, 3/4 liter bier, en dat kost me 26.000 lires. Ik moet een dubbele coperto betalen omdat ik heb gebladerd in de krant die daar op een tafeltje lag.
Ik kan langs de kust niet verder en moet terug naar de SS1. Een kwartier later vind ik wel een leuke weg langs pijnbossen en duinen. Wolkjes komen weer boven mijn hoofd, doch de wind blaast die naar het binnenland alvorens zij beginnen te regenen. Mijn fietstocht loopt verder langs een lijnrechte kustweg langs dennenbossen, boomgaarden en tuinen. Ik bereik Piombino, een havenstad met veel industrie. De boot naar het eiland Elba vertrekt van uit deze haven. Met vleugelboten en andere soorten boten is het te Piombino mogelijk tegen betaalbare prijzen diverse tochten op zee te maken. Ik flaneer door Piombino, bezoek het aquarium waar ik kan kijken naar vissen, schelpen, kreeften en krabben. In het gouden boek van dat museum schrijf ik na goede inspiratie een prachtige zin. Het zicht op de zee van op de versterkte muren is bijzonder mooi, wegens de bootjes, de zeevogels en de eilanden in de verte. Heel mooi ook is te Piombino het kerkhof. De dierbare overledenen , zowel zij die stierven in hun bed als zij die in het zeewater verdronken, liggen er in witte marmeren graven. Veel bezoekers. Veel bloemen. Op dat kerkhof wordt voortdurend gebeden voor de geliefden die niet meer tussen de levenden zijn. Iets van de antieke aard van de Etrusken , een volk dat hier eens heeft geleefd, is nog steeds aanwezig te Piombino.
Ik ben op een landtong gereden die ver in zee steekt en dat was een omweg. Ik moet nu verder langs Crotone waar de lucht stinkt door de fabrieken. Maar de wind blaast goed in mijn rug. Met deze bondgenoot houd ik lange tijd gemakkelijk een snelheid van 32km/u. Weldra kom ik aan te Follonica. Is dit de plaats waar ik zal overnachten ? Fietsen is nu gemakkelijk. Ik blijf dus maar in het zadel wachtend op dat kleine hotel waar ik zal stoppen. Er zijn vele campings. Omdat mijn materiaal zo goed werd samengeperst in mijn fietstassen aan de start van deze dag, heb ik geen goesting om alles terug uit te pakken en vuil te maken. Met een sterk tempo geraak ik verder. Ik kom in onbewoonde gebieden, bossen, heide, hellingen. De wind komt uit een andere richting. Omdat ik gedurende meerdere uren niets heb gegeten en ook maar weinig heb gedronken, val ik volledig stil. Ik heb geen eten en geen drinken meer. Hoe dom toch ! Ik heb veel gezien te Piombino en te Follonica, maar ik vergat te gaan winkelen. De avond valt reeds en dat gebeurt snel. Ik kan alleen wat rusten en grote happen Toscaanse lucht naar binnen brengen. Ik geniet van de geuren die de wind van in de bossen en van op zee meebrengt.
Daar zo blijven staan is geen oplossing. Ik had tijdens mijn rustpauze mijn traingsbloes aangetrokken om niet af te koelen maar in de volgende helling krijg ik het door die kledij benauwd. Ik stop en plooi mijn bloes zorgvuldig op tussen de rekkers achteraan. Zo sta ik stil in de duisternis met rechts van mij langs de steenweg varens, onkruid en struiken. Ik zoek ook de lamp die ik op mijn voorhoofd zal dragen, en die dan met mijn fietslampen me de donkerte zal laten overwinnen. Ik laat mijn hartslag wat zakken en snuif nog wat meer boslucht op.
In de heerlijke Toscaanse avond ben ik plots in levensgevaar. Een autorijder op een duivels tuig, misschien een Lamborghini of een opgepepte oldtimer uit de tijd van Stirling Moss, komt tegen minstens 140km/u de helling opgevlogen, scheurend door de nacht. Omdat ik daar sta in een bocht schijnen zijn grote lichten op de bomen van het bos en niet op mij. De sportieve doodrijder vliegt naar me toe. In een reactie om te overleven gooi ik mijn fiets van de weg af en zelf duik ik als een kikvors tussen de varens van de wegkant. Door deze plotse actie ben ik nog niet dood. Oef ... we kunnen verder fietsen door de inktzwarte omgeving. Het vervolg is beter. Ik kom aan een tunnel. Ik zie wegwijzers die me uitleggen dat een bewoond gebied nadert. Met opgewarmde halogeenlampen in de bergaf heb ik veel licht op mijn fiets. Ik zie in de avond weldra tuinen en woningen. Ik rijd met moeizame pedaalstoot door Riva del Sole en Castiglione della Peschiera, waar ik prachtige hotels met vijf sterren tegenkom. In Centro met drie sterren is alles bezet maar ik word naar een adres gestuurd waar ik zal mogen overnachten. In " Pension Souvenir " vind ik inderdaad een kamer met ontbijt en mag ik mijn fiets plaatsen in de tuin. Zodra ik op de kamer kom neem ik een warme douche met veel shampoing want op deze dag kreeg ik veel regen en vuil op mijn oud lijf. In adamskostuum blaas ik daarna een half uurke uit, platte rust op het dubbelbed met lichtblauwe lakens van " Souvenir". Zeer tevreden omdat ik vandaag 135 km heb afgelegd en veilig de rit eindigde.
Het prachtig verlichte Castiglione della Peschiera by night is klaar om mij te ontvangen. Wat een schilderachtige plaats ! Na een evaluatie van de nabije restaurants stap ik binnen in het visrestaurant dat mij werd aanbevolen door de gastvrouw van mijn pension. Ik telefoneer naar huis om uit te leggen dat ik een andere route volg. Op het thuisfront wordt met grote precisie genoteerd waar ik op die avond ben. De plaatselijke specialiteit wordt mijn keuze. Cacciuto met witte wijn. Dit is een plat completo, een uitgebreide vissoep.
Enkele deelnemers uit 1929 en de fiets waarmee de Flandrien Dewaele had gewonnen.
De 23ste Ronde van Frankrijk werd in 1929 betwist van 30 juni tot 28 juli, een periode van vier weken die liep over vijf zondagen. Er stonden 22 ritten op het programma waaronder een half dozijn bergritten en drie ploegentijdritten. Zes ritten waren langer dan 300 km. De Ronde volgde in omgekeerde richting van de klok de kusten en de grenzen van de zeshoek Frankrijk. Er waren zeven rustdagen voorzien. De renners moesten in totaal 5.286 km afleggen. Zij waren met 155 en dat is veel want pas 53 jaren later zouden er in 1982 meer zijn (169). Deze deelnemers kwamen uit Frankrijk, België, Italië, Spanje, Zwitserland en Luxemburg. De Tour 1929 zou de laatste zijn waarin de invloed van de deelnemende merkenploegen te groot was. Twee soorten deelnemers speelden mee : de azen (53) en de touristen-wegrenners (102). Zij stonden als individuelen samen op één lijst ingeschreven. Noch ploegmakkers, noch volgwagens mochten hulp bieden. De Azen vertegenwoordigden merken van fietsen en van banden. Dat waren toen Alcyon Dunlop, La Française Dunlop, Alleluia Wolber, Fontan Wolber, Dilecta Wolber, Lucifer Hutchinson, La Rafale Hutchinson, De Dion Bouton Wolber, JB Louvet Wolber. De 5.286 km van die Tour de France dienden toen nog om te bewijzen welke fietsen en welke banden de besten waren. De renners waren minder belangrijk dan de naam van hun fiets en van hun band. Als zij wonnen was het omdat zij op de beste band en met de beste fiets hadden gereden (= de keuze van de kampioen die ook U moet maken.). In de drie ploegentijdritten in de tweede helft van die Ronde, vertrokken renners samen die op éénzelfde fietsmerk reden, of die uit éénzelfde regio kwamen. Te Bayonne kwam de eerste rustdag. Reeds 1/3 van de deelnemers had opgegeven na acht ritten.Topfavorieten aan de start waren Nicolas Frantz en Lucien Buysse, maar gekomen te Bordeaux leek het duidelijk dat Nicolas Frantz, vooral de Fransen André Leducq en Victor Fontan zou moeten vrezen omdat de oude flandrien Buysse al reeds 100 minuten had verspeeld. De mogelijkheden van Dewaele, Demuysere, en Pancera werden op dat ogenblik eigenlijk fel onderschat.
Dinsdag 9 juli om 0u 01. Uit Bayonne vertrekken na een rustdag 102 dapperen voor de rit van 365 km naar Luchon. Lucien Buysse toont nog eens zijn talent als klimmer en komt eerste boven op de Aubisque. Wat later in de Tourmalet heeft hij bandbreuk en nadien moet hij wachten op de Charles Pélissier van zijn sportbestuurder. " Den Kleenen" wordt kwaad. Plots doet hij iets vreemds. Aan een afrit rijdt hij naar Lourdes en daar neemt hij de trein naar huis. Zijn kameraden Van Slembrouck, Verdyck, en Van de Casteele, volgen dit voorbeeld. Die vier renners worden daarom de volgende dag ontslagen door de bazen van Lucifer. De regionaal Victor Fontan uit Nay bij Pau toont zich. Dit is een klimmer die reeds koersen in Spanje had gewonnen maar die laat besefte dat hij ook een kans maakt in de Tour, ook zonder sterke ploeg. Met Cardona, teammate aan wie hij de ritzege schenkt, komt hij na 16 uren en 32 minuten koers over de meet. Hij neemt de gele trui. " Pour vaincre Fontan déploie autant de muscle que d'intelligence et de volonté". Tijdens de rustdag van woensdag 10 juli 1929 is Victor Fontan de beroemste man tussen de Landes en Wallonië.
Donderdag 11 juli. Met 89 overlevenden wordt gestart om 4 u 00. In het licht van de lampen van enkele Hotchkiss auto's worden de eerste km afgelegd in de duisternis. Aan een brug in het dorpje Cazaux rijdt de geletruidrager in een gat in het wegdek. Zijn fiets is kapot na 9 km koers. Zoals het reglement dat voorschrijft moet hij zijn tweewieler zelf hermaken. Fontan klopt op deuren van huizen op zoek naar een oplossing. Hij krijgt van een supporter die voor dag en dauw is opgestaan een oude herenfiets. Zijn koersfiets dragend op de schouder, fietst hij 6km verder. Hij geraakt zo tot aan een garage die de hele nacht open was gebleven. Fontan herstelt er zijn fiets. Hij zet al huilend van woede en verdriet de achtervolging in. Op de Portet d' Aspet komt hij 36 minuten na de kopgroep voorbij. Na 151 km koers om 7u45' stopt hij uitgeput en ontgoocheld te Aulos sur Aston. Supporters stonden met honderdduizenden op hem te wachten op weg naar Perpignan maar zij hebben de gele trui niet meer gezien op die dag. Heel het Franse volk geloofde reeds dat deze prachtige renner de Tour zou winnen. Via de radio verspreidden TSF-sportreporters Alex Virot en Jean Antoine de emotie van dit gebeuren. De radio was op die dag de grote winnaar .
Terwijl ook de nog Jean Aerts, rijdend op dezelfde fiets als Fontan , met een gebroken vinger na valpartij de strijd staakt , zorgen de flandriens dat het een mooie 11 juli wordt. Demuysere, Delannoy en Dewaele bereiken Perpignan met grote voorsprong. Bonduel, Van Rysselberghe, Vervaecke, eindigen ook in de top20 van de tweede Pyreneeënrit over 323 km . Plots weet iedereen terug dat Dewaele tweede en derde is geweest in 1927 én 1928. Hij draagt de gele trui met 14 minuten voorsprong op Demuysere en 22 minuten op Pancera , een onvermoeibare Italiaan die al eens tweede finishte in de Giro .
Maurice Dewaele was een taai renner. Bijgenaamd " De metronoom" kon hij zijn tegenstrevers verslaan en neutraliseren door sterk temporijden. Hij was lid van merkploeg Alcyon. Bijna niemand kon, mocht, of wou nog iets ondernemen om hem uit de gele trui te rijden. Technische pech bracht hem nooit in paniek noch op grote achterstand. Met 300 gr suiker en veel water kon hij toch nog glimlachen en presteren toen hij zo ziek was als een hond en zelfs was flauwgevallen. Tijdens de ' départs séparés' van de laatste week hielpen ploegtijdrijders Rebry en Vervaecke hem nog om iedereen op vele minuten meer achterstand te rijden. Dewaele veroverde dan ook de 10.000 zware Franse franken van toen die door sponsors Ovomaltine, Banania, Poulain, en kettingen Brampton werd gegeven. L'Ami Bini , een nieuwe hooggeschoolde sportjournalist, vergeleek Maurice Dewaele met een fles Bourgogne. Hij beterde met de jaren en het was in juli 1929 dat wij hem mochten drinken. Voor wie nooit van l'ami Bini heeft gehoord wil ik hier toevoegen dat dit Jacques Goddet was, toen de toekomstige opvolger van Henri Desgrange.
Zoals iedere editie van de Tour de France was deze van 1929, thans tachtig jaren geleden, een prachtig zomerfeuileton. Nu al te ver in de tijd , schijnt dit een vergeten Tour te worden. Het was een Tour waarin en waarna vernieuwing kwam. Vanaf de Ronde van 1930 kwamen er landenploegen, een publicitaire karavaan, andere renners en andere figuren achter die renners, andere reglementen, enz ... Vive le Tour !
UITSLAG TOUR 1929:
1. Maurice DEWAELE (Alcyon) - 2. Giuseppe PANCERA ( La Rafale) op 44'23"- 3. Joseph DEMUYSERE (Lucifer) op 57'10" - 4. Salvador CARDONA (Fontan) op 57'46" - 5. Nicolaas FRANTZ (Alcyon) op 58' verder nog ... 6. Louis DELANNOY - 8. Julien VERVAECKE - 10. Gaston REBRY - 11. André LEDUCQ - 13. Désiré LOUESSE ... die in 1929 werden gesponsord door Alcyon . Te Parijs eindigden 60 renners.
Rome 1996 - Toen ik mijn fiets tegen de toren plaatste.
In de vroege namiddag zijn de schaduwrijke straten van het oude Pisa leeg tot na de siësta. Ik rol in de stilte verder op soepele banden tot ik kom aan een door onkruid en struiken overwoekerde muur. Daar zie ik dat meer en meer mensen stappen naar dezelfde richting, zwermen toeristen van alle soort, ook Japanners gereed om ieder vogeltje dat voorbij vliegt vast te leggen op Kodakpapier. Wat verder zie ik die beroemde scheve toren van Pisa staan. Hij is eigenlijk veel kleiner dan ik altijd had gedacht, maar 55,86 m hoog. Bekeken van op een afstand van 155 m geeft dat geen felle indruk. Ik luister naar een gids die veel vertelt over de toren. Het is me vlug duidelijk dat ik sta voor een uniek geheel dat Campo dei Miracoli wordt genoemd en waar naast de Torre Pendente, ook de Duomo, de doopkapel, en het Camposanto, belangrijk zijn. Ik wil mijn fiets tegen de kerk plaatsen maar, misschien omdat er niet Bianchi-Campagnolo op staat, word ik één minuut later al weggejaagd door een ijverige politieman. Nergens kan ik mijn fiets veilig opbergen of aan iets vastkabelen.Tussen tweeduizend in alle richtingen bewegende mensen, nabij een toren die wie weet wel zou kunnen omvallen, en nabij die hoogkerkelijke muren van Pisa voel ik me niet op mijn gemak en niet erg welkom. Met mijn maag vol slecht geknabbelde zeevruchten verloopt mijn spijsvertering ondertussen ook niet zo vlot. De bezoekers, die voortdurend door touringcars worden aangevoerd, overweldigen me. Ongewild word ik door de massa tussen de winkeltjes geduwd waar ik zie dat op de ansichtkaarten alles van Campo dei Miracoli mooier en indrukwekkender is op foto dan in de werkelijkheid. Ik loop verder en benader zo dicht mogelijk de wereldberoemde toren. Ik plaats mijn fiets tegen stenen die reeds eigenlijk tot de voet van de toren behoren. Achter enkele planken en overschotten van bouwmaterialen doe ik vlug mijn kleine behoefte, maar bij mijn terugkeer aan mijn fiets, zie ik dat twee politiemannen met de armen op de rug in mijn richtig komen. Ik wip op mijn zadel en met klein verzet verlaat ik de toeristische grote mirakelmarkt van Pisa. Vermits die politiemannen het niet op een loopje zetten om me te pakken -want fietsen is daar verboden - moet ik ook niet op groot verzet wegspurten.
Olive Green brengt me naar Piazza dei Cavalieri en Piazzo Dante. Deze zijn leeg en verlaten maar dat zal niet voor lang meer zijn want binnen een week zullen de studenten de buurt bevolken en zal een nieuw schooljaar beginnen. Aan de Ponte Solferino stop ik om wat te bedaren, en omdat daar een karretje staat met ijskreem. Ik fiets even tot aan het gothische kerkje Santa Maria della Spina, waar lang geleden een relikwie van onschatbare waarde werd bewaard, namelijk een stekel uit de doornenkroon van Jezus Christus. Met zijn rustgevende waterstroming vloeit de Arno in die omgeving reeds eeuwig voorbij. Hem .zal ik tijdens het komend uur volgen en dat is een gedachte die mijn moed verbetert.
In de XIde en XIIde eeuw werden te Pisa de beste zeilboten gebouwd. Met deze boten konden de kooplui veel vervoeren maar zeker ook sneller varen dan de Moorse zeerovers die aan het loeren waren om een slag te slaan, zoals koopwaren stelen, en vrouwen en kinderen ontvoeren voor losgeld of voor de slavenmarkten. Gedurende tweehonderd jaren waren de Pisani grote vakmannen. Uit hun scheepswerven kwamen de Ferrari's en de Alfa Romeo's van de zeilboten, terwijl elders boerenkarren en Lada's werden gemaakt. De zeevaarders van Pisa waren de meesters van de zee. Zij werden weinig gestoord door de Viking's die andere jachtvelden hadden. Van hun zeereizen brachten zij rijkdom, kennis en kunst mee. Die gingen zij halen in gebieden waar de Islam bloeide. Pisa was een machtige stad eeuwen later dan Rome en Ravenna, maar wel vroeger dan Venetië, Florence, Genua, Milaan, Bologna. Zo hebben vele Italiaanse steden een verwarde en ingewikkelde geschiedenis, met hoogten en laagten, met grootheid en rijkdom gevolgd door verval en stilte.
De regio Toscane heeft drie belangrijke troeven om iedereen te lokken en aangenaam bezig te houden. Ten eerste is er de kunst en de sfeer in de oude steden, ten tweede zijn er de heuvels, bergen, bossen, wijngaarden, rijke natuur, en ten derde zijn er de kusten en de zee.
Toen ik mijn fiets tegen de toren plaatste is hij nog niet omgevallen. Veel later dan op die zondagnamiddag zou ik te weten komen dat de toren van Pisa 44 cm terug rechter werd getrokken door een tegengewicht van 870 ton lood. Deze openbare werken tot renovatie hadden de som van 28.000.000 euros gekost. De toren van Pisa werd op die manier een beetje minder scheef, wat zijn kansen voor de toekomst verbetert. Maar, het is ondertussen ook wel waar geworden dat de toren van de Sint Walfridiskerk van Bentum in Friesland nu zes centimeters schever is dan die van Pisa. Vermits ik Wilfried heet kan ik daar mee leven. Want al bij al was het met droeve blik dat ik het te drukke Centro Storico verliet. Mijn neus begint wijd open te gaan in de zeelucht die me tegemoet komt en me gelukkig stemt. Na een tiental km fietsen, sta ik weldra voor de wijdse horizon van de Tyrreense Zee. Ik reed Tirreno-Adriatico niet, maar wel Adriatico-Tirreno. Ik feliciteer mezelf want ik reed tussen de zeeën bijna zo goed als Roger Devlaeminck.
Met zicht op " la grande bleue" en met mijn voeten op proper zand geniet ik intens van de prachtige ogenblikken die me zijn gegund. Ik vraag me af welke zin het heeft om na Marina di Pisa terug naar het binnenland te trekken, zoals mijn programmablad was opgesteld, om mezelf terug af te peigeren op mijn zware fiets. San Gimignano, Siena, Perugia, Assisi, Spoleto, Rieti, zijn allemaal mooie plaatsen, maar om er te geraken zal ik moeten zweten. De oude Italiaanse steden zijn prachtig, maar zou ik toch maar niet de zeeweg volgen om meer te genieten en om op een ontspannen manier gemakkelijker Rome te bereiken. Ik wil niet rekenen, maar ik weet dat ik zeker vijf dagen langer heb gereden dan verwacht. Maar dat mag me niet duwen tot overdreven sportieve inspanningen om nu per dag méér kilometers af te leggen hetgeen zou mogelijk zijn door mijn fel verbeterde lichaamsconditie. Als vroegtijdig gepensioneerde evenwel moet ik leren genieten en plezier hebben zonder enige prestatiedrang, en zonder nog te willen bewijzen dat ik misschien niet meer kan rijden zoals een campionissimo maar toch nog als een gregario. Sint Franciscus en de Heilige Clara zullen mij vergeven als ik niet bij hen op bezoek ga. Flexibiliteit is van deze tijd. Als ik wil, kan en mag ik mijn route wijzigen. Ik ben zelfstandig en mijn eigen meester, alléén op weg zonder tochtgenoten.
17.00 u. Laat op zondagnamiddag aan de Toscaanse kust. Einde van september. Plots begint er een windstorm, de golven worden talrijker en wilder. Weldra volgen donder en bliksem. Vele strandtoeristen en ikzelf vluchten in alle haast naar een milkbar. Alle hemelsluizen gaan open en de regen als een waterval spuit over Marina di Pisa. Ik heb maar een kleine tafel bemachtigd , maar ik zit toch droog en ik kan mijn fiets in het oog blijven houden. Die steekt goed bedekt onder de tent die ik te Fiesole kreeg. Om te mogen blijven schuilen in de milkbar, die ondertussen zo vol is als een fles Martini, bestel ik een bananasplit en nadien ook nog een tas koffie.
Golven op zee. Alléén aan de natte kust. Mentale verzwakking. Plots valt mijn beslissing. Ik fiets niet naar Assisi, maar ik zal langs de kust proberen Rome te bereiken. Zo kom ik dan opnieuw op de route van André en Simone, die ik had gevolgd langs Maas en Moezel. Die weg is belangrijk en bekend als de VIA AURELIA ANTIQUA. Het is de heirbaan die sedert Romulus zo druk werd gebruikt door de legioensoldaten, handelslui, reizigers, huurlingen, artiesten , troubadours, girorenners, zigeuners, bruine paters, maffiosi, straatmadelieven, te voet, te paard of op wielen. Deze belangrijke oude verkeersader loopt van Marseille naar Rome.
Na dit onweder rijd ik op natte wegen naar Livorno. Ik wil nog vele kilometers afleggen. Rond Livorno is weinig te zien, maar er is daar mogelijkheid om naar Sardinië te varen. Dat bekoort me. Een jaar eerder was ik zo van Roscoff in Bretagne overgestoken naar Cork in Ierland. Toen veranderde een fietstocht die saai werd in een onvergetelijk avontuur. Maar dat zal nu niet gebeuren want mijn weg naar Rome is nu duidelijk afgelijnd en heet Via Aurelia Antiqua. Beter kan niet. Aan de Cassa di Risparmio di Livorno probeer ik te bancontacten, maar dat automaat staat op het einde van de weekend droog. In de volgende woonwijk van Livorno krijg ik van de Banco di Roma wel goede lires. Ik meen dat Banco di Roma me een teken geeft dat ik moet naar Roma fietsen en niet naar Sardegna varen. Met stevig tempo ga ik vooruit, maar ik krijg weer regen op mijn lijf. Ik wil niet schuilen. Het is bijna donker door de zwarte regenwolken. De wagens zijn gevaarlijk. Het is nog maar 19.15 u maar ik moet met mijn lichten rijden voor meer veiligheid en door wettelijke verplichtig. Ik sukkel nog verder door de nattigheid.
Ik begin te verzwakken, maar gelukkig kom ik aan te Antignano, een kleine badstad. Door de regen is er geen mens op straat. Weldra ontdek ik een pension waar nog plaats is. Op de kamer duik ik onder de warme douche. Met droge kleren aan zit ik een uurtje later aan tafel. Het moment is gekomen om het goede einde van mijn vijfde week op weg naar Rome te vieren, en met klasse af te sluiten. Het wordt een goed avondmaal. De vrouw des huizes mag voor mij beslissen wat ik zal eten. Er komen zes schotels op tafel, niet in één keer , maar in de gepaste volgorde. Gemengde zeevruchten, lasagne, entrecôte, frieten, kaas, brood. Schitterend einde van deze natte zondag. Op mijn tafel staat een fles Rosso di Montalcino 1988 genummerd 530499. Zou die niet te duur zijn ? De dienster weet het ook niet. Zij neemt de fles en gaat aan de bazin vragen voor hoeveel ik die mag ledigen. Het zal 15.000 lires kosten. Normaal kost zo'n fles toch meer. Maar ik meen te begrijpen dat de bazin medelijden met mij had toen zij me in haar pension zag binnenkomen als een oude natte hond. Zij gunt me een premie voor schone strijdlust en bruine gespierde benen. In het aantrekkelijk restaurant hef ik mijn glas op als dank voor de mooie dagen die voorbij zijn en voor nog betere dagen die hopelijk zullen komen.
Met een wereldfietser uit Australië had ik in de jeugdherberg de kamer moeten delen. Hij was dwars door België gefietst, hield een goede herinnering over aan Mons waar hij veel bier had gedronken. Bij de fietsstalling maak ik kennis met een koppel fietsers mooi uitgerust op Koga Miyata's. Zij willen nog wat genieten te Montecatini Terme tot de Fietsbus hen terug naar Nederland brengt. Tijdens het ontbijt komen Duitsers mij gezelschap houden. Zij zagen me al in de regen van Fiesole, nabij Parco Pinocchio, en nu was het de derde keer, een reden om wat te praten. Man en vrouw vinden mij een rare figuur met mijn rode pothelm en zware fiets. Zij reizen gewoon met de auto. Hun route is bijna identiek aan de mijne. Na Toscane zullen zij Rome bezichtigen.
Na deze ontmoetingen met telkens een korte babbel, wil ik op deze voormiddag enige punten afwerken in de mooie stad Lucca. Ik wil beginnen met een bezoek aan het Sanctoario Santa Gemma omdat ik een buurvrouw heb die de voornaam Gemma draagt. Voor haar zal ik in dat heiligdom een kaars aansteken. In de kerk van de Passionisten te Lucca wordt die heilige Gemma vereerd. Het is een kerk waarvan de bouw was begonnen in de tijd van de fascisten (1935) . Door de oorlog en armoede die volgde, vielen de werken stil tot 1965. Pas toen kon het kerkgebouw worden voltooid. De heilige Gemma had te Lucca geleefd en mirakels gedaan. Ik ledig mijn geldbeugel in een offerblok en raap documentatie op over deze heilige om te geven aan de Gemma van onze straat.
De ruimte van het kerkschip is leeg. Wanneer ik terug wil buiten gaan , waardoor het schurend scharnierke van de kerkdeur fel kreunt, spring daar plots in de halve duisternis een meisje recht. Zij lag daar stiekem op een kerkbank te slapen. Het is waarschijnlijk een zwerfster, een jonge zigeunerin. Zij is daar om te bedelen aan de kerkdeur en vraagt me wanneer de H.Mis zal beginnen. Vermits dat in grote letters op de muur staat kan zij niet lezen. Ik probeer haar uit te leggen dat zij jong en ook mooi is. Zij kan zeker wat anders doen in het leven dan bedelen. Ik stop haar 5.000 lires in de hand om op dit vroege uur iets te gaan eten in het centrum van de stad. Zij glimlacht en loopt weg in de richting die ik haar met mijn vinger aanduid.
Zo heb ik mijn goede zondagse daad reeds gedaan. Ik rijd dan naar de stadswallen, een dijk van bijna 10 m hoogte die zonder onderbreking gedurende 4,5 km helemaal rond de stadskern loopt. Boven op die dijk ligt een uniek circuit voor fietsers, wandelaars, joggers, kinderkoetsen, rolplanken. Ontelbare bomen zuiveren er de lucht en brengen er schaduw. In de verte nabij de Toscaanse hemel zijn bergen te zien. Dichterbij zijn grasvelden, stenen muren van de versterkingen, grachten en kanalen om het aanvallers moeilijk te maken. Binnen deze geweldige verheven kring liggen tuinen en oude huizen met prachtige daken, alsook torens en kerken.
Reeds duizend jaren geleden zo wordt vermeld in 'the Canterbury Tales ' kwamen de pelgrims die op weg naar Rome waren graag langs Lucca, omdat het een stad was met goede gastvrijheid, eerlijke mensen, lekkere spijs en drank. De pelgrims rustten te Lucca drie dagen om hun pijnlijke voeten te herstellen en hun algemene gezondheid te verbeteren.
Lucca was in oudere tijden de hoofdstad van het rijk der Longobarden, onbevreesde kerels die het zelfs aandurfden Karel De Grote te bekampen. Ook Cesar had van de stad Lucca gehouden. Hij verbleef daar lang in de Romeinse kolonie waar hij met Pompeius en Crassus besprekingen hield tot vorming van het Eerste Triumviraat. Minder bekend maar veel belangrijker voor de regio was de lokale held Castruccio Castracani die in 1314 zorgde voor de onafhankelijkheid van de stad Lucca. Die heeft geduurd tot in 1847. Gelegen tussen Florence en Pisa was Lucca rijk door haar handel in zijde. Deze achtergronden leggen uit waarom de mannen en de vrouwen van Lucca - zowel die van vroeger als die van vandaag - trots, voorkomend, en tevreden zijn.
In de heerlijke jonge zonnestralen fiets ik langzaam over de passeggiat delle mura urbane di Lucca tot wanneer ik begin te zien dat ik terug dezelfde mensen, bomen, daken, honden, vuilbakken, ontmoet van een tijdje eerder, hetgeen betekent dat ik één compleet rondje rond Lucca heb afgelegd. De tijd is gekomen om binnen te dringen in de ovalen oppervlakte van centraal Lucca. Op de Piazza Napoleone post ik kaartjes voor het thuisfront, en natuurlijk eentje met de heilige Gemma voor mijn toffe buurvrouw. Ik bel eens naar huis om te zeggen aan mijn hond Luca dat papa op dat ogenblik zich te Lucca bevindt en heel braaf is.
Als volgend punt op mijn programma komt een zoektocht naar maestro Giacomo Puccini, geboren te Lucca in 1858 en gestorven te Brussel in 1924. Ik vind vlug het pleintje waar die beroemdheid zijn jeugd had doorgebracht, en waar de wortels lagen van ' La Bohème' , ' Madame Butterfly' , " La Tosca" . Een levensgroot bronzen beeld van Puccini zit er op een bank. Uit het open venster waar hij eens had gewoond komt zijn muziek en het bestuift de oren van bezoekers en fans die er flaneren. Ik ga bij de bakker een koek kopen terwijl Olive Green geparkeerd staat tegen de bronzen knie van de maestro.
Nu moet ik van mijn hart een steen maken, want ik zal uit Lucca moeten wegrijden. Eerst volg ik nog een groep autobustoeristen met een Hollandse gids die uitgebreide informatie geeft over Puccini. Terug je eigen taal te horen na vele dagen maakt me vrolijk. Twee oudere goedgeklede dames volgen mij en ik hoor dit : ' Ik droomde zo lang van met de fiets Toscane verkennen. Maar mijn man wilde dat nooit. ...' . Zij weet niet dat ik haar woorden van nu begrijp en ook haar verlangen van vroeger. Misschien is zij ondertussen wel gescheiden of weduwe, en zo geraakte zij eindelijk toch tot bij Puccini. De groep beweegt zich naar een parking waar meerdere toeristische bussen wachten. Het is ook mijn richting. Pijlen wijzen van daar naar Pisa. Dat wordt mijn volgend doel.
Al vlug moet ik door een wegtunnel van 950 m lang fietsen. Mijn halogeen lampen werken zoals het moet. De fietsenmaker uit Poppi had goed herstelwerk verricht. Het is niet ver tot Pisa. Weldra arriveer ik daar aan het Centraal Station. De Australiër van deze morgen had mij de raad gegeven om te Pisa natuurlijk een pizza te gaan eten. ' The best place in town' zou voor dit plan "da Nimo" geweest zijn en volgens hem was dat nabij het station. Maar die kangoeroe had zich blijkbaar van stad, van station of van restaurant vergist, want nergens ruik ik enig stukje pizza. Olive en ik kunnen het ook zonder zulke goede raad. Reeds op een volgend plein ligt een ander restaurant met terras. Het aantal mensen dat daar aan het eten is maakt mij duidelijk dat het daar ongetwijfeld goed is .
Mossels en schelpdieren, want de zee is niet ver meer, polenta, pizza della casa. Niet slecht, maar beter kan ook. Merkwaardig is dat alléén bij de pizza 15% dienst wordt toegevoegd en bij de rest niet. De rekenkunde van Italiaanse obers is dikwijls merkwaardig, maar met ons buikje vol zullen wij nooit klagen. Na het vereffenen van de rekening is het tijd om af te zakken naar het Centro Storico van Pisa, waar één van de wereldwonderen op me wacht.
Het is een verhaal waarin een flinke portie sex en geweld in voorkomt, en dat was vaak een sleutel tot succes voor vele verhalen die stervelingen boeien. Het kwam tot ons uit het verre verleden, via mondelinge overlevering, geschriften, schilderijen, beeldhouwwerken, schoolboeken, liedjes, films, en internet. Omdat ook Giambologna het te Firenze bracht wil ik het hier even tussen de andere stukjes op mijn blog schuiven met eenvoudige woorden van vandaag die geen Latijn zijn.
Het gebeurde 2762 jaren geleden. Een bende allochtonen had zich op verwilderde gronden gevestigd, in moerassen waar zelfs de beesten niet graag verbleven. Na jaren zwoegen hadden zij die buurt helemaal opgeknapt en gesaneerd. Ondertussen had een man zich opgewerkt tot de leider van hun groep na veel werken, knokken en onderhandelen. Half mens en half wolf was hij en afkomstig uit die regio. Er werd verteld dat hij met zijn tweelingsbroertje als kind had gezoogd aan de tepels van een wolvin. Nadat vele muren en daken waren gebouwd en regels van inwendige orde waren opgesteld werd tijdens een bijeenkomst besloten dat zij zich voortaan als inwoners van een onafhankelijke stad zouden gedragen, met een organisatie die baas was over eigen volk en eigen gebied. Zij besloten dat land, heuvels, lucht en water hun eigendom waren waarvoor zij zouden arbeiden en strijden tot de dood, volgens de bevelen van Romulus die tot koning werd bevorderd. De nieuwe stad werd ROMA genoemd.
Een maand of vier na de stichting van Roma heeft Romulus beseft dat in zijn stad te weinig vrouwen waren. Bang voor ruzie in de mannengemeenschap, afkerig voor de overdreven toevloei van zij die het oudste beroep ter wereld uitoefenden, en natuurlijk ook om iets te doen aan de bevolkingsaanwas, verzon hij een list. Hij liet het gerucht verspreiden dat de god Consus hem had gevraagd een groot feest in te richten. Iedereen werd uitgenodigd, zeker de Sabijnen die in de buurt woonden en deze god fel vereerden. Tijdens spelen, dans, spijs en drank gaf Romulus onverwachts een teken aan de Romeinse mannen. Daarop grepen die kerels een aantal (volgens diverse verhalen minimum 30 en maximum 683 ) van de vrouwen die door de Sabijnen naar het feest waren meegebracht. Onder deze vrouwen was er slechts één gehuwd. De geschiedschrijver Plutarchus onderlijnde dat de Romeinen dit niet hadden gedaan uit wellust, maar omdat ze zich via huwelijken wilden vermengen met het volk der Sabijnen en geen tijd wilden verliezen met overbodige romantiek en onderhandelingen met aanstaande schoonmoeders. Het heeft even geduurd voordat de vaders, ex-verloofden, broers en voogden van al die Sabijnse maagden overtuigd waren van de goede bedoelingen der Romeinen. Met die Sabijnen draaiden de verhoudingen eerst in de richting van oorlog. Toen de militaire krachtmeting in alle hevigheid zou uitbarsten, kwam de dramatische tussenkomst der Sabijnse vrouwen die ondertussen minnaars hadden ontdekt die hen kennelijk na die valse start goed waren bevallen. Zij waren al zwanger of hadden kindjes, runden nieuwe gelukkige huishoudens, en met blote borsten en opgeheven hoofd met loshangende haren stonden zij tussen Romeinen en Sabijnen op het slagveld aan alle strijders smekend van toch geen bloed te vergieten. Zo ontstond na wijs overleg op twee verschillende heuvels een verenigd koninkrijk en begon de groei van een toekomstige wereldmacht en van een belangrijke cultuur door vredevolle kruising van twee sterke volkeren.
Over deze zaak kan worden nagedacht. Het was voor het goed doel, maar mag men zo maar jonge vrouwen ontvoeren ? Er zijn daar vele meningen over. Laten we gewoon even kijken naar kunstwerken die uitbeelden wat de Ontvoering van de Sabijnse maagden zou kunnen geweest zijn.
Iedere gewone dag spelen miljoenen Chinezen pingpong en als het een speciale dag is dan wordt er ook iets speciaal gedaan met de botsende balletjes.
CELEBRATING 60th ANNIVERSARY OF PEOPLES REPUBLIC CHINA ( 1949-2009).
Op zaterdag 20 juni 2009 zijn een 100-tal diplomaten samengekomen in het Gymnasium van Peking om een tafeltennistornooi te spelen. Naast een tabel in enkelspel voor Heren en voor Dames, was er een competitie voor teams en ook nog een zuivere vriendenmatch tussen het Ministerie van Buitenlandse Zaken van China en een internationale selectie. Ongeveer 100 diplomaten uit 37 landen waren aanwezig.
Ahmed Latheef van de Ambassade van de Maldiven was de organisator. Hij was zelf in 1990 nog een speler van hoog niveau, deelnemer aan de Asian Games 1990. Vorig jaar had hij op 50 dagen voor de Olympische spelen ook al een eerste tornooi ingericht. Nu was zijn tornooi veel belangrijker en haalde de hoofdlijnen van het nieuws in China. De diplomaat-inrichter is overtuigd dat dit een enorme invloed zal hebben op de verbetering van de onderlinge relaties van de ambassades en internationale instellingen die zich te Peking bevinden. Het is belangrijk dat diplomaten tonen en bewijzen dat zij goed weten wat pingpong is, want deze sport is zeer populair bij het grootste volk van deze wereld. De ernstige diplomaten , in korte broek en op sportpantoffels, kunnen op één dag op zo'n pingpongtornooi meer echte vrienden maken dan tijdens lange meetings en dure recepties, door gewoon wat samen te pingpongen, aan de bar een pintje te pakken, en zelfs na de sportinspanning samen op een rij een douche te nemen. Meerdere belangrijke diplomaten , zoals de man van Australië en Bernard Coquelin van de UNO spraken lovende woorden . Zij willen reeds trainen voor volgend jaar om beter te worden. De winnaars op deze Guan Ai Cup waren de Russen want zij hebben tussen de ambtenaren van hun ambassade spelers en speelsters die het beste kunnen omgaan met pingpongballetjes.
Affiches, pijlen, bonte volgwagens met een reserve wielen en fietsen, motorrijders, carabinieri, wijzen er op dat in de omgeving een wielerkoers zich op gang zal brengen. Ik kom weldra te weten dat het de Giro della Regione Toscana is voor Elites en Beloften. Tegen de middag koop ik proviand en aan een tafel van de christelijke jeugdbeweging ga ik zitten voor een picknick. Met zicht op een kapel , op bloemenperken en op de steenweg naar Montecatini Terme, eet ik bonen met mayonaise met wat brood. Ik drink een flesje Gatorade met citroensmaak. Deze combinatie is geen goede keuze, vooral om een maag te vullen die vorige avond gelukzalig was door de chianti. Ik blijf daar niet lang en vertrek. Doorheen het luchtige en lichtvolle landschap van Toscanië fiets ik verder met weinig overtuiging mijmerend over lieflijke madonna's die ik zag op de schilderijen te Firenze. Ook denk ik aan Bartali die op deze wegen sneller kon rijden. Verder verwens ik mezelf en ben ik kwaad op mijn eigen omdat ik mijn planning niet heb gevolgd. Twee maanden geleden had ik op papier gezet dat ik te Pistoia het Ospedale del Ceppo moest bezoeken en gaan eten in het befaamde restaurant San Jacopo. Maar ik ben vergeten te kijken op het papier dat boven op mijn stuurtas steekt omdat ik als een zombie mijn pedalen martel en met lege kop aan het vorderen ben. Spijtig, maar ik zal toch maar niet terugrijden naar Pistoia want op de weg naar Rome is er nog zoveel om te stoppen. Aan een terrasje neem ik dit alles in overweging tijdens het drinken van bier en het doorbladeren van kranten die daar voor de verbruikers liggen. Aan het tafeltje naast mij zitten mannen en een vrouw. Terwijl ik mijn neus in de kranten steek, probeer ik het Italiaans te verstaan dat zij spreken, niet uit onbeleefde nieuwsgierigheid maar om mijn taalkennis te testen. Na een tijdje besef ik dat zij eigenlijk Portugees spreken en dat maakt duidelijk waarom ik ten onrechte denk dat mijn kennis van de taal van Dante nog altijd laag bij het nulpunt blijft. Daarna rijd ik op mijn gemak door het kuuroord Montecatini Terme, waar alles doet denken aan Spa in de Luikse Ardennen. Maar het is toch waarschijnlijk in deze tijd wel groter, met 250 hotels in alle prijsklassen, een plaats om te ontvluchten uit de stress, te onthaasten, geestelijk en lichamelijk te verbeteren. Zal ik hier een hotelkamer zoeken ?
Op dat ogenblik verplicht een rood verkeerslicht me om te stoppen. Ik maak van de gelegenheid gebruik om eens op mijn wegenkaart te zien. Het wordt groen en terug rood. Plots stopt daar aan dat kruispunt een auto van de Belgische wielerploeg ASLK-Eddy Merckx . Eén enkele man zit achter het stuur. Zou dat Valerio Piva zijn, die man met zijn trieste blik ? Op de sportbladzijden van de krant die ik enkele minuten eerder overliep, stelde ik vast dat mijn landgenoten in de Toscaanse Giro niet veel presteerden en dat ene Nunzio Ripamonti er toont hoe in Toscane moet worden gekoerst. Maar regelmatig vertelde Piva wel op recepties dat het Eddy Merckx Team zorgt voor de toekomst van onze wielersport. Als het verkeerslicht terug op groen slaat, schuift de schone wagen van de sportbestuurder van mij weg. Pech, heb ik wel, want vandaag ben ik aan het fietsen in neutrale kledij , niet in ASLK-Eddy Merckx outfit, en niets laat vermoeden dat ook ik gesponsord ben door moeder Spaarkas, waarvoor ik ruim dertig jaar een Brabants trekpaard was. 'Vergeet toch die ASLK !" prevel ik tegen mezelf, terwijl ik me met mijn dijen en kuiten terug op gang breng, doet de auto van die beloftenploeg dat op banden en met benzine betaald door de spaarboekjes die met getrouwheids- en aangroeipremies, voorheffing en inflatie inbegrepen, weinig intrest opbrengen.
Ik rijd verder, maar te veel zweet komt nu mijn pret bederven. Braakneigingen kondigen zich aan. Noch mijn vroeger werk op de ASLK noch mijn picknick nabij die kapel zijn verteerd, en dat biertje op het terras ook al niet. Ik kom aan een muurtje van een halve meter hoogte waarachter een greppel en brandnetels. Dit is ideaal om mijn fiets tegen te laten leunen en om eens te proberen of ik mezelf niet kan gezonder maken door mijn eigen lange middenvinger eens diep in mijn keelgat te duwen. De reactie volgt. Wat pijnlijk maar noodzakelijk. Met drie grote gulpen kan ik mijn ontstelde maag ledigen. Wat een verlossing ! Ik drink daarna wat water en twee pilletjes Rennie uit mijn pharmaciedoosje doen wonderen. Nog enkele minuten en alles gaat weer prima. De teller die de boekhouding van de kilometers bijhoudt, is weer goed aan het werken en ik beweeg flink tot in Collodi, even rechts van mijn route. In een pretpark voor kinderen en autobustoerisme woont daar Pinocchio. Na een verkenningsronde en wat slenteren tussen de winkeltjes verlaat ik een uurtje later dat Pinocchioland.
Wegwijzers kondigen weldra de stad Lucca aan. Dat brengt mij in gedachten terug thuis bij mijn hondje Luca, de Welsh terriër, volwaardig lid van onze familie, en bij Lucas - opnieuw in de verleden tijd op mijn werk - een technieker die alarmtoestellen, lichtreklames, electriciteitskasten, kwam regelen of herstellen tot op een zekere dag toen hij na hartinfarct was doodgevallen en wij hem niet meer zagen. Die goede oude kerel genoot nooit van één enkele dag pensioen, terwijl ik in Toscane dat met vele teugen wél mag doen.
Het landschap van Toscane is hemels. Tussen de cipressen en de neerdalende olijfgaarden staat af en toen een oud huis om te wonen of soms een kerkje. Daar is het goed voor meditatie, gewetensonderzoek, even fris in de schaduw te zitten, een kaarsje te branden voor een heilige die elders al lang is vergeten. De oude stad Lucca bevalt me zeer vanaf het eerste contact. Schitterende stadswallen duiken op. Aan een oude man op een fiets vraag ik het plaatselijke Ostello per la Gioventu. Deze man is fier om tonen dat hij goed Frans kan spreken. Hij werkte omstreeks 1950 in de Luikse fabrieken en hoort graag dat hij waarschijnlijk toen gewerkt had met mannen uit mijn dorp. Ook op de trein had hij bij ons gezeten. Die vertrok uit Gare des Guillemins. Hij verzekerde mij dat hij nooit in de Rue Varin was geweest bij de meisjes omdat hij toen niet alleen de franken spaarde maar zelfs ook die kwartjes met een gaatje in het midden. Hij piloteert me tot aan een kruispunt waar een verkeersplaat me duidelijk de weg naar de jeugdherberg toont. Merci beaucoup, cher camarade. De man was 72 jaar, reed elke dag met zijn fiets met achteruitkijkspiegel en rood vlaggetje. Weldra bereik ik mijn doel, een kleine en propere jeugdherberg die sympathieken modern oogt door de vele ruiten en de metalen trappen.
Ik krijg nog een plaats. Ook op mijn beleefde vraag langzaam uitgesproken in de Franse taal of ik zoals de Italianen die mij voorafgingen ook zo'n grote schotel met insalata, eieren, kaas, tomaten, en brood kan bekomen, antwoordt de gastheer positief. Ik zie dat die man moet zorgen voor de bar en voor de keuken en voor al de rest. Het administratieve werk is in de handen van een ietwat slaperige juffrouw, bij wie ik me haast om mijn inschrijving in orde te brengen want er komen regelmatig nieuwe kandidaten binnen voor een bed in die jeugdherberg. Met op zak de sleutel van een kamer neem ik plaats nabij de bar en weldra geniet ik van een fles Duits bier en van mijn vegetarisch schotel met mozzarella. De barman-keukenpiet is een geweldige kerel. Binnen hetzelfde kwartier hoor ik hem Duits, Engels, Frans, Toscaans, praten met alle vlotheid van de wereld. Hij verkoopt goed aan zijn bar. Hij is flexibel, intelligent, polyvalent, en eigenlijk zou hij in de Commedia del Arte ook de clown kunnen spelen. Ook probeert hij tussendoor de juffrouw van de administratie te versieren, maar ik meen te begrijpen dat er tussen die twee toch een haartje in de boter is gevallen want zij vergeeft hem een misstap niet die hij onlangs zou gedaan hebben. Ik bestel nog bier, wil de clown er eentje betalen, maar hij zegt dat hij op dat uur nog niets mag drinken omdat hij betaald is om hard te werken.
Terwijl ik op het einde van mijn tomaten ben gekomen, dringen twee heren uit het fiere Albion de jeugdherberg binnen. Zij hijgen en zweten, jammeren en klagen. Door slechte wegwijzers zouden zij wel vijf mijlen verkeerd zijn gelopen met hun zware rugzakken. Zij hebben een boekje waar de Ostello van Lucca op een andere plaats is gesitueerd en verwijten dat te Lucca weinig voorzieningen zijn voor wandelaars en dat niemand er weet waar de Ostello is. De clown van de bar vangt ook deze knorpotten op. Hij brengt hen tot bedaren door uit te leggen dat zij bij hem nog terecht kunnen voor bed en drank, en dat zij daarom wel gelukkig mogen zijn. Maar op de vraag van de Engelsen om zoals ik ook zo'n schotel te kunnen krijgen, straft hij hun gedrag door kordaat negatief te antwoorden. Op mijn glimlach en in de Franse taal was het ' Si ', en met hun lelijk gezicht en in het Engels was het ' No ' . Ik draag persoonlijk mijn lege schotel, bestek en broodkorfje terug naar de keuken waar ik mijn gastheer feliciteer voor het eten, voor zijn aanpak, en voor zijn talenkennis. Zo ben ik wellicht de voornaamste bezoeker van de Ostello geworden op die avond. De gastheer-barman legt mij dan het volgende uit. ' Ik doe hier alles, tutti tutti en tutti frutti ... . Ik spreek alle talen, met mijn tong, met mijn gezicht, met mijn handen, met mijn vuisten en met mijn voeten, en dat is hier in de nieuwe Ostello van Lucca wel nodig ' . O, zei hij nog ,' ik vergat nog mijn lippen ' ... en dan gaat hij plots de nek van het meisje op het bureel kussen. Zij reageert zwakjes, maar het is duidelijk dat deze madonna de jonge hevige baas van de Ostello van Lucca niet zal aanklagen voor ongewenste intimiteiten.
De Ostello is niet veel groter dan een gezinswoning voor wat betreft het centrale gedeelte, maar door trappen, muurtjes, afdaken, bergplaatsen, gangen, toiletten, inkomhal, plaats om iets te drinken waar enkele stoelen en tafels staan, kleine keuken maar geen eetzaal, parking , is er toch veel ruimte. Op die datum zullen er zowat zestig of zeventig jongeren logeren ( waarbij enkele veteranen zoals mezelf) en die nacht moet ik op een bovenste bed slapen te bereiken via een laddertje. Ik onderbreek mijn slaap tweemaal voor een bezoek aan het toilet en het verwondert mij dat ik nog veel souplesse heb om in en uit mijn hoog gelegen rustplaats te kruipen.
Zwervend door de mooie oude stad kom ik aan een paleis waar een tentoonstelling loopt die gewijd is aan Leonardo da Vinci. Deze 'uomo universale' werd me steeds als een belangrijk man voorgesteld. Hij was een geniale autodidact, schilder, architect, uitvinder, ingenieur, filosoof, natuurkundige, scheikundige, beeldhouwer, schrijver, componist. Na een zeer gevuld leven stierf hij in 1519. Vermits ik reeds Clos Lucé had bezocht aan de Loire in Frankrijk, vind ik dat deze tentoonstelling bezoeken een must is tijdens mijn toeristische dag te Florence. Merkwaardige toestellen vervaardigd in hout, beeldschermen, tekeningen, tonen wat Leonado en zijn tijdsgenoten vermochten. Zeer interessant is het verkleind model van de Duomo met een begrijpbare uitleg in diverse talen waarom dit zo bekende bouwwerk een technisch wonder is. Hoed af voor Filippo Brunelleschi. Ik denk aan de architect die vijf eeuwen later moest zorgen dat mijn eigen huis er kwam. Na een uur in de zalen van die tententoonstelling krijg ik plots een inzinking. Naar buiten vlucht ik ,waar de betere lucht en een grote ijskreem me weldra terug opknappen. Ik kuier verder door de straten, kijkend naar het bonte volk, naar de winkels van Via della Vigna Nuova , naar het aanbod op de overdekte markt, naar een kunstwerk van Giambologna, en soms aan de rand van de voetgangerszone zie ik zwermen scooters. Doodmoe ben ik wanneer ik weer dicht bij de Duomo kom en bij de bushalte waar terugkeer naar Fiesole mogelijk is. De stadsbus met het goede nummer 17 komt weldra aangereden en ik rep me om op te kunnen stappen met het tweede buskaartje dat ik 's morgens heb gekocht . We rijden langs kleurloze straten terug naar de voorstad.
Ik bereik terug mijn tent in de tuin van de jeugdherberg. Een rosse poes was er in geslaagd binnen te kruipen omdat ik een ritssluiting van de binnentent niet volledig dicht had getrokken. Zij kon de hele dag op mijn slaapzak liggen. Ik jaag deze squattende zwerfkat weg. Tijdens de volgend uren herstel ik vier binnenbanden met zeven rustines. Een grondig nazicht van velgen en nippels is ook mijn intense bezigheid. Ik vijl, schuur, poets, en plak beschermende tape helemaal rond beide wielen in de hoop dat mijn binnenbanden minder zullen lijden door wrijving en gewicht. Twee andere fietskampeerders houden mij al die tijd in het oog. Zij zien hoe onhandig ik wel bezig ben. Zelf rijdt het koppel op het allerkeurigste materiaal, alles van Agu, en zij menen de topklasse te zijn in het enge milieu van de camping . Met hun tweetjes hokken zij samen, eten uit kleine pannetjes, en begluren de andere kampeerders met een Mona Lisa glimlach. Natuurlijk Hollanders, maar om geen tijd te verliezen vertik ik het van een praatje te gaan maken in onze gemeenschappelijke taal, en zij kunnen aan niets van me zien dat ik een Vlaming ben. Ik heb al een plastieken Michelin bandafnemer kapot gewrongen en een metalen nietjesverwijderaar Bostick. Door die nieuwe tape is het moeilijker geworden binnen- en buitenbanden optimaal terug paraat te krijgen. Het daglicht is bijna verdwenen wanneer ik al mijn repareermateriaal terug mag opbergen in een van mijn Karrimors. Met schuimende zeep krijgen mijn handen daarna een noodzakelijke beurt. Ik stel vast dat mijn was nog niet droog is, doch ik hoop dat de lauwte en de lichte wind van die avond dit nog zal verbeteren. Honger alarmeert me. Ik verlaat de jeugdherberg van Fiesole via de lange laan tussen de hoge bomen. Wat later stap ik het restaurant binnen waar ik de vorige avond met Tracy & co rode wijn was gaan drinken. Er zijn op deze vrijdagavond veel luidruchtige Florentijnen aan tafel. De wijn is er goed en de naam van het eethuis klinkt ook goed ' Le Clochard' . Aan een tafeltje kom ik tot bezinning, geholpen door chianti, rijst met spinazie, vleesschotel van de chef, insalata, ... wat een dag ! Ik denk aan mijn overleden vader, de ironman die tegen hoog toeristisch tempo drie weken zo kon leven om daarna terug op zijn kantoor terug te verschijnen als een vermagerde kater. Ik besef dat mijn leven waarschijnlijk nog zelden op dit niveau zal kunnen doordraven. De smaak van het oude Florence drong diep in me binnen .
Florentins 'créateurs de beauté ', mannen en vrouwen, mensen van Firenze, elegant, levendig, beschaafd, matbruin van huidskleur, spontaan van gebaar, goed en smaakvol gekleed, met een fiere glans in de ogen, bewaarders van een groot verleden, een mooi volk, ik heb ze vandaag gezien. Maar ik zag nog niet alles, proefde nog maar een snuifje. Ik kwam tot net zo ver een pelgrim mag komen, een pelgrim die verder moet. De rijkdom van Florence is nog oneindig groot. Er is nog leven en toekomst. Het is voorzeker niet zoals Venetië, dat op de aangekondigde dood wacht, en waar het water van de kanalen zwaar en niet zo fris meer is. Maar ook te Florence was het aardse leven nooit een hemel, want rivaliteit, misdaad, hebzucht, uitingen van haat, hadden er bestaan. Maar dat alles werd uitgeveegd en vergeten. Alleen de schoonheid van de kunstwerken is gebleven om de kijker en de voorbijganger een goed gevoel te bezorgen.
De chianti zit goed in mijn kop en mijn geldbeurs is 53.000 lires lichter wanneer ik Le Clochard verlaat. Verdorie, wat doen mijn voeten pijn en wat zijn mijn benen zwaar, want na zoveel fietswerk hebben zij voetwerk verleerd. Zwijmelend strompel ik door de Florentijnse nacht tot aan mijn Alpino. Ik ben op en ik kleed me zelfs niet uit. Plof ... ik laat me op het dons van mijn slaapzak vallen. Maar wanneer ik ook mijn hoofd neer leg, springt er op de hoogte van mijn nek iets weg dat luid en kwaad ... miaaaaouu ... krijst. Het is weer die rosse kat. Ook tijdens deze nacht wil zij in mijn huisje slapen. Stoute kat, ga naar buiten bij de katers, of ga veldmuizen vangen in de tuinen van Fiesole, maar dit is mijn nest en niet dat van een rosharige vierpootster. Misschien was jij in je lieve vorig leven een courtisane van plezier die eens het bed mocht delen met Lorenzo El Magnifico, maar vannacht in je gereïncarneerde toestand mag je dat niet met mij. Ik smijt die smerige poes harteloos buiten. In vino veritas. In "Le Clochard" komt geen goedkope Fitou op tafel, maar wel echte Chianti. Weinige hartkloppingen later is het voor mij reeds ... ron,ron,ron, ... snurk, snurk, snurf, ... maf, maf, maf.
Maar die kat komt weer, die volgende komt die kat steeds weer. Na haar nachtelijk buitenleven, amper enkele uren later is de Florentijnse katin er terug. Zij wil stiekem een plaatsje veroveren onder mijn tentzeil. Dat gaat niet want alles is nu potdicht, alle ritssluitingen zijn 100% toe, en mijn bagage blokkeert alle mogelijke ingangen. De muizeneetster kan niet binnen en wordt woedend. Met razernij springt zij aggresief enige keren pardoes op mijn tent. Dan hoor ik niets meer. Maar wat later hoor ik een geschuifel in de nacht. Ik kruip uit mijn binnentent met mijn lamp en ik kan de kop van die rosse kat zien aan de kant van de wielen van mijn fiets. Zij vond toch ergens de mogelijkheid om met kop en twee poten binnen te geraken terwijl haar lijf, staart en achterpoten nog aan de buitenkant zijn. Ik geef haar een stamp, kruip uit mijn tent, en loop haar achterna met zeer dieronvriendelijke bedoelingen. Eindelijk geeft de rosse poes het op en ergens anders zal zij gaan slapen. Een geluk dat ik nu wakker ben, want zo kan ik mijn was van de draad plukken. Het is immers zo dat er eerst wat druppeltjes vallen op dat moment van de nacht, die een vijftal minuten later worden gevolgd door hevige regens. Zoals de vorige nachten gaan de hemelsluizen open over Toscane. Alle schone tuinen , waar de appelsienen, olijven, druiven, vijgen, bloemen en planten groeien, zijn weldra kletsnat en dat is ook zo met de kat. Misschien kneep ik haar wat te ruw in het donker. Het werd toch dank zij haar dat ik de droogheid van mijn was kon bewaren. Zou zij misschien een in de tuinen van Fiesole verblijvend spook zijn uit dat erotisch Decamerone boek van Boccacio, veroordeeld en verdoemd door een paus uit vroegere tijden. Zij wilde gewoon met mij onder éénzelfde dak, in dezelfde slaapstee en zij was reeds huiselijk zorgend voor mijn was. Maar, ja, ik begrijp te weinig van vrouwen. Ik ben een enkeling, een pelgrim, een monnik bijna. Onder welke vorm zij ook voor me verschijnen, in het werkelijke, in droge of in natte dromen, in reïncarnatievorm, vermomd als kat of als slang, ik gedraag me steeds te lomp, te hardhandig; te bedeesd of met te weinig romantiek. Maar ik troost me, want zelfs een groot genie als Leonardo da Vinci, die soms zelfs geciteerd wordt als één van de uitvinders van de fiets, de homo universalis, begreep vrouwen niet.
Uren later. De geluiden van de ochtend maken mij wakker. Zoals vorige dag heerst er weer paniek op de camping. Als geredde drenkelingen na een zondvloed proberen de natte kampeerders hun materiaal te recuperen. Eigenlijk had ik er de beste en de hoogste plaats. Mijn tent stond onder de dichte takken van enkele bomen. Weinig regen kon mij treffen. Het regent nog altijd een beetje. In het hoofdgebouw, een reusachtige villa, neem ik mijn identiteitskaart terug in ontvangst na betaling van 30.000 lires voor twee campingnachten. Een ticket van 2.500 lires biedt me een licht ontbijt in de eetzaal. Daarna wandel ik terug naar de camping. Op het voetpad vind ik een mooi tweekleurig geldstuk van 500 lires. Zo'n vondst betekent dat de nieuwe dag me geluk zal brengen. Ik inspecteer nu de tent die ik vorige dag kreeg van de blonde Amerikaan en zijn lief. Het is maar goedkope kwaliteit. Ik gooi de natte grondmatjes weg en ook mijn grote plastiek die me al dienst had bewezen gaat de vuilbak in. Ik kreeg wel een goede 'toile ciré ' en die wil ik gebruiken in de toekomst. Omdat de tent met stokken, haringen, koorden, compact in een sporttas steekt, zal ik die meenemen. Dat betekent dat na wegwerpen en verlies van het een en het ander, ik nu terug een fiets heb die even zwaar is geladen als één maand geleden in de begindagen van mijn tocht. Tussen twee regenwolken in verlaat ik de tuinen van Fiesole, maar amper tien minuutjes later moet ik fietsen in een wolkbreuk tussen de auto's op de ringlanen van Firenze. Is al dit water hemels uit de blauwe lucht van Toscane, of is dit water hels uit het inferno van Dante ?
Het spat, drupt, giet, op de boulevards, op de daken, in de straten, en het verdwijnt in de riolen om wat later de Arno te doen opzwellen en te keer gaan als een schrikaanjagend monster. Zo kort na de start, en pfff ... weer een platte band. Tiende bandbreuk. Ik vlucht weg uit de natte miserie en vind een droge plaats aan de ingang van de lege kantoren van Touring Club Italia, waar geen ambtenaar op zaterdag werkt. Even bid ik en hoop ik dat tussen de stedelingen met paraplu plots als een barmhartige Samaritaan daar de Heilige Gino Bartali zal stoppen om mijn fietsband te herstellen. Maar de Florentijnse wielergod zit lekker op droge pantoffels de Gazzeta dello Sport aan het lezen, kuchend en gorgelend met San Pellegrino water, reeds zijn elfde sigaret van de dag rokend. De oorzaak van mijn zoveelste bandbreuk doet mijn weinige maar natte haren rechtstaan. Tussen binnen en buitenband was gisteravond een afgeknakt stukje metaal terechtgekomen van mijn eigen Bostick werktuigje. Dat scherpe vuil doorboorde mijn gerepareerde binnenband zonder moeite. Hoe dom van mij ! Een binnenband moet steeds goed proper gehouden worden. Ik zit daar met natte benen en natte broek op een stenen trap. Ellende en miserie ! Mijn band is spoedig terug vol goede Florentijnse lucht. Ik schuil me tot na de regenbui. Om de tijd nuttig door te brengen kuis ik mijn stuurtas eens uit en zet er orde in. Papier, etensrestjes, plastieken zakken, dat verdomde Bostick ijzertje en een onpropere keukenhanddoek, gooi ik in de vuilbak van Touring Club Italia.
De stadskern van Florence - of van Firenze voor wie dit liever leest - is omgeven door een brede moderne agglomeratie waar de auto meester is. Gedurende 15 km moet ik rijden door een krans van commercie en industrie. Nattigheid. Gevaar. Getoeter. Verkeerslichten. Wegwijzers. Ik zoek de richting van Prato. Ik vind de richting van Prato, maar in de fietsonvriendelijke verkeersdrukte ben ik die richting al weer vlug kwijt. Ik zie dan dat ik op weg naar Pistoia ben en dat is ook een goede richting. Weldra fiets ik met een goed tempo op de S66 , maar omdat werken en omleidingen me het moeilijk maken deze stad te benaderen, en ook omdat mijn benen goed de pedalen rond krijgen laat ik Firenze hoe langer hoe mee achter me. Weldra nader ik Montecatini Terme.
Goede en grote heren van Firenze, ik ben maar een pelgrim uit een kleine stad tussen Maas en Schelde. Neutraal wil ik blijven, noch Guelf noch Ghibelijn wil ik worden. Ik hou van de Paus (een beetje)en ik hou van de Keizer (van Herenthals) . In wandelpas kom ik op de Lungaro degli Archibusieri waar de rivier Arno stroomt. Nabij de Ponte Vecchio staan telefooncabines zodat ik enkele minuten kan praten met mijn thuisgebleven echtgenote. Sedert vijf dagen had het thuisfront geen nieuws meer van mij gekregen . De intuïtie van Sonja had gevoeld dat in de Apennijnen het voor mij zware dagen waren geweest. Allen waren zij ongerust geweest.
Al bijna eeuwig stroomt het grillige water onder de Ponte Vecchio door. De loop en de glinsteringen van de Arno kunnen onbeschijfelijk mooi zijn, maar ook wild en verwoestend. Zij hadden menige keer een speciaal effect op verliefden , dichters, denkers, uitvinders, bouwers, schilders, onderzoekers, artiesten van alle tijden die elkaar te Firenze hebben ontmoet. In de zon of in de avondschemering , zonder onderbreking ooit, hangen er kooplui en voorbijgangers rond op de oude brug. Vandaag komen zij uit Yokohama, Londen, New-York , Rome, Madrid, München, en elders . Gisteren kwamen zij wellicht uit Brugge, Amsterdam, Praag, Berlijn, Wenen , Kopenhagen, Milaan, en zovele andere plaatsen groot en klein. Allen stopten zij op de Ponte Vecchio, stonden zij even stil. Misschien lieten zij zich verleiden om iets te kopen, een juweel, een geschenk, een eigenaardigheid, een aandenken, iets schoon uit Firenze. Het zijn nu propere en dure winkels op de Ponte Vecchio, maar vroeger waren het maar ruwe tafels en zitbanken allerhande. De ambachtslui gooiden hun afval van de brug in het water van de Arno. Wie niet meer kon betalen voor zijn standplaats werd hardhandig verwijderd door soldaten en dat was dan een handelaar die bankroet werd verklaard, terwijl zijn bank werd afgebroken en opgebrand.
Als pelgrim van Sint Jacob moet ik natuurlijk wat tijd en geld spenderen in de Borgo San Jacopo nabij de brug. Daarna komen voor mij Palazzo Pitti en Giardino di Boboli, allebei gelegen in Oltarno, een stadswijk op de andere oever. Alvorens binnen te gaan in het gigantische gebouw rust ik nog wat uit op het plein. Ik controleer even of ik al mijn geldmiddelen op de juiste plaats heb gestoken, achter veilige ritssluitingen en knopen, want de gewiekste zakkenrolers zijn te Firenze steeds op pad. Ik ben dicht bij het huis waar Dostojewski eens had gewoond, in armoede met zijn jonge vrouw. Deze beroemde man was verslaafd aan gokspel.. Hij schreef te Firenze zijn boek ' Der Idiot' en verbeterde er zijn situatie. De Pitti's waren de rivalen van de Medici's. Om deze familie te overtreffen moest de lat wel erg hoog worden gelegd. Wat overblijft van het prachtig Pitti paleis is nu een museum met verschillende afdelingen. Ik loop door de vele zalen tot wanneer mijn benen er genoeg van krijgen en ik verplicht ben te pauseren. Een half uur later ga ik weer fit door een tuinpoortje en zo kom ik in de tuinen van Boboli, gebouwd in 1560. Ik kijk een tijdje naar een vrouw die op een ladder staat en vakkundig bloemmotieven restaureert. Fonteinen en bloemen, planten, bomen. De parfums van deze omgeving zijn heerlijk. Ik stijg de trappen op die me brengen naar het bovenste gedeelte van Boboli. Op een muurtje heeft iemand zijn reisgids achtergelaten. Het boekje is in alle talen overal te koop in Firenze voor 7.000 lires en nu heb ik het gratis. Florencia Nueva Guia Completa de la Ciutad. Spaans, de taal van Eleonora de Toledo. Helemaal boven geniet ik van een uitzonderlijk panorama. Ik aanschouw de roodbruine pannen van de daken en de gele gevels van de huizen, die bijeenkruipen onder de beschermende Duomo. Aan de rand van de oude stad zie ik de tuinen met cipressen, olijfbomen, andere bomen van wie de soort me onbekend is. Verder , veel verder, zijn er hoge bergen, en boven dat alles heerst de hemelsblauwe lucht. Met tegenover me zoveel schoonheid kan ik alleen maar stil zijn en zwijgen.
In wat eens het huis van de architect-tuinman was, loopt een tentoonstelling van porselein. Niet omdat ik nog tassen, borden, en huisgerief nodig heb om te mogen trouwen met mijn lief, maar wel omdat het binnen koel is en twee hostessen me toelachen, besluit ik van er wat rond te slenteren. Ik betaalde trouwens een globaal ticket waarmee ik overal binnen mag. Ik ben de enige bezoeker op dat ogenblik. De dames volgen me met hun ogen voortdurend, maar ik weet niet of zij trek hebben in de manspersoon met gespierde armen die ik ben of dat zij bang zijn dat een olifant uit een barbaars land porselein zou breken of een ondertasje met gouden boord onder zijn linkeroksel zou verstoppen en meepikken.
De fontein van Bacchus (zie foto) en de barokke watertuin boeien me nog even .Zo kom ik plots weer aan de ingang die nu voor me de uitgang wordt. Enkele minuten later sta ik weer op de Ponte Vecchio. Wat een prachtige ervaring is het - iets om nooit meer te vergeten - zo vrij, zonder verplichtingen, zonder tijdsdruk, op een zonnig maar niet té warme namiddag van september te kunnen stappen doorheen de oude binnenstad van Florence. In een selfservice ga ik wat eten. Trippa en Brusselse kool. Ik koop nog maar eens ansichtkaarten, nu een pakje van 23 stuks. Dat is wel duur. Is zo'n aankoop wel nodig ? Wel, het is het bewijs dat er heel veel moois te zien is in deze wel zeer bijzondere stad die ik bezocht toen ik al voorbij de helft van mijn leven was gekomen.
Quand on partait de bon matin Quand on partait sur les chemins A bicyclette Nous étions quelques bons copains Y avait Fernand y avait Firmin Y avait Francis et Sébastien Et puis Paulette
On était tous amoureux d'elle On se sentait pousser des ailes A bicyclette Sur les petits chemins de terre On a souvent vécu l'enfer Pour ne pas mettre pied à terre Devant Paulette Faut dire qu'elle y mettait du cœur C'était la fille du facteur A bicyclette Et depuis qu'elle avait huit ans Elle avait fait en le suivant Tous les chemins environnants A bicyclette
NATHALIE.
La place Rouge était vide Devant moi marchait Nathalie Il avait un joli nom, mon guide Nathalie... La place Rouge était blanche La neige faisait un tapis Et je suivais par ce froid dimanche Nathalie... Elle parlait en phrases sobres De la révolution d'octobre Je pensais déjà Qu'après le tombeau de Lénine On irait au café Pouchkine Boire un chocolat... La place Rouge était vide Je lui pris son bras, elle a souri Il avait des cheveux blonds, mon guide Nathalie... Nathalie Dans sa chambre à l'université Une bande d'étudiants L'attendait impatiemment On a ri, on a beaucoup parlé Ils voulaient tout savoir, Nathalie traduisait Moscou, les plaines d'Ukraine Et les Champs-Élysées On a tout mélangé et on a chanté Et puis ils ont débouché En riant à l'avance Du champagne de France Et on a dansé... La, la la... Et quand la chambre fut vide Tous les amis étaient partis Je suis resté seul avec mon guide Nathalie... Plus question de phrases sobres Ni de révolution d'octobre On n'en était plus là Fini le tombeau de Lénine Le chocolat de chez Pouchkine C'était loin déjà... Que ma vie me semble vide Mais je sais qu'un jour à Paris C'est moi qui lui servirai de guide Nathalie... Nathalie
Marianne de ma jeunesse Ton manoir se dressait Sur la pauvre richesses De mon rêve enchanté
Les sapins sous le vent Sifflent un air étrange Où les voix se mélangent De nains et de géants
Marianne de ma jeunesse Tu as ressuscité Des démons des princesses Qui dans moi sommeillaient
Car ton nom fait partie Marianne de ma jeunesse Du dérisoire livre Où tout enfant voudrait vivre
Marianne de ma jeunesse Nos deux ombres enfuies Se donnèrent promesse Par-delà leurs joies et leur vie
Marianne de ma jeunesse J'ai serré sur mon cœur Presque avec maladresse Ton mouchoir de pluie et de pleurs
Il avait poussé par hasard Dans notre cour sans le savoir Comme un aveugle dans le noir Mon arbre Il était si petit Que c'était mon ami Car j'étais tout petit Comme lui J'attendais de lui le printemps Avec deux ou trois fleurs d'argent Un peu de vert, un peu de blanc Mon arbre Et ma vie s'accrochait A cet arbre léger Qui grandissait Comme je grandissais
Chanson de GILBERT BECAUD
Quand tu n'es pas là Tous les oiseaux du monde Quand tu n'es pas là S'arrètent de chanter Et se mettent à pleurer Larmes de pluie au ciel d'été Quand tu n'es pas là Le silence qui gronde Me donne si froid Qu'un jour ensolleillé Me fait presque pleurer Larmes d'ennui malgré l'été La ville fait de grâces La lune des grimaces Qui me laissent sans joie Les cantiques d'églises Malgré tout ce qu'ils disent Me font perdre la foi Quand tu n'es pas là Tous les oiseaux du monde La nuit sur mon toit Viennent se rassembler Et pour me consoler Chantent tout bas ' Elle reviendra ' Quand tu reviendras De l'autre bout du monde Quand tu reviendras Les oiseaux dans le ciel Pourront battre des ailes Chanter de joie Lorsque tu reviendras !
Le Pianiste de Varsovie Gilbert Bécaud
Je ne sais pas pourquoi Cette mélodie me fait penser à Chopin Je l`aime bien, Chopin Je jouais bien Chopin Chez moi à Varsovie Où j`ai grandi à l`ombre A l`ombre de la gloire de Chopin Je ne sais pas pourquoi Cette mélodie me fait penser à Varsovie Une place peuplée de pigeons Une vieille demeure avec pignon Un escalier en colimaçon Et tout en haut mon professeur Plus de sentiment Plus de mouvement Plus d`envolée Bien bien plus léger Joue mon garçon avec ton coeur Me disait-il pendant des heures Premier concert devant le noir Je suis seul avec mon piano Et ça finit par des bravos Des bravos, j`en cueille par millions A tous les coins de l`horizon Des pas qui claquent Des murs qui craquent Des pas qui foulent Des murs qui croulent Pourquoi? Des yeux qui pleurent Des mains qui meurent Des pas qui chassent Des pas qui glacent Pourquoi Le ciel est-il si loin de nous? Je ne sais pas pourquoi Mais tout cela me fait penser à Varsovie Une place peuplée de pigeons Une vieille demeure avec pignon Un escalier en colimaçon Et tout en haut mon professeur
What does not destroy us makes us stronger.
Rondvraag / Poll
Wie wordt wereldkampioen 2012 bij de profs ?
À la claire fontaine
M'en allant promener, J'ai trouvé l'eau si belle, Que je m'y suis baignée.
Il y a longtemps que je t'aime Jamais je ne t'oublierai.
Sous les feuilles d'un chêne Je me suis fait sécher, Sur la plus haute branche, Un rossignol chantait.
Il y a longtemps que je t'aime Jamais je ne t'oublierai.
Chante, rossignol, chante, Toi qui as le coeur gai, Tu as le coeur a rire, Moi, je l'ai à pleurer.
Il y a longtemps que je t'aime Jamais je ne t'oublierai.
J'ai perdu mon ami Sans l'avoir mérité, Pour un bouquet de roses, Que je lui refusai.
Il y a longtemps que je t'aime Jamais je ne t'oublierai.
Je voudrais que la rose Fût encore au rosier, Et que mon doux ami Fût encore à m'aimer
Turning and turning, the world goes on We can't change it, my friend Let us go riding now through the days Together to the end Till the end
Les bicyclettes de Belsize Carry us side by side And hand in hand, we will ride Over Belsize Turn your magical eyes Round and around Looking at all we found Carry us through the skies Les bicyclettes de Belsize
Spinning and spinning, the dreams I know Rolling on through my head Let us enjoy them before they go Come the dawn, they all are dead Yes, they're dead
Les bicyclettes de Belsize Carry us side by side And hand in hand, we will ride Over Belsize Turn your magical eyes Round and around Looking at all we found Carry us through the skies Les bicyclettes de Belsize
Julia Tulkens .
Hebben wij elkaar gevonden in dit land van klei en mist waar tussen hemel en aarde ons leven wordt uitgewist ?
Ben ik nog schaduw, ben ik al licht, of is d'oneindigheid mijn aangezicht ?
Treed ik in wolken of in hemelgrond ? Er ruist een hooglied aan mijn lichte mond. In uw omarming hoe ik rijzend ril ... Mijn haren wuiven en de tijd valt stil .
Julia Tulkens.
SONNET POUR HELENE
Quand vous serez bien vieille, au soir, à la chandelle, Assise auprès du feu, dévidant et filant, Direz, chantant mes vers, en vous émerveillant : Papoum me célébrait du temps que j’étais belle.
Lors, vous n’aurez servante oyant telle nouvelle, Déjà sous le labeur à demi sommeillant, Qui au bruit de mon nom ne s’aille réveillant, Bénissant votre nom de louange immortelle.
Je serai sous la terre et fantôme sans os : Par les ombres myrteux je prendrai mon repos : Vous serez au foyer une vieille accroupie,
Regrettant mon amour et votre fier dédain. Vivez, si m’en croyez, n’attendez à demain : Cueillez dès aujourd’hui les roses de la vie.
Regretting my love, and regretting your disdain. Heed me, and live for now: this time won’t come again. Come, pluck now — today — life’s so quickly-fading rose.