NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Zoeken in blog

Foto
Foto
Over mijzelf
Ik ben Journée Wilfried , en gebruik soms ook wel de schuilnaam PAPOUM.
Ik ben een man en woon in LANDEN (België) en mijn beroep is gepensioneerde , slapen, goed eten en drinken..
Ik ben geboren op 04/06/1944 en ben nu dus 74 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: wielersport en tafeltennis, geschiedenis, reisverhalen, chansons, humor..
Inhoud blog
  • EINDE
  • Adieu l'Ami - Au Revoir.
  • De Flandriens uit Limburg.
  • Les soldats russes venus en France en 1916 .
  • HISTOIRE DU TENNIS DE TABLE - FP.
    Foto
      EINDE
     VAN DEZE BLOG

      26 08 2012
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto

    J. BREL

    C'est plein d'Uylenspiegel
    Et de ses cousins
    Et d'arrière-cousins
    De Breughel l'Ancien

    Le plat pays qui est le mien.

    Tous les chemins qui mènent à Rome
    Portent les amours des amants déçus
    et les mensonges des anges déchus.

    Foto
    Foto
    Foto
    Pelgrim

    Wat zich gaande voltrekt
    in de ziel van de pelgrim
    is niet een toenemend verlangen
    naar het bereiken van zijn reisdoel,
    niet het vinden van het heilige
    aan het einde van zijn bedevaart,
    maar zijn overgave aan de ruimte,
    aan de kiezels op zijn pad,
    zijn besef van niet-weten,
    zijn afdalen in de leegte.

    Zijn benen worden zijn vrienden,
    de regen zijn lijden,
    zijn angst wordt gericht
    naar de honden langs de weg,
    het vele legt hij af en hij rust in het Ene.
    Al trekkend komt hij nergens,
    voortgaande bereikt hij niets,
    maar zijn vreugde neemt toe
    om een bloem en een krekel,
    om een groet en een onderdak.

    Zijn reisdoel en zijn thuis
    vloeien samen aan de horizon,
    hemel en aarde vinden elkaar
    op het kruispunt van zijn hart.
    Het heilige verdicht zich
    in de dieren en de dingen.
    Zijn aankomst ligt verborgen
    in de wijsheid van het Zijn.

    Catharina Visser

    Foto
    De Weg.

    In de verte gaat een pelgrim,
    eenzaam over het pad.
    Met een blik voorwaarts,
    eindeloos turen naar het pad.
    Het pad dat hem leidt,
    de wind die hem begeleidt.
    Samen èèn met de natuur,
    de geur,het geluid en omgeving.
    Daar toont de schepping hem,
    nederig dat het pad van zand
    zo hard als steen is.
    Soms ook warm,koud en nat.
    De pelgrim stapt over
    het harde pad,
    met als enige vriend
    zijn schaduw.
    Samen op hun weg.
    When we got to the sea at the end of the world
    We sat down on the beach at sunset
    We knew why we had done it
    To know our lives less important than just one grain of sand.
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    En camino de Santiago
    Sur le chemin de St Jacques
    Iba una alma peregrina
    Allait une âme pérégrine
    Una noca tan obscura
    Une nuit si obscure
    Que ni una estrella lucia ;
    Que ne brillait aucune étoile ;

    Foto
    Foto

    Le patron de toutes les filles
    C'est le saint Jacques des Bourdons;
    Le patron de tous les garçons
    C'est le saint Jacques des Coquilles.
    Nous pouvons tous les deux nous donner un bouquet,
    Coquilles et bourdons exigent que l'on troque;
    Cet échange affermit l'amitié réciproque,
    Et cela vaut mieux qu'un œillet.

    Foto

    Dat een pelgrim bij terugkomst niet wordt herkend door de mensen thuis, is een geliefd thema in middeleeuwse pelgrimsverhalen. Waarschijnlijk wil de legende daarmee aanduiden, dat de pelgrim door zijn bedevaart een ander mens is geworden; hij is op Christus gaan lijken. Dat wordt uitgedrukt door de omstandigheid dat de mensen van vroeger de teruggekeerde pelgrim niet meer herkennen: hij beantwoordt niet meer aan het oude beeld, dat zijn nog hebben; de pelgrim is een nieuwe mens geworden.

    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Betrouw geen pelgrim met een baard
    Die met een schooikroes geld vergaart
    Al beed'lend langs de wegen sjokt
    En met een deerne samenhokt.



    Priez pour nous à Compostelle - Barret et Gurgand - 1977.

    Par milliers, par millions, le besace à l'épaule et le bourdon au poing, ils quittaient les cités, les chateaux, les villages, et prenaient le chemin de Compostelle. Gens de toutes sortes et tous pays, ils partaient, le coeur brulant, faire leur salut au bout des terres d'Occident, là où la mer un jour avait livré de corps de l'apotre Jacques.
     
    Foto
    Foto
    Ik had het eerst
    niet in de gaten,
    en opeens
    zàg ik het spoor
    dat jij voor mij
    hebt nagelaten.
    Mon père .

    Assis dans un vieux fauteuil
    Recouvert d'un plaid usé,
    Il rêve de son passé,
    En attendant le sommeil.

    La fumée d'un cigare
    Flottant au-dessus de lui,
    D'une auréole, pare,
    Sa tête grise, de nuit.

    Vêtu d'un pantalon gris,
    Chemise de flanelle
    Sous le tablier bleu sali.
    Sa casquette est belle.

    Il sait déjà que demain,
    Sera le grand jour pour lui.
    Mais il ne regrette rien,
    Et partira seul sans bruit .

             
              ***
    Foto
    La mort .

    Le jour où tu viendras,
    A l'aube d'un matin,
    Me tendre les bras
    Me chercher par la main,
    Entre comme moi
    Par le fond du jardin.

    Tu essuyeras tes pieds
    Sur le grand paillasson,
    Pour ne pas marquer
    Tes pas dans le salon,
    Et n'oublie pas d'ôter
    Ton noir capuchon.

    La table sera mise
    Et le vin bien chambré,
    Quand tu sera assise
    Nous pourrons le goûter,
    Avant que je ne suive
    Ton ombre décharnée .

    Mais si tu préfères
    Par surprise me faucher,
    Au début de l'hiver
    Ou au soir d'un été,
    Pousse la barrière
    Elle n'est jamais fermée.

    Avant de m'emporter,
    De rendre ma valise,
    Laisse-moi griffonner
    Une dernière poésie
    Où je ferai chanter
    La beauté de la vie.

    Ce n'est pas ce matin
    Que je quitterai le port,
    Puisque de mes mains
    J'ai caressé si fort
    Ses lèvres de satin
    Que je t'oublie, la mort.


              +++
    Foto
    Foto
    Foto
    SEUL  SUR  LE  CHEMIN .

    J'ai traversé des villes,
    J'ai longé des cours d'eau
    J'ai rencontré des îles
    J'ai cotoyé le beau !

    Tout au long du voyage
    Rien ne m'a retenu
    Même pas un signe de croix
    Tracé d'une main tremblante.

    Le vent, la mer, la pluie
    M'ont façonné le coeur.
    Je suis leur propre image,
    Immuable douleur.

    Je fais signe aux oiseaux,
    Seuls amis de ce monde,
    Qui m'entraînent dans une ronde
    A m'en crever la peau.

    J'ai traversé des coeurs,
    J'ai rencontré des bras,
    J'ai caressé des fleurs,
    J'en ai ceuilli pour toi.
    Foto
    Foto
    Foto
    卓球
    Настольный теннис
    टेबल टेनिस
    Стони тенис
    เทนนิสโต๊ะ
    Bóng bàn
    탁구
    تنس الطاولة

    TENNIS DE TABLE
     MESATENISTA
    PING PANG QIU
     TISCHTENNIS
    TABLE  TENNIS


      photos courtesy  ITTF 


    乒乓球
    Stolni tenis
    Tenis Stolowy

    ITTF    TABLE   TENNIS 
        Classement mondial 
         26 - 08 - 2012  
    World  Ranking
    Weltrangliste
    Ranking Mundial
    Värlen Rangordning
    Classifica Mondiale 

    MESSIEURS :

    1. ZHANG Jike - CHN
    2. MA Long - CHN
    3. XU  Xin - CHN
    4. WANG  Hao -
    CHN
    5. MIZUTANI Jun - JPN
    6. MA  Lin  - CHN
    7.  BOLL Timo -  GER
    8. CHUANG Chih-Yuan - TPE
    9. OVTCHAROV Dim - GER
    10. WANG  Liqin - CHN
    11.  JOO Se Hyuk - KOR
    12. OH Sang Eun - KOR

    --    DAMES :
    1. DING Ning - CHN
    2. LI Xiaoxia - CHN
    3. LIU Shiwen - CHN
    4. GUO Yan - CHN
    5
    . ISHIKAWA Kasu - JPN
    6. FUKUHARA Ai - JPN
    7. FENG Tianwei - SIN
    8. KIM Kyung - KOR
    9. GUO Yue - CHN
    10. WANG Yuegu - SIN
    11. WU Yang  -  CHN
    12. TIE Yana - HKG

     

    Info  =  www.ittf.com 
    ( anglais,allemand,chinois).

    http://www.ittf.com/_front_page/itTV.asp?category=ittv_New

    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    December 1990 - Pantoum.

    De noodklok belt slechts éénmaal
    Komt weldra de ultieme speeltijd
    Ademen voor de laatste maal
    Gelukkig geen haat noch nijd
    Toch af en toe een flater
    Een zorg is dit voor later
    Lopen van os naar ezel
    Toch af en toe een flater
    Niet knikkers tellen, wel het spel
    Lopen van os naar ezel
    Dagelijks goed aan de kost
    Niet knikkers tellen, wel het spel
    Verwachtingen zelden ingelost
    Dagelijks goed aan de kost
    De beste blijft mijn moeder
    Verwachtingen zelden ingelost
    Water is het kostelijkste voeder
    De beste blijft mijn moeder
    Om bestwil een toontje lager zingen
    Water is het kostelijkste voeder
    Op zoek naar de diepte der dingen
    Om bestwil een toontje lager zingen
    Komt het varksken met de lange snuit
    Op zoek naar de diepte der dingen
    Nu is dit pantoumeke bijna uit
    Komt het varksken met de lange snuit
    Ademen voor de laatste maal
    Nu is dit pantoumeke bijna uit
    De noodklok belt slechts éénmaal.

    Tibertyn.    ***
    Foto
    Kleine mensenhand
    strooit op winterse dag
    kruimels voor de mus.

    Schelpen op het strand
    die worden door de branding
    voor ons kind gebracht.

    Molens in de wind
    draaien, draaien, en draaien
    in het vlakke land.

    Kerstman in de straat
    borstelt met grote bezem
    sneeuw weg van de stoep.

    De dode takken
    breken af bij felle wind
    van de avondstorm.

    Kreten in de nacht
    van kikkers in de vijver
    lokken de reiger.

    Hulpeloos jong lam
    verloren tussen struiken
    waar de wolf vertoeft.

    De werkzame bij
    zoekt in de roze bloesems
    lekker naar honing.
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    The country with the biggest population in the world, the People's Republic of China, regards this sport as the most important.”

    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    De pelgrim.

    Hij is op de weg alleen 
    al weet hij nog niet waarheen
    maar ergens stond geschreven
    dat hij die richting moest gaan
    en aarzelt hij soms even
    langs de eindeloze baan
    terwijl hij in zijn hart voelt
    dat velen eerder gingen
    mijmerend over dingen
    terwijl een windje afkoelt .
    Verder dan Rome loopt de weg.
    Ervaringen van een pelgrim.
    27-08-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.EINDE
                                                                  DE  WEG IS AFGELEGD




                                                      E I N D E

     STOP   MET  DEZE  BLOG


      

      



     

      

     



    27-08-2012 om 11:11 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    26-08-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Adieu l'Ami - Au Revoir.

      Gilbert Bécaud

    Adieu l'ami
    Faut se quitter
    Car tout s'arrête
    Avec l'été
    L'ami
    Les feuilles sont tombées
    Sur les routes gelées
    L'ami
    Quand on courait
    Sur les chemins
    Pavés de fête
    Mouillés de vin
    L'ami
    Nos chansons nous disaient
    Que cela durerait la vie
    L'ami

    Au revoir, au revoir
    Qui sait jamais
    Tout peut recommencer
    Au revoir, au revoir
    Il faut croire en l'été
    L'ami

    L'harmonica chante sans nous
    Il chante encore
    Nos quat'cents coups
    L'ami
    Si un jour il se tait
    C'est qu'on aura changé
    L'ami

    Au revoir, au revoir
    Qui sait jamais
    Tout peut recommencer
    Au revoir, au revoir
    Il faut croire en l'été
    L'ami







                                          

    26-08-2012 om 21:18 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    13-08-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Flandriens uit Limburg.

    Marcel Kerff  is een Limburgse sportheld die we moeten blijven eren .


    Op het einde van de XIXde eeuw .

    Het zou totaal verkeerd zijn te beweren dat de langzame Limburgers later dan elders de fiets en de wielersport hebben ontdekt. Inderdaad, terwijl elders de eerste dure fietsen van ver uit Frankrijk en Engeland werden ingevoerd, konden de Limburgers gemakkelijk per trein de industriestad Luik bereiken waar het afwerken van metalen en wapens reeds eeuwen een specialisatie was. Reeds in 1885 rolden duizenden tweewielers te Luik en omgeving de straten op. Uit de ateliers van Bovy, Legia, Sarolea, F.N., Gilet, Soleil, Pieper en Bayard kwamen hoogwaardige producten en wisselstukken. Oscar Englebert die reeds in 1877 rubber verwerkte tot banden voor koetsen en andere tuigen met wielen was voor de fietsenconstructeurs de gepaste partner. De hoge lonen die in de agglomeratie Luik werden uitbetaald, de bloei van handel en nijverheid, tijdens de jaren van voorspoed voor de hogere klassen van toen, maakte het mogelijk dat fietsen die volgens hedendaagse normen minstens 10.000 € zouden kosten voor vele jonge kerels bereikbaar werden.
    Die sportievelingen uit de hogere burgerij begonnen al vrij vlug zich met mekaar te meten. Dit gebeurde meer op gebied van snelheid en dan op gebied van weerstand. De wedstrijden gingen door in publieke parken, op de openbare weg, maar nog meer op de wielerbanen waar de plaatselijke kampioenen door een talrijk publiek werden bewonderd en toegejuicht. Vele Zuidlimburgers vonden hun broodwinning te Luik en daar kwamen zij ook in aanraking met de fietsmanie uit die jaren van  ' fin de siècle à Liège ' .
    Op de Luikersteenweg te Hasselt opende begin 1897 en nieuwe velodroom met een fraai programma en vooral met de nieuwe sensatie , machienen die zullen zorgen voor de gangmaking . Ontelbare toeschouwers stromen dan ook samen wanneer te Hasselt de renners op de wielerbaan kunnen worden bewonderd. Maar ondanks het enthousiasme en de vele tweewielers die reeds in het bezit van Limburgers zijn, deint de jonge wielersport reeds rond 1902 weg in een crisis en leegloop. Twee feiten moeten echter nog vermeld worden :
    - Zoals Maaseik belangrijk was in de vroegste schilderkunst door de gebroeders Van Eyk , zo stapte deze stad ook in de wielerhistorie binnen door drie Kampioenschappen van België op de weg voor beroepsrenners. La langue française was de taal van de fietsende burgerij in Limburg, en van Borgloon tot Hasselt en nog verder, was Limburg eeuwenlang een deel geweest van het Prinsbisdom Luik. Omdat het te moeilijk was van veilige en verharde wegen te vinden om op 16 september 1894 een wegkoers over 100 km te houden, kozen de drie wielerclubs uit Luik om dit eerste nationale wielerkampioenschap voor beroepsrijders te houden in lijn op wegen tussen Smeermaas (Lanaken) en Maaseik, verlengd met twee rondjes over Kinrooi,Vucht, Maasmechelen, Lanklaar. De Luikse organisators, bondsmensen, renners en supporters konden gemakkelijk per trein naar het sportief gebeuren sporen, en met hen op de trein gingen mee muzikanten, verzorgers, mekaniekers, gangmakers, en anderen, mensen die zich allemaal daar graag toonden met hun prachtige Safety-fietsen voornamelijk van Luikse makelij. De meeste Luikse wielrijders kenden trouwens goed " la Vie au Grand Air" op die wegen langs de Maas, want in de fabrieksbuurten en in de heuvels kwamen zij niet graag.
    Met gangmaking van zijn fietsende helpers won de oersterke Leon Houa, winnaar van de eerste Spa-Bastogne-Spa 1894, de titel tegen een gemiddelde 30,193 km per uur. Voor Vlamingen, Walen, Brusselaars, werd Houa toen dus te Maaseik duidelijk de vaandrig van de Belgische wielrennerij over de lange afstand. Een jaar later op 8 september 1895 stonden de Reus van Boechout Henri Luyten en de Leuvenaar Jozef Berckmans als favorieten genoteerd, maar deze laatste werd uitgeschakeld door bandbreuk zodat Luyten met ruim een kwartier voorsprong won. Op 6 september 1896 waren de Luikse wielerfanaten door de onwil van plaatselijke overheden ook een derde maal verplicht om uit te wijken in de richting van Maaseik. Henri Luyten won nogmaals dit kampioenschap tegen stoere mannen uit de burgerij, kerels die liefst onder schuilnamen de wielersport beoefenden. Zelf waren Luyten en zijn gangmakers ondertussen beroemd in heel Europa nadat zij door Nicolaas II, de Tsaar van Rusland, waren uitgenodigd om daar in hoog gezelschap te bewijzen dat de Luikse fietsen ( en geweren) van goede kwaliteit waren .

    -Marcel Kerff  had tien (10) broers en twee daarvan Charles en Leopold waren zoals hijzelf ook zeer sterke fietsers met een stalen uithoudingsvermogen.Wonende op het drielandenpunt evolueerde deze familie vlot over de grenzen heen. De broers Kerff reden met de fiets vaak naar Parijs (600km) en terug op twee dagen om daar in de groothandel grote stukken vlees te kopen, die nadien met winst in de familiale beenhouwerij werden verkocht. Op de eerste dag van Wereldoorlog 1914-18  reed Marcel, de ex-wielrenner die toen de persoonlijke knecht was van Graaf de Secillon op het Kasteel van Teuven, met zijn motorfiets in de richting van de grens om te zien wat daar gaande was. Hij botste er op 25.000  Ulanen op oorlogspad. Die Pruisen namen hem als spion gevangen. Toen hij uit protest schreeuwde werd barbaars zijn tong uitgesneden. Wat later werd deze pionier van de Tour de France opgehangen met andere burgers en gedumpt in een massagraf. De binnendringers uit Duitsland waren toen woedend omdat niet-militairen op hen hadden geschoten.

    Zoals zijn broer Marcel had Charles (Karel) met zijn sportieve verrichtingen de wereld ontdekt, tot ver buiten van het Drielandenpunt. De jongere Leopold  stopte reeds na zijn tweede marathonkoers op de wielerbaan van Verviers. Charles Kerff  moest kort na de start tijdens de nacht van de memorabele marathonrit Marseille-Parijs 1902 om onduidelijke redenen naar een hospitaal afgevoerd worden, waar hij overleed terwijl de andere renners (zijn broer Marcel inbegrepen) en de organisators van niets afwisten. Zij waren verder gereden in verschrikkelijke weersomstandigheden. Er werd toen beweerd dat uitgelaten Franse supporters Charles van zijn fiets hadden geduwd na vechtpartij met zijn gangmakers. Er werden echter nooit schuldigen aangehouden. Deze klasrijke Charles had in 1896 te Menen gewonnen, werd 2de in de 24u van Roubaix en 3de op de wielerbaan van Friedenau (Berlijn). Hij was in 1901 Belgisch kampioen 100km met gangmaking en 7de in de marathon Parijs-Brest-Parijs (1200 km). Deze sportman uit de Voerstreek werd toen ook uitgenodigd om samen met Alfons De Roeck te New-York de Zesdaagse te rijden in 1901, maar door pech van die flandrien uit Stekene was het voor hen daar slecht afgelopen. 

    Tot mijn verbazing stelde ik pas vast dat Karel Van Wijnendaele in zijn beroemd boek Het Rijke Vlaamsche Wielerleven op blz 36 dit schreef  :  'Marcel Kerff stierf een andere geweldige dood. Bij den uitzet van Marseille-Parijs, zijnde 1000 Klm. viel hij bij het afrijden van een berg, en kwam zoo ongelukkig terecht op de rotsen bezijden de baan, dat hij enkele uren nadien bezweek aan eene dubbele schedelbreuk! ' - Het gaat hier wel echt over de  920 km lange Marseille-Paris 1902 gewonnen  door Lesna en waarin Marcel vierde werd op 16 uren en 4 minuten van de geweldige Lesna  ( - zie elders op deze blog op datum van 8/4/2009  -) .

    Door op de toen befaamde wielerbaan van Zurenborg te Antwerpen de 48uren te winnen en toen zonder gangmaking 997 km af te leggen had Marcel Kerff  in 1900 bewezen dat hij een toprenner was , een beroepskoeräör uit het verre Oosten van het Vlaanderen van vandaag. Maar alhoewel een beetje bekend  te Stekene was hij dat nog niet te Torhout in het land van de zuivere flandriens. Toch kreeg hij van le journal  l'Auto rugnummer 9 om op die historische ochtend van 1 juli 1903 te starten te Montgeron aan l'Auberge Le Reveil Matin in de eerste rit Parijs-Lyon 467 km van de eerste Tour de France. De vroegere beenhouwersgast deed het zeer goed want hij bereikte Lyon op een zesde plaats, te Marseille zou hij wat later zevende worden, en nadien tiende te Toulouse,  zestiende te Bordeaux, achtste te Nantes, en zestiende te Parijs. Hij reed die eerste Ronde van Frankrijk  van 2428 km uit  in een totaaltijd van 100 uren 25'38" op de zesde plaats. Samson, alias Julien Lootens uit Wevelgem, was zevende en  dat was twee uren minder goed.

    Marcel Kerff was dus de eerste Belg  in de eerste Tour de France.  Met volle ernst beweer ik in 2012 dat deze Limburgse sportheld van ons wielerlievend volk gedurende meer dan een eeuw te weinig aandacht heeft gekregen.


    Wielersport in tijden van wereldoorlog, of daarvoor, daartussen en daarna.

    De burgerij verminderde plots haar interesse voor de fiets want de mannen van goeden huize hadden meer aandacht voor vrouwen, motoren, auto's, en vliegtuigen, terwijl ook de Olympische Spelen een nieuwe werkelijkheid was geworden. De industrie bracht goedkopere fietsen op de markt die moesten dienen om de arbeiders naar het werk te brengen. Het leger ook begreepen  soldaten zich snel en strategisch kunnen verplaatsen met stevige militaire tweewieler.

    Veel jongere mannen krijgen of erven een fiets die zij aanpassen en verbeteren na enige knutseluren met nieuwe onderdelen. Zij zijn zonen van boeren en arbeiders die uit armoede het in de wielrennerij proberen waar rond de kerktorens, van café tot café, redelijk schoon geld valt te verdienen. Er komt op deze manier een revival van de wielersport door de instap van de gewone man.  

    We kunnen op 24 juni 1908 vaststellen dat er een Ronde van Limburg over 160 km  wordt gehouden op de Kuregemse Steenweg te Hasselt. Twintig Limburgers met wegfiets nemen aan deze koers deel. Het podium van deze eerste Ronde van Limburg 1908 voor amateurs mocht zeker gezien worden.
    Eerste - Fons Lauwers uit Wezemaal (23 jaar) de grote crack van toen, pionier van zijn sport in Vlaams-Brabant, Kempen en Hageland, deelnemer Tour de France 1913 en 1914, Nationaal Kampioen van de Onahankelijken in 1912.
    Tweede - Plilippe Thys uit Anderlecht (19 jaar) de eerste wielerkampioen die driemaal de Ronde van Frankrijk zou gaan winnen, alsook enkele grote ééndagskoersen .
    Derde - Victor Linart uit Floreffe (19 jaar) - Victor Linart, zowel als jonge sportman als zeventig plusser, was een heer waarvoor men alleen bewondering kon hebben. Hij had zwart haar, een bronzen kop, ogen om van te schrikken, en er stak iets nobels van een ander ras in die kerel (daarom zijn bijnaam ). Terwijl gedurende de sportieve loopbaan van Le Sioux 55 wielrijders en gangmakers de dood vonden tijdens halsbrekende en oorverdovende races achter zware motoren werd Linart méér dan 88 jaar. Tot op hoge leeftijd was hij op natte winterzondagen in Normandië nog de raadgever van jonge cyclocrossers. Vermits hij als wereldkampioen de gouden jaren heeft gekend van de wielerbanen werd hij rijk.  Ook te Tongeren op de grote jaarlijkse kermis 1909 kwam Linart aan de start in een koers over 120 km tegen de koersende toppers van toen  zoals Van Hauwaert, Defraye, Buysse, Lambot.
     Dit toont aan dat in Limburg toen al, zoals vandaag en volgend jaar ook nog, er altijd mensen waren en zijn die wielerkoersen organiseren. Dit met de medewerking en samenwerking van trekpaarden die zowel boven als beneden op de ladder van de maatschappij staan. 

                     
    Victor Lenaers is een vergeten uit de vroege twenties  - Willy Vannitsen de crack uit de fifties -  Carlo Bomans de bekwame bondcoach van vandaag.


    Renners komen en gaan in het wielerminnend Limburg dat blijft bestaan.

    Toen op 16 januari 1960 te Waterschei  wijlen Armand Thewis op zijn duivenkot dood werd gevonden, toen vernam de generatie van de pas geboren gouden sixties dat deze kleine man uit het mijnwerkersmilieu eens 'De Sperwer' was geweest. Hij was een weesjongen die te Klein-Gemen bij een oom verbleef. Reeds vanaf 1912  liet hij zijn talent zien in de harde wielrennerij. De oorlog en omdat hij maar niet kon binnen geraken bij een merk, maar ook zijn gebrek aan opvoeding, beperkten zijn palmares. Maar er zijn dagen geweest dat deze temporijder, zowel op de velodroom als op de weg, met zijn snelle en krachtige jump iedereen kon kloppen. Met rugnummer 211 vertrok Thewis in de Tour 1921. In de eerste rit Parijs-Le Havre 388 km dronk hij veel wijn en zo geraakte hij niet aan de meet. Kampioen van België bij de Onafhankelijken 1914, Winnaar van de Ronde van België voor Onafhankelijken 1920, en winnaar in 1925 van één van de 8 edities van de verdwenen klassieker Brussel-Parijs , bewijzen dat Thewis in die dagen evenwaardig was aan Vermandel en aan  Gerard De Baets. Pas toen hij 32 jaar was werd hij als prof betaald, maar al vlug fladderde hij weg in een flamboyante levensstijl waar drank steeds aanwezig was. 
    Tongeren.  In 1921 werd een tombola ingericht om de plaatselijke renner Victor Lenaers te laten deelnemen aan de Tour de France. Die had reeds enige bewonderaars verzameld in 1914, maar verbleef jarenlang in krijgsgevangenschap. Toen hij terug thuis kwam en zijn gezondheid in orde kwam, won hij in 1920 de Grote Schelde Prijs. Met ereplaatsen in de klassiekers Luik-Bastenaken-Luik en Parijs-Brussel bewees deze renner ook in 1921 dat hij de Tour de France kon betwisten. Volgens de sportmannen van toen moest hij dat dan ook doen.
    Zij waren met 123 vertrokken. Victor droeg rugnummer 139,  en in vijf ritten  ( 388 km + 364 km + 405 km + 412 km + 482 km) bereikten de grote wegrenners Bayonne. Na de eerste bergrit  van 326 km naar Luchon bleven zij nog maar met 48 kampers in koers. In die zesde rit was de onverzorgde tweedeklasser Victor Lenaers komen bovendrijven. De dappere Eburon reed Luchon binnen als zevende en dat slechts drie minuten na favoriet Firmin Lambot. Op vele minuten en zelfs op uren volgden concurrenten zoals Despontin, Christophe, Mottiat, Sellier, Deloffre, Ernest Paul. Bij het vernemen van dit sportnieuws werd de oude Ambiorixstad volledig wielergek. Lenaers kon zich handhaven, schoof op in de rangschikking, werd tweede in de rituitslag te Nice en te Metz. Te Parijs kreeg hij de zesde plaats in het algemeen eindklassement, maar vooral won hij het aparte B-klassement van de onverzorgden. Op een warme zomerdag werd Victor Lenaers te Tongeren bij zijn terugkeer door duizenden Limburgers gevierd. Bijgenaamd  'De Kaporaal' , omdat een familielid in het leger van Napoleon had gediend, werd deze rustige man op enkele weken tijd een bemiddeld burger. Zijn faam was zo groot dat op kermissen en markten de liedjeszangers over hem niet uitgezongen geraakten. 
    Victor kon zich het volgend wielerseizoen klasseren in de Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix, Parijs-Brussel  en hij won de tweedaagse van Parijs naar Clermont-Ferrand. In de Tour van 1922 , met rugnummer 8 en als eersteklasser, bevestigde hij. Na zes ritten, te Luchon werd Victor Lenaers slechts voorafgegaan door Christophe en Alavoine. Zijn regelmatigheid, tweede plaatsen te Bayonne en te Luchon, maakten van hem een kanshebber om die Tour te winnen. In het begin van de rit Briançon-Genève echter, tijdens een bergaf in duisternis en sneeuw, brak plots zijn ketting. Zoals het reglement voorschreef moest hij dat probleem zelf oplossen en dat heeft hem veertig minuten gekost. Hij werd vijfde in het eindklassement op maar 45' 32" van de winnaar. De oud-krijgsgevangene  was dus een toprenner in het grote Rondewerk geworden. In 1923 vertrok hij met rugnummer 22. Heuseghem kreeg 21, de heren Henri en Francis Pélissier 23 en 24, Lucien Buysse 25 én Ottavio Bottechia 26.  Ik meld dit graag om te laten zien in welk gezelschap die Limburgse klimmer vertoefde. Maar  tijdens Brest - Les Sables d'Olonne (412 km) sputterde zijn motor tegen en reed hij maar als 37ste over de lijn met 57'28" achterstand. Tijdens de volgende ritten ging het nog veel slechter. Tussen Toulon en Nice moest hij opgeven. Alhoewel hij pas hersteld was van een schedelbreuk na valpartij op een Franse wielerbaan stond hij een jaar later met rugnummer 30 weer aan de start te Parijs,  maar hij bereikte die dag Le Havre pas als 101-ste met al méér dan twee uren verlies. Cherbourg zag de onherkenbare Ambiorixzoon finishen als 43ste, dat was in die rit wel nog beter dan Defraeye, Despontin en Thys. Er kwam geen verbetering noch troost. Bretagne zag Lenaers voorbij sukkelen in  47ste positie. De journalist Albert Londres schreef toen zijn beroemd stukje wielerproza ter gelegenheid van de opgave van Henri en Francis Pélissier. Ook Victor Lenaers verliet daar de grote koers. Hij had 41 van die kanjers van ritten van toen uitgereden. Hij besloot van al zijn tijd, kennis en energie te gebruiken in zijn fietsenwinkel Cycles Caporal te Tongeren.
     
    Tussen de eerste opmerkelijke prestaties van Thewis en Lenaers en vandaag is zowat een eeuw voorbij gegaan in de tijd. Er zijn tijdens die periode ( laten we afronden )in aantal duizend min of meer renners geweest  die wat hebben bijgedragen tot de bloei en de handhaving  van HET RIJKE LIMBURGSE WIELERLEVEN . Ik wil daarbij ook nog duizend anderen vermelden,  bekenden en onbekenden , die liefde, tijd, werk, geld, organisatietalent, aandacht, glimlach, steun, applaus, toelatingen, ... hebben gegeven aan de wielersport. En aan zij die ik nog zou vergeten zijn ...  toch ook ...   Veel Dank ... !

    Neen, ik ga hier nog niet eindigen met mijn schrijfsels over de Limburgse velocipedie. Dit loopt dus nog verder  ... !. 

    LODE MULLER  uit Gingelom.

    Reeds in 1923 bewees de mijnwerkerszoon Lode Muller dat hij niet naar de mijn zou moeten. Hij won toen in het voorjaar op een rij 16 koersen. Mentaal geholpen door Armand Thewis werd hij onafhankelijke. Weldra stond deze Limburger aan de start van de Tour 1927. Van hem werd knechtschap gevraagd, doch dat vond Lode te frustrerend. Hij bewees zijn capaciteiten en  haalde een mooie 12de plaats voor Alcyon. Gingelom ontving haar zoon als een held, met een groot feest. Verschillende bazen van velodrooms lieten hem contracten tekenen. Het zat dus kits met de loopbaan van Muller die nog jaren lang als volbloed pistier overal mocht meedraven  terwijl hij ook in de wegkoersen nog zijn mannetje kon staan. Nadien fungeerde hij als afgevaardigde, ploegleider,en raadgever van verschillende generaties jonge Limburgse renners,  en verdiende hij als handelaar goed zijn brood.

     HENRI AERTS  uit Sint-Truiden.
    Als oudste zoon van een groot gezin werd Henri Aerts door zijn vader verplicht van geld binnen te brengen. Voor de jonge Aerts, die sportief zich goed kon weren op de wielerbanen waar dat geld kon worden gehaald,  was dit het belangrijkste. Snel had hij begrepen dat pistiers konden kopen en verkopen. Op een zelfgemaakte piste oefende hij thuis veel zodat hij weldra zijn vak goed kende. Gekoppeld aan  Lode Muller of  aan Armand Haesendonckx uit Herentals verdiende hij schoon geld op de kleine pistes. Maar ook internationaal werd  'Poeke'  gevraagd. Zo vinden wij hem terug in 1927 op een derde plaats van de klassieke ploegkoers Prix Dupré-Lapize te Parijs en dit gekoppeld aan de campionissimo Alfredo Binda ! 
    Hij was een koppig mannetje. Hij werd bijgenaamd ' De Luis'.  Vooral in eigen Sint-Truiden op de wielerbaan Het Vissegat was hij steeds in zijn element, en dat was hij nadien ook op de markt waar hij handel dreef en vertelde over al zijn toeren en amoeren  rond en op de piste ... !


    GERARD LONCKE   uit Overpelt .

    'Karke Loncke' won telkens een rit in de Ronde van Frankrijk in 1931 en in 1932. Hij herhaalde deze prestatie ook twee keer in de Giro d'Italia. Dat bezorgde hem de grote naam van eerste Limburger die ritoverwinningen in de grote rittenkoersen had gewonnen. Met grote ambitie had Loncke toegeleefd naar de WK's op de weg 1933 en 1935. Te Monthléry werd hij geklopt door pech (4 bandbreuken) en voor Floreffe werd hij eerste reserve. Dit ontgoochelde hem erg en zo begon hij zich nog uitsluitend toe te leggen op de piste. Hij verzilverde contracten in de zesdaagsen van Chicago, New-York, Amsterdam, Brussel,en Antwerpen .Hij was een talentrijk en veelzijdig renner die overal prestaties heeft gebracht.


    ANTOON DIGNEF    uit Landen (geboren te Velm)

    Over deze renner staat elders veel op deze blog . Te vinden via  'Google op Blog' -  Rechterkant. - Dignef moet volgens mij geplaatst worden bij de renners uit de provincie Luik , vermits in de jaren dertig Landen behoorde bij de provincie Luik  . Die man was trouwens lid  ( en kampioen ) van wielerclub Pesant Liège . Telkens als de Vuelta weer begint mag de naam Antonio Dignef worden geciteerd omdat hij wielergeschiedenis schreef in de eerste  Vuelta van 1935.


    BROERTJES UIT LIMBURG

    In deze London-2012- tijd waar  Kevin en Jonathan Borlee nog in het licht staan, is het een leuke bezigheid van eens gebroeders uit Limburg te citeren die, na de pioniers Marcel, Charles en Leopold Kerff ,  in de harde sport van het veloke naam maakten. Deze leden uit éénzelfde huisgezin  werden door ons volk graag gezien. 

    Gerard Loncke  en Antoine Loncke, de renners  ... o maar nee ... zij waren de zonen van aparte vaders Theophiel en Pophyle , kerels met roots in West-Vlaanderen die voor het werk en voor de liefde hun clan verplaatst hadden diagonaal dwars door België naar Limburg en Luik. 
    Gerard en Antoine waren dus neven, maar wel ook kameraden en ploegmakkers op de piste.

    Pierre Cardeynaels, Mathieu Cardeynaels, en Albert Cardeynaels  uit Opglabbeek . De jongste en de sterkste  was Mathieu die als 21 jarige dicht bij de overwinning kwam in Luik -Bastenaken-Luik 1934 . Twee broers reden voor het merk Victory van de kleine constructeur Schaeken uit Maaseik.Tijdens de korte periode tot aan de oorlogsdreiging was Mathieu de kopman van dit team.Winst in de GP van Haspengouw te Hoegaerden 1933 en met tien topdrie plaatsen bewees hij zijn kunde als beroepsrenner op de weg maar ook op de kleine velodrooms zoals die van Maaseik. Albert de jongste werd nooit prof maar hij maakte levenslang furore in de mijnstreek overal waar met de fiets werd gereden.


    Frans Schoubben en Jaak Schoubben uit Tongeren. Deze broers speelden hoog en hard mee bij de profs op het einde der fifties en wat eerder bij de onafhankelijken en in de jeugdreeksen. 
    Het palmares van Frans is  driemaal dit waard van broer Jaak die meer pechvogel is geweest. Frans staat ondermeer in 1957 met Germain Derijcke eerste-gelijk in Luik-Bastenaken-Luik, en dat is een unicum in de wielergeschiedenis van de klassieke wedstrijden. De twee broers reden hun hele profloopbaan voor het grote Franse merk Peugeot.

    Ivo Molenaers  en Roger Molenaers  uit Herderen . Na een triomf in een klassieker van 215 km bij de onafhankelijken was het duidelijk dat in 1956 de twee broers Molenaers bij de beroepsrenners konden koersen. Ivo had in 1952 reeds zijn strepen verdiend in de rit Hoeselt-Eisden van de Ronde van Limburg voor liefbebbers door Grondelaers ( medaille OS Helsinki), en andere kleppers te kloppen. Terwijl vele Italianen een schone pree kwamen verdienen in de Limburgse mijnen, ging de oudste van de Molenaers bij Carpano de stiel van gregario leren in Italië . Tweede in Milaan-San Remo 1962 , en dertig keren een lange klassieker uitrijden dat betekende veel. Ivo Molenaers zette te Riemst zijn Hotel-Restaurant Malpertuus neer , werd de schoonvader van Valerio Piva, en alle toppers uit het Italiaanse wielrennen komen bij hem graag logeren.

    Jean Baptiste Claes en Ludo Claes  uit Lommel. Ludo was veel jonger . In 1964 won hij bij de onafhankelijken de 188 km lange GP du Printemps en het jaar nadien klopte hij als prof Jos Dewit ( de latere motorrijder van de VRT) te Tessenderlo. Broer Jean-Baptiste was een voorbeeld voor alle jonge renners van het toen zo machtige Sport en Steun Leopoldsburg. In de Vredeskoers van 1960 eindigde hij door zijn regelmatigheid tweede. Zijn supporters hoopten dat een nieuwe Stan Ockers was aangekomen, iemand die de Tour de France zou winnen. Maar de kwaliteiten van deze Claes bloeiden vooral open tijdens zijn reconversie als bedrijfsleider van  JBC kleding.  Dit familiebedrijf runt thans 90 winkels en Jean-Baptiste is een miljonair geworden. 

    Gert Steegmans  en Piet Steegmans uit Diepenbeek. Gert en Piet waren toppers in de jeugreeksen . Piet ,die niet de grote klasse had, werd onderschat . Bij de beloften was hij nog altijd even sterk als tijdsgenoten Boonen, De Volder, Coenen, doch hij werd geen prof. Gert , die prachtatleet van 1m90, realiseerde (nog) niet wat van hem werd verwacht. Zijn ritoverwinning op de Champs-Elysées in de Tour de France 2008 was toch wel schitterend. Als lid van het hedendaagse internationale peleton kon hij wel jaarcontracten verzilveren die niet te vergelijken zijn met wat wekelijks in de offerblok bij het Paterke van Hasselt steekt, en bovendien vond hij op de koers ook een levensgezellin.

    Eric Vanderaerden, Danny Vanderaerden, Gert Vanderaerden
    , uit Herk- de- Stad.  Als we denken aan Amerikaanse frisdrank dan zeggen we Coca-Cola  ...  en als we denken aan Limburgse koereurs dan komt onvermijdelijk de naam Vanderaerden op onze tong. Het palmares van Eric Vanderaerden neemt enorme afmetingen aan indien we ook de zes jaren van 1977 tot 1982 bekijken. Eric won 74 koersen op de weg bij de nieuwelingen, 94 koersen bij de juniores, en 61 koersen bij de liefhebbers, was wereldkampioen bij de militairen. Het getal 138 zou bij de beroepsrenners passen. De Ronde van Vlaanderen 1987 en Parijs-Roubaix 1985 zijn monumenten op dat palmares, maar ik vind het mooi dat hij in 1980 als junior De Ster van Zuid-Limburg won en als bijna gepensioneerde prof op 27/7/1996 het Criterium van Dilsen. Eric VDA is de beste Limburgse renner die er ooit is geweest . Zijn 2 jaar jongere broer Danny werd na zijn overwinning in Challenge de Hesbaye 1985 prof, maar dan is hij gestopt. Nog 10 jaren jonger was Gert , die wel veel koerste en won, maar niet bij de profs. Opnieuw zonder contract in 2005 mocht hij Elite/.z.c. rijden en toen, met nieuwe motivatie, werd hij Kampioen van België op dit lager niveau, hetgeen hem nadien toch maar weinig financieel voordeel bracht. Ondertussen 34 geworden was het al tijd om te stoppen.

    Paul Wellens, Johan Wellens en Leo Wellens uit Hasselt. Tijdens zijn vrij lange loopbaan ( nog verlengd met wat Triathlon) blonk Paul uit in de rittenkoersen. Hij won de Tour de Suisse 1978 en bereikte een dozijn maal de eindmeet in Tour,Vuelta of Giro. Door in 1975 Ferdi Van den Haute te kloppen in de Omloop Het Volk voor Liefhebbers was hij welkom in een grote profploeg.
    Johan klopte Daniel Gisiger,  vandaag coach en lesgever voor de U.C.I., in de Omloop van de Vlaamse Ardennen 1980. Leo  reed zoals Marc Sergeant de 100 km ploegentijdrit mee op de O.S. van Moscou 1980 en presteerde sterk in de Ronde van de Toekomst. In de ploeg van Sunair- Sport80-Colnago reden  deze drie broers samen de Tour de France 1981 uit. Dat is een unieke prestatie, een soort wereldrecord, want deelnemen en zo met drie Parijs bereiken dat was prachtig. Door de sensationele terugkeer van Freddy Maertens in die Tour van 1981 ging te weinig aandacht naar de Limburgers die de familienaam Wellens droegen. Spijtig ! -

    Jelle Vanendert en Dennis Vanendert   uit Peer. Geklopt door Van Avermaet in Spa-Hasselt-Spa 2005 , maar beter dan Thomas De Gendt in de GP Joseph Bruyère 2006  toonde Jelle al zijn mogelijkheden als belofte. Pech en kwetsuren, maar ook omdat het hooggebergte niet in Limburg ligt, zijn redenen die hem niet toelieten van veel te bewijzen. Dat mocht hij wel bij Lotto waar Philippe Gilbert kon profiteren van zijn diensten en hijzelf het publiek veroverde. Toen hij op 17 juli 2011 de hele wereldtop versloeg in de bergrit Saint-Gaudens- Plateau de Beille werd hij voor altijd een bekend Limburgs wielerkampioen. Dennis die jonger is en van wie we nog veel zullen zien, is al beroemd te Aalst-bij-St.Truiden waar hij in 2010 tweemaal scoorde. Tijdens zijn opleiding in Italië in 2011 stond deze Vanendert al naast Moser en Battaglin op het podium van de Giro del Medio Brenta. Beide broers zullen uiteraard tijdens de komende wielerseizoenen nog lange stukken breien aan hun volwaardig palmares.




              
                              
      
    Wilfried Nelissen was een prachtige nationale kampioen -  Eric Vanderaerden in zijn sterkste jaren -  Johan Vansummeren en zijn verloofde veroverden op één zondagnmiddag alle harten.


    Enkele hoogtepunten uit het rijke Limburgse wielerleven .

    - Het werelduurrecord te Sint-Truiden.
    De wielerbanen verschenen en verdwenen sedert vijftig jaren reeds en ook die renners die er faam en fortuin op verdiend hadden. Zelden duurden de schone tijden plaatselijk langer dan 5 jaren. Wanneer dé lokale wielerheld zijn supporters misnoegde volgde terugval, gebrek aan onderhoud, en financieel failliet. Tijdens het interbellum kwam er echter een nooit eerder geziene bloei in 1933/1934, want op niet minder dan 69 velodrooms zowel in stedelijk als in landelijk gebied werd er in ons land gekoerst en getraind. Alhoewel de oostelijke kant van ons land dunner bevolkt was konden wat kleinere wielerbanen er toch ook tijdelijk bloeien zoals te Maaseik, Leopoldsburg en te Zwartberg.
    Bamps, Bangels,Hommers,Vanhulle, zijn namen van Sportvrienden uit de regio van Sint-Truiden die het aandurfden Vissegat te moderniseren door het loopvlak van deze bestaande velodroom met houten latten te bekleden. Dat heeft die mannen toen veel geld gekost, een investering die verlieslatend was maar sportief schitterend. Omdat goed geld werd betaald aan de pistiers, de sportmannen er het voetbal nog niet hadden ontdekt, zijn daar grote sportmomenten geweest met als absolute top het wereldrecord over één uur zonder gangmaking met stilstaand vertrek op 29 augustus 1933. Maurice Richard was 23 jaar en hij kwam uit Parijs om op de 300 m lange houten baan het uurrecord van Oscar Egg aan te vallen. Dat stond toen op 44,247 km en werd gevestigd op de Velodrome Buffalo van Parijs op 18 juni 1914. Door de tamtam was niet alleen de renner  Poeke Aerts, maar ook de kwaliteit van piste, publiek en organisatie, te Sint-Truiden bekend tot in de Franse hoofdstad. Daarom probeerde de recordjager Richard daar het eerste van zijn vele records te vestigen. De Hollanders rond hardrijder Jan Van Hout uit Eindhoven speelden een smerig spel. Zij staken een stok in het wiel van de geplande poging en hun renner ging nog vlug ook een recordpoging doen op de piste van Roermond. Na jaren discussie wegens het verkeerd opmeten van de gebruikte piste werd dan toch officieel geboekt dat Van Hout feitelijk ook gedurende vier dagen wereldrecordman was geweest. Ondertussen lukte Richard zeer mooi 44,777 km op de piste Vissegat te Sint Truiden en dat was een bijzonder sterke prestatie toen. De volgende jaren op de Vigorelli, te Arcachon en te La Croix Berny , vervolgde hij zijn sportloopbaan met het vestigen van allerlei andere wereldrecords vooral op een tandem.
    --   Eén augustus 1948 -   Te Deinze wint Karel Van Dormael uit Montenaken  Het Kampioenschap van België voor Onafhankelijken.
    Om te begrijpen wat dat toen betekende leze men eerst het volgende. De zondag eerder had Gino Bartali de Tour de France gewonnen, maar behalve dan aan de sportmannen die toen Franse wielermagazines kochten en konden lezen, was dat nog niet eens bekend. De Olympische Spelen te Londen waren pas begonnen en bijna niemand had toen al gehoord van Fanny Blankers-Koen, Ernest Gailly of Zatopek. Pas op 22 augustus zou Briek Schotte te Valkenburg wereldkampioen worden. Maar op die bewuste zondag te Deinze na een eindsprint van 1000 m pakte de in Vlaanderen onbekende Zuid-Limburger de kampioenentrui. Bij het ingaan van de laatste ronde was hij nog even tussen het publiek gestopt om wat aan zijn zadel te sleutelen maar dat was eigenlijk toen om stiekem van bidons te veranderen zodat hij versterkt met fris water en met versgetapte pils gemengd met bruine suiker van Oreye de finale kon induiken. Zijn supporters waren niet zonder reden meegekomen. Zij wisten dat deze elektrieker sedert dat hij besloten had van koereur te worden twintigduizend kilometers had getraind met inbegrepen tweehonderd maal de beklimming van de Vinalmont toen nog met kasseien belegd. Van Dormael reed immers op zijn sportieve herenfiets dagelijks naar zijn werkplaats te Luik en ging op zijn terugweg nog wat bergop rijden  tot wanneer het bijna donker was. Karel klopte te Deinze trouwens de sterke Bolly, de winnaar van Brussel-Luik 1948 die ook op dezelfde helling zich afpeigerde, en Jos Verhaert uit Morkhoven, veelwinnaar tijdens dat wielerseizoen. Verder bij de geklopten waren jongens van hoog niveau zoals Jos Van Staeyen, Alex Close, Armand Baeyens, Marcel Demulder en ook Maurits Stroobants de winnaar van Brussel- Walshoutem 1948. Dat gebeurde precies op 1 augustus 1948 , een tijdstip in de eeuwigheid dat lag in een windstilte, een vacuum, vermits de namen van vooroorlogse sportvedetten al vergeten waren en de nieuwe namen nog niet gekend. Karel Van Dormael viel als een joker op de tafel.  Van nihil  tot  heroe met één enkele verwoestende sprint. Hij verscheen als een nieuwe volksheilige aan de hemel en was voor altijd onsterfelijk in Groot- Gingelom en omstreken. Tijdens de weken nadien waren er op de zondagnamiddagen daar geen manspersonen meer ! Van na de offer in de hoogmis verzamelden in det sportcafés alle opa's, nonkels, vaders en zonen om per fiets, of op vrachtwagens goed geladen met vrouwen en bakken bier, om te gaan supporteren waar  ' onze Charel '  koers reed. Zij dronken veel bier, rookten de toen in de publiciteit aanbevolen sigaretten voor sportmannen,  maar dan dat allemaal  nog wel op een fatsoenlijke manier
    .---   Het Wereldkampioenschap te Zolder 1969   .
    Nadat in zovele Limburgse steden en dorpen koersminnende mannen schone wielerwedstrijden hadden ingericht, vooral tijdens de fifties en de sixties, mocht Belgisch Limburg op 10 augustus 1969 de belangrijkste ééndagsrit op de weg voor beroepsrenners organiseren. Er werd aan de 93 profs van 13 nationaliteiten gevraagd van te transpireren en te pedaleren op het lichtlopend parcours van het autocircuit van Terlaemen en daarbij kwam ook telkens een klimmetje over de Bolderberg. Na 30 ronden betekende dat 262 km. Jan met de pet en de tienduizenden anderen kwamen zien naar Eddy Merckx, toen al en vandaag nog bekender dan de kosmonauten die op de maan waren gaan wandelen. 
    Onder de loden zon rijden een dozijn renners op kop. De Belgen Godefroot en Stevens houden de zaken onder controle bij deze vluchters. Na 100 km koers begint Roger De Vlaminck zich te roeren. Hij is nog jong en met Karstens en Ottenbros zwoegt hij één uur om ook in die kopgroep te geraken. Swerts en Ocana , alsook nadien  Merckx, versnellen maar stellen een hardnekkige reactie vast van het hele peleton.  Dancelli, aan de leiding helemaal vooraan, rijdt alléen met 1 minuut voorsprong.  De Vlaeminck verspeelt nogmaals zijn krachten in een tegenaanval. Wat later reageert niemand uit de kopgroep wanneer Julien Stevens ontsnapt. Deze knecht kan de vluchter wel inhalen zodat er twee leiders zijn.  Het dikke peleton met Van Looy, Anquetil, Altig, Adorni, Van Springel , e.a. heeft nog weinig goesting  en volgt op 5'35" . Wat later knakt de kopgroep van 14 vluchters in twee delen. Zes man vervoegen de eerste twee, zodat een groep van 8 dapperen verder de aanval toetert en 8 gelosten volgen. Na 230 km valt Julien Stevens aan terwijl het wat eerder scheen alsof hij doodmoe was na het afgeleverde werk op deze warme dag. Harm Ottenbros is nog de enige achtervolger die lang genoeg kan harken om terug te komen in het wiel van de leider in deze koers. Op dat ogenblik verdwijnt Eddy Merckx misnoegd en roemloos uit het schijnbaar verslagen peleton. Onzekerheid, weinig informatie, vele kleine groepjes, gedubbelden die niet zijn afgestapt, en eer de toeschouwers terug weten wat er echt aan het gebeuren is toeren Stevens en Ottenbros rond met bijna drie minuten voorsprong.  Al wat nog krachten heeft versnelt op dat ogenblik en zorgt voor hergroeperingen. Stevens begint al van ver te sprinten en gelooft dat Ottenbros kapot is. Op 150 m perst de Arend van Hoogereinde echter er nog alles uit om met klein verschil de wereldtitel te veroveren. In de warmte en over 262 km won hij tegen een gemiddelde snelheid van 41km100.  Soms wordt Harm Ottenbros wel eens vergeten op een lijstje met de grote wielerkampioenen uit Nederland. Volgens mij is dat een fout  !  .

    De Belgische ploeg van Zolder 1969 : Roger De Vlaeminck, Walter Godefrroot, Eric Leman, Eddy Merckx, Guido Reybroeck, Jozef Spruyt, Julien Stevens, Roger Swerts, Rik Van Looy, Herman Van Springel.


    ---- Ode aan de Belgische kampioenen en in het bijzonder aan Carlo Bomans die in 1989 bij de beroepsrenners op de weg heeft gewonnen te Waregem.

    In het jaar dat de bekende Limburgse dame uit Beringen Ingrid Berghmans voor de zesde maal wereldkampioene in het judo werd en ook nogmaal Sportvrouw van het Jaar 1989, toen realseerde Carlo Bomans een niet geringe prestatie. Ik heb de grote Ingrid er bij gehaald om eens te kunnen schrijven dat áchter, náást, en vóór, er altijd dames zijn geweest die hebben gezorgd dat onze mannen goed presteerden op de fiets en dat onze mannen konden vergaderen en pintjes drinken met het oog op de organisatie van wielerkoersen.  Dat mag nog eens worden geschreven !

    Carlo Bomans uit Opglabbeek was reeds te Diegem in 1981 nationaal kampioen geworden bij de juniors en te Sint Truiden in 1983 bij de militairen. Na zijn zege in Brussel-Zepperen 1985 kon hij als prof te Cras-Avernas in 1988 een derde plaats scoren in La Flèche Hesbignonne, maar gedurende vele maanden was hij door knieproblemen uit de koersen gebleven. Eindelijk ging het op die zomerdag in West-Vlaanderen weer goed met hem. Met 14 beklimmingen van de Nokere berg werd er 242, 2 km gereden en het was in die laatste 0,2 km dat Carlo Bomans het klaarspeelde om Eddy Planckaert zuiver te kloppen. Ja, het gaat wel over dezelfde Eddy Planckaert die ons op televisie al zo dikwijls kwam tonen hoe slim en grappig hij toch wel is.
    Na stortregens van aanvallen mocht René Martens uit Hasselt zijn kans gaan van zijn teamgenoten van ADR en van zijn sportbestuurder José Decauwer. Sterk maar onhandig begon hij aan een solo op 10 km van het einde. Maar plots door zenuwachtigheid trekt hij zijn ketting van het kamwiel zodat hij ten val komt. Favoriet Eddy Planckaert komt zo aan de leiding, maar even na de top van de laatste helling kan Bomans weer bij Planckaert komen. Samen vlammen zijn goed door. Carlo geeft de indruk een drenkeling te zijn die zich vastklampt aan de kajak van Eddy. Maar, dicht bij de meet vindt Bomans diep in zijn lijf nog nieuwe krachten. Hij neemt weerwraak op alles wat hij kreeg te verduren tijdens de vorige wielerseizoenen en met een tijgersprong bereikt hij eerst de meet tot verbazing van iedereen. Te Waregem werd de Limburgse wielereer op die dag ook nog verdedigd door Ronny Vlassaks uit Hamont, Koen Vekemans uit Lommel, Rik Mannaerts uit Lommel , Jos Haex uit Meeuwen, Rudi Dexters uit Genk, en last but not least Johan Capiot uit Rijkhoven. Sedert 2006 heeft Carlo Bomans een belangrijke sportieve functie bij de Koninklijke Belgische WielrijdersBond.

    In de provincie Limburg werd,  na de eerste drie edities in de vorige eeuw, pas opnieuw een NK op de weg voor profs georganiseerd te Heusden in 1954, nadien volgden Zolder (1963), Dilsen (1976), Hoeselt 1984), Peer ( 1992).

    Eerder dan  Carlo Bomans in  1989 was Eric Vanderaerden in 1984 nationaal kampioen, en dan kwamen de twee seizoenen ( 1994 en 1995) van Wilfried Nelissen.


                                 
    Tom Boonen,  Peter Sagan, Jelle Vanendert , amuseerden de toeschouwers op het criterium van Lommel 2012  -  Tim Wellens heeft een leuke glimlach  en hij wordt wellicht de beste Limburgse renner in de nabije toekomst.


    ANDERE  LIMBURGERS DIE ZORGDEN VOOR PALM EN  KAMPIOENENTRUI IN HUISKAMER OF IN SUPPORTERSCAFE .

    Bij de liefhebbers  :
    Frans GIELEN 1947- Lode WOUTERS 1948-Martin VAN GENEUGDEN 1950-Jos GEURTS 1960- Rudy DEXTERS 1983-Johan CAPIOT 1984-Johan REMELS 1989- Wilfried NELISSEN 1990- Mario MOERMANS 1994-Kenneth MERCKEN 2000-Gert VANDERAERDEN 2005

    Bij de Beloften
    Rolf VERHAEGEN 1996- Maarten Wynants 2004 - Jorne CAROLUS 2012

    Bij de Juniors  :
    Gerard LONCKE  1926 - Jean LINDEKENS 1966- Luc PELS 1969- Carlo BOMANS 1981-  Johan MASSET 1985- Peter HOYDONCKX 1986

    Bij de Nieuwelingen :
    Willem VANDEBOSCH 1949- Willy VANNITSEN 1951- Valere PAULISSEN 1954- Edward PELS (1970)- Eric VANDERAERDEN (1977/1978)- Wilfried NELISSEN (1986)- Kurt VAN DE WOUWER (1988) Gert STEEGMANS (1996)

    Bij de Veteranen  :
    Lucien VANDERAERDEN  ( 1971/1972)

    Bij de Juniors in Cyclo-Cross :
    Eric VANDERAERDEN  ( 1980/1981)- Gerry WERCKX (1990)- Dennis VANENDERT (2006)
     
    Bij de Nieuwelingen in Cyclo-Cross :
    Eric VANDERAERDEN ( 1979) -

    Bij de Liefhebbers in Cyclo-Cross:
    Marc JANSSENS  ( 1990/1995) )- Ben BERDEN ( 1996)

    Bij de Cyclo-crosser Elite met Contract :
    Marc JANSSENS ( 1998/1999 )-

    Bij de beroepsrenners in snelheid op de wielerbaan :
    Eric SCHOEFS  ( 1993/1994/1995)

    Bij de dames nieuwelingen op de weg :
    Kristel WERCKX (1986)

    Bij de Dames Juniors op de weg :
    Ingrid MEKERS (1979)

    Bij de Dames Elite op de weg :
    Ingrid MEKERS (1983) - Kristel WERCKX ( 1991/1993) .


    ERE AAN WIE ERE TOEKOMT  !   Bravo aan zij die de ontelbare koersen hebben georganiseerd  !

     

    Iemand die zoals Nico Emonds uit Hasselt vanaf 1976 eerst 42 koersen bij de nieuwelingen, daarna 55 bij de juniors, en 44 bij de liefhebbers heeft kunnen winnen, was natuurlijk een rappe en sterke jongen op de koersfiets. Het moet echter worden gezegd  dat er eerst vrijwilligers moesten zijn die voor het geld hebben gezorgd en voor de helpers om deze vele kleine koersen te laten bestaan. Er is, naast gelukkig zovelen die we niet noemen, in Limburg zo'n bijzondere man die zorgt dat het koers is in onze Limburgse straten en doorheen de dorpen . Hij heet Omer Bovy uit Borlo. Zij heten hem daar niet Henri Desgrange maar gewoon The Beatle omdat hij in zijn jeugd een dubbelganger was van een muzikant uit Liverpool. Zelf is Omer sedert 1980 reeds Orkestleider van de koersen met of zonder uurwerk te Borlo, en op andere plaatsen. Hij is de grote bezieler van Het Vliegend Wiel. Om zijn jaarlijkse internationale vierdaagse rittenkoers te organiseren schuwt hij noch het werk noch het in de clinch gaan tegen wie hem tegenwerkt. Maar na 33 edities kwam steeds rond Pasen toch het toptalent van de 17/18 jarigen hoe langer hoe liever naar De Ster van Zuid-Limburg. Op het geweldige palmares met hoofdprijzen en nevenklassementen staan in het begin eerst voor de interclub de teams Sport en Moedig Genk, Sport en Steun Leopoldsburg, De Motten Tongeren en ook de individuele zege de onvermijdelijke Limburgse flandrien Eric Vanderaerden en de toen zo sterke Roger Six. Nadien werd het moeilijker en moeilijker om uit te kiezen welke teams zouden mogen starten, want er kwamen toch zoveel clubs en zelfs landenteams zich aanmelden. Stijn Devolder, Michiel Elijzen , Jurgen Van den Broeck, Nicolaas Maes, kwamen bij de juniors te Borlo de vierdaagse winnen. De Koninklijke Balen Bicyle Club toonde de laatste jaren haar grote sterkte. De Ster werd in 2012 gewonnen door Emil Vinjebo Nygaard uit Denemarken.

    Eisden eens goed gelegen voor Dwars door Vlaanderen.

    De start  van de Vlaamse Wielerweek gebeurt in onze jaren met de voorjaarsklassieker Dwars door Vlaanderen te Waregem. Vroeger blijkbaar was het wel geweten dat Limburg in Vlaanderen en zelfs in België ligt, want toen was Eisden het keerpunt van deze wielerkoers dwars door ons land. Eisden is nu echt niet het Mekka van de koers in Limburg, maar toen waren te Eisden wel organisators die koersen voor beroepsrenners hebben gehouden in 1945-1949-1951- 1954- 1963-1964 en voor onafhankelijken in 1949. Er was in die jaren te Eisden ook de Drielandentrofee een ééndagskoers in 1954, 1955, en in 1958,1959, terwijl het daartussen ging over een Trofee over twee dagen langs Heerlen, Sint-Truiden en Bree. 
    Het feit dat die schone tweedaagse uit Waregem met een rit van telkens zowat 240 km finishte te Eisden en nadien terug naar het Westen trok over Limburgse en andere wegen betekende sportief toch wel veel. Te Sint-Truiden kampeerde die Waregemse tweedaagse in 1945/46 en te Genk in 1949 en 1964. Negenmaal kwam Eisden aan de beurt . Vermits bij de winnaars de namen Briek Schotte, Germain Derycke, en Raymond Impanis staan was dat absoluut een koers voor flandriens.
    Marcel Hendrickx, Lode Wouters, en Frans Gielen ,leverden mooie prestaties in de rit die te Eisden eindigde. Eerder in 1947/1949  waren er drie edities Dwars door Vlaanderen voor Onafhankelijken in twee ritten Maaseik-Mechelen- Oostende , totaal 402 km, en de laatste winnaar was Jan Storms een flandrien uit Tremelo.

    Een verdwenen wedstrijd van hoog niveau te Sint-Truiden  - DE LIMBURGSE DAGERAAD .
     
    -10/7/1927- Profs -  1. Philippe Thys (Opel- ZRIII )- 2.Jef Wauters (Thoman Dunlop)- 3. Aimé Dossche (Christophe Hutchinson) -  ... 8.Antoine Lox ( Tongeren) (Cycles Van Hauwaert)-... 10. Remi Van Impe...
    -15/6/1933 - Profs- Dit is waarschijnlijk de wegkoers die eindigde op de wielerbaan Vissegat en waarvan nog een mooie foto bestaat. 1. Fred Hamerlinck (Dilecta Wolber)- 2. Gerard Loncke (Ganna)- 3. Leon Louyet (Genial Lucifer) - 4. René Le Grévès (Fr)(Armor Dunlop) - 5. Albert Barthélemy (Fr)(Fr.Pélissier-Mercier-Hutchinson)- 6. Gustaaf Daneels ( 20 jaar) (Individueel)- 7. Frans Bonduel (Dilecta Wolber)- 8.Louis Hardiquest (Cycles Oscar Egg)- 9. Lode Muller (Individueel) -  Wat een deelnemersveld !
    -10/3/1952 - Onafhankelijken- 174 km - 1. Julien Van den Brande (Mortsel-  logeerde te Walshoutem om beter te trainen )- 2. Henri Kempeneers ( St-Truiden)
    -8/5/1953- Onafhankelijken- 177 km - 1. Pierre Lowie- 2. Gerard Deborre (Overrepen bij Tongeren) -3. Fernand Blockx- ..8.Oscar Medats (Walshoutem- ...10 Julien Vanden Brande .. 13. Jean Brankart- ...19. Alibert Delorge (Montenaken).
    ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
    EINDE .

    Zoals ik ook niet met mijn emmertje al het water uit beken, vijvers, kanalen, rivieren en de Maas in Limburg kan leegscheppen kan ik ook niet schrijven over al de rest dat hier nog niet werd vermeld, want zelfs  nog 995 blz  zijn totaal onvoldoende om over alles en over allen wat te schrijven  vermits ook het LIMBURGSE WIELERLEVEN  zeer rijk was en blijft  .  Dank U voor uw aandacht. PAPOUM.

    13-08-2012 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    01-08-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Les soldats russes venus en France en 1916 .

       Depuis que l'homme écrit l'Histoire
       Depuis qu'il bataille à cœur joie
       Entre mille et une guerr' notoires
       Si j'étais t'nu de faire un choix
       A l'encontre du vieil Homère
       Je déclarerais tout de suite:
       "Moi, mon colon, cell' que j'préfère,
       C'est la guerr' de quatorz'-dix-huit!"

       Est-ce à dire que je méprise
       Les nobles guerres de jadis
       Que je m'soucie comm' d'un'cerise
       De celle de soixante-dix?
       Au contrair', je la révère
       Et lui donne un satisfecit
       Mais, mon colon, celle que j'préfère
       C'est la guerr' de quatorz'-dix-huit

              Georges Brassens 

                      


    A la date du 27/12/2010 sur ce blog j'avais déjà amené certains fruits de mon étude sur la première guerre mondiale en Russie, un sujet qui depuis toujours me passionne. En ces moments-là  j'avais remarqué les aventures de ces soldats qui avaient été envoyés par le tsar pour aider l'armée française contre l'envahisseur allemand-austro-hongrois-turc.
    Sur notre ex-front national de la plaine de l'Yser, la Flandre de 2012 se prépare déjà pour organiser des festivités à caractère historique mais surtout touristiques qui devraient remettre beaucoup de lumière sur cette époque, cette terrible guerre qui débuta en Belgique le troisième jour du mois d'août 1914 .
    Mais il ne faudrait jamais oublier tous les combattants venus de divers pays lointains pour combattre à nos côtés. Parmi ces soldats-là, on dirait que les russes ont été oubliés. C'est pourquoi j'ai rassemblé ce qui va suivre .

     
       Leur voyage, le tsar et le général Joffre.

    A 427 km au Sud de Paris entre Clermont-Ferrand et Limoges se trouve à 800 m d'altitude la bourgade  La Courtine. Nous voilà arrivés sur le Plateau de Millevaches, au Sud-Est de la Creuse et à la limite de la Corrèze et du Puy de Dome. Peu de familles habitent en cette région et c'est pourquoi déjà en 1901 l'armée française y avait construit un camp militaire d'une surface de 6200 ha. Le Camp Militaire de La Courtine hébergeait en 1914 des milliers de soldats et officiers qui venaient faire leur instruction en vue d'actions sur les champs de bataille. En même temps, dès le début des hostilités, pour la sécurité de la république des civils de nationalité ennemie habitant en France et surtout des Alsaciens, d'éventuels espions et collaborateurs potentiels, y étaient gardés en prison. 
    Un certain jour de l'été 1917 cependant, presque tous les français avaient subitement quitté le camp pour faire de la place à des militaires russes. Ce mouvement de troupes alliés loin derrière le front, en France profonde, avait été du secret militaire. C'est pourquoi pour les historiens tout cela deviendrait une page de la guerre 14-18 qui est intéressante.

    En décembre 1915 le sénateur Paul Doumer, alors diplomate et plus tard président, se trouve à Saint-Petersbourg auprès du tsar Nicolas II.  En France en cette seconde année de guerre trop de soldats étaient déjà morts et les conflicts avaient pris des dimensions inattendues. Sur ordre du général Joffre, le patriote Doumer est en Russie pour négocier quelque chose d'énorme. La France pourrait fournir en grande quantité des armes au tsar, mais celui-ci devrait en échange expédier des régiments d'hommes frais au front de l'Ouest pour y remplacer les morts dans les rangs français. Le tsar de la Grande Russie est en partie d'accord pour essayer cela. L'empereur de toutes les Russies fait selectionner des jeunes de race européenne dans la région de Moscou. Dans le plus grand secret ces soldats et officiers, qui savent lire et écrire, prennent le train à travers la Sibérie et ensuite embarquent à Vladivostok sur des bateaux civils vers Marseille. Ce sont 10.000 russes qui arrivent après un long voyage, qui se montrent au défilé du 14 juillet 1916, mais qui n'ont encore aucune expérience face à un ennemi de la qualité de l'armée allemande . Quelques mois plus tard à Brest arrivent venant d'Archangelsk d'autres russes encore, mais ce sont des personnes bien différentes, car des moujiks, bergers et bucherons, qui viennent de la Russie profonde dans l'Oural. Les brigades russes partent au combat en Champagne. Ils sont courageux mais ils n'coutent ni ordres ni conseils et ne s'entendent pas avec les poilus français. Comme ils oublient leurs masques à gaz beaucoup seront vite éliminés. Quand pour quelque temps les russes sont mélangés aux troupes belges, ils s'intègrent mieux.

    Les deux brigades russes combattent en avril 1917 lors de la grand offensive du Chemin des Dames. Entre Craonne et Reims ils fonçent sur les nouveaux mitrailleurs allemands et perdent 4000 hommes. Les très grosses pertes pour la France, l' écartement du général Nivelle du commandement, installe un esprit de révolte contre l'ensemble de la guerre dans les rangs décimés. Dans les tranchées des socialistes de tous pays informent les russes que depuis mars 1917 le tsar a été écarté en Russie et que à Moscou et Saint Petersbourg le social-démocrate Aleksandr Kerenski a pris le pouvoir. L'espoir d'une nouvelle Russie voit  dès lors le jour chez ces garçons en terre étrangère, ces soldats blessés, malades, déracinés, fatigués et inaptes. Leurs chefs comprennent qu'ils ont besoin de repos et c'est pourquoi les russes peuvent aller se reposer au bon air à Neufchateau dans les Vosges, à Mailly près de Troyes, et à Baye sur la Marne. 

    La propagande bolchévique est présente partout en France. C'est d'ailleurs exactement alors que Vladimir Ilitch Oulianov (Lénine) quitte la Suisse où il habitait depuis sept ans. Lénine est aidé par les allemands qui espèrent la fin des hostilités sur le front de l'Est et qui veulent signer la paix avec les nouvelles forces politiques dominantes en Russie. En fait, exprimé simplement , il y a trois forces opposées en Russie : le tsar et les anciens,  le nouveau gouvernement, et les tendances révolutionnaires de Lénine. Les allemands espèrent qu'une paix avec Lénine augmentera grandement leur force sur le front de l'Ouest. 

    Mal informé de ce qui se passe réellement dans l'immense Russie les officiers et les soldats russes, de Neufchateau et d'ailleurs, veulent rentrer dans leur pays où selon des rumeurs toutes les terres seraient bientôt redistribuées entre les jeunes paysans, et où l'industrie restructurée se mettrait à donner beaucoup d'emplois à bon salaire. Dans un hopital des blessés et amputés, des hommes impressionnés par les tracts et les brochures en alphabet cyrillique, des héros décorés  pour leur courage au combat, s'organisent. Pour la première fois un soviet de soldats, un comité  dans lequel toute fonction et tout grade est représenté, et on y a crié à haute voix pour la première fois que les combattants des deux côtés des fronts n'étaient que de la chair à canons. Une telle prise de position ressemblait à une rébellion selon le haut commandement des généraux français et russes. Surtout  la brigade de Moscou était contagiée par les nouvelles idées, car la brigade de l'Oural ne réagit presque pas sur ce qui était en train d'arriver. C'est ainsi que le Corps Expéditionnaire envoyé par le tsar est  partagé en deux tendances. Il y a les loyalistes qui veut continuer la guerre ( 6000 hommes) et il y a  les communistes pacifiques. Ces derniers procédent à un vote et nomment  Baltais comme leur chef. Il vient de quelque part en Lettonie, est sans grade militaire, et il commande selon la volonté du peuple 10000 hommes très bien armés  . 

    Au 1 mai 1917 lors d'une inspection militaire des troupes les rouges chantent la Marseillaise et portent  à l'occasion de la Fête du Travail des drapeaux et des calicots avec les mots  SOCIALISME- LIBERTE- EGALITE . Les généraux  de Castelnau et  Palytzine sont obligés d'être témoins. Ils ne réagissent pas beaucoup car ils  pensent que avec le beau temps des mois de l'été les choses vont rentrer dans l'orde.

    D'autres toutefois ont peur de ces idées qui pourraient s'étendre comme la peste sur tout le front de l'Ouest et bien vite même parmi les combattants français. C'est pourquoi le Gouvernement de la France en guerre veut isoler tous ces russes,  dont on aura d'ailleurs plus besoin sur le territoire puisqu'en 1917 les américains arrivent en masse. La meilleure chose à faire est d'organiser le prochain retour des deux brigades russes. En attendant que cela se réalise, et avec la bénédiction du gouvernement russe au pouvoir, tous les militaires russes seront écartés du front et des villes où des individus incontrolés sèment la zizanie dans leurs rangs. Les alliés de Russie,  hôtes et amis de la France, doivent aussi retrouver l'ordre et la discipline. Un passage dans un centre d'instruction militaire en France serait bien utile et nécessare pour prouver au monde que la glorieuse armée française avait été capable de transformer en une seule année deux bandes d'ouvriers et d'agriculteurs en brigades de soldats d'élite.

    C'est ainsi que dès le 18 juin 1917 dans la petite gare de La Courtine , un lieu ignoré de tous  et situé dans la France la plus profonde, arrivent 300 officiers russes, 16.000 soldats russes, 2.000 chevaux , et  la mascotte de leur régiment, un ours brun . Mais ils sont aussi toujours en possession de toutes leurs armes. Un train blindé avec des fusils neufs, des mitrailleurs, des mortiers, des canons, et des munitions, arrive dans la même petite gare. D'autres trains suivent avec tout ce qui est nécessaire, avec tout pour les repas, et des caisses de monnaie pour l'argent de poche de tous ces 16.300 messieurs qui touchent une belle solde. Les généraux français les ont envoyé trop vite vers le Plateau de Millevaches. Ces messieurs trop haut plaçés n'ont pas compris que tous ces russes sont de tendances politiques tout à fait opposées et que lors de leurs réunions politiques de durées invraisemblables ils sont devenus des adversaires coriaces.



    ..  

    LES MUTINS DE LA COURTINE .

    Le corps expéditionnaire russe installé en France profonde loin du front  ne joue plus avec sur les tableaux du commandement  des armées. Mais bientôt les camarades russes tirent à nouveau l'attention sur eux.  Il y a des plaintes de la part de certains habitants de la région. Par contre d'autres ont fait du bon commerce avec la présence des militaire de l'Est. La fanfare du régiment russe  amuse toutes les fêtes et les soldats dépensent partout leur solde qui était de 20 francs par jour . Certains sont des beaux-fils ou maris potentiels et surtout de la main d'oeuvre bienvenue dans les fermes,  mais d'autres russes sont des voyoux qu'il ne faut pas rencontrer après le coucher du soleil. Tous les jours ont trouve des moujiks ivres-morts dans les bois, dans les granges et les fossés. Penser à l'exercice militaire ces invités de la France ne font plus. D'ailleurs il n'écoutent plus leurs officiers.  Ceux-ci et 2000 hommes logent sous tente  hors des casernes  et  14.000 autres écoutent les soviets et sympathisent avec eux.
    Les chefs de l'armée française, ainsi que des délégués du pouvoir à Moscou  décident d'intervenir.  Il est bientôt clair que le Camp de La Courtie est abandonné à son sort. Les soviets des soldats nomment alors Globa à leur tête. Il est originaire d'Ukraine, très charmant, intelligent et éloquent, et il parle le français de façon inpeccable. Dans les salons à Paris in rencontre des généraux français et russes, mais ceux-ci affirment qu'un soldat doit simplement connaître sa place au sein de l'armée. Les russes répliquent que leur place est en Russie en non en France. Mais voilà  Kerensky annonce qu'il ne veut plus en Russie ces 14.000 soldats bolchéviques de La Courtine, même s'il y avait des bateaux ou des trains pour les déplacer. La France reçoit ainsi la permission de s'occuper des allochtones qui faisaient partie d'un échange maladroit avec le tsar.  
    En aôut et en septembre 1917 les mutins ne réagissent pas sur des ordres qui n'admettent aucune contestation. Ils doivent remettre leurs armes. Mais des palabres sans fin suivent. Entretemps
    de plus en plus d'hommes deviennent communistes à La Courtine. Ce qui reste de loyalistes est envoyé à Bordeaux. Il faut savoir que en dehors du corps expéditionnaire, d'autres soldats russes étaient sur le front de l'Ouest, sur le front dans le Balkan, et en mer. Ainsi le gouvernement de Kerensky peut regrouper une brigade d'artillerie de plus de 5000 russes, force qui vient encercler le camp de La Courtine. Tous les civils sont évacués de leurs villages et de leurs fermes. Sur un deuxième cercle plus grand l'armée française s'est installée dans des tranchées pour intervenir si nécessaire.   
    Les mutins reçoivent leur dernier ultimatum.  Il doivent sortir du camp et remettre leurs armes avant le 16 septembre à 10.00  heures.  L'heure est grave. Vingt mille russes sont prêts à s'entretuer . Toute la nuit les soviets des soldats sont en réunion jusqu'à ce que dans le noir seulement les chants des soldats bolchéviques se font entendre. Le matin une minute avant l'heure la fantare des mutins commence à jouer  La Marche Funèbre de Fréderic Chopin. 



    C'est précisément sur le batiment occupé par la fanfare que les loyalistes tirent le premier obus à la minute même prévue par l'ultimatum. Directement après des dizaines de canons ouvrent le feu . Ensuite les visiteurs déagréables laissent une courte période de calme pour permettre à tous se rendre compte de la gravité de la situation.  Alors les mutins pensent  à leurs chevaux . Ces nobles animaux sont chassés hors du camp et vers le village où ils perturbent les rangs des assaillants . Ce 16 septembre durant toute la journée un par un  7500 soldats obéissent et se rendent.
    Mais il y a un problème d'arithmétique . Où sont les autres russes ?
    Depuis deux mois beaucoup de garçons ont disparu sans laisser de trace. Il est certain qu'il reste des vrais durs qui ne se sont pas rendus. Effectivement ceux-ci combattent le 18 et 19 septembre jusqu'à la limite de leurs possibilités.   Globa et cinquante hommes veulent se sauver in extremis, mais il sont arrêtés sur les routes.  Etait-ce la fin de leur Odysée  ?

       

    Novembre 1917 .  Les chefs de la mutinerie avaient été jetés en prison . Tous les soldats russes restaient à La Courtine, car il était impossible de rentrer à la maison à cause de la guerre partout en Europe, mais à cause de la Révolution d'Octobre 1917 qui a eu lieu en novembre  ( voilà ce qu'il faudrait en savoir au moins  ... ). L'issue de ces luttes fratricides qui se passaient à six mille kilomètres devrait d'abord être connue. Pas question de juger les actes des mutins devant les tribunaux militaires  !
    Entretemps les russes de La Courtine remettaient le camp en ordre pour les américains qui y viendraient. Certains travaillaient comme volontaire à salaire minimum dans les fermes, les usines et les mines. D'autres étaient déportés en Afrique du Nord et surtout les anciens loyalistes s s'engageaient à la Légion Etrangère sur le front de l'Ouest où en 1918 ils se sont distingués.  Beaucoup sont parvenus à rentrer en Russie en 1919 et 1920 , mais là-bas dans l'armée blanche ou dans l'armée rouge leur traces et leurs identités disparaissent, sauf celle du plus illustre des stratèges militaires russes de tous les temps, décoré par toutes les armées et après toutes les batailles,  Rodion Yakovlevich Malinovsky ( 1898-1967).  Il était venu comme caporal avec les bateaux de la lointaine Sibérie bienque déjà blessé au bras. Il a connu le front de l'Est et de l'Ouest,  les soviets des soldats le la Courtine, la Légion Etrangère, l' Armée Rouge, la Guerre d'Espagne, la Bataille de Stalingrad,  la Bataille de Budapest. Il occupa les plus hauts rangs dans l'armée et dans la politique. Il fut Ministre de la Défense Soviétique, un poste qui  n'était pas moins important que celui de Nikita Kroutchtchev lors de la guerre froide. Son corps est enterré dans la nécropole du Mur du Kremlin.   

    ____________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

    Tijdens de jaren 1959 tot 1964 gebruikte het leger van NEDERLAND het militaire kamp van La Courtine. Jaarlijks gedurende de vier zomermaanden verplaatsten zich ongeveer in totaal  10.000 jonge mannen van het Leger van Oranje naar dit toen avontuurlijk oord in diep Frankrijk om daar echte kerels te worden. Het begon steeds met een  zeer lange rit op en in de militaire voertuigen over de smalle wegen van toen  en dat was niet niks ... !   
    Om de 70 km werd er getankt. Hoeveel de benzine toen aan dat leger kostte is niet meer geweten, maar die zware harde vierwielers waren niet zuinig. Zij slikten samen wel zo'n 150.000 liters. Met 2400 soldaten en 460 voertuigen, en soms met 3300 soldaten en 760 voertuigen, was zo'n tochtje van het door koeien bevolkte Nederland naar het Plateau de Millevaches die rit zijn die kaasetende jongens nooit vergeten. 
    Ja,  ...  en vermits ikzelf op de grote steenweg tussen Hasselt en Namen woonde, weet ik ook vandaag nog dat er toen veel soldaatje-spelende-Hollanders te Walshoutem voorbij reden. Het duurde twee uren éér die legervoertuigen allemaal door ons dorp geraakten en soms zijn gestopt niet om Haspengouw te bezetten of om de taalgrens te verdedigen, maar gewoon om op ons gras en op onze kleigrond  te plassen.  Zouden die toen meestal nog brave jongens uit Nederland daar verder in Frankrijk wel overal fatsoenlijk en deftig zijn geweest ?  
    Tijdens de vrije uren zorgde het goede Leger van Koningin Wilhelmina ter plaatse voor sport, nut en vermaak. Er werd tegen  alle FC De Kampioenen voetbalploegen van La Corrèze en  La Creuse gestreden.  Meer nog, voor avondvullende shows   kwamen ook vermaarde cabaretiers naar La Courtine. Dit is hier dan ook een gelegenheid om Tonny Eyk te citeren, de grote wielerfanaat die een  thans verzameling van  minstens vierduizend wielertruitjes heeft, en ook  de geweldige Rijk de Gooyer van wie dit mooie liedje herinnert aan de prachtige tijd van toen op het  militair kamp te LA COURTINE.

         Beste ouders, lieve Ine
         Ik schrijf dit uit la Courtine
         Dat was lachen onder 't eten
         Onze generaal is door een slang gebeten

         't Stikt hier van de wilde dieren
         Een van onze officieren
         'n Zekere Aernoud Dendermonde
         Daarvan hebben ze alleen z'n bril gevonden

         Ik krijg strakjes weer visite
         Van een hele troep muskieten
         Zeven jongens, lieve moeder
         Zijn finaal vergiftigd door d'insektenpoeder

         Je kan niemand hier vertrouwen
         Zijn het rooien, zijn het blauwen
         En de Fransen staan te blerren
         Want die zien ons aan voor Duitse militairen

         Ik leer kruipen door de modder
         Schieten met 'n losse flodder
         En nog meer, dat volgens de majoor
         Ons straks te pas komt op kantoor

         Elke avond gaan we gokken
         Met de dorpelingen knokken
         En daarna hebben we 't allemaal
         Heel fijn in 't hospitaal

         Ik ben nou een kettingroker
         Ik speel heel goed vals met poker
         'k Zit hartstikke vol littekens
         En ik slaap met 'n pistool onder m'n dekens

         Daarom ouders, lieve Ine
         'k Zit nu een week in la Courtine
         Maar ik kan je nu al schrijven
         'k Zou hier best m'n hele leven willen blijven

              Brief uit La Courtine   ( Rijk de Gooyer )

    01-08-2012 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    31-07-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.HISTOIRE DU TENNIS DE TABLE - FP.
    Plus d'une fois il arrive que la mort d'un artiste, d'une sainte, ou d'un champion, d'un homme ou d'une femme extra-ordinaire, se passe en silence et soit à peine remarquée par les jeunes et les adultes d'aujourd'hui. Cela a été le cas également pour la mort d'un certain Paneth Farkas, champion et entraîneur de tennis de table, qui devrait être plus connu par ceux qui pratiquent le noble art de la palette. Son incroyable vie a été racontée dans un livre par Ella Zeller- Constantinescu, ancienne championne qui fut une de ses élèves.

    Toute une vie pour le tennis de table : PANETH FARKAS. 

                                                              


    Une des personnalités très connues en Roumanie par les générations précédentes fut certainement l'arrière-petit-fils de Ezekiel B. J. Paneth, qui en 1823 avait été nommé Grand Rabin de Transylvania. Quatrième enfant d'un simple ouvrier, ce petit apprenait dès ses 11 ans le métier de cordonnier dans une de ces cours intérieures où les artisans juifs exerçaient leurs métiers. Sur la grande table à coudre d'un tailleur on y jouait au pingpong. Dès 1928 le gamin , surnommé Villi,  joue déjà  très bien et c'est en 1932 qu'il débute en compétition à Cluj. A partir d'alors il s'entraîne sur toutes les tables qu'il trouve et il devient champion national des juniors. Déjà il sait se débrouiller car c'est avec un coupon gratuit que le jeune pongiste voyage en train jusqu'à Bucarest où il va gagner. Dans le maillot du club de Cluj  il gagne bientôt la Coupe de Roumanie et il obtient sa place en équipe nationale. Mais célèbre il deviendra à partir de l'année 1936 grâce à son unique record. Dans un match contre Ehrlich aux Championnats du monde à Prague il  avait disputé le plus long échange officiel qui aurait  jamais existé.  Disposant à 19 ans d'une souplesse et d'un condition physique très grande, Paneth refusait d'attaquer et avait joué pour un seul point pendant 2 heures et 12 minutes. Incroyable mais vrai , le score était toujours resté  0/0Plus tard sa passion pour le tennis de table l'a amené à des performances élevées dans une carrière d'entraîneur professionnel. Il s'est occupé de plusieures générations qui ont représenté la Roumanie tout au long de la seconde moitié du siècle dernier.
     
    Comme il était juif d'origine hongroise, le jeune Paneth avait dû faire face aux horreurs de la Seconde Guerre Mondiale. Il a été harcelé, effrayé, battu, affamé, déporté. Beaucoup de ceux qu'il aimait ont été exterminés. Lui avait pu s'échapper, grâce à plusieures évasions, sautant comme un chat du train de la mort ou de camions de prisonniers. Avec des fausses identités, l'aide d'autres personnes, mais aussi après de terribles souffrances, il avait survécu à la guerre, alors que pas moins que 65 des 67 personnes présentes à son mariage, avaient été victimes du holocaust.

    En possession de papiers d'identité au nom de Lupu Panait, le grand sportif roumain aurait pu cacher ses origines juives. Son père toutefois était contre cette tricherie. C'est ainsi qu'il  fit le choix de coudre  l'étoile jaune de David sur ses vêtements. Déjà pour aller jouer à Prague le jeune champion devait déposer comme caution une grosse somme que ses amis avaient collectée pour lui. En 1939, écarté injustement de l'équipe nationale, il ne peut aller aux  Championnats du Monde disputés en Egypte. Il  ne pratiquera plus son sport pendant quelque temps  et  il épouse Edita Holender, fille d'un tailleur bien connu. Elle quitte la course à pied ( sprint 100 m ) et lui donnera rapidement trois enfants. A Cluj  Paneth  fait son service militaire dans l'artillerie. 

    Quand il veut à nouveau jouer au tennis de table, il constate que les joueurs juifs, autrefois si nombreux et si bons, sont devenus 'personae non grata'  dans les salles, caves et greniers où sont montées des tables de pingpong.  Leurs situations se dégradent de mois en mois. En 1942, Paneth est envoyé dans un camp de travail . En Ukraine il répare avec du gravier les routes qui mènent au front de l'Est. Ensuite il doit travailler pour les Nazis à Cracovie dans une usine de roulements à billes  jusqu'à sa déportation vers Auchwitz. Toutefois, il saute du train, parvient à rentrer à la maison en juin 1944.
    Mais là, terrible constatation, il découvre que toute la communauté juive n'existe plus. De la prison de Cluj  où pour 16.148 détenus il n'y avait  que deux latrines,  il est envoyé à nouveau vers Auchwitz. Juste avant le départ par une fenêtre il s'échappe. A Presov en Hongrie, sous le nom de Josef Szilac, il se cache pendant un mois, avant d'aller à Bratislava en Slovaquie à la recherche des siens.  Sans résultat, car il se retrouve bientôt une troisième fois sur le train à bestiaux vers Auchwitz. Arrivé au camp de la mort,  un officier SS au nom de Dietrich, un sportif, va l'aider en faisant de lui son ordonnance. Grâce à cet officier il pourra aller à Bratislava à la recherche de sa famille. Hélas,  ils sont partis vers Budapest !  Quand il arrive lui-même au getto hongrois il est capturé, mis en prison, et à nouveau inscrit pour le voyage vers Auchwitz.
     
    Raoul Wallenberg de l'ambassade de Suède le sauve. Ainsi le voilà avec une nouvelle identité de Arpad Sos. La guerre se termine et le juif fugitif, avec sa santé de fer et sa  force mentale hors du commun , rentre à Cluj.  Il apprend qu"effectivement  tous les juifs sont morts ou disparus. Sa femme avait été abbatue par les S.S.. Le survivant de la Shoah a besoin d'aide psychologique pour oublier les énormes traumatismes subis. Il trouve un médicament formdidable : il va rejouer au tennis de table pendant des heures et des heures. En 1947, il gagne la première Coupe de Roumanie d'après-guerre. A partir de 1949  il est entraîneur national de Roumanie, fonction qu'il occupera jusqu'en 1986, année du décès de sa seconde épouse.

    De retour dans sa ville natale de Cluj, située dans le nord-ouest de la Roumanie, lorsque sa santé était à nouveau en ordre, quand ses cauchemars n'existaient plus, Farkas Paneth devenait un expert dans une grande usine de sa ville, mais parallèlement à cela, la passion pour son sport  l'amenait à créer l'un des principaux centres pour le tennis de table. Car Paneth était vraiment très habile pour organiser des bons entraînements et pour découvrir des joueurs talentueux.

    Plus qu'un joueur vétéran, Lupu Farkas, prouvait rapidement qu'il était surtout capable de pousser vers les victoires  les joueurs et les joueuses qui l'acceptaient comme conseiller.
    Le premier grand succès d'Angélique Rozeanu et de  l'équipe féminine aux Championnats du monde à Budapest 1950  avaient donné un nouvel élan à son sport en Roumanie. Bientôt Paneth, qui parlait cinq langues, était invité à des camps d'entraînement  hors de son pays. ( même en Belgique). 
    Paneth s'occupait beaucoup de la formation  des jeunes. Toujours à la recherche de nouvelles tactiques et méthodes, il avait fait d'Ella Zeller la partenaire d'Angélique Rozeanu.

    Angelique Rozeanu , l'etoile des étoiles, cette joueuse qui est encore maintenant considérée comme la meilleure de tous les temps, a été une création sublime de ce grand artiste de la balle de pingpong et de la palette.  Paneth a préparé les jeunes ambitieux, surtout en vue des grands championnats. L
    'entraîneur-chef était sévère et difficile,  mais en même temps il était un père, un ami , et un gentleman, qui avait le don de trouver et 'accepter des solutions pour le bénéfice de tous. Paneth Farkas a gagné avec ses joueurs et ses joueuses 16 championnats du monde, 33 championnats d'Europe, 130 titres nationaux et régionaux, ainsi que 5 Coupe d'Europe des clubs.

    Finalement, las de se retrouver si souvent sous des ciels lointains, 
    Paneth décidait de lancer près de chez lui une nouvelle génération de pongistes à Cluj et ce jusqu'en 1987. Ce fut la génération de R. Negulescu et d'autres, qui ont  aussi remporté des succès internationaux, preuve de la qualité et de la durée de  l'école roumaine Paneth Farkas en tennis de table.

    A plusieures reprises Farkas ( 1917-2009) a vécu dans sa vie de l'extase à l'agonie. 
    Dans ses vieux jours, avec sa troisième femme Julia,  la photographe, il a connu la faim, refusant de quitter son pays ruiné à nouveau par les changements politiques. Pour manger et pour se chauffer, même la vente de coupes en argent et en cristal, preuves d'anciens grands exploits sportifs avait été nécessaire. Mais l'irrésistible joueur de poussette, l'entraîneur, le coordinateur, le coach, le parain du pingpong roumain, revenait à la surface avec le livre  ' Paleta si Planeta' , l'histoire du tennis de table en 340 pages, édité en 1997 et 2003. Il devint Citoyen d'honneur de Cluj-Napoca, Maestro Emeritus des Sports, honneurs qui toutefois n'étaient pas accompagnés d'avantages financiers qui tenaient compte de la dévalution de la monnaie roumaine. Il était très pauvre mais heureux à la fin de sa vie. 

    Finalement, ce fut surtout par le metteur en scène Steven Spielberg  ( voir Schindlers List) que le vieil as de la palette sera connu encore loin dans le futur. En effet, sous un de ses noms qu'il avait réellement employé, Arpad Sos, il est la voix et le visage dans un documentaire très émouvant fait par le célèbre Spielberg  A Holocaust Szemei  (1999) . Ce film d'une heure explique aux juifs et aux autres, aux générations futures, ce qui s'était passé en Europe Centrale entre 1936 ét 1946, quand il était un beau garçon de 72 kilos, un magnifique champion de pingpong mais qui ne peserait plus que 38 kilos à la fin de la guerre.
    Ce film important est tourné tous les jours pour les écoliers et les touristes .  Ne manquez  d'aller le voir lors de votre prochain voyage aux USA .

    THE UNITED STATES HOLOCAUST MEMORIAL MUSEUM  OF WASHINGTON D.C. 


           

    Arpad Sos   et  Paneth Farkas    sont deux identités pour un seul homme  !






    31-07-2012 om 17:04 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    10-07-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ons volk vergeet haar wielerkampioenen niet.
    ODILE DEFRAYE  1912.           

      

    Odilon Franciscus DEFRAYE, zoon van Camiel en Sidonie, werd te Rumbeke geboren op 14 juli 1888 ( Quatorze juillet-  Fête Nationale Française). Tijdens de jaren die de verschrikkelijke oorlog 1914-1918 voorafgingen was hij een pedaalkunstenaar uit Vlaanderen die voor het rijwielmerk ALCYON grote sportprestaties leverde. Nadat hij in 1911 wegkampioen van België bij de beroepsrenners was geworden, bereikte hij zijn toppunt door met nooit eerder geziene klasse DE RONDE VAN FRANKRIJK te winnen. Hij was de eerste Belg die dat deed. Een eeuw later zijn nog altijd maar tien van onze illustere wielerkampioenen in staat geweest van de grootste wielerkoers te winnen. In de zomer 2012 wordt wijlen Odile Defraye daarom ook op diverse manieren herdacht in Vlaanderen.

    Vanaf zijn vroegste stappen tussen de volwassenen liet de kleine borstelmaker Odile Defraye zich opmerken in het Zuiden van West-Vlaanderen door gemakkelijk de prijzen in zijn zak te stoppen die toen te verdienen waren tijdens stratenkoersen voor de velorijdende jongeren. Vanaf 1908 rijdt hij nog veel meer want hij mag per fiets van zijn werkgever Vandekerckhove pakjes en brieven op bestemming brengen. Deze dagelijkse bezigheid en aanvullende oefenritten bedroegen soms meer dan 200km. Wanneer 'Frayke' van het borstelfabriek uit Izegem deelneemt aan Tour de Belgique pour amateurs wint hij gemakkelijk. Op het begin van de volgende lente probeert hij zich te laten opmerken door Cycles La Française in Parijs-Roubaix (14de plaats) en zelfs in de eerste rit van de Tour de France 1909. Bijna zonder enige steun bereikt hij Roubaix in de wielen van Garrigou, Trousselier en Galetti zodat hij in de eerste zware rit van deze Tour veel beter was dan bekende wegrenners. In de tweede rit over 398 km naar Metz moet de jonge renner afstappen. Voor hem is het dan nog te zwaar omdat hij militair met speciaal verlof is. De pechvogel Odiel Defraye had op de lottrekking van 1908 immers een slecht nummer gekozen en was te arm om de afkoopsom te betalen. Te Koolskamp in Het Kampioenschap van Vlaanderen eindigt hij tweede in 1909 en eerste in 1910. Dat gebeurde niet tegen Janneke en Mieke, maar tegen de flandriens van toen zoals Ritten Van Lerberghe, Leon en Marcel Buysse. Naast zijn nationale titel te Bastenaken veroverd tegen  Masselis en Van Hauwaert, scoorde hij nog in de Ronde van België ( 6de) , in Parijs-Tours ( 17de) en te Izegem (3de) . 

    De poort van de Tour de France was in 1912 nog niet voor hem open in de ploeg van Alcyon. Maar Bonte, de verdeler van dat merk voor West-Vlaanderen, ging te Parijs met zijn vuisten op tafel gaan slaan bij sportdirecteur Ludovic Feuillet om voor Odile Defraye toch het rugnummer 10 te bekomen. Bonte dreigde van een bestelling van 15.000 Alcyon fietsen te annuleren. De Tour 1912 wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van 10 ploegen van 5 renners die de faam verdedigen van een veloconstructeur. Zij zijn ' de gegroepeerden' . Verder worden ongeveer 100 andere renners voorzien die de Tour de France als ' geïsoleerden' mogen meerijden. Zelfs renners van éénzelfde ploeg mogen mekaar niet helpen. De grote baas Henri Desgrange wil dat iedereen individueel doorheen de ritten moet proberen te komen om te bewijzen hoe goed de fiets wel is die hij gebruikt. Het algemene klassement is op een puntensysteem gebaseerd volgens de optelling van de plaatsen behaald in iedere rit. Deze tiende jubileum-editie met een totale lengte van 5319 km, draait rond Frankrijk in de richting van de wijzers van een uurwerk, en duurt van 30 juni tot 28 juli. Er zijn veertien rustdagen en er zijn vijftien ritten .

    In de periode na de verkiezingen van 2 juni 1912 zijn er politieke rellen te Luik en te Verviers. De arbeiders protesteren tegen de te lage lonen en de te lange werkdagen. De beroepsrenner Odile Defraye wordt als soldaat weer opgeroepen door de nationale overheid om daar in Wallonië zijn laatste dienstdagen te vervullen. Alcyon besluit dat zo'n militair niet zal kunnen starten in de komende Franse rittenkoers en het fietsenfabriek vervangt daarom Defraye die zou moeten helper spelen voor Garrigou, de nummer één van toen. Defraye mocht slechts in extremis en door de tussenkomst van de Belgische verdelers van het merk Alcyon toch starten, maar meer dan een hulpje ( un domestique ) voor Garrigou was hij niet aan de startlijn van die Tour 1912.

    Zoals dat toen vaak is gebeurd vlogen de azen van de weg er al vlug in om kaf en koren te scheiden. Na een demonstratie van de regionaal Charles Crupelandt in de eerste rit, en de sabotage door het strooien van spijkers, en om zich te wreken op alle pech die hij daar reeds in Noord-Frankrijk had gekend, wil Odile Defraye tijdens de betwisting van de 388 km in richting van Longwy tonen hoe groot zijn sterkte is. Hij bekoort door zijn sierlijke stijl de sportdirecteur Ludovic die hem een dikke premie aanbiedt om kopman Garrigou, de winnaar van de Tour in 1911, toch maar niet te lossen, hem te sparen en hem op sleeptouw te nemen. Te Longwy haakt Garrigou zich nog altijd vast. Op een bijna platte band wint Defraye daar gemakkelijk zijn eerste zege. Wat een slagveld echter ! Vele belangrijke deelnemers komen vermoeid en met grote achterstand binnen. Maar volgens het reglement worden zij toch maar op weinig punten gerangschikt. In de derde rit over 331 km, met bestijging van de Ballon d'Alsace, stopt bijna de hele kopgroep om van wiel te draaien en om zo op kleiner verzet te  klimmen. Defraye stopt niet, neemt grote voorsprong, maar moet dan nabij de top toch ook van zijn zadel afstappen. Hij vervolgt de rit met Faber, Christophe, Garrigou en wordt tweede te Belfort. In de rit Belfort-Chamonix 344 km komt de Rumbekenaar ten val door in bergaf van de Aravis tegen een hond te rijden. Hij bezeert zijn knie, voelt geen pijn, en eindigt na Faber op de derde plaats. Dat is zelfs nog beter dan mannen als Lapize, Buysse, Heusghem,Thys, Lambot .... . Dertig renners  konden de eindstreep niet bereiken.  De  knie van Odiel is gezwollen, zijn lichaam is gehavend, zijn spieren zijn stijf, wanneer zij na rustdag aan de rit Chamonix-Grenoble 366 km beginnen. Er bestaan geen woorden om te beschrijven hoeveel de kleine man van Alcyon tijdens de beklimming van de Col du Galibier heeft geleden. Hij had zijn eigen lippen kapot gebeten en was besmeurd door bloed. Hij strompelde te voet verder en minstens twintig keren wou hij opgeven, doch Monsieur Ludovic die hem is beginnen te bewonderen, zorgde dat hij toch verder geraakte. Plots kwam Firmin Lambot in omgekeerde richting aangereden. Deze landgenoot uitkomend voor Le Globe was helemaal zijn weg kwijt en hij was blij van terug een gezel te ontmoeten. Bloed, zweet en tranen,veel pijn, en toch krasselden zij samen nog 90 km verder doorheen het ruige landschap, mekaar de nodige  moed bezorgend. Het ongelooflijke gebeurde. Op het einde van die verschrikkelijke fietstocht waren zij terug in staat van met een hoog tempo de stad Grenoble te naderen. Tien renners gaven onderweg op, maar Defraye tot zijn eigen verwondering werd toen nog negende geklasseerd. Eugène Christophe had drie ritten op één rij gewonnen  maar voor het klassement met de punten betekende dat maar weinig. De kranten en de toeschouwers protesteerden omdat de rugnummers 10 en 39, twee Belgen, mekaar te veel hadden geholpen, iets wat door het sportief fatsoen en de sportreglementen niet was toegelaten.

    In de zesde rit Grenoble-Nice 323 km, na een deugddoende rustdag, na goede verzorging van Defraye, verkeken de tegenstrevers zich op de kleine Belgische wonderboy. Octave Lapize , de zo beroemde renner van toen, was van plan om te bewijzen dat hij en niemand anders die tiende editie van de Tour de France zou winnen en zeker niet dat onbekende mannetje uit Vlaanderen. Met op het dagmenu Col d'Allos en Col de Vars zou de ineenstorting van Defraye niet lang meer uitblijven. Het ongelooflijke gebeurde  echter. Er was maar één mannetje dat Lapize vlot kon volgen in de beklimmingen en dat was precies pluimgewicht Defraye.  Lapize won die rit en klopte Defraye slechts omdat deze op het einde bandbreuk leed. Alzo was de puntenrangschikking te Nice  geworden : Defraye ( 31) - Lapize (31)- Christophe (33).

    Tijdens de zevende rit,  tussen Nice en Marseille, zou de ongenadige tweestrijd uit de zesde rit zorgen voor verslapping, weerbots, inzinking.  Ja, ook de kleine man uit Rumbeke had plots geen krachten meer. Gelukkig reden al zijn tegenstrevers toen in gesloten rangen, aan laag tempo, maar toch kon Odile niet meer volgen. René Vandenberghe rijdend voor  Thomann, zou de redder worden van zijn kameraad Odile Defraye. Deze VDB moedigde Defraye aan, maar die zag zwart voor zijn ogen toen ene Fransman ten aanval trok en de snelheid omhoog duwde. Maar de andere renners hielden zich kalm, zelfs Christophe, Lapize, Faber, en Buysse, en misschien betekende dit wel dat ook zij slappe benen hadden. Aan de controle stonden gelukkig de verzorgers met champagne, water, brood en suiker. Een twintigtal km duurde het nog, en toen volgde het mirakel van de herwording. Odile kon het wiel van René verlaten. Hij ijlde vooruit en begon iedereen in te halen die voor hem op de weg reed. Hij kon weer goed eten en drinken. Hij liet enkele ' boerkens' en at al zijn boterhammen op. Met nog 70 km te gaan kwam hij terug postvatten in de kopgroep, en hij verhoogde daar weldra het tempo zodat de wegloper Godivier nog werd teruggepakt. Met zes gingen ze naar de meet na 334 km . De formidabele Defraye won de sprint met vier lengten voorsprong. !  - Wel, moet hier worden geschreven dat deze rit 7 km  werd ingekort omdat te Marseille zatte mensen, betogers, warmbloedige supporters zonder manieren, de aankomstzone belegerden. Vrachtwagens moesten daarom  renners en fietsen na aankomst naar de hotels brengen.

    De volgende rit en tijdens de rustdagen gebeurde er weinig . Het zou in de negende rit Perpignan-Luchon over 289 km zijn dat Odile Defraye zijn grootste prestatie leverde , die van hem een topper maakte, die iedere sportman vandaag nog bewondert. De flandrien Marcel Buysse en de ijzeren man Eugène Christophe waren ontsnapt tijdens de frisse ochtenduren. Halfkoers werd gemeld dat die beide kleppers zowat één uur voorsprong hadden, zo erg hadden zij er de pees op gelegd. Lapize en Defraye, de aanvoerders van de rangschikking, begrepen dat zij wat moesten beginnen. Die twee gingen in de tegenaanval. Eerst vlotte dat prachtig, maar dan vertraagde Lapize plots. Was het een list ?
    Op één km van waar de uitreiking van eten en drank zou gebeuren, te Saint Girons, spurtte Defraye daarom weg.  De West-Vlaming  greep vlug zijn etenszakje, zijn bidons, en stormde verder. Op de lange Col de Port was Lapize niet in staat van terug te komen. Hij stapte toen plots tandenknarsend uit de wedstrijd en begon de Belgische renners te betichten van combines  en van verboden praktijken. De volgende dag weigerden ook zijn twee overblijvende ploegmakkers nog verder te rijden. Met 26 minuten achterstand op het duo  aanvallers begon Defraye aan de Portet d'Aspet, een steile klim op slecht wegdek. Hij vloog werkelijk die Col op zonder van zijn fiets te komen, terwijl Christophe en Buysse daar nog amper met veel moeite te voet wat vooruitkwamen. Nog voor de top reed hij de twee vluchters voorbij. Odile Defraye kwam als een superheld alleen toe te Luchon. Onbeweeglijk in het zadel, al was hij aan het wandelen, klom hij over de cols. Hij was zo gemakkelijk over het gebergte gereden dat bijna niemand hem op dat uur reeds verwachtte te Luchon. De toeschouwers waren nog niet op hun plaatsen toen hij als een Caesar uit glorierijke tijden de aankomst  bereikte. Dit was, zoals hij later vaak heeft verteld aan de bezoekers van zijn brasserie, of tijdens het babbelen met een pint bier in de hand, de sterkste prestatie uit zijn sportloopbaan. Hij was geen knoestige kerel met veel spieren, maar fraaie wielrijder , een 'pédaleur de charme', die zich vederlicht van op zijn zadel bewoog.
    Twee dagen later volgden de 326 km tussen Luchon en Bayonne, met de vier klassieke bergen. Door regen en koude was die tocht onmenselijk, een lijdensweg die veertien, vijftien, zestien uren duurde voor de deelnemers. Op de Peyresourde strompelden ze nog met zes samen naar boven. De sterkste koereurs van de éénenzestig die vroeg op die werkdag , in de duisternis nog,  waren gestart. De ' man van ijzer'  Louis Mottiat uit Bouffioulx , Marcel Buysse uit Oost-Vlaanderen,  Eugène Christophe uit Malakoff nabij Parijs, Jean Alavoine de populaire wielrenner uit Roubaix,  Gustave Garrigou, de grote wegrenner uit dat tijdperk, en ook nog de leider van de rangschikking, de gevleugelde klimmer, Odile Defraye. Het regende pis en azijn tijdens die hele lange dag in dat gebergte. Zij werden gefolterd en zouden de pijnen levenslang moeten onthouden. Onverstoorbaar was Christophe, ijzersterk Mottiat, kermend reed Garrigou verder. Defraye volgde Christophe en Mottiat op 20 minuten, maar met een derde plaats te Bayonne verbeterde hij toch nogmaals zijn puntentotaal. Na de achtste rit had Desgrange het algemeen klassement  hercijferd door alle opgevers uit zijn berekeningen te halen. Deze goocheltruk herhaalde hij ook nog op de voorlaatste dag.  Bovendien kregen opeens zij die in éénzelfde groepje eindigden allemaal evenveel punten.

    De terugkeer naar Parijs begon twee dagen later. Een peleton vermoeide renners sleepte zich verder via La Rochelle (379km), Brest  ( 470km) , Cherbourg (405km) Le Havre (361km) en Parijs  ( 317km). De baas van de Tour de France kloeg over het gebrek aan strijdlust. Omdat de renners door pas ingevoerde technologie teveel ' freewheelden'   besloot hij dat de langste rit van de volgende Tour in 1913   Brest-La Rochelle  470 km zou moeten betwist worden met de aloude ' pion fixe' !   
    Het meesterschap, de onoverwinnelijkheid, van Odile Defraye bleef overdonderend tot op de laatste rechte lijn van die Tour 1912. Hij verdedigde ook de derde positie van Garrigou tijdens de laatste ritten van die maand juli. Een andere Belg, de glimlachende Philippe Thys, bijgenaamd 'le basset' omdat hij nogal korte benen had, eindigde de Tour 1912 met veel overblijvende krachten. Deze Brusselaar won reeds in 1911 een grote Franse rittenkoers  ( Circuit Peugeot).  Veel minder elegant dan Odile Defraye maar met zijn vele aangepaste kwaliteiten, was het toen duidelijk dat deze renner in een nabije toekomst de volgende Belgische winnaar van de Tour de France zou worden. Odile Defraye werd door ontelbare Belgen opgewacht toen hij uit Parijs terugkeerde. Hij was op één maand tijd een beroemd en rijk man geworden. Deze nationale sportheld bracht arm en rijk, Vlamingen, Brusselaars en Walen samen . Iedereen bewonderde deze kleine Belg !

     

    In het voorjaar van 1912 won Odile Defraye ook vier ritten en het eindklassement van de Ronde van België. Alhoewel in Franse ogen deze Ronde niet veel betekende won Odile er toch 3.165 franken  en omdat hij enkele bekende Franse renners klopte werd hem een plaats beloofd in de topploeg van Alcyon  Tour 1912 . Hij was toen ook 3de van l'Etoile de Charleroi (verdwenen koers)  en 5de van Parijs-Roubaix waar hij de sprint meemaakte in de kopgroep , Langs de wegen werd hij aangemoedigd door 100.000 toeschouwers, meestal Vlamingen die hun dorpen hadden verlaten om te Robays naar de koers te gaan zien tot wanhoop van de pastoors die op Paasdag moesten preken in lege parochiekerken.
    In 1913 won hij Milaan-San Remo.
    Tour de France 1913  :
    rit 1 - Paris-Le Havre 388 km : zevende
    rit 2 - Le Havre - Cherbourg 364 km : derde
    rit 3 - Cherbourg - Brest 405km  : tweede
    rit 4 - Brest - La Rochelle 470 km : tweede
    rit 5 : La Rochelle - Bayonne 379 km : zevende
    rit 6  : opgave
    In 1914 won hij de 6de rit van de Ronde van België
    Tour de France 1914
    rit 1 - Paris - Le Havre 388 km : dertiende
    rit 2 - Le Havre - Cherbourg 364 km : vierde
    rit 3 - Cherbourg Brest 405 km : vierde
    rit 4- Brest - La Rochelle 470 km : zestiende
    rit 5 - La Rochelle - Bayonne - 379 km : tweede
    rit 6 - Bayonne - Luchon 326 km : achtste
    rit 7 - Luchon - Perpignan 323 km : zesde
    rit 8 - Perpignan - Marseille 370 km : vijftiende
    rit 9 - Marseille - Nice 338 km : achtenveertigste
    rit 10 - opgave
    Op 1 augustus 1914 moesten alle weerbare manspersonen onder de wapens, ook Odiel Defraye !

    Aanvankelijk begon het wielerjaar 1913 wegens het riant salaris dat hij toen kreeg van Alcyon, de schone startpremies, onkostenvergoedingen, en een fortuin dat hem werd beloofd voor een nieuwe overwinning in de Tour de France. Met winst in Milaan-Sanremo bewees de nieuwe halfgod van het Vlaamse volk dat hij van zijn rang en inkomen waard was. Wie had in zo'n korte tijd immers zulke schone pluimen op zijn hoed mogen steken ?. Maar tijdens de Primavera kreeg hij zoveel vuil in zijn ogen dat hij bijna blind werd door de ontstekingen die volgden. Voor de onklopbare gevleugelde kampioen van Alcyon stopte de zonneschijn plots .
    Hij was op training gevallen. Zijn afgebroken rem was toen als een vuil mes in zijn been gestoken  en zijn blessures wilden maar niet genezen. Toch wilden allen hem zien presteren, alhoewel hij lichamelijk niet in orde was. Hij beulde zich op training af in plaats van zich te laten genezen en te laten observeren door een bekwame dokter. De Tour 1913 werd opnieuw betwist met eindklassement volgens de tijd zoals in 1903 en 1904, en zoals het vanaf toen ongeveer steeds zou verder gaan. Te Bayonne telde Odiel op kop van de algemene rangschikking  4'55" voorsprong op Eugène Christophe en 10'05" op Marcel Buysse, twee renners die voor het fietsenmerk Peugeot reden. Maar in het gebergte kon hij plots niet meer verder.  Door klem(*) blokkeerde één van zijn benen. In 1914 werd hij maandenlang geplaagd door dikke zweren en kon hij nooit normaal op zijn zadel zitten. Zijn fijn raderwerk was kapot, zijn prachtig organisme pruttelde tegen. Om de Tour in 1914 te winnen had Alcyon toch veel geld gebruikt om met een sterke ploeg Belgische kopmannen en helpers op te treden, maar dit werd een mislukking.

    (*)Tetanus, ook wel kaakklem genoemd, wordt veroorzaakt door de bacterie Clostridium tetani, die algemeen in aarde en straatvuil (vroeger speelde paardenmest hierin een belangrijke rol) voorkomt. De spore van de bacterie kan bij een verwonding in het lichaam komen en zich daar gaan vermenigvuldigen. Dat gebeurt vooral in kleine, diepe wonden, (trappen in een roestige spijker) ook bij beten door dieren kan men tetanus krijgen, omdat de tetanusbacterie het best groeit in een zuurstofarme omgeving.

     

    Toen werd alles anders in West-Vlaanderen door de verschrikkelijke oorlog 1914-1918 . De arme borstelmaker die als wielrijder ons land op stelten had doen staan, zonk weg in een levensverhaal waarvan het vervolg niets meer betekende voor wielergekke supporters die andere idolen aanbaden.  Op drie jaren tijd had  ' Frayke'  als geliefde sportman  zoveel verdiend als een andere werknemer kon verdienen in veertig jaren. Hij belegde zijn geld vrij goed door een huis te bouwen, alsook een café waarachter een kleine wielerbaan was. 
    Tijdens de oorlogsjaren had hij een niet gevaarlijke dienst bij het zesde linieregiment. De Spaanse griep ging aan hem voorbij. Hij probeerde het nog in de Tour tegen de nieuwe generatie renners . In 1919 waren er al 42 opgevers geweest tijdens de eerste drie ritten, toen hij nog met rugnummer 50 één van 25 vertrekkers was in Brest- Les Sales d'Olonne 412 km. Hij hoopte dat met rugnummer 7 het geluk hem weer zou toelachen in de Tour 1920. Hij bereikte na 388 km Le Havre een beetje na Sellier maar toch reeds 1u30' na Mottiat. Te Cherbourg na nog eens 364 km eindigt hij maar 8 minuten na Thys. Opgave in de derde rit ergens diep in Bretagne. In 1924 had hij voldoende motivatie om het weer te proberen, maar hij werd vernederd omdat de Tourdirectie hem niet inschreef als rijder van klasse 1. Het was in die Ronde dat sportjournalist Albert Londres het begrip De Dwangarbeiders van de Weg heeft uitgevonden. Defraye  op de plaatsen 38,45,35,41,43, kon in de lange vlakke ritten nog goed mee, maar in Bayonne-Luchon ,waarin hij sneuvelde in 1913, liet hij Bottechia, Frantz, e.a. zonder hem verder rijden, maar toen waren 50% van de deelnemers reeds uit die koers.  Maar den Odiel uit 1912 , gehuldigd en bezongen, bestond niet meer.
    De mens Odiel Defraye kwijnde weg. Hij kon en mocht vanaf 1926 nooit meer in de zonne van de zege , in de zonne van de glorie staan. De held van iedereen verdween plots naar het diepe Frankrijk in de Bourgogne . Hij kwam terug om aan onze kust als hotelbaas zijn brood te verdienen.   Hij had een drankprobleem.  Hij doofde helemaal  uit, maar dat duurde toch tot in 1965  toen hij als 77-jarige onbekend en onbemind overleed in een tehuis voor ouderlingen te Bierges in Waals-Brabant.
    --------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

    10-07-2012 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    25-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Deense Wielerkampioenen.


        
        KW Nielsen  en Palle Lykke                                       Morkov en Rasmussen                                                              TEAM DANMARK                               DE RIVAAL VAN POESKE SCHERENS






              De grote jager op wereldrecords    Hans-Henrik Oersted . 
       

     

          Sebastien Lander de nieuwe kampioen                                                                                                      Trine Schmidt mooi en meedogenloos



    25-06-2012 om 14:09 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    08-06-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Wielersport in Denemarken.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Contador vender tilbage til Team Saxo Bank

    [08.06 13:15] Alberto Contador returnerer til Team Saxo Bank.
    Den 29-årige spanier vender tilbage til det danskbaserede World Tour team d. 5. august, når hans karantæne udløber. Alberto Contador og Team Saxo Bank er blevet enige om en aftale, der gælder for resten af 2012 og de kommende tre år.

    "Der har været så mange spekulationer og rygter om Alberto Contador og hans fremtid i de seneste måneder, men både vores sponsorer, holdet og Alberto har delt det samme ønske om at fortsætte og bygge videre på vores samarbejde. Hele vejen gennem de sidste to svære år har vi valgt at støtte Alberto, så at vi nu kan annoncere hans comeback til holdet, er noget jeg har set meget frem til. Nu kan vi endelig lægge låg på alle de her spekulationer og fokusere på at opbygge holdet til de kommende år," siger teamejer Bjarne Riis.

    Alberto Contador er tilsvarende glad for, at hans fremtid ligger hos Team Saxo Bank.

    "Beslutningen om at returnere til holdet har faktisk været let, og min førsteprioritet har hele tiden været at vende tilbage til Team Saxo Bank og fortsætte samarbejdet med Bjarne Riis og resten af holdet. Den støtte, jeg har mærket i en meget svær situation, har været helt fantastisk. Så jeg ser meget frem til at komme tilbage på cyklen, og mit mål er at gengælde den støtte, forhåbentlig med nogle gode resultater," siger Alberto Contador.
     

    VERTALING MET DE HULP VAN GOOGLE  :

    Alberto
    Contador terug naar Team Saxo Bank.
    De 29-jarige Spanjaard keert terug naar het Deens-gebaseerde World Tour-team op 5 augustus, wanneer zijn schorsing afloopt. Alberto Contador en Team Saxo Bank hebben overeenstemming bereikt over een overeenkomst die geldt voor de rest van 2012 en de komende drie jaar.

    "Er zijn zoveel speculaties en geruchten over Alberto Contador en zijn toekomst in de afgelopen maanden, maar zowel onze sponsors, team en Alberto hebben uitgemaakt van hetzelfde verlangen om verder te gaan en voort te bouwen op onze samenwerking. In de afgelopen twee moeilijke jaren hebben we gekozen om Alberto te ondersteunen, zodat wij nu zijn comeback aankondigen aan het team. Het is iets dat ik met veel goede zin beleef. Nu kunnen we eindelijk een deksel op al deze speculaties plaatsen en ons richten op het opbouwen van het team voor het komende jaar, ", aldus teameigenaar Bjarne Riis.

    Alberto Contador is eveneens blij dat zijn toekomst ligt bij Team Saxo Bank.

    "De beslissing om terug te keren naar het team daadwerkelijk is zacht, want mijn eerste prioriteit is altijd geweest om terug te keren naar Team Saxo Bank, en blijven werken met Bjarne Riis en de rest van het team. De steun die ik heb gevoeld in een zeer moeilijke situatie, was absoluut fantastisch. Dus ik kijk er naar uit om weer te kunnen fietsen, en mijn doel is om de steun hopelijkte  beantwoorden, met enkele
    goede resultaten.


                                           *  *  *

    Dit belangrijke wielernieuws van vandaag heeft me aangezet om me toch te verdiepen in de Deense wielersport.  Ik was ruim een maand geleden al vertrokken met een poging in mijn kladschrijfboekje om gegevens voor een nieuw stuk op mijn blog bijeen te scharrelen. 
    Mijn handschrift wordt meer en meer onleesbaar, door de opstapeling van de jaren die mij scheiden van de schoolbanken, en door een nooit goed opgelost probleem aan mijn rechterhand. Mijn goesting om meer dan een paar zinnen te schrijven is veel verminderd. Maar de Giro 2012 is ondertussen al lang uit het schone Copenhagen vertrokken, geklommen over de Cima Coppi en reeds aangekomen in Milaan, en ik vond de nodige inspiratie niet om te bijten in zo'n dik Deens onderwerp als ware het een brok fynbo. Maar zoals Bjarne aan Alberto een nieuwe kans biedt, zo geef ik ook aan de schrijver, aan de kribbelaar, aan de oude visser van woorden en zinnen die ik ben, een nieuwe kans. Vooruit we fietsen dus zoals weleer nog eens in de richting van Denemarken, misschien geraken we zelfs niet meer tot Itzehoe zoals toen tijdens die zonnige novemberdagen van 1994.

    08-06-2012 om 23:52 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Om historie cykling i Danmark.
    Als we beginnen vanaf 1888 dan kunnen we melden dat er toen tweewielers op de markten verschenen  met wielen van gelijke grootte, met kettingaandrijving en tandwielen, zodat het nieuwe vervoermiddel een ander uitzicht kreeg en ook gebruiksvriendelijker werd.  De Vaelpeteren, die vanaf 1869 reeds op Deense grondgebied rond toerden, waren weldra voorbijgestreeft. Dat waren bicycles met een enorm voorwiel en een klein achterwiel. Alleen goed getrainde mannen met lange soepele benen waren in staat geweest op zulke dure hoogwielen plaats te nemen. Concurrentie had tal van sportievelingen reeds aangezet om wedstrijden te organiseren  over korte afstanden die nooit verder gingen dan één mijl, zijnde wel een Deense Mijl van 7, 5 km. De komst van de luchtband uitgevonden door Dunlop vermeerderde aanzienlijk het aantal fietsen op de Deense wegen. Helaas, meer een meer ongevallen werden vastgesteld want de wielrijders karamboleerder tegen de andere weggebruikers, tegen mekaar en keerden vaak met lichamelijke en materiële schade naar huis.  Zoals eerst in Engeland en daarna in vele andere landen kwam ook reeds bij de vanaf 1881 georganiseerde Dansk Bicycle Club de stille droom en de wil om over een wielerbaan te beschikken. Die kwam er op het platteland te Ordrup . In 1888 konden de sportmannen daar fietsen op een veilige manier op een afgesloten piste gebouwd in een mengsel van grint, aangestampte aarde en steengruis die 333,33 m lang was maar zonder verhoogde bochten. 
    In 1893 kwam een verbeterde cementen piste van 333 m lengte. In 1903 werd die baan 9 m breed en 370 m lang zodat er ook op de fiets achter motoren of zonder fiets met motorfietsen en koersauto's kon worden gekoerst. In 1987 werd de Ordrup Wielerbaan nog wat gerestaureerd tot wanneer hij werd verkocht en elders werd vervangen door de hedendaagse Ballarat Arena . Kopenhagen beschikte dus zeer lang over één van de belangrijkste velodrooms waarop vele Wereldkampioenschappen en Grote Prijzen werden betwist . 

     

    Op de wielerbaan van Ordrup werd toen bij goed weer iedere zondag en feestdag gekoerst. Dat verliep niet altijd met vreedzaam verloop of het nu voor de lol ging bij de jongeren en de amateurs of voor het geld bij de beroepsrenners. Op hemelsvaart 23 mei 1895 maakte ene Christian Christiansen zijn debuut in de koers, aangezet door zijn oudere broer Peter. Hij gebruikte weldra de bijnaam 'Thorvald Ellegaard' en vervolmaakte zich in de kunst van de zuivere snelheid. Deze  ' sterke man uit de boomkwekerij in het bos ' had maar drie wielerseizoenen nodig om zijn ster zeer hoog te laten klimmen. Thorvald was een globetrotter. Hij volgde een buitenlandse opleiding aan de befaamde School voor Sprinters te Graz. Te Parijs  in Le Journal des Sports werd al tegen het einde van de eeuw gemeld dat hij  bij de sterksten hoorde en dat hij in staat was van zowel  Zimmerman als Bourillon te overtreffen, en dat betekende toen veel. De vliegende kampioen uit Odense op het eiland Fyn,  vulde dikwijls Ordrup met 16.000 toeschouwers. Entree werd soms geweigerd omdat alle plaatsen waren bezet. Op die meetings klauterden de supporters in de bomen en op de daken. Met een speciale trein werden de stadsmensen naar de gezonde lucht rond de wielerbaan gebracht, waar sport, liefde, eten en drinken op hen wachtte. In die Gouden Tijden was sprinter Thorvald Ellegaard ( 1877-1954)  de vedette die op de affiches stond, ook voor koersen op de mythische wielerbanen van Friedenau Berlijn  en Buffalo Parijs. 
    Ellegaard voltooide een langdurige loopbaan die pas stopte op 26 september 1926. Hij was een aristcraat en een atleet die alle hoedanigheden bezat die een topper kenmerken. Snel, behendig, gewetensvol, methodisch, eerlijk, en netjes gekleed was hij. Deze granieten man uit het Noorden behield zijn superforme door  sober en gezond te leven, maar vooral door gymnastiekoefeningen. Doorheen de jaren verminderde zijn passie voor de sport nooit. Hij was de blonde Deen, die overal ter wereld was gekend als een sympathieke, korrekte en loyale strijder die het startgeld dat hij kreeg waard was, omdat hij de toeschouwers altijd tevreden stelde. In de matchen  'man-tegen-man'  was ook hij soms te kloppen. In de sprintnummers met drie of vier concurrenten, en met de tandems nog meer, was hij geweldig goed door zijn taktisch doorzicht. Hij won zesmaal het wereldkampioenschap en was ook nog viermaal tweede. De cijfers die statistici  voor hem noteren zijn nogal verschillend, maar altijd hoog. Volgens de optellingen  zou Ellegaard op de wielerbanen van 153 verschillende steden hebben gekoerst en zeker 800 overwinningen hebben behaald.  Zeker is dat hij in Rusland door de tsaar persoonlijk werd ontvangen, dat hij ook  in Australië en in Amerika veel geld verdiende, en dat hij lang te Parijs woonde van waar hij per trein alle steden van Europa vlot kon bereiken samen met zijn helpers en met zijn vrouw.
     
    Noch geld, noch roem, noch het vele reizen, noch familiaal leven, verminderde de schittering van De Ster van het Noorden. Zijn dochter werd een internationaal bekende klassieke pianiste van wie de platen vandaag door de verzamelaars worden gezocht. Zijn zoontje echter, vond tijdens verblijf in Australië de dood na val uit het venster van de hotelkamer waar het gezin toen verbleef. 

    Ondanks deze Ellegaard, ondanks de werkers zonder naam die zovele schone koersdagen organiseerden, ondanks de aanwezigheid  van andere cykelbanen , verwarmd en overdekt, ondanks de mooie vlakke landschappen en  fietslievende overheid werd Denemarken nooit door de buitenlanders beschouwd als een Groot Wielerland.. Dat is ongeloofbaar, onverstaanbaar. !
    Uit het kleinste Scandinavische land kwamen immers vele wielerkampioenen. Ik breng hierna een lijst om dit te illustreren.

    Beroepsrenners/ Elite  op de weg :

    Nog eerder dan Ellegaard verscheen op de wegen en de wielerbanen een marathonrijder die geen Fransman was maar wel een Deen.  CHARLES MEYER  (1868-1931). Door zijn uithoudingsvermogen oogste hij temidden van de wielerkampioenen eeuwige sportroem tijdens de jaren 1893/1897 toen hij Bordeaux-Parijs 592 km won, tweede werd in de eerste editie van Parijs-Roubaix, en tweede in de Bol d'Or. Hij  werd een V.I.P. te Parijs door het aandurven van een duel tegen  Buffalo Bill bestaande uit een 24 uren race van een man op een fiets ( de wielerheld)  tegen een man op een paard ( de held van het Wilde Westen )  !  Minder bekend is de verdienstelijke prestatie van Christian Christensen die als onverzorgde in de Tour de France 1913 heeft meegereden tot in de dertiende van de vijftien ritten.

    BJARNE RIIS . De Adelaar uit Herning was in 1985 bij ons de Ronde van Luik komen winnen hetgeen hem een profcontract opleverde. Gedurende enkele wielerseizoenen fietste hij als een rustige jongen mee in het peleton terwijl hij overal goed zijn ogen en oren gebruikte om te leren.Toen hij wist wat hij moest doen om zijn eigen lichaam te versterken en om de concurrentie te kloppen, veranderde Bjarne in een verschrikkelijk sterke kerel. In juli 1996 won hij de Tour de France. De Deense sportmannen maakten van hem een nationale held. Toen begon de grote oorlog tegen de doping in de wielersport. Na enkele jaren op een voor hem gepast moment legde Bjarne Riis daarover de nodige verklaringen af. Hij  bekende van epo te hebben gebruikt. Dat gebeurde op eigen risico en in een periode toen de sportreglementen het nog niet helemaal verboden.  Vanaf  2001 werd deze sterke figuur uit de hedendaagse wielersport de sportdirecteur en de manager van sterke professionele wielerteams.
    ROLF SORENSEN -( °Gladsaxe 1965) - De beste van alle Sorensen en van alle Deense wegrenners was Rolf. Door zijn rijk gevuld palmares en zijn vele dienstjaren in het internationale peleton overtreft hij iederen. Hij staat vermeld in de uitslag van 100 grote klassiekers met winst in De Ronde van Vlaanderen, Luik-Bastenaken-Luik, Parijs-Tours. Hij won ook nog tien verschillende andere belangrijke ééndagskoersen. In dit Olympisch Jaar moeten wij uiteraard zijn zilveren medaille in de wegkoers op de Spelen van Atlanta vermelden. Alhoewel hij een dubbele zege op zijn lijstje heeft staan in de rittenkoersen Tirreno-Adriatico, de Ronde van Nederland, de Ronde van Denemarken, waren zijn  17 deelname's aan Giro, Tour, Vuelta meestal geweest om te huilen voor een kampioen die deze renner was, met als dieptepunt zijn opgave als drager van de gele trui in 1991. Rolf Sorensen is persoonlijke manager van enkele renners en zo blijft hij thans nog altijd aanwezig in zijn sport .
    OLE RITTER -(°Slagsele 1941)- Geboren in het dorp waar Ellegaard zijn eerste koers had gewonnen, was zijn levenslijn vlug getrokken.Toen hij als kampioen van de Deense amateurs op het WK 1962 te Salo aan het Garda Meer zilver veroverde, was het duidelijke dat hij de vaandrig van de wielersport in zijn land zo zijn gedurende de sixties. Ole bleef niet in zijn koud vaderland en in Skandinavië, maar hij trok naar Italië en naar Mexico. Op 10/10/1968 veroverde hij daar het werelduurrecord met 48km 653 . De begenadigde hardrijder ontroonde daar onze Ferdinand Bracke. Meer dan vier jaren later pas kon Eddy Merckx het uurecord verbeteren. De beste wielrenner ooit moest toen tot het toppunt van zijn atletisch vermogen gaan. Dit was het   bewijs van de waarde van het wereldrecord van Ole Ritter uit anno 1968. Met overwinningen en ereplaatsen  in lange tijdritten op de weg en  met optredens in de Giro d'Italia bewees Ole Ritter dat hij meer wegrenner was dan pistier .
    LEIF MORTENSEN (° Kobenhavn 1947). Toen de jaartelling 1970 zich meldde scheen het alsof een wielerkampioen van het hoogste niveau uit Denemarken was verschenen. Te Brno had hij de zo klasrijke Belg Monseré geklopt voor de wereldtitel bij de amateurs en als neoprof was hij tweede te Leicester na dezelfde Monseré, naam aan wie hij voor eeuwig is gelinkt. Hij klopte Gimondi voor de tweede plaats. De sterke en talentrijke Mortensen reed samen met Ocana een nieuw record in Trofeo Barracchi 1971. Deze Deen toonde zich nog in de Tour de France, maar zijn ster zou samen met die van Monseré nooit schitteren. Reeds in 1975 verliet hij de wielersport.
    JORGEN MARCUSSEN ( °Hillerud 1950). Nadat hij goed reed op de O.S. van Munchen 1972 en in GP Wilhelm Tell 1975 vervoegde deze Marcussen de grote jongens tot in 1989. Hij brak er niet veel potten. Alhoewel ...   na het peleton ver volgend in het zog van de teamauto van Avia reed deze Deen in 1978  de onvoorzichtige wielertoerist die ik was bijna dood even voorbij het beeld van Stan Ockers op Les Forges. De angst die ik toen had, werd hem vergeven omdat Marcussen ieder jaar toch weer op de dag van het wereldkampioenschap bij de profs een mooie prestatie afleverde bewijzend dat hij wel degelijk een uitstekend professional was.  

    Ik beperk mij tot de vijf bovenvermelde namen. Andere bekende beroepsrenners op de weg uit Denemarken zijn geweest of zijn vandaag nog : Jesper Skibby, Bo Hamburger, Kim Andersen, Nicki Sorensen, Lars Michaelsen, Brian Holm, Johnny Weltz, Soren Lilholt, Matti Breschel, Michael Rasmussen,  Michael Blaudzun Claus Michael Moller, Jacob Storm Piil, Chris Anker  Sorensen, Jesper Worre, Peter Meinert Nielsen, Jacob Fuglsang, Brian Vandborg, Jorg Vang Pedersen, en Jens Veggerby. Zowat 150 andere Deense renners bezaten ook nog een tijd lang het statuut van beroepsrenner maar ik wil die mannen hier niet vernoemen omdat zij internationaal in de wegkoersen te zwak scoorden.
    Op het WK beroepsrenners op de weg 1936 nemen voor het eerst twee Denen de start. Werner Grundahl-Hansen, in regen en wind, gaat daar tot ver in de finale mee met Antonin Magne. Aan de meet is hij vijfde. De twee daarop volgende jaren worden een half dozijn Deense profs aangetrokken door Duitse merkenploegen. Een voltallige nationale ploeg neemt opnieuw deel aan in het WK voor de profs in eigen Kopenhagen. Deze Deense profs reden toen ook mee in twee loodzware edities van de Ronde van Duitsland. Te Rostock won Knut Aage Jacobsen  rit 14. De oorlog heeft belet dat deze generatie vaste voet kreeg in de West-Europese wielersport op de weg. Wat betreft  WK's  dichter bij vandaag verdient de  2de plaats van Hamburger in 1997 geciteerd te worden, alsook van Breschel de 2de plaats in 2008 en de 3de plaats in 2010.

    In de Tour de France verschenen de Denen pas gegroepeerd aan de start te Brussel 1958  als een deel van de internationale ploeg. Andresen, Dalgaard, Olsen, Ravn, waren sterke amateurs geweest, maar in die zware Tour kon slechts Andresen tot Parijs geraken. Ook in 1959 en 1960 werden Denen via die Internationale Ploeg toegelaten in de Tour. Maar het professionalisme kon toch niet doordringen in Denemarken toen de extra-sportieven vooral vanaf 1962 zorgden voor gestructureerde profteams.
    Twintig jaren nog gaan er voorbij alvorens Kim Andersen bij Mercier een contract kan tekenen die van hem de eerste echte Tour de France-rijder uit Denemarken maakt. Kim draagt 10 dagen de gele trui ( 1983 en 1985) en hij wint één rit te Roquefort tijdens zijn zes deelnames. Hij kondigt de goede prestaties jongere landgenoten aan. De ritwinst van Johnny Weltz op de Puy de Dome 1988, de ritwinst van Skibby te Evreux in 1993, de ritwinst van Bo Hamburger te Trélissac in 1994,  de dubbelslag rit en gele trui van Jorgen Vang Pedersen te Pontarlier 1985, zijn topmomenten voor de Deense wielersport. Nadien kwamen Bjarne Riis en Michael Rasmussen met veel betere prestaties, maar ik denk dat het nog te vroeg is om deze heren al op hun juiste plaats vast te leggen in de geschiedenis van hun sport. 

                                           

    De Arend van Herning in volle actie  -                 De  wijze  Bjarne  die in Alberto Contador blijft geloven     -      Sorensen de grote pechvogel uit 1991.

    DE LANGE EN BONTE AANWEZIGHEID IN DE WEGKOERSEN VAN DE DENEN BIJ DE NIET-BEROEPSRENNERS :
    De renners die niet snel genoeg waren om een rol van betekenis te spelen op de wielerbaan zochten al spoedig hun heil op de weg. Zij oefenden het temporijden om in de teams te geraken die deelnamen aan interlandenwedstrijden en kampioenschappen in het Noorden, en aan de Olympische Spelen of de Wereldkampioenschappen. Zeer afwisselend bekomen kleine kernen grote middelen voor deze doelwitten, en deelname aan andere koersen in het buitenland vinden plaats in het kader van training en voorbereiding. Vastgehaakt in de verplichtingen van het amateurwielrennen in Skandinavië, waar in ontelbare vormen van tijdrijden , individueel of per ploeg , werd gekoerst ontwikkelden de wegkoersen zich minder, alhoewel het Deense landschap licht heuvelachtig wel ideaal was voor wielersport. Een klassieke Deense wegkoers verdient hier een plaats. De Fyen Rundt werd vanaf 1894 reeds betwist en dat tot vandaag want er waren 101 edities. Deze topwedstrijd loopt over alle soorten wegen, over klimmetjes, in de wind en zelfs over kasseien. Het is duidelijk dat de buitenlanders zich daar nooit genoeg hebben getoond. Een merkwaardige ontwikkeling vond plaats tussen 1950 en 1954 toen een met goede fietsen uitgeruste Deense ploeg reeds vroeg de start nam in de befaamde Vredeskoers. Even voor dat de Oostblok landen sterke teams hadden kunnen organiseren , en tegen andere renners die nog koersten in de vorm van  ' sport na de arbeid'  en sport voor de socialistische jongeren, toen domineerden de Denen in de Zavod Miru ( the Peace Race) met gespierde kerels als Willy Emborg, Kaj Allan Olsen,Christian Pedersen, Hans Andresen en Eluf Dalgaard. Dat gebeurde dan een halve eeuw voor Jakob  Piil die de Friedensfahrt in 2001 nog kon winnen. In de Milk Race, die andere bekende rittenkoers voor internationale amateurs, toonden de Denen zich maar weinig, behalve in de nineties toen Christian Andersen, Larsen en Hoj daar ritten wonnen, maar dan was die koers al van mindere betekenis.


                           
                Leif Mortensen                                                                                                    Eluf Dalgaard 

    STERKER DAN CAMPIONISSIMOS EN FLANDRIENS  WAS   HENRY- PETER  HANSEN.

    Ik mag niet over de jaren twintig stappen zonder de temporijder HANSEN duidelijk in het licht te plaatsen. Die man bleef als lustige pedaalridder lekker tussen de amateurs zitten waar een superman als hij niet meer sportief op zijn plaats was en te gemakkelijk met de scepter mocht zwaaien. Henry-Peter  (°Kopenhagen 1902) eigende zich vanaf 1921 de Deense kroon toe. Het wegkampioenschap van zijn land bestond reeds sedert 1905, doch werd niet ieder jaar georganiseerd.  HPH won 7 X dit kampioenschap. Met zijn motor met veel PK  won hij  8 X de Sternlobet van Roskilde, 6 X de Skandiloppet in Uppsala -Zweden, 2X de Rudersdallobet van Kopenhagen, allemaal klassiekers van toen. Hij boekte ook twee overwinningen in de Fyen Rundt  en in de Ronde van Zweden Wegzesdaagse.  Hij werd schitterend Regionaal Kampioen van Skandinavië. Dat gebeurde in tijdritten (1925-Trondheim 175 km), (1926-Kopenhagen 155 km), (1927 Stockholm 180 km) en (1929 Helsinki 175 km). In de noordelijk gelegen landen , vooral in Denemarken werden in de jaren twintig en dertig wegwedstrijden hoofdzakelijk tegen het uurwerk betwist.
    In 1928 werd Henry-Peter HANSEN met 8 minuten voorsprong te Veluwe (Amsterdam) Olympisch Kampioen in een 168 km lange tijdrit voor vredelievende sportmannen die toen eindigde met ruzie tussen de Engelsen en de Denen. Ik zal niet schrijven dat die Hansen speciaal ongezond spul in zijn bidonnetjes meevoerde want hij heeft toch geleefd tot na zijn 83ste verjaardag .
    In 1931 leverde Henry-Peter HANSEN zijn allerhoogste prestatie af. Te Kopenhagen reed hij 172 km tijdrit tegen 35 km 478.  Hij klopte toen de nog jonge Giuseppe Olmo met zes minuten in de afzonderlijke rangschikking voor amateurs uit 17 landen, doch wat meer betekende was dat hij op die dag over dezelfde afstand en op hetzelfde parcours in die slopende chronorit ook veel beter was dan 17 profs waaronder Learco Guerra, Max Bulla, Alfredo Binda, Gaston Rebry, Jules Van Hevel, en Maurice Dewaele . Dit uitzonderlijk en uniek wereldkampioenschap vond plaats op woensdag 26 augustus 1931 te Damhuskroen 7km noord-west van Kopenhagen. Er was één grote ronde uitgestippeld. De profs vertrokken vanaf 07u00 in de ochtend met twee minuten tussenpauze. Eén uur na hen namen 41 amateurs de start ook om de twee minuten. De ervaren regionaal Hansen wist uiteraard hoe hij in het open Deense landschap moest strijden tegen de nadelige wind .

    INDIVIDUEEL  DENEMARKEN OP DE WERELDKAMPIOENSCHAPPEN
    .

    Regenboogtruien waren er voor Henrik Djernis in het veldrijden (één)  en in het mountainbiken ( 1993-94-95) . Deze Djernis kon ook aardig op de weg rijden.
    Bij de amateurs wonnen goud zoals hoger vermeld Hansen (1931), maar ook Leif Mortensen (1969), Jorgen Schmidt (1970), en Alex Pedersen (1994). Deze laatste was eerder reeds vier jaren prof geweest bij RMO en ONCE , en daalde daarna terug af tussen de amateurs. 
    Bij de jongens juniors won Soren Lilholt in 1983 de wegkoers in lijn . Bij de dames-juniores in het tijdrijden wonnen Gitte Hjortflod Jensen in 1988 en Mie Bekker Lacota in 2005.
    Tweede op een wereldkampioenschap werden Willum Nielsen (1921), Frode Sorensen (1937), Hans Andresen ( 1954), Ole Ritter (1962), Johnny Weltz (1985) bij de amateurs. Bij de juniors werd dit gerealiseerd door Jacob Nielsen (1996), Anders Lund (2003), en Niki Ostergaard (2006). Rasmus-Christian Quaade toonde in 2011 in de tijdrit bij de beloften dat hij een man met toekomst is in de wielersport. Dat zou ook Sebastian Lander moeten zijn, de Beloftenkampioen 2012, die brons behaalde  in de wegrit bij de juniors 2008. Veertien keren konden Deense wegrenners derde, vierde, of vijfde, worden op een wereldkampioenschap, hetgeen toch steeds een schone uitslag was.

    DAMES OP DE FIETS .

    In Denemarken wilden de vrouwen altijd ook sportief meedoen en fietsen, maar Kerk en Staat zagen toch niet graag dat zij zich in korte en spannende kledij op straat vertoonden. Vrouwenwielrennen bleef onbelangrijk, maar toch konden sportieve meisjes bij de juniores brons veroveren . Dat waren Lotte Schmidt (1987), Lisbeth Simper (1995), en Christina Siggaard (2011), terwijl de wat oudere Linda Villimsen in 2009 een derde plaats behaalde in het tijdrijden. Persoonlijk heb ik nooit de evolutie van  ' le cyclisme au féminin ' goed gevolgd en daarmee verschil ik maar weinig met de tienduizenden wielerfanaten die in Vlaanderen leven. Geloof me echter, heren, we waren verkeerd bezig !   De dames hebben ondertussen ook een aparte wielerwereld. Die is anno 2012  groot,  internationaal, en spannend , met heroîsme, conflicten, atletisch dynamisme, waaghalzerij, maar ook met vriendschap en met een familiaal sfeertje dat verschilt van die koers waar bier, zever en  sigaretten voor de aanwezige sportmannen nog belangrijk zijn. In Denemarken rijden de dames veel in ploegverband, tegen het uurwerk, op de golvende wegen in de wind. Zij brengen spektakel op de velodroom , in bossen en velden, in straten, dorpen en steden waar een wielerkoers als een evenement de bevolking wakker maakt en boeit. Wie zijn of waren de beste wielrensters uit Denemarken ?.
    Ik ga er drie speciaal citeren en alle andere stop ik als lieve jonge katten in een grote wissen mand. Karina SKIBBY ( °Frederiksberg 1965) dochter , zuster, echtgenote, van bekende renners, was viermaal nationaal kampioene op de weg. Met grote koppigheid en veel werk, en zeker niet door talent dat zij van bij haar geboorte had meegekregen, manifesteerde deze atlete zich vanaf 1985 tot aan de internationale top. Zes maal reed zij het wereldkampioenschap en tweemaal koerste  zij mee op de Olympische Spelen. Toen stopte Karina plots abrupt na een meningsverschil met de wielerbond. Zij opende een winkel in aardewerk, kunst en ambacht , en al haar aandacht kreeg een ander doel, terwijl zij toch zoveel kennis en ervaring bezat om jongeren te begeleiden en dat was spijtig . Linda Melanie VILLUMSEN SERUP ( °Herning 1985) bokste zich omhoog in 2006 /2007 tot een wielrenster van wereldklasse. Zij fietste in vele landen en ontdekte dat het leven nergens mooier kan zijn dan in Nieuw-Zeeland. Zij besloot van de nationaliteit van dat land aan te vragen. De vroegere Deense werd een Kiwi kampioene vanaf begin 2010. Ongetwijfeld is de toprenster van Orica-GreenEdge  een podiumkandidate voor de komende Olympische Spelen. De nog altijd maar negentienjarige Julie LETH werd ook profwielrenster bij Team Ibis Cycles uit Engeland, hetgeen duidt dat ook zij lonkt naar die Spelen en wat daarna nog volgt. Julie heeft veelzijdige talenten, was al wereldkampioene in de puntenkoers bij de juniors op de wielerbaan. Zij mag gerust nu reeds beschouwd worden als de nummer één voor morgen ook al moet zij nog veel trainen om dat ook waar te maken.  De volgende Deense wielrensters scoorden wel ergens in een kort of wat langer verleden. Zij bewezen duidelijk van snel te kunnen rijden op een koersfiets, rapper dan de mannen die hun gespierde benen scheren om indruk te maken : Cathrine Grage, Iben Bohé, Michelle Jensen, Rikke Sandhoj, Mie Bekker Lacota, Mette Fischer Andresen, Dorte Lohse Rasmussen, Helle Sorensen, Trine Schmidt, Lana Munck, Pernille Jorgensen, Hanne Malmberg, Fie Degn Larsen, Margriet Kloppenburg, Kamila Ahrensbach, Jette Fuglsang, Annika Langvad, Christina Siggaard, Maria Grandt Petersen, Karina Hegelund, Nina Schultz Nielsen , en dan nog enkele die ik vergeet maar toch ook graag zie.



    DE WEGRENNERS VAN  DENEMARKEN IN DE PLOEGENTIJDRITTEN OP HET W.K.

    Door de langdurige concurrentie met Zweden, en door de sterkte van de teams uit de grote wielernaties van het West en van Oost werd iedere medaille behaald met een ploeg zeer sterk toegejuicht, voornamelijk in de sixties. Ondanks de dood van Knud Enemark in 1960 stonden sterke Deense viertallen aan de start. Te Brescia in 1962 over 112 km was Ole Ritter met zijn ploegmaten tweede. Te Keulen in 1966 over 100km kon Denemarken goud winnen tegen Holland en Italië, met Werner Blaudzun, Per Norup Hansen,Ole Hojlund, en Fleming Wisborg.   Te Heerlen in 1967 over 96 km waren zij tweede op amper 16" en dat met Werner Blaudzun,Jorgen Emil Hansen,Leif Mortensen, en Henning Pedersen. Te Brno in 1969 over 96 km verdienden  volgende renners opnieuw de zilveren medaille : Mogens Frey, Jorgen Emil Hansen, Bjorn Lund, en Leif Mortensen. In 1983 bij de juniors in het verre Wanganui  (Nieuw-Zeeland) over 70 km reden Alex Pedersen, Rolf Sorensen, Soren Lilholt, Kim Olsen,  tegen 47,261 km per uur. Zij verwezen Rusland en de USA naar plaats twee en drie. Wat een prestatie !  Zij bevestigden de derde plaats van Denemarken één jaar vroeger, hetzij dan wel met vier andere jonge tijdrijders.  


    DENEMARKEN OP DE OLYMPISCHE SPELEN
    Het valt op dat de grote wielernatie België ( met onze wegen vol wielertoeristen 's zondags en onze winters vol triomfen in cyclo-cross) met 24 medailles maar nipt Denemarken voorafgaat in een overzicht van de Olympische disciplines in de wielersport door de tijden heen sedert 1896.
    ZES GOUDEN MEDAILLES :
    1928- Willy Falck Hansen -  1000 m staande start .
    1928 - Henry Hansen - individuele wegrit .
    1928 - Hansen,Nielsen,Jorgensen,Sorensen, ploegenklassement wegrit.
    1968 - Asmussen, Olsen, Mogens Frey, Lyngemark, Pedersen, achtervolging per ploeg .
    1972 - Niels Fredborg -   1000 m snelheid staande start.
    1988 - Dan Frost  - Puntenkoers op de wielerbaan  -

    ACHT ZILVEREN MEDAILLES :
    1924 - Willy Falck Hansen en  Edmund Hansen - Tandemkoers .
    1932 - Sorensen, Nielsen, Hansen - wegrit per ploeg.
    1964 - Kjel Rodian - Individuele wegrit mannen.
    1968 - Leif Mortensen - Individuele wegrit mannen.
    1968 - Niels Fredborg -  1000 m staande start .
    1968 - Mogens Frey Jensen - 4000 m Individuele achtervolging+ Olympisch record.
    1996 - Rolf Sorensen - Individuele wegrit mannen.
    2008 - Morkov, Jorgensen, Madsen, Rasmussen, Christensen , achtervolging per ploeg.

    ACHT BRONZEN MEDAILLES .
    1928 -  Willy Falck Hansen - sprint  mannen op de wielerbaan .
    1932 -  Harald Christensen en Willy Gervin .  Tandemkoers. 
    1948 -  Axel Schandorf - sprint mannen op de wielerbaan.
    1964 -  Preben Isaksson - 4000 m - Individuele achtervolging
    1976 -  W. Blaudzun, Gert Frank, J.E. Hansen, J. Lund, 100 km ploegentijdrit op de weg.
    1976 -  Niels Fedborg - 1000 m staande start .
    1980 -  Hans Henryk Oersted  - 4000m - Individuele achtervolging.
    1992 -  K.Frost, J.Madsen, J.B.Petersen,M. Sanstod, K.K.Nielsen, achtervolging per ploeg.

    HET WAS OP DE WIELERBANEN  DAT DE WIELERSPORT BELANGRIJK WERD :

    Reeds eerder dan 1890 bestonden er in Groot-Brittanië wielerbanen en in 2012 op de Olympische Spelen  te Londen zullen wij misschien toch beseffen hoe zwak België  is geworden in de aloude vormen van wielrennen op het hoogste niveau. Onze flandriens zijn slechts kermiskoersers in de zomer, tijdelijke pedaalhelden in Oost-Vlaanderen van de maand april, en showrijders  in zand, mist en modder tijdens winters namiddagen, en hopelijk bakken zijn wat beters in de komende Tour de France. 

    De wielersport toen georganiseerd door de International Cyclist Association ( voorloper van de hedendaagse U.C.I.) opende een groot hoofdstuk op de Ordrup Wielerbaan van Kopenhagen  op 15-16-17 augustus 1896. Er werd gereden bij de profs en bij de amateurs voor de titels van wereldkampioen snelheid over 1 mijl. De tweede wereldtitel  was die in de 100 km met gangmakers. Dit waren drie en ook vier renners die samen triplet-tandems of quadriplet-tandems reden en mekaar aflosten om de snelheid van hun 100km-rijder hoog te houden. Verder waren er tandemkoersen, handicaps, interlandenkampen over 10 km, om tussen de officiële krachtmetingen voor het wereldkampioenschap de toeschouwers bezig te houden. Sport voor profs zowel als voor amateurs zou moeten synoniem zijn van ridderlijkheid werd toen nog gedacht. Maar op dat WK van Kopenhagen liep veel mis. Vechtpartijen, twist, verkeerde beslissingen van de scheidsrechters, verstoorden de pret van zij die daar aanwezig waren. De amateurs Edwin Schraeder ( zilver in de sprint) en Anton Hansen ( brons op de 100 km) bewezen toen reeds dat de Deense baanwielrenners goed waren. Schraeder zou trouwens één jaar later te Glasgow wereldkampioen worden. Als finale van dit wereldkampioenschap 1896 kregen de toeschouwers als bijkomend dessert Paul Bourillon de wereldkampioen van de profs werd uitgedaagd door de wereldkampioen van de amateurs Harry Reynolds

    Tijdens de volgende jaren was de populariteit van de aristocraat Ellegaard geweldig en werd de bedrijvigheid op de Deense wielerbaan nog groter. Terwijl in Duitsland de renners achter gemotoriseerde tuigen voor veel geld begonnen te stayeren ontelbare meetings waar regelmatig dodelijke ongevallen  kampioenen in de doodskist brachten, weigerden de Deense organisatoren dat na te volgen. Ook duurde het lang alvorens gedacht werd aan Zesdaagsen. Dat kwam omdat een nieuwe baankampioen de sportliefhebbers gelukkig maakte. Zijn naam was Willy Falck Hansen en zijn specialiteit was de zuivere sprint.  Ondertussen koos de UCI  tot vijfmaal  Kopenhagen uit om de wereldkampioenschappen op de wielerbaan te organiseren ( 1903-1909-1921-1931-1937) .
    Ordrup werd het Mekka voor topsporters die een koersvelo gebruikten. Op eigen veld in de sprint amateurs stonden in 1921 en 1931 drie Denen op het podium en in die vrolijke jaren van sport en muziek ontpopte der Willy zich bij de amateurs. In de dertiger jaren zorgden grote zakken geld en de altijd aanwezige massa wielersupporters dat op Ordrup sportmomenten kwamen die nu niet meer bestaan. Welke was immers de intensiteit van het gebeuren wanneer ter gelegenheid van de jaarlijkse hoogmis van de Grand Prix de Vitesse van Kopenhagen fantastische kerels als Willy Falck Hansen, Louis Gérardin, Lucien Michard, Arie Van Vliet, Albert Richter, en vooral die Jef Scherens van bij ons er hun ruggen kromden. Eén banddikte was voldoende om op Ordrup eeuwige sportroem te verwerven.  Rondom die velodrom reed Poeske Scherens als winnaar vijfmaal zijn ereronde, terwijl duizenden Denen recht gingen staan omdat zij hem graag zagen. Jef was daar ook nog zes keren tweede .Wat een kampioen !  Zijn rondom Leuven de sportliefhebbers dat vandaag vergeten ?
    De uiterst populaire vorm van wielersport overgewaaid uit de USA, die de 6-daagsen waren, bereikte in 1934 ook Denemarken. In de tentoonstellingszaal Forum te Kopenhagen werd een overdekte verplaatsbare piste gebouwd van 180 m lengte per ronde. Tijdens de oorlog verdween deze piste, maar in 1951 was zij terug daar met 190 m lengte. 
    Gebeurde alzo wat gebeuren moest . In 1934 werd er te Kopenhagen een 6-Dagen gelopen in de Forum. Die zo schone stad kon toch niet minder doen dan New-York, Chicago, vele andere Cities in de States, en dan ook nog Montreal, Toronto, Vancouver, en Berlijn, Dortmund,  Brussel, Antwerpen, Amsterdam, Parijs, en London !  Want de grote sportzalen met een velodroom vulden zich toen  bijna overal zeer goed . Op de eerste vijf edities van voor de oorlog zouden er vierenveertig volgen vanaf 1951 en het gaat in de 21ste eeuw verder in de prachtige 250 m baan van de Arena van Ballarat. Wie zou denken dat de Deense renners van 1934 niet veel voorstelden is verkeerd, want pistiers waren geen wegrenners en te Kopenhagen hadden die snelle mannen hun stiel goed geleerd op Ordrup. Hier even de namen van de Deense zesdagenrenners uit die jaren :Willy Falck Hansen, Mogens Danholt,Richard Knudsen, Ander Meyer Andersen, Gunnar Harboe, Erland Christensen, Werner Grundahl Hansen, Henry Jorgensen, Osvald Falck Hermansen, Knud Aage Jacobsen, Arne Petersen, Karl Auguste Magnussen, Bjorn Stieler. Al die mannen verdienden genoeg om jarenlang op de wielerbaan professional te zijn.
    Te Aarhus, voor een volgende generatie, kwamen er negen edities van 1954 tot 1961. De lokale renners waren te Aarhus vooral Kaj Werner Nielsen, Keld Leveau, Palle Lykke Jensen, Evan Klamer, Otto Olsen, Knut Lynge, Freddy Eugen, en  van zestien anderen bespaar ik U de namen. 
    Te Herning kwamen tien (1974-1983) plus vier ( 1995-1998) zesdaagsen waarvan Gert Frank er vijf won. Die talentrijke wielrenner was te vlug uitgeblust want op te korte tijd reed hij 143 zesdaagsen waarvan hij er 20 heeft gewonnen. Palle Lykke-Jensen, de schoonzoon van niemand minder dan Rik Van Steenbergen, die won zelfs 21 zesdaagsen van de 122 die hij heeft betwist. Bij de nog aktieve renners wonnen Alex Rasmussen ( 8x) en Michael Morkov ( 5x).

                                                                                                           
     
         Lars Bak is klaar om in Tour 2012  voor Lotto-Belisol te werken                            Het is spijtig dat een kampioen als Henrik Djernis niet meer op de weg heeft gereden.

    DE GROTE JAGERS OP WERELDRECORDS .

    Zoals in andere sporten was het vestigen van wereldrecords steeds een moeilijk domein waarin enkel specialisten zich durfden begeven. Vele reglementen bakenen  precies af wat zo een wereldrecord inhoudt . De renner omringd door een groot aantal medewerkers moet zich zeer lang afpeigeren  om een kans te hebben te slagen in zo'n onderneming. De U.C.I. stelt de hoogste eisen op gebied van medische begeleiding, van gebruik van wat een recordfiets en een record moet zijn, en hoe, waar, wanneer, haar scheidsrechters het hele zaakje zullen opmeten en in goede banen leiden. Anno 2012 is de eventuele kostprijs van zo'n recordpoging nog amper te betalen, tenzij vele televisie-uren  het wereldwijd interessant zouden maken voor kijkers en sponsors. Ole Ritter was de bekendste wereldrecordman uit Denemarken, maar bij nader toezien moet Hans-Henrik Oersted toch even hoog worden geplaatst. Verder kenden ook Jorgen Lund, Mogens Frey, en Peder Pedersen zo'n uniek moment van geluk en glorie in hun leven waarop zij een wereldrecord konden verbeteren.
    Overzicht :
    19/9:1965 - Roma Olimpico - Ole Ritter - 100 km in 2u19'01" voor amateurs.
    30/10/1966 - Hallenstadion Zurich -  Ole Ritter - 10 km en 20km voor amateurs.
    4/10:1968 - Mexico Olimpico - Ole Ritter - profs 5km,10km,20km,  48,654 km in één uur.
    ( In 1974 bereikte Ritter te Mexico 48,739 km en 48,879 km  maar Eddy Merckx bleef zijn  uurrecord behouden)
    5/10/1969 - Mexico Olimpico - Mogens Frey- amateurs 5km,10km,20km,47,514 km in één uur.
    19/9/1971 - Roma Olimpico- Jorgen Lund- 100km in 2u18'43" voor amateurs.
    16/11/1971 - Mexico Olimpico- Ole Ritter- 100 km in 2u14'02" voor profs.
    30/9/ 1972 - Mexico Olimpico- Jorgen Lund - amateurs 4km, 5 km, 10 km.
    27/6/1974- Roma Olimpico - Peder Pedersen - profs - 1 km zonder aanloop in open lucht.
    31/1/ 1978 - Forum Kopenhagen - Hans-Henrik Oersted - amateurs 4km, 5km.  
    28/11/1978 - Forum Kopenhagen- Hans-Henrik Oersted - 10 km voor amateurs in 12'06".
    1/11/1978 - Mexico CEDOM -  Oersted (am) -  4km, 5km, 10km, 20 km, 48,200 km in één uur .
    22/7/1980  - Moscou Kryatskaya-  Oersted (am)  -  4 km in 4' 39" 8 .
    28/10/1980 - Forum Kopenhagen -  Oersted (prof) -  5 km in  5'59" 1.
    3/11/1980 - Mexico Olimpico - Hans-Henrik Oersted -  5km  in 5'50" 7 voor profs.
    19/7/1985 - Bassano del Grappa - Hans-Henrik Oersted -  5km in 5'45" 646 voor profs.
    9/9/1985 - Bassano del Grappa - Oersted (prof)- 48,144 km in één uur op max. 600m hoogte.
    21/9/1987- Forum Kopenhagen-  Oersted  (prof) - 5 km in 5' 54"344 - overdekte houten baan van 190 m.

    HET RIJKE WIELERLEVEN VAN DE DENEN OP DE WIELERBANEN.

    Wie nostalgisch aan het geronk van de derny's terugdenkt , zal graag terugzien welke Deense renners in die discipline uitblonken op de Europese Kampionschappen dernykoers op de wielerbaan.
    Goud : Ole Ritter (1976) - Gert Frank (1984) - Jimmi Madsen (2000)
    Zilver : Palle Lykke (1967) - Gert Frank (1982)
    Brons : Palle Lykke (1963) -Palle Lykke (1964) - Ole Ritter (1977)- Jimmi Madsen (2001)
    en daarbij  mag nog de titel van wereldkampioen worden geplaatst van Gert Frank in 1983.

    Uitslagen op het WK in de achtervolging beroepsrenners 5 km. 
    Arne Werner Pedersen ( 1946) , Kaj Werner Nielsen ( 1951 + 1956), Jesper Worre(1988) veroverden de derde plaats. Ole Ritter ( 1968) en Jesper Worre (1987) veroverden een tweede plaats . Vanaf 1980  tot 1987  stond Hans-Henrik Oersted ieder jaar op het podium, en hij was driemaal wereldkampioen. 
    Bij de amateurs was Knud Andersen wereldkampioen achtervolging 4 km in 1949, na een derde plaats in 1947. Kaj Erik Jensen was wereldkampioen in 1962.  Mogens Frey was tweede in 1967. Preben Isaksson (1965) en Jan Bo Petersen (1991) waren derde.Vanaf 1993 werd de achtervolging Open en bleef er slechts één jaarlijkse wereldkampioen in de achtervolging.

    Op het WK. in de achtervolging voor ploegen werden de Denen tweede in 1962 en 2008. Zij werden derde in 1963,1993,2007. Grote vreugde echter in 2009 toen het team met de sterke Alex Rasmussen wereldkampioen werd. Dezelfde Alex Rasmussen was in 2005 en 2010 wereldkampioen scratch. In de puntenkoers bij de dames werden Mie Bekker Lacota (2007) en Trine Schmidt (2008) wereldkampioen. In 2009 te Moscou werd de junior Sebastian Lander wereldkampioen in de puntenkoers.

    Een aparte figuur was Niels Fredborg . Hij was een specialist van de  1 km tijdrit bij de amateurs . Driemaal wereldkampioen ( 1967-1968-1970) en Olympisch kampioen in 1972.
    Toen zijn jeugd voorbij was probeerde Niels het nog in de Keirin die overkwam uit Japan. In 1980 werd hij alzo derde op het WK Keirin achter Clark  en Morelon.

    Zo'n studie als deze  zal altijd wel iets vergeten , maar dit toch niet . Tijdens het interbellum bestonden er op de wielerbanen ook echte klassiekers buiten de officiële kampioenschappen en de zesdaagsen. Het volk stroomde te Parijs samen in de Vel d'Hiv voor zulk een 'américaine ' over 100 km die de ronkende naam Grand Prix Goullet-Fogler droeg. Op 6/12/1936 wonnen Willy Falck Hansen en Erland Christensen deze koppelrit . Dat betekende een enorme prestatie en een grote zak met geld, want zij klopten Antonin Magne en Charles Pélissier. 
    Terug naar het begin van die eeuw vinden we Axel Hansen . Hij werd kampioen van Denemarken achter de motoren, hij probeerde Ordrup wakker te maken voor dit soort koersen.
    Zijn tijdsgenoot Niels Marius Andersen , geboren in 1877, reisde de wereld rond als beroepsrenner. Hij was voor Denemarken een wielerpionier die in de USA  elf zesdaagsen heeft gereden in de periode van 1900 tot 1920. In 1908 won hij te Boston met Ivar Lawson als ploegmaat en zo werd hij daar goed bekend .


    DOPING .
    Dit is een moeilijke materie waar ik me nooit in heb willen verdiepen, ondanks dat ik over zovele domeinen uit de wielersport een goede kennis heb. De voorbije twintig jaren kwamen de namen van de belangrijkste wielrenners uit Denemarken inderdaad op de lijsten van de onderzochten, van de verdachten, van zij die bekenden, van zij die werden geschorst, gestraft, beboet,  en van zij die nog steeds beweren van onschuldig te zijn, of van zij die menen dat de reglementen of de wetten niet voor hen van toepassing waren of te onduidelijk waren, of van zij die in een boekje de waarheid beweerden te verklappen over competitievervalsing door het slikken van peppillen of over verboden medische begeleiding.
    Uiteraard komt, gesitueerd vlak na de dood van Tom Simpson, ook steeds de bewering dat een Deense wielrenner op de Olympische Spelen 1960 te Rome ook reeds de dood vond.
    KNUD  ENEMARK  JENSEN  ( °Aarhus 1936) was eerder door twee valpartijen lange tijd buiten competitie, maar in 1960 had hij de grote conditie te pakken. Hij won de klassieke Fyen Rundt over 225 km te Odense  en hij werd wegkampioen van Skandinavië.  Zo verdiende deze Knud zijn plaats in het viertal van Denemarken dat op 26 augustus 1960 op het Cristoforo Colombo Circuit de Olympische 100 km ploegentijdrit reed.  De teams reden in een loodzware hitte van 42°C . Aan km 70 viel Knud Enemark door een zonneslag als een dode vogel neer en vermits hij geen beschermende helm droeg , betekende dat een schedelbreuk. Hij kwam niet meer tot het bewustzijn. Er kwamen veel vragen en er was een onderzoek. De Deense trainer bekende dat hij aan zijn renners een middel had gegeven om de bloedsomloop te stimuleren. Het wetenschappelijk rapport van de sportdokters vermeldde niet dat de dood door doping was veroorzaakt.  De jagers op dopingzondaars schreven dit echter wel en te dikwijls.

    TOEKOMST .

    Een jonge wielerkampioen  van een in Denemarken nooit eerder gezien kaliber meldt zich sedert zowat één jaar. Hij liet zijn kwaliteiten al zien in Denemarken, Duitsland, Nederland, Tsjechië, en daarna deed hij nog beter  want hij werd WERELDKAMPIOEN JUNIORS 2011  in het tijdrijden  en hij won   PARIJS-ROUBAIX JUNIORS 2012.  Te onthouden is zijn naam   : Mads Würtz Schmidt  ( geboren op 3 maart 1994 ). Ook een jonge ambitieuze wielrenster wordt gesignaleerd. Deze veertienjarige met veel talent heet Pernille Mathiesen uit Holstebro en zij zit op een strenge sportschool om binnen enkele jaren internationaal goed te presteren.  Jongeren zijn van plan om de komende bladzijden van deze geschiedenis verder mooi in te vullen.

    ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


    08-06-2012 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    30-05-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De wielersport op de weg begon reeds in 1869.
    JAMES MOORE
    de winnaar van de historische eerste wegkoers Parijs-Rouen 1869, vestigde eveneens vier wereldrecords over één mijl afgelegd in minder dan drie minuten (staande start ). Zijn sportroem als wielrenner bereikte een top in 1879. Nadien werd hij in Normandië een befaamd dierenarts. Hij was goed bekend in de paardensport  en werd schatrijk door het verzorgen van beroemde koerspaarden.

    Alvorens de eerste wegkoers te beschrijven wil ik eerst toch duidelijk maken dat uitvinders, fietsenmakers,  fietsenverkopers, wielertoeristen, koersinrichters, sponsors, signaalgevers,  verkoopsters van drankjes, politiemannen, tijdsopnemers, en supporters, reeds eerder bestonden dan de gewone renners met de pet en de buitengewone wielerkampioenen met champagne in hun drinkbus. Toen op die bewuste zondagavond van 7 november 1869  het startschot werd gegeven voor de eerste historische wegkoers, had   'de fiets ' al een lange weg afgelegd in zijn technische ontwikkeling die stap voor stap tot vandaag is verder gelopen .

    Kleine James kwam op deze wereld in 1849 op te Bury St-Edmunds in Suffolk. Hij was de zoon van Elisabeth en James Moore, een metaalbewerker en hoefsmid. Hij had een broer Alfred en toen zijn ouders in 1853 te Parijs gingen wonen, kwamen er in het gezin nog vijf dochters bij.  Zij woonden  op 2, Rue Godot-de-Mauroy  en werden goed bevriend met de familie Michaux die op nummer  5-7  thuis waren. Bij Michaux was er ook een smidse. Zij waren bekend als slotenmakers maar ook als herstellers van Draisiennes, loopfietsen die reeds veel eerder bekend geraakten als de Laufmaschine von Herr Baron Draïs in de Duitstalige gebieden en als de Hobby Horse in Engeland. Op een dag kwam  Ernest, de zoon Michaux op het idee van pedalen te monteren op het voorwiel , en hij kon zijn vader Pierre overtuigen dat zij samen als mekaniekers iets belangrijks hadden uitgevonden. Dat kleine denkwerk van deze heren was een grote stap voorwaarts voor de mensheid. In 1865 maakten vader en zoon elke werkdag twee Michaudines.

    De zestienjarige James Moore kwam eerst voor de dochter Michaux, maar weldra beschikte hij ook over een prototype van een Michaudine, een uniek stuk oerfiets met pedalen  die toen nog zeer veel kostte. In de periode van technische en industriële vooruitgang die toen zich afspeelde, waren investeerders op zoek naar opportuniteiten. De gebroeders René en Aimé Olivier waren zulke  mannen. Tijdens de maand augustus 1865 reden zij als wielertoeristen tussen Parijs en Avignon  805 km  om zo'n pedaaltuig te testen. Dat jaar nog staken zij 50.000 goudfranken in om het atelier van Michaux te verbeteren en uit te breiden . Weldra werkten daar 300 personen. Iedere dag vanaf 1867 werden  200  fietsen gemaakt en de fietsen verbeterden van kwaliteit door nieuwe aanpassingen van de uitvinders Michaux. Het was een groot sukses, doch maar van korte duur want oorlog en bezetting ruïneerden in 1870 de prille fietsenindustrie die toen bloeide.

    In het park van Saint Cloud 1868  had James Moore  als een James Bond reeds alle tegenstrevers verslagen op een afgesloten terrein.  Vermits het toen nodig was van te Parijs  meer en beter Brood en Spelen te laten zien, groeide de gedachte om eens de gezondste sportieve bezitters van een fiets tegen mekaar te laten koersen  in de hoop van een nieuwe sportheld te ontdekken.


    De eerste wielerkoers op de weg.

     

     

    Dit evenement dat werd ingericht door   ‘ Le Vélocipède Illustré ‘ en heeft  - zoals de meeste wielerliefhebbers wel weten -   plaatsgevonden tussen de hoofdtad Parijs en de stad Rouen gelegen in het Westen , Het is toen een opmerkelijk gebeurtenis geweest. Honderdtwintig dappere wielrijders op Hoge Bi namen deel aan deze eerste race betwist op de openbare wegen over honderddrieëntwintig kilometers.


    Meldenswaardig is de aanwezigheid tussen de deelnemers van vrouwelijke velocipedisten.  Zij geraakten meestal slechts tot Vernon en namen daar de trein tot Rouen. Omdat  deze eerste wegkoers zeer moeilijk was, besloten meerdere liefhebbers van het op te geven. Maar a
    l deze ontgoochelde sportmannen met vuile aangezichten werden opgevangen door de leden van de Velorijders Club van Rouen.  Uiteindelijk hebben  toch 34 harde sporthelden de volledige afstand gereden. De laatste van deze pedaalgoden finishte pas in de ochtend van de volgende dag. Hier komen de namen van alle pioniers die het avontuur tot een einde brachten. Op te merken valt dat de vier sterksten nog zeer jong waren

    ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 

    UITSLAG VAN PARIJS-ROUEN  1869 :

     

    EERSTE :  James Moore ,  twintig jaar oud, die aan de Barrière de l’Etoile te Parijs vertrok om half acht op die historische dag van 7 november.  Hij stopte slechts te Rosny  gedurende  vier minuten voor een  verfrissende slok en  bereikte de  kerk  van Saint Paul te Rouen op diezelfde dag van 7 november 1869 om 18u10’ in de vooravond. Dit betekende dat deze bekwame velocipedist de xml:namespace prefix = st1 ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:smarttags" />123 km had afgelegd in 10 uren en 40 minuten, stops inbegrepen.

      

    TWEEDE en  DERDE gelijk :  André Castera , oud 19 ½  jaar,  en  M. Bobillier , 20 jaar, samen vertrokken om 7u 30’ . Zij namen rust te Epone ( 30 minuten), te Rosny (15 minuten), te Gaillon (5 minuten). Om 18u 25’  bereikten  zij samen het eindpunt te Rouen. Zij hadden 10u en 55 minuten nodig.

     VIERDE : Henri Pascaud, 17 jaar, die  was vertrokken om  7u 25’  en  die slechts gedurende enkele minuten was gestopt te Bonnières. Hij  meldde zich om 19u 25’ . Zijn tijd was dus precies 12 uren, alles inbegrepen.

     

    VIJFDE: Felix-Gaston Biot,  28 jaar, vertrokken om 7u 25’,  stop te Epone (15 minuten), Mantes (15 minuten) , Bonniers (5 minuten), Vernon (10 minuten), Gaillon (5minuten) en Vaudreuil (45 minuten). Zijn aankomst volgde om 19u45’  met als tijd 12u 20’ .

    ZESDE: Cantellauve , 25 jaar, gestart om 7u 30’. Hij stopte even te Rosny , drie minuten te Pont de l’Arche, en hij arriveerde om 21u 04’ . Tijd  13u 36’ .

     ZEVENDE:  Charles Bon,  21 jaar, die rustte te Epone (15’), Mantes (10’), Bonniers (5’), Vernon (10’), Gaillon (5’), Vaudreuil (45’), en St-Adrien ( 1 uur)  .Hij voelde zich op het einde onwel, maar  kwam toch aan  om 21u 47’  waar hij werd geklasseerd  na 13u 47’ .

    ACHTSTE :  Johnson, 25 jaar, vertrokken om 7u 25’.  Hij rustte te Vaudreuil gedurende drie uren, want hij was helemaal kapot.  Daarna bereikte hij nog mooi  Rouen om 21u 50’.

    Zijn tijd werd  14u 25’ .

    NEGENDE:  Senard ,  die was vertrokken om 7u30’ , kwam te Pont de l’Arche aan  waar hij zijn fiets stuk reed.  Hij vervolgde te voet zijn weg,  sleepte zijn tuig met zich mee tot aan de eindstreep . Deze moedige  werd afgeklokt om 21u 50’  met een tijd van 15u 13’ .

    TIENDE: Eneyer,  25 jaar, die op pad ging om half acht, stopte te Mantes gedurende 15’ en te Pont de l’Arche gedurende 1u 15’ halt hield. Hij finishte om  22u 53’.  Tijd   15u 23 ‘ .

     11. Tribaut, 12. E. Gillot, 13. Stoeckel

    Verdere rangschikking aan de eindmeet :

     

    14. Lamon,  de eerste wielrijder die na middernacht binnen liep.

    15. Cervor,  16. R.R.,  17. Delage,  18. O.Obrecht, 19. Leroy ,20. Venant, 21. Wolf, 22. Vanbelle, 23 en 24.  Rotan en Duval, 25. Chateau, 26. Tissier, 27. Cantorceau

     28. Pedra , gestart om 7u 30’, aangekomen volgende dag om 6u00’ .

     29. Miss America, vertrokken om 7 u30’, aangekomen om 6u.20’. Deze dame is gestopte te Mantes, Vernon, en Gaillon. Om 23u  ’s avonds was zij te Pont de l’Arche, waar zij rust nam tot 4u 30’ om dan te eindigen te Rouen samen met galante compagnons die hierna komen.

    30. en 31.  Turner en Taboureau., 32. Chatelain,  33. Fortin

     LAATSTE :  34. Prosper Martin, die precies één dag ( 24 u 00 ) nodig had !.  

     ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

    Enkele wetenswaardigheden :


    Een van de laureaten, M. Bobillier  ( verdienstelijk tweede samen met zijn kameraad Castera) was speciaal per fiets gekomen  uit Vovion  (Isère) . Hij was daar vertrokken op 11 october om 5u30 in de ochtend en hij kwam te Parijs aan op 17 october op het middaguur.  M. Bobillier had  zeshonderd kilometers afgelegd als voorbereiding op de wedstrijd  Parijs-Rouen.

    Maar ook  van  Pascaud, Biot, Johnson, Senard, Cantellauve, was geweten dat zij getrainde wielrijders waren, die een week voor de historische koers de  tocht  Parijs-Rouen  en  Rouen-Parijs  telkens op één dag en in beide richtingen  hadden  afgelegd .Deze  snelheidsproef voor  ‘ vélocipèdes’  ging niet onopgemerkt voorbij. Het was een geweldige gebeurtenis van  groot belang. De Velo Club Rouen  maakte er een eretaak van een grote receptie te organiseren  voor alle deelnemers.  Aan de twee eersten werd een vergulde en een zilveren medaille geschonken.


     



     

    Wedstrijdjes op Draisiennes bestonder reeds eerder -  Michaudine    -     De eerste vorm van een pedaal.




    Hieronder  : 
    De Hoge Bi    -   Moore en Castera   -  Ere aan de uitvinder van de pedaal.            



       

    30-05-2012 om 07:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.HISTOIRE DU TENNIS DE TABLE . Chapitre 1.
    Le tennis de table est devenu un sport important, qui à quelques semaines des Jeux Olympiques 2012 compte des millions d'intéressés dans toutes les parties du monde. C'est un jeu amusant qui permet au débutant, homme ou femme, enfant ou vieillard, de bien se distraire, d'améliorer la condition de tout le corps y compris le cerveau. Pour ceux qui le jouent à plus haut niveau, c'est une passion, un art, un métier, qui voit s'affronter des champions qui consacrent tout à leur sport. Car bien plus que d'aucuns pensent  le tennis de table demande beaucoup de qualités physiques et mentales qui ne peuvent être acquises que par la pratique quotidienne depuis le plus jeune âge et par le travail plus que par les dons naturels.

    Dès les premières civilisations les êtres humains avaient inventé des jeux de balle. C'est loin dans le passé qu'il faut situer l'origine d'un sport dans lequel une petite balle est si importante. Mais, ni une personne ni un endroit peut être associé à ce début lointain. Dès 1555,  il y avait en Europe des artisans qui fabriquaient et des marchands qui vendaient des balles ainsi que des bois spéciaux pour frapper sur ces balles. Un document de 1576 démontre la grande popularité du jeu de la courte paume à Anvers où 'il y avait déjà des compétitions avec des balles et des 'pala' , qui étaient donc des palettes. Les guerres de religion effacèrent le jeu de paume médiéval . Intéressant est de savoir qu'à Paris vers 1780, pour amuser les grands du monde, il y avait 250 salles et manèges, où  divers sports étaient pratiqués y compris des jeux avec des balles. Ces endroits avaient été détruit  à peu d'exceptions près pendant La Révolution ! .

    Il faut donc bien  admettre que c'est après 1870 dans l'Angleterre de la reine Victoria, lorsqu'il y a eu un 'boum ' pour les activités sociales et pour la culture physique en plein air, que la naissance du ping pong a également eu lieu. Pendant que les fermiers, les artisans, les commerçants et les ouvriers travaillaient, la bourgeoisie, l'intelligentsia, les militaires et la noblesse, avaient bien le temps, les espaces et surtout les moyens pour faire du sport. Le tennis sur gazon devint à la mode dans leurs milieux. Mais bientôt on se réalisa que le mauvais temps et la tombée de la nuit étaient incompatibles avec l'activité sportive. Entre quatre murs, sous un toit, bien chauffé, bien éclairé, en sécurité, avec à proximité de la nourriture et des boissons à volonté, il était bien plus agréable de se rencontrer pour le jeu, le plaisir et le sport. Dérivés du tennis sur gazon on vit ainsi grandir le badminton et le tennis en chambre. Ces jeux, pratiqués par les gens les plus riches, étaient les bienvenus dans les plus illustres salles, salons, hotels et cafés. Ce tennis sur la table plaisait beaucoup aux jeunes filles émancipées, et celles-ci accompagnées par des gentlemen faisaient vite la gloire d'une activité qui cherchait encore son matériel, sa réglementation, ses dirigeants, ses champions, et même son nom. Le développement industriel intense de l'époque s'adressait bien vite à cette clientèle qui avait besoin de tables, de filets, de balles, de palettes, de locaux, et c'est dès 1884 que diverses patentes d'inventeurs furent enregistrées pour le matériel nécessaire. Selon les pays des noms différents furent donnés par les fabriquants. Le pingue pongue commença en ce temps-là sous le nom de Gossima en Angleterre, Whiff-Waff aux Etats-Unis, Flim-Flam en Allemagne, ou encore Pim-Pam en France et Pom-Pom au Japon.

    Un fait important s'est déroulé au Cavendish Club de Londres en 1890 lorsqu' un match de cricket a été annulé à cause d'intempéries et que des sportifs très adroits avec des battes de bois et des balles se sont bien amusés au Gossima . Ces fameux cracks du cricket dégoutés de leur propre sport ont décidé alors la fondation du premier club de pingpong de l'histoire THE CAVENDISH  TABLE  TENNIS  CLUB. Leur jeune association fut enregistrée sous le numéro 19070. En cette même année  1890 le fabricant d'articles de sport DAVID FOSTER déposa la patente Tennis de Salon  pour le nouveau jeu dont la High Society parlait de plus en plus à Londres. En 1891 un autre fabricant John Jaques de Croydon, appelé aussi Jacques Gossima, améliorait un peu le matériel et donnait le nom Gossima au nouveau jeu bien aimé.

    Le développement du jeu de balle le plus rapide au monde ne s'est pas déroulé en Asie Orientale à la fin du XIXe siècle mais certainement en Angleterre où il y a certitude que dès 1884 quelques firmes ont produit des formes d'un jeu de socièté appelé  'Miniature Indoor Tennis Game' destiné à être pratiqué au-dessus du sol sur des tables dans les salons, les halls d'entrée et les salles de jeu. Il faut connaître l'ensemble de la fascination pour leurs sports que ces gentlemen, ces sportsmen anglais avaient. Une figure comme le Baron Pierre de Coubertin qui les cotoyait, avait trouvé sa vocation en ces années. Ces Anglais presque fous ou extravagants parfois qui faisaient du sport outdoor ou indoor, qui étaient entourés de belles ladies, qui avaient des chevaux et des bicycles à haute roue, étaient aussi des voyageurs et des touristes.  Un d'entre-eux, l' ingénieur James GIBB, revenait des Etats-Unis avec une nouvelle matière, la celluloïd, matière obtenue en plastifiant la nitrocellulose par le camphre. Mister Gibb cherchait à remplacer les balles de billard en ivoire par des balles d'un coût beaucoup plus bas. C'est lui développa la balle de pingpong toujours existante aujourd'hui. Les anciennes balles en caoutchouc, liège ou autre matière, furent remplacées par la nouvelle balle de Gibb. Il fit enregistrer son invention. Ce fut la firme américaine PARKER BROTHERS qui se mit à fabriquer et à distribuer les balles.  D'autres gentlemen ont fait voyager le virus du table tennis. Encore avant la fin du siècle des sportifs anglais l' importèrent dans leurs nombreuses colonies. Le bruit musical du ping et du pong de la balle en celluloïd devint populaire auprès des adultes et des enfants, et le succès de ce jeu simple, convivial, pas cher, fut très rapide. 

    Les débuts du tennis de table.



        
    JamesMcClure et  Marty Reisman (USA) , Guy Amouretti (France) , furent  des stars du pingpong vers 1950. Aujourd'hui leur sport retrouve la grande vitesse dans leurs pays.


     



           

    Les grands sportifs de Chine respectent beaucoup notre Jean-Michel Saive qui sera en vedette aux prochains J.O. !

    Dans les capitales de l'Empire Austro-Hongrois, surtout à Budapest, une autre race de joueurs pratiquant le même jeu s'était entretemps développée. Des étudiants y louaient les tables dans les caves et les salles situées derrière les cafés où ils consommaient le verre de l'amitié en grandes quantités. Le jeu qu'ils pratiquaient était plus viril. Certains joueurs étaient des joueurs d'échec réputés qui amenaient la tactique, d'autres des acrobates et des gymnastes, d'autres encore des tricheurs ou des grossiers personnages qui criaient ' merde' lorsqu'ils perdaient le moindre point . Ces étudiants jouaient de jour et de nuit. Leurs parties interminables décidaient qui paierait la location et les consommations à la buvette.  Mais dès 1897 un championnat de très haut niveau rassembla des concurrents qui avaient déjà incontestablement  'la tête et les jambes' .
    Entretemps en Angleterre de nombreuses firmes vendaient tout ce qui était nécessaire pour pratiquer le nouveau jeu de table, y compris des vêtements. Car les belles dames n'allaient pas jouer au ping sans avoir quelque chose à se mettre pour la circonstance.  A partir de 1901 tout y changea brusquement. Les règles, lois et obligations, étaient fixées pour la compétition, par la fédération nouvelle dans le OFFICIAL HANDBOOK. Le dynamisme très grand des fondateurs anglais provoqua la création de clubs, et ce non dans des endroits médiocres, mais dans les annexes de hotels, de bâtiments d'exposition, de casernes de pompiers, et dans les clubs de tennis en de cricket déjà existants. La balle inventée par l'ingénieur James Gibbs était désormais fabriquée à bon prix et en quantité énorme. Six tonnes de celluloïd étaient chaque semaine transformées en 2.500.000 balles de ping pong. Un premier tournoi à Westminster fut un beau succès, directement suivi par d'autres organisations. En 1902  l'Empire entier de sa Majesté la Reine d'Angleterre était envahi par LA FOLIE DU PINGPONG . Toutes les familles nobles jouaient le Tennis Indoor Game, mais il a été écrit aussi que même des simples travailleurs, avec leurs épouses et enfants adultes, après leur travail et après le repas du soir, transformaient la table de leur living pour s'entraîner de 18h à 24h  en vue de prochaines compétitions. Dès cette année-là, il était déjà compréhensible que pour les débutants et les amateurs le plaisir seul comptait pour eux dans le pingpong,  mais que d'autres plus ambitieux, voulaient pour la gloire et pour les prix pratiquer un nouveau sport bien sérieux qu'ils nommaient avec insistance tennis de table. En vue des Jeux Olympiques 2012 les Anglais ont largement expliqué aux Asiatiques  que ce fut in the City of London que le pingpong a connu sa plus tendre jeunesse et nulle part ailleurs  ... !


     Pingpong or Table Tennis,  that's the question  ?  Mais flegmatiques comme ils étaient,  les Londoniens répondaient : " Don't worry how you say it ! - Just play it ! " . Le  'Boom' de cette année 1902  était la cause qu'il y avait bientôt partout plùs de balles de celluloïd dans les familles anglaises que des oeufs pour le breakfast!  La création fulgurante de nombreux clubs à Londres et dans tout le pays continuait. Une publication hebdomadaire informait les pratiquants. Elle portait le joli nom de THE WEEKLY JOURNAL FOR TABLE TENNIS AND PINPONG PLAYERS. et dans d'autres journaux une rubrique quotidienne était prévue. Pour illustrer l'énorme popularité du nouveau sport, qui s'explique par l'absence des loisirs d'aujourd'hui et par une période économique exceptionnelle en Angleterre, il faut citer que dans le club du Crystal Palace  (à comparer avec le Heysel à Bruxelles) on avait limité le nombre de membres à 500, parceque dans leur salle située dans une énorme serre il n'y avait que 200 tables qui étaient occupées tout le temps.  Je continue en donnant quelques noms d'autres clubs et places où l'on a joué beaucoup  : Apollo Club, Saint Pancras Ping Pong and Tennis Club, The Pigtail Pingpong Club, Wilfried Lawson Hotel ,The Hottentots, The Royal Aquarium, Royal Victoria Station Hotel, Alexandra Palace; The Ping Pong Saloon, Queens Hall Battersea, YMCA Hall, etc....  .  Le nombre de tournois surprend dès cette année 1902.  Sur un même mois 22 tournois avaient lieu dans différents endroits, et certains de ces tournois duraient pendant 4 jours. On constate par exemple l'inscription de 322 joueurs dans un tournoi, et aussi l'organisation d'un tournoi à Boulogne-sur-Mer (France) où beaucoup de V.I.P.'s  prennent leurs vacances. Il y avait dans les clubs des  'ladies night', soirées uniquement pour le sexe faible. Une championne venue de l'Isle de Man  et une autre venue de Dublin y connurent des heures de gloire.

    Fait intéressant. Découverte importante. Premier joueur de matériel. Un joueur passionné mais souvent battu de justesse par la malchance ( Oui, il y en avait déjà de ceux-là à cette époque  ...) allait acheter des aspirines  (tentative de dopage ...? ) à la pharmacie pour son mal de tête ( il avait bourlingué le jour précédent). E.C.GOODE était son nom. En voyant le petit tapis en caoutchouc sur lequel la monnaie lui était remise par la caissière, il eut une idée lumineuse. On ne sait plus s'il avait reçu le petit tapis, ou s'il l'avait acheté ou volé, mais il est certain qu'il est retourné à la maison avec. A domicile il a découpé ce tapis à picots et il l'a collé sur la surface en bois de sa palette. Avec sa palette ainsi transformée Goode commençait à gagner tous ses matches.  C'est lui le père de la première véritable palette de compétition.

    Au bout de 4/5 années ce rush du pingpong s'est arrêté. Cela se calmait à Londres et ailleurs. Beaucoup ont entretemps compris qu'ils ne seront jamais des champions . La vie de ceux qui ne gagnent presque jamais est trop triste. Les quelques-uns qui gagnent toujours sont trop fiers, ils ne parlent même plus avec les anciens camarades restés trop maladroits et petits. Aujourd'hui encore cela se passe ainsi. 

    Le tennis de table indoor étant devenu démocratique, les gens de la haute socièté qui n'aiment guère se mélanger au peuple ordinaire, quittent et recherchent d'autres plaisirs. Dès 1907, sur les marchés anglais, dans les braderies et les brocantes, une masse de matériel déclassé arrive, et même dans les  poubelles on retrouve partout des palettes cassées. Le feu s'est déjà éteint vers 1910. La période était aussi caractérisée par les débuts des sports moteurs et de nombreux gentlemen y trouvèrent leur nouveaux  plaisirs.  Jusqu'en 1914 c'est au music-hall qu'un seul champion existe encore : le showman Laszlo Hartmann, artiste de variété. Il  retourne en clown les balles ou et les expédie dans un verre de champagne ( ou de l'eau selon les endroits). Seul lui gagne sa vie et trouve encore sa place dans la presse anglaise. Par temps de pluie ou de brouillard il n'y avait plus que ceux, qui ne tournaient pas autour des femmes, ni jouaient au bridge, ni étaient des ivrognes, qui continuaient à taquiner la petite balle de celluloïd  et il faut ajouter que c'étaient des jeunes ou des timides qui étaient écartés des tables dix ans plus tôt.

    Si le tennis de table était joué beaucoup dans les milieux anglais et chez les militaires du Commonwealth casernés dans les colonies, il se développait déjà aussi en Corée, au Japon et en Chine, sur des tables un peu moins larges .

    A Berlin, en ces années le flamboyant Roman Najuch jouait au tennis et au tennis de table. On y comptait les points de la même façon d'ailleurs pour ces deux sports, mais bientôt le déclin est également un fait certain . Les Sports Moteurs, La Grande Guerre, suivie par l'épidémie de la Grippe Espagnole, et la dévalution du mark, les dommages de guerre à payer, enlevait l'envie et les  possibilités pour pratiquer un sport comme le tennis de table. encore petit et non organisé sur le plan international,  
                                                                                                *  *  *

    Au début du XXe siècle, les anglais et les divers habitants des pays de l'Europe Centrale avaient découvert un sport de palette, table et petite balle. Ce sport avait pratiquement disparu à la sortie de la guerre vers 1920, mais dans un monde où les sacrifices humains et matériels avaient été terribles, une nouvelle génération de personnes se mit à reconstruire ce qui auparavant en temps de paix avait été utile, agréable, intéressant, bon pour la santé et pour le commerce, ouvert à tous et pacifique. D'éminents penseurs d'Oxford, de Cambridge et du Pays de Galles trouvaient que pour reconstruire la vie sociale et terminer le deuil dans les familles, le sport et certainement aussi le tennis indoor devrait être pratiqué à nouveau dans tout l'Empire Brittanique vainqueur de la Grande Guerre. Nostalgiques des riches heures anglaises de leur jeunesse connues vers 1905, ces hommes allaient provoquer la renaissance mais aussi le départ d'un développement qui au fil du temps fera passer le tennis de table d'un jeu de défense lent au sport d'attaque très rapide connu actuellement dans le monde entier, et organisé par 212 fédérations nationales pour plus de 70.000.000 joueurs de compétition.

    Le Revival s'exprima dès 1922 par la réorganisation de la fédération nationale anglaise, l'établissement des règlements sportifs, la standardisation des matériaux utilisés. Les tables étaient sorties dessous la poussière des annexes, caves et greniers et retrouvaient leurs anciens emplacements dans les locaux destinés à la pratique du sport. Un grand monsieur se fit remarquer durant cette période, Ivor Montagu. Il était d'une famille très riche, propriétaire d'un journal, producteur de cinéma, et il était fasciné par tennis de table.

    Wiederaufleben aussi entretemps à Berlin, après la destruction de l'Empire Allemagne-Autriche-Hongrie, où toutes les choses devaient aussi être relançées après la catastrophe de la défaite. Des étudiants sportifs, spécialisés notamment en droit et relations internationales, sous la conduite du Dr Georg Lehmann y rejouent déjà au Tischtennis et vont faire naître le 8/11/1925 la DTTB. Poursuivant sur leur lançée ces juristes, passionnés de ping, vont créer la Fédération Internationale de Tennis de Table  le 15/1/1926 à Berlin. Comme membres fondateurs il y a  l'Angleterre, l'Autriche, la Suède, la Hongrie, et l'Allemagne, auxquels se sont joints rapidement la Tsjecho-Slovaquie, le Pays de Galles, le Danmark, l'Inde et les Etats-Unis d'Amérique. Cette année 1926 est cruciale car tous vont se retrouver sur invitation des anglais quelques mois plus tard à Londres pour les premiers championnats du monde de tennis de table et pour le premier Congrès ITTF.  Ivor Montagu y sera élu comme président . Cet homme restera en place durant 41 ans. 

    Sous Montagu en 1932 fut établie une définition importante sur le statut des joueurs qui décida qu'en tennis de table il n'y avait en aucun cas deux catégories, c.a.d. des professionnels et des amateurs. Considérés comme des  'Ni viande ni poisson' face à l'esprit olympique les pongistes voyaient les Jeux Olympiques fermés pour eux durant 45 ans. Seulement en 1977  à Birmingham que l'ancienne défition du conservateur Montagu fut annulée .

    En Hollande, dés 1930, la fédération régionale d'Amsterdam avait été fondée. Cette fédération était acceptée dans les rangs de l'ITTF jusqu'en 1935, et après fusion avec deux autres fédérations régionales elle devint fédération nationale néerlandaise. En 1936 sous son président Henk Kappelhoff elle regroupe 300 joueurs dont déjà le champion Cor du Buy.

    En 1930, aux USA, il y a deux fédérations. Les uns jouent uniquement avec le matériel distribué par Parks Brothers et les autres sont de la American Pingpong Association. En 1933 vint la National Table Tennis Association. Ces trois fédérations se sont fixées ensemble en 1935. Le tennis de table devint en ce moment-là très populaire avec en prime l'existence de quelques superstars qui ne sont pas encore oubliés aujourd'hui et sur lesquels internet a remis beaucoup de lumière. Le tennis de table se joue beaucoup dans les milieux juifs de la  Côte Est et dans les villas de Hollywood où  le président Montagu,  au bord des piscines  où la table de pingpong ne manque jamais, rencontre les grands du cinéma comme Charly Chaplin, Ginger Rogers, Bob Hope, Walt Disney, Sergei Eisenstein. et des starlettes talentueuses .

    Il faudra attendre jusqu'en  1953 pour découvrir aux Championnats Mondiaux de Bucarest les Chinois de la Chine Populaire . C'est les début du duel Chine Populaire -Reste du monde qui caractérise ce sport de nos jours. Mais il faut signaler qu'en 1923 déjà à Shangaï et à Nankin on jouait au Takayu sur des tables moins larges (1,42 m)  disputant des sets qui n'allaient que jusqu'à 11, alors que ailleurs 21 était la règle anglaise. Avec étonnement les joueurs des autres races découvrirent qu'en Asie les joueurs tenaient leurs palettes avec cette étonnante prise porte-plume. Il a fallu donc se mettre bien d'accord. Tout au long des nombreuses années les dirigeants des fédérations et des clubs ont pensé à cela. Bravo d'ailleurs pour le résultat obtenu.

    En France la fédération nationale voit le jour en 1927. La FFTT organise en 1928 son premier championnat de France, suivi en 1932 par ses Open Internationaux de France. La Suède organise en janvier 1928 une assemblée générale et les championnats du monde.

    L'interbellum est pour tous les historiens une période très intéressante en Allemagne. Le tennis de table sous la conduite de Georg Lehman s'y était détaché du tennis pour devenir un sport très différent et bien acceuilli par toutes les classes sociales dans les nombreuises régions. La  DTTV prenait le départ en 1925 avec 25 clubs. En 1931 il y avait déjà 180 clubs. Vint alors une explosion générale du sport dans ce pays suite aux J.O. 1936 à Berlin.  En 1934 il y avait 510 clubs  et en 1938  on y avait organisé 850 Tischtennisvereins.

    Dans les prochains chapitres sur la Golden Era 1930-1940,  et  Les Sponge Rubbers 1955-1975, des nombreux champions et championnes auront leur petite place dans mon Histoire du Tennis de Table, mais je vous illustre comme apéritif déjà deux cracks qui ont transformé leur sport en un véritable art.  

    Viktor BARNA (1911-1972)  qui s'appelait en fait d'abord Gyozo Braun. Ce juif hongrois a été un gentleman qui  fascinait  amis et adversaires à toutes les tables. Il prit comme Victor la nationalité anglaise après avoir été pendant la guerre volontaire et parachutiste pour l'Angleterre. Cinq fois champion du monde en simples-messieurs 1930-35 Victor Barna est le Eddy Merckx de son sport et de son époque. La palette hardbat developpée par lui chez Dunlop, la Barna Classic, a été produite en un million d'exemplaires et ne fut jamais égalée en qualité selon beaucoup d'anciens.Il était inbattable lorsque jouant en double avec
     Miklos Szabados, qui devint australien




    Barna fut un champion exceptionnel qui avait fait progresser son sport considérablement . Voici cette  palette  qui  porte son nom . Elle est interdite maintenant puisqu'il faut noir et rouge pour les côtés. 


    Fred PERRY (1909-1995), fils d'un politicien Labour, fut d'abord en 1929 champion du monde en tennis de table. Ensuite il se met surtout à jouer au tennis. Il gagne comme premier joueur tous les grands slams et trois fois Wimbledon. Le plus grand champion anglais devint très célèbre par ses exploits sportifs et très riche par la vente de vêtements pour le sport. Qui ne connaît pas son logo avec les lauriers, marque de standing et de qualité. Tous les joueurs de tennis de table ont joué en blouses Fred Perry de couleur car le blanc ètait réservé longtemps aux players de tennis sur gazon. !


     
    Zang Jike champion du monde Rotterdam 2011 - Deux filles du Nigeria qui ont gagné leur sélection pour les Jeux Olympiques 2012.

    La petite balle de pingpong unit races et pays !

    30-05-2012 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    31-01-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Il y a déjà dix ans que le poète est mort.

    Gilbert Becaud:
    Quand il Est Mort le Poete

    Quand il est mort, le poète,
    Tous ses amis,
    Tous ses amis pleuraient.

    Quand il est mort le poète,
    Le monde entier,
    Le monde entier pleurait.

    On enterra son étoile,
    Dans un grand champ,
    Dans un grand champ de blé.

    Et c'est pour ça que l'on trouve,
    Dans ce grand champ,                                     
    Dans ce grand champ, des bleuets.



    François Silly werd geboren te Toulon in 1927, hij leerde piano te Nice, moest als weerstander onderduiken in de oorlogsjaren. Hij trok naar Parijs waar hij pianist was in schamele bars en samenwerkte met de liedjesschrijver Vidalin en de zangeres Marie Bizet. In 1950 krijgt hij een vaste stek in het orkest van Jacques Pills die met Edith Piaff samenwerkt. Zij inspireert hem om als Gilbert Bécaud zelf zijn liedjes te zingen en dat begint echt aardig te lukken vanaf 1953.  Zijn nooit eerder gezien energiek optreden bezorgt hem de bijnaam  Monsieur 100.000 Volts. Op een dag breken zijn jonge fans alle stoelen van het zangtheater waar hij zingt. De zanger Gilbert Bécaud scoort overal hoog in de zalen, in de radioprogramma's, in films, met de verkoop van zijn platen, en weldra ook op het nieuwe media televisie. Zijn muziek wordt overgenomen door belangrijke Engelstaligen. Louis Amade en Pierre Delanoé schrijven voor hem parels van liedjes.  In de sixties is Gilbert Bécaud de succesrijkste Franse zanger, een onsterfelijke van het chanson.  De Olympia te Parijs is zijn thuishaven , maar de grote Bécaud is onvermoeibaar en viert triomfen in vele landen. In 1973 moet hij omwille van zijn gezondheid het kalmer aan doen.
    De kunstenaar herwerkt en werkt nog veel aan zijn muziek. Af en toe ziet het publiek hem nog in de zalen, op televisie, in de muziekwinkels met nog ongekend werk, terwijl onvoltooid werk ongetwijfeld nog in de XXIe eeuw zal verschijnen op voorwaarde dat zijn erfgenamen daar voor willen zorgen. Gilbert Bécaud stierf langzaam door de kanker en sloot de ogen op 18 december 2001. Hij woonde tijdens zijn laatste jaren op een woonboot op de Seine te Parijs.  Zijn graf kan bezocht worden op  het kerkhof Père Lachaise .

    Eind december 2001 bevond ik mij te Havana op Cuba  in het huis van een winkelierster die ook beweerde dat zij ingewijd was in de santeria, alhoewel ik daaraan twijfelde. Nadat ik enkele US dollars had afdedokt begon die echte of onechte zwarte priesteres in wit kleed onverstaanbare woorden te prevelen, kaarsen te branden, rum te spuwen op een vreemd meubel van haar living , en op een speciaal voor de gelegenheid uitgerolde mat moest ik samen met haar op mijn knieën gaan zitten.  Toen gooide zij een dozijn schelpjes op die mat  en bestudeerde ernstig hoe deze dingen op de mat waren gaan liggen. Vermits één enkele schelp van die mat bijna was afgerold  beweerde de dikke negerin dat iemand die me dierbaar was onlangs reeds onze wereld had verlaten of op dat ogenblik aan het sterven was.
    Toen ik op 1 februari 2002 , na mijn weken op Cuba, begon  met het lezen van een grote hoop kranten en tijdschriften ontdekte ik dra dat mijn geliefde zanger was overleden.  Dat was een grote slag op mijn kop, maar ook het feit dat die zwarte Madame van het santeria geloof me de dood van een vriend, een familielid , of een weldoener had voorspeld, deed me echt duizelen. Na een grote tas sterke koffie begon ik toen te luisteren naar  vele  liedjes van Gilbert Bécaud die ik  al zolang en zo dikwijls had gedraaid, want steeds bestaat er van deze zanger een chanson dat als balsem kan dienen voor eender welke pijn van het hart of van de ziel.

    In  2012  ben ik nog altijd een grote fan van die unieke Fransman die zong over NATHALIE, ET MAINTENANT, MADEMOISELLE LISE,  QUAND IL EST MORT LE POETE, LE PIANISTE DE VARSOVIE, en nog veel meer  ...  !

        









    31-01-2012 om 04:22 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    22-12-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Il neige sur Liège - Jacques Brel .
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Il neige il neige sur Liège
    Et la neige sur Liège pour neiger met des gants
    Il neige il neige sur Liège
    Croissant noir de la Meuse sur le front d'un clown blanc
    Il est brisé le cri
    Des heures et des oiseaux
    Des enfants à cerceaux
    Et du noir et du gris
    Il neige il neige sur Liège
    Que le fleuve traverse sans bruit

    Il neige il neige sur Liège
    Et tant tourne la neige entre le ciel et Liège
    Qu'on ne sait plus s'il neige s'il neige sur Liège
    Ou si c'est Liège qui neige vers le ciel
    Et la neige marie
    Les amants débutants
    Les amants promenant
    Sur le carré blanchi
    Il neige il neige sur Liège
    Que le fleuve transporte sans bruit

    Ce soir ce soir il neige sur mes rêves et sur Liège
    Que le fleuve transperce sans bruit

    22-12-2011 om 21:53 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    04-12-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.La Bataille de Steppes du dimanche 13 octobre 1213.
    Je n'avais pu choisir l'endroit où j'étais arrivé sur cette terre. Mais au bout de presque 25.000 journées d'existence je réalise que j'ai eu de la chance d'avoir vu le jour dans une famille bien fixée sur les terres où les provinces belges actuelles du  Limbourg, de Liège et du Brabant-Flamand se rencontrent en un seul point. A l'âge de cinq ans dèjà mon père m'avait amené en haut d'une colline, dans les champs immenses, près des sept sources,  et il m'avait montré les splendeurs et les raretés de notre village . Peu de temps après avec mes jambes maigres j'étais infatigable et j'allais à la découverte des haies, des arbres, des ruisseaux, des prairies, des bois, des chemins profonds et des tumuli de la Hesbaye. Car je me prennais à l'époque pour Winnetou, le chef des Apaches, et ma course à travers champs était celle d'un jeune lièvre bienheureux. A l'âge de mes dix ans, pour la joie de ses enfants mon père avait acheté un âne.  Il attendait de ma part que  d'une ferme de Montenaken je ramènerais à la maison ce nouveau membre de notre famille. La vieille bête, qui avait passé presque toute son existence au fond d'un charbonnage, avait une bonne corde autour du cou et cela devrait me permettre de la conduire sur cinq kilomètres à travers ces chemins de terre que je connaisais si bien à cause de mes vagabondages à pied ou à bicyclette. J'avais mis beaucoup d'heures pour rentrer chez nous. Cette ânesse avait Bella comme prénom et c'était une vieille jeune-fille stérile. Ce jour-là cela avait été un dur combat pour se mettre bien d'accord au sujet de qui serait l'homo sapiens et qui l'asinus aux oreilles trop longues. Mon duel de dressage s'était passé exactement dans la campagne de Steppes où au début du treizième siècle  avait eu lieu la grande Bataille de Steppes.

    Il y a eu plus de cinquante batailles importantes sur le territoire actuel du Royaume de notre Belgique, et dans mon village nous étions fiers que cet évènement du dimanche 13 octobre 1213 s'y était déroulé. Toutefois  peu d'habitants actuels de la région s'intéressent encore à ce glorieux dimanche d'un passé si lointain, et c'est pourquoi j'ai pris la liberté de me documenter un peu pour une modeste présentation sur mon blog. Vous êtes en train de la lire et j'espère que cela ne vous laissera pas indifférent.

    Reculons dans le temps vers cette Europe de l'Ouest de 1212 qui était partagée selon les historiens entre trois forces principales : le Saint Empire , la France, et l'Angleterre. Sur un plan plus régional les dés étaient dans les mains de la Flandre, du Brabant, et de la Principauté de Liège.  On peut presque dire que cela ressemblait à aujourd'hui. C'est exact et c'est aussi faux, car si les noms sont identiques, les intérêts en jeu sont différents, les frontières des territoires ont bien changé, et les innombrables familles nobles de jadis sont moins puissantes et surtout remplacées par d'autres forces capitalistes et politiques. Ce qui dominait la situation au Moyen Age était la voie commerciale qui mène de Bruges ( Mer du Nord) à Cologne ( Rhin). La politique était dictée par les relations entre les grandes familles nobles et s'exprimait par un multiple de mariages et d'héritages, mais elle se modifiait également par les affrontements armés violents et sauvages,  par les alliances et les traités. Il faut ajouter qu'en 1212 on était encore aux temps des croisades, des pélerinages, de la construction des cathédrales, des abbayes, de l'Eglise unique superpuissante de Rome,  et 
    au temps de la naissance d'une troisième force nouvelle composée par les citoyens de nos villes, artisans et commerçants organisés en gildes, métiers, confréries et milices.

    Il n'a pas été possible à bien d'autres que moi d'expliquer exactement l'importance historique de La Bataille de Steppes. Les témoignages directs écrits de l'époque sont très rares et trop différents les uns des autres, selon qu'ils viennent du côté de nos ancètres Limbourgeois, Liègeois, ou Brabançons. Il y a aussi des textes qui datent d'autres époques, y compris la nôtre, venant d'historiens religieux ou laïques, d'écrivains, d'étudiants, ou de Cercles d'Histoire, et qui dans leur ensemble prouvent un mélange de vérités, de légendes, mais aussi d'impossibilités et de doutes .


                     

    Les pas qui allaient conduire aux pires horreurs dans les campagnes d'Hesbaye avaient pris leur départ en 1197 à cause d'un testament fait par le comte Albert de Moha-Les Waleffes en faveur de Henri Duc du Brabant et de Louis Comte de  Looz, en échange d'une grosse somme d'argent, testament modifié ensuite en faveur du prince-évêque. Durant les années du début du XIIIe siècle de grosses tensions existaient entre les pays du Brabant et les pays de Liège à cause de cet héritage. Mais la naissance inattendue de Gertrude von Dachsberg, fille de Mathilde de Moha, enleva tout espoir aussi bien aux Brabançons (Ouest) qu'aux Liègeois (Est), car après avoir changé plusieurs fois ses accords avec ses voisins Belges, Duc et Prince-Evêque, le médiocre Comte de Moha donna sa toute jeune fille en marriage à un voisin du Sud, Thierry de Lorraine .

    Albert III de Moha décède. Il a beaucoup de dettes et c'est manu militari que les uns et les autres vont essayer de se faire rembourser. Fin avril 1212 le Duc du Brabant arrive dans sa nouvelle place forte Landen. Il arrive à la porte de sortie de son duché avec plus de 300 chevaliers en armure. Les jours suivants toute une armée auxiliaire le rejoint et l'affrontement politique se transforme en épreuve de force militaire.

    Depuis des siècles des hommes s'étaient installés dans les vallées avec microclimat et sur les bonnes terres au Nord-Ouest de Huy. Le Comté de Moha avait été beaucoup plus grand, mais compte
    en 1212 toujours 22 villages, 5000 hectares de terres agricoles. Le Duc Henri est sans scrupules, sa volonté d'étendre sans cesse ses frontières ne stoppe jamais, il est selon ses projets à la fois l'ami ou l'ennemi de n'importe qui. Ainsi Hugues de Pierrepont de Liège est le parrain de son fils, et via Philippe, le comte de Namur, il a signé un traité de paix avec les Liègeois.  Le Duc a recruté mille mercenaires à Liège et en Hesbaye qu'il a placés ensemble avec des troupes à lui dans un campement au Nord de Bruxelles en vue de participer à une future guerre entre la Flandre et la France.  Mais il est lié en affaires avec Otton IV Empereur, mais excommunié par Rome, à qui il a promis de corriger une bonne fois les hommes d'église de Liège. Ce vilain Duc du Brabant joue sur tous les tableaux !
    Le Duc veut s'emparer de Moha . Le prince-évêque déplace ses forces de Liège à Huy et laisse la cité ardente quasi sans défense ! Il n'y a ni hommes ni murs pour défendre cette grande cité qui pensait être sans ennemis. Car qui oserait s'attaquer à une ville sacrée qui compte tant d'églises et de couvents. Qui oserait avec des pieds impurs envahir le Palais du Prince-Evêque ?
    Les chevaliers du Brabant ne descendent pas vers la Burdinale et la Mehaigne, mais dans la brume matinale à pas rapide ils prennent le chemin vers le soleil levant qui mène à Liège.

    ( selon Coussement )  - Henri Ier le Guerroyeur, duc de Brabant, voulant se venger du prince-évêque de Liège, Hugues de Pierrepont, qui lui avait disputé avec succès la possession des seigneuries de Moha et de Waleffes, situées au nord de Huy, vint fondre à l'improviste sur la ville de Liége, où l'on n'avait pris aucune mesure pour résister à cette attaque inattendue. Les habitants s'enfuirent de l'autre côté de la Meuse; leurs maisons furent livrées aux soldats et le pillage dura quatre jours.

    Le prince-évêque voulait quitter Huy pour défendre ses biens, mais ses conseillers étaient informés sur l'impossibilité de reprendre possession de leur ville à cause de la terreur inhumaine qui y règnait . C'est pourquoi Hugues de Pierrepont s'est mis en sécurité à Dinant.

    Le  SAC DE LIEGE  de ce mois de mai n'était pas moins terrible que dans d'autres villes frappées à l'époque par le malheur de la guerre. Des milliers d'hommes sans pitié, avec une brutalité sans limite, volaient, incendiaient, violaient, tuaient, buvaient, cassaient ...  et il faut signaler que ce n'étaient pas les chevaliers et fantassins qui étaient les plus actifs après les combats, mais leurs divers compagnons temporaires qui n'étaient que des voyoux et des aventuriers. Vers ce Liège blessé ils allèrent en vue de profiter de la situation. Le Duc du Brabant était visiblement le chef d'orchestre de toutes les atrocités. Heureusement que quelques notables étrangers présents en ville purent intervenir auprès de lui  et ainsi des enfants pris en otage furent rendus à leurs parents, les églises et la ville échappèrent à la destruction totale par les flammes. Le dimanche tous les hommes d'église devaient jurer fidélité devant Dieu à leur Suzerain l'Empereur Otton IV et les survivants devaient signer un Traité de Paix qui les déshonorait. Le duc si rusé faisait comme s'il était venu à Liège sur ordre de l'empereur. Le lendemain l'armée du Brabant avec un butin maximum quittait Liège, s'empara de Les Waleffes, mais fatigués ils préféraient ensuite rentrer à la maison sans encore continuer la guerre à Huy en à Moha , où des défenseurs très coriaces les attendaient.

      

    Suite à cette dévastation de la Cité de Liège, les mois suivants le prince-évêque se mit en action. En cette période de grand deuil il améliora son armée, et poussa les Liégeois à finir les fortifications autour de leur ville, et surtout il faisait des bonnes collectes partout. Son rôle comme chef religieux n'était pas moins important. Henri le Guerroyeur, pour toute une population devint pire que le diable. Sa demande d'excommunication au pape était sollicitée. Un deuil général pour les victimes du Sac de Liège fut proclamé. Dans toutes les eglises des actions avaient lieu visant la damnation du Duc du Brabant. Sur le plan politique le prince-évêque pouvait s'entourer de nombreux amis importants, une coalition contre laquelle Henri I n'était plus capable de se battre. Mais au lieu d'affrontrer ses ennemis groupés,  le duc et ses nobles demandaient le pardon pour leurs crimes. Ils allaient à confesse et remboursèrent de fortes amendes en promettant de laisser Moha à d'autres. Le Duc Henri, temporairement répenti, admettait avoir très mal agi en attaquant un prince-évêque de sa propre dynastie. L'armée hétérogène qui était prête contre lui est dissoute vers la fin de l'année. Le comte Ferrand de Flandre, fin diplomate en ces heures, fut l'artisan d'une courte période heureuse sans vives luttes qui suivit.

    Mais, après l'hiver, déjà en avril 1213 Henri du Brabant change de camp. Il abandonne les Guelfes, son associaton allemande. En se mariant avec la fille du roi de France il devient un joueur des Franco-Staufen. Ceux-là sont en guerre contre les Anglais de Jean-sans-Terre, allié de la Flandre. Celle-ci alors a peur du duo France-Brabant, et pour avoir plus de force elle fait union avec Liège. Dès mai 1213 ces  concurrents s'affontent déjà dans une autre guerre qui ne fait pas partie directement de ce qui nous intéresse en vue de l'affrontement de Steppes, mais c'est un conflict dont il faut savoir l'existence à la même époque  .

    Malgré les bonnes relations de Henri I du Brabant avec les chanoines de Liège, Hugues de Pierrepont et Ferrand de Flandre veulent attaquer le Brabant le 10/10/1213. Au lieu d'attendre pour cette action commune, les guerriers flamands campent déjà avant cette date convenue autour de Bruxelles où ils n'avaient pas le droit de se trouver, et les voilà alors également en guerre et opposés à la couronne de France.  Mais Henri I est au courant des plans pour une grande explication Brabant-Liège. Il attaque lui-même avant le jour convenu, l'attaque étant souvent la meilleure défense selon les experts militaires. Ses troupes s'emparent de Les Waleffes, Tourinne-la-Chaussée et de Waremme, localités situées sur la vieille chaussée romaine. Henri le Guerroyeur passe la nuit à Waremme et continue vers Tongres, ville bien fortifiée.  Le duc diabolique va espionner lui-même la situation à Liège. Il voit des murs et beaucoup de défenseurs. Il se réalise ainsi qu'un deuxième Sac de Liège ne sera pas possible. Il retourne à Tongres et établit son camp sur les bords du Geer. Le samedi après quelques manoeuvres de diversion et des pillages à Tongres, Xhendremael, Donceel, Omal, où il se repose un peu, car en fin de soirée le duc Henri oblige ses hommes à une marche rapide pour passer la nuit sur une hauteur à Steppes, située entre Cras-Avernas, Montenaken, et Houtain l'Evêque, endroit qu'il trouve stratégiquement intéressant et où il y avait bonne eau pour hommes et animaux . Il faut savoir qu'en juillet 1203 aux mêmes endroits un plus petit affrontement armé d'une durée de 8jours avait déjà existé entre les mêmes adversaires.

    IN LOCO QUI STEPS DICITUR.

    Entretemps, les forces du prince-évêque, se rassemblent et partent de trois points, de Borgloon, de Liège, et de Huy. Ces trois forces armées, après un déplacement nocturne, vont s'unir au lever du jour à Montenaken, le dimanche 13 octobre 1213. Selon les principes de la chevalerie chrétienne, le jour du seigneur, le dimanche, il devait y avoir trève pour permettre aux combattants des deux camps chrétiens opposés d'assister aux cérémonies religieuses, pour des obligations familiales, et pour soigner les blessés. Mais ce dimanche 13 octobre, légende ou vérité, les 'bons' seront les Liègeois et les ' mauvais' les Brabançons, car comme leur chef Henri a été frappé d'excommunication, il est non-chrétien, barbare, hors-la-loi.
    -------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------                                
    QUELQUES HEROS QUI ONT COMBATTU POUR LIEGE A LA BATAILLE DE STEPPES DE 1213.

    ( Borgloon était une ville importante en ce temps-là, capital d'un comté qui allait jusque Tessenderlo et Hasselt. Pour être protégés contre l'expansionisme du Brabant ces Limbourgeois s'étaient bien associés aux Liègeois.)  

    Le Comte Louis II de Looz, qui venait de la forteresse de Brustem avec 300/400 chevaliers du Pays de Borgloon dont Henri III Comte du Limbourg lié par mariage au Duc du Brabant. - Didier de Walcourt, seigneur important des Ardennes, propriétaire à Walcourt, Rochefort,Clermont,Esneux,Dinant. C'est un ami de Hugues de Pierrepont. Il commande des chevaliers, et des citoyens de Dinant et de Fosse.-  Hugo de Florennes, qui possède beaucoup de terres à Liège, Namur,Hainaut, Flandres.- Arnold de Morialmé , seigneur de Fosse-la-ville, n'est pas très ami des Liègeois ni avec les curés, mais c'est un grand militaire qui aime la bataille. - Hendrik le provost de Notre Dame de Maastricht, entouré de quelques fidèles, prêts à une croisade contre le mal incarné par ce duc excommunié.
    Guillaume de Pietershelm, Otto von Born, Herman van Elslo, Guillaume van Rekem,Godefroid le Lion, Rase de Kortessem,Willem van Gothem,Walthère de Millen,Diederik van Loon, Lambert de Duras, Marin de Corswarem, et beaucoup d'autres chevaliers, sans oublier Lambert de Huy, et Anselme de Fléron qui perdra la vie durant le combat.
    De nombreux seigneurs de la Hesbaye, dont les puissants Dommartin, ne participent pas  parceque 150  d'entre-eux sont en Flandre pour la guerre contre la France. D'autres sont trop âgés ou préfèrent protéger la moisson entassée dans les granges de leurs fermes et chateaux.

    LIEGE  =  700/800  chevaliers   et  3000/4000 infanteristes.

    LE BRABANT ETAIT REPRESENTE  PAR :

    Il faut distinguer les chevaliers  qui étaient très mobiles, ce qu'expliquent leurs mouvements durant les journées
    avant la bataille, et venant derrière ces hommes et ces chevaux, des bandes de piètons, mal armées, ne faisaient rien de bon en route. Cette armée était surtout peuplée par des habitants de Leuven et de Lier. Des mercenaires de toutes les nationalités faisaient partie des troupes du Duc du Brabant.-Guillaume de Perwez , demi-frère du duc Henri I. -Henri de Huldenberg , conseiller du duc Henri I. Il était habillé comme le chef suprème pour faire croire que c'était lui le terrible Henri Le Guerroyeur.- Guillaume Longue Epée et Thibaut de Bar, Comte de Clève, des chefs de mercenaires.
    BRABANT  =   400/500  chevaliers  et 3000/4000 infanteristes. 
    ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
    Pics, lances, épées, couteaux, masses ( goedendags fabriqués par leurs amis de Flandre),cognées de bucherons , lourdes haches des abattoirs'Ardenne, casque  et cottes de mailles, voilà l'équipement dont disposaient les Liègeois. Ils ne portaient pas de boucliers, et on ne signale pas la présence d'arcs .

    Les deux armées se regardant de près au pied de la colline de Steppes, les minutes s'égrènaient lentement tandisqu'un soleil pâle se levait. Les Limbourgeois, les Liègeois, les Hutois et les Dinantais, voyaient dans leurs rangs passer de nombreux moines et prêtres qui bénissaient, distribuaient des communions, entendaient des confessions  et ni plus ni moins que le Prince-Evêque organisait une procession et des prières, transportant vers le champ de bataille une statue de la Sainte Vierge et un reliquaire de l'Abbaye de Saint-Lambert. Dans le silence avant le début des combats mortels si les uns étaient occupés avec des exercices de la foi chrétienne, la plus grande partie des autres, chevaliers et fantassins qui formaient les rangs de Liège, restait concentrée et vigilante en vue de l'affrontement militaire. Cela amusait l'armée du Brabant. Ces mécréants espèraient qu'avant le combat déjà la peur allait pousser les milices communales à prendre la fuite, car ils étaient trop jeunes et sans expérience. S'ils faisaient appel à des réligieux à cette heure-là , il était clair qu'ils pensaient déjà que la fin de leur vie terrestre était arrivée. Pour énerver ceux qui étaient en bas de la colline ceux qui étaient plus haut criaient des injures et des grossièretés. Il y en avait aussi qui employant leurs épées comme leviers bombardaient les lignes opposées avec des déchets, de la terre, des excréments d'humains et d'animaux, des fruits et des objets volés le jour précédent.  La tension était montée. La violence devait éclater. Le Bon Dieu qui voyait tout cela avait pitié des morituri, et le Diable ricanait tout en ouvrant déjà les portes de son enfer où les mécréants étaient attendus .

    Soudain le ( faux) Duc du Brabant mit feu à la bataille en galoppant en armure flamboyante sur son cheval blindé en direction de ses ennemis. Pas plus d'une seconde après déjà le Comte de Looz cria Loon, Loon, Loon, ... le terrible cri de guerre des Limbourgeois. Cette réaction immédiate à fait échouer le plan des chefs Brabançons, car ceux-ci avait prévu une perçée fulgurante qui aurait dû massacrer Louis II Comte de Looz  dès début du combat. Dans ce but cinq mercenaires d'une force physique énorme avaient attaqué le flanc droit des Liègeois. Mais bienque face à ce terrible escadre de la mort pointé spécialement sur lui et dirigé par le vrai Duc du Brabant camouflé en seigneur de moindre importance, le Comte de Looz se retrouva sur le sol rapidement tandis que toute la pression des attaquants écasait sa position sur le flanc gauche du champ de bataille. De justesse, il fut sauvé par la souplesse et le courage des jeunes seigneurs qui étaient autour de lui et qui tous risquérent leur vie pour le protéger, pour le remettre sur un autre cheval. Un bon mouvement des chevaliers de Didier de Walcourt coupa rapidement l'ensemble des belligérants ennemis en deux parties séparées. Il est certain que ce furent des chefs habiles qui allèrent remporter la victoire, des meneurs d'hommes qui ont su calmer les uns et faire combattre les autres au bon endroit et au bon moment. 

    Le fait que des nuages ont empêché les Brabançons de profiter d'une bonne visibilité, que leurs chevaliers en panique ont écrasé certains de leurs auxiliaires à pied, qu'ils ont laissé passer en se retrouvant encerclés des adversaires qui parlaient la même langue qu'eux, et d'autres points néfastes pour ceux qui allaient perdre, sont des bonnes causes qui décidèrent qu'en moins de trois heures la VICTOIRE DE LIEGE était certaine. A 15 heures dèja sur La Place Saint Lambert le moine Jonatos informa toute la cité  . De suite, la joie y était indescriptible. Dans toutes les églises et chapelles les cloches, pourtant silencieuses depuis mai 1212, étaient sonnées au maximum pour informer les populations de l'évènement extra-ordinaire, et le  'Te Deum ' était chanté en de nombreux endroits pour remercier le Bon Dieu ...  !
    Effectivement cela ne c'était pas encore vu alors que des citoyens amateurs avaient eu tellement de courage et d'ardeur qu'ils avaient écrasé une armée féodale de mercenaires professionels. Toutefois dans leur joie les Liègeois ont minimisé sans doute les mérites de leurs alliés qui avaient accompli du travail menant à la victoire sur leurs deux flancs .
    Que ce soit dans les chroniques célèbres et sérieuses, comme DE TRIUMPHE SANCTI LAMBERTI  IN STEPPES  de Renier, prieur des Bénédictins de Saint-Lambert, ou dans les simples récits populaires racontés depuis 27 générations de père en fils  (ceux qui avaient formé la population de la Principauté de Liège ) , ou aussi ailleurs encore pour ceux qui insistent et cherchent , il est possible de trouver d'autres faits concernant le dimanche 13 octobre 1213  et les dix jours qui suivirent.

    Ainsi, certains mercenaires Brabançons se seraient entretués au moment de fuire avec du butin rassemblé le jour précédent ... !  D'autres, des régionaux, des aventuriers, des mendiants, des voleurs et des valets, trainaient comme des vautours dans les parages, sans faire partie d'une des deux armées, mais dès que la victoire souriait aux Liègeois comme des braves ils se mirent à se salir les mains inutilement avec le sang des Brabançons. Si la cavalerie du Brabant avait par deux fois renversé et blessé leurs propres hommes à pied, il avait été vrai aussi que des Hutois avaient tué des alliés Limbourgeois parcequ'ils parlaient une langue proche de celle qu'on parlait à Louvain, et pourtant les eaux du Geer coulaient dèjà vers la Meuse en ce temps-là !   Ils combattaient ensemble mais ils ne se connaissaient pas assez bien !

    Mais j'ai rencontré quelque part ceci et ce ne fut pas sans conséquence. Henri III , noble Limbourgeois de mauvaise réputation avait deserté parcequ'en fait à cause de son mariage il ne pouvait faire partie d'un des deux camps. Ce chef en fuite rencontre vers l'heure de midi une trentaine de cavaliers encore frais qui viennent de la forteresse de Brustem , des hommes d'armes qui arrivent de territoires situés de nos jours hors de la Belgique et ce pour renforcer encore l'armée du Comte de Looz. Ces hommes ayant raté le début de la bataille sont friants de savoir ce qui se passe à Steppes. Le seigneur déserteur explique que les Liègeois sont dans de très mauvais papiers et leur conseille de rentrer à Brustem, endroit calme et sans risque, car ainsi son oncle Duc du Brabant resterait encore leur ami, ce qui serait bien plus intelligent que d'aller mourir pour une cause perdue tard dans l'après-midi  d'un triste jour d'automne ...   ! 
    Ces trente cavaliers venus de loin font demi-tour et attendent à Brustem, où vers 23h00 ils se rendent compte qu'ils ont été trompés car ce menteur de Henri III qui était un fils d'une soeur d'Henri I du Brabant . Aussitôt ils remettent le cap sur Montenaeken et y rejoignent encore dans la nuit ceux qui  épuisés, blessés, en désordre, couverts de joie et de gloire, s'enivrent en chantant des chants de victoire . Mais quand le lundi se pointe les Liègeois et leurs amis auxiliatores, ayant satisfait leur besoins de manger, de boire, de dormir,  s'organisent à nouveau et s'occupent des blessés, des prisonniers, des cadavres. Le prix payé pour l'immense victoire était lourd : 27 chevaliers et plus de 300 combattants à pied sont morts.
    Les Brabançons ont reculé sur Avernas et Hannut, vers l'Ouest et le Sud-Ouest, en fuite et en désordre, mais ils ne sont pas encore bien loin. Les traces de la fuite de leur cavalerie se retrouvent à Grand-Hallet, Chapeauveaux, Tirlemont, et sur la vieille chaussée de Nivelles. Toutefois il est déjà clair qu' ils ne vont pas revenir dans les arènes pour une seconde mi-temps, comme s'il y aurait eu match Standard - Anderlecht  !

    (Selon de Gerlache) - Le lendemain de bonne heure ils atteignirent les terres du Brabant et rendirent avec usure aux malheureux habitants de cette contrée toutes les horreurs de la guerre que le duc avait fait peser sur leur pays. Ils pillèrent et brûlèrent Hannut et la forteresse de Leeuwes; puis, pendant dix jours de suite, et sans rencontrer aucune résistance, ils dévastèrent une quantité de bourgs et de villages, tant du Brabant wallon que du Brabant flamand.


    La Bataille de Steppes était terminée le dimanche soir . La sainte victoire triomphale que Dieu,  Saint-Lambert, et selon certaines légendes aussi Saint Odile,  prirent des Brabançons en la Warde de Steppes , pour la vengeance des Liègeois, fut tellement signifiante qu'elle a écarté un ennemi traditionnel pour toujours et qu'elle a rendu un peuple fier et libre pendant des siècles. A partir de la victoire de Steppes les habitants et les chefs de cette ville libre n'avaient plus peur de personne  !
    Vu le rôle important donné à Hugues de Pierrepont lors de cette bataille à la Custodia , au poste de garde du Pays de Liège, la suite et le souvenir ont donné lieu à des processions, à des pélerinages, à une journée de fête à Liège, au respect des Teutons de l'énorme Empire Germanique pour la vieille cité sur la Meuse. Tout cela est une longue et belle histoire qui va jusqu'en 1795, et une histoire qui nous raconte aussi les conflicts internes qui opposaient à Liège éternellement les bourgeois, les ouvriers, et les religieux. 

    Le lundi 14 octobre 1213 les trente jeunes chevaliers qui étaient venus en retard et quelques autres militaires de rang moyen se remettent en route à la chasse des Brabançons . Ils sont très mobiles sur leurs chevaux et rencontrent bientôt des groupes de battus. Ceux-ci n'opposent que peu de résistance, laissent tomber armes et autres biens et se rendent acceptant déshonneur et défaite. Cette première vague de l'armée du lundi se retrouve en soirée en la forteresse de Hannut ( alors Brabant) qui laisse la porte ouverte. A Hannut hommes d'armes et civils prétendent qu'ils sont des amis. C'est pourquoi d'ailleurs que les chevaliers et certains fantassins Liègeois y passent la nuit, après avoir bien mangé et bien bu comme à chaque fois qu'une armée passait par ce carrefour en Hesbaye . Le jour suivant les trente chevaliers continuent leur nettoyage et leur poursuite, ce pour bien finir comme d'excellents professionnels une guerre ancienne qui est en fait le combat pour la conquète de la grande voie commerciale qui mène de Bruges à Cologne en passant par Maastricht.
    Entretemps des bandes de Liègeois, appartenant à la milice de la cité, des jeunes costauds équipés avec leurs lourdes haches de boucher forment une deuxième vague qui se déploit dans la campagne. Ces hommes ne se contrôlent plus et sont sans chefs. Ils se souviennent trop bien encore des horreurs de mai 1212 lorsque Brabançons avaient pillé leur ville, incendié leurs maisons, violé et tué leurs femmes, leurs soeurs et leurs filles. Ils n'ont qu'un seul but  : LA VENGEANCE  SANS LIMITE !
    Si dans les récits transmis jusqu'à nous par les moines, le Saint Esprit lui-même sous la forme d'une colombe blanche avait visité Steppes lors des moments historiques   et que dans les couvents de Liège, de Saint Trond, de Les Waleffes, les bonnes soeurs avaient prié beaucoup , ... le comportement de ces solides fils de bouchers à la hache lourde est compréhensible mais pas très chrétien . Cette deuxième vague se conduit comme tous les autres qui avant et après se rendirent coupables de crimes et d'horreurs en temps de guerre. Mais il est très difficile à accepter que,  même dans les vertes campagnes que l'on aime tant, que de telles atrocités se soient passées. La deuxième vague , 89 années avant Les Matines Brugeoises, va se venger à fond du Sac de Liège de 17 mois auparavant. Habitués de voir du sang dans les abattoirs ces Liègeois et autres de la même profession  se mettent à couper les pieds, les mains, les langues, les oreilles, les organes sexuels, de tous ceux qui ressemblent à des Brabançons coupables . 
    Une des raisons qui va faire s'enflammer l'horreur est que des habitants de Hannut se sont emparés de chariots qui venaient de Huy et qui étaient chargés avec tout le ravitaillement des troupes alliés. Cela fit de façon inattendue de Hannut une forteresse ennemie et traitre qui pour le jeu de cette guerre sera détruite encore ce même jour-là.  
    Mais c'est la cause aussi que les folles horreurs vont grandir et frapper tout l'Est du Brabant, avec la destruction de Hoegaerden, Landen, Zoutleeuw, et 28 autres hameaux, fermes et villages. Une troisième vague destructrice va en même temps passer.  Il s'agit de non-combattants de Montenaeken qui viennent nettoyer les champs et y ramassant armes, vêtements, chaussures et cuirs, armures, boissons, vidanges, nourritures, objets de valeur, meubles pillés ailleurs et abandonnés par ceux qui étaient en fuite. Ces mêmes personnes n'avaient pas peur de sortir leurs couteaux  pour obtenir ce qu'elles voulaient. Ensuite par le soin de moines et d'hommes chrétiens les morts inconnus seront rassemblés et entérrés en fosse commune.  Le récit est terrifiant . Souvent nus et mutilés, les cadavres attirent loups et chiens sauvages. Des membres de leur famille, des amis, des compagnons d'armes, retournent les morts connus vers leurs paroisses où en terre sacrée ils sont enterrés . Des chroniqueurs ont chiffré le nombre de ces cadavres entre 800 et 2000 . 
    Une quatrième vague de partisans de la victoire et de profiteurs se mit en route à partir de Saint-Trond, de Brustem, et même de Huy. Des commerçants et artisans allaient chercher comme butin de guerre tout ce que leurs concurrents de Zoutleeuw possédaient, alors que leurs milices communales n'avaient pas été opposées en combat militaire à Steppes. Zoutleeuw,  ville où le commerce international était très florissant , transformée en ruïnes suite à une incendie, devint cette semaine-là une ville martyre à cause de la jalousie  de ses concurrents commerciaux.Comme il était écrit dans la Bible beaucoup se prenaient pour les bons Juifs qui avaient pu avec la permission divine massacrer la race maudite des Amalecites .

    Le Comte de Flandre, Ferrand de Portugal, allié de Liège en octobre 1213, constate que les français qui ont pris connaissance de la situation  en Hesbaye, ne sont plus très motivés .C'est pourquoi dès la fin de la semaine il commande à une partie de ses hommes de traverser le Hainaut pour menacer Henri le Guerroyeur dans ses territoires les plus à l'Ouest. Le dimanche 20 octobre 1213  le puissant Duc Henri est etranglé par les deux fronts contre lui, et il doit accepter la défaite.Humblement il demande qu'on lui prépare les conditions pour la paix. Il se présente à Liège le 28 février 1214  pour en prendre possession. Entretemps comme garantie ses fils Henri et Godefroid sont pris en otage et gardés par le Comte des Flandres. Pour les Sac de Liège de 1212 , l'énorme somme  de 15.000 marks est fixée comme amende. Le duc est fauché  et c'est seulement 29 août 1227 que par un paiement de 27.100  livres il pourra rembourser en principal et intérêts . Ses deux fils retrouvèrent déjà la liberté après la belle victoire du Roi de France à la Bataille de Bouvines le 27 juillet 1214 ( échange de prisonniers). Une serie de places fortifiées séparera bientôt la Principauté de Liège du Brabant , et une paix de longue durée a suivi .

    Le 23 octobre 1212, Liègeois, Limbourgeois, Hutois, Flamands et autres alliés, à pied ou à cheval , retournent tous chez eux. Ainsi ils permettent aux habitants des villes et villages du Brabant de retrouver une vie normale et de  reconstruire ce qui avait été détruit. 

    Le Prince-Evêque Hughes de Pierrepont était le chef des vainqueurs . Sa gloire fut de courte durée . Rapidement il a des différends avec les chanoines de Saint Lambert qui lui reprochent qu'il avait été bien trop gentil  avec ceux du Brabant.  Beaucoup d'argent et d'or était passé entre ses mains, mais sa comptabilité n'était pas très en ordre. Sa popularité diminua rapidement . Il fut écarté de son poste. Cet homme important, héros parmi les héros de Steps, est parti en pélerinage à Saint-Jacques de Compostelle , où effectivement il était noté comme un pélerin des plus importants  ayant accompli  le long chemin bénéfique depuis Liège.


                       





    Sur un théatre plus modeste mais non moins intéressant , avec cent ans presque d'avance , les journées  de guerre féodale décrites annoncent déjà cettte Bataille de Courtrai  de 1302. Elle est semblable mais quotée plus importante par nos historiens officiels. Mais, le gamin de Houtain- l'Evêque que j'étais et que je suis resté continue à croire qu' à   'Hachez-Bouchers'  le sang avait coulé bien plus qu' à Groeninghe.  Tout en respectant la dévotion populaire de nos ancètres , je ne prétends pas comme les abbés Boonen et Kaudt de Montenaeken au XIXe siècle ou d'autres clercs et moines auparavant, ont écrit ou publié que la Saint Vierge aurait été présente lors d'un miracle pendant les combats meurtriers à Steppes en ce lointain  dimanche 13 octobre 1213.
    Je certifie cependant qu'une procession en groupe vers Steppes, avec les gens d'un même village à travers les champs, les chemins de terre profonds, entre les cérisiers, de chapelle en chapelle, ont jadis fait la joie et la foi de beaucoup de personnes dans cette région.  Que ce fut au mois vert de mai ou au mois brun-jaune d'octobre, la tarte était bonne à Montenaeken. L'église, la place du marché et les cafés y étaient remplis. En ajoutant que les filles étaient belles, et que l'après-midi il y avait course cycliste et sortie de la fanfare, je ne dois pas vous expliquer plus, qu' à pied ou à bicyclette je suis allé souvent en pélerinage à  Notre Dame de Steps.  .

    04-12-2011 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    01-09-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Toen er in Wallonië veel wielerkampioenen waren.
    Beste sportliefhebbers, vrienden van het kromme stuur, vroegere dopingzondaars en hedendaagse filosofen aan de toog of achter het computerscherm, mannen van het grote verzet of van het kleine verzet,  laten wij eerlijk zijn. Wie terug wil gaan, niet naar die ellendige septemberdagen van 2001 maar naar die september uit de goede oude tijd toen de Spaanse Griep net was voorbij getrokken in 1921 en de wereld terug op tempo kwam te draaien, die zal daar Louis Mottiat tegen komen.
    Louis Mottiat uit Bouffioulx in Henegouwen, dorp nabij de Samber bekend door de pottenbakkers die daar woonden, was bijgenaamd DE MAN VAN IJZER , omdat hij een atleet was met enorm uithoudingsvermogen. Geboren op 6 juli van het jaar 1889 begon hij vanaf 1910 zich internationaal te tonen als sportman van hoog niveau. Hij was een joviale kerel, die door wispelturigheid en vrolijke levensstijl niet alle dagen alles kon geven met de pedalen en hij was nogal traag van eindsprint. Door de Eerste Wereldoorlog werd zijn sportieve loopbaan gedurende vijf jaren onderbroken. Vooral in lange marathons, ritten in de Tour, en ééndagskoersen, de verschrikkelijk ultraproeven van toen die omwille van hun onmenselijkheid niet meer worden betwist in de moderne wielersport, kon Louis Mottiat een mooi aantal grote overwinningen behalen. Alcyon- La Sportive betaalde het maandloon en de kosten van deze beroepsrenner die in Wallonië leefde tot in 1972.

    Hierna het verhaal van één van die kanjers van wielerkoersen op de weg die op het palmares staan van  " Louis Mottiat, le plus grand des As de la Route, un pédaleur dont les performances n'ont jamais été égalé par les générations qui ont fait du vélo après lui, par les champions de notre pays, qu'ils aient été des provinces de Flandre, de Bruxelles, de nos régions francophones ou allemandes, ou par tous les autres résidents ou  immigrés pratiquant le noble art de la bicyclette en Belgique."  

     



    Vrije hedendaagse vertaling geplukt uit Miroir des Sports van 8 september 1921.

    MIJN OVERWINNING  -  LOUIS  MOTTIAT  LEGT HET ONS UIT     !

    Toen ik de start heb genomen, met mijn kameraden, aan de Westelijke uitgangspoort  van Parijs , Porte Dauphine, op vrijdag 2 september was ik er van overtuigd dat ik de koers zou winuen . Laten we echter goed verstaan dat ik toch ook wel besefte dat ik zou kunnen beperkt worden door eventuele ongelukken, door het lot of door pech en door het onverwachte dat zelfs de dapperste van de wielerhelden in onmacht kan brengen. Zo werd ik al vlug minder zeker , nog voor het bereiken van Dreux, want tussen Houdan en daar moest ik tweemaal  bandbreuk repareren. Dat zou later tijdens de eerste dag van deze Parijs-Brest-Parijs me nog drie andere keren doen stoppen. Uiteraard was het te verwachten dat mijn concurrenten iedere keer vleugels kregen om hun tempo op te drijven !  Uiteindelijk doorspartelde ik nog in goede staat, ondanks die platte banden, de eerste 600 km . Goesting om te slapen overviel me en bleef me tergen. Door mijn zadel heb ik veel pijn gehad aan mijn zitvlak. Ik heb veel dorst geleden. Maar ik kon dit alles verdragen en ik bleef volhouden ! Toen wij te Brest mochten draaien, met nog vijf sterke mannen in de kopgroep, heb ik al begrepen dat ik zou kunnen winnen. Slechts Eugène Christophe bezorgde me nog wat vrees en dat is de waarheid .  Hij is immers een man van staal !

    Na de tweede nacht voelde ik me bekwaam van met aangehouden inspanning het tempo omhoog te drijven. Mijn onzekerheid verdween, ik geloofde in mijn eigen kunnen. Ik twijfelde nog alleen maar om te beslissen waar en wanneer ik Christophe, Heusghem, Masson, en Sellier , zou kunnen losrijden. Ik voelde dat zij bij de eerste gelegenheid zouden afhaken. Later is gebleken dat mijn zelfvertrouwen niet overdreven was. De heren sportjournalisten zullen zich nog wel herinneren dat ik nabij Tillières, een halfuur alvorens ik uit de kopgroep ben weggestormd, ik hen nog ben gaan zeggen dat zij moesten wakker blijven in de wagens van  Miroir des Sports, want dat ik niet lang meer zou wachten om wat te laten zien dat waardig was om over te schrijven.  'De anderen denken dat ik moe ben', heb ik gezegd, 'maar let op want weldra ga ik beginnen te dansen op mijn manier, en dan zullen zij moeten lossen.'
    Toen mijn landgenoot Felix Sellier met zijn vervelende schermutselingen de kopgroep bleef pijnigen, heeft hij kermis in de  brouwerij gebracht.  Ik had maar één kans nodig. Die kwam er nadat onruststoker Sellier het meerdere keren probeerde . Ik was hem in zijn wiel gevolgd . We twijfelden toen de anderen terug schenen te zullen komen, maar dan sloeg ik alleen ten aanval, boog mijn hoofd en kromde mijn rug , zodat ik op volle snelheid  bleef vorderen. Alles wat in mijn spieren en in mijn hart nog was heb ik er toen uitgewrongen.

    Er bleven me nog 100 km af te leggen. Ik vloog zodat de laatste 50 km eigenlijk korter leken  dan alle vorige 50 km die we eerder onder de wielen hadden gekregen, want vele toeschouwers juichten me toe. Zij schreeuwden me op het laatste vooruit !
    Niet wetende wat zich nog in de koers achter mij aan het afspelen was, overviel plots nog een soort paniek me. Ik was zo bang dat zij met hun verenigde krachten en samenwerking terug aan het naderen waren op mijn achterwiel.   Toen ik echter duidelijk te weten kwam dat de sterke Sellier door een bandbreuk langs de weg stilstond  en hoe echt groot de voorsprong was die ik had genomen, was ik  zeer verwonderd. Dit veranderde weldra in een gevoel van geluk en tevredenheid.  Ik wilde deze belangrijke klassieker winnen en heel Parijs was op mij aan het wachten. Dit is het hoogste voor de grote wegrenners. Deze koers winnen  maakt van een wielerkampioen een onsterfelijke held  ! 
    Ik ben zeer gelukkig met mijn overwinning, vooral omdat deze werd veroverd tegen  die vier duivels sterke kerels die ik heb kunnen kloppen  ! .
    Mijn dank wil ik ook betuigen aan die tienduizenden supporters, mensen die ik niet ken maar van wie het sportieve hart voor mij heeft geklopt . Hun aanmoedigingen en hun vrolijke lach maakten het mij tijdens deze zware dagen mogelijk door te gaan tijdens de onbeschrijfelijk  inspanningen die hier aan een winnaar worden gevraagd .

        Louis Mottiat 1921 

    INDRUKKEN  TIJDENS  DE  1200 KM  TUSSEN  PARIJS  EN  BREST.

    Wie zo'n zeer lange koers bij dag en bij nacht volgt, verzamelt in zijn memorie vele merkwaardige beelden , en het is moeilijk daar eentje van tussen uit te halen en daar dan iets voortreffelijk over neer te pennen. In ieder geval was het me duidelijk dat de eindpaal door de deelnemende wielrijders slechts kan worden bereikt na bewijs van uitzonderlijke weerstand.
    Mottiat, die vorig jaar heen en weer op weg naar Bordeaux reeds een groot winnaar was, en de vandaag bij leven reeds legendarische Christophe, waren terecht de favorieten die niemand hebben ontgoocheld. Voegen we daar ook de heren Sellier en Masson bij omdat zij ons hebben bekoord tijdens hun schone prestaties en zij behoren ook tot het ras van de allergrootste kampioenen. Alavoine reed dit seizoen teveel en kwam reeds vlug door vermoeidheid te kort.  Dat was ook het geval bij Barthélemy en Scieur die door maagproblemen moesten lossen. Wie tijdens het rijden niet veel kan eten en goed verteerd is immers kansloos tijdens zo'n  marathon. Ook de vele andere deelnemers zorgden voor mooie sportdagen. Zij zijn dappere mannen die ik bewonder. Halfweg reeds sneuvelde de grote Firmin Lambot wegens ziekte en nog eerder zagen wij Leonard, Steux, Anseeuw, in de gracht gaan liggen en opgeven. Aan het keerpunt met als eerste aan de controle Sellier was even voor zaterdagmiddag geworden. Tijdens de passage van Morlaix, waar Christophe een bad nam en van kledij wisselde, bleven vijf renners samen in een eerste peletonnetje en zij werden onder de stralende zon herkend als zijnde Christophe, Mottiat, Sellier, Masson en Louis Heusghem. Hun schone pedaalstoten waren het bewijs dat zij nog fris waren, zij reden sneller dan het voorziene uurrooster, doch een streling voor ons oog was vooral het soepele benenwerk van Mottiat.
    Emile Forestier, de Touriste-Routier op dat ogenblik aan de leiding , botste tegen een koe . Er was schade aan dat beest, aan de fiets, maar niet aan de man die dapper weer vertrekt. De zenuwachtige Sellier was zijn tochtgenoten voortdurend aan het testen en ook aan het pesten, doch hij deed dit ook toen het tempo te laag was, omdat hij op zijn fiets in slaap riskeerde te vallen.  Met daarna Masson aan de leiding was de vaart van het quintet regelmatiger en ook hard, maar toen brak deze koptrekker zijn wiel, verloor veel tijd en krachten. Te St-Brieuc tekende hij wel terug samen met de vier leiders en dat betekende dat hij veel energie had opgebruikt en sedert Guigamp elf minuten rapper had gereden dan de eerste vier. Dit gebeurde in een Bretoense mist die het zicht van allen beperkte tot 20 m. 
    Te St-Brieuc komt Ernest Paul te voet aan met afgebroken pedaal. De voormalige prof  herstelt dit met moeite en verliest zo meerder uren. Gedurende duizend kilometers zaten die wielrijders op hun zadel, afwachtend, etend, vechtend tegen de slaap, en dat moet zo volgens de taktiek in deze wegkoers van lange adem. Mottiat kon dit , want reeds vanaf Alençon werd gevoeld dat de beslissende stoten van hem zouden komen. Met zijn koelbloedige aanvalsdrift animeerde Sellier nog altijd het gebeuren. De anderen konden steeds een antwoord geven. De vijf vluchters hielden mekaar voortdurend in het oog en niemand toonde zwakte. Om middernacht stopten zij lang om te eten te Rennes aan km 845 . Forestier, Trippier en Hudsyn volgden daar al met 5 uren achterstand, terwijl nog 5 uren later een groepje met Dorfeuille komt. Deze man zou nadien betrapt worden terwijl hij zich aan een auto vastklampte. De hoop van Frankrijk lag weer bij Christophe. Hij lachte en beweerde krampen te voelen.' Waarom is er toch geen betere coureur in mijn land dan de oude man die ik ben geworden ?' dat riep hij met luide stem !  Maar toch zou de Oude Galliër nog tweede worden in deze superkoers  !

    Het gebeurde op de helling van Tillières-sur-Avre . Daar sloeg de kampioen Mottiat toe. Hij had wat eerder zelfs de volgers in de wagens verwittigd dat hij dat zou gaan doen.  Na de zoveelste mislukte poging van Sellier, die andere grote kampioen uit België die een uur later en dichter bij de meet nog veel pech zou krijgen, profiteerde hij van enige aarzeling . Hij spurtte weg als een gek en weldra had hij enige boogscheuten voorsprong. Het was al te laat toen we enige organisatie bij de achtervolgers konden vaststellen. Louis Mottiat was reeds op de lange weg in de verte een punt geworden. Tussen Versailles en Parijs reed hij tussen een dubbele haag sportliefhebbers. Soms liet de menigte in delirium hem amper nog wat plaats om verder naar het Prinsenpark te razen. Auto's en fietsen volgden Mottiat, hetgeen achter hem voor stofwolken zorgde.

    Van alle koersen is het duidelijk  Parijs-Brest-Parijs  die de mensen het meeste boeit. Op alle uren van de dag en van de nacht, in Normandië, in Mayenne, in Bretagne, wachtten zowel de inwoners, burgers en arbeiders van de steden als de boerenfamilies op het platteland, op de doortocht van de geliefde wielrenners. Zelfs jagers met geladen geweer verkozen van naar de auto's en de velo's te blijven kijken. Er waren oude mensen die eerbiedig hun hoofd bogen en God bedankten omdat zij dit nog eens mochten zien op het einde van hun leven. Hele klassen schoolkinderen werden door leerkrachten of door nonnetjes opgesteld met tricolore vlaggetjes om de dappere wielerhelden  en de volgers  te verwelkomen.  Ja, het is duidelijk dat zelfs in het diepste landelijke Frankrijk een gelukkige nieuwe tijd is aangebroken !

    Tijdens de duisternis zorgden de versterkte lampen van de gemotoriseerde vierwielers van de volgers voor licht en veiligheid. Verder naar achteren in deze koers reden de amateurs-wegtoeristen meestal individueel met slechts een kleine lamp op hun tweewieler. Deze dapperen reden nog veel langer dan de beroepsrenners en volgden op vele uren, zelfs op dagen.  Dat betekende dat na halfweg de deelnemers die al uit Brest terugkwamen nog zeer lang de achterblijvers die ook probeerden het keerpunt te bereiken, kruisten en aanmoedigden. Onbegrijpelijk is zeker na  hen gedurende zo lang te hebben gevolgd,  hun inspanningen en hun lijden te hebben gade geslagen, kilometer na kilometer, dat zulke wielrenners wanneer zij met hun voeten in hun lichte schoenen naast je staan, dat zij eerder magere mannetjes zijn, gewone stervelingen gemaakt  uit vlees, been, vel, bloed en andere lichaamsvochten, helemaal niet de supermannen die zij eigenlijk toch wel zijn gezeten op hun stalen paard, met zulke moed en volhouding die zij al rijdend aan ons tonen.

    Zij die beweerd hadden dat door zo'n veel te lange afstand het maar een slaperige bezigheid zou worden tussen Parijs en Brest kregen volledig ongelijk. Want die ongelooflijk sterke kerels, na non-stop  1.100 km zonder slaap noch rust, reden nog met de beste benen een finale zoals er nooit eerder werd gezien in de wielersport. Zij reden, hoe is het mogelijk, nog  35 km per uur toen zij bergop hun beslissende strijd uitvochten. Met oneindige energie en brio verdedigden zij hun kansen tot wanneer ultieme vermoeidheid zichtbaar werd, na 55 uren en meer arbeid, alsof het ging voor een koersje van 200 km .

    Mottiat ging onbesuisd te werk, menend dat zijn achtervolgers nog niet verslagen waren en dichtbij op zijn hielen volgden. Hij reed zijn laatste 100km met recordsnelheid. Dat was alleen mogelijk door zijn schitterende forme, vaardigheid, stielkennis.  Omdat hij de vorige dag in die omgeving vijfmaal platte band leed, gebruikte hij zorgvuldig de diverse verharde wandelpaden en stoepen langs de grote steenweg. Hij zwiepte voorbij hindernissen en gaten, gleuven en scheuren.
    Wat is het bestaan erg moeilijk zo gezeten op een hard en smal  lederen zadel, in de zon, regen, wind, en in het stof en het vuil van de wegen. De kille vochtige ochtendmist in Bretagne, de lage temperaturen in het diepst van de nacht, niets kon deze Azen van de Wielersport klein krijgen.

    Ja, inderdaad, wij hebben wel gezien dat ook zelfs Mottiat het nodig vond van zichzelf te beschermen. De sterke Louis droeg bij momenten een regenjasje en ook wollen knielappen. Zijn laatste drinkbussen waren gevuld met gesuikerde wijn. Het vettige en vieze laagje vuil en snot dat op zijn gelaat plakte veegde hij af en toe weg met zijn vingers en dat ook nog dicht bij de meet om er een beetje fatsoenlijker uit te zien. Zoiets was toch eigenaardig voor zo'n barbaarse gladiator, een wildeman, een stier, die zo vreselijk met de pedalen op zijn fietsketting had getrokken. Hij was zelfs nog een beetje koket, gentleman voor de dames . Nadat hij het vuil had weggeveegd herontdekten wij zijn eeuwige hartveroverende glimlach. Wat een kerel  !  Zijn kop was zo zwart als die van een neger uit Ouagadougou, maar alle mensen die hem hebben gezien bij zijn aankomst te Parijs tijdens zijn triomftocht zullen een onuitwisbare herinnering bewaren.

    Rond de 666 m lange wielerbaan Parc des Princes wachten 20.000 wielerliefhebbers om de winnaar van Parijs-Brest-Parijs te zien binnenrijden. De stayerswedstrijd die het publiek amuseerde wordt afgevlagd.  Plots weerklinkt het geschal van militaire trompetten. Het is zowat 17h  op de eerste zondag van september 1921  en Louis Mottiat komt de velodroom binnengereden.  Alle toeschouwers staan recht en feliciteren zo goed mogelijk de superkampioen uit  België.  Het is alsof donder en bliksem op het XVIe arrondissement van Parijs vallen. Louis geniet en lacht zijn tanden bloot. Een grote pet, een zware stofbril, twee banden rond zijn nek, een volgepropte stuurtas, maar hij laat zich zachtjes uitlopen want voor de premie voor de snelste laatste ronde, laat hij het genoegen aan de mannen die 22 minuten na hem zullen arriveren.  Nadat Christophe deze premie  ( 333  franse franken van toen) heeft gewonnen volgt een overrompeling van de piste door de wielerfans. Alle toeschouwers willen immers de Goden van Parijs-Brest-Parijs benaderen. 

    Dat betekent dat de brave Louis Heusghem die velodrome niet meer binnen geraakt ! Een van zijn broers (Pierre) had in 1911 deze koers gewonnen als Touriste-Routier. 
     
    Mijn vraag om te eindigen :  Is er ooit een grotere  flandrien geweest dan de Waal  Louis Mottiat  ?


    Christophe        
                                                Sellier                                        Masson père
       

    ENKELE  TECHNISCHE GEGEVENS  OVER PARIJS-BREST-PARIJS  1921 :

    Het gaat over de vierde uitgave van deze wedstrijd die slechts iedere 10 jaren was voorzien?

    1891  :  1. Charles TERRONT 
    1901 :   1. Maurice GARIN 
    1911 :   1. Emile GEORGET                

    Aantal deelnemers :
    A.  Coureurs de vitesse =  44  profs  - zwarte rugnummers .
    B.  Touristes-Routiers   =  62 amateurs - rode rugnummers .

    Gangmakers verboden , helpers, verzorgers, alleen toegelaten in de controleposten.
    Profs mogen van fiets veranderen, amateurs niet. Profs mogen eventueel profs helpen, maar amateurs mogen dat niet. Vaste controle km 80 - km 156 - km 215- km 280- km 351- km 451- km 536- km 596 (Brest)-en op de terugweg op dezelfde plaatsen  zijnde dan km 660- km 745- km 845- km 981- km 1040- km 1116-   en ook nog vliegende controles zoals aan  km 1136 .  De  afstand  bedraagt precies 1196 km .    Start  vrijdagvoormiddag 9h 53 .

    EEN ORGANISATIE VAN HET DAGBLAD     L'Auto-Vélo .

    UITSLAG  PROFS   (10 geklasseerden)  :

    1.  Louis MOTTIAT    1196 km in  55h07'06"    gemiddelde 21,698 km/u.
    2.  Eugène CHRISTOPHE     op 23'27"
    3.  Emile MASSON  (vader)  op  23'32"
    4.  Louis HEUSGHEM         op  31' 16"
    5.  Félix SELLIER                op  1h 20'54"
    6.  Robert CONSTANTIN      op 7 h00'
    7.  Charles PAREL
    verder nog Pierre HUDSYN, Camille BOTTE, Maurice PESNIN .
    en disqualificatie van Etienne DORFEUILLE en Jean KIENLEN

    UITSLAG TOURISTES - ROUTIERS (49 geklasseerden ) :

    1.  Ernest PAUL   (halfbroer François FABER) in  62 h 12'  
    2.   Emile FORESTIER   op 4h30'
    3.   Etienne CHERET
    12.  Julien LOOTENS  - alias SAMSON op 39h53'.

    Dit zou de fiets geweest zijn van Mottiat.

    01-09-2011 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    08-08-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Le nouveau Phinney est arrivé.


       

    De benen en het hoofd .  Taylor Phinney geboren op 27 juni 1990 te Boulder ( Colorado) - 1m93  en 82 kgr .

    Ondanks het slechte weer op deze zomermaandag mogen de wielerliefhebbers toch weer glimlachen, want na een schone Tour de France ging vandaag de ENECO TOUR van start , de belangrijke rittenkoers op het grondgebied van Nederland en van België.  Deze 8ste dag van de 8ste maand van 2011 zal volgens velen, en volgens de senior-wielerfanaat die ik ben, in de sportgeschiedenis als een mijlpaal staan. We zagen op onze televisieschermen één jonge kerel in minder dan zeven minuten de 5,7 km lange proloog winnen. Ja, we kenden al wel zijn naam, maar dat hij zo'n toptalent is dat wisten we niet.  Welkom Taylor Phinney !   We zullen voortaan uw prestaties graag volgen en meeleven als supporters want wij geloven in U als nieuwe superkampioen . Tijdens de komende dagen hopen wij dat deze koers bijzonder aantrekkelijk blijft en volgende donderdag gaan we zeker langs de weg op een helling staan tijdens de zware rit van Heers naar Andenne.

     

    Jasmine Vangrieken overhandigt  de bloemen aan de sterke Taylor wellicht een toekomstige opvolger van haar Johan  als winnaar van Parijs-Roubaix.  Op de andere foto staan de echtgenoten Phinney- Carpenter als fiere ouders van Taylor tijdens de Olympische Spelen 2008.

    De moeder van Taylor Phinney :
    Geboren te Madison in Wisconsin op 26/02/1957 beoefent Connie Carpenter het snelschaatsen en reeds als jong meisje verovert zij in 1972 te Sapporo (Japan) een ereplaats tijdens de Olympische Winterspelen. Veel sterker en nationale kampioene blesseert zij zich echter vier jaren later. Om te revalideren begint zij te fietsen en dat vindt zij weldra toffer dan schaatsen. Op de weg en op de wielerbaan verovert zij spoedig zes nationale titels. Als studente aan de Universiteit van Berkeley munt zij ook  uit in het roeien , want in 1980 wint zij een nationale titel. Deze vrouw met vele talenten wordt in 1983 wereldkampioene in de achtervolging . Op de weg wint zij in eigen land de Olympische Wegkoers 1984 en dat betekende onsterfelijke sportroem. Ondertussen was zij de echtgenote geworden van de in de USA bekende wegrenner Davis Phinney. Dit gezin telt een zoon en ook een dochter die als sport aan langlaufen doet.

    De vader van Taylor Phinney :
    In de schaduw van de wonderboys Greg LeMond en Andy Hampsten lukte Davis Phinney een mooie loopbaan in de wielersport want hij was een sterk sprinter. Een paar honderd overwinningen in kleine USA koersen tijdens zijn jeugd, bezorgen hem eerst een selectie voor de Olympische Spelen 1984 in Los Angeles, en nadien gaan de deuren van het team van 7-Eleven voor hem open. Afkomstig  uit Boulder (  ° 10/7/1959 ) maakt hij naam in de Coors Classic en in de Ronde van Texas. Hij neemt in Europa ook  deel aan de Giro en viermaal aan de Tour de France. Davis veroverde er twee dagzeges en een tweede plaats voor de groene trui in 1988 ( geklopt door Eddy Planckaert). Nadat op veertigjarige leeftijd bij hem de ongeneeslijke Ziekte van Parkinson werd vastgesteld, begint hij zeer dapper aan een nieuw levensdoel. Hij zoekt fondsen voor het Wetenschappelijk Onderzoek op het gebied van deze ziekte.  

    De zoon van Davis en Connie, die de broer is van Kelsey.
    Begenadigd baanspecialist , niet vies van een veldritje, fantastische tijdrijder op de korte afstand, en nog aan het leren op gebied van langere wegritten, won de 21-jarige Phinney nu reeds vijf titels van wereldkampioen, en vier titels van nationale kampioen.  Achter hem staat een ervaren raadgever en dat is niet zijn vader, maar wel  good old Max Sciandri  die de internationale wielerwereld toch zo goed kent. Een jaar geleden lokte Lance Armstrong de jonge Taylor naar RadioShack, maar dan plots tekende Phinney een contract bij BMC tegen voorwaarden die nog géén enkele neoprof ooit kreeg.

    Taylor Phinney won bij de juniors reeds de Tour de l'Abitbi in Canada in 2007 en bij de Beloften in 2010 won hij in Nederland de vermaarde Olympia Tour. Voor ons Vlamingen klinkt echter nog beter dat hij zowel in 2009 als in 2010  Parijs- Rouibaix voor Beloften heeft gewonnen.
    Wat hij tot gisteren had gewonnen is al niet meer belangrijk want het leven loopt snel door.  Morgen start Taylor Phinney in goede forme in de leiderstrui van de ENECOTOUR  en hij heeft nu de kans om te tonen wat hij waard is .  Edvald BOASSON-HAGEN,  Philippe GILBERT, Nick NUYENS, Lars BOOM, Thomas DE GENDT, Johan VANSUMMEREN,  Stijn DEVOLDER, Geraint THOMAS,  Bert HERMANS, André GREIPEL, Tom STAMSNIJDER, Jurgen ROELANDTS, om er maar een dozijn te noemen, zullen deze nieuwkomer niet zo maar toelaten aan de tafel met de schoonste taarten.  Vrijdag te Roermond over 14,7 km komt de tweede tijdrit  waarin de jonge kampioen uit Colorado zijn kunde nogmaals kan laten zien.  
    Te Sint-Willebrord, Ardooie, Andenne, Genk   en Sittard-Geleen liggen de vijf andere eindstrepen .  Mooie wielersport in plaats van mooi weer, waarom niet  .... !

        
    Davis Phinney , bijgenaamd Thor in Colorado. 

    Mama Phinney had echte mooie en sterke sportbenen.    In het midden Connie en Maria Cannins.
     

    08-08-2011 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    14-06-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.ACHTERVOLGEND naar COMPOSTELA.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Wilfried Journée en Renaat Grandry.

    Vijftig jaren geleden waren het slechts zotten of zonderlingen die te voet naar Compostela stapten. Dat was de mening in het grootste gedeelte van Spanje. Ook bij ons bij de pastoors en de hoger geplaatsten in de Kerk was dat zo. Slechts enkele tientallen 'pélerins' trokken nog langs La Route de Saint-Jacques. Uiterst rechtse Fransen met hun  Société des Amis de Saint-Jacques bewaarden het uitzonderlijk erfgoed uit wat werd genoemd  ' de duistere Middeleeuwen ' en maakten er een Franse aangelegenheid van.

    In 1980 legden twee bekende wielertoeristen uit Antwerpen de historische pelgrimstocht af via Vezelay. Een kleine maar zeer goede reisgids werd over hun fietstocht gepubliceerd. Plots begonnen meerdere sportieve kerels uit het Vlaamse land dezelfde route te volgen. Al deze herontdekkers van de oude boeteweg kwamen met schone verhalen en zelfs met wild enthousiasme terug, en niet zelden waren zij persoonlijk zeer diep onder de indruk van wat zij hadden ervaren.

    Vanaf 1946 werd in het baanwielrennen de discipline ' achtervolging ' ingevoerd .  Namen van grote wielerkampioenen sieren deze vorm van competitie. Ongetwijfeld is het duel over de 5 km tussen Gerrit Schulte en Fausto Coppi  een bijzonder hoogtepunt geweest in 1948. Persoonlijk was ik in 1963 een van de Belgische supporters die te Rocourt voor de wereldtitel bij de internationale amateurs over 4 km, zeer hard had geschreeuwd om onze Jan Walschaerts te helpen winnen tegen de vertegenwoordiger van de Sovjet-Unie. Ja, achtervolging op de wielerbaan, dat was vaak de moeite waard. Ik  noem geen andere namen van renners of rensters die vroeger hoog hebben gescoord in de achtervolging. Vandaag wordt er te weinig aandacht geschonken in ons land voor het gebeuren op de wielerbaan. Maar het is nog altijd de waarheid dat bijzonder sterke wielrenners op het podium komen van de grote tornooien in de achtervolging.  Ik onderlijn wel dat Bradley Wiggins, de kopman van Team Sky voor de komende Tour,  een grote achtervolger was en dat de huidige wereldkampioen in de achtervolging Taylor Phinney is, de grote belofte van BMC .

    Het was geen waanzin, maar louter toeval of misschien ook wel de wil van de Apostel, hetgeen nu in de komende paragrafen volgt. Op Hemelvaartdag 31 mei 1984, na 2 jaren mentale en fysieke voorbereiding, goed gedocumenteerd  over oude verhalen van pelgrims van weleer, alsook na het uitpluizen van wegkaarten en via het nieuwe boekje van zijn vriend Wilfried Wyn, de pionier van de moderne Vlaamse pelgrims, vertrok Renaat , de anonieme wielrijder op een mistige morgend voor een rit van 2.200 km op de Ruta Xacobea. Terwijl vandaag het oppassen is geblazen om niet op  hielen te trappen van zij die net voor je lopen, of om niet door een valpartij te sneuvelen wegens zigzaggende vermoeide zwakkelingen die de weg versperren, was dat op het begin van de hooimaand in 1984 zeker niet hetzelfde. Er was toen nog bijna niemand op die lange pelgrimsroute naar Compostela, en er waren meer torens van oude kerken dan authentieke peregrinos uit onze tijd. Ik beweer niet dat mijn cijfers de juiste zijn, de boekhouding werd in dat jaar nog niet goed bijgehouden, maar er zouden te paard, per fiets of te voet nog niet meer dan 470 pelgrims geweest zijn, terwijl dat in 2010 meer dan 200.000  zou worden. Bovendien bezoeken in de XXIste eeuw nu jaarlijks ook, komende met gemotoriseerde tuigen, in de wolken, op de zee, in de treinen, en op de snelwegen, minstens 4 miljoen toeristen-pelgrims de stad Santiago de Compostela.
     
    Op 25 mei 1984, eveneens op de route via Vezelay uit het kostbare handboek van Wilfried Wyn , was een andere Wilfried vertrokken uit de Pepijnstad, bakermat van de Karolingers. Op 1 juni 1984 fladderde deze Wilfried Journée, na zijn wegvergissing van de vorige dag, weg uit Aigurande. Op zaterdag 9 juli 2011 zal daar de achtste rit van de Tour de France starten. Op 1 juni 1984 gleed Renaat verder van uit Signy l'Abbaye.  Grote vraag  :  Zou  de sterke eenzame Antwerpenaar, lid van de vermaarde Koninklijke Antwerpse Wielrijdersclub, vereniging met meer dan 200 leden, de solo-rijdende Landenaar, lid van miniclubje  Black Diamond Cyclo Association, met slechts 2 leden, na een lange achtervolging kunnen inhalen ?

    Die ene fietsende pelgrim wist helemaal niets af van het bestaan van die andere fietsende pelgrim, maar toch werden zij, tijdens het afknabbelen van de kilometers, tijdens dorst, tegenwind, bergop,  en zadelpijn voortdurend gekweld door vragen zoals dit  :  ' Ik ben maar een deeltje van een lange ketting !  Wie rijdt of wie stapt juist voor mij ?  Wie zijn die vele anderen geweest die mij zijn voorafgegaan, iets wat al gedurende duizend jaren is gebeurd,  en ook wie zal de man zijn die me binnen een uur ,of een dag,of een week, zal inhalen, een andere eenzaat op een Brooks-zadel die sterker is dan ik, die gemakkelijker over de bergen zal geraken, die minder lang zal stoppen onderweg  ... !   Wie is hij die ik volg, die ik misschien zal inhalen, en wie is hij die na me komt  ? Zullen, in de eeuwen der eeuwen, er nog velen  na mij komen op deze route vol voelbare energie en mysterie ?  Heb ik in een vorig leven , eeuwen geleden, toen iedereen de Apostel eerde of vreesde, ook al niet deze pelgrimstocht gemaakt, want soms kom ik op plaatsen, doorheen landschappen, aan waterlopen, waar ik het vreemde gevoel heb dat ik daar al eerder was, alhoewel dat nooit kan gebeurd zijn volgens de normale logica die nog in mijn kop zit  ?


    Op 4 juni , precies op de veertigste verjaardag van Wilfried, zijnde W.J. en niet W.W. , komt de Antwerpenaar voor het eerst te weten dat er een andere pelgrim niet in gedachten, niet in het boekje, maar in de werkelijkheid ook aan het vorderen is op weg naar de Donejakue Bidea.
    Vele jaren later kunnen we nog lezen wat Renaat Grandry in die dagen optekende .

    cfr. blz 21- Dagboek van de hedendaagse pelgrim :
    Neuilly-en-Dun. Marie-Claude die goed van tongriem is gesneden heeft haar naam zelf gezien in het boek dat werd geschreven. door de Antwerpse pelgrim die vier jaar eerder bij haar kwam schuilen. Want verleden week kwam hier nog een fietser pelgrim en die had het boek bij zich. Wie is deze eenzame fietser die vijf dagen voor me uitrijdt  ?  Zal ik hem inhalen of zal ik hem later ooit ergens op Vlaanderens mooie wegen ontmoeten ?

    cfr. blz 42- Dagboek van de hedendaagse pelgrim :
    Tierra de Campos . Misschien vind ik daar de fietsende pelgrim die bij Marie-Claude overnachtte. We zouden dan een eindje samen door deze uitdrogende hitte kunnen rijden. Enkele kilometers maar want hij zal ook wel een individualist zijn. Veel zullen we met mekaar niet praten want we weten van elkaar hoe lastig het soms was met die verdomde regen in Frankrijk, maar ook hoe mooi het is iedere dag een overwinning op jezelf te halen. Hem nu ontmoeten zou heerlijk zijn. Verder fietsen, verder mijmeren. Ontmoeting met Mme Simone Hauterive die zijn drinkbus met Vichywater vult. Zo geraakt hij op zinderend asfalt toch in Olmillos de Sasamon, zonder zijn vriend de fietsende pelgrim die hij als in een fatamorgana even voor zich uit zag rijden nabij een meer dat onbestaande was !

    cfr. blz 43 - Dagboek van een hedendaagse pelgrim :
    Meson de Villalcazar de Sirga. Vier maal wordt mijn glas gevuld door Don Pablo. Hij en zijn vrienden vertellen me dat verleden week ook een fietser pelgrim voorbijkwam, ' tambien de Belgica'. Als ik hen mag geloven moet het een reus geweest zijn , wel twee meter lang en zeker honderd kilo zwaar en met een zwarte baard. Hij zal niet door de knieën gegaan zijn van vier glazen Sangria of Liquor del Peregrino. M'n onbekende vriend zal zeker de Apostel al omarmd hebben in Santiago, waar hij misschien op me wacht. Mijn stuurtas werd volgepropt met fruit en gebak, en tientallen mensen kwamen mij omhelzen.

    cfr. blz 50- Dagboek van een hedendaagse pelgrim :
    El Acebo. Op de vlucht uit de enge ruimte van onze stopkontaktenmaatschappij wil ik aan het bronnetje van Manjarin mijn drinkbus vullen, maar het water is niet zuiver en daarom moet ik zonder drank verder. In de verschrikkelijke bergaf probeer ik elders water te vinden, maar ik struikel en val languit neer. Zo ontmoet ik een herder die onder de beschutting van een boompje een dutje doet. De tandenloze man  wijst me de 'Fuente de la Trucha' met haar kristalhelder water. De herder vertelt mij over een  'peregrino de Belgica' die hij ontmoette in de nacht van Pinksterenzondag. De Vlaamse pelgrim werd lastig gevallen door zijn hond. Als ik zijn Spaanse woordenvloed goed begrijp heeft hij het over dezelfde pelgrim die me in Neuilly-en-Dun en Villa-Sirga gesignaleerd werd. Wie ben jij Peregrino Flamenco, zullen we elkaar ooit ontmoeten ?

    De Compostelane van Grandry werd overhandigd op zondag 17 juni en die van Journée op 13 juni. Zondag 17 juni 1984 was een speciale datum vermits er toen voor het eerst Europese Verkiezingen waren. De twee achtervolgende pelgrims hebben mekaar dat jaar niet leren kennen noch op de Camino noch in de straten van Santiago omdat de Landenaar reeds op vrijdag de trein naar Irun nam, waarna hij tot zondagavond nodig had om per fiets Bordeaux te bereiken. Een nachtelijke treinrit bracht hem tot Parijs, vanwaar hij in drie dagen terug Haspengouw bereikte. Grandry nam de trein naar Antwerpen en was op maandagavond reeds weer thuis, terwijl zijn onzichtbare tochtgenoot pas op woensdagavond zijn pelgrimsavontuur afvlagde en in het gewone leven terug moest instappen.

    Zij ontmoetten elkaar voor het eerst tijdens een bijeenkomst in de Sint-Andriesabdij van Zevenkerken nabij Brugge, en later kwamen zij mekaar zelfs soms tegen op zondagochtend wanneer zij broodjes gingen kopen bij dezelfde bakker. Hun vriendschap duurde nog jaren. Grandry werd echter ongeneeslijk ziek en stierf op het einde van 2001. Toen reed Journée naar Vung Tau  ( Cap Saint- Jacques) in Vietnam. De Wilfried uit de Pepijnstad schreef van uit het Verre Oosten, van nabij de zee waar de zon opkomt, toen nog in een brief aan Renaat in Edegem dat hij deze keer op weg naar de eeuwigheid, naar  'Costa da Morte', en 'In finibus Terrae', naar de ondergaande zon, maar even na hem aan het rijden was.  Hoeveel dagen dat zal zijn wist op dat ogenblik zelfs ' the apostle Saint James' nog niet .
    ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

    SANTIAGO DE COMPOSTELA.

        Fils du tonnerre
        Lumière de notre historia
      Gloire de la Galice
    Patron de l'Espagne
    Tu as semé la foi
    Sur notre noble terre
    Et ton épée conduit la charge
    Contre l'envahisseur
    Par toi féconde
    l'Espagne fut
    La mère des nations
    et dans le monde le peuple d'Espagne
    lumière resplendissante d'amour .

    ( composé par J.Perez )



    ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

    14-06-2011 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    13-06-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Op 13 juni 1984 ontving ik mijn eerste Compostelane.
    Wilfredo sacratissum Templum pietatis causa devote visitasse.



        

         

    D. Antonius M-  Ronco Varela  hujus Almae Apostolicae et Metropolitanae Ecclesiae Compostellanae Dignitas Decani et sigilli Altaris Beati Jacobi Apostoli custos, ut omnibus Fidelibus et Peregrinis ex toto terrarum Orbe, devotionis affectu vel voti causa, ad limina Apostoli Nostri Hispaniarum Patroni ac Titularis SANCTI JACOBI convenientibus, authenticas visitationis litteras expediat, omnibus et Singulis praesentes inspecturis, notum facio :  ........... Dr-  JOURNEE Wilfried ( Landen) ... hoc sacratissimum Templum pietatis causa devote visitasse.  I quorum fidem praesentes litteras, nomine meo subscriptas et sigilo ejusdem Sanctae Ecclesiae munitas, ei confero.
    Datum Compostellae die  13 mensis junii anno  Dni  1984 .

    DEL EXMO.DEAN Y CABILDO
    DE LA STA APOPST.METROP. IGLESIA
    DE SANTIAGO
                                                        
                                          con boligrafo azul por el secretario
    ( Ronde stempel met Santiago Matamor)
                                                                                                          Canonicus Deputatus pro Peregrinis

    13-06-2011 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    10-06-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Naer Sente Jacobs in Galissiën.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen     ( vlaams pelgrimslied uit vroegere tijden)

         Ons keelgat is vol stof gevloghen
         van seer te gaen
         so laet ons hier terwijl wij moghen
         wat stille staen
         Laet ons voor dat drooch stof en sant
         ons keelgat spoelen
         al met den roomer in de handt
         den drooghen dorst vercoelen.
    --------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
    Reeds op het einde van het eerste millenium trokken ontelbare gelovigen, boetelingen, avonturiers, bedelaars, huurlingen, artiesten van alle soorten, naar de plaats die werd beschouwd als de verst bereikbare van de toen gekende wereld. Daar in het verre Westen waar de zon ondergaat was volgens de beweringen van belangrijke mannen het graf herontdekt van de apostel Jacob de Meerdere. De voetstappen van de miljoenen pelgrims die zich naar dat verre oord hebben begeven lieten langs die weg sporen en tradities na die nooit werden uitgewist.

    In juni 1984 zwierf ik met mijn fiets langsheen de aloude route via Vezelay en Roncevalles tot  Padron waar de schelpen werden gevonden.  Ik kon veel ontdekken en ontmoeten. Ik had mijmeringen doch ook diepe gedachten en ik leerde mezelf beter kennen tijdens mijn tocht van 29 dagen. Mijn droge keel heb ik gespoeld met koele landwijn en mijn lege maag werd gevuld met wat voor de voorbijganger door de Apostel werd voorzien. Toen ik terug thuis was gekomen, begon ik boeken te zoeken over Compostela en te doorbladeren, in alle talen die ik in die tijd machtig was, en ik noteerde veel in mijn schrijfboeken.  Ik had het grootse plan van zelf een dik boek te schrijven over wat ik had gevoeld en meegemaakt tijdens mijn pelgrimstocht. Ik geraakte niet zo ver, want het onderwerp was voor mij te groot geworden nadat ik meer kennis had vergaard. Werk, familie, sport, stoorden voortdurend mijn concentratie om over de Camino een ernstig en waardevol werk af te ronden.  Op zekere dag las ik het volgende :

    L'essentiel vous ne savez pas le dire . Parfois immobile dans votre lit, les yeux grands ouverts sur la nuit, il vous semble encore être sur le chemin comme un chien endormi devant l'atre et qui fait en revant le simulacre de poursuivre quelque gibier superbe. A ces moments-là, quand le chemin vous reprend dans sa houle, quelque chose vous étreint le coeur.

    Later vond ik ook dit lied  :
    ' Devoir des Pélerins - La Grande Chanson des Rossignols de Valenciennes'   
                             
                                Qui fait ce saint voyage
                                peut beaucoup mériter
                                mais si d'esprit volage
                                il s'en voulait vanter
                                ne lui prête l'oreille
                                corrigeant doucement
                                soit qu'il veuille ou ne veuille
                                son coeur très promptement.

    Deze twee oude Franse raadgevingen  deden mij afzien van te grote plannen, van een avontuur in de boekenwereld. Maar toen het weer tijd was om in 1986 mijn bijdrage te schrijven voor  Het Open Venster , het tijdschrift van de Kring van Kunst en Kennis van het personeel van mijn werkgever de ASLK  , leverde ik echter wel dit kortverhaal af dat onder volgende lijn komt :
    ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

    14 januari 1402. Te Lier wordt Jan Bluds wegens  ' onsede en sammenheyt ' veroordeeld door de rechters tot pelgrimage naar  ' Sente Jacobs '. Vermits hij niet beschikt over de 14 geldstukken die hem kunnen vrijkopen , moet hij voor de derde zonsopgang na dit vonnis definitief uit de stad zijn verdwenen, zoniet zal de beul zijn grote teen afhakken.
    Uitgedreven door zijn geboortestad, uit zijn gilde, een doorn geworden in het oog van iedere klerk, handelaar en vakman, heeft Jan Bluds geen andere keuze dan als banneling zich te laten meedrijven op de mensenstroom die in die jaren van stad tot stad trok tussen Vlaanderen en Bourgondië. Hij schuilt zich tussen de reizigers, de bedelmonniken, de meisjes van plezier, de zwermen zwervers allerhande. Het duurt enkele weken eer hij zijn draai kan vinden tussen dat volk van daklozen. Weldra kent ook hij zijn rol, want op de lange voetweg is hij een pelgrim, een beetje vroom, een plantrekker, een ontdekker van nieuwe oorden, andere talen, vreemde mensen. Te Vezelay, waar de kruisvaarders zich vroeger groepeerden, vereert hij de schone Maria-Magdalena, en daar leert hij andere stervelingen kennen die een schelp op hun hoed dragen. De lente ging voorbij en Jan is onderweg. Zijn hoedeken is diep over zijn kop getrokken, zijn palster, zijn scerpe, zijn leerse, slijten met de dag.  Er is nu eelt op zijn voeten. Er zijn geen pijnlijke blaren meer op zijn tenen zoals tijdens het stappen van de eerste dagen. Zon, open ruimte en lucht deden zijn longen goed. Hij voelt zich vederlicht en sterk. Hij is nooit alleen want de natuur is zijn vriend. Hij leert elke dag nieuwe woorden, schone en lelijke, uit vreemde talen. Soms blijft hij wat langer in een boerderij of in een klooster, wanneer hij er wat drank kan verdienen of goed mag eten, na wat werken op het veld, in de stallen, in de keuken, op de daken. Doch, zoals dat moet op strafbedevaart, blijft hij nooit langer dan drie dagen op dezelfde plek. Hij probeert steeds om mee te gaan met een groep andere pelgrims. Zo loopt hij niet op verkeerde wegen, bereikt hij betere slaapplaatsen, en wordt hij niet gepest of bestolen. 

    In het Baskenland krijgt hij een ongevaarlijke maar pijnlijke messteek van een struikrover. Razend door het zien van eigen bloed verdrinkt hij die malle kerel bijna in de rivier. Te Pamplona  wint hij op de jaarmarkt een prijs in een wedstrijd  paalklimmen.  Te Estella helpt hij een boerendochter tijdens de verkoop van haar geiten. Te Burgos dobbelt en drinkt hij met de tempeliers.  Maar zijn voornaamste zorg is telkens op het einde van de dag ergens te kunnen rusten en wat te eten. Dit is  voor de pelgrims van de Camino Frances mogelijk in de passantenhuizen, hospitalen, herbergen, kloosters, alhoewel het bij de boeren, bij de herders, of onder de blote hemel ook soms leuk en heerlijk kan zijn.  Het gebeurt bij te warm weer ook  dat hij gewoon de hele nacht verder stapt, onvermoeibaar, kloek en jong, onder de sterren van de melkweg. Het kan ook wel eens gebeuren dat een paar geldstukken in zijn hand worden gestoken. Hij moet dan kaarsen branden, een gebed doen, in kerken die op zijn weg volgen en hij mag daarmee ook brood, kaas, en wijn kopen voor zichzelf. Hij ontmoet vrome zielen, maar hij ziet ook galgen en brandstapels . Terwijl hij zijn bierbuikje is kwijt geraakt en als een gezond beest over de vele hellingen geraakt, moet hij soms tochtgenoten meeslepen tot aan het volgend hospitaal , en in de ergste gevallen moet hij ze zelfs begraven. 

    In een groot land waar zovele bedden leeg zijn omdat de krijgers niet terugkwamen, vermist of gedood tijdens kruistocht of reconquista, werd hem soep en brood aangeboden aan de blonde jongeling uit het Noorden. Soms was daarbij ook vlees in de pan of onder de lakens. Het ging zelfs zo ver dat hij meegetrokken werd naar een bruiloft, een dansfeest, een vrolijke romeria. Zoals zijn landgenoot Uylenspiegel moest Jantje Bluds dan ook meer dan eens bij dageraad stiekem met zijn  leerse in de hand vertrekken, omdat hij anders nooit in Compostela zou zijn geraakt. Maar het was niet altijd feest, want dikwijls kwelde de honger zijn maag en waren de nachten ijskoud in de bergen, of pikten zijn ogen van het vuile stof van de weg, of was zijn huid rood gebakken door te veel zonnewarmte of door ongedierte gebeten. Meer dan eens vielen lelijke magere honden hem aan, die hij met moeite kon doen weglopen na flinke meppen te hebben uitgedeeld met zijn puntige wandelstok. De nachten, de avonden, waren soms te lang, op rottend stro liggend, of tijdens regenbuien in een stinkende schuur ergens in een van God verlaten oord, in onaangenaam gezelschap van vuile onbekenden.  Dan waren er ook nog die vieze venten uit Navarra die lustgevoelens kregen zowel bij het zien van een vrouw, als van een schaap of een muilezel, als van een jonge buitenlander .

    Vandaag is de Spaanse zon en zijn de Spaanse hoogvlakten zeer mooi. Met zijn geoefende pas vordert Jan Bluds langsheen de Sint -Jabobsweg. Meer dan vijf maanden reeds verliet hij zijn Netestad in Boergondisch Vlaanderen.  Rode klaprozen sieren de rand van zijn weg. Voorbij zijn de dorre landschappen van de Cebreiro, de akkers van de Bierzo, want daar in de verte daagt op het groene land van Galissiën. Zou dit reeds de zeelucht zijn van Finis Terrae die hem de neusgaten prikkelt ? Santiago, de zeer goede en heilige stede, kan niet ver meer zijn. Hij stapt tussen de huizen van Arzua voorbij. Pelgrims, zeer veel pelgrims, voor en na hem, gaan vooruit met hoog tempo. Een zanger uit Hagetmau laat een prachtig liet over de Camino klinken. Een man staat boven op een tafel langs de weg  en speelt op een doedelzak. Vrouwen kijken naar de voorbijgangers en geven water of wijn aan zij die daar nood aan hebben.  Volgens wat Jan ziet zijn er op dat ogenblik wel duizend voetgangers op de weg, en daarom versnelt hij zijn pas. Weldra voert hij met wel twee boogscheuten de hele bende aan van de voetgangers van Santiago .

    Jan arriveert als eerste te Lavacolla, waar de klokken beginnen te luiden. Daar wordt hij verplicht door enkele paters en assistenten om zijn vuile kleren, zijn ransel, zijn hoed, zijn stok, af te geven .  Naakt zoals hij op deze wereld kwam, plonst Jan in de rivier  en hij wordt weldra proper geschrobd door zwaarlijvige nonnen die zelfs zijn hoofdhaar, zijn baard, zijn schaamhaar, en de nagels van zijn handen en zijn voeten knippen, waarna zij hem ook nog met iets uit een welriekend flesje besprenkelen.  Hij krijgt nieuw ondergoed,  nieuwe sokken , en zo moet hij een paar uren lang gaan zitten op harde houten banken, luisterend naar sermoenen die door welsprekende geestelijken worden gegeven , meezingend met de groepen die daar ook plaatsnemen. Ondertussen krijgt hij wel een natje en een droogje van jonge nonnetjes die hem hebben opgemerkt.

    Eindelijk krijgt hij zijn eigen kleren terug. Deze werden in kuipen gekookt, gestoomd, en gestreken, van alle vlooien en bacillen ontdaan. Het is bijna avond als hij de top van de Monte del Gozo , de berg van de vreugde bereikt.  Na tweeduizend driehonderd kilometers staat hij boven op die heuvel, en inderdaad, daar in de verte zijn de torens van de legendarische stad met de welluidende naam zichtbaar voor zijn ogen. Hij kan het niet geloven. Wat een schok !  Zoals vele andere pelgrims stort hij van emotie in mekaar. De simpele ongeschoolde jongeling die hij is, komt pas terug op bewustzijn op een ligplaats in de slaapzaal  waar hij werd gebracht door onbekenden.  

    25 juli 1402.  Het is de grote feestdag van Santiago, patroon van Spanje, overwinnaar van de Islam, apostel, neef en tochtgenoot van Jezus Christus. Tussen de menigte wringt Jan Bluds zich een weg naar de Portico. Er vallen slagen en zelfs stampen, maar onze Jan komt er. Hij laat zich zo dicht bij de kathedraal niet meer wegdrungelen , na vijf maanden avontuur . Met een kniestoot velt hij een Fries die hem nog wilde pesten en zo kan hij in vrede devoot neerknielen in de biechtstoel voor pelgrims uit Polen en Bohemen  - dat was wel een verkeerde keuze -   maar niet erg want de pater van dienst was eigenlijk afkomstig uit  Gent, sprak negen talen, en schonk de algemene vergiffenis in het Latijn.  Nog diezelfde dag benadert Jan Bluds het echte Graf van de Heilige Apostel Jacob de Meerdere, volgt verschillende erediensten, ziet de Botafumeiro door de ruimte zwieren.  Hij bemachtigt daadwerkelijk de belangrijke Compostelane, het officiële certificaat , bewijs van godsvrucht en volharding, die zijn pelgrimstocht bekroont, die van hem terug een waardig en goed man maakt .

    Jan voelt zich als de Lotto-winnaar van de laatste trekking. Zijn heel leven is nu plots geslaagd. Want in die dagen waren goud, diploma's, partijkaarten, en kapitaal, nog niet zo belangrijk als heden. Nog niet verblind door zovele onnodige dingen, vonden de mensen de hoogste rijkdom nog op spiritueel en godsdienstig vlak.  Dag na dag , blijft Jan de kathedraal bezoeken, telkens nieuwe wonderen ontdekkend, en hij is aanwezig tijdens plechtige missen opgedragen door kardinalen en prelaten. Hij stapt ook mee in processies en volgt rituelen die hij niet begrijpt, maar die schoon en belangrijk zijn.  Op het einde van de week heeft hij in zijn bezit bewijzen van drie volledige aflaten, en dan ook nog tweeduizend dagen aflaat, deelbaar door tien. De jonge geslaagde pelgrim van Compostela is een gelukkige kerel. Hij veroverde wat belangrijke mannen nog niet bezaten.  Hij de kleine deugniet, de brouwersgast, die te vaak zat was en dan niet meer wist wat hij uitrichtte, die nooit mocht misdienaar zijn, en zelfs nooit zijn plechtige communie mocht doen, noch het vormsel krijgen, had nu een ransel gevuld met volle aflaten. 

    Na zes maanden op de lange Camino de Santiago, afgeschuurde zolen, een gepolijste ziel, liep hij  even terug naar Lavacolla waar hij als eerste was aangekomen . Daar mocht hij zijn familienaam veranderen.  Hij koos voor  Jean Leroy.  Het was immers ook toen reeds zo dat  wie promotie maakt in het leven niet meer zijn Vlaamse moedertaal gebruikt. Van die Jean Leroy werd verder nooit nog iets vernomen . Zeker is wel dat  Jan Bluds nooit terug te Lier arriveerde. Onder welke naam ook bleef deze pelgrim ergens plakken op een plaats waar hij nog lang en gelukkig heeft geleefd.

    Een kort verhaal zoals dit, over de lange pelgrimsweg, over een succesvolle pelgrimage, werd van mond tot oor graag verteld en gehoord  in de prachtige tijden van vroeger. Deze verhalen waren niet altijd echt waar, maar ongetwijfeld toch schoon en goed verteld, en onze voorouders hebben er van gehouden. Het geloof van onze voorvaderen was enorm . Langsheen de pelgrimsweg, in het centrum van onze oude steden, op vele plaatsen in Europa, liggen nog vele bewijzen van de vroegere betekenis van de Heilige Jacobus de Meerdere. Wie gefascineerd wordt door de tocht naar Galissiën en door de studie van dat verleden, geraakt er nooit meer van los !

    Eens, 27 jaren geleden al, was ik een enkeling die van het voorrecht mocht genieten , me los te maken van thuis, van mijn werk, van mijn lasten en zorgen, en ik legde de aloude weg af die mijn lichaam veredelde, mijn geest heeft verruimd, en wat betreft mijn ziel weet ik dat ik mag tellen op de Heilige Jacobus om die zaak in orde te brengen . 


    Na lang en doelbewust zwerven, zal de hedendaagse pelgrim , in de schaduw van San Martin de Fromista of elders, tijdens het nuttigen van een banaan en een homp brood, wellicht ook beseffen  dat Jan Bluds daar eigenlijk nog niet zo lang geleden was voorbij gekomen, want in de Rio Arga weerspiegelde de Puente nog steeds als in 1402. Naast zijn bestofte rugzak, zijn vuile fiets, krijgt ook nu deze moderne pelgrim wellicht dat eigenaardig gevoel , dat kortstondig inzicht in het tijdloze, in de eeuwigheid.  Dat gebeurt niet omdat hij te lang in de Spaanse zon heeft gewandeld of gefietst.   

    1986. 
    Jacobus, U die zoveel eer werd aangedaan, waarom zijn we U vergeten ?

    Santiago de Compostela, Spaans galjoen met zoveel rijkdom,
    hoe diep ben je gezonken in de oceaan van de onverschilligheid van deze tijd ?

    Journée Wilfried.      

    ( aangepaste versie uit 2011 van wat in 1986 werd gepubliceerd in  Het Open Venster )
      

    10-06-2011 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    31-05-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.A new guy in our bicycle races . Who is that ?
    Matthew BUSCHE

       
                                                       Ik ben Johan Bruyneel eeuwig dankbaar.


    In de Verenigde Staten werden de wielerkampioenschappen voor profs op de weg in 2011 verschoven van september naar het laatste weekend van mei. Eén week na de sterk aan belang winnende Amgen Tour of California zijn de eliterijders van de USA in forme, is er meer aandacht van media, sponsors, publiek , en ligt de economische bedrijvigheid stil ter gelegenheid van Memorial Day ( maandag 30 mei - de dag van herinnering aan allen die hun leven gaven in militaire dienst), zodat de overheid vlotter wielerkoers toelaat op de openbare weg.
    Voor de titels, individueel tijdrijden en wegkoers in omlopen, werd er gestreden te Greenville City in South-Carolina gelegen in het Zuidoosten. Dit is de thuishaven van George Hincapie. Deze wielerkampioen is door ons allen goed gekend. Hij reed 16X de Ronde van Vlaanderen, 14 X  Gent-Wevelgem, en 14 X Parijs-Roubaix . Hij betwistte 15 X de Tour de France, als meesterknecht van Lance Armstrong.  Hincapie nam ook deel aan 5 Olympische Spelen. Greenville hoopte dus zeker dat haar George in eigen stad voor de vierde maal de belangrijke trui zou in zijn bezit nemen. Een andere bekende from Greenville is de  zeventigjarige dominee Jesse Jackson, voorvechter voor mensenrechten, die tweemaal in de running was voor president van de USA .

    Op zaterdag werd de tijdrit gewonnen door specialist David Zabriskie (zesde titel), voor Tom Zirbel op 31", en voor Matthew Busche  en Brent Bookwalter op 59".  Nazicht van de chrono's en de computers bewees dat Busche  één tiende van een seconde minder nodig had om de 33,3 km af te leggen. Hij kreeg de bronzen medaille.
    Precies één week eerder in de finale van de voorlaatste rit van de Ronde van California , tussen Claremont en Mt Baldy, op een klim van  8,9 % ,  hadden de laat opblijvende wielerfanaten zoals ik op Eurosport Televisie gezien hoe ene ' Bou-Shaye' plots met  ' amazing good legs'  het tempo verhoogde van de kopgroep  zodat de koers werd beslist ten voordele van zijn kopmannen Horner en Leipheimer. Zelfs de klimmer Andy Schleck werd uit de wielen gereden. Wie is die ' Bou-Shaye'  ?  Wel , in beschaafd niet-Amerikaans is dat Busche ! 

    Matthew Busche heet die man. Mogen deelnemen als knecht in het grote Radioshack Team aan de Ronde van California was een enorme ' boost' voor deze wel speciale figuur die in het wielrennen van het hoogste niveau nu pas is verschenen. In de vroegere amateurtijden van de sport was het al een gewoonte geworden dat één jaar voor de Olympische Spelen uit het enorme menselijk potentieel, dat aanwezig is op Amerikaans grondgebied en nog altijd wordt verbeterd door de immigratiegolven van nieuwe witte, bruine, zwarte, en gele jonge mensen, er plots uit het niets als het ware, althans voor ons met de weinige info die we kregen op onze sportbladzijden, uit het universitair milieu plots een lange gespierde slungel verscheen die zeer  'cool and clever '  wereldrecords begon te evenaren of te verbeteren, in het lopen, het springen, het zwemmen, het boksen, het scoren voor een dreamteam.

    In de tijden van vandaag  kunnen wij de sport  ' life' volgen op TV en op PC. Als er een nieuw mannetje of  vrouwtje verschijnt tussen de winners, de revelaties, de ontdekkingen in de bonte sportwereld, dan weten wij het nu direct ook. We houden echter toch altijd nog even het hout van onze tafel vast wanneer we nieuwe prestaties zien die buiten het normale liggen.  Het spook van de doping en omkoperij blijft immers in de hedendaagse sporten rondfladderen. Ik ben nog iermand die gelooft  in de echtheid van alle uitslagen en dit zolang deze niet worden gewijzigd door mensen die dat kunnen en mogen.

    TEAM  RADIOSHACK .    (  www.teamradioschack.com )
    The ' Boss' Armstrong en de manager Bruyneel bouwden vanaf eind 2009 een internationaal PRO-TEAM  samen met de internationaal  bekende ploegleiders Demol, Gallopin, Azevedo, Ekimov,   
    Beppu,Bewley,Brajkovic,Busche,Cardoso,Deignan,Hermans,Horner,Hunter,Irizar,King,Kloden,Kwiatkowski,Leipheimer,Lequatre,
    Machado,McCartney,McEwen,Muravyev,Oliveira,Paulinho,Popovych,Rast, Rosseler.Rovny,Selander,Sergent,Zubeldia, zijn de renners uit alle continenten die in 2011 de kleuren van dit team verdedigen.
    De Texaanse sponsor RADIOSHACK is een keten van 4.400 winkels waar de consumenten alle grote en kleine electronische toestellen kunnen kopen . Vroeger dan het jaar 2000 was de naam TANDY.

    Matthew Busche, geboren op 9 mei 1985, 1m77 en 70 kgr, was reeds als student intens bezig met duursport, maar dan niet met fietsen maar wel met lopen. Hij deed niet zo maar aan wat jogging, maar hij won tweemaal het nationale kampioenschap in het veldlopen en in de 3000m steeple op de piste werd hij  in de nationale ploeg geselecteerd. Problemen met een knie in 2005 verplichtten hem echter van minder te lopen en zo begon hij voor de conditie te fietsen terwijl hij ook vorderde met zijn studies. Met een diploma op zak begon M.B. op het einde van 2007 meer en meer met vrienden te rijden. Deze duwden hem weldra in de koersen voor amateurs. Het talent en de inzet van Busche was zo groot dat hij in twee jaren omhoog jumpte van wielertoerist tot de beste Elite z/c van Wisconsin. Op 14/8/2009 kreeg Busche een telefoontje van Jonas  Carney met de vraag of hij als stagiaire vier dagen in de Tour of Utah wilde rijden voor de ploeg Belly Benefits.  Daar toonde M.B. zijn kwaliteiten als tijdrijder en als klimmer door het behalen van een zevende plaats tussen schoon volk.  Drie maand later kreeg M.B. terug een telefoontje van iemand met een buitenlands accent, blijkbaar een Belg, die zo maar vroeg of hij niet voor Lance Armstrong wilde rijden.  Matthew dacht dat het een studentengrap was van één van zijn vrienden die graag imiteert.  Het bleek achteraf toch de waarheid. Johan Bruyneel viste deze renner uit het niets op en bood hem een profcontract, een ongelooflijke kans.

    EEN OVERWINNING DIE EEN LEVEN WIJZIGT .

    Het was vochtig en warm, ' a soaring temperature'  toen de renners van start gingen, reeds 90° Fahrenheit ( 32,2 C°). Goed eten en drinken, zich afkoelen met wollen sokken waarin ijsblokjes steken, was vitaal in zulke omstandigheden en werd aangeraden door de medewerkers van het Team Radioshack. De moeder en de vrouw van Busche zorgden langs het parkoers voor extra-drinkbussen. Jason McCartney was mee in de vroege vlucht, zodat de twee andere vertegenwoordigers van de ploeg , de titelverdediger Benjamin King en Matthew Busche rustig in de wielen bleven. De koers bedroeg 115 miles ( 186 km) verdeeld over 4 grote rondes van 22,5 miles doorheen het National Paris Mountain Park waar telkens een stevige helling werd beklommen, en daarna volgden 3 kleine rondes van 4,2 miles. Ondanks de hitte werd er 16 minuten sneller gereden dan voorzien op het snelste schema. Toen de vroege vluchters ' the breakaway fellows' even voor in de laatste klim allen werden terug ingelopen kon Jason Mc Cartney nog hulp bieden aan ploegmakkers die volgden, zodat Tejay Van Garderen werd geneutraliseerd op het gepaste moment toen er nog 30 kanshebbers overbleven .
    In het land waar eens de Cherokee Indianen woonden bereikten twee renners samen de rode vod , de ene was in dit sprookje de haas en de andere de schildpad. Het was duidelijk dat Hincapie de begeerde trui met de Stars and Stripes zou gaan winnen. Maar op die magische dag van mei had de Grote Manitoe beslist dat ' Bou-Shaye' mocht winnen. Voor die ongewone sportman werd Memorial Day onvergetelijk, 'with this career-changing and life-changing victory !.)  . Hij beloofde dat hij zijn kampioenentrui nog veel eer zal aandoen; Wel, ik vind dat het de moeite waard is om die Matthew Busche voortaan met interesse te volgen .

    Laten wij nu eens lezen wat hijzelf schreef op zijn leuke blog in het vliegtuig op weg naar Europa :

    http://matthewbusche.blogspot.com
    We sprinted down the right side of the road, tight to the barriers. The crowd noise was deafening. I remember seeing the meter signs coming by for 200, 150, 100 and then 50 meters to go. The line was approaching way too fast. I moved left and sprinted with everything I had left. It came down to a bike throw and neither George or I knew who had won. I waited anxiously to hear the results. Time seemed to stand still. I stood in the middle of the road as the cameras and press began to swarm. I watched as others finished. Time passed soooo slowly until finally the radio crackled through with the numbers of the top three racers. Two, thirteen, thirty two... I had won! I had beaten the legendary, three time US pro champion George Hincapie to win my first US national title. Wow !

    UITSLAG USPRO'11 
    (Roadrace).

    1. Matthew BUSCHE , 2. George HINCAPIE, 3. Ted KING op 2", 4. Tejay VAN GARDEREN op 7", 5. Kyle WANSLEY op 29" , 6. Alex CANDELARIO, 7. Kenneth HANSON, 8. Ben KING, 9. Brent BOOKWALTER, 10. Chase PINKHAM, 11. Danny PATE , 12. Christopher JONES, 13. Oscar CLARK, 14. Jeff LOUDER , 15. Lucas EUSER,  16. Frank PIPP, 17. Tyler WREN, 18. Matthew COOKE, 19. Bernard VAN ULDEN , 20..Timothy DUGGAN  ......
    Er waren 44 finishers, en 66 opgevers ( waaronder Leipheimer, Horner, Farrar, Danielson, Talansky,Zabriskie,Phinney, ...) .

       
    In de Tour of California werd ik een veel beter renner.


     
    De nipte finish tegen George Hincapie.


    31-05-2011 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)



    EINDE
    VAN DEZE BLOG
    26 08 2012

    Foto

    Foto

    Hoe sterk is de eenzame fietser
    Die krom gebogen over z'n stuur tegen de wind
    Zichzelf een weg baant


    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Zoeken in blog


    Foto

    Foto

    Foto

    Een bescheiden blik in de geschiedenis van de wielersport is vaak al voldoende om de fascinatie te proeven.
    OLYMPIA 1981 YVES MONTANT   A BICYCLETTE
    http://www.youtube.com/watch?v=lOZPWpiNUWQ&feature=related



    La bicyclette

    Quand on partait de bon matin
    Quand on partait sur les chemins
    A bicyclette
    Nous étions quelques bons copains
    Y avait Fernand y avait Firmin
    Y avait Francis et Sébastien
    Et puis Paulette

    On était tous amoureux d'elle
    On se sentait pousser des ailes
    A bicyclette
    Sur les petits chemins de terre
    On a souvent vécu l'enfer
    Pour ne pas mettre pied à terre
    Devant Paulette
    Faut dire qu'elle y mettait du cœur
    C'était la fille du facteur
    A bicyclette
    Et depuis qu'elle avait huit ans
    Elle avait fait en le suivant
    Tous les chemins environnants
    A bicyclette


    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    NATHALIE.

    La place Rouge était vide
    Devant moi marchait Nathalie
    Il avait un joli nom, mon guide
    Nathalie...
    La place Rouge était blanche
    La neige faisait un tapis
    Et je suivais par ce froid dimanche
    Nathalie...
    Elle parlait en phrases sobres
    De la révolution d'octobre
    Je pensais déjà
    Qu'après le tombeau de Lénine
    On irait au café Pouchkine
    Boire un chocolat...
    La place Rouge était vide
    Je lui pris son bras, elle a souri
    Il avait des cheveux blonds, mon guide
    Nathalie... Nathalie
    Dans sa chambre à l'université
    Une bande d'étudiants
    L'attendait impatiemment
    On a ri, on a beaucoup parlé
    Ils voulaient tout savoir, Nathalie traduisait
    Moscou, les plaines d'Ukraine
    Et les Champs-Élysées
    On a tout mélangé et on a chanté
    Et puis ils ont débouché
    En riant à l'avance
    Du champagne de France
    Et on a dansé...
    La, la la...
    Et quand la chambre fut vide
    Tous les amis étaient partis
    Je suis resté seul avec mon guide
    Nathalie...
    Plus question de phrases sobres
    Ni de révolution d'octobre
    On n'en était plus là
    Fini le tombeau de Lénine
    Le chocolat de chez Pouchkine
    C'était loin déjà...
    Que ma vie me semble vide
    Mais je sais qu'un jour à Paris
    C'est moi qui lui servirai de guide
    Nathalie... Nathalie


    Foto

    Foto

    Foto

    Marianne de ma jeunesse
    Ton manoir se dressait
    Sur la pauvre richesses
    De mon rêve enchanté

    Les sapins sous le vent
    Sifflent un air étrange
    Où les voix se mélangent
    De nains et de géants

    Marianne de ma jeunesse
    Tu as ressuscité
    Des démons des princesses
    Qui dans moi sommeillaient

    Car ton nom fait partie
    Marianne de ma jeunesse
    Du dérisoire livre
    Où tout enfant voudrait vivre

    Marianne de ma jeunesse
    Nos deux ombres enfuies
    Se donnèrent promesse
    Par-delà leurs joies et leur vie

    Marianne de ma jeunesse
    J'ai serré sur mon cœur
    Presque avec maladresse
    Ton mouchoir de pluie et de pleurs

    Foto

    http://nl.youtube.com/watch?v=lgUrlO6hku8
    Les Baladins
    http://nl.youtube.com/watch?v=75lFwcGucOA&feature=related
    Marie Marie
    http://nl.youtube.com/watch?v=AaXY59mg9QE
    Nathalie   - Spaanse versie

    http://fr.youtube.com/watch?v=27eWewocQm4&feature=related
    Nathalie mon guide avait des cheveux blonds

    Foto

    MON ARBRE
    Louis Amade 1964

    Il avait poussé par hasard
    Dans notre cour sans le savoir
    Comme un aveugle dans le noir
    Mon arbre
    Il était si petit
    Que c'était mon ami
    Car j'étais tout petit
    Comme lui
    J'attendais de lui le printemps
    Avec deux ou trois fleurs d'argent
    Un peu de vert, un peu de blanc
    Mon arbre
    Et ma vie s'accrochait
    A cet arbre léger
    Qui grandissait
    Comme je grandissais


    Foto

    Chanson de
    GILBERT BECAUD

    Quand tu n'es pas là
    Tous les oiseaux du monde
    Quand tu n'es pas là
    S'arrètent de chanter
    Et se mettent à pleurer
    Larmes de pluie au ciel d'été
    Quand tu n'es pas là
    Le silence qui gronde
    Me donne si froid
    Qu'un jour ensolleillé
    Me fait presque pleurer
    Larmes d'ennui malgré l'été
    La ville fait de grâces 
    La lune des grimaces
    Qui me laissent sans joie
    Les cantiques d'églises
    Malgré tout ce qu'ils disent
    Me font perdre la foi
    Quand tu n'es pas là
    Tous les oiseaux du monde
    La nuit sur mon toit
    Viennent se rassembler
    Et pour me consoler
    Chantent tout bas
    ' Elle reviendra ' 
    Quand tu reviendras
    De l'autre bout du monde
    Quand tu reviendras
    Les oiseaux dans le ciel
    Pourront battre des ailes
    Chanter de joie
    Lorsque tu reviendras !


    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Le Pianiste de Varsovie
    Gilbert Bécaud

    Je ne sais pas pourquoi
    Cette mélodie me fait penser à Chopin
    Je l`aime bien, Chopin
    Je jouais bien Chopin
    Chez moi à Varsovie
    Où j`ai grandi à l`ombre
    A l`ombre de la gloire de Chopin
    Je ne sais pas pourquoi
    Cette mélodie me fait penser à Varsovie
    Une place peuplée de pigeons
    Une vieille demeure avec pignon
    Un escalier en colimaçon
    Et tout en haut mon professeur
    Plus de sentiment
    Plus de mouvement
    Plus d`envolée
    Bien bien plus léger
    Joue mon garçon avec ton coeur
    Me disait-il pendant des heures
    Premier concert devant le noir
    Je suis seul avec mon piano
    Et ça finit par des bravos
    Des bravos, j`en cueille par millions
    A tous les coins de l`horizon
    Des pas qui claquent
    Des murs qui craquent
    Des pas qui foulent
    Des murs qui croulent
    Pourquoi?
    Des yeux qui pleurent
    Des mains qui meurent
    Des pas qui chassent
    Des pas qui glacent
    Pourquoi
    Le ciel est-il si loin de nous?
    Je ne sais pas pourquoi
    Mais tout cela me fait penser à Varsovie
    Une place peuplée de pigeons
    Une vieille demeure avec pignon
    Un escalier en colimaçon
    Et tout en haut mon professeur
    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    What does not destroy us makes us stronger.
    Foto

    Foto

    Rondvraag / Poll
    Wie wordt wereldkampioen 2012 bij de profs ?
    Philippe Gilbert
    Greg Van Avermaet
    Ryder Hesjedal
    Johan Vansummeren
    Giovanni Visconti
    Alejandro Valverde
    Samuel Sanchez
    Joaquin Rodriguez
    Maxime Monfort
    Roman Kreuziger
    Vincenzo Nibali
    Peter Sagan
    Damiano Cunego
    Diego Ulissi
    Bradley Wiggins
    Rigoberto Uran
    Edvald Boasson Hagen
    Chris Froome
    Thomas Voeckler
    een andere renner ....
    Bekijk resultaat


    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    À la claire fontaine

    M'en allant promener,
    J'ai trouvé l'eau si belle,
    Que je m'y suis baignée.

    Il y a longtemps que je t'aime
    Jamais je ne t'oublierai.

    Sous les feuilles d'un chêne
    Je me suis fait sécher,
    Sur la plus haute branche,
    Un rossignol chantait.

    Il y a longtemps que je t'aime
    Jamais je ne t'oublierai.

    Chante, rossignol, chante,
    Toi qui as le coeur gai,
    Tu as le coeur a rire,
    Moi, je l'ai à pleurer.

    Il y a longtemps que je t'aime
    Jamais je ne t'oublierai.

    J'ai perdu mon ami
    Sans l'avoir mérité,
    Pour un bouquet de roses,
    Que je lui refusai.

    Il y a longtemps que je t'aime
    Jamais je ne t'oublierai.

    Je voudrais que la rose
    Fût encore au rosier,
    Et que mon doux ami
    Fût encore à m'aimer


    Foto

    Archief per jaar
  • 2012
  • 2011
  • 2010
  • 2009
  • 2008

    Foto

    Foto

    Engelbert Humperdinck
    Les Bicyclettes De Belsize

    Turning and turning, the world goes on
    We can't change it, my friend
    Let us go riding now through the days
    Together to the end
    Till the end

    Les bicyclettes de Belsize
    Carry us side by side
    And hand in hand, we will ride
    Over Belsize
    Turn your magical eyes
    Round and around
    Looking at all we found
    Carry us through the skies
    Les bicyclettes de Belsize

    Spinning and spinning, the dreams I know
    Rolling on through my head
    Let us enjoy them before they go
    Come the dawn, they all are dead
    Yes, they're dead

    Les bicyclettes de Belsize
    Carry us side by side
    And hand in hand, we will ride
    Over Belsize
    Turn your magical eyes
    Round and around
    Looking at all we found
    Carry us through the skies
    Les bicyclettes de Belsize


    Foto

    Foto

    Julia Tulkens .

    Hebben wij elkaar
    gevonden in dit land
    van klei en mist
    waar tussen hemel
    en aarde ons leven
    wordt uitgewist  ?

    Ben ik nog schaduw,
    ben ik al licht,
    of is d'oneindigheid
    mijn aangezicht ?

    Treed ik in wolken of
    in hemelgrond ?
    Er ruist een hooglied aan
    mijn lichte mond.
    In uw omarming hoe
    ik rijzend ril ...
    Mijn haren wuiven en
    de tijd valt stil .
     
                                Julia Tulkens.

    Foto

    Foto

    SONNET POUR HELENE

    Quand vous serez bien vieille, au soir, à la chandelle,
    Assise auprès du feu, dévidant et filant,
    Direz, chantant mes vers, en vous émerveillant :
    Papoum me célébrait du temps que j’étais belle.

    Lors, vous n’aurez servante oyant telle nouvelle,
    Déjà sous le labeur à demi sommeillant,
    Qui au bruit de mon nom ne s’aille réveillant,
    Bénissant votre nom de louange immortelle.

    Je serai sous la terre et fantôme sans os :
    Par les ombres myrteux je prendrai mon repos :
    Vous serez au foyer une vieille accroupie,

    Regrettant mon amour et votre fier dédain.
    Vivez, si m’en croyez, n’attendez à demain :
    Cueillez dès aujourd’hui les roses de la vie.

    Regretting my love, and regretting your disdain.
    Heed me, and live for now: this time won’t come again.
    Come, pluck now — today — life’s so quickly-fading rose.


    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Laatste commentaren
  • pilne oferta kredytów (Rev Mark Donand)
        op Het liedje uit het land van Pele.
  • Na een drukkende en zwoele nacht kom ik u een fijne nieuwe week wensen (Jeske )
        op De Flandriens uit Limburg.
  • Wens je een fijne zaterdag (Nikki)
        op De Wielersport in Denemarken.
  • Lieve midweekgroetjes . (bompa harry)
        op Charles Aznavour.
  • SPORTIEF HOOR MIJN TANDARTS RACED OOK (Ton)
        op Een eeuw geleden werd de Primavera 1911 gereden.
  • Maar dat is leuk (Ton)
        op Fietstocht naar Itzehoe - ( Week 1 ) .
  • Norbert Vande Walle (JP VANSTEENKISTE)
        op Une page d'histoire - Le tennis de table d'il y a 40 ans.
  • Lieve zaterdaggroetjes (Nikki )
        op Een stukje Zwembad Olympia nostalgie .
  • De beste wensen voor 2011 (Nikki )
        op Exode des forces russes de Sebastopol -  Bizerte 1920.
  • De laatste donderdag in 2010 (Nikki )
        op Exode des forces russes de Sebastopol -  Bizerte 1920.
  • Foto

    Archief per maand
  • 08-2012
  • 07-2012
  • 06-2012
  • 05-2012
  • 01-2012
  • 12-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 06-2011
  • 05-2011
  • 04-2011
  • 03-2011
  • 02-2011
  • 01-2011
  • 12-2010
  • 11-2010
  • 10-2010
  • 09-2010
  • 08-2010
  • 07-2010
  • 06-2010
  • 05-2010
  • 04-2010
  • 03-2010
  • 02-2010
  • 01-2010
  • 12-2009
  • 11-2009
  • 10-2009
  • 09-2009
  • 08-2009
  • 07-2009
  • 06-2009
  • 05-2009
  • 04-2009
  • 03-2009
  • 02-2009
  • 01-2009
  • 12-2008
  • 11-2008
  • 10-2008
  • 09-2008
  • 08-2008
  • 06-2008
  • 05-2008
  • 04-2008
  • 03-2008

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Gastenboek
  • Gry Dla Dziewczyn We Chłopców
  • Productos Y Servicios Bancarios Operativos
  • Bancarios, Noticias Sobre Bancarios
  • Servicios De Giros Bancarios
  • Popular Play Tents

    Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Foto

    Foto

    Will Tura:
    Eenzaam Zonder Jou songtekst

    Ik ben zo eenzaam zonder jou
    Niets kan mij binden bij mijn vrienden
    Bij hen kan ik het niet meer vinden
    Het liefste ben ik dicht bij jou

    Ik ben zo eenzaam zonder jou
    Ook als het dansorkest gaat spelen
    Want dansen gaat mij gauw vervelen
    Als ik jou niet in m'n armen hou

    Ik ben zo eenzaam zonder jou
    Jij weet dat ik op jou zou wachten
    Maar leef ik ook nog in jouw gedachten
    En ben je mij nog altijd trouw

    Ik kan niet verder zonder jou
    Mijn leven zou ik voor jou geven
    In al mijn brieven staat geschreven
    Ik ben zo eenzaam zonder jou

    Ik ben zo eenzaam zonder jou



    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!