NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Zoeken in blog

Foto
Foto
Over mijzelf
Ik ben Journée Wilfried , en gebruik soms ook wel de schuilnaam PAPOUM.
Ik ben een man en woon in LANDEN (België) en mijn beroep is gepensioneerde , slapen, goed eten en drinken..
Ik ben geboren op 04/06/1944 en ben nu dus 74 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: wielersport en tafeltennis, geschiedenis, reisverhalen, chansons, humor..
Inhoud blog
  • EINDE
  • Adieu l'Ami - Au Revoir.
  • De Flandriens uit Limburg.
  • Les soldats russes venus en France en 1916 .
  • HISTOIRE DU TENNIS DE TABLE - FP.
    Foto
      EINDE
     VAN DEZE BLOG

      26 08 2012
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto

    J. BREL

    C'est plein d'Uylenspiegel
    Et de ses cousins
    Et d'arrière-cousins
    De Breughel l'Ancien

    Le plat pays qui est le mien.

    Tous les chemins qui mènent à Rome
    Portent les amours des amants déçus
    et les mensonges des anges déchus.

    Foto
    Foto
    Foto
    Pelgrim

    Wat zich gaande voltrekt
    in de ziel van de pelgrim
    is niet een toenemend verlangen
    naar het bereiken van zijn reisdoel,
    niet het vinden van het heilige
    aan het einde van zijn bedevaart,
    maar zijn overgave aan de ruimte,
    aan de kiezels op zijn pad,
    zijn besef van niet-weten,
    zijn afdalen in de leegte.

    Zijn benen worden zijn vrienden,
    de regen zijn lijden,
    zijn angst wordt gericht
    naar de honden langs de weg,
    het vele legt hij af en hij rust in het Ene.
    Al trekkend komt hij nergens,
    voortgaande bereikt hij niets,
    maar zijn vreugde neemt toe
    om een bloem en een krekel,
    om een groet en een onderdak.

    Zijn reisdoel en zijn thuis
    vloeien samen aan de horizon,
    hemel en aarde vinden elkaar
    op het kruispunt van zijn hart.
    Het heilige verdicht zich
    in de dieren en de dingen.
    Zijn aankomst ligt verborgen
    in de wijsheid van het Zijn.

    Catharina Visser

    Foto
    De Weg.

    In de verte gaat een pelgrim,
    eenzaam over het pad.
    Met een blik voorwaarts,
    eindeloos turen naar het pad.
    Het pad dat hem leidt,
    de wind die hem begeleidt.
    Samen èèn met de natuur,
    de geur,het geluid en omgeving.
    Daar toont de schepping hem,
    nederig dat het pad van zand
    zo hard als steen is.
    Soms ook warm,koud en nat.
    De pelgrim stapt over
    het harde pad,
    met als enige vriend
    zijn schaduw.
    Samen op hun weg.
    When we got to the sea at the end of the world
    We sat down on the beach at sunset
    We knew why we had done it
    To know our lives less important than just one grain of sand.
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    En camino de Santiago
    Sur le chemin de St Jacques
    Iba una alma peregrina
    Allait une âme pérégrine
    Una noca tan obscura
    Une nuit si obscure
    Que ni una estrella lucia ;
    Que ne brillait aucune étoile ;

    Foto
    Foto

    Le patron de toutes les filles
    C'est le saint Jacques des Bourdons;
    Le patron de tous les garçons
    C'est le saint Jacques des Coquilles.
    Nous pouvons tous les deux nous donner un bouquet,
    Coquilles et bourdons exigent que l'on troque;
    Cet échange affermit l'amitié réciproque,
    Et cela vaut mieux qu'un œillet.

    Foto

    Dat een pelgrim bij terugkomst niet wordt herkend door de mensen thuis, is een geliefd thema in middeleeuwse pelgrimsverhalen. Waarschijnlijk wil de legende daarmee aanduiden, dat de pelgrim door zijn bedevaart een ander mens is geworden; hij is op Christus gaan lijken. Dat wordt uitgedrukt door de omstandigheid dat de mensen van vroeger de teruggekeerde pelgrim niet meer herkennen: hij beantwoordt niet meer aan het oude beeld, dat zijn nog hebben; de pelgrim is een nieuwe mens geworden.

    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Betrouw geen pelgrim met een baard
    Die met een schooikroes geld vergaart
    Al beed'lend langs de wegen sjokt
    En met een deerne samenhokt.



    Priez pour nous à Compostelle - Barret et Gurgand - 1977.

    Par milliers, par millions, le besace à l'épaule et le bourdon au poing, ils quittaient les cités, les chateaux, les villages, et prenaient le chemin de Compostelle. Gens de toutes sortes et tous pays, ils partaient, le coeur brulant, faire leur salut au bout des terres d'Occident, là où la mer un jour avait livré de corps de l'apotre Jacques.
     
    Foto
    Foto
    Ik had het eerst
    niet in de gaten,
    en opeens
    zàg ik het spoor
    dat jij voor mij
    hebt nagelaten.
    Mon père .

    Assis dans un vieux fauteuil
    Recouvert d'un plaid usé,
    Il rêve de son passé,
    En attendant le sommeil.

    La fumée d'un cigare
    Flottant au-dessus de lui,
    D'une auréole, pare,
    Sa tête grise, de nuit.

    Vêtu d'un pantalon gris,
    Chemise de flanelle
    Sous le tablier bleu sali.
    Sa casquette est belle.

    Il sait déjà que demain,
    Sera le grand jour pour lui.
    Mais il ne regrette rien,
    Et partira seul sans bruit .

             
              ***
    Foto
    La mort .

    Le jour où tu viendras,
    A l'aube d'un matin,
    Me tendre les bras
    Me chercher par la main,
    Entre comme moi
    Par le fond du jardin.

    Tu essuyeras tes pieds
    Sur le grand paillasson,
    Pour ne pas marquer
    Tes pas dans le salon,
    Et n'oublie pas d'ôter
    Ton noir capuchon.

    La table sera mise
    Et le vin bien chambré,
    Quand tu sera assise
    Nous pourrons le goûter,
    Avant que je ne suive
    Ton ombre décharnée .

    Mais si tu préfères
    Par surprise me faucher,
    Au début de l'hiver
    Ou au soir d'un été,
    Pousse la barrière
    Elle n'est jamais fermée.

    Avant de m'emporter,
    De rendre ma valise,
    Laisse-moi griffonner
    Une dernière poésie
    Où je ferai chanter
    La beauté de la vie.

    Ce n'est pas ce matin
    Que je quitterai le port,
    Puisque de mes mains
    J'ai caressé si fort
    Ses lèvres de satin
    Que je t'oublie, la mort.


              +++
    Foto
    Foto
    Foto
    SEUL  SUR  LE  CHEMIN .

    J'ai traversé des villes,
    J'ai longé des cours d'eau
    J'ai rencontré des îles
    J'ai cotoyé le beau !

    Tout au long du voyage
    Rien ne m'a retenu
    Même pas un signe de croix
    Tracé d'une main tremblante.

    Le vent, la mer, la pluie
    M'ont façonné le coeur.
    Je suis leur propre image,
    Immuable douleur.

    Je fais signe aux oiseaux,
    Seuls amis de ce monde,
    Qui m'entraînent dans une ronde
    A m'en crever la peau.

    J'ai traversé des coeurs,
    J'ai rencontré des bras,
    J'ai caressé des fleurs,
    J'en ai ceuilli pour toi.
    Foto
    Foto
    Foto
    卓球
    Настольный теннис
    टेबल टेनिस
    Стони тенис
    เทนนิสโต๊ะ
    Bóng bàn
    탁구
    تنس الطاولة

    TENNIS DE TABLE
     MESATENISTA
    PING PANG QIU
     TISCHTENNIS
    TABLE  TENNIS


      photos courtesy  ITTF 


    乒乓球
    Stolni tenis
    Tenis Stolowy

    ITTF    TABLE   TENNIS 
        Classement mondial 
         26 - 08 - 2012  
    World  Ranking
    Weltrangliste
    Ranking Mundial
    Värlen Rangordning
    Classifica Mondiale 

    MESSIEURS :

    1. ZHANG Jike - CHN
    2. MA Long - CHN
    3. XU  Xin - CHN
    4. WANG  Hao -
    CHN
    5. MIZUTANI Jun - JPN
    6. MA  Lin  - CHN
    7.  BOLL Timo -  GER
    8. CHUANG Chih-Yuan - TPE
    9. OVTCHAROV Dim - GER
    10. WANG  Liqin - CHN
    11.  JOO Se Hyuk - KOR
    12. OH Sang Eun - KOR

    --    DAMES :
    1. DING Ning - CHN
    2. LI Xiaoxia - CHN
    3. LIU Shiwen - CHN
    4. GUO Yan - CHN
    5
    . ISHIKAWA Kasu - JPN
    6. FUKUHARA Ai - JPN
    7. FENG Tianwei - SIN
    8. KIM Kyung - KOR
    9. GUO Yue - CHN
    10. WANG Yuegu - SIN
    11. WU Yang  -  CHN
    12. TIE Yana - HKG

     

    Info  =  www.ittf.com 
    ( anglais,allemand,chinois).

    http://www.ittf.com/_front_page/itTV.asp?category=ittv_New

    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    December 1990 - Pantoum.

    De noodklok belt slechts éénmaal
    Komt weldra de ultieme speeltijd
    Ademen voor de laatste maal
    Gelukkig geen haat noch nijd
    Toch af en toe een flater
    Een zorg is dit voor later
    Lopen van os naar ezel
    Toch af en toe een flater
    Niet knikkers tellen, wel het spel
    Lopen van os naar ezel
    Dagelijks goed aan de kost
    Niet knikkers tellen, wel het spel
    Verwachtingen zelden ingelost
    Dagelijks goed aan de kost
    De beste blijft mijn moeder
    Verwachtingen zelden ingelost
    Water is het kostelijkste voeder
    De beste blijft mijn moeder
    Om bestwil een toontje lager zingen
    Water is het kostelijkste voeder
    Op zoek naar de diepte der dingen
    Om bestwil een toontje lager zingen
    Komt het varksken met de lange snuit
    Op zoek naar de diepte der dingen
    Nu is dit pantoumeke bijna uit
    Komt het varksken met de lange snuit
    Ademen voor de laatste maal
    Nu is dit pantoumeke bijna uit
    De noodklok belt slechts éénmaal.

    Tibertyn.    ***
    Foto
    Kleine mensenhand
    strooit op winterse dag
    kruimels voor de mus.

    Schelpen op het strand
    die worden door de branding
    voor ons kind gebracht.

    Molens in de wind
    draaien, draaien, en draaien
    in het vlakke land.

    Kerstman in de straat
    borstelt met grote bezem
    sneeuw weg van de stoep.

    De dode takken
    breken af bij felle wind
    van de avondstorm.

    Kreten in de nacht
    van kikkers in de vijver
    lokken de reiger.

    Hulpeloos jong lam
    verloren tussen struiken
    waar de wolf vertoeft.

    De werkzame bij
    zoekt in de roze bloesems
    lekker naar honing.
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    The country with the biggest population in the world, the People's Republic of China, regards this sport as the most important.”

    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    De pelgrim.

    Hij is op de weg alleen 
    al weet hij nog niet waarheen
    maar ergens stond geschreven
    dat hij die richting moest gaan
    en aarzelt hij soms even
    langs de eindeloze baan
    terwijl hij in zijn hart voelt
    dat velen eerder gingen
    mijmerend over dingen
    terwijl een windje afkoelt .
    Verder dan Rome loopt de weg.
    Ervaringen van een pelgrim.
    27-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Exode des forces russes de Sebastopol -  Bizerte 1920.
    Première partie:
    Basée sur un texte écrit et traduit par un témoin qui fut pendant quelque temps un de mes amis : Georges de Yazikoff , né le 16 avril 1904 à Mitau ( Russie). Georges, fidèle aux traditions de sa famille, avait été dans sa jeunesse cadet de la marine impériale. D'après son texte écrit en 1991 à Miramont-de-Guyenne (France) j'avance ce qui suit et après je chercherai d'autres informations sur internet pour la seconde partie de ce récit.

    La Révolution Russe des années fratricides 1917-1918-1919 avait fait couler en Russie le sang à flots et des millions d'êtres humains étaient morts. La puissante Armée Rouge est opposée au combat principalement à trois petites armées anti-bolchéviques, une situation qu'il faut bien comprendre dans cette guerre civile qui s'étend sur d'immenses territoires.
    1. Armée du Général IOUDENITCH qui se trouve au Nord-Est
    2. Armée de l'Amiral KOLTCHAK qui est en Sibèrie
    3. Armée du Général DENIKINE dans le Sud.
    Les violents combats de 1919 avaient déjà dispersé et presque totalement anéanti les deux premières qui avaient opéré dans les grands froids du Nord, et il ne restait plus que Dénikine qui serait bientôt remplaçé par le Général WRANGEL. Ses troupes se trouvaient en Crimée où de plus en plus elles étaient cernées à la fin d'octobre 1920. L'Armée Rouge était aux portes de Sebastopol, la base principale de la marine de guerre russe de la Mer Noire. C'était à l'époque le plus grand port fortifié du monde.

    La petite armée dite 'blanche' de Wrangel était composée pour la moitié par les étudiants, les lycéens, les cadets des écoles militaires, et par des marins ne combattant pas à terre, ainsi que par des survivants fatigués qui avaient perdu 75%  de leurs compagnons dans les batailles précédentes. Le Port de Novorossisk, deuxième port de la Mer Noire, était déjà aux mains des communistes. La population civile et les restes de formations militaires s'étaient précipités sur Sebastopol, grande ville surpeuplée par des gens affolés qui voulaient essayer d'échapper à la mort via les bateaux russes, anglais et français, se trouvant dans le grand port. Déjà de nombreux bateaux en partance pour l'étranger étaient surchargés. D'autres navires avaient déjà quitté la Crimée, dernier territoire russe pas encore transformé en U.S.S.R. . Fin octobre et début novembre 1920, c'était le chaos le plus terrible possible. La marine de guerre a reçu l'ordre d'appareiller et une douzaine d'unités prirent la mer, notamment le croiseur lourd Général Alekseïev, l'ancien Volia, et le Général Kornilov, l'ancien Kagoul. Sur ce grand navire de guerre se trouvait le siège du commandement de la marine et de l'armée, y compris le Général Wrangel et son Etat-Major.

    Le 1 November 1920, à la fois jour de tous les morts et de tous les saints, la marine du tsar et ce qui restait vivant de l'Armée de Russie partait dans l'inconnu et pour toujours. Ce fut une tragédie russe et qui aurait des conséquences mondiales. Ce furent des moments historiques qui se passérent en Crimée que l'on ne devrait jamais oublier, car c'est alors que la très grande Russie d'autrefois devenait un pays communiste.

    A 16 heures le grand cuirassé Général Kornilov quittait comme dernier Sebastopol, chargé à bloc de militaires, femmes, enfants, et au même moment déjà la cavalerie rouge envahissait la ville. Mais le Général Wrangel a interdit d'ouvrir encore le feu sur eux pour ne pas tuer les civils qui encombraient tout, car 300.000 à 400.000 personnes restaient à terre dans la ville.

    Avec le moral au plus bas la flotte russe cinglait vers Istamboul. Après une traversée pénible sur mer houleuse, et un entassement des passagers de trois jours et trois nuits, les navires arrivèrent à Ankara, gouvernée par Kemal Pacha qui voulait bien recevoir tous ces fugitifs et étudier leurs problèmes. Beaucoup de voyageurs étant malades (avec des cas de typhus, choléra, et même de la peste),  ils devaient rester en quarantaine pendant dix jours. Les Russes affamés étaient séparés des bonnes choses en nourriture. Toutefois après, une fois à terre, ils ne se sont plus privès à n'importe quel prix. Ils y ont trouvé du bon pain, des fruits, de la viande, des patisseries qui faisaient leur régal. Au bout de quelques jours, à cause de trop de bagarres entre les marins anglais et les marins russes, l'amirauté anglaise a doté les jeunes militaires russes d'uniformes de la marine anglaise. Toutefois ces apatrides transformés provisoirement en Anglais conservaient leurs bérets de la marine russe avec les rubans de Saint-Georges.

    Quelques familles ont débarqué et se sont installées en Turquie. La guerre civile étant terminée ceux qui étaient marins pris de nostalgie sont retournés en URSS pour reconstruire leur patrie exsangue et ruinée. Mais la grosse partie des militaires  débarqua à Gallipoli, et des civiles prirent la mer pour la Corse et le Brésil. Il restait ainsi seulement au bout de quelques semaines encore une vingtaine de bâtiments de guerre qui servaient de gage pour des crédits obtenus et qui prirent la mer vers la Tunisie, où Bizerte était un port sous protectorat français. Les bateaux de cette époque avaient presque tous les machines à vapeur. De port en port, en vue de charger du charbon et de l'eau, les navires russes faisaient escale. Au cadet Yazikof le travail pénible faisait oublier la perte de sa famille, de sa patrie, d'un avenir de haut gradé dans la marine, et s'il visita l'Egypte, la Grèce, l'Italie, et finalement l'Afrique, c'était sans gaieté dans le coeur. Enfin, voilà la destination de cette évacuation : Bizerte au début de 1921.

     
    Vue sur Sebastopol au début du XXIe siècle.

    L'Amiral Exelmans , le préfet maritime de Bizerte avait interdit l'accès au port de l'escadre de Wrangel composé de 2 cuirassés, 2 croiseurs, 1 bateau école, 9 torpilleurs, 4 sous-marins. Les diplomates arrivés sur place obligeaient Exelmans à laisser entrer à Bizerte ces 4800 militaires marins russes. Sur ce, Exelmans mettait la clef sous le paillasson et donna sa démission. Jusqu'au 5/12/1924 tous ces bateaux resteraient en rade à Bizerte et formaient dans le vieux port en ruïne L'Ecole Navale de Bizerte. 

    Les Russes étaient tous directement consignés à bord pour la quarantaine médicale, et isolés sur le lac deux semaines très tristes ont suivi. Il y avait quelques barques arabes qui timidement s'approchaient des navires militaires, des marchands avec des produits locaux, mais comme les finances des Russes étaient à zéro, ils ne faisaient pas des affaires. Finalement le jour J de la permission de descente à terre vint. Les passagers qui avaient caché sur leurs corps des bijoux ou des valeurs, partaient en direction de la France, et quelques-uns pour la l'Amérique ou ailleurs. Ceux qui faisaient partie du personnel de la marine militaire essayaient de monnayer aussi ce qu'ils possédaient, comme vêtements, savon, pétrole, et tout ce qu'un Tunisien pourrait acheter. Les jeunes Russes qui logeaient à bord des bateaux cherchaient un travail quelconque dans l'agriculture africaine. Ces cadets étaient aussi main d'oeuvre bon marché dans la construction de routes et du chemin de fer. Ceux qui étaient des marins avec de l'expérience trouvaient des jobs sur les bateaux internationaux de commerce qui étaient de passage en Tunisie.

    Bientôt un autre triste jour arriva pour Georges de Yazikoff et les autres jeunes. Ils devaient vider les lieux sur les navires. Ils devenaient des marins sans bateau et sans eau qui se retrouvaient sur leurs deux pieds en terre étrangère. Le reste de la prestigieuse flotte de la Mer Noire finirait tristement son existence. Des bateaux étaient vendus, transformés, ou démolis. La force et la gloire de la marine russe, le Alekseïev et le Kornilov,  et quelques batiments de plus faible tonnage, furent désarmés. Ces grands navires, sous surveillance d'équipes réduites, restaient stationnés à Bizerte. Leur avenir resterait inconnu. Ont-ils été remis aux autorités soviétiques ou ont ils été transformés et remis à une marine d'une autre nationalité ?  Cela est resté un mystère ! L'échec au début de 1921 de la révolte des marins de Kronstadt, forteresse de la Baltique, coupa définitivement l'espoir de tous les autres marins russes.

    Le cuirassier Alekseïev fut maintenu à quai entre l'usine de charbon et le dépôt de minérais. Comme des rats les Tunisiens pauvres en ont fait une ville flottante. Des centaines de familles y aménagèrent leur logement. D'autres Tunisiens y ont installé des petits magasins. Il y avait une boulangerie bien connue sur ce bateau. Des 700 Russes d'alors qui étaient restés en Tunisie il ne restait plus que Anastasia Manstein Chirinsky en 1992.

    Aussi bien les marins que les civils russes ont pleuré en quittant Bizerte et ces navires. Tous les rescapés de la révolution qui avaient un peu d'argent de poche se sont payés le passage pour Marseille, où le gouvernement français avait prévu un camp pour abriter ces centaines d'apatrides d'origine russe qui cherchaient un chemin vers une vie nouvelle. Après des semaines d'attente à Marseille, la Société d'Entreprise du Comte Ignatiev engageait beaucoup de travailleurs russes pour nettoyer les champs de bataille de la guerre 14/18 du côté de la frontière belge, Armentières, Lille, Houplines, où restaient encore semés partout des obus et des mines. Ces Russes se déplacent en train vers le Nord.  Ils n'ont pas de sous et ne parlent pas la langue française. Certains mettent ainsi jusqu'à deux jours pour trouver à pied ou en metro la Gare du Nord en partant de la Gare de Lyon. Que d'aventures comiques pour ces courageux allochtones !  

    Pas encore question de chômage ni de primes pour demandeurs d'asile en cette France en convalence de 1921. Les jeunes comme les moins jeunes se recasent facilement dans leur nouveau pays. De nombreux Russes avaient de bons métiers qu'ils parviennent à retrouver. Un problème spécifique est celui de ceux qui n'avaient pas eu le temps de finir leurs études, et qui avaient rejoint les rangs des anti-communistes. Ces collégiens, après des situations pénibles et dangereuses, ont été rassemblés au Lycée Russe de Paris. Logés dans les anciennes casernes du XXe Arrondissement, ils ont obtenu une bourse d'études de 250 francs par mois. Cela fut possible par des dons de la France et des Etats-Unis d'Amérique. Une nouvelle vie commençait pour ces jeunes qui abandonnaient leurs uniformes militaires et la stricte discipline en cotoyant une vie studieuse plus libre. Avec quelques années de retard sur leurs nouveaux collègues et après avoir bien appris le français, ils se sont intégrés dans de nouvelles familles. Certains ont eu la chance aussi de retrouver des proches de leur famille russe, qu'ils croyaient avoir perdu pour toujours. Après le bac français et une vie Parisienne, en combinant études et petits boulots pour améliorer leurs finances, de nombreux compagnons russes virent les portes des écoles supérieures ouvertes. Avec les années qui passaient ceux qui avaient quitté Sebastopol pour un voyage sans retour se sont dispersés à cause des études supérieures, de leurs professions, de leurs mariages. Bien d'autres Russes, y compris ceux qui avaient débarqué à Gallipoli se sont retrouvés à Paris, où de nombreuses organisations russes étaient à leur disposition, où des églises orthodoxes permettaient aux nombreuses communautés russes de France de se rencontrer. Beaucoup de jeunes ex-militaires étaient capables de faire une ascension rapide dans l'échelle sociale Ouest-Européenne. Des bienfaiteurs et des comités internationaux ont aidé les nombreux émigrés russes. En ce qui concerne lui-même notre ami Yazikof aime citer Whitemore et Eltchaninoff. L'attrait pour la Côte d'Azur existait depuis le XVIIIe siècle lorsque de nombreux Russes fortunés, qui parlaient d'ailleurs le français, avaient acquis des propriétés à Nice, merveilleuse cité dans la Baie des Anges, et cette élite de religion orthodoxe y était encore présente au début du XXe siècle.
    Alors il y a eu en fait quatre vagues d'émigrés russes en France:
    1. Les survivants du corps expéditonnaire de Nicolas II de 1916 qui étaient venus en France pour la guerre des tranchées en Champagne.
    2. Les restes de l'armée blanche et de la marine, c.a.d. ceux de Sebastopol.
    3. Des prisonniers échappés de l'Armée Rouge et autres fugitifs politiques.
    4. Des jeunes filles russes exportées en 1942 par les allemands pour travailler dans les usines du Troisième Reich, et ensuite tous les Russes qui voulaient échapper à la terreur de Staline.

    Beaucoup de Russes ont été occuper des fonctions dans les colonies françaises. Beaucoup d'anciens militaires ont retrouvé une carrière dans l'Armée Française ou à La Légion Etrangère. Certains se sont distingués dans la Résistance. Beaucoup ont obtenu leur naturalisation française, et quelques-uns aussi sont retournés en nouvelle URSS. Aujourd'hui encore dans tous les annuaires téléphoniques de France des noms à consonnance bien russe peuvent être retrouvés, mais ce sont dèjà des descendants des petits-enfants de ceux qui connurent les exodes et les épopées. Les anciens survivants des luttes fratricides du début du XXe siècle sont enterrés sous les croix orthodoxes au cimetière communal de Geneviève-des-Bois (Ile-de-France) et au cimetière russe de Caucade, Avenue Sainte -Marguerite à Nice. Il arrive que dans ces cimetières on retrouve des personnalités d'un passé résolu et aussi de ces anciens marins, ou encore la croix de Saint André et le drapeau de la marine de guerre du tsar. Certains émigrés russes, comme Georges de Yazikoff, entretenaient leur culture d'origine en lisant les livres et les articles d'Ivan Alexandrovitch Iline, philosophe et poète très apprécié dans leurs milieux.

    Souvenirs de la tragique épopée de la marine russe de la Mer Noire de de l'évacuation de la Crimée, quand la Russie devenait l'Union Soviètique .  Georges de Yazikoff- Ingénieur I.E.G retraité.

    Deuxième partie :

    L'Armée Rouge avait gagné la guerre civile. Depuis 1922  jusqu'en l'an 2000  la Russie était un pays situé bien loin de nous. Mais aujourd'hui, vers la fin de ma vie, ce n'est plus ainsi. Je vis en Europe et la Russie est notre grand voisin. La langue russe est une des langues principales en Europe.

    Les noms Ioudenitch, Koltchak, Dénikine, Wrangel, Alekseïev, Kornilov, cités par Georges de Yazikoff  sont des généraux qui furent des perdants, des gens qui avaient joué des un rôles importants pendant des épisodes que je vais m' efforcer  de comprendre et de vous expliquer à ma modeste façon après une courte étude. Un sportif sait que toute la gloire va aux gagnants, c.a.d. tous les grands hommes et femmes qui ont marqué l'histoire de l'Union Soviétique Communiste du XXe siècle. Mais comme les grands du tennis au moment de la remise de la coupe, je dirai que les adversaires à battre avaient été des très grands, des champions russes qui jouaient dans un autre mailliot, mais qui méritent d'être mieux connus même s'ils avaient perdu cette guerre civile qui avait été jugée nécessaire par la majorité des masses populaires de leur grand pays. Voici en vrac sur une photo quelques-uns de ces grands hommes vaincus et écartés par leur peuple.





    LAVR GUEORGUIEVITCH KORNILOV  (1870-1918)
            Генерaл Лавр Корни́лов
    Originaire de Oskenen sur Irtych, ville dans la steppe, là où les frontières du Kazakstan, de la Russie,de la Mongolie, et de la Chine, se touchent. Il parle de nombreuses langues, son courage est sans limites, c'est un remarquable officier du tsar. Explorateur (1890-1904) il voyage en Afghanistan, Perse, Turkestan, Asie Centrale. Heros de la guerre Russie-Japon (1904-1905). Colonel et attaché militaire en Chine (1907-1911). Général d'Etat Major (1914). Prisonnier de guerre en Autriche (1915). Il s'échappe (1916) et déguisé en soldat hongrois il rejoint Petrograd. (1917). Il est charismatique et populaire. Il reprend service comme général des cosaques et peu après il est nommé chef suprême de toute l'armée russe. Le tsar ayant abdiqué la monarchie constitutionnelle meurt et c'est un gouvernement provisoire qui détient le pouvoir. Korilov, fils d'une paysanne comme il aimait affirmer, avait accompagné la tsarina dégradée et sa famille vers sa nouvelle demeure.Voilà ce qui mettait fin à une époque de l'histoire. Mais l'homme fort de cet été, un fin stratège politique et ministre de la guerre,  Aleksandr Fedorovitch Kerensky voit en Lavr Korilov un concurrent majeur. Il expédie son général au front, là où tout se passe en catastrophe, où déshonneur, mort, et désertion sont des scènes quotidiennes. Le général cosaque veut remettre de la discipline mais les soldats n'aiment pas cela. Le 6 juillet 1917 la Russie abandonne la guerre, le Traité de Brest-Litovsk est signé. Kerensky donne à Korilov l'ordre de rentrer d'urgence à Petrograd, mais lorsque le général s'approche de cette ville il est accusé de vouloir par un coup d'état renverser le gouvernement en vue d'installer la dictature militaire des cosaques. Les forces armées du peuple, 25.000 hommes, principalement des ouvriers du chemin de fer, sont mobilisées en un seul jour, un grand exploit, et barrent la route à Kornilov. Celui-ci est considéré comme un envahisseur et un traitre. Avait-il reéllement l'intention de se lancer dans une contre-révolution, ce que bien des anti-bolchéviques auraient souhaité ? Lavr Kornilov démissionne, mais le ministre Kerensky refusera cela pour prouver son autorité. La cavalerie de 7000 cosaques abandonne et se retire. Nombreux sont les historiens qui pensent que cette confrontation est un tournant très important. C'est en même temps la naissance de l'Armée Rouge. Cela se passait le 9/9/1917. 

    Octobre 1917. Les dés seront jetés. Le Gouvernement Provisoire termine son existence et c'est au tour de Vladimir Lénine de prendre le pouvoir, non par la violence mais après un vote démocratique exprimant la volonté du peuple, car celui qui avait été si longtemps en exil à l'étranger était revenu au pays pour mener l'action à Petrograd. Pendant les jours troubles de la révolution d'octobre le général Korilov trouvait moyen de quitter le couvent où il avait été placé. Lui qui savait que dans le Sud, dans les espaces où les cosaques étaient nombreux, il trouverait encore des hommes motivés pour mener une contre-révolution qui pourrait in extremis sauver la Russie ancienne. D'abord avec son cheval blanc sur le train, ensuite déguisé en paysan, le célèbre général s'évadait vers les plaines du Sud. La lutte à mort pour l'existence du nouvel état soviètique ne faisait que commencer et les cruautés augmentaient sans limite aucune. Lavr Kornilov va faire sa propre 'armée blanche' qui porte le nom de ''Armée des Volontaires'. Cet homme était un grand militaire. Face aux combines des politiciens toutefois, face aux attitudes et aux ambitions des uns et des autres, et parceque le cours de l'histoire l'avait décidé, il ne participerait plus très longtemps au combat. Bientôt, au début de 1918, le voilà à la tête de L'Armée Blanche mais l'heroïsme suicidaire qu'il impose à ses hommes lui sera fatal. Il veut s'emparer de Krasnodar, ancienne forteresse des cosaques, alors qu'il n'a pas encore l'effectif ni les armes pour le faire. Un pareil général aurait dû mourir au combat, mais le 13 avril 1918 un gros obus explose bêtement là où il est assis à une table. En souvenir de lui le principal bateau de la marine du tsar portera le nom de Général Kornilov.

    Je vous conseille de surfer avec ' Lavr Kornilov' via google sur des photos et des images video + musique . Formidables.

    Некоторые разъяснения о Гражданской войне в России
    и об основных русских были в лагере проигравших, но тем не менее были люди представляют большую ценность.


      
    MIKHAIL VASILIYEVITCH ALEKSEIEV  ( 1857- 1918)
           Михаил Васильевич Алексеев

    Originaire de Tver (Kalinine) à mi-chemin entre Saint-Pétersbourg et Moscou, il sort officier de l'Ecole d'Infanterie de Moscou, et comme son père Vassili il prend service au 64e Régiment à Kazan. Baptème du feu lors de la guerre contre la Turquie (1877), il devient pour une longue période professeur d'histoire militaire. Il est aimé par tous les jeunes officiers. La guerre contre le Japon en 1904 le propulse aux plus hauts rangs qu'il occupe en Mandchourie et à Kiev. En 1914 il est général en chef de trois armées en Galicie, et l'année suivante général d'état-major de tout le front de l'Ouest. Le tsar lui-même, qui voudrait mieux faire que lui, est à ses côtés. Mais au front les pertes des Russes sont énormes et la défaite sans pitié se rapproche. En même temps dans toute la Russie les diverses classes sociales sont  mécontentes, et le climat politique est très confus. C'est le général Alekseïev qui conseille au tsar Nicolas II d'abdiquer pour calmer la situation et de transmettre la couronne à son frère. Mais ce Romanov refuse un tel honneur, et à partir de ce moment en février 1917 il n'y aura plus de tsar en Russie, c'est la révolution de février, importante mais pacifique et qui était déjà en route depuis 1905. Le pouvoir passe dans les mains d'un Gouvernement Provisoire présidé par le Prince Georgi Lvov d'abord et par l'avocat Alexandre Kerensky ensuite. Ce Kerensky, il faut l'écrire, réalise d'importantes réformes malgré la présence de Korilov. Le général Alekseïev, qui est plus un politicien qu'un militaire, joue un rôle ambigu. Il mange dans deux assiettes, car d'un côté il est pour les nouvelles idées politiques et de l'autre côté il est pour les traditions et pour l'armée. Il est dans la combine qui fera  trébucher et tomber le populaire Korilov, et ensuite il le laissera s'échapper. Plus tard encore, après l'Affaire Kornilov, il va rejoindre pourtant la nouvelle armée des conservateurs et monarchistes. Lorsque Korilov meurt il prendra sa place. Dans cette immense lutte fratricide, tous les coups étaient nécessaires, aucun fair-play n'était plus possible, et toutes les cruautés étaient admises face à l'Armée Rouge des Ouvriers et des Paysans, qui à partir du 23/2/1918 était devenue une réalité.
    Les deux généraux qui ne s'aimaient pas, combattaient  pour leur cause commune et parvenaient à développer une dévotion fanatique chez les volontaires de l'Armée Blanche. Alekseïev se chargeait de l'évolution politique, de l'ordre et des finances, tandisque Korilov était responsable des armes et de la tactique. Le fiasco de Krasnodar causa la mort de Kornilov et la perte de 3000 hommes en avril 1918. Alekseïev seul, devenait dans le Sud le défenseur principal de la Russie ancienne. Tous les jours des d'autres volontaires rejoignaient encore ses rangs. Ainsi ils étaient 9.000 en juin, et se liant aux cosaques du Kouban et aux combattants des peuples du Caucause, ils se retrouvaient déjà à plus de 30.000 en septembre 1918. Toutefois à Krasnodar, après un malaise cardiaque, à plus de soixante ans le général Alekseïev mourait le 8/10/1918 de cause naturelle. Mais la guerre civile était encore loin d'être terminée. En souvenir de ce grand officier un bateau important de la marine de guerre fut rebaptisé Général Alekseïev.

    NIKOLAI  NIKOLAIEVITCH  IOUDENITCH (1862- 1933)
             Николай Николаевич Юденич

    Officier à Moscou dès 1881, il commande un régiment en 1904 pendant la guerre russo-japonaise, ce qui fera de lui un chef d'état-major à Kazan sur la Wolga en 1912, et dans le Caucase en 1913. Adjoint de Vorontsov il mène les 100.000 soldats de l'armée impériale russe vers de belles victoires contre la Turquie ( alliée de l'Allemagne, Autriche, Hongrie, Bulgarie) pendant la première guerre mondiale. Vorontsov n'ose pas attaquer l'ennemi hors des frontières de la Russie et c'est alors que Ioudenitch devient le chef suprême à la frontière de l'Empire. Un chapitre particulier de la guerre 14/18 se passe sur les fronts dans cette region où plusieurs peuples sont concés entre les Russes et les Ottomans. Le général Ioudenitch y joue en 1915/16 un grand rôle militaire et politique dans des situations même pas encore claires un siècle plus tard, en ce qui concerne les Arméniens par exemple. Les évènements de 1917 renversent l'ancien régime en Russie et terminent les combats contre la coalition des ennemis extérieurs. Ioudenitch remonte vers Petrograd mais est rapidement écarté par le Gouvernement Provisoire de Kerensky. Le seul général ayant remporté des succés sur les champs de bataille doit partit en exil vers la France. Quelques mois plus tard aidé par les Alliés (la France, le Royaume-Uni, la Tjechoslovaquie, les Etats-Unis et le Japon), Ioudenitch repart pour un nouveau combat avec une 'Armée Blanche' rassemblée près de la Baltique. Il doit s'accorder avec  deux autres armées amies qui sont passées à l'attaque en d'autres lieux lointains. Nikolaï Ioudenitch a sous ses ordres des jeunes généraux qui veulent directement s'emparer de Saint-Péterbourg sans l'avis des autres forces qui participent à la contra-révolution, il fait aussi le mauvais choix de refuser l'aide des Estoniens et des Finlandais qui veulent en cas de victoire obtenir leur indépendance. C'est ainsi qu'il stoppe son attaque à l'entrée des faubourgs de Petrograd et qu'il attend les deux autres armées. Erreur, car l'Armée Rouge s'est bien regroupée, et Trotsky a expliqué que dans beaucoup de cas la meilleure défense est l'attaque. Les combats meurtriers se soldent par une victoire des Bolchéviks qui en ce moment fort disposent de 5.000.000 d'hommes bien unis. Le général Ioudenitch quitte la scène et restera jusqu'à sa mort en exil du côté de Nice, mais jamais il ne s'occupera des autres émigrés, malgré sa renommée internationale.


     

    Souvenirs du Gouvernement de Omsk sous Koltchak.


    ALEXANDRE VASSILIEVITCH KOLTCHAK (1874-1920)                                                                                 Алекса́ндр Васи́льевич Колча́к 
                                                                                                 
                                               Il avait comme ancètre un grand militaire Bosniaque et plusieurs scientifiques,  passa son enfance dans l'Aciérie Oboukova de Saint-Pétersbourg, était dans les premiers de ses classes au Bataillon Naval de Saint-Pétersbourg. Voilà un 'iron man' d'une qualité comme il y a rarement eu sur notre planète. Officier de la marine du tsar, océanographe, hydrologue, explorateur des régions polaires sur la Larya du Baron Toll, il se distinguait dans les combats navaux de la guerre russo-japonaise. Il développait l'organisation de la marine et la qualité technique des grands bateaux, et personne ne s'est étonné donc que cet homme très compétent devenait à seulement 42 ans vice-amiral et commandant en chef de la flotte de la Mer Noire. En 1917 il est le seul amiral favorable aux idées de Kerensky. En octobre de cette année cruciale il doit accepter le pouvoir des Bolcheviks, mais il s'en va en direction de la Sibérie où à Omsk, à l'Est de l'Oural, un autre gouvernement russe serait constitué. Omsk est un point stratégique très important, vu la proximité de grands fleuves et surtout de la ligne de chemin de fer Transsibérien. Le conditions climatiques y sont extrêmes, entre +40°C en été et -43°C en hiver. L'amiral Koltchak y devient le ministre de la guerre. Bientôt il dispose d'une armée de 400.000 hommes, et il est aussi en possession de toutes les réserves d'or du tsar, chargées sur des trains blindés. Il contrôle ainsi l'accès aux richesses de la Sibérie. Il a donc d'énormes atouts en main, il achète à l'étranger des grosses quantités d'armes et de munitions, il engage des mercenaires étrangers pour son combat. Le Sibérien Koltchak est un adversaire de très grande taille pour les révolutionnaires communistes qui dominent les centres de Petrograd et de Moscou. Lorsque les troupes de Koltchak mettent le cap sur Moscou, le tsar et sa famille seront exécutés le 16/7/1918. L'odyssée de Koltchak pourrait remplir des romans. Dans un climat d'intrigues, de chaos, et de corruption, ce grand chef du Gouvernement de Sibérie fut trahi par les forces étrangères incorrectes qui se melaient à ses rangs. Il fut livré à ses ennemis, comme un Jésu Christ, et ensuite tué à Irkoutsk à la date du 7/2/1920.
    Pendant longtemps considéré par la propagande soviétique comme un mauvais, comme quelqu'un qu'il fallait effacer des mémoires, comme un criminel et un ennemi du peuple, Alexandre Koltchak est en pleine réhabilitation depuis 10 ans. La Russie du XXIe siècle, celle de Poetin, Medvedev, et d'autres qui suivront, dans l'approche nouvelle de l'histoire de la Russie, veut mettre en valeur le patriotisme de ses héros du passé, et change sa vue sur le totalitarisme qui a duré pendant trop de décénnies.
    La vie aventureuse de Koltchak, la grande personnalité de cet homme, va dans le futur inspirer beaucoup d'auteurs de livres et scenaristes de film. Je me contente donc seulement de quelques phrases concernant un tel grand chef dont la biographie constitue un potentiel pour créer un héros que les prochaines générations vont apprécier. 
    Dans le prolongement de la Première Guerre Mondiale, entre 1918  et 1923, la terreur rouge mais aussi la terreur blanche, avait couté selon les estimations un total qui pourrait être de l'ordre 15 millions de morts, compte tenu des confrontations armées, de la famine et des épidémies. Pour analyser toute cette période, pour la comprendre , il faut vraiment des années. En découvrant Alexandre Koltchak  il me semble que j'ai rencontré un géant que je ne connaisais pas. Il ressemble tout simplement à la ligne du Transsibirskaya, à la profondeur des océans, à l'étendue des grands territoires du Nord, à l'immensité de la nature à l'Est de l'Oural.


    Le courage des Sibériens de Koltchak ne pourra jamais étre oublié.

    Découvrez plus sur les années historiques qui avaient transformé la Russie.
    Via Google ou un autre moyen de recherche surfez vers les  noms des divers généraux ci-présents  ou alors sur  ' Les partisans Blancs , ' The Black Baron'  ' The glory of the Imperial Russia '  ' Russian Revolution White Movement'  ' Anna Timireva'  - Videos - musique- textes .

    ANTON  IVANOVITCH  DENIKINE   ( 1872- 1947 )
         Антон Иванович Деникин
    Né en Pologne et décédé au Michigan (USA) ce général est d'origine modeste. C'est donc par ses qualités humaines et par son travail qu'il était arrivé au sommet de la hiërarchie militaire. Via l'école normale et l'école des cadets de Kiev, il était devenu commandant à Varsovie, et ses mérites durant l'année 1905 face au Japon l'avaient propulsé général d'etat-major et commandant en chef à Kiev. Son travail d'adjoint des généraux les plus illustres comme Alekseïev, Broesilov, Korilov, fut excellent. Ainsi en 1916, il dirige bien lors d'une offensive victorieuse en Roumanie, où l'Allemagne et consorts perdront 1.500.000 hommes. En 1917 il est avec Lavr Korilov, et il se retrouve aussi en prison. Mais, les deux généraux s'unissent à nouveau dans le Sud-Est pour la formation de l'armée des volontaires. Anton Denikine devient, après la mort de Korilov et d'Alekseïev, le chef des forces anti-communistes au Caucase et en Ukraine. En juillet 1919 ses rangs se sont étoffés, et il est à la tête de 200.000 hommes équipés avec 2000 canons et 30 chars. Ils récupèrent beaucoup de terrain combattant pour la Russie ancienne qu'ils veulent  GRANDE - UNIE - LIBRE selon leur devise. Hélas, pour eux ... en octobre à Orel les forces des rouges retournent la situation. De combat en combat Dénikine doit redescendre vers la Crimée où le 4/4/1920 à Sebastopol il donne sa démission. Le Baron Piotr Wrangel prendra sa place. Dénikine part en exil en France, où il a écrit 600 lettres classées plus tard en bibliothèque, et à la fin de sa vie il émigre vers les USA où tranquillement il a laissé ses mémoires  (2000 pages). Lui qui avait été un si grand 'adversaire de l'Armée Rouge étonnait dès 1933 le monde. Car, à distance, il devenait un grand admirateur de cette grande armée parcequ'elle serait la seule à pouvoir contrer les Nazis, la nouvelle menace qui s'approchait de la sainte terre russe. Il voyait donc très clair encore, ce superbe général du tsar.
    Dans le cadre de la reconciliation nationale en cours, le 3/10/2005 les cendres du général Anton Dénikine et celles du poète Ivan Iline furent rapatriés en Russie et déposés au Cimetière de Notre Dame de Donskoï au Sud de Moscou. Les restes d'Alexandre Soljenitsine et bien d'autres Russes remarquables se trouvent également dans ce cimetière. 

    A Dénikine était reproché qu'il ne parvenait plus à faire règner l'ordre, la loi , et qu'il n'avait que peu de structure dans ce qu'il organisait sur les territoires controlés par son Armée des Volontaires. Il n'a pas été capable d'éviter des vols et des atrocités qui servaient pour ravitailler ou amuser ses hommes plus que pour punir les sympathisants de ses ennemis. Ainsi en Ukraine plus de 800 faits contre les juifs ont eu lieu, et il n'aurait rien fait pour empêcher cela. Une enquête récente a prouvé pourtant que seulement 17% des faits  (pogroms) reprochés tombaient sous sa responsabité. Dans les immenses plaines vers 1920 il y avait en dehors de l'armée rouge et de l'armée blanche, encore plusieures autres grosses bandes armées incontrolables qui faisaient souffrir les populations. Il faut aussi savoir que se dresser contre les juifs n'était pas de l'antisimétisme mais c'était chasser les bochéviques juifs, les ennemis des familles russes traditionelles. Ces juifs étaient en effet en ce temps-là des communistes et non des capitalistes. Les paysans   n'avaient pas de sympathie pour l'armée blanche qui mangeait leurs récoltes et leurs animaux, ce qui causa des drames dans les villages .

    Dans le froid et la famine,
    Par les villes et par les champs,
    A l’appel de Denikine
    Marchaient les partisans blancs.

    Sabrant les troupes bolcheviques
    Et ralliant les Atamans
    Dans leurs campagnes épiques
    Ils traquaient Trotsky tremblant.

    C’est pour la Sainte Russie,
    Pour la vieille tradition,
    Pour la gloire et la patrie
    Que luttaient ces bataillons.

    Votre gloire est immortelle
    Volontaires et officiers blancs
    Et votre agonie cruelle
    La honte de l’Occident.
     

     (chant des Cosaques )


    PIOTR NIKOLAIEVITCH WRANGEL ( 1878 - 1928)
    Пётр Николаевич Врангель
    Le Baron WRANGEL mort à Bruxelles en 1928
    Freiherr Peter von Wrangel est un des généraux les plus intéressants, compétents et honnêtes. "Le Baron Noir" avait d'excellents talents politiques et militaires pour arracher son pays à la dictature des Soviets. C'était un petit noble de Lituanie qui dans son arbre généalogique germano-balte comptait 44 généraux, amiraux, ou maréchaux. Fils d'un directeur de compagnie d'assurances il n'était pas riche mais il espèrait trouver de l'or car il avait fait des études d'ingénieur des mines. Il opta cependant pour une carrière d'officier de la cavalerie à l'académie impériale. Héros de la guerre russo-japonaise, et de batailles de la cavalerie en Finlande, Pologne et Roumanie, il accéda en seulement 13 ans aux plus hauts grades. Il est surnommé Piper par ses compagnons car il adore le champagne Piper-Heidesick qu'il boit avant et après les combats. A la fin de 1917 il refuse un très haut poste en Ukraine parcequ'il ne veut pas être une marionette du Kaiser et il choisit les rangs des volontaires russes où il deviendra le grand chef adoré des Cosaques de l'Usuri. Il s'empare de Stalingrad et d'autres points stratégiques, estimant toutefois que son chef, le général Dénikine, est en train de faire des bêtises. Il est dégradé lors de ce conflict mais deux mois plus tard c'est lui qui  obtient le plus haut poste de l'Armée Blanche, mais c'est déjà trop tard car la guerre civile arrive dans sa phase finale et l'Armée Rouge est devenue très forte. Durant l'année 1920 il parvient à rassembler 100.000 hommes,  tous les rescapés des massacres précédents, les débris de l'armée de Dénikine, divers groupes cosaques mais qui n'ont plus ni chevaux ni fusils. Il change le nom de ses troupes. Les 'volontaires' fortement diminués en qualité deviennent ' l'Armée Russe'. Avec de l'aide non gratuite venant de l'étranger  (français, anglais, américains) il se renforce en équipement et il continue le combat. Mais bientôt les 'blancs' doivent se sauver en Crimée face à l'Armée Rouge, qui après l'arrêt des hostilités sur d'autres fronts, passe à l'attaque avec 500.000 hommes.
    Rapidement alors Piotr Wrangel cherche surtout à sauver des milliers de vies humaines en organisant le grand départ de Sebastopol des réfugiés civils, des blessés et des militaires. L'évacuation de la Crimée fut une des grandes tragédies du XXe siècle. A la tête de troupes démoralisées, dans une panique indescriptible, le Général continue à être un grand héros car il ne quitte pas son poste quand cela va très mal.
    La France à qui les 'blancs'  doivent encore payer des grosses factures va s'occuper de ces fugitifs qui arrivent à Constantinople avec une flotte de 130 navires. Arrivent ainsi par la voie maritime 146.200 personnes, une masse énorme de Russes très divers, mais aussi des guerriers encore armés jusqu'aux dents. C'est une longue aventure avec beaucoup de chapitres encore. Le général Wrangel restera sur mer et sur toutes les terres le commandant en chef de l'Union Générale des Combattants Russes. S'il caresse le rêve d'un retour au combat en Russie pour la libération de sa chère patrie, il est surtout le guide de tout un peuple dispersé hors de la Russie, qui garde ses qualités, sa culture et sa dignité, et qu'il essaie de tenir rassemblé sous son autorité. Cela dure jusque fin 1925 lorsque son rôle militaire international se termine. Il s'installe alors à Bruxelles comme ingénieur. Il essaye de publier un énorme livre sur l'histoire de la Russie des années qu'il a bien connues, mais un seul éditeur est d'accord pour une petite partie, car Wrangel avait écrit huit fois trop et des pages que Staline n'aurait jamais accepté. Le grand général est touché par la tuberculose, et certains ont affirmé, sans preuve, qu'un espion communiste l'avait empoisonné. Il avait été enterré à Uccle-Calevoet, d'où ses restes seraient transportés un an plus tard vers l'Eglise Orthodoxe de la Sainte Trinité à Belgrade en Serbie.

    L'Ile de Wrangel dans le grand nord Sibérien, lieu protégé car d'une flore et faune très riche et où l'on retrouve encore dans la toundra gelée des cadavres de mammouths, n'a rien avoir avec ce général mais elle fait honneur à Ferdinand Wrangel (1797-1870) un grand explorateur . 

    Lors des innombrables faits d'armes pendant cette guerre civile il y a eu naturellement bien d'autres héros, mais mon message se limite à six généraux qui ont perdu. Je recommande les sites suivants à ceux qui veulent savoir encore plus.

    Attention toutefois, il faut toute une vie d'étude pour comprendre LA REVOLUTION RUSSE, car depuis un siècle selon leurs conceptions politiques, philosophiques ou religieuses tant de gens instruits ont écrit des choses nombreuses et variées sur cet immense sujet.
     
    www.histoire-russie.fr/histoire/chronologies/guerrecivile_1918.html

    www.forumpatriote.org/phpBB3/viewtopic.php?f=42&t=16548

    //fr.metapedia.org/wiki/Armées_blanches

    Pour finir, gloire aussi au podium de cette révolution, et donc je cite les trois noms
    d'hommes exceptionnels qui combattaient pour un meilleur avenir pour les paysans et les ouvriers de la grande Russie. 
            Vladimir Illitch Oulianov Lénine
            Lev Davidovitch Bronstein Trotsky
     et last but not least  Josef Vissarionovitch Dougachvili Staline .

    27-12-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (3)
    24-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Lang geleden geschreven na het drinken van vodka met citroen.
    In ieder kantoorgebouw loop ik verloren
    In elk computerprogramma steek ik dra vast
    In de dagelijkse sleur val ik moe in slaap
    In mijn straat ontmoet ik niemand en praat ik nooit
    Wanneer ik op reis ben dan groei ik toch zo snel
    Ik verander dan in een betere persoon
    Ik durf meer met heldere geest en sterk lichaam
    Ik loop door de drukte van Keulen of Parijs
    Ik fiets dwars door de nacht op wegen naar Rome
    Waarom kan ik dan toch zo goed blijven varen
    Terwijl mijn hart kreunt op iedere trap en brug
    Toer ik vlot in de Queyras en de Aubisque
    Twijfel ik niet bij het zien van regen of mist
    Toch houden kop en benen liefst van zonnebrand.






    24-12-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    22-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Poging om ook eens 'n gedicht te maken.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen CONCERTO
    IN DERTIEN BEWEGINGEN.

    Hoe vol was de Bourgogne fles

    alvorens wij haar leeg dronken

    Hoe leeg was nog die groene fles

    toen de wijnboer haar had gevuld

    Ik hou niet van die Vivaldi

    toch klinkt uit heel zijn naam muziek

    Ik hou wel echter zoveel meer

    van een sneeuwman met rode neus

    Hopend op vogels in het groen

    Wachtend op het zomerse strand

    Bijtend in een wang Jonagold

    Misschien zou ik toch een beetje

    moeten houden van Vivaldi.

    (Tibertyn)

    22-12-2010 om 05:59 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    21-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Bij de kapster op afspraak.
    Op de stoel bij Simone Martin.

      

    Wilfried een zestiger met een dunne haarbos laat al vele jaren een weelderige baard groeien. Als zesde prijs op een sportkwis had hij op een vrijdagavond een cadeaubon gewonnen waarmee hij in de naburige stad recht had op een uitgebreide behandeling bij Hairstyling Haspengouw het bekende salon van kapster Simone Martin.

    Ik was een beetje bang toen ik precies om 16u zoals afgesproken de deur open duwde en binnenstapte op een terrein dat me helemaal onbekend was.   Ik werd verwacht en eer ik goed besefte waar ik was, nam de jongste van de vier rechtstaande vrouwen me mee. Even later zat ik reeds zoals het moest op iets wat zowel op een stoel als op een zetel geleek.

    ' Laat de kop maar zakken' mijnheer zei ze met haar elegant stemmetje. Ik wrong mijn nek naar achteren tot waar een soort kommetje als hoofdsteun dienst deed. Weldra vloeide lauw vocht zalig over mijn kruin en speelden haar lange fijne vingers doorheen mijn zeldzamer wordende sprieten. Ik vroeg mij af of zij ook wat met mijn baard en mijn borstharen ging doen. Maar, neen, dat hoorde blijkbaar niet bij dit scenario. Mijn angst, dat ik te lang op een stoel zou moeten zitten en bladeren in damesmagazines, was onnodig geweest. Ook nu ging deze wasbeurt heel vlug, kort, maar eigenlijk toch intens en had ik tenminste ook al natte haren zoals iedereen in de rij die daar voor de spiegels zat.

    Opeens zag ik geen steek meer. Een roze handdoek belemmerde mij alle zicht. Mijn hersenpan werd drooggeveegd. Zou zij me ook met krulspellen bewerken ?  Maar zonder enige uitleg te geven liet het kortgerokt kapstertje me plots in de steek, want zij liep weg naar een andere spoelbak en naar een ander hoofd. Ik voelde  terug de frisheid van mijn eigen kopje dat nu afkoelde. Wat een mooi beroep, dacht ik. Wat een prachtige zaak, winkel en salon, is dit hier ! Hoe schoon zijn de vrouwen , zowel op de foto's en in de kaders aan de muren, als in de spiegels, als in de werkelijkheid van vlees en parfum vlakbij me ! Overal, in alle hoeken, zaten van die beter geklede en verzorgde dames, en zij waren ontspannend aan het genieten van deze stonde.

    Ik bemerkte de vele spuitbussen met spray en de veelkleurige flesjes. De gevangene die ik was keek naar de zoldering waar de vierkantjes van de verluchting langzaam de dunne zuurstof uit dit lokaal vol vrouwelijke geuren wegzogen en omhoog stuurden tot in onze bedreigde ozonlaag. Glitter en spiegels, zeshoekige vloertegels, en kleurrijke haarlokken op de vloer, veertien paar vrouwenbenen en ik die keek  en die blij was van een paar verse sokken aan te hebben. De enige man buiten mij,  Jean-Pierre, van wie de hele stad reeds lang wist dat hij homosexueel was, bewoog zich nu met Figaro-elegance naar mij. Eindelijk kwam hij me uit de stilstand verlossen en me wakker schudden op dit belangrijk moment. Van hem kreeg ik een ruimere ereplaats, vlak voor de grootste spiegels. Toen pas merkte ik op hoe mooi het borduursel op mijn voorschootje wel was. Doch duidelijk werd echter ook hoe lelijk ik toch ben . Het is geen zicht in die spiegels !

    Nog even glipt Jean-Pierre weg naar buurmeisje Mimi dat het wat moeilijk heeft met de jonge vrouw die zij moet verzorgen. Deze wil absoluut dezelfde korte witte snit krijgen als de girl op de Harley Davidson in 'Vroem - Het Maandblad voor de Motorrijders" !  De ervaren Jean-Pierre overtuigt haar dat dit ongetwijfeld zal lukken met het product dat Mimi wil gebruiken. Ook Simone komt zich met het probleem bemoeien .

    Simone. Zij is de vrouwelijk charme zelf. Zij is een orkestleidster, een keizerin in haar vak. Regelmatig wordt er door de dames bijna gevochten voor een poosje op een zitje bij haar. Zij knipt de haarpuntjes met een schaarken van wit staal en zij rolt de krullen met een borstel die speciaal uit Italië komt. Zij is nooit getrouwd geweest, alhoewel zij regelmatig wordt gezien met de een of andere vent, meestal niet bekend maar wel altijd rijdend met een dure wagen. Haar zaak draait op Jean-Pierre, twee vaste kapsters in dienst,  alsook met part-timers en leerlingen kapsters. Iedereen bij Hairstyling Haspengouw is stijlvol in het rood gekleed. In dit salon wordt veel gelachen, veel nieuws uitgewisseld, maar nooit geroddeld. Een gouden regel van dit huis is dat er nooit kwaad mag worden verteld van andere mensen.

    Ik zit op de stoel, met een gerust geweten, mijmerend , en af en toe glurend naar mijn ego in de spiegel. Waar zijn de jaren, hoe kon ik overleven aan de gevaren, waar zijn mijn wilde haren  ?
    Jean-Pierre vliegt nu met grote aanvalsdrift op mijn haarbos en weldra ook op mijn baard. Het is knipwerk uitgevoerd met aandacht, eerbied, en kennis. Weldra wordt een nieuwe man geboren. Tussen het vrouwelijk schoon kruip ik als een koekoeksjong in een merelsnest recht. Oef, dit is ook weer voorbij !

    Simone, aan wie ik mijn cadeaubon had gegeven toen ik binnenkwam, staat op dat ogenblik aan de kassa en aan de telefoon.  Ik moet niets betalen. Als een gentleman leg ik toch wat drinkgeld voor het personeel in het potje dat er staat, en ook nog een halve euro voor de katten van een dierenasiel.

    Dank U wel, Madame Simone !  U was een weldoenster voor de oude sportman die nog vele goede antwoorden kon geven op de jaarlijkse Quiz  .




    21-12-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    18-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Op zoek naar Annelies Mayer.
    Postuum en ter ere van nonkel Frans.

    Op de purperen heide stond een grote linde en een klein café. Annelies Mayer had ik daar gekend.

      


    Hij was in de familie gekomen na de Tweede Wereldoorlog. Ik kwam in dezelfde familie even na de Revolutie van Mei 1968. We ontmoetten elkaar aan tafel tijdens de regelmatige familiedinertjes rond Kerstmis en Nieuwjaar, op kermissen, huwelijken, doopsels, eerste en plechtige communies, en begrafenissen. Samen dronken wij dan rode wijn, Frans en ik, en we zagen nooit op een glaasje. Na vijf glazen werd ons gesprek steeds boeiender. De onderwerpen veranderden niet vaak, meestal ging het over hetzelfde als ware het de oudste vinylplaat van Will Tura die werd gedraaid en herdraaid op elk familiefeest. Als insider moest ik nonkel Frans informeren hoe het was en ging worden met de intresten van de kleine spaarder. Dan was het zijn beurt om te beschrijven hoe moeilijk het werd in zovele winkels kaas, melk en boter te leveren, in het drukke verkeer van de hoofdstad Brussel waar het aantal vierwielers en politiemannen steeds maar vermeerderde. Daarna begonnen we over het velorijden op de stille Haspengouwse veldwegen, en zo ging het dan verder terwijl wij onderbroken werden omdat wij ook nog taart of ijskreem moesten eten.  

    Nonkel Frans was een klein stevig mannetje afkomstig uit een dorp nabij de fruitstad. Hij was twee dozijnen jaren gehuwd met de zuster van mijn schoonmoeder. Zij was vrij omvangrijk van borsten en billen, maar botergoed van hart, in ieder geval dan toch met mij, omdat ik getrouwd was met haar liefste nichtje. Want als ambtenaar van het Ministerie van Financiën moest zij uiteraard streng zijn voor vrijwel alle andere landgenoten die er bestonden en zeker voor haar echtgenoot. Wij wisten dus wel dat zij zou tussenkomen bij het openen van de volgende fles, maar dat kon ons niet schelen. Eens gekomen aan zijn zevende glas rode wijn werd onze nonkel  uit Brussel weer Frans van Dung en dan was hij niet meer te houden. 'Wij maken deze fles Rotwein soldaat...!'  zo sprak hij dan met brede glimlach en met geheven glas ... 'zoals in der Zeit auf der Lüneburger Heide ... !'.  En dan waren wij gekomen waar we moesten zijn, in 1946 toen ik nog moedermelk dronk, en toen hij de eer van ons vaderland verdedigde ergens ver in Duitsland, niet meer tegen de Duitsers want de oorlog was voorbij en gewonnen, maar wel tegen die Britten die niets van voetbal, bier, of whisky kenden , en nog veel minder van hoe je toen met vrouwelijk schoon uit Saksen moest omgaan.  

    Waarheid en ernst verplichten mij vanaf deze zin mijn verhaal wat rustiger te brengen. Op zekere dag liep het plots mis met het hart en de bloedvaten van nonkel Frans. Hij lag toen op een kamer in de kliniek, meer dood dan levend. De dokters bliezen zijn aders terug open en bouwden een overbrugging in zijn lijf , maar de man uit Evere zou voortaan een regime moeten volgen en het rustig aan doen om nog wat langer te kunnen leven. Op dieet ieder dag van de week maar nooit als er een familiefeest was  want dan probeerde Frans toch of het nog wat kon gaan. Immers hij die zoveel vette kaas had geproefd en Boergondisch wijnen had gedronken, kon niet nalaten te denken dat het beter is rap dood te gaan dan langzaam te sterven. Hij die als leerling-beenhouwer spek, worst en steak had gegeten tijdens de oorlog toen vele mensen maar een stukske haring, kikkerbil of duif kregen, voelde toen dat ook voor hem de tijden veranderden.

    De gezondheidsproblemen van Frans bleven aanslepen en ook al begon hij na het kwijtspelen van vele kilo's een veteraan van goed niveau bij de wielertoeristen te worden in navolging van zijn oudere broer ' de Meester uit Sint-Truiden', toch was beperking op gebied van wijnen voor hem  werkelijkheid. Maar op een dag spraken ik en hem toch af dat wij samen eens een weekje zouden gaan fietsen tussen Celle, Soltau en Lüneburg. In die tijd echter was mijn motivatie nogal zwak om dit te ondernemen, en we waren zo dwaas van ons plan uit te stellen. Daarna gebeurden er ook nog dingen die dit hebben belet, zoals de valpartij van Frans waardoor hij maandenlang buiten de wielerstrijd viel, en later tenslotte volgde een tumor in zijn hoofd, en kwam het einde van nonkel Frans Herman K.. Samen hebben we nooit die fietstocht kunnen maken, onze zoektocht naar Annelies Mayer. 

     
    Oefeningen met tanks in de sixties  -                                    Betonnen trappen gebouwd door Italianen.

    Door de wonderen van de hedendaagse technologie kan een oude man zonder pijn van ziel en lichaam nog terug naar de Lüneburger Heide van 1946, en naar stukjes puzzle die in zijn memorie waren gebleven, stukjes over avonturen die zijn nonkel Frans zaliger vertelde na het drinken van ettelijke glazen rode wijn. Speuren in de nevelen van het na-oorlogse 1946 is niet gemakkelijk, want het deksel van de militaire geheimhouding heeft veel in de schaduw gelaten.  Daarom zal ik dan maar eerst schrijven dat mijn verhaal FICTIE is en zoals de Italianen vaak zeggen ' weliswaar onwaar maar dan toch waarachtig mooi verteld ...' .

    Het is vandaag voor een snuffelaar in de archieven trouwens gemakkelijker te vinden wat een soldaat van Napoleon uitrichtte in 1806 dan wat een Belgisch soldaat heeft gedaan in 1946, ergens in Noord-Duitsland waar toen sedert decennia geen enkele gewone sterveling een kijkje kon nemen. Vermits mijn nonkel op een appartementje boven op een torengebouw woonde, heeft hij nooit enige documentatie bijgehouden. De helft van zijn woning was steeds ingenomen door allerlei electrische toestellen in opbouw of in afbraak, want zeer jong had zijn zoon reeds de roeping van uitvinder, en voor de rest was alles onder toezicht van zijn echtgenote. Nonkel Frans had in zijn kelder alleen een plaatsje voor een koersfiets en enige accessoires voor wielertoerisme, en dan was daar uiteraard ook nog zijn reserve flessen rode wijn. Ten huize van bijna-oudstrijder Frans dus geen enkel archief noch foto uit 1946. Moest het eens mogelijk worden van in de archieven van het Belgisch leger te kunnen duiken en zoeken, zal het wellicht ook moeilijk zijn ene milicien Frans Kempeneers terug te vinden in de lichting 1946, alleszins niet op Duits grondgebied en dan nog in het Britse leger, want onze nonkel was indertijd ingelijfd bij hulptroepen die de Engelsen versterkten.

    Ongetwijfeld werd hij door een olijke Waalse onderofficier op een lijst van  ' specialisten-vrijwilligers' geplaatst omwille van zijn familienaam. Om die onbekende heide te bezetten was het best gezonde jongens uit onze Kempen te sturen, en dus was een Kempeneers uit Limburg een geschikte man voor die onduidelijk en wellicht gevaarlijke job op de Lüneburger Heide. Na een lange rit waren de aangeduide Belgische manschappen aangekomen in het Münsterlager. Daar hebben zij gedurende één goed jaar hun dienst volbracht.Vermits hij beenhouwersgast van beroep was, kreeg Frans een tweezijdige functie, één voet in de keukens en éen voet als ordonnance van officieren. Ook daar werd weer gesjoemeld met zijn identiteit. Zijn voornaam Frans was niet passend , want zijn overste was tegen de verfransing van ons leger.  Die kerel had een lief in de naburige stad Hermannsburg en vermits er ook als laatste voornaam Herman op zijn papieren stond, werd de nieuwe ordonnance herdoopt en ingeschreven als Herman . Het heeft niet lang geduurd of Frans Kempeneers, alias Herman K, het grote voordeel inzag van verschillende pasjes, lidkaarten, papieren, marsorders, tickets, bonnetjes, te hebben met diverse voornamen, namen, identiteiten. De Belgische soldaat, in zijn dorp bekend als Frans van Dung, en jongste telg uit een gezin van acht kinderen, moest zeker niet Schwejk of Barry Lyndon heten om goed zijn plan te trekken in die tijden van chaos in het Noord-Saksen van toen.


    Het leven in de barakken van het grote Munsterlager.

    Wie op zoek gaat naar informatie op internet zal toch even moeten slikken bij het ontdekken van waar nonkel Frans was terecht gekomen. Ik wil zelfs duidelijk stellen dat die goede man toen niet en later ook niet heeft geweten waar hij eigenlijk was tijdens zijn legerdienst in Duitsland. Zijn bewegingsmogelijkheden en informatie zullen wel zeer beperkt geweest zijn.

    Reeds vanaf 1891 werd er begonnen te Münster in de omgeving van de Kaserne Hindenburg met de inrichting van een grote Truppenübungsplatz. Dit oefenkamp kende gedurende die vele jaren verschillende afmetingen , maar was toch altijd minstens 7400 ha groot. De Pruisen hadden daar reeds hun wapens getest voor de Eerste Wereldoorlog, met inbegrip van de smerige gassen die in de loopgrachten zouden worden gebruikt. Zeer bekend was de schietbaan en de plaats waar met handgranaten werd gegooid. Grote militaire kampioenen werden daar gevormd of ontdekt. Ongeveer 21.000 krijgsgevangenen werden tijdens 14/18 op dit onvindbaar en verboden militair domein in een kamp opgesloten. In de jaren '30 werd daar in die omgeving de Blitzkrieg voorbereid en onder stricte geheimhouding waren er voortdurend maneuvers met twee divisies. Belangrijker waren nog de geheime opslagplaatsen van munitie en van gassen. Vandaag nog steekt daar veel gevaarlijk materiaal in de grond, achtergebleven, niet ontploft, niet meer op documenten en plannen vermeld. Eens toen de Tweede Wereldoorlog bezig was, bouwden en herbouwden vanaf 1940 de POWS, de Britse krijgsgevangenen, een kamp voor 40.000 man en later ook voor Italianen, Russen,.en nog meer Britten, zoals de 400 para's die zich te Arnhem overgaven. Toen het kamp, bekend als Stalag 357, werd bevrijd op 16 april 1945 verbleven er 96.000 krijgsgevangenen.  Op 30 km van Fallingbostel-Bergen was er dan ook nog het concentratiekamp van Bergen-Belsen, dat van een heel andere soort was.

    De Britten en de anderen verlieten het krijgsgevangenkamp toen de oorlog voorbij was. Kort daarna werd hetzelfde kamp de verzamelplaats van de verliezers. Van overal werden ontwapende Duitse soldatens aangevoerd. Zij werden geïdentificeerd en van de nodige civiele papieren voorzien.  Zo maar even 1.700.000 Duitsers werden daar gedemobiliseerd en naar ' ihre Heimat bei Frau und Kind ' teruggezonden.

    De rol van het Belgisch leger begon in dat gebied vanaf 1 april 1946 toen drie infanteriebrigades onder Brits bevel de bezettingseenheden in dat deel van Duitsland gingen vervoegen. Maar het was pas op 2 december 1946 dat de precieze taak van de Belgische Strijdmachten werd vastgesteld en dat de BSD voor een aantal jaren zowat de tiende provincie van België werd. Gedurende vele jaren nadien bleef de Lüneburgerheide een militair oefenterrein, voornamelijk voor het Nederlands leger, dat daar dikwijls soldaten per trein bracht en er voornamelijk ook trainde met de Leopardtanks. Ook het nieuwe Duitse leger van nu blijft daar nog aanwezig.

    Wat precies de dagelijkse bezigheden van soldaat Frans Kempeneers op de Lüneburger Heide waren is me niet bekend en vermits hij nu dood is, kan hij me dat ook niet meer uitleggen. Maar volgens onze vroegere gesprekken was er toen tijdens die maanden van 1946 maar één activiteit nog belangrijk, en dat was 'tauschen'. Tussen de soldaten die over eten en kledij beschikten en de vele hongerige Duitsers onstond er een intense ruilhandel, met een grenzeloos aantal variaties. Een ordonnance die ook part-time in de keukens verbleef, had mooie troeven in zijn hand om goed te presteren in dat 'tauschen' . Er waren natuurlijk paden die men kon bewandelen en andere paden waarop werd uitgegleden. Niet overdrijven, niets naar België meebrengen, altijd onderweg zijn in opdracht van je officier, en altijd weten waar je officier zich bevond, dan kon je het ver schoppen als  ' Tauscher'!.  Je eigen slecht eten uit de Belgische keuken bezorgen aan de Duitsers en in een Engelse trui stiekem gaan eten bij de Engelsen waar de kost beter was. Dat was steeds een goed beginpunt. Als je iets moest gaan halen bij de Britten, die overvloed aan alles hadden, altijd als bestemmeling niet alleen Frans Kempeneers opgeven maar onverstaanbaar in het koetervlaams  uitleggen dat je ook nieuwe sokken en onderbroeken kwam vragen voor je kameraden Frans Van Dung en Herman K. van de 'special forces' die hun post niet mochten verlaten. Steeds oppassen voor de Military Police die op de Tauschers joeg. Soms kon je natuurlijk de muur doen  en met broekzakken die je veel dieper had gemaakt vol dozen corned beef bezocht je dan plaatsen waar werd gedronken, gedanst en geflirt. Altijd met een groepje uitgaan, want er werd regelmatig gevochten tegen de Britten die zat waren.

    Wie was dan toch die Annelies Mayer waarover nonkel Frans steeds begon wanneer wij ons tiende glas rode wijn vulden ?   Dat blijft een mysterie. Was zij een Lily Marleen uit de goede oude soldatentijd ?  Was zij een dikke soldatenhoer of een boerendochter van een erf zonder mansvolk ?  Was zij een hongerige vrouw met onschuldige kindjes die haar zwak eigen vlees ruilde tegen stevige soldatenkoeken en cornet beef ? Was zij een hopeloos lief, moeder of zuster, die bleef wachten en die niet aanvaardde dat hare Franz of Heinz nooit uit Stalingrad  of  Normandië zou terugkomen ?
    Hoe spijtig toch dat Frans en ik nooit samen zijn gaan fietsen op de heide ! Waarschijnlijk zou hij daar, ver van zijn echtgenote, de ware identiteit van deze vrouw hebben onthuld . Misschien zouden wij die Annelies Mayer daar veertig jaren na de oorlog nog hebben teruggevonden en was er nog altijd dat kleine café waar het tauschen plaatsvond. Misschien staat de grote linde, waaronder hij haar lippen had gevoeld, haar borsten en nog meer had betast, er nog.
    Veronderstellingen ? Fantasie ?  Oprakelen van dronkemanspraat ?

    Ik zou eigenlijk wel durven denken, op een nuchter en klaar moment, dat Frans Kempeneers zijn memories vervalste.  Hij reed toen misschien alleen maar met een driewieler, een loodzware beenhouwersfiets met vooraan een grote frigobox vol vlees, van de keuken naar de eetzaal van de officieren of van de slachterij naar de keuken, en op die houten bak vastgehaakt aan zijn stuur was er zo'n kleurrijke pin-up girl geplakt, zoals op de snuit van de Royal Airforce jachtvliegtuigen en de grote bommenwerpers, zo'n pin-up geruild tegen een pakje Belga en twee harde eieren  met een Schot uit Aberdeen. Onder deze pin-up stond in gekrulde letters geschreven  'Annelies Mayer' en niet  'Betty Boop'.



    Prachtige natuurgebieden, een paradijs voor fietsers en wandelaars. De Lüneburgerheide is vandaag een beschermd gebied van heide- en boslandschap gelegen in de driehoek tussen de grote Duitse steden Hamburg, Bremen en Hannover. Tussen 1236 en 1806 was deze streek het Hertogdom Brunswyck-Lüneburg, behorend tot het Heilig Roomse Rijk. Er zijn wel twee dozijnen bergen maar de modale fietser moet niet bang zijn want het zijn maar heuvels. Zelfs de hoogste top bereikt slechts de hoogte van 169 m boven de zeespiegel. Ergens op een nog niet gevonden plaats op de Lüneburger heide werd Heinrich Himmler begraven die eens, na Adolf Hitler, de tweede belangrijkste man van Nazi-Duitsland was. In deze heerlijke streek liggen vandaag verschillende leuke plaatsen om te verblijven.

    18-12-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    13-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onvoltooid stukje proza teruggevonden tussen oud papier.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Van mensen en dingen die voorbijgingen.
    Tijdens de achthonderdste maand van mijn bestaan geniet ik van de laatste zonnestralen van het jaar liggend in mijn veranda in een hangmat die ik eens kocht voor een prijsje te Saïgon. Ik heb reeds drie kleinzonen en een kleindochter, doch deze middag vernam ik dat er nog eentje bijkomt. Dat doet de fortunatus senex die ik ben glimlachen. Ik mijmer over wat voorbij is en wat nog alléén in mijn herinneringen blijft bestaan. Soms gebeurt het dat ik de tijd die me nog rest gebruik om wat te schrijven op deze blog, alhoewel mijn computer iedere dag slechter en trager wordt, en dat is ook mijn lot.  Tibertyn.

    13-12-2010 om 23:53 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    10-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mijn fietsboekje van 1983.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Een wielertoerist die eerlijk zijn vak beoefent, zal niet nalaten van altijd precies te noteren wanneer, hoeveel, en waar hij is gaan fietsen. Kwade tongen durven wel eens beweren dat dit nodig is om onder de controle te blijven van echtgenote, moeder of vriendin. Maar, dat is meestal niet waar. In het jaar 1983 was ik een kerel van 39 jaren oud,  96 kgr zwaar, en 1m91 lang. Ik reed op een stevige zwarte Diamond fiets die Ebroin uit Trognée had gemonteerd.Vandaag hangt mijn belangrijkste kamwiel van toen als een heilige reliek boven mijn computer. De 42 vlijmscherp afgesleten tandjes zijn als haaientanden  na de kilometers die er mee werden gereden.

    Toen ik in die jaren ging fietsen had ik steeds mijn fietsboekje bij. Het was een boekje met een rode omslag, zoals dat van de Chinezen uit de tijd van Mao. Het telde 76 witte bladzijden.  'Datum',  'Afstand', 'Reisweg ', 'Controlestempel ' waren de voorziene vakjes met daarbij ook nog wat plaats voor uitleg of info. De omslag was stijf en geplastifieerd, zoals de penis van een Leuvense student, zodat noch regen, noch zweet, het papier zouden kunnen schaden. Dat boekje, samen met mijn identiteitskaart, een beetje geld, een balpen, en fiches om notities te nemen, bevond zich altijd achteraan in mijn rennerstrui. 

    Gisteren vond ik mijn fietsboekje van 1983 terug. Het stak in een beker die ik ooit eens op een tafeltennistornooi had gewonnen, en er waren ook nog  medailles bij die ik had verdiend na het rijden van de Gordel, meer dan twintig jaren geleden. Wat een genot die zachte omslag van mijn fietsboekje terug te mogen betasten op het eind van 2010, twee dagen nadat ik voor de vijfde maal grootvader ben geworden !  Hoe plezant is het nog eens de bladzijden te draaien van mijn heerlijke dagen op de fiets tijdens dat jaar 1983. Heel vooraan had ik mijn naam, adres en telefoon vermeld, alsook mijn bloedgroep. Ik was toen lid van twee wielertoeristenclubs, van een heel kleine met de ronkende naam  Black Diamond Cyclo Association, en van een grote en oude club uit Landen, bij de BWB aangesloten als Haspengouw Sportief. Er bestonden toen al electronische kilometertellers. Die waren duur en werden vaak gestolen. Mijn tweewieler was nog altijd uitgerust met het mechanisch systeem van Huret, waarmee de afstand nauwkeurig werd weergegeven, behalve dan op koude en natte dagen.
     
    Iedere gezonde mens kan zonder een wielerkampioen te zijn  op een jaar veel kilometers afleggen. Dat moet niet gebeuren tegen hoge snelheden. Randonneurs rijden steeds met een stuurtas of een rugzakje, met klein verzet en met veel oplettendheid. De afstanden zijn voor hen belangrijker dan de snelheid.  De meeste wielertoeristen zullen echter op hun oude dag pas beseffen dat de mooiste momenten die waren toen zij vrij en ongedwongen ergens vertraagden en stopten, met dan nog nul als snelheid, om de natuur te bewonderen. Ook de after-cycling na de zware dorstgevende kilometers bestaat uit mooie momenten, want het drinken van een glas met de kameraden is toch belangrijk voor de teamspirit en voor de bloei van de club.

    Ik schrijf dit alhoewel iedereen van mij mag fietsen zoals hij wil, met kromme rug op een Colnago of helemaal recht in de wind op een fiets uit de fifties en met fietsspellen aan de benen. Om de belangrijkheid van mijn pedaalbezigheden in het gezegende jaar 1983 te tonen,  geef ik hierna een volledig overzicht van wat ik toen allemaal had gereden. Ik kom ten slotte tot de conclusie dat in die tijd de fiets een drug voor mij was om te overleven in het dagelijks bestaan.

    ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

    1. Maand Januari .
    -0102.  ijskoude openingsrit Zoutleeuw- Nieuwenhoven -Halmaal- 47 km.
    -0109. challenge Vertongen - Duras- Bergsprinters Zoutleeuw-  36 km.
    -0116. challenge Vertongen - Herk de Stad-  Bolderberg - Sint-Truiden - 93 km.
    -0122. challenge Vertongen - Gingelom-  Jeuk - Trognée -Walshoutem -  41 km.
    -0123. challenge Vertongen- Moxhe- Huccorgne - Latinne- Hannut-  met Richard Debras- 63km.
    -0130- challenge Vertongen + PV ADEPS - Noduwez- Dion Valmont - Nethen - ontmoeting met  Monsieur Ugeux-  101 km.


    2. Maand Februari .
    -0206. challenge Vertongen - Racour- Folx Les Caves - Lincent- 41 km.
    -0213. Point Vert  ADEPS - zeer koud- Orp le Grand - Opheylissem -Orsmaal-  36 km.
    -0217.challenge Vertongen - Bierwart- CECDO Marche les Dames - zeer koud- 70 km.
    -0220.challenge Vertongen- Averbode-Tongerlo-Beerzel- (Pater Van Clé fietspad)- Wezemaal- Tienen- 150 km.
    -0224. verkavelingswegen  - Trognée- Walshoutem - Hannut - 43 km.
    -0226. trein + GrootBijgaarden - (Begrafenis Romain Maes) - challenge Vertongen - Rixensart-Wavre - 116 km.

    3. Maand Maart.
    -0306. Eerste uitstap Haspengouw Sportief-+  start  Ronde van Limburg voor Profs te St-Truiden - 63 km.
    -0309. challenge Vertongen- Wellen (start)-Zutendaal-Kessenich - Meeuwen-Helchteren-Hasselt-Kortenbos - 152 km.
    -0312. Sportabedevaart Scherpenheuvel - (diner met pelgrim L.Vissers)- Zichem- Halen- 75 km.
    -0313. Tweede clubuitstap Haspengouw Sportief - (in groep van 22 man) -55km.
    -0316. Woensdagnamiddagrit op Trudoroute - Brustem- Corswarem- 72 km.
    -0320. Oefenrit Haspengouw Sportief - OrpleGrand- Wansin -Hannut- Rosoux- 60 km.
    -0321. Avondrit naar Trognée om fiets te laten nazien - 23 km.
    -0326. Ronde van Haspengouw (nazicht staat van de wegen met J.Linnekens)- Moha- Trognée - 80 km .
    -0327. Eerste clubuitstap Haspengouw Sportief- Wasseiges- Gingelom - 53 km.
    -0330. Permanente Proef BWB Ronde van Haspengouw- Moha - 79 km.

    4. Maand April.
    -0402. Driedaagse - Paasweekend- Blegny -Vaals- Mergellandroute-Geleen-Sittard- Fromberg- Hoogste punt van Nederland (325 m hoogte)- Maasbracht- Sint Odiliënberg- Eijsden- De Plank-Voerstreek- Jekervallei- Borgloon-  148 km + 155 km  + 72 km.
    -0408. Maas en Samson vallei - Oteppe- Andenne- BenAhin- Statte - Trognée - 98 km.
    -0409. Brevet 50 BWB Brabant - Lubbeek-Linden-Rillaar-Gelrode-Scherpenheuvel-Tienen- 154 km.
    -0410. maandagrit om te trainen -Groot Gelmen-Horpmaal- Heks-Oleye-Borlo- Atenhoven - 60km.
    -0416. Brevet 75 BWB - Schoonderbuken- vertrokken uit en terug tot Landen - 140 km.
    -0420. per fiets naar LBL profs- Spa- La Redoute- Le Maquisard -   164 km.
    -0420. Maas en  Samson-  Wasseiges- Beuzet- Namur- Gesves- Marchin- Huy- 121 km.
    -0424. voormiddag clubrit + namiddag Vélo Vadrouille ADEPS - Dongelberg- Fumal- Fize le Marsal - 205 km.
    -0429. permanente Landen-Geel-Landen  - via Rummen- Melkwezer-  121 km.
    -0430. BWB proef in groep- Meensel Kiezegem- Zolder - en terug - verplaatsing per auto met club- 73 km.
    -0400.  twee oefenritjes in de week -  12 km + 36 km.

    5. Maand Mei .
    -0501. BWB proef Leuven-Hamoir-Leuven , maar afwijking toegestaan  - in Wasseiges- uit Jodoigne- 188 km.
    -0505. permanente Overwinden-Andenne -  afwijking via Jemeppe s Meuse- Seilles-  90 km.
    -0507. oefenritje naar L'Hirondelle Oteppe - 40 km.
    -0508. clubrit Haspengouw Sportief naar Cidadelle van Namen - via Champion- Gelbressee - 94 km.
    -0512.  OLH- donderdag- challenge Vertongen-  Achel-Lommel-Postel- StJob in't Goor- Sint Jacobskerk  Antwerpen- (terug met trein) - 170 km.
    -0514.  BWB klassieke rit - Landen- P-TroisPonts- Landen -  + point challenge Vertongen Comblain- 209 km.
    -0515. clubrit over veel kasseien - (valpartij) - St Remy Geest- Pietrebais - Incourt- 73 km.
    -1805- Achtdaagse permanente BWB Antwerpen -Vezelay- Antwerpen + Circuit du Morvan .
    Landen-Dinant-Fumay-Signy l'Abbaye-Les Montagnes de Reims- Montée de Luddes- Oigny sur Marne-Courcemain- StFlorentin - Chablis- (overstromingen rivier Aube te Longueville)- Vezelay /-  Circuit/  - retour par Tonnerre- Lac d'Orient- Montier en Der- Varennes en Argonne- Vouziers-   Givet-  (gebroken velg en spaken- zeer slecht weer- terug per trein)-  167 km + 105 km + 173 km+  52 km + 110 km + 190 km + 155 km +  50 km .
    -0528. Tweedaagse van Haspengouw Sportief - Landen-Charleville- Landen -( in groep met volgwagen)- 320 km.

    6. Maand Juni .
    -0605. Ritje naar Jeugdhuis De Klup Hoegaerden - 35 km.
    -0608. permanent BWB  Landen-Banneux-Landen  +  Les Forges - 174 km.
    -0610. permanente van KAWS -  Turnhout-Huy-Turnhout    - in en uit te Landen- solo- 240 km.
    -0619. Brevet 100 Paul Ulens- + namiddag Lubbeek-Rijmenam-Keerbergen-Machelen-Etterbeek - (terug met auto)- 185 km.
    -0623. permanente Overwinden-Givet-Overwinden - Musée Falmignoul- challenge Vertongen - solo- 188 km.
    -0600. Tien zomerse fietstochten van korte afstand naar werk te Waremme- of met familie - totaal  363 km.
    -0625- Brevet 50 km van  Koninklijk Atheneum Landen - in groep- met ouders, leerkrachten en leerlingen -50 km.
    -0626- Klassieker BWB - La Flèche Wallonne du Cyclo Spa - 21 hellingen - solo- 212 km.

    7. Maand Juli .
    -0702. Landen- Herent- Landen - BWB proef - vertrek te Landen of te Herent - 115 km .
    -0703. clubrit Landen-Zichem-Landen -  alsook op zelfde zondag rit naar Oteppe - 130 km.
    -0708. Tumuli de Hesbaye en Samsonvallei  ( twee bandbreuken)- 70 km.
    -0709. permanente BWB  - Ronde van Haspengouw via Waremme - 79 km.
    -0710. clubrit van Haspengouw Sportief - 110 km.
    -0716. op vakantie in de vallei van Aosta- poging  Colle San Carlo op Bianchi fiets van het hotel- 50 km.
    - 0723.Tweedaagse van club gereden op één dag- solo- Landen-Einruhr-Landen- 281 km.
    -0724. clubrit van Haspengouw Sportief- 106 km.
    -0730. Jodoigne- Les six vallées - in groep - 160 km.
    -0731. clubrit Haspengouw Sportief- + namiddagritje met familie naar Opheylissem - 122 km .

    8. Maand Augustus.
    -0803. permanente Ronde van Haspengouw -  79 km.
    -0806. rit ' s Gravenvoeren- Maastricht  142 km.
    -0807. clubrit naar Oostham  - 112 km.
    -0810. permanente Ronde van Haspengouw - 79 km.
    -0813. Verviers- Ouren- Verviers  196 km.
    -0814. Hageland Route + Taxandria Route -   over de grens in Nederland- 280 km.
    -0815. clubrit naar Helchteren - 103 km.
    -0816. op zoek naar oorlogsverleden van vader - Hoeve Saros te Wingene- van Knokke aan de kust- 90 km.
    -0817. Omloop van Middelkerke aan zee-  30 km.
    -0818. permanente BWB - Overwinden-Andenne-Overwinden - 80 km.
    -0820. Maredsous- Thuin - 125 km.
    -0821. Oefenrit met Ely Deprez naar Tohogne  - 139 km.
    -0823. permanente BWB - Ronde van Haspengouw -  79 km.
    -0824. permanente BWB - Landen-Geel-Landen - 107 km.
    -0825. permanente BWB- Ronde van Haspengouw 79 km.
    -0827. Bokrijk-Lommel-Bokrijk - 96 km.
    -0828. Landen- Sint Genesius Rode- Landen - 200 km.

    9. Maand September.
    -0903. Landen- Jodoigne- + Tour du Brabant Wallon -  190 km.
    -0904. clubrit van Haspengouw Sportief- 85 km.
    -0908- Vierdaagse van Ely Deprez-  jumelage  - WAREMME-GERARDMER.
    Waremme-Florenville- Toul- Gerardmer- Ballon d'Alsace- ( voorwiel en reparatiezakje gestolen- ander voorwiel spoedig kapot- terug met de auto) -  172km + 160 km + 100km +  127 km.
    -0900- vijf ritten einde september-  (Ronde van Haspengouw + sterrit van Volvo St-Truiden + twee clubritten + rit naar 't werk)-totaal 318 km.

    10. Maand October.
    -1000.  herfstritje naar Zoutleeuw en  naar Vorsen - samen 42 km.

    11. Maand November.
    -1100.  winterritjes naar Trognée, naar Walshoutem, naar Neerwinden, naar Attenhoven - totaal 68 km.

    12. Maand December.
    - 1200 .  -- nihil --   0 km.

    ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
    Opmerkingen :

    - Challenge Vertongen-  ingericht door Union Audax Tournai - De wielertoerist moet in ieder provincie een stempel halen op 10 verplichte plaatsen. Zo zal de kandidaat dus 90 punten proberen te verzamelen . Hij beschikt over 9 groene kaarten die vol met stempels moeten komen. Na goedkeuring van de organiserende club wordt door de BWB-Afdeling Rijwieltoerisme  het   BREVET DES PROVINCES BELGES toegekend. Op de lijst van zij die dit realiseerden stond Wilfried Journée geboekt als 29ste.

    - Door mijn te lange werkprestaties op vrijdagavond en zaterdagvoormiddag , en door gebrek aan personeel, had ik meer dan 200  overuren gemaakt die niet werden betaald, maar die recht gaven op bijkomend verlof, de zogenaamde compensatie-uren. In 1983 kwam een genezen langdurige zieke terug naar zijn job, veranderden de openingsuren, en kwam er ook een nieuwe bediende bij in ons bankkantoor. Zo was de werkdruk er veel minder en werd het me mogeijk om dikwijls een vrije dag te nemen om te fietsen op weekdagen  of iets anders te doen  zodat ik tijdens het weekend ook altijd zou kunnen rijden.

     - Mijn fietsboekje vermeldt een totaal van 11.354 km.  Is die optelling juist ?  Ik ga het niet meer natellen. Na dit geschreven te hebben , maak ik trouwens van mijn hart een steen, en ik gooi mijn kostbaar fietsboekje weg in de grote doos met papierafval . Zo moeten senioren toch zo vaak doen met stukjes uit hun verleden.

    10-12-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    29-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Eens mocht ik de hand schudden van Muhammad Ali.
    Cincinnati vlieghaven 21 september 1997. Even na middernacht.
    Aan een kruispunt van de ondergrondse gangen van deze reusachtige vlieghaven botsen twee groepjes mensen letterlijk op mekaar. Wanneer de gehaaste voetgangers met reistassen van groep A opmerken dat groep B is samengesteld door bodyguards, personeel van die Luchthaven, een verpleegster en een kaarsrechte grote zwarte man in een prachtig blauw kostuum, dan ontstaat er weldra een samenscholing van een dertigtal personen.Plots is het duidelijk. In het midden van dat kruispunt staat een V.I.P. en niet de minste want zijn dubbele naam komt uit alle verwonderde monden van de mensen uit groep A : Cassius Clay of Muhammad Ali.
    Ongelooflijk, wellicht omdat in het beloofde land  USA alles mogelijk is, en voor mij uit het verre kleine België staat op vier stappen van mij  The Greatest, de Olympische Kampioen en Wereldkampioen , dé sportman van de Twintigste Eeuw, the Heavyweight Worldchampion, de enige kerel die nog straffer was dan onze champion  Eddy Merckx :  MUHAMMAD ALI. 

    Eerst meende ik dat het een etalagepop, of een standbeeld was, zo stijf en zelfs slaperig was hij. Misschien had hij wegens zijn mindere gezondheid medicatie geslikt of kwam hij juist uit de V.I.P. Lounge waar hij in een diepe zetel even een dutje had gedaan. Maar hij wordt toch helemaal levend en wakker. De zwarte parel wordt bestormd door de daar toevallig vertoevende reizigers die talrijk zijn ondanks het late uur. Naar Amerikaans gebruik willen zij allemaal een handtekening. De grote man glimlacht, tekent, schudt handjes, laat zich fotograferen met een jongetje in een rolstoel, maar de mensen overdrijven, drungelen, worden wild en onbeleefd,  en reeds moeten de bodyguards met open gespierde armen de aandikkende menigte wegduwen. Dit is het begin aan het worden van een gevaarlijke 'stampede'. Ook de verpleegster en de officier van de American Airways reageren. Want het is toch geweten dat Ali al een hele tijd ernstig ziek is.

    Maar de oude sportheld  is deze toestanden gewoon. Hij geniet zelfs nog van zijn blijvende enorme populariteit die hij in de gouden sixties veroverde door het beest Sonny Liston en nadien nog anderen in de ring plat te slaan. Mister Cassius Clay begint zelfs met de mensen te praten en hen een typische vraag te stellen, en dat is in de oppervlakkig doch vriendelijke States ' Where are you from ... ?'  De duwende omstaanders die allen menen dat die vraag aan hen persoonlijk wordt gesteld, antwoorden allemaal tegelijk ...  maar het klinkt als een verschrikkelijk Babelse wartaal ChiAmstcagodamMiaBrusselsmi... . Op zo iets kan de reus niets antwoorden . Hij meet 1m91  en plots wringt hij zich uit de omhelzingen weg als zou de gong hebben geslagen. Hij huppelt drie grote stappen naar mij. Ik meet ook 1m91, en als ware ik de paal in de Ali-zithoek van de ring, stelt hij ook opnieuw aan mij de vraag  ' Where are you from ?' .

    Ik was al zeven weken weg van thuis, want ik reed op mijn fiets gedurende zeven weken doorheen grootse natuurgebieden in de USA. Ik wist niet meer van waar ik was, een pelgrim onder Gods hemel op weg naar  ...  maar in het aanschijn van Ali kon ik toen niets zeggen, want zoals niemand in België weet waar Wyoming ligt, kon ik toch niet verlangen van de grote boxer dat hij daar en op dat ogenblik , nog half in slaap, zou weten waar België ligt ... !  Maar zoals in de Grote Kwis die men op een dag in 't leven wint , kwam onverwachts vanuit mijn brein naar het puntje van mijn tong het goede antwoord dat ik aan The Greatest moest geven !   Ik schreeuwde boven het lawaai uit en zei tegen Muhammad Ali die op amper een armlengte van mij stond, net wat deze man nodig had om allen die hem ooit bedreigden K.O. te slaan, ... ' I'm a heavyweight. I'm an old friend of Jean-Pierre Coopman from Flanders and You are the Greatest  !...'  . Toen kwam Muhammad Ali nog een stap dichterbij en we gaven mekaar de hand, want de naam Coopman was nog altijd een goede sleutel  waarmee het brein en het grote hart van die superchampion open ging.  Ik was even in zijn memorie binnengestapt en dat deed hem goed. Hij vergat dat hij leed aan de beginnende kwalen van Parkinson, Altzheimer, en aan zijn prostaat. Ik voelde de hand waarmee die man een stalen vuist had gemaakt waarmee hij minstens 100.000.000 $ had verdiend. Toen zetten Ali en zijn beschermers het op een loopje , naar links, en werd het kruispunt weer geopend, want plots beseften alle reizigers dat ergens nog een groot vliegtuig op hen te wachten stond.  Formidabel moment. Echt gebeurd.  Om nooit te vergeten !

    Misschien kan ik toch ook nog eens een pintje drinken met Jean-Pierre Coopman. Dat zou ook mooi zijn !  Op 20 februari 1976 te San Juan de Porto-Rico was er internationale belangstelling  voor de titelkamp van Muhammad Ali  tegen Jean-Pierre Coopman uit West-Vlaanderen. Ruim 33 jaren gingen ondertussen voorbij en nog mag niet vergeten worden dat er toen een kerel van bij ons,  een echte flandrien, gedurende 14'46"  met zijn vuisten heeft stand gehouden tegenover de grootste van alle sportmannen die er ooit waren.  Te Cincinnati heb ik in 1997 kunnen vaststellen dat Muhammad Ali, zelfs niet meer zo fit en wakker als vroeger, toch nog altijd goed wist wie Jean-Pierre Coopman was. Hun legendarische boksmatch was toen reeds 259 maanden voorbij.

     

    29-11-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    05-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Landen - Santiago de Compostela 1999 -(7).

      

    40. Vrijdag 18 juni.

    Met het Bijbels getal 40 voor de ogen sta ik op deze dag op in de Albergue Santa Irene te Arca El Pino. Het barst daar van vrouwelijkheid en ik vraag me af of ik een weinig hormonaal gestoord ben na zo'n lange tijd als eenzame man in de woestijn van Santiago. Wanneer ik echter in de eetzaal van Esther Calvo kom en daar een paar dames zie zitten met nogal een mannelijk uiterlijk, wordt het mij duidelijk ' dit is hier een adres voor lesbische signorita's ' !   Er zijn echter ook drie kinderen. De dames zonder vent die deze zaak uitbaten zijn dus wel moeders. Ik word door hen opgediend als een prins. Uitstekend ontbijt aan een prachtig gedekte tafel met een schone koffiepot en met zeer kostbaar bestek. Ik kan alleen maar tevreden zijn over dit adres. De rekening is zelfs laag te noemen voor half-pension. Op het briefje staat 3.900 pesetas en ik geef 5.000 pesetas. Wil ik bewijzen dat ik hun lesbische gevoelswereld niet afkeur of denk ik dat het beter is dat ik hier wat achterlaat in plaats van het straks in een offerblok van de kathedraal te duwen. Ik slurp verder aan mijn koffie terwijl ik door de open deur op straat dozijnen en dozijnen slecht geschoren mannen, met behaarde benen, stinkende onderbroek, en vuile kleren , met hoeden, stokken, rugzakken, als het ware in een stormloop naar Santiago zie vorderen, de eindstreep van hun lange voettocht die daar ginds na de volgende heuvelrug misschien zal te zien zijn. Die lelijke vieze kerels zijn helemaal anders dan de twee lesbische vrouwen die engelachtig artistiek zijn aangelegd, hetgeen overal te zien is in hun propere en gastvrije Albergue San Irene. Ik probeer wat met mijn grijze cellen te filosoferen over  ' le sexe des anges' maar dat lukt me niet. Gracias signoritas . Adios !

    Nu komen de laatste loodjes, maar ik vind dat zij niet zwaar zijn.  Ik bereik Lavacolla, waar ik me in een beekje tussen het groen toch wat ritueel ga wassen. Ik verzeil er tussen een zwerm indrukwekkende Brazilianen op een camping, allemaal lezers van Paolo Coelho.  Daarna rijd ik naar de campus en naar de Monte del Gozo, de Berg van de Vreugde, waar overal in de omgeving vuil wordt opgeraapt op het slagveld waar de 40.000 fans van The Rolling Stones wild te keer waren gegaan. Dan verken ik daar goedkope slaapgelegenheden, maar ik vind dat toch maar niets, en ik denk dat ik om mijn tocht te eindigen toch wel een goede kamer mag nemen.Zeer langzaam met emotie in mijn hart en vochtige ogen geef ik de laatste duwtjes op mijn pedalen. Een telebanco in een muur maakt van mij terug een materialist die zijn zakken vol pesetas propt alvorens de eindlijn te bereiken in de  Rua de Vilar bij Suso.



    Mijn aankomst op de Monte del Gozo enkele uren nadat de Rolling Stones daar waren opgetreden.


    MOMENTO MAGICO.  Sommige dingen die een pelgrim onderweg voelt of meemaakt moet hij voor eeuwig voor zichzelf houden. Wat belangrijk schijnt te zijn, en om het even wat van onderweg mag hij niet aanzien als een exploot, een avontuur, of een mirakel, want alzo wil de traditie het.  Zulke kleine dingen zijn een knipoogje, een groet, van de apostel  en ... ' l'essentiel vous ne sauriez le dire ' ... ' et ne le dites surtout pas aux enfants ni aux femmes des Wisigoths qui vous écoutent'  heb ik wijselijk onthouden uit een oud boek. Lembranzo do Suso is een bekend man te Santiago de Compostela, een hedendaagse heilige V.I.P. . In 1984 logeerde ik op de kamers boven zijn restaurantje in het hart van de oude stad. Daar kwamen altijd de eerste dapperen die de tocht maakten per fiets uit Antwerpen. Hun namen staan er op de tientallen zichtkaarten die zij naar Suso hadden gestuurd nadat zij veilig, gezond en happy weer thuis waren geraakt. Op 14-6-1984 kreeg ik van Suso een gesigneerde schelp et dat gaf hij toen slechts aan zij die zouden terugkomem naar zijn goede stad. Op 18-6-1999 kwam ik terug. Door het vele volk sprong ik 100 m voor Hostal Suso van mijn fiets; Ik legde de laatste meters te voet af. Ik had niet geschreven, niet getelefoneerd, niet gezegd dat ik terug naar Santiago aan het rijden was. Het ongelooflijke gebeurde. De heer Suso grootvader van alle pelgrims, met twee krukken kon hij zich nog wat bewegen, maar precies toen ik nog tien stappen van zijn hostal was, kwam hij door zijn deur naar buiten. Hij ziet hoe ontroerd ik ben, en zelf wordt hij dat ook wanneer ik hem de schelp uit 1984 terug geef. Hij beaamt volledig dat de eerste echte ciclistas peregrinos uit Amberes een onbeschrijfelijke verdienste hebben gehad om de Weg naar Compostela terug in de belangstelling te brengen. Terstond moet ik wijn drinken en churro's eten. Suso moet dan wel worden weggebracht want hij gaat ergens naar een concert wat klassieke muziek beluisteren.  Onvoorstelbaar ! Hoe kon dat toch gebeuren ! Wat een weerziens na 15 jaren ! 

    In Entremurellas 9 vind ik plaats in Hostal Residencia NOSA CASA, voor 4 dagen wordt 3500 pesetas gerekend.  Ik ga wat onder de douche staan, en neem wat rust. Ik ben aangekomen. Bravo ! Daarna loop ik wat rond in de stad waar ik verschillende pelgrims weer tegenkom met wie ik contact had tijdens de voorbij week, zoals Julien en de Hollanders, zoals het koppel uit Finland,  zoals de marathonman uit Vittoria, en ik vind ook op de Informacion het kantoor waar ik mijn belangrijk document van bewijs van pelgrimage kan bekomen  La Compostelana . Ik word daar wel wat ondervraagd nadat mijn stempels van onderweg eventjes werden bekeken. Veertig dagen vinden zij prachtig, en ik word genoteerd als AVENTURERO SPIRITUAL. Met mijn diploma op zak ga ik terug naar Hostal Suso, waar ik amper nog nabij de deur één plaatsje kan krijgen. Ik drink een hele fles Ribeiro  met hesp en brood.  Daarna is het tijd voor siesta, plat te bed. Om wat meer versleten schoenen te hebben zoals dat bij een gearriveerde pelgrim past, maak ik een zeer lange wandeling doorheen het nieuw gedeelte van de stad,  COMPOSTELA NUEVA.  Wanneer ik doodmoe ben van al dat vele stappen op mijn rennersbenen kies ik een restaurant waar ik  ' Merluza  a la Gallego ' eet en dat was lekker.

    41. Zaterdag 19 juni.

    Ik ben een langslaper. Dat mag wel nadat de Weg werd afgelegd in eer en deugd. Na de desayuno moet ik op zoek gaan naar tickets voor vliegtuig, bus of trein, want mijn terugreis naar huis komt thans op het programma. De huisbaas Antonio Fraga helpt me en huurt voor mij een wagen voor de maandag nadien. Ik  loop wat rond in het spoorwegstation, maar vind daar mijn goesting niet. Een lichte bestelwagen huren om mijn fiets in te plaatsen, om in te slapen, en om nog een week mee te zwerven tot Madrid waar ik die zou kunnen inleveren, lijkt me een leuk en avontuurlijk idee. Maar bij Iberia gekomen aan de balie maakt men me een speciale pelgrimsprijs voor 49.700 pesetas. Dat moet direct betaald worden. Ik besluit van geen risico's te nemen, geen tijd meer te verkwisten, en op een gemakkelijke manier terug in Brussel te geraken met mijn fiets. Oef,... dat is dan reeds in orde, na het afgeven van mijn schone pesetas.

    Het is warm. Er worden ijsblokjes in de wijn gedaan ... is dat wel veilig  ... ?
    De foto's die ik de vorige dag liet ontwikkelen zijn al klaar . Hoe prachtig. gewoon met zo'n plastieken prulcamera. Allemaal gelukt !  Bravo .  Ik telefoneer naar huis en zo weten ze daar dat ik weldra terug onder mijn eigen dak zal verschijnen , omringd door vrouw en dochters.

    Op een terrasje zie ik ze zitten naast hun tandem. Zij nemen een aperitiefje . D + D noemen ze zich, zestigers, samenwonend, lange magere mensen . Ik had hun tandem al gezien onderweg, en zij hadden mij ook gezien eerder en toen ik een platte band had. Mevrouw was toen zelfs boos geweest op hem. Zij vond dat ik moest geholpen worden, maar hij verweet haar altijd maar redenen te zoeken om te stoppen. Ja, hij is zo sterk als een beest  und ich bin nür eine Frau. Nu kan ik eindelijk  kennis maken met deze twee. Vermits we daar in de Alameda zo goed zitten en we zagen dat naast ons lekkere maar dure schotels op de tafel  kwamen, namen wij het besluit van samen te middagmalen met drie aan tafel. Zo verneem ik dat Franz Drechsler uit Lauda-Köningshofen een aannemer en uitvinder is, ondermeer van de dode-hoek-spiegel. Zij verkochten hun huis en zijn voor één jaar op reis, eerst naar Santiago de Compostela, daarna naar Santiago de Chili en later naar Santiago de Cuba. De tandem gaat echter niet mee naar Amerika, hij was al verkocht aan vrienden. Goede ontmoeting, maar helaas moeten wij van mekaar afscheid nemen . Dat is zo vaak  het lot van pelgrims onderweg . Even kortstondig vrienden zijn en dan weer verder ... tot in finibus terrae.
    Tijd voor de siesta, maar het rommelt wat in mijn onderbuik en ik moet een paar keren naar de pot.  In de koelte van de avond ga ik op zoek naar souvenirs, geschenken voor de thuisblijfers, nuttige dingen voor mezelf .  In een winkel zijn de Mephisto's  en de sportsloefen zeer goedkoop. Maar ik heb al zoveel bagage,... en kan er nog wat bij  ?  Heerlijke avond in de prachtige oude Spaanse stad Santiago de Compostela. Ik zocht naar de Vlaamse Herberg De Zwarte Duif , maar zoals elders zijn ook te Sint Jakob in Galissiën de toffe caféetjes van vroeger gesloten.  Ik had graag nonnetjes tegen gekomen, maar die waren al vroeg naar bed met hun paternoster, en met een zonde eindigen mag niet van Sint Jacob de Meerdere.

    42. Zondag 20 juni.
    Ik ga naar de hoogmis in de kathedraal , en ondanks mijn zondige ziel  slik ik een hostie zoals tijdens mijn jeugd. Meer dan twee uren duurt de zondagdienst.  Zeer veel volk, geen kerkstoelen genoeg.  Ik zag het zwaaien met de BOTAFUMEIRO.  Voor de kathedraal is er op het middaguur de start van een autorally voor kleine Seat's. Omdat mijn spijsvertering moeilijk deed heb ik immodium geslikt . Ik besluit van niets te eten en wel veel water te drinken want mijn  maag is nogal wat ontsteld . Lange zondagse siesta. Tijdens de avonduren wandel ik lang door de drukke straten van de stad en ergens in een goedkoop eethuis betaal ik me gewoon een menu del dia.





    Winterse beelden in de Rua de Vilar waar  Suso heeft gewoond .



          

         Portico de la Gloria                     Wilfredo sacratissum Templum pietatis causa devote visitasse.

               43. Maandag 21 juni 1999.
     

    Santiago de Compostela - Bij AUTOTUR , General Pardinas, n°3, heb ik een blauwe Seat Ibiza gehuurd voor 9000 Pesetas want vandaag zal ik noch voetganger noch wielertoerist zijn. Na weinig formaliteiten ben ik al op weg naar Padron, het zeer oude Iria Flavia uit Romeinse tijden, en uit zelfs nog veel oudere tijden van Kelten en heidense nomadevolkeren. Dit is waar ik rijd de slagader van het drukke en actieve Galicia, één van de 17 autonome regio's van Spanje. Noia - Muros - Concubion-  Cabo Fistera- ergens heb ik bijgetankt voor 2500 pesetas. .

    Ik ben nu aangekomen op een zeer speciale plaats in Europa, een granietheuvel van 600 m hoogte die gedurende duizenden jaren werd beschouwd als het Einde van de Wereld door onze voorouders die met hun voeten op de vaste rotsen stonden, en voor zij  die zeevaarders waren in alle soorten en alle tijden, was deze hoek van het Iberische Schiereiland de Kust des Doods, want de wateren zijn hier zeer verraderlijk. Vele schepen vergingen in deze verschrikkelijke omgeving.
     
    Het wordt een autotocht van 285 km doorheen Galicia, langs mooie wegen, langs de prachtige rio's, en door van dit groene land , waar de heerlijke zeelucht voelbaar blijft. Rustig autovarend in de wind langs de Oceaan haal ik een totaal leeggereden Hollandse fietster in. Haar schone Koga Miyata liet mij niet twijfelen over haar herkomst en haar taal, en ik had ook reeds de andere fietser gezien, die haar met minstens 200 m vooraf reed. Omdat ik een rood lint met een tinnen schelp rond mijn hals draag, neemt zij me niet voor een struikrover of een strandjutter. Zij is verwonderd en blij van op weg naar Finisterra een glimlachende man met baard te ontmoeten,  ene rare die haar met verstaanbare woorden glimlachend toespreekt, een soigneur die haar een blikje frisdrank schenkt. Zij schuimt, hijgt, is bezig met hoesten, en is de ineenstorting nabij.
    - Wie is die sadist die jou hier zo afpeigert ? , sprak ik haar toe.
    -  Ik ben al dertig jaren met hem getrouwd  ! , antwoordt zij. 
    -  Blijf maar even rusten ! , zeg ik haar. Met mijn Seatje zal ik hem inhalen, aan zijn koersbroek vasthouden, en hem in naam van Santiago verplichten te stoppen en naar de zee te kijken tot jij rustig met normale hartslag hem kunt inhalen. Zo doe ik ook.
    - Stop kerel !  Ik ben  van de Orde van Sint Jacob ! Ik verplicht je van hier en nu te wachten op je edele tochtgenote en levensgezellin, die met haar benen de pedalen niet meer rond krijgt  ! 
    Hij, ook op een dure Koga Miyata, ziet er inderdaad uit als een beul. Maar nu staat hij daar toch met beide voeten eindelijk kalm op de grond nabij het einde van de wereld. Ik geef hem ook frisdrank, en maak een praatje tot wanneer het vrouwtje blijmoedig komt aangereden. Dan heb ik nogmaals mijn goede daad als pelegrijn zonder pijn weer volbracht en rijd ik verder, op zoek naar de kapel van Nuestra Senora in Finibus Terrae, op de aloude Franse pelgrimsroute bekend als la Chapelle de Notre Dame de la Route au bout du Chemin.

    Santiago de Compostela ligt niet aan de zee. De echte klassieke eindstreep van de Camino bevindt zich  voorbij de grote stad van Saint Jacques. Het is een groot raadsel waarom dit zo is.
    Aan het eindpunt van de wereld ga ik even rustig zitten. Ik heb geen hoed en geen laarzen, geen pelgrimsstaf en geen kalebas, geen geloofsbrieven van de Benedictijnen, alhoewel mijn credencial del peregrino en mijn carnet de pélerin vol mooie stempels staan. Op mijn kop staat de speciale, in de zon afgeschoten, lichtgroene pet met lange klip vooraan en een afdak dat mijn oren en nek beschermt achteraan. Verder loop ik op afgesleten Mephisto's wandelschoenen en in een verfrommelde zomerbroek. Maar een nog nieuw T-shirt met  ' all the colours of Fortis ' maakt me toch wat mooier en zo wil mijn terugkeer uit Santiago beleven.

    Nabij in Finibus Terrae blijf ik een niet gechronometreerde maar wel lange en belangrijke tijd zitten. Neen , ik kan niets zeggen, en neen, ik kan niet denken, en neen, ik kan niet bidden. Voor de primer apostol martir Santiago  en voor mezelf, is deze pelgrimstocht nu voorbij. Maar als laatste punt moet ik toch nog een rite volbrengen. Ik heb namelijk een klein beetje grond meegebracht uit Sinte Gitter te Landen,  uit het landgoed van Pepijn de Oudere, een beetje stof waar we naar terug zullen keren , een beetje klei uit Haspengouw. Als ware  het de asse van een overledene ledig ik in de wind van Galicië dit poederige goedje dat al 42 dagen in een linnen zakje stak, onderaan in de fietstas aan mijn stuur. Daarna leg ik een steen in dat nog niet lege zakje en met een wijde boog, al mijn krachten gebruikend, gooi ik dit van de rotsen af. De grond van mijn Landen valt in de woeste golven van Cabo Fisterra. Nu mag ik weer naar huis terugkeren,  mijn leven is geslaagd.

    Ik weet nu dat ik in het heelal minder dan een zandkorrel ben. Iedere dag en al wat nog bijkomt in mijn leven zal een geschenk zijn, een bonus die alle Goden mij toekennen.  Ik verlaat de zeer heilige plaats van Keltische cultus, waar de Wisigothen arriveerden, waar volgens het Roelandslied Karel de Grote zijn lans in de grond stak om te bepalen dat onze Westerse beschaving toen tot daar kwam, verder gaan was onmogelijk, en dat de Moren en de heidenen de rest van de wereld mochten behouden. Naar de oneindige diepte waar iedere avond de zon in de zee ondergaat glijden mijn ogen. De oermensen waren vreselijk bang omdat die zon hier verdween en misschien toch niet zou weerkeren voor het nieuwe begin van de volgende dag. Langsheen de fjorden, waar eb en vloed mekaar afwisselen, waar water en land met mekaar goed omgaan, waar de vieiras en de mejillones groeien, waar vissen, chipirones, pulpo, santiaguinos, zeevogels en krabben gelukkig zijn, waar de onrust de  kop en de ziel van de pelgrim verlaat, waar de terugweg begint naar een nieuw en ander leven met een propere lei, langs bossen gevormd door de eucalyptus en de den, door de dorpen, de akkers, de wijngaarden, van het sappige en groene Galicia, keer ik terug naar Santiago. Zelfs Maestro Mateo vindt van mij dat ik een toffe pelgrim ben.

    Ik wandelde de hele avond en een stuk van de nacht rond in de oude straten en over de pleinen, de Plaza del Obradoiro, de Plaza de la Quintana, de Plaza de la Platerias. In een kleine bar at ik heerlijke rationes en empanadas, en omdat het daar goed was ging ik er drie uren later nogmaals eten, want een triomferende pelgrim mag na volbrachte taak zijn buik vol eten en meer dan een fles rode wijn kraken, zeker als hij nog een reserve pesetas heeft.
      
      
        
    44.  Dinsdag 22 juni 1999.

    Ik word vroeg wakker in mijn bed van Nosa Casa bij Antonio Fraga-Martinez, door de wijn heb ik trouwens niet zoveel geslapen, maar ik voel me toch geweldig fit door de intense zuurstofkuur van de vorige dag en door mijn goede gezondheid en conditie van geest en lichaam.
    Alvorens ik mijn wagen wilde terug afleveren, had ik vervelende parkingproblemen. De Rent-a-Car Firma van Noelia Juegen-Diz vond dat ik een chauffeur met manieren was geweest, en ik beweerde van mijn kant tevreden te zijn geweest over ons deal, zodat ik in de toekomst zeker hun adres aan Belgische pelgrims zou aanbevelen. Mijn pakken en mijn fiets zijn in orde om te vertrekken, maar mijn vliegtuig vertrekt pas om 13u45. Ik wandel in de ochtend naar de overdekte markt, de Mercato nabij San Fix, waar ik een hele serranohesp en  manchego kaas koop voor 10.665 pesetas. Mijn rugzak is helemaal vol. In een sportwinkel koop ik een gele regenjas om er proper uit te zien tijdens mijn terugreis. Daarna vertrek ik met veel overschot van tijd naar de vlieghaven van Labacolla op een rustige manier om niet te zweten.
     
    Iberia telt mij 48.700  pesetas + Taxe 2000  en dat is een beetje meer dan bij de boeking in het reisagentschap. De reden is omdat vanaf 21/6  de hoogseizoenprijzen worden aangerekend. Maar op 1000 pesetas komt het nu niet meer, en ik ben blij dat mijn fiets, fietstassen, en ikzelf naar België kunnen vliegen. Op mijn rug draag ik de zware hesp die ik op de markt heb gekocht, hoe langer ik ze draag, hoe zwaarder zij wordt, het is alsof ik er mee getrouwd ben.

    Alles vlot goed, en zo vliegen we weldra richting Barcelona, waar we zullen moeten overstappen, waarvoor één uur tijd. Na landing te Barcelona, verneem ik dat het tweede gedeelte Barcelona- Brussel met twee uren vertraging zal plaatsvinden. Ik loop rond, maar word slaperig, en de drukte op de vlieghaven wurgt me, ik die zolang in de open lucht aan het fietsen was. Ik zoek dan ook de gang die ik zal moeten nemen voor de vlucht naar Brussel. Ik vind die, doch hij is nog afgesperd voor de reizigers. Ik zet me pardoes daar op de grond neer, met de Spaanse hesp in mijn armen, en ik begin aan een slaapje, hopende wakker te worden wanneer de gate open gaat. Totale black out tot ik terug wakker ben  en stap naar de wachtzaal voor de vertrekkers met boarding pass . Daar ga ik op een bank zitten en kijk slapering nog wat rond.

    Hé, maar wie zit daar op tien meters van mij ? 
    Kan dat waar zijn ?  Ik sta op en ga zitten naast een jonge kerel . 
    -' Goedendag, vergis ik mij of ben jij echt de wielerkampioen Jeroen Blijlevens van TVM, de man die zo snel kan sprinten ?   Dat klopt, ik ben Blijlevens. Inderdaad.  Sportieve handdruk.
    - Zeg, Jeroen, we kunnen misschien wat babbelen dan gaat de wachttijd vlugger voorbij. Jij was onlangs nog roze trui in de Giro , proficiat, ... ! .
    -Ja, maar ik gaf daarna wel op,  en gisteren , hier in Spanje, moest ik ook al opgeven, en ik wil het binnenkort ook opgeven bij TVM. Het gaat niet goed met mij.
    - We zullen over iets anders praten, niet over wielrennen, ... ik weet dat als je de vriend van een profwielrenner wilt zijn, je eigenlijk nooit over koers mag praten, ...! Geloof me, ik weet veel over wielrennen, ik won zelfs de nationale Tourkwis op de radio in België, in de tijd van Rooks en Van Poppel !  Maar we gaan niet over de Tour praten .
    - Over wat dan wel ?  Over de vrouwen ?
    - Neen, keurige jongens zoals wij doen dat niet. Ik ben een fietsende pelgrim , ik reed gedurende 42 dagen op de fiets van België naar Compostela, en voel me nu erg lekker, in superforme, maar ik moet wel terug naar huis, bij vrouw, dochters, hond, schoonmama, ... .
     - Ja, zo gaat dat , na een grote Ronde moet elke wielerheld weer naar huis ... !
    - Ik kom uit Walshoutem. Daar kennen de wielerfans Jeroen Blijlevens, maar kent Jerommeke ook nog de Walhostraat van Walshoutem ?    ( ... nu, bewijst Blijlevens me dat hij ook kan kwissen !)
    - Ja, Walshoutem, Montenaken, Trognée, Cras-Avernas, ... dat zijn zo mijn eerste reisjes naar het buitenland geweest om te gaan koersen bij de jongeren.
    - Te Walshoutem had je gewonnen !  De mannen van de wielerclub hebben daar nog foto's van je.
    Ik kan je die bezorgen, geef maar uw huidig adres  en dan zal ik ze jou opsturen.
    - Niet nodig.  Ik heb nog dozen met oude foto's , krantenknipsels en andere rommel.
    - Ik weet het nog, Walshoutem, bij de nieuwelingen. Ik won er de sprint. Het was mijn eerste buitenlandse overwinning. Er was daar veel volk.
    - De wielerclub bloeide er toen, tijdens zo'n  koers voor nieuwelingen of juniors , werden alle flesjes, alle tonnen bier, alle frieten, alle braadworsten,  verkocht ...   Altijd veel renners , van overal ! 
    - Daarna, is het misgelopen met Wielerclub Sint Lambertus? Maar, dit verhaal bespaar ik je.
    - Zeg, man, jij lijkt me een eerbaar persoon, uit Walshoutem dan nog wel, mag ik je wat vragen ?
    - Natuurlijk, Jeroen, ... moet ik voor jou de sprint aantrekken  ?
    - Neen, ik moet nog enkele telefoontjes geven , en dat ging niet van op deze plaats. Ik kan ook mijn bagage niet onbeschermd achterlaten.  Maar nu zag ik dat anderen via een open venster, op een terras geraakten, vanwaar zij wel telefonische contacten kunnen maken.
    - Natuurlijk wil ik even op je dingen letten, maar ik mag je toch vertrouwen hé. Zitten in uw reistassen geen drugs, geen epo-pilletjes  ?
    - Neen, zo iets slik ik niet  !
    - De heer Blijlevens heeft verschillende telefoongesprekken en van op afstand zie ik dat het gaat over ernstige en belangrijke onderwerpen.

    Opeens verschijnt een veeltalige en lieftallige juffrouw van Iberia, en mogen wij naar het vliegtuig . Blijlevens stopt met telefoneren  en volgt ook. Ik heb in mijn rugzak een hele hesp, een daar verboden product, en hij heeft geen enkel verdacht spul of voedingsupplement in zijn bagage. We zitten in het vliegtuig veel te ver van mekaar om nog verder te babbelen.Te Brussel aangekomen, neem ik de trein naar Landen en een uur later ben ik weer thuis. Mijn hond besnuffelt me lang en vraagt zich af of ik wel nog zijn baasje ben die zo lang was verdwenen. Maar hij kwispelt weldra fel met zijn staart. We vertekken direct voor een lange wandeling. De rest van de avond zal de welsh-terriër steeds dicht bij me blijven. 
     
    45. Diverse sprokkelingen
    uit de diepe reistas van een oude pelgrim, geschreven door mij of door een andere.

    Mijn eerste interesses voor Santiago groeiden toen de sneeuwklokjes uitkwamen in het voorjaar van 1983. Zij liepen door toch op dit ogenblik wanneer ik deze woorden op mijn blog breng, met stille momenten en met hevige momenten. Gedurende meer dan 27 jaren had  ' het Santiago virus' me te pakken.

    Op het middaguur, ergens tussen Fromista en Villalcazar de Sirga vordert een eenzame fietser. Hij is op weg naar St-Jakob in Galicië.
    De felle Spaanse zon staat hoog aan de blauwe hemel en de weg, afgebakend met rode, gele en paarse bloemen, slingert zich licht heuvelend tot aan de horizon. De pelgrim op twee wielen volgt het aloude spoor van de Camino, steeds rechtdoor naar het westen, naar Santiago. Zestien dagen geleden reeds verliet hij huis en goed, en vanuit Haspengouw, over de vlakten en de bergen, in alle weer, toerde hij dwars door Frankrijk en Navarra. Om zijn dorst te lessen dronk hij wijnen uit Bourgondië, Guyenne en Gascogne. Hij at gerechten uit Champagne, Baskenland en Castilliê. Hij koelde af tussen de frisse kathedraalmuren in Vezelay, Saint-Léonard, Limoges, en Périgueux. Hij groette Jeanne d'Arc, Vercingetorix, Raymond Poulidor, pastoor Joseph Massie, en de peregrino van Puenta la Reina. Hij dwaalde tussen de antieke muren van Roncesvalles, Irache en Castrogerix. Hij overschreed de Loire, de Gave,  de Rio Oja en vele andere watertjes. 
    En  nu, plots, springt er voor zijn wiel een  klein konijntje de weg op zodat hij stopt om het naar veiliger oorden te verjagen. Zo bracht elk ogenblik op de lange weg hem steeds nieuwe sensaties, nieuwe ervaringen op deze fantastische tocht in de richting die door de beweging van de zon wordt aangeduid bij dag en door de sterren van de melkweg bij nacht. Wilfried, bankbediende, op de leeftijd van 40 jaar gekomen, wou er eens op uittrekken om zichzelf te bezinnen en ook om mensen, natuur, kunst, geschiedenis, en godsdienst te bestuderen. Daarom nam hij zijn fiets en vertrok. Vroeger zijn zovelen op weg gegaan. Met duizenden, met miljoenen, zijn in de middeleeuwen de bedevaarders naar Compostela vertrokken, alleen of in groep, maanden stappend in zon, regen, sneeuw, biddend en zingend, met brede hoed op het hoofd, met staf en knapzak, met een brede mantel getooid, met de Sint-Jakobschelp. Zij gingen zo ver en wisten dat zij misschien nooit zouden terugkeren wegens de gevaren, omdat hun geloof sterk was, om vergeving van hun zonden en misdaden te bekomen bij goddelijke en burgerlijke rechtbanken, om het avontuur te beleven, om hun grauwe leven te ontvluchten, om geluk en fortuin van geest en lichaam te bekomen. Gedurende ruim duizend jaren vloeide er een mensenstroom door Frankrijk en door het Noorden van Spanje, en wie vandaag nog op ontdekkingstocht gaat langs de pelgrimsroute zal met verbazing worden gadegeslagen. Het verleden zal herrijzen voor wie echt zijn stappen plaatst in het spoor van de voetgangers van God, zoals de pelgrims werden genoemd.
    De eenzame fietser op zoek naar Villalcazar de Sirga, waar Pablo Perez-Payo de beroemde mesonero voor een onvergetelijk onthaal zorgt, is dan ook nooit alleen. Gisteren, vandaag, en morgen, verder naar Astorga, El Cebreiro, Puertomarin ! Tranen van ontroering op de Monte del Gozo, verstomming bij het aanschouwen van de wondermooie gebouwen van de stad Santiago, ervaringen waarvan niemand ooit nog los kan !
    Reeds in 1130 , in een zeer oude reisgids beschreef Aymeri Picaud de stad Santiago de Compostela als de voortreffelijkste en gelukkigste van alle Spaanse steden.  Na een ontdekkingsreis en na een grondige studie over Compostela stelt zich de vraag : Sint Jacob, U die zoveel eer werd aangedaan door onze voorouders, waarom zijn we U vergeten ?

    Par milliers, par millions, la besace à l'épaule et le bourdon au poing, ils quittaient les cités, les chateaux, les villages, et prenaient le chemin de Compostelle. Gens de  toutes sortes et tous pays ils partaient le coeur brûlant, faire leur salut au bout des terres d'Occident , là où la mer un jour avait livré le corps de l'apôtre Jacques.

    L'essentiel, vous ne savez pas le dire. Parfois, immobile dans votre lit, les yeux grands ouverts sur la nuit il vous semble encore marcher, comme ces chiens endormis devant l'âtre et qui font en rêvant le simulacre de poursuivre quelque gibier superbe. A ces moments-là quand le chemin vous reprend dans sa houle, quelque chose vous étreint le coeur .

    En camino de Santiago iba una alma peregrina una noche tan oscura que ni una estrella lucia ; por donde el alma paseba le tierra se estremacia .

    Na Aymeri Picaud, na Herman Künig von Vach, na Barret en Gurgand, na Wilfried Wijn, ... kwam Renaat Grandry , en zijn boekje zou ingepakt moeten worden in plastiek en alumiumfolie, en ergens worden ingemetseld in een schoon Jakobsoord opdat in de XXVIste eeuw het zeker nog zou worden gelezen.

    Desde los Pirineos hasta Compostela, la via jacobea recorre el norte peninsular por la senda que trazaron los peregrinos medievales, llegados de todos los rincones de Europa. Historia y magia, arte y turismo, fe y deporte se dan la mano en un viaje que mantiene su atractivo desde hace once siglos.

    Vous nous voyez marcher sur cette route droite
    tout poudrés , tout crottés, la pluie entre les dents
    sur ce large éventail ouvert à tous les vents
    la route nationale est notre porte étroite.

    Les mille et mille pas qui mènent à Compostelle, humbles fatigues, fringales indicibles, blessures sans gloire, le salut de l'âme est au bout de tout cela.





    05-11-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    01-11-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.HISTOIRE DU TENNIS DE TABLE - Chapitre 2.
    C'est dans un pays d'Europe riche et cultivé, mais sujet aux climats variables, qu'un jeu de tennis miniature avait fait son apparition L'histoire de ce jeu qui deviendrait un sport, est intéressante et unique. Car c'est comme si toute une civilisation avait pu disparaïtre dans l'oubli. Le XIXe siècle et la Grande Guerre devraient être oubliés selon d'éminents penseurs de 1922. Toutefois pour faire oublier un bon moyen serait de se retrouver dans ces clubs sportifs qui avaient existé auprès d'une fédération nationale qu'il fallait réorganiser et sortir de l'anonymat. Quand tout semblait perdu dans l'oubli les anciens pongistes virent le miracle de la renaissance de leur art.   





      Fred Perry  le superchampion élégant


    Les gentlemen  en action vers 1925.

    RESUME RAPIDE  ET DATES IMPORTANTES :
  • 1880s    
  • Le tennis sur gazon joué sur la table de cuisine.
  • 1890s    
  • Diverses inventions enregistrées en Angleterre et USA font arriver sur les marchés des valises de jeu complets qui sont appelées Gossima et autres, et des modes d'emploi copiés sur le tennis.
  • 1900    
  • Introduction des balles creuses en celluloid qui remplacent les balles fabriquées en autres matières. Le bond de la nouvelle balle est meilleur et le succès du jeu augmente énormément.
  • 1901    
  • Débuts de la  Table Tennis Association (TTA) et de la Ping Pong Association (PPA), qui se regroupent en 1903.Publication des règles. Transfert en Chine de ce jeu pratiqué dans les familles anglaises qui sont là-bas pour des raisons commerciales, politiques, militaires, culturelles ou religieuses.
  • 1904    
  • Le Ping Pong est à la mode. Toute la City de Londres devient folle pour ce nouveau sport. Existence et naissances de centres localisés en Europe Centrale. La flamme s'éteint cependant et la guerre vient.
  • 1922    
  • Nouveau départ en Europe, avec d'autres règles pour ce jeu. Standardisation du matériel et des règlements en Angleterre.
  • 1926    
  • Débuts de la International Table Tennis Federation (ITTF) à Berlin.
    Organisation des Premiers Championnats du Monde à Londres. Standardisation étendue à tous les pays. Ivor Montagu .
  • 1920s –
        1950s   
  • Période classique dominée par les Européens. Palettes dures.
  • 1926–
        1931
        
  • Maria Mednyanszky superchampionne.
    Cette Hongroise gagne 18 médailles d'or.
  • 1930–
        1935
        
  • Victor Barna. Juif hongrois gagne tout et est l'équipier de Miklos Szabados en doubles. Pour l'illustre Barna 22 médailles d'or.
  • 1936    
  • Dixième Championnats du Monde à Praag. Les défenseurs allongent trop les rencontres, jusque 2 heures pour un seul point. La hauteur du filet sera diminuée en faveur des attaquants.
  • 1939    
  • L'Amérique du Sud arrive et fait la première Association Continentale. Les World Championships ont lieu au Caire en Afrique.
  • 1950–
        1955
        
  • Angelica Rozeanu-Adelstein , la juive roumaine devient championne du monde pendant six années. Après elle pendant les 55 années suivantes ce titre ira en Asie où le pingpong et la population grandissent fort.Johnny Leach est un remarquable champion qui fait honneur à l'Angleterre.
  • 1950s –
        1970s   
  • La période des palettes avec les recouvrements d'éponge et de mousse qui voit gagner ceux qui mettent des effets et de la vitesse sur les balles. Changement dans les palettes.
  • 1952    
  • Lors des World Championships à Bombay ( India) l'Asie prouve ce qu'elle sait faire, et le Japan vient avec son champion Hiroji Satoh qui utilise une palette avec laquelle il ridiculise la concurrence. Naissance de la Fédération Continentale d'Asie et d'un tournoi désormais important : les Championnats d'Asie .
  • 1953    
  • Arrivée de la Chine Populaire qui participe pour la première fois .
  • 1954-56    
  • Ichiro Ogimura confirme la dominance Japonaise, l'importance du matériel et de l'entraînement physique.
  • 1956    
  • Tomie Okada-Okawa est la première femme d'Asie à devenir championne du monde. Elle stoppe le règne des reines d'Europe.
  • 1957    
  • Vu la grande participation les World Championships seront organisés seulement tous les deux ans, ainsi les nations pauvres pourront participer.
  • 1958    
  • Première organisation de  European Championships, à Budapest, où l'Union Soviétique participe aussi aprés la révolution hongroise.
  • 1959    
  • Rong Guotuan devient immortel en Chine. C'est le premier champion du monde chinois reconnu par tous dans l'histoire de l'humanité. Des règles précises pour les palettes sont adoptées.
  • 1962    
  • Les Championnat du Continent Africain pour la première fois à   Alexandrie  en Egypte. Le Chinois Chuang Tse Tung est devenu l'empereur du pingpang qiu.
  • 1967    
  • Ivor Montagu termine son dernier mandat de President ITTF.
  • 1971    
  • A Singapore le tennis de table est au programme des premiers  Commonwealth Games. Ping Pong Diplomacy :  l'équipe de pingpong des Etats-Unis joue des matches amicaux en Chine. Jamais si peu de gens on fait tant pour la Paix et pour leur pays.  Zhou Enlai déclare la porte ouverte pour les relations entre les peuples de la Chine et des Etats-Unis.
  • 1971    
  • Le jeune Stellan Bengtsson devient champion du monde. C'est le début de la grande présence de la Suéde dans le tennis de table, qui va durer près de trente années avec de nombreux champions dont surtout Jan-Ove Waldner.
  • 1973    
  • Sport Universitaire. Championnats Mondiaux à  Hanovre, Allemagne.
  • 1977    
  • Le International Olympic Committee ouvre la porte au tennis de table, reconnu comme sport international important.
  • 1979    
  • A Stoke Mandeville en Angleterre les pongistes handicapés en chaises roulantes jouent pour la première fois pour un titre Européen.
  • 1980    
  • Première  Coupe du Monde  à  Hong Kong .
  • 1981    
  • A Novi Sad, alors Yougoslavie, la Chine gagne les 7 titres mondiaux mis en jeu. Lors de la 84e assemblée de la IOC le tennis de table est ajouté au programme des Jeux Olympiques .
  • 1982    
  • Gotebourg, Suède , les véterans jouent aussi leur championnat du monde, et à Stoke Mandeville, England, les moins valides ont leurs compétitions.
  • 1985    
  • Den Haag en Hollande organise des Mondiaux pour Juniors.
  • 1988- 2010
  • Temps Modernes & Olympiques (Domination totale de la Chine) .
  • 1988    
  • Olympic Games à Seoul, South Korea, présence des joueurs de pingpong .
  • 1992    
  • Jan-Ove Waldner devient champion olympique. Les sponsors font de lui un homme très riche. Le petit Belge Jean-Michel Saive réalise de nombreux exploits et devient un des très grands dans son sport, comme le Français Jean-Philippe Gatien.
  • 1995    
  • Championnats du Monde à Tianjin, Chine. Triomphe total pour le pays visité qui gagne à nouveau les sept médailles d'or. En dames Deng Yaping est la championne de la décennie.
  • 1996    
  • Débuts du ITTF Pro Tour, qui prévoit des compétitions partout sur la planète. Mondialisation. Sponsoring.
  • 2000    
  • Après les Jeux de Sydney, décision importante : pour plaire aux téléspectateurs les balles de pingpong seront un peu plus grosses et plus lourdes.
  • 2001    
  • Nouveau changement. Les sets se joueront jusqu'à 11 points, pour plus de spectacle à la télévision et pour les sponsors. A Osaka, Japon, la Chine gagne à nouveau tout, malgré les changements. Wang Nan est au changement de siécle la grande championne.
  • 2002    
  • Les Juniors et les Cadets vont avoir leurs compétitions internationales ( ITTF World Junior Circuit) et World Cadet Challenge (continental teams competitions).
  • 2003    
  • Premiers  ITTF World Junior Championships à Santiago de Chili.
    Le championnat du monde par équipes nationales est séparé des compétitions individuelles et doubles. Après un combat individuel terrible l'Autrichien Werner Schlager devient champion du monde   prouvant que les Chinois peuvent être battus.
  • 2004    
  • Aux Jeux Olympiques d'Athène le Tennis de Table prouve qu'il est le cinquième sport à la télévision, d'après l'audience des spectateurs.
  • 2005    
  • World Championships à Shanghai, Chine. Les cinq médailles vont à la forte Chine emmenée par Wang Liqin et Mlle Zhang Yining.
  • 2006    
  • World Championships Bremen, Allemagne. Nombreuse participation en interpays. La Chine domine en Messieurs et en Dames.
  • 2007    
  • World Championships Zagreb, Croatie. Tout pour la Chine encore. Simples. Doubles. Double-Mixte. Universiade à Bangkok, Thailande, présence des pongistes. Internet multiplie l'info sur ce sport.
  • 2008    
  • Les équipes nationales de Chine championnes du monde.
    La Chine gagne tout à ses Olympiques de Pékin.
  • 2010    
  • Miracle à Moscou : Les dames de Singapore battent la Chine !
    Le tennis de table présent aux Premiers Youth Olympic Games à Singapore avec un qualifié belge Emilien Van Rossome.

    UN HOMME EXTRAORDINAIRE.

    Ivor G.S. MONTAGU
    , né le 23 avril 1904 à Kensington près de Londres, était le troisième fils de Lord Louis Samuel Montagu et de Lady Gladys Swaythling, des personnes très riches, des libéraux convaincus et des juifs du plus haut milieu. Après avoir tenté le Cricket et le Tennis au Royal College of Science de Westminster, Ivor Montagu découvre avec beaucoup de passion le tennis de table au Kings College de Cambridge. Il y étudie la zoologie et les langues, et à l'âge de 17 ans déjà il est sélectionné pour le célèbre match triangulaire entre Oxford, Cambridge et Paris. C'est un grand voyageur. Dans le cadre de ses études de zoologie il s'en va étudier les rats et les lapins en Arménie, et les chameaux en Mongolie. Il parle, écrit et traduit en anglais, français, allemand et russe. En 1922 le jeune Ivor Montagu est élu par ses pairs président de la Fédération Anglaise de Tennis de Table et il se met à la tête de quelques gentlemen très entrepreneurs qui avec l'aide du journal des boulevards The Daily Mirror vont organiser un tournoi de pingpong disputé à Londres dans 40 salles pour 40.000 joueurs. Avec cet évènement, qui avait bien secoué la City d'après guerre, le tennis de table, jadis si populaire vers 1904, remonte vers le soleil en quelques jours en cette année 1923 qui avait fait connaître l'organisateur Montagu, un jeune capable de faire bouger les foules vers un but noble. Toutefois si Montagu joue bien son rôle en Angleterre de 1921 à 1925, et qu'il sera à juste titre élu premier président de la fédération internationale de tennis de table en 1926, ce n'est pas à lui qui revient le mérite sur le plan international. Le rôle des pongistes allemands et des champions juifs habitant dans plusieurs pays est important en profondeur vers 1930, mais vu sa présence interminable Ivor Montagu sera un grand leader, le Fidel Castro du ping pourrait on dire.

    La famille de Montagu avait donné le capital nécessaire pour organiser le premier Championnat du Monde à Londres. C'est pourquoi d'ailleurs qu'en 2010 c'est toujours la Coupe Swaythling ( nom de famille de la maman d'Ivor) qui est remise à l'équipe nationale championne du monde. 
    Mais peu après Ivor Montagu tourne le dos à sa famille  pour ne pas que tous continuent à dire qu'il est un 'fils à papa' pour qui tout est facile. Il marie en secret la typiste Eileen Hellstern qui est pauvre, mais magnifique et incomparable, et du coup il devient prolétaire et il refuse d'être millionnaire. Ivor Montagu va réussir tout seul dans la vie, car il avait des grandes qualités d'orateur, de diplomate, d'organisateur.  En plus, il était polyvalent et avait au moins cinq passions :
    1. Eileen 'Hell' Montagu qui sera toujours derrière lui et ce jusqu'au début de novembre 1984. Car c'est exactement 26 ans que le président élu en 1926 avait quitté ce monde quatre jours seulement après son épouse chérie.
    2. Le tennis de table qu'il a développé pendant plus de 40 ans, augmentant le nombre d'affiliés des 9 pays au départ jusqu'aux 160 pays de 1967.
    3. La culture générale, le journalisme et la zoologie.
    4. Le cinéma.  Il a vraiment tout fait dans ce domaine dès les grandes heures des films muets. Il a été proche de Eisenstein, Chaplin, Hitchcock, Balcon, et était connu dans les milieux du cinéma  en Grande-Bretagne, Russie, Allemagne, et à Hollywood.
    5. La politique. Après un voyage en Russie révolutionnaire il devient homme de gauche pacifiste, socialiste et ensuite communiste. Il y a de fortes chances que sous le code 'intelligentia'  il aurait été vers 1942  un espion des Soviets, amis des Anglais pendant la seconde guerre mondiale. Il a fait plus pour la paix que beaucoup de politiciens célèbres, comme directeur de la London Film Society, et en oeuvrant aussi longtemps et aussi bien pour le TABLE TENNIS un sport pour tous, pour tout âge et pour toute la vie, qui compte des pratiquants dévoués et passionnés sur tous les continents.     

         1926 - 1939

    Les grands joueurs et joueuses qui avaient marqué les Championnats du Monde de Tennis de Table pendant le periode des hard bats, les palettes à picots ordinaires et les planches dures.    

    MESSIEURS :

    LONDRES 1926 :
    Hongrie: Roland Jacobi, Zoltan Mechlovitz, Daniel Pecsi, Bela Kehrling, + Maria Mednyansky
    Autriche: Paul Flussman,Munio Pillinger + Fanchette Flam
    Wales: + Doris Evans-Gubbins

    STOCKHOLM 1928:
    Hongrie: Zoltan Mechlovitz, Lazlo Bellak, Daniel Pecsi, Sandor Glancz, Roland Jacobi,+Maria Mednyansky
    Autriche: Alfred Liebster, Robert Thum, Paul Flussman, + Fanchette Flamm
    Angleterre : Fred Perry, + Winifred Land + Joan Ingram 
    Allemagne : + Erika Metzger

    BUDAPEST 1929 :
    Hongrie: Zoltan Mechlovitz, Viktor Barna, Sandor Glancz, Istvan Kelen, Miklos Szabados, Lazlo Bellak, Gyorgy Szegedi  + Maria Mednyansky + Anna Sipos + Magda Gal
    Angleterre: Fred Perry, Charles Bull, Adrian Haydon
    Autriche: Robert Thum, Albert Liebster, Paul Flussman + Trude Wildam
    Allemagne: + Erika Metzger + Maria Rüster

    BERLIN 1930:
    Hongrie: Viktor Barna, Lazlo Bellak, Lajos-Leopold David, Istvan Kelen, Miklos Szabados+ Maria Mednyansky + Anna Sipos
    Autriche: Alfred Liebster, Robert Thum
    Suéde : Folke Pettersson

    BUDAPEST 1931 :
    Hongrie: Viktor Barna, Lazlo Bellak, Lajos-Leopold David, Istvan Kelen, Miklos Szabados+ Maria Mednyansky+ Anna Sipos 
    Allemagne : Nikita Magjoroglou

    PRAGUE 1932 :
    Czechoslovaquie: Stanislas Kolar, Jindrich Lauterbach, Istvan Malecek, Bedrich Nikodem, Michal Grobauer + Anna Braunsova + Marie Smidova-Masakova
    Hongrie: Viktor Barna, Miklos Szabados, Lazlo Bellak, Sandor Glancz,Istvan Boros + Anna Sipos

    BADEN - VIENNE 1933:
    Hongrie: Viktor Barna, Istvan Boros, Lajos-Leopold David, Istvan Kelen, Sandor Glancz + Anna Sipos + Magda Gall + Emiline Racz
    Czechoslovaquie: Stanislav Kolar
    Angleterre: Adrian Haydon

    PARIS 1934 :
    Hongrie: Viktor Barna, Lazlo Bellak, Lajos-Leopold David, Tibor Hazi,Miklos Szabados,Sandor Glancz, Bela Nyitrai + Anna Sipos + Magda Gal + Maria Mednyansky
    Allemagne: +Anita Felguth-Denker  + Astrid Horn H.K.,
    Angleterre : + Dora Emdin
    Czechoslovaquie: + Marie Kettnerova

    WEMBLEY LONDRES 1935 :
    Hongrie: Viktor Barna, Lazlo Bellak, Lajos-Leopold David, Tibor Hazi, Miklos Szabados + Anna Sipos + Maria Mednyanski + Magda Gal
    Czechoslovaquie: Stanislav Kolar, Karel Svoboda, Bohumil Vana, Miroslav Hamr + Marie Kettnerova + Marie Smidova-Masakova
    Autriche: Alfred Liebster, Erwin Kohn
    Angleterre: Adrian Haydon
    France: + Marcelle Delacour

    PRAGUE 1936 :
    Autriche: Richard Bergmann,Helmut Goebel, Erwin Kohn, Hans Hartinger, Alfred Liebster
    Czechoslovaquie: Stanislav Kolar, Miroslav Hamr + Gertrude Kleinova + Marie Smidova
    Roumanie: Farkas Paneth, Marun Goldberger
    USA: James McClure, Robert Blattner + Ruth Aarons-Hughes+ Jessie Purves
    Pologne: Alojzy Ehrlich
    Hongrie: Ferenc Soos

    BADEN-BADEN 1937:
    USA:  Abe Berenbaum, Robert Blattner, James McClure, Sol Schiff + Ruth Aarons + Emily Fuller
    Autriche: Richard Bergmann, Helmut Goebel + Trudi Pritzi
    Czechoslovaquie: Bohumil Vana, Stanislav Kolar, Adolf Slar, Frantisek Hanec+ Vera Votrubcova
    Pologne: Alojzy Ehrlich
    Allemagne: + Astrid Horn-H.K.
    Roumanie: + Angelica Rozeanu-Adelstein
    Angleterre: +Wendy Woodhead+ Doris Jordan + Margaret Knott-Osborne
    Hongrie: Ferenc Soos

    LONDRES 1938 :
    Hongrie: Viktor Barna, Lazlo Bellak, Erno Foldi,Tibor Hazi, Ferenc Soos,
    Czechoslaquie: Bohumil Vana + Vera Votrubcova+ Maria Kettnerova + Vlasta Pokorna-Depretisova
    USA: James Mc Clure, Sol Schiff  + Betty Henry
    Autriche: Richard Bergmann, Helmut Goebel + Trudi Pritzi
    Angleterre: Hyman Lurie, Jeffrey Hyde + Wendy Woodhead + Doris Jordan + Margaret Knott-Osborne

    LE CAIRE 1939:
    Czechoslovaquie: Miroslav Hamr,Vaclav Tereba, Bohumil Vana, R.Karlecak +Vlasta Pokorna-Deprisova+ Vera Votrubcova
    Autriche: Richard Bergmann + Trudi Pritzi
    Roumanie: + Angelica Rozeanu-Adelstein
    Egypte : + Helmy Mansour + Samcha Naitri
    Pologne: Alojzy Ehrlich
    France: Michel Haguenauer, Raoul Bedoc
    Yougslavie: Zoarko Dolinar, Tibor Harangozo, Max Marinko


    Dans l'essentiel le jeu n'a jamais beaucoup changé depuis ses débuts, mais au fil des années il est devenu plus rapide, plus subtil et plus exigeant. A cela il faut ajouter  l'augmentation continuelle du nombre de pratiquants. Ainsi de décennie en décennie les meilleurs de ce sport devenaient des champions exceptionnels qui sont passé de l'amateurisme au professionalisme, des sportifs possédant le plus haut degré de capacité physique et de concentration mentale qui ne peut être atteint que par un entrainement ardu afin de développer les talents naturels.

    L'intérêt constant de la féderation internationale ITTF a toujours été d'assurer que le pingpong ( un  mot connu dans toutes les langues existantes)  reste un combat d'habilité humaine et que les développements technologiques qui apportent un nouveau facteur au jeu ne donnent pas un avantage trop grand et trop permanent aux joueurs qui en font usage les premiers. Ainsi  les spécifications sur l'équipement comme celles relatives à la surface de la palette sont soigneusement formulées après de nombreuses considérations, et tout changement dans les règles de ce sport sera seulement mis en application après un vote démocratique lors d'assemblées générales . 

    01-11-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    27-10-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Landen - Santiago de Compostela 1999 - (6).



    34. Sabado  12 de Junio.

    Leon.
      In dit klooster zijn er duidelijke voorschriften. Niemand mag eerder buiten dan 6u00  en iedereen moet de slaapzaal verlaten hebben om 8u00.  Ik was daar tussen Hollanders doch s' avonds waren zij te moe en 's ochtends veel te gehaast om kennis te maken en te praten.  Op weg door Leon kom ik een fietser uit Fléron nabij Luik tegen. Ik vertel dat ik in zijn gemeente harde matchen pingpong had gespeeld met de tijdsregel, ondermeer tegen Louis Joyeux. De wereld is klein. Die fietser kende die Louis vrij goed. Ik telefoneer naar huis waar alles flink wordt gerund door mijn Sonja. Terug op het plein aan San Marcos neem ik enkele foto's. De Luikenaar is daar ook nog, want hij blijft het hele weekend te Leon en krijgt daar zelfs bezoek. Ik raad hem aan van binnen te gaan in de prachtige Parador en hij doet dat.

    Ik bezoek  El Virgen del Camino en kan daar voor een 'barato' prijs van 495 pesetas Zumo, café grande con leche, y dos boccadilos eten. San Miguel del Camino. San Martin del Camino. Hospital de Orbigo. Het is warm en ik ga schuilen in een albergue waar ik een koele cola met gin drink, in afwachting van mijn middageten. Ik neem al mijn tijd, schrijf een brief, en wacht want op de zinderende weg is het verschrikkelijk moeilijk, zeker met die lome benen van mij.

    Astorga. Er loopt daar een wielerwedstrijd van lagere categorie. Ik blijf een tijdje kijken. Daarna ga ik op zoek naar een stempel voor mijn pelgrimsboekje. In de refugio van Astorga zie ik de mountainbikers weer, maar nu is er ook een sportieve jonge dame bij, met prachtige benen. Zij is  een Madrileense.

    Bij het verlaten van die stad vlam ik niet verder op de grote steenweg zoals de vele te snelle sportievelingen dat doen op hun koersfietsen. Ik rijd niet naar de grote stier, publiciteitsbord hoog op de heuvel, maar ik neem naar links waar de voetgangers in het zweet en met pijnlijke voeten hun zielezaligheid verdienen op de Camino. Aan het eerste café in deze richting, ga ik eerst van een pintje genieten en vertrek wat later met pijnlijke kuiten. De wind waait nu tegen en het is bergop. Slecht en ongelijk is het wegdek, bijna mals door de warmte. Ik zie het helemaal niet zitten om de Pantani uit te hangen. Maar, mijn redding werd door de Apostel Jacob al voorzien want te
    Murias de Recilvaldo wacht een kleine refugio op mij. Ik kom daar op een kamer met een Oostenrijker. Wat verder is er het Restaurant San Antonio. De baas is daar helemaal zot van de Camino,en vraagt me uit. Door mijn  kleine kennis van 't Spaans en omdat andere mensen er ook komen tafelen vlot onze communicatie echter niet.

    35. Zondag, 13 juni.

    Met sterke ambitie begin ik als  ' flandrien'  deze hoogdag . Er komt nu een groots parcours over de Puerto de la Cruz y Puerto de Manjarin.  De weg is nieuw aangelegd, met drie evenwijdige camino's voorzien voor voetgangers en lopers, fietsers en paarden, auto's en vrachtwagens. Stop in Bar Cowboy, omwille van de leuke naam, en voor een goed hapje en een natje. Rabanal del Camino . De mooie  Refugio van Saint James is op dat uur  'closed' . Spijtig !
    Daar is hij dan weer, die Schot die ik te Fromista verliet. Tom Huxtable is the name and not Angus MacDonald nor Stewart Obree. Hij duwt een veel te groot verzet en kan niet  ' en danseuse' klimmen omdat zijn bagage slecht is verdeeld over zijn oude koersfiets, met alle gewicht in èèn zak op het achterwiel  !

    Tevens haal ik daar in die klim een rare kerel in. Hij trekt een speciaal karretje met al zijn spullen en vordert aan hoog tempo. Maar dan plots stopt hij na de volgende bocht, en stilstaand begint hij, met d'ogen toe en kloppend hart, te bidden. Hij heeft geen interesse voor het landschap noch voor mij. Hij is mager, behaard, draagt een monnikspij en sandalen voor zijn blote voeten. Deze boeteling gaat snel naar omhoog en merkwaardig is zijn uithoudingsvermogen. 

    Foncebadon. Bijna verlaten, stenen en muren, loslopende honden zonder meester, spookdorp, maar toch kom ik daar niet alleen want er is daar nog een andere sterveling, een pelgrim die reeds terugkomt van Santiago. Hij mag bergaf rijden, naar het Oosten zonder tegen de anderen te botsen.  De man is stratenmaker van beroep. Hij rijdt op een koersfiets, met een kleine rugzak, en vele jaren achter elkaar heeft hij al  Biarritz-Santiago-Biarritz gereden. Daarvoor had hij telkens 9 dagen nodig, want hij rijdt 200 km per dag 'sur le chemin de St-Jacques' , en daartussen één volle dag verblijft hij in en rond de Kathedraal van Santiago. Boven aan het kruis, aan de hoop stenen waar een steentje kan worden bijgedragen, ontmoet ik een man die Nederlands praat, een automobolist. Hij legt me uit dat het vroegere antieke Cruz de Ferro één maand eerder werd gestolen en vervangen door een ander smaakloos exemplaar . 
    Ik maak reeds wat vaart voorbij deze col, en kom aan
    El Refugio de Los Tempelarios, geschikte stopplaats voor een glas wijn. Er wordt daar een vuur aangelegd voor een spoedig beginnende barbecue. Ik loop er wat rond.  Merkwaardige plaats !  Merkwaardige mensen  ! Maar ik moet verder op de lange weg, ook al ligt het vlees al boven de hitte van het vuur,  maar dat was misschien wel een verkeerde beslissing.

    Wat verder haal ik 'downhill' terug  Mister Thomas Huxtable in. Hij is gevallen , zonder erg volgens zijn bewering van dappere routier, maar ik geef hem toch maar mijn flesje 90% alcool, straffer dan bruine whisky uit Aberdeen, om te ontsmetten en met een paar zelfklevende plaasters verzorg ik zijn wondjes. Zijn fiets is te licht en zijn bagage te zwaar, dat maakt zijn tweewieler nogal weinig stabiel is in de afzink van zo'n puerto. Hij is bang en wil daarom de Manjarin te voet afdalen. Dat doe ik dan ook maar in zijn gezelschap, nadat ik mijn Mephisto wandelschoenen heb aangetrokken.

    We arriveren,  een kwartier of wat langer later, aan de frisse Fuente de la Truche, waar we ons goed wassen, en dan nog wat verder komen wij te El Acebo, waar we gaan middagmalen in het restaurant Meson Oasis del Bierzo. Menu du Jour, aanbevolen door de waardin, regionale specialiteit van het schaap, met dessert-ijskreem, en dat kost voor twee 2800 pesetas.

    We stoppen aan het monument voor de dode Duitse fietser te Molinaseca, en samenwerkend Haspengouw-Schotland bereikt Ponferrada, Cacabellos, en uiteindelijk
    Villafranca del Bierzo. Mijn plan om daar te gaan slapen in de Parador op deze zondag wordt gretig aanvaard door Huxtable, die er als 60-plusser en lid van Saint James  35% reductie krijgt. Wij nemen, op onze kamer met twee grote bedden, allebei na mekaar een bad en ik doe een slaapje terwijl den Thomas zijn bagage anders inricht.  In de Spaanse avond gaan we wandelen doorheen Villafranca , de zeer belangrijke halte op de Camino de Santiago.

    Ondertussen heeft Huxtable me bekend dat hij weinig had getraind, niet op de gepaste fiets reed, en vooral dat hij bijna niets had gegeten sedert hij te Santander met de boot was aangekomen. Hij was in die Puerto de Manjarin gewoon, door afkoeling en tekort aan suiker, in zwijm gevallen. Dat moet 'de knock-out klop' van de man met de hamer geweest zijn die een nochthans taaie pelgrim te grazen had genomen. Ik zag maar een oplossing voor hem, we moesten terug nog meer gaan eten, wat voor mij geen probleem was, noch financieel noch op gebied van eetlust en hongergevoel . We gingen dus op het plein van Villafranca del Bierzo pannekoeken eten met slagroom, een halve suikerpot, en tassen tea. Goed gesprek. Twee niet-Spaanse vrouwen waren voortdurend naar mij aan het kijken. Ik vroeg me af waarom.  Huxtable bleef maar zagen en zagen over de zalmen  van Dumfriesshire, terwijl er bij mij thuis in onze Molenbeek maar magere stekelbaarsjes zitten.

    36.  Monday  June the 14th .

    Huxtable was zo blij met mij als compagnon, hij noemde mezelf zijn redder, dat hij zelfs die avond me vertelde waarom hij aan het pelgrimeren was, en aan het afzien was op zijn verdomde bicycle. Zijn fiets was een Raleigh met Dunlop banden en dat is toch geen belachelijk speelgoed, eerlijk gezegd. Hij had veel zorgen om zijn zoon van 29 jaar die verslaafd was aan drugs, en strafbare feiten had gepleegd. Als gepensioneerde militair, ex-mekanieker bij de Royal Air Forces, had hij gehoopt op een aangenamer oude dag. Maar alles liep verkeerd. Op een dag kreeg hij van iemand de raad om te gaan fietsen op de pelgrimsroute in Spanje, en te vragen aan Saint James of hij niet die zoon terug op een beter pad zou kunnen brengen.Maar zelfs ook die nacht ging het verkeerd met de nog gelovige Thomas Huxtable.

    04.u00 . Met mijn zuiver geweten, mijn goed hart en goede longen, slaap ik lekker in de schone Parador van Villafranca del Bierzo en ik word wakker door lawaai in de badkamer. Ik zie dat de lakens van  mijn gebuurs bed zijn weggenomen. Ik ga in de badkamer en zie dat Huxtable zijn lakens aan het wassen is.  Wat een kerel is dat  ....  ?  Hij is doodziek en hij heeft tijdens de nacht diarree gehad. Tijdens zijn slaap heeft hij het in zijn bedde gedaan en op zichzelf gedaan.  Wat een stank  ! De zestiger is bijna aan het huilen door al zijn miserie. Uit schaamte wil hij zo vlug mogelijk stiekem de propere Parador verlaten, vermits wij bij inschrijving toch al hadden betaald, om op de fiets te zijn waarvan vlug kan af worden gesprongen om het snel en zonder schade in de natuur te doen, indien terug nodig. 




     

    Moet ik je misschien een voor jou te lange koerstrui geven, als tartan, zodat je met je bloot Schots gat op je Brooks kan verder fietsen naar Saint James , vraag ik hem, maar in zijn ogen lees ik dan ellende, erger nog als ware hij de doelman van de Rangers die met 0/6 tegen de Celtics verloren hadden. Ik smijt zijn lakens op een hoopje in een hoek van de badkamer , en ik duw de Schot onder de douche. Slaap verder in mijn bed tussen andere lakens, ik neem wel mijn slaapzak en zal op het tussenverdiep in de sofa verder slapen. Ik open groot het raam van onze kamer en vertrek naar het stijlvol salon buiten de bezoedelde ruimte. Daar probeer ik nog te slapen, maar dat is niet mogelijk. Om pen en papier te halen ga ik wat later terug naar onze kamer. Huxtable heeft alles opgeruimd en slaapt als Gulliver in het land van nowhere. De Slag van Culloden was voorbij.

    Vermits ik te Puente de Orbigo al geschreven had naar mijn liefste schatten, schrijf ik nu nog een brief naar huis voor mijn trouwste vriend Louka de welsh-terriër, die zo vaak kakt in mijn gezelschap tijdens onze wandelingen in de Pepijnstad. 

    7u00. Proper en aangekleed loop ik naar beneden. Aan de receptie is er een man die goed Frans spreekt, vermits we op de ' Camino Frances' vertoeven is dat niet uitzonderlijk, en problemen als die van Huxtable zijn er bijna wekelijks in deze parador.  Mijn fietstassen zijn reeds gereed om terug op mijn Olive Green te worden gemonteerd, maar ik leg ze in de zon buiten waar ik ze kan zien doorheen de grote vensters. Voor het ontbijt zijn er twee mogelijkheden, ofwel zonder meer te betalen een klein buffet in zaal B  ofwel de grote mogelijkheid in zaal A , waarvoor 1200 pesetas moet bijbetaald omdat het daar prinselijk is ' pour les grands d'Espagne' , les conquistadores, de voetballers van Real Madrid of voor Mick Jagger die hier al logeerden, pour Miguel Indurain et Don Quichotte, en dat is dan ook voor mij omdat ik later op de dag de Pedrafita do Cebreiro en de Alto do Poio zal beklimmen. 

    De man van de receptie komt me aan tafel opzoeken. Ik dacht dat hij mij zou berispen omdat ik al vier maal naar het groot buffet was gegaan met Pantagruelske neigingen, maar  ' o contrario'  hij feliciteert mij omdat ik zoveel eer doe aan wat de keuken die ochtend had voorzien . Hij stelt mij  gerust wat betreft Huxtable. Die dronk thee met citroen en honing en de geheime remedie van dit huis, en die koppige Schot aanvaardde van in zijn bed te blijven liggen tot 14u00.  Ofwel zou hij dan kunnen vertrekken ofwel zou dan een dokter worden geroepen. Ikzelf kon dus gerust verder rijden, en mijn kameraad wilde dat ook, en el Camino de Santiago.

    Na deze fantastische desayuno begin ik langzaam aan de hellingen die me naar
    de Cebreiro zullen brengen, het hoogste punt op de oude Franse pelgrimsroute, een klim van 17,7 km tegen een gemiddelde van 4 % die stijgt van 600 m naar 1300 m. Met gezwollen buik gaat dat helemaal niet.  Ik stop dan maar vlug en ga een cola met gin drinken, hetgeen de werking van mijn maag bevordert. Ik weeg dertig pond meer dan in 1984 toen ik met veel allure hier had geklommen en toen ik zelfs, met pak en zak, lang het wiel van klimgeiten zonder ballast kon volgen. Het gaat nu slecht, maar wat een heerlijke dag ... . Daarom steek ik mijn voeten weer in mijn Mephisto's en ik stap rustig urenlang verder door het inferno van de O'Cebreiro, genietend van de prachtige omgeving. Het verwondert mij dat er slechts weinige snelfietsers mij voorbijrijden op deze weg voor auto's. Dat wil zeggen dat er veel zijn die een andere route volgden, de Cebreiroweg van vroeger die langer is en met veel kronkelingen. Zij hebben betere wegkaarten en ik rijd zomaar altijd naar het Westen zoals een Wisigoot van lang geleden. Het laat ook vermoeden echter dat er bedorven fietsrijdertjes zijn die in hun volgwagen kruipen en om tijd te winnen die zware col overslaan.

    Maar ik voel me niet goed wanneer ik boven kom. Heb ik ook het virus dat Huxtable had geveld ?
    Ik bereik de Hosteria San Giraldo de Aurillac en schrijf daar in voor de habitacion 5. Ik drink vlug een grote fles water. Tijdens mijn beklimming van de Cebreiro had ik immers veel te weinig gedronken, en de gezouten Spaanse hespen en kazen van het ontbijt in de parador waren veel te goed geweest. Ik vergat ook dat mijn nachtrust werd gestoord, en na douche en siesta voel ik me opnieuw in grote forme. Gelukkig was ik vlug gestopt vandaag. Tijdens mijn avondwandeling kom ik te weten dat alles is bezet. Velen zullen er buiten slapen in de aangeboden mankele tenten met vuile vloer. In de Refugio werden 112 pelgrims genoteerd en daarbij ook mijn naam. Daar verneem ik van Hollanders dat hun ex-Minister-President Van Agt ook aan het fietsen is op de Camino de Santiago, maar hij doet dat incognito, als oud lid van de studentenclub Carolus Magnus. Op de Cebreiro zou hij toch zijn credencial moeten legaliseren met een stempel, maar hij staat er ( nog) niet op de lijsten in het grote bezoekersboek waarin die noorderburen snuffelen. 

     Ik neem met hoge toon daar in dat kantoor het woord en verkondig aan mijn taalgenoten dit :  ' De vraag is dus  ' Zzzzal  Van Agt vannacht hier ook slapen  ?  
    Ofwel  ' Mag men politiekers geloven wanneer zij zeggen dat zij naar Compostela fietsen , zij beliegen ons toch zo vaak ? '  Is Van Negen reeds voorbij de Cebreiro ?  Is Van Zeven ook al aan het komen ? Er zijn sedert het begin van de
    Xacobeo '99 toch op de Camino al zoveel Hollandezen en nu missen we nog den deze, den Dries Van Agt  uit Geldrop !  
    Ik vrees echter dat hij die belangrijke pelgrim, die eenzame fietser was, die deze ochtend in de Parador van Villafranca del Bierzo niet uit zijn bedde kon, wegens te zware darmklachten !   Want dat was vandaag één van de lopende geruchten die door de pelgrims onderweg in alle talen werd verspreid.  Al de aanwezige Hollanders konden niet lachen, uiteraard  C.D.A.'ers , en bovendien waren zij doodmoe, met blaren op de tenen, en was het toen tijd om de lichten te doven.rond dat heiligdom  daar beneden onder de melkweg. 

    En de Apostel vond dat het voor die dag meer dan genoeg was geweest. 
      

    ----------------------------------------------------------------------------------
    Pelgrim op weg naar Santiago 1984.

    Intermezzo - De volgende lijnen gaan over uren die ik nooit zou vergeten.


    Met mijn fiets in de hand liep ik langzaam over de oude brug. Hier op de Romeinse brug over de Orbigo had zich tussen 10 juli en 9 augustus 1434 de legendarische Passo Honroso afgespeeld. Suero de Quinones, een jonge verliefde ridder, vocht met paard en lans op deze smalle brug 166 duels uit op leven en dood om de hand van la hermosa persona Leonor de Tovar te veroveren, el amor de su vida. Hij daagde alle jonge edellieden en edele pelgrims uit om zich met hem op de brug te komen meten. Er viel één dode en er vloeide zoveel bloed dat het werkelijk te erg werd en de koning verder geweld verbood. Dit werd een befaamd epos .

    Het was op het einde van de siesta. Op het dorpsplein spoelde ik mijn gelaat af met water van de fontein. Na wat zonnebrandolie op mijn neus, armen en benen, en op mijn fietsketting te hebben gesmeerd, sprong ik terug op mijn tweewieler, en voor mij lagen nog 285 km om Santiago te bereiken, de meest voortreffelijkste stad van heel Spanje, althans voor de mensen uit Galicië. Na een stukje fietsen onder de blauwe hemel en in de heerlijke zon bereikte ik Astorga waar ik even stopte aan de moderne kerk die werd gebouwd door Gaudi, een gebouw dat weinig indruk op mij maakte. Door de warmte en door mijn dorst was ik al uren achter op mijn reisschema van deze dag. Dagenlang had ik in de regen gefietst sedert ik mijn woonplaats in Haspengouw had verlaten om op mijn ééntje met pak en zak naar Sinte Jakob in Galissiën te trekken. Het was nat en koud geweest, en nu op één enkele dag was de temperatuur opeens met tien graden gestegen. In een fonda dronk ik twee gin-tonics versierd met een stukje citroen. Ik bekeek nogmaals mijn notaboek en mijn wegkaart.Te Astorga hergroepeerden de pelgrims zich vroeger. Dat was gemakkelijker en veiliger. Want al zingend in groep, samen en sterk, kwamen zij zo levend door de Cordilleras, een gebied waar wolven en struikrovers op de loer lagen.

    Mijn fietsbanden laten sporen na op het malse wegdek dat begint te smelten.  Zo is het lastig om verder omhoog te geraken. Meerdere oude vrouwen, als heksen in het zwart gekleed, zitten of hurken langs hun huisjes. Zij begapen mij. Zij gluren naar mijn blote benen, en zien hoe ik hijg en zweet als een man die bijna klaar komt. Voor een vette wielertoerist is klimmen voorbij Rabanal del Campo immers een hele klus. Nu komen rondlopende honden op mij af. Ik bereik het dorp Foncebadon. Niemand te zien, terwijl in oude geschriften staat dat dit eens een plaats was waar honderden pelgrims sliepen of nabij vuren kampeerden. Op deze zomeravond waait er alleen maar een licht briesje over de ruïnes, vliegen er wat akelige vogels rond, en verdwijnen de knaagdieren vlug bij mijn aankomst.

    De zon daalt. De weg wordt nog steiler. Overal liggen grijze stenen. Met op mijn kop een verfrommeld jeanshoedje, in vuile rennerskledij, met stof op mijn lange benen, bereik ik Cruz de Ferro, en daar ben ik dan ongeveer 1500 m boven de zeespiegel. Op deze plaats ligt een zeer bijzondere hoop stenen, een kegel die aan de top wordt verlengd door een staak waaraan een kruis is vastgemaakt. In de loop der tijden raapten zij die aan dit kruis passeerden een losse steen op. Liefst moest dat een steen zijn die goed in de hand past en om zo ene te vinden moest er wel wat worden gezocht . Een pelgrim op weg naar het heilige graf van de apostel Jacob de Meerdere had altijd een persoonlijke, meestal een geheime, reden om de lange en levensgevaarlijke tocht naar Compostela te ondernemen. Aan die bizarre hoop stenen van Cruz de Ferro vertrouwde de pelgrim zijn reden, zijn intentie of zijn berouw over fouten, toe aan de harde steen die hij in zijn hand knelde. Daarna, hopend dat Santiago hem ondertussen goedgezind was geworden, gooide de pelgrim zijn steen op de massa die er lag, een hoop gevormd door hoekige rotsstenen die stuk voor stuk intenties in zich droegen. De vele stenen van Cruz de Ferro zijn alzo een enorme symbolische verzameling van geloof, hoop, liefde, en berouw, van onze voorouders. De stenen zijn er heel ruw. Zij liggen al een miljoen jaren in deze buurt maar werden noch door water, zee, wind, of gletsjers gepolijst. Indien zij toch wat rond zijn, is het omdat zij reeds in duizenden verschillende handen waren van zij die daar gedurende de voorbije eeuwen over die bergkam kwamen. Hoeveel energie heb ik nog, hoeveel geloof, hoe ver kan ik de steen met mijn intenties nog gooien, hoeveel zwaarder werd mijn steen door wat ik er in stak  ? 

    Ik nam maar een eenvoudige steen, een steen door iedereen vergeten, want ik wil echt niet dezelfde steen gebruiken die reeds in de hand werd genomen door beroemde pelgrims van vroeger, door heiligen, door tempeliers, door kathedraalbouwers, door boetelingen, door kruisvaarders, door verdoemden van weleer, en alhoewel ik geen ketter ben en geen pilaarbijter,  kom ik hier ook voorbij , gedreven door mijn behoefte van vandaag. Dat is op de pelgrimsweg los te komen van mijn stressvol leven als bankbediende waar ik nog weinig genoegen aan beleef, en om eens rond mijn veertigste verjaardag terug wat orde te brengen in mijn ouder wordend kopje.

    Ik bleef nog wat namijmeren terwijl de zon ondertussen diep zakt daar in de verte waar In Finibus Terrae en de Atlantische Oceaan liggen. Een homp brood, een banaan, een slok water, moeten mij terug wat kracht geven om verder te fietsen in het grauwe bergland bij avondschemering. Het gaat nu gemakkelijk naar beneden.  Ik bereik de  ' Bron van de Forel' ? Daar moet ik absoluut stoppen, mijn drinkbussen vullen, en mijn pelgrimsmaag, alsook mijn kop, mijn wit bovenlijf en mijn roodbruine armen bespenkelen. Reeds in zijn antieke reisgids uit 1130 had de monnik Aymeri Picaud aan deze frisse bron iets zoals drie sterren Michelin gegeven.

    Mijn ogen zijn ondertussen gewend aan de zachte duisternis. Ik rijd zonder lampen op mijn fiets door El Acebo langs de Rua dos peregrinos, een aarden weg die nog dezelfde is als in de XVIIde eeuw. Plots staat daar en grote hond met gloeiende ogen voor mij. Het beest weegt wel veertig kilo. Het is zeker zo'n herdershond uit de streek, sedert generaties gefokt om de nek van een wilde wolf met één beet te kraken. In de duisternis beteken ik maar dat éné kleine lichtje, een zaklantaarn, aan mijn bovenarm vastgesjord met een elastiek. Ik stop dus wijselijk en erken dat die hond daar de baas is. Ik hef toch maar mijn fiets op en zo heb ik met mijn wielen een schild. De hond zet zijn twee poten op mijn fietstassen. Zijn reukorgan is zowat dertig keren beter als het mijne, zodat ik vlug ben geïdentificeerd als een eerlijke pelgrim bij nacht, als iemand die niet bang is van honden, als iemand met een zuiver geweten die nooit met slechte bedoelingen een hand heeft uitgestoken naar een schaapje. Ik begin te lachen. Dat belet eigenlijk dat mijn koud zweet uitbreekt. Ik ken deze situatie. Ik ben namelijk het baasje van Bibi, onze welsh-terriër, en het gebeurt wel meer dat wij tijdens onze dagelijkse wandeling grotere beesten ontmoeten. Maar nooit of nooit zijn wij op zulke ogenblikken bang, noch Bibi noch ik. De herdershond heeft vlug begrepen dat hij te doen heeft met iemand met slecht gewassen ondergoed, een voorbijganger op weg naar Santiago. Soepel springt hij weg in de duisternis. Even later, terwijl ik dan toch maar te voet door dat dorp loop, komen dezelfde hond, de herder en vier verdwaalde schapen mij voorbij in looppas.  De man lacht zijn tanden bloot. Aan de bovenkant ontbreken hem vier stuks. Hij vraagt me of zijn hond me heeft gehapt en ook wie ik ben. Met mijn smalle woordenschat uit de taal van Cervantes leg ik hem dat uit, en zo neemt die herder me als de Vlaamse Don Quichotte uit het land van Koningin Fabiola die op dit nachtelijke uur nog aan het fietsen is. Maar tegelijk is die inwoner van El Acebo ook blij want hij zal thuis kunnen vertellen dat hij toch weer een echte pelgrim heeft gezien, ene uit België, en dat is in juni 1984 nog niet zo alledaags.  

    Na deze vrij gevaarlijke afdalingen kom ik terug in de beter bewoonde wereld. Met volle maan en in de koelte is het echt lekker om te fietsen voor het nachtdier dat ik ben. Mijn krachten verminderen. Ik rijd nu echter het rijke land van de Bierzo binnen, land van wijn, groenten, fruit, melk en honing. Daarom stop ik aan een goed verlicht eethuis dat van ver is te zien. In Meson Real te Molinaseca zijn er nog talrijke mensen aan het eten, ook al is het al voorbij middernacht. Ik bestel een grote vleesschotel, specialiteit van het huis, en een fles rode Bierzo wijn. Gezellig aan een tafel, alhoewel helemaal alleen, schrijf ik een brief naar huis, iets dat ik iedere twee dagen doe. Ondertussen zag ik welke grote ijscoupes met fruit en slagroom als dessert op de tafels kwamen, en daarom geniet ik ook nog wat op die lekkere manier. De tijd loopt en zo gebeurt het dat ik de laatste aan tafel zit. Tijdens het zoeken naar een omslag en een zegel, laat ik opmerken dat ik een redelijk pak pesetas bij heb, en ook nog een portefeuille. Ik voelde de ogen van twee tooghangers die op mij waren gericht. Daarom doe ik mij opinel breed open, leg die boven in mijn afgehaakte stuurtas, wanneer ik op de parking van de Real terug op mijn fiets kruip. Die Spaanse tooghangers betrouwde ik niet. Mensen kunnen soms gevaarlijker zijn dan herdershonden en zijn meestal ook slechter van karakter. Gelukkig gebeurt er niets. De tooghangers zijn spoorloos verdwenen . Dat is maar goed ook. Misschien waren die kerels van Molinaseca bang van een nachtelijke pelgrim van 1m91 groot en 100 kgr zwaar, met verwilderde haren en baard, en met een opinel gereed om zich te verdedigen. 

    Doorheen de heerlijke nacht volg ik de sterren van de melkweg, zoals het leger van Karel de Grote dat had gedaan in het begin van de IXde eeuw, en ik draai flink rond met mijn pedalen tot wanneer ik de Parador van Villafranca bereik. Daar staan toch wel onder het afdak de prachtige randonneursfietsen van Dudu, Gérard, en Alain, drie fietsend pelgrims uit Parijs die ik te Créon d'Armagnac had ontmoet. Zij reden ondertussen een heel eind voor mij op de Camino Francés, doch door mijn nachtelijke rit heb ik ze terug ingehaald. Zowel zij als ik reden 1000 km in zeven dagen. Na mijn formidabele rit vind ik dat ik wel mag genieten van een prachtige hotelkamer, en van een schuimend bad alvorens tussen de lichtblauwe lakens te kruipen.
     
    Ik lig half in slaap in het lauwe badwater en probeer te denken aan wat ik in mijn dagboek zal schrijven. Maar mijn geest dwarrelt langzaam weg en ik herpak me dan af en toe, en ik krijg volgende vragen in mijn voorhoofd :  Dudu, Gerard, en Alain, wat hebben jullie onderweg ontdekt, méér gezien dan ik, welke ervaringen, welke pech kwamen jullie tegen ? Wie zij die drie pelgrims uit Parijs  ? Zijn zij drie koningen, op zoek naar de ster, de stella van Santiago ? Zijn jullie drie echte musketiers van de Chateau de Versailles en ben ik maar een boerse messentrekker uit het land van de Karolingers ?  Of ben ik de vierde musketier d'Artagnan, want onze fietsen staan nu toch samen in de garage ? Wat zoeken twee vijftigers en een zestiger uit Parijs op deze weg ?  Wat zoekt de veertiger die ik ben ?

    Stilaan dooft het licht voor deze peregrino, onder de invloed van de camino, van de wijn, van de slagroom, in een soort onverklaarbaar delirium tremens, en hij dommelt in slaap in de badkuip van de Parador de Villafranca del Bierzo.
    Pas als de dag reeds aan het opkomen is,  word ik zonder verdronken te zijn in de badkuip terug wakker, om nog heel lang, bijna tot noen, uit te slapen in het bed, terwijl de drie Fransen al weer aan het rijden zijn alsof Parijs-Tours op het programma staat die dag. In de late namiddag zal trouwens één van deze drie huilend met pijnlijke knie langs de weg stilstaan, maar ook hij zou de Monte del Gozo bereiken.

       

    -------------------------------------------------------------------------------

        

    37. Dinsdag 15 juni.

    Na de desayuno krijg ik een zeer officiele nota met bewijs van verhuring van een slaapgelegenheid. Het gaat verder bergop en met klein verzet ben ik weldra te Linares, San Roque, en Alto do Poio op 1335 m hoogte.   Aan het grote beeld van de pelgrim ontmoet ik Ingrid van Oikoten. Zij was een van de vrouwen die veel naar me keek te Villafranca del Bierzo en ook op de Cebreiro. Zij nam me echter eigenlijk voor iemand anders. Ik vertel haar over mijn vroegere contacten met haar organisatie voor heropvoeding van probleemjongeren. Op dat ogenblik is het voor Ingrid moeilijk want de jonge vrouw die zij begeleidt, heeft ruzie met haar gemaakt en is verdwenen met een jonge kerel. De loslopende gevangene moet zich melden aan het volgend controlepunt voor het middaguur, zoniet breekt zij haar contract.

    Als je over de Poio bent
    dan wacht op jou
    het groene land van Galicië
    en een stad die op aarde
    met geen ander is te vergelijken
    Santiago de Compostela
    op het einde van de Weg.

    De heilige kracht van mijn pedaalstoten geneest mijn ziel en laat het vieze vet van mijn oud lijf verdwijnen. Ik drink water, ik drink wijn,  en weldra zal ik te Triacastella zijn, en op de noen na heerlijke bergaf bereik ik zelfs al Samos, zo vlot en vrolijk gaat met mijn rush naar de uiterste Westhoek van Spanje. Even binnengluren waar in de refugio wordt geslapen. Vrouwen zijn daar aan het kuisen, wijl er daar een man ligt te kwijlen op zijn bed. Op doktersbevel moet deze zieke pelgrim drie dagen rusten wegens uitputting. Hij ziet er echt niet goed uit. Hij heeft zelfs zijn wandelschoenen moeten afgeven aan de huisbaas, omdat hij als een koppig beest toch wilde verder lopen. In het nieuwe restaurant Botafumeiro eet ik sopa en spaghetti. Sapristi ... daar tellen zij me toch wel 10% dienst !. Het is zeer warm. Tijd voor siesta van lange duur in de schaduw van een muur. Zo ben ik dan geen velorijder meer, want ik loop daar wat later nog lang rond op mijn pelgrimsvoeten  die toch zo blij zijn omdat zij nu in Galicia zijn aangekomen.

    Sarria. De 42 plaatsen van de refugio zijn al ingenomen en ik word doorgestuurd naar het Convent van de Padres Mercedarios . Daar is het in orde na een donacion van 300 pesetas.
    Ik wandel naar de Hohe Altstadt waar ik een leuke nieuwe credencial koop en binnen stap in een restaurant. Aan een tafeltje voor het menu van de peregrino moet ik gaan zitten tegenover een soep slurpende kerel.. De kostprijs voor de Santiago-gangers is 800 pesetas, en dan mag soep zoveel als men maar wil worden gelepeld, gevolgd door een beefsteak met enkele frietjes. Mijn tafelgenoot is een sportieve bediende van de telefoonmaatschappij uit de stad Vittoria. Hij liep vroeger marathons tot zijn pezen scheurden en hij tien jaren moest rusten. Vier jaren terug begon hij met het wandelen in de bergen. Zijn dagelijks programma op de camino is onmenselijk zwaar. De volgende dag wil hij 80 km afleggen in zestien uren. Hij weet dat hij overdrijft, maar hij steekt zo in mekaar.
    De Camino de Santiago is een zuivere sportieve uitdaging voor hem, maar tevens kleeft aan zijn onderneming traditie en historie. Hij is immers afkomstig uit een afgelegen bergdorp in Asturië waar hij onlangs een huis had geërfd. Omwille van zijn legerdienst had hij zijn geboortedorp verlaten, en door de liefde was hij er nooit meer teruggekeerd. Maar hij wil er weldra zijn laatste jaren doorbrengen. Om in dat bergdorp zoals zijn vader  lid te worden van de regionale raad der wijzen, een grote eer, moet die man echter een soort examen afleggen. Drie proeven zijn verplichtend .  Vissen: met de blote had moet men een forel kunnen pakken. Jagen: hoog in de bergen met één enkele kogel moet een zeldzaan soort reebok worden geschoten. Die dieren zijn beschermd door de wet. Door zo'n bok te schieten wordt men een stroper en kan men twee jaren gevangenis krijgen indien men een jager uit de stad is. Een bergbewoner mag anderzijds wel zo'n bok schieten. Als hij Santiago bereikt, wordt hij van statuut bergbewoner en laat de rechter hem vrij. Voor zover ik zijn uitleg begrijp, want hij spreekt een mengeling Spaans-Baskisch-Frans heeft hij de poten en de oren van de gepaste bok kunnen overhandigen aan de dorpsoverste. Drie jaren en 500 km achtervolgen, soms levensgevaarlijk, maar ook dat was hem gelukt.  De derde proef bestaat uit de voettocht op de Camino de Santiago vanaf Pamplona, maar zonder enige andere verplichting dan te Compostela te biechten en te communiceren, alsook te bidden voor het geluk en de welvaart van de mensen uit zijn streek. Deze traditie is twaalf eeuwen oud uit de tijd dat de Asturiërs een sterk volk waren.
    Merkwaardige kerel, mager, lang en gespierd, fris gewassen en geschoren, in een lichtblauw trainingspak, van het oude ras van de echte Spaanse hidalgo's .

    38. Woensdag 16 juni.

    Ik ben al vroeg op in het Convento.  De gele pijlen staan overal op de wegen, de muren, de bruggen en de palen geverfd. Wie zal nu nog verkeerd lopen  ?  Santiago is toch gewoon altijd rechtdoor !

    Er komt een nieuwe moeilijkheid.  Overal ligt er koeienstront  en daar houden mijn banden niet van.
    Het diepe Galicië is heerlijk en mooi. Weer terug kom ik de pelgrims uit Finland tegen die me al bekend zijn. Op een boerderij ga ik koffie drinken  en koop ik goede boter om op mijn  brood te smeren. Ik drink een halve fles appelsienensap en giet de overschot in mijn bidon. Ik rijd nu onbetamelijk hard. De vitamines-C  geven mij vleugels, maar neen, ... daar komt Portomarin, een plaats zoals er maar één is in de hele wereld. Na verkenning van deze halte kies ik de Fonda Perez om daar eventueel te overnachten. Ik schrijf er nog vele zichtkaarten, geniet van een groot glas bier, want ik ben nu zeker dat ik mijn doel zal bereiken en dat mogen al mijn familieleden en supporters wel weten.

    Een groep ruiters, pelgrims gezeten op prachtige caballo's, bereiken op dat uur van de eeuwigheid Portomarin. Dat mooie volk, schatrijk zoals Groten uit Spanje kunnen zijn, zag ik al eerder op de camino. Zij hebben een mobilehome voor raspaarden, een dubbele autobus. Daar zal een prijskaartje aangehangen hebben van een schone villa.  De warmte stijgt. Ik trek me terug in de koelte van een restaurantje. Plots word ik ongeduldig en ik neem de beslissing nog verder te rijden op die dag. Ik meld dit dus in de Fonda en vertrek in de richting van Guntin, maar dan in de verwarring van mijn gedachten laat ik mij afglijden naar een vallei . Ik zie dat dit verkeerd was. Zo moet ik nu terug één uur bergop rijden terwijl ik eerst maar tien minuten bergaf reed tussen twee dezelfde punten. Ik bereik weldra een kleine refugio te Palas del Rey  nabij Melide. Daar zal ik samen met twee ciclistas uit Santander overnachten. Die kameraden van één avond werken bij de Spaanse Spoorwegen , de ferrocaril. In het dorp gaan we daar een goede pint drinken in de bar EL DODO. Wanneer ik naar de toiletten ga zie ik een krant liggen, vol foto's over de Rolling Stones. Ik hecht er niet veel aandacht aan en bestel nogmaals tres cervezas por favor  !  We moeten nog zowat één kilometer rijden om terug in de refugio te komen , waar we onze spullen onbeheerd achter lieten. Wie zou echter zo vuile reistassen durven aanraken ...  !

    39. Donderdag 17 juni.

    Geen mug, geen spin, geen nachtvlinder noch motje, is in dat refugio durven komen, door onze geuren en door ons gesnurk.  Wij sliepen daar als eremijten op een plancher .

    In de ochtend spoeden de Spanjaarden zich over de steenweg voor snelfietsers. Ik meen dat ik op de echte camino moet zijn om daar de voetgangers te observeren, want zo dicht bij de meet is dat de moeite waard. Sommige pelgrims hebben tweeduizend kilometers afgelegd, vermagerden tien kilo's en zelfs meer. Dat zijn de echten. Tussen hen stap ik nu en dan mee met mijn vrijwielende fiets langs me, maar het is merkwaardig zij niet meer praten, alles werd verteld, iedereen is evenwaardig, iedereen is zonder naam, en waar zij aan denken behoort tot de persoonlijke privacy. Wellicht vragen zij zich af of zovele voetstappen wel nodig waren, of is dit de stilte van de storm die in hun harten en hun koppen straks zal losbreken wanneer Santiago de Compostela dichtbij zal zijn.  De Stad van de Apostel die als een grote magneet de mensen aantrekt, de stofzuiger die alle zonden opzuigt en laat verdwijnen als de witte konijnen in de hoge hoed van de tovenaar van Circus De Melkweg.  Overal kan me nu stempels krijgen, voor de credencial. Soms staat er gewoon een tafel met een hele rij stempels om dat te doen zonder andermans hulp.

    Arzua. Ik ben gestopt om wat te drinken. Dan ontdek ik waarom velen rond het televisietoestel staan. Televisie blijft in Spanje altijd open staan met soaps die iedereen al kent, met mannen en vrouwen, nieuws, sport, muziek en publiciteit, en zelfs Zorro verschijnt er nog op het scherm in de voormiddag. Het nieuws van de dag is het  OPTREDEN VAN DE ROLLING STONES op de Monte del Gozo, op de Berg van de Vreugde. Maar wat alle Spanjaarden nog geweldiger vinden is dat de duizenden fans die de Stone's en hun privé jet  opgewacht hadden aan het vliegveld van Santiago  geen Mick Jagger te zien kregen.  De wereldberoemde Mick, zijn teenager-zoon, en een  chauffeur-bodyguard, waren één dag eerder ongezien aangekomen, hadden geslapen in het Hostal Parador de los Reyes Catolicos, waren samen in de stad gaan avondeten, bezochten tweemaal de kathedraal, en dat gebeurde allemaal ongezien, helemaal clean, stil en cool, buiten de argusogen van de Spaanse pers, maar met de hulp van Saint James natuurlijk. Een rasechte halgod liep zo maar door de straten van deze Heilige Stad tussen het gewone volk, alhoewel de bezoekers daar dagelijks toch allemaal geen gewone stervelingen zijn, wanneer zij met vrucht slaagden in hun lange camino en een volle aflaat verkregen.

    CULTURA- Xacobeo 99  
    El lider de los Stones llego al Hostal de los Reyes Catolicos in dia antes de lo previsto.  Jagger y su hijo cenaron marisco en un restaurante de Santiago  

    Ik vorder nog langzaam, ik wil mijn genot langer laten duren, speurend naar de pijlen, naar de metalen ' Coquilles Saint -Jacques ' . Op de 'potales', zakken en zakken de cijfers.  De zonnestralen schijnen en in alle klaarte staat daar plots  ' Alberque para peregrinos SAN IRENE ' . Half'-Pension kost daar 3000 pesetas. Ik sta op 20 km van de eindmeet van mijn tocht en ik stop. Heel proper is het daar. Mooie slaapzaal. Ik ben er alleen. Pas ingericht en alles nieuw, maar aan de goedkopere kant, geen luxe. Ik doe er mijn was en vind een droogkoord om mijn kledij aan te hangen. 

    Ik vraag een fles rode wijn. Aan een tafeltje begin ik een lange brief te schrijven naar mijn broer Guido. De waardin komt wat later met een fles koele rosé uit Portugal die zij me aanbeveelt omdat ik vis zal te eten krijgen en ik daarbij zo'n fles moet proeven. Met een  'big smile' geef ik mijn akkoord en ik vertel ook dat zij rustig mijn maaltijd mag maken van zodra het past. Ik wil immers nog veel lezen en schrijven alvorens in mijn bed te kruipen. De soep die ik daar kan eten is van de beste kwaliteit en de grote kom blijft op mijn tafel tot wanneer ik soep heb getankt tot aan mijn slokdarm. De bacalao verschijnt in een prachtige pan, maar ik zal toch wel altijd een liefhebber van varkensvlees blijven, omdat ik in het oorlogsjaar 1944 werd geboren toen de Haspengouwse boeren, die illegaal varkens kweekten, groot geld verdienden met vet en spek.


    27-10-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (2)
    26-10-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Brieven en postkaarten van op de Camino de Santiago.

    1.    HOTEL LOGIS DE FRANCE
    A l'Escale de Port Arthur
    St-Hilaire et St-Mesmin près d'Orléans


    Liefste schatten,
    de tijd loopt voorbij en nu pas voel ik me fit en wel om jullie deze eerste brief neer te pennen op weg naar Santiago. Rond het middaguur zat ik onder een afdak op het gemeenteplein van St-Jean de Blanc wat brood met saucisse te eten en te wachten op het einde van een grijze regenbui die maar bleef doordrassen . Na twee uren was ik het beu en ben ik maar door de nattigheid langs de Loire verder gefietst. Tien kilometers verder vond ik deze prachtige oase waar ik reeds rond 15u00 neerstreek in een grote kamer met bad. Na een heerlijke pause in het warme water en wat Melrose Place op de televisie viel ik in slaap in mijn pyjama met korte broek terwijl heel over de kamer op de grond uitgespreid alles uit mijn fietstassen eens goed mocht ademen en drogen. 
    Met zicht op de rivier Loiret geniet ik nu van deze tafelstonde. Naast me zit een onvermijdelijk Hollands koppel dat wel in ieder hotel in Frankrijk te vinden is. Dit huis is van standing, met service van topklasse, en morgenvroeg zullen we dus goed betalen met mijn ' good looking' Golden Eurocard.
    Maandagochtend had ik de keuze ofwel Parijs verlaten en ofwel eens telefoneren naar Alain Hautrive , de man waarmee ik vijftien jaar geleden de eindstreep Compostelle bereikt had. Ik werd met groot enthousiasme welkom geheten, hetgeen me zo ontroerde dat ik mijn telefoonkaart in de gleuf vergat, en die was nog voor veel tijd goed. Dat was weer een verstrooidheid die ik ' cash' heb betaald ! Doorheen de hypermoderne futuristische stad van La Défense kwam ik via het infernum van het Parijse verkeer tot in Chatou dat ten Westen van Parijs ligt. Daar was ook Dudu, dat oude kwieke mannetje en ploegmakker van grote fietsavonturen met Alain, samen met echtgenote Simone, een echte dame, en dan ook nog Christophe de 33-jarige zoon die wat gehandicapt is. Hij heeft bijna geen darmen meer en hij is werkloos, maar toch leest hij voortdurend en hij is helemaal niet dom. Tot mijn verwondering sprak deze Parijzenaar zelfs de Nederlands taal. Hij is na lang verblijf te Brussel zelfs een echte freak van Vlaanderen waar hij  een lief heeft. 
    Babbelen en babbelen, na zoveel dagen alléénrijden op de fiets. Alle ervaringen van onze geweldige pelgrimstocht in 1984 halen we terug boven. Goed avondeten, heerlijk geslapen bij deze vrienden op een ruim klassiek appartement. Mijn gescheurde broek werd teruggenaaid door Simone. Alain was druk bezig met de verkoop van het huis van zijn vader. Er kwamen talrijke telefoons met kandidaten om het te kopen. De vorige week was het maar ontmoedigend geweest , maar omdat zijn bijzondere vriend uit België weer op de goede weg naar Compostela pelgrimerend was, zorgde de Heilige Sint Jacob nu dat zijn business op de Parijse immobiliënmarkt in een stroomversnelling kwam !
    Na dit heerlijke weerzien met een vroegere tochtgenoot fietste ik omstreeks 15u00 verder zonder te stoppen maar ook zonder hoge snelheid en toen ik vanaf 20u00 een hotel probeerde te vinden , mislukte dat . Na acht pogingen was ik het beu. Iedereen reserveert nu per gsm van op afstand, en een oudmodische velorijder komt te laat in de accomodaties nabij de autosnelwegen. Slechts in de hotelletjes in de oude bewoonde kommen is er nog kans, doch ook daar is internet, telefoon, bankkaartautomatie, ... en zo bleef ik dus weer op mijn zadel toen het al nacht werd. Aan de ingang van een soort spookkasteel legde ik mijn matje op de grond en sliep er onder de blote hemel. Mijn volgende dag startte met een grote kakpartij in de vrije natuur, zonder verdere gastronomische details.  Veel gereden en mijn doel bereikt aan de Loire. In een oud hotelletje vond ik daar een goede rust. Het gezellige echte France Profonde begint toch steeds maar ten Zuiden van de Loire. Daar ben ik nu en ik voel me al beter.
    Wat betreft mijn eerste week, moet ik bekennen dat het maar lelijk zwoegen was tegen de wind in. Zweten en hijgen, bergop zelfs afstappen om niet te forceren, en omdat ik me de plicht heb opgelegd, van niet de verkeerspijlen voor auto's te volgen , maar wel de kleinere wegen wil eren met mijn bezoek, heb ik veel tijd nodig om de wegkaarten te bekijken om een mooie en veilige route te blijven volgen. Mijn avond te Parijs met Guido, Camy, Orpha en Stephen, had een leuk familiaal kleurtje en ik sliep gratis als  'passager clandestin' op hun hotelkamer. Maar verder was het toch 'du déjà vu' en niet zo gezellig. Dagen eerder, in het laatste dorp Séloignes voor de Franse grens kwam ik bij een winkelierster, die allerlei geloofsvormen en filosofiën bestudeert. Zij vond mijn ' spirituele weg' naar het aloude Saint Jacques de Compostelle absoluut zeer boeiend.  Zij legde voor mij zelfs de tarotkaarten. Die beweerden op die namiddag dat ik oude waarden , zoals bijvoorbeeld  ' de familie', op een andere manier moest gaan bekijken. CHERCHE EN TON COEUR LA ROSE DE LA CONNAISSANCE was de belangrijke boodschap die deze waarzegster, helderziende kruidenierster van Séloignes meegaf aan de pelgrim met een baard en twee wielen die ik ben. Na dit eigenaardig tussendoortje met de tarotkaarten kwam ik tijdens mijn eerste pedaalstoten op Franse bodem niemand anders tegen dan de goed fietsende Henri Dieu. Hij reed op een hemelsblauwe koersfiets van het merk Diamant, en droeg een snor, valhelm, bril, en een rode trui van Veloclub Hirson. Een pelgrim op de lange weg komt dus zelfs de sterke Rik God tegen, die met zijn kromme guidon niet zou misstaan in de Hel van het Noorden.
    Die avond in het hotel was de baas een nazaat van leidende figuren uit Kabylië in Algerijë. Hij was een reus van het sterkste ras van de Berbers in ballingschap die al een paar generaties in Frankrijk vertoeven. Bekende Fransen zoals Roger Hanin ( Inspecteur Navarro) en Michel Drucker ( Televisieshows) hebben dezelfde roots. Ik ben de enige gast en ik moet absoluut de specialiteit van het huis proeven, de Couscous du Chef uit Kabylië. Als ik vertel dat na vier grote volle telloren ik nog niet deze portie opkreeg dan kunnen jullie wel begrijpen welke schotel dat wel was.
    Sterk door deze vleesmaaltijd met machtige stukken vlees zou ik volgende dag Marle en Laon bereiken.  Deze steden roemen zich van gesticht te zijn geworden in barbaarse tijden nog, door de Merovingers, en dat zijn dus mensen uit de tijd van Pepijn de Oude van Landen. Op het einde van  de Route Charlemagne ligt Laon , een versterkte stad op een heuvel in het landschap en met een geweldige kerk. Karel De Grote, de machtigste man  uit onze gewesten, mag als de eerste  zeer belangrijke pelgrim worden beschouwd, want hij achtervolgde zijn vijanden de verschrikkelijke Wisigothen tot In Finibus Terrae , op het einde van de toen bekende wereld, waar Compostela ligt.  Te Laon brandde ik voor uw aller geluk mijn eerste kaars en offerde ik mijn enkelgeld. Een bedelaar aan de kerkdeur kreeg 10 FF van me, une belle pièce, maar daarvoor moest hij ook mijn fiets bewaken. Maar tevens maakte ik grote boze ogen , liet zien hoe groot ik wel was, en verzekerde hem dat ik de arm zou breken aan hij die maar zou durven van mijn rijtuig even te ' toucheren' .
    Strijdlustig reed ik daarna tot waar hoofdstukken van de oorlog 14/18 zich hadden afgespeeld. De historische lijn LE CHEMIN DES DAMES was mijn doel. Aangekomen aan een paar monumenten , kerkhoven, kruisen, rond 21u00 kleedde ik me weer ik mijn pyjama na al het zweet van de dag goed te hebben verwijderd met water uit mijn bidons. Op het Duitse kerkhof schreef ik vlot enkele mooie zinnen in het gulden boek der bezoekers. Zo'n boek is steeds als in een tabernakel achter een ijzeren deurtje opgeborgen in een van de muren aan de ingang. Men kan er lijnen goede proza in lezen van vele bezoekers die op deze plaats in ontroering komen. Onder de mooiste van de prachtige bomen van dat stille kerkhof maakte ik mijn bedje. Ik wou rode wijn drinken, brood en Camenbert eten, maar ik trok met teveel kracht en vernielde mijn kurkentrekker. Pech. Daarna begon ik toch vlug heerlijk te snurken en alle botten van de Duitse gesneuvelden waren bang van een Belgische Cyclist uit de buurt van de Slag der Zilveren Helmen.
    Maar, enkele uren later, plets, plets, ... een regenwolk viel neer. De bladeren van de schone boom boden niet genoeg beschutting. Ik legde de sportkrant l'Equipe, vol met nieuws over de gedrogeerde wielrenners, mooi open onder een andere boom waar het droger was. Ik kroop in mijn slaapzak, maar legde het grondzeil van mijn tent boven mij, zodat geen enkele dikke regendruppel me nog kon raken. Maar door de condensatie en door mijn eigen felle zweet was ik uiteindelijk ook helemaal nat en zelfs dampend in de maneschijn. Afzien zoals die jongens in uniform uit de oorlog 14/18 die dag en nacht met bloed en zweet Frankrijk verdedigden. Toen was hier het landschap zeker nog niet zo bucolisch heerlijk dan tijdens mijn kortstondig nachtelijk verblijf op Le Chemin des Dames.

    De volgende dag bereikte ik na doortocht in bossen de stad Chateau-Thierry en stopte aan het herenhuis waar wijlen Jean De La Fontaine, de grote sprookjesdichter had gewoond. Wie kent er niet zijn fabels  Le Lièvre et la Tortue, Le Corbeau et le Renard, Les Animaux Malades de la Peste.
    Nog vuil van de nattigheid van vorige nacht besloot ik vroeg van te stoppen in Hotel Wilson waar helaas slechts koud water was. Ik was echt vermoeid, dronk mijn fles wijn leeg, en zo sliep ik gedurende meer dan elf uren zonder wakker te worden. Het bed was opmerkelijk groot, maar blijkbaar vond niemand het daar nodig om eens met de stofzuiger alles proper te maken, zeker onder het bed. Ik verbleef in een gore buurt naast het station, met veel raar volk uit Noord-Afrika.  
    Daarna moest ik de richting  van Parijs nemen. Dat was moeilijk. Ik verliet de hoofdweg en reed toen verloren op kleine wegen en in onbekende dorpen. Om broer Guido diezelfde avond toch maar niet te missen te Parijs heb ik dan maar te Meaux de trein genomen, die me voor 41 FF tot Paris Est bracht. Het was gratis voor mijn fiets en ik won zo veel tijd. Een goede beslissing ! Op een fiets tijdens een late vrijdagnamiddag door de voorsteden naar Parijs rijden was te gevaarlijk en ongezond.

    Dikke kussen van Papa Pelgrim.  20/5/1999.

    NB. Voor Martine  ( studente eerste jaar  bio-ingenieur ) :
    Uit het beroemde bos van Vincennes te Parijs, een blad voor mijn schat van een 98 jaar oude boom - Sequoia Sempervirens - Pinacée de Californie.



    ----------------------------------------------------------------------------------------------------------

    2. Puente de Orbigo.  

    Liefste schatten, ik zit hier heerlijk in de schaduw nabij een vijver en een rivier, en ik heb zopas een forel binnengesmiggeld. Mooie muziek klinkt in mijn oren en een glas rode wijn is vlakbij. Waarom zou het lot van een pelgrim triest moeten zijn ?

    Bijna vijf weken al onderweg. mijn forme is uitstekend, alhoewel ik me niet meer bekommer om mijn vorderingen en prestaties. Onweerstaanbaar nader ik immers Santiago de Compostela. Het verschil tussen wat ik zag 15 jaar geleden en wat ik nu zie is ongelooflijk groot. Zoveel mensen onderweg, met een rugzak, een hoed, een stok, het is onbeschrijfelijk. Ook veel fietsers, meestal mountainbikers. Over 800 km is er een wandelpad, waarlangs in ieder dorp, iedere parochie, een Albergue por peregrinos, een douche, een matras, gratis of tegen een kleine vrijwillige bijdrage aanbiedt. De Spaanse Staat, de provincies, de gemeenten, de verenigingen, de particulieren, deden hun best om de WEG NAAR COMPOSTELA  te opwaarderen. Niet met een peulschil noch met woorden, maar honderden miljoenen pesetas werden besteed om de voorbijkomende pelgrims terwille te zijn. Ik stel dat alles hier in 1999 zowat  15X groter is geworden dan 15 jaar geleden, 15 X belangrijker. Fier ben ik dan ook in mijn eigen omdat ik, tijdens mijn leven, lang voor vele anderen, de waarde van de Camino de Santiago de Compostela heb ontdekt. Dit is belangrijk Cultureel Erfgoed van Europa. Zo staat nu op duizend verkeersplaten, in honderdduizend boeken .

    Ik kan niets anders vertellen dan dat het me goed gaat op alle gebied, alhoewel ik toch een beetje snak naar huis, naar Bibi'tje Louka, en ook naar de eerste dag van juli om in de ASLK mijn centen te gaan opstrijken op een grote vervaldag . Spaans babbel ik nu reeds wat, doch met grove fouten en minder goed dan ik had gehoopt. Maar ook Frans, Duits, Engels, en Nederlands, behoort tot mijn dagelijks taalgebruik , gebabbel en gezever. Ene Zwitserse Ursula gaf me een goede tip en heeft me gisteren gezegd dat ik in de regen moet gaan wandelen ' mit meine gute Ehefrau' want samen onder ene parapluu is het zeer bevorderlijk voor de liefde op hogere leeftijd. Spazieren auf der alten Jakobsweg ... kan wonderen laten geschieden ! 

    Meestal lage kosten om te slapen. Daarom kan ik mijn centjes gebruiken om veelvuldige menu del dia  of menu del peregrino binnen te spelen, slurpend aan een glaasje vino tinto. Een paar uren geleden brak het lederen koordje van mijn halsportefeuille rot geworden door het vele zweten .  Mijn geld en mijn documenten vielen op de grond toen ik dat voelde en zag. Gelukkig is dat niet gebeurd tijdens het fietsen, want dan had ik waarschijnlijk niets opgemerkt. Santiago, patroon van de pelgrims, waakt over mij en jullie moeten dus niet ongerust zijn. Op een koude morgen verdween mijn geel rennersvestje. Ik verdenk een mij onbekende wandelaar van het gepikt te hebben in de albergue por los peregrinos in Logrono. Die wandelaars starten al vroeg vanaf 5 uren, terwijl de fietsers doorslapen tot 8 uren. Gedurende twee dagen had ik het zonder mijn vestje koud, maar nu is het veel warmer en zou ik dat kledingstuk weggegooid hebben.  Gisteren kocht ik op een markt nieuwe witte sokjes, 3 paar voor zowat 135 franken.  Groeten. Kussen.   PAPA.
    --------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
    3. VILLAFRANCA DEL BIERZO.
    Hermosisima comaca y antigua estacion del Camino de Santiago.
    In the beautiful region de la Sierra de Antares.

    Liefste Louka, zoals je ziet aan mijn briefpapier lijd ik thans een rijkelijk leven in de Bierzo, land van wijn, witbrood, honing en satijn. Op het ogenblik dat ik dit schrijf zijn in België zeker de stemmen geteld, en is geweten welke goeie leiders er hebben gewonnen. Vandaag was het terug een bergrit waarover ik zo'n schoon stuk had geschreven in vroegere tijden van mijn pelgrimsbestaan, langsheen het kruis en de hoop stenen, doorheen de spookdorpen en langs gevaarlijke hellingen. De rit begon op een klein vuil matrasje waar ik gratis sliep en eindigde in het schitterende hotel Parador. Ik maakte onderweg een akkoord met Thomas Huxtable, een Schot die al enige dagen hetzelfde pad van Sint Jacob volgt. We delen de prijs van de kamer, en dankzij hem verkregen wij ook de 60-plussers vermindering van 35%. Doch, midden in de nacht kreeg mijn kamergenoot een grote diarree, zodat ik nu wakker lig, en dan maar aan het schrijven sloeg op dit mooi papier en op nog veel mooier meubilair. Weer een diarree-story voor een van mijn komende verhalen. Maar er is nu immodium (en stank ...) in mijn omgeving.
    Morgen arriveren we op de Cebreiro, waar het toen nog piepkleine Martineke in haar broek kakte, en ook een glas brak in duizend stukjes, tijdens onze autopelgrimsvaart van weleer. Het zal een bergtocht worden met veel zon.  Na het opstaan hoop ik dat er een goed ontbijt zal komen, want de paradores hebben voor dàt grote bekendheid. Smul,smul,smul, .... ! Ja, hopelijk wordt het hier in de Bierzo  hotelgastronomisch heel goed, een lekker hoogtepunt op de camino.
    Te Villafranca del Bierzo gekomen, zonder zweren en zonder kleerscheuren, mag de pelgrim reeds stellen dat hij is geslaagd. Zijn pelgrimstocht laat hem hier reeds een volle aflaat verdienen , en dat betekent het eeuwige paradijs. Ziekte, wolven, vrouwen, rovers, die de vrome en brave pelgrims nog zouden beletten Compostela te bereiken, kunnen vanaf Villafranca niets meer veranderen aan het morele resultaat van hun zware boetetocht. Ook Huxtable, uitgeschakeld door diarree, krijgt een diploma met voldoening. Ik verwacht nu ook dat op de Univ te Leuven wordt beseft dat het pelgrimskind Martine Frison ook al over de lijn van haar Bierzo is geraakt, namelijk genoeg punten om er in de eerste zittijd door te geraken, zodat haar talrijke supporters een algemeen bravo kunnen brengen.

    Liefste Louka, thans gepromoveerd tot mama's schoothondje op ons groot bed, ik geef je een lekje en ik vraag je van te kijken of iedereen thuis nog goede manieren heeft. Stilaan komt het einde van deze tocht na vijf weken zwerven door Frankrijk, Navarra, en met het groene Galicië dat nu komt. Wat is die oude papa toch nog een wolf. Hij deed het weer zo flink, niet echt sterk meer op de fiets, maar dan toch zeker wel super op het gebied van eten en drinken. De schildpad die hem als bel dient op zijn stuur, zal eventueel meer kunnen vertellen over de exacte kwaliteit van de prestaties tijdens het pedaaltrappen, bergop en bergaf. 
    Oef, te Taradillos de los Tempelarios, kreeg ik pas mijn tweede platte band. Handig gerepareerd.  Met veel  ' szwung' reed ik vandaag ook door Cacabellos. Alles goed. Zondagnacht. Papa Pelgrim. Villafranca del Bierzo.


     
    The place to be for a great desayuno : El Parador en Villafranca del Bierzo.
    -----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
    4. POSTKAARTEN.

    Stappen, stappen, ... trappen,trappen,...meer dan tweeduizend kilometers op weg naar en weg van... en soms dan toch stoppen... en even denken, en dan iets schrijven op een kaart vol kleuren... en met een postzegel opsturen naar het thuisfront. Enkele voorbeelden van wat er op zo'n zichtkaart  werd neergepend door een loslopende man die soms rook van het zweet en vuil was door stof, wind en regen, door een pelgrim gezeten op een steen nabij een kerk of aan een tafel met een glas wijn.


    LA CATHEDRALE NOTRE DAME. Liefste sponsors, Le Chemin de St-Jacques vertrekt aan deze kathedraal waar ik Stephen & Co zopas verliet, om moederziel alleen met zware pedaalslag de pelgrimsweg af te leggen.Ik nam een blaas-uit-dagje in Parijs, want ik ben al doodmoe van, het fietsen tegen de wind. Ik heb al centen in offerblokken gestopt voor ons aller zielezaligheid. W.Journée.

    L'OCEAN - C'EST LE PIED - Om gelukkig te zijn en te slagen in het leven, moet men wel goede voeten hebben, maar ook zijn foefje en kopje kunnen gebruiken. Veel zon nu hier voorbij Bordeaux. Zestien dagen onderweg. Heerlijk. Vannacht deelde ik de kamer met pelgrim uit Engeland die 4 jaar lang gevangenisbewaker was van de vrouwenmoordenaar West.Nu eet ik een grote ijskreem in een leuk restootje. Willy. Pelgrim met schelp.


    BISOUS DU VAL DE LOIRE. Liefst Lientje, nu zo flink aan het studeren om de nodige puntjes te halen in het Heilige Graf. Veel moed ! Ook ik heb dat nodig om het verre Santiago te bereiken. Mijn benen, mijn kont, doen pijn en de wind is altijd tegen. Maar ik buk mijn kop en doe verder. Gelukkig mag ik regelmatig goed tafelen en dat is lekker voor mijn buikje.Groetjes aan mijn vriendje Steffen, aan je pa en ma. Peter Willie Journée, pelgrim op de lange weg te St-Jean-d'Angely.


    VUE AERIENNE DE NICOLE. Nog een kakverhaaltje speciaal voor U. Onder een afdak nabij Onze Lieve Vrouw van de Wielrijders had ik in open lucht geslapen. In de vroege ochtend liep ik er naakt rond zoals God me had geschapen en ik waste me flink met een spons aan de waterkraan. Mijn buik was zwaar en ik moest.Om de heilige grond nabij OLV des cyclistes niet te onteren, deed ik mijn gevoeg in een grote plastieken supermarktzak.Alle papiertjes om af te vegen daarbij en ... hoep met de poep in de container-vuilbak.Het was wel 2 kgr zwaar.De dikke zwarte vliegen van Labastide d'Armagnac zij ondertussen dikgewreten van het heerlijke goede hoopje, en ik beleefde weer iets anders. W.Journée. Papa de Pelgrim.

    ASTORGA. In de muren van deze stad lieten vrome vrouwen zich vroeger inmetselen om verder een leven van eremijte door te brengen tot wanneer hun ware ridder-echtgenoot weer thuis kwam van pelgrimstocht of kruistocht. Papa de Pelgrim op weg naar Compostela.




    ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

    26-10-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    20-10-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Lettre pour l'Association Pecten.

    Je ne suis qu'un petit pélerin inconnu par le Conseil d'Administration des Amis de Saint-Jacques mais je ne suis point un coquillard, et je me permets de vous écrire quelques lignes importantes. Des mots qui peut-être sont inspirés par le Bon Apôtre lui-même, via mes vieux doigts. On ne sait jamais. Car, entre Lui et moi il y a une longue amitié, qui débuta au printemps de l'an 1983, et qui continue toujours comme  ' les routes' et comme font  'les roues de l'horloge de la vie' de chacun de nous. J'avais beaucoup pédalé sur les sentiers comme sur les grands chemins dans notre pays et aussi en terres lointaines, et parfois je ne savais même plus, à un siècle près, quelle était la date de ce matin-là lorsque je m'étais éveillé, car me trouvant parmi des murs ou dans des paysages tellement anciens qu'ils étaient quasi sacrés et éternels.

    Il y a mille ans Le Chemin de Compostelle n'était guère si facile que maintenant. Les routes, les ponts, les auberges, les ruisseaux, les villes et les hameaux, de Picardie, de France, de Saintonge et de Navarre, faisaient partie d'un monde qui avait bien d'autres visages que celui qui est le nôtre. Tant de millions d'enfants devraient encore par l'amour et par les sexes être appelés à l'existence, et tant de héros, lâches, incurables et malchanceux, iraient perdre leurs vies lors des conflicts, accidents, épidémies et  guerres. Oui, il y avait des fermes et des refuges, des chateaux et des églises, des abbayes et des grottes, des oases, où le pélerin pouvait se cacher ou trouver des nouvelles forces, et il y avait des prisons et des caves pour enfermer les méchants, les sorcières et les mécréants. Le mal sous d'autres formes qu'aujourd'hui existait déjà, était déjà bien présent à cause du Diable, mais pouvait être attaqué par l'épée et chassé. Les prières avaient dans beaucoup de cas des bonnes chances pour arriver jusqu'au Bon Dieu.

    Au début du troisième millénaire il n'y avait plus grand mérite ni grosses indulgences pour ceux qui arrivaient au Mont de la Joie. C'est pourquoi un matin Saint-Jacques m'avait inspiré pour que je prenne le chemin de Vung Tau ou le Cap Saint-Jacques au Vietnam, où par un miracle quotidien le soleil qui plonge dans l'Atlantique chaque soir au Finis Terrae de la Galice, revient comme une grosse baleine à la surface de la Mer de Chine du Sud, et monte dans le ciel garantissant pour une nouvelle journée la vie des hommes, des plantes et des animaux de notre planète.

    Cet étrange pays, autrefois appelé l'Indochine, situé au bout du monde avait il y a peu de temps encore la triste réputation d'être l'enfer et l'apocalypse. Le dragon du communisme, et les tendances criminelles yankees, y déclenchèrent des combats meurtriers pour lesquels tous les Dieux ont longtemps fermé leurs yeux, tellement ils étaient contraires aux Droits de l'Homme, aux droits des honnêtes cultivateurs de riz. Les combats militaires s'étant arretés, je me suis dit que c'était aux pélerins de se rendre au Vietnam.  C'est pourquoi j'ai donc pris mon bâton et ma bicyclette, et prenant mon départ dans l'éternelle Hanoï j'ai pédalé le long de La Route des Mandarins, dans la poussière et la boue, sous le soleil et les eaux du ciel, pour faire le plus pur des Caminos, celui qui mène à Vungtau. Parmi ces asiatiques aux sourires incertains, je me suis assis pour avaler avec eux le même potage et le même riz et le même thé vert. Il n'y avait pas dans ces villages lointains des voleurs de grand chemin, ni des soldats du Vietcong qui ignoraient la fin de la guerre, ni des loups aux dents pointues. J'y ai rencontré des braves gens très gentils. Mais c'est cela aussi qui était dangereux, car plus d'une fois j'étais entouré par des femmes qui me proposaient de cuisiner pour moi, ce qui voulait dire que j'étais le bienvenu dans leur lit.
     
    Mais traversant des endroit mythiques, visitant les lieux saints et historiques, les cités de grande culture et les marchés des petits commerces, ne quittant jamais mon droit chemin, sous la garde permanente du Grand Jacques, je suis arrivé au début des Terres, au point alpha. A l'Est de Ho Chi Minh City, appélé autrefois Saigon et Prey Nokor, dans la province de Ba Ria se trouve Vungtau  ou le Cap Saint-Jacques, mis sur les cartes par les navigateurs Portugais dès le XVIe-siecle. Haut sur le rocher Nho, comme une tour et plus haut qu'un phare, il y a en cet endroit une grande statue de Jésus construite par l'Association Catholique entre 1973 et 1993. Ce Christ a une hauteur de 32 m et se trouve sur un socle de 4 m. La distance horizontale entre ses deux bras ouverts est de 18,3 m. Après avoir enlevé leurs chaussures, via 133 marches les visiteurs qui ont la foi et le courage peuvent monter jusque dans la tête de cette statue, pour voir un panorama exceptionnel. On y découvre par beau temps déjà les eaux du Pacifique. Quelle beauté ! Quelle immensité !  Je suis moins qu'un grain de sable  ... !

    Remontant le long de la côte, quelque 100 km vers le Nord, il y a la ville de Phan Thiet et le Cap Mui Ne. C'est là que je me suis baigné à 5h00 du matin . Quelque soit le Dieu, la Déesse, le Prophète, l'Apôtre, l'Esprit, le Bouddha, auquel ils croient les petits hommes y vont nager à l'aube et voient à l'horizon un disque d'abord rouge-jaune et ensuite or et feu, lentement sortir des eaux. Le Soleil  !  Voir cela est  formidable !  Ce sont des moments très forts  que l'on oubliera jamais !

    Ce même-jour-là j'avais loué une Suzuki 125 cc avec chauffeur, la gentille Nguyen Thi Hau, et sur les plages nous avions roulé. Notre folle course s'est terminée par une chute, à cause du sable blanc trop mou. Faisant la culbute je m'étais retrouvé à plat ventre et un peu groggy. C'est alors que Saint-Jacques m'avait confirmé sa présence et sa protection. Je me suis levé , mon chauffeur aussi, la moto n'était pas cassée, et regardant la plage je ne pouvais croire mes yeux. Car en effet des petites coquilles, pures et fragiles, mais intactes , pas encore touchées par les mains des hommes, avaient été déposées par les eaux sur la plage de Mui Ne , comme la manne céleste des Hébreux, comme les grêlons des mauvais nuages, comme les cailloux blancs du Petit Poucet des Contes de ma mère l'Oye.

    J'avais été en 1984 un des premiers pélerins-cyclistes qui arrivait à Padron au point omega, où hélas il n'y avait plus de Pecten Jacobea à ramasser. Au début de 2001 aurais-je été un des premiers pélerins à avoir trouvé la plage non seulement romantique mais où au bout du monde arrivent maintenant les nouvelles coquilles d'un futur meilleur ?
     
    A coup de pédale léger je traversais les faubourgs de la Capitale du Sud Vietnam. La grande Fête du Tet se préparait. La ville était surpeuplée, avec aux carrefours des centaines de cycles à moteur, mais aussi des jeunes filles, comme des colombes blanches en ao-daï et qui avec beaucoup d'élégance roulaient à bicylette. Je suis arrivé près d'une église chrétienne lors d'une grande messe. Il n'y avait plus de place à l'intérieur, pourtant c'était une grande église moderne. Une belle chorale chantait. Cinq prêtres de l'Eglise de Rome autour de l'autel. La foi de la minorité catholique y est sincère. Il n'y avait pas de botafumeiro, car les odeurs y étaient très bonnes.

    Chevaliers de Charlemagne, revenez, ... pélerins de l'an 1010 revenez... ,  la route ne passe plus par les Asturies ni par Roncevaux. Il faut à partir de maintenant faire chemin vers Vung Tau.

     


    Les plages de Mui Ne.

                    La femme est un danger pour le pélerin.

    20-10-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    17-10-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Landen - Santiago de Compostela 1999 - (5).


    28. Domingo 6 de junio.

    De toffe Tenerifers slapen op zondagmorgen uit, ofwel luieren zij, ofwel vlammen zij razend verder op hun mountainbikes als waren zij bezig met de Crocodile Trophy in het centrum van Australië. Ik fiets langzamer, langer, en behoorlijker.
    Te Estella opnieuw aangekomen weet ik dat de wielerkoers Vuelta a Navarra daar het vertrek van een belangrijke rit heeft. Dat had ik reeds gelezen in de krant en gezien op de televisie de vorige dag. Ik wist zelfs dat mijn landgenoot Stijn Devolder op zaterdag had gewonnen. Ik verbroeder even te Estella met Herman Frison, met het personeel van de twee aanwezige beloftenploegen uit België en met de jonge renners. Ook ik rijd immers in een trui van de ASLK- FORTIS  mijn ex-werkgever die een van die ploegen sponsort. Mijn randonneursfiets met zoveel bagage, mijn verzetten, interesseert die mannen wel, alsook de lengte en de bestemming van mijn wekenlange fietstocht. Ik groet aan de startlijn ook de Luikenaar Fléchet van de U.C.I. die er official is.
    Daarna vervolg ik mijn weg op de Camino tot aan het klooster van Irache waar ik de koperen kraantjes vind om gratis rode wijn te drinken. Ik wijs die bron van puur genot ter ere van Bacchus ook aan personen uit Holland, die op banale gewone fietsen rondrijden, toeristen met geen interesse wat betreft wijn, klooster, pelgrimsweg. Ik zou wel eens willen praten met een van de paters uit dat klooster, maar ik stel vast dat de hoogmis bezig is en zij allen tussen de geweldige muren aan het bidden zijn, samen met misschien wel tweehonderd gelovigen.

    Verder daarom naar Los Arcos en Viana, waar een bestofte man aankomt die met een metalen slede getrokken door zes huskies reist op de onverharde wegen. De dieren hebben veel afgezien en drinken gretig. Logrono. Albergue por los Peregrinos, voor 300 pesetas een slaapplaats bekomen. Pas heb ik uitgepakt of een wandelaarster wil met mij van bed ruilen om terug bij stappers te zijn die zij al kent van vorige dagen. Voor mij blijft het goed, alhoewel ik later tijdens de nacht toch wel op  een wankele matras zal moeten liggen. Maar de pelgrims te voet zijn zo moe en verdienen voor de nacht  een beter bed dan ik.

    Ik stap wat rond te Logrono, bezoek de Iglesia San Jacobeo, en ga een grote ijskreem eten. Wat later word ik aangetrokken door dos cervezas en tapa's. Ook de man met de half wilde huskies kwam te Logrono aan.  Zoals andere voorbijgangers doen, geef ik hem duizend pesetas om wat eten te kopen voor die prachtige honden. Terug in de albergue gekomen word ik door mijn dames kamergenoten uitgenodigd om de rest van hun spaghetti met chorizo op te eten. Daar heb ik geen probleem mee. Met mijn buikje vol slaap ik dan toch goed in mijn slecht bed.




    29. Lunes 7 de junio.

    Pélerin du matin, n'attend pas la pluie sur son chemin. Zo gauw het klaar is, kruipen alle wandelaars uit hun bed, en weldra zijn er geen rugzakken, geen stokken, hoeden, stinkende kousen en schoenen, geen slecht gewassen T-shirts op de kamer. Ik draai me dus nog eens rond en slaap nog twee uurtjes verder, geholpen door het groot openstaand venster waar frisse lucht binnenkomt en geuren van de pelgrims van divers pluimage buitenwaaien zoals van de rook van een kampvuur dat is uitgebrand.Wanneer ik uiteindelijk toch wakker ben, doorklieft een vraagteken mijn wazige kop . Waar is mijn geel thermovestje met blauwe mouwen ?  Ben ik het ergens vergeten, werd het gepikt door een kamergenoot, werd het per ongeluk meegescharreld door mijn buurman tijdens het vullen van zijn rugzak ? Oh, maar het is vandaag hier te Logrono kouder dan gisteren. Het is dus waarschijnlijk dat een 'slimme' stapper met te lichte kledij op dat moment mijn vestje aan het gebruiken is in de frisse ochtend. Nog voor de middag zal hij dat jasje dan weer zichtbaar ergens hangen op de Camino . Ja, zoals elders op onze planeet, zijn er op de heilige weg van de tocht naar Finis Terrae parasieten, profiteurs, gauwdieven,  ... 'coquillards'... dat is de echte benaming.

    Zonder vestje, maar rijker door deze ervaring, verlaat ik Logrono, en dat lukt me niet goed, ik ben verkeerd aan het rijden. Daarom stop ik, ga een grote koffie drinken, en na enige studie van kaart en documentatie geraak ik terug op tempo en in de goede richting. Beter nog, ik kan me in het wiel plaatsen van een koppel goed getrainde Hollandse fietsers en zo scoor ik gemakkelijk een aantal kilometers tot in Navarrete. Daar bezoek ik aan het kerkhof het Memorial DeCraemer op de plaats waar Vlaamse pelgrims werden doodgereden. Als een van de eerste leden van het Vlaams Genootschap van de Vrienden van Sint Jacob van Compostela had ik daarvoor van mijn geld gegeven. Het is daar nog gevaarlijker dan vroeger. De politie houdt er nochthans alle weggebruikers in het oog. Er ligt vers grint op de wandelweg. Voor de zolen van de voetgangers is dat heerlijk, doch het plakt aan mijn Schwalbe banden en daarom vervolg ik toch maar op de steenweg, ondanks vele gevaarlijke auto's en vrachtwagens.

    Najera. Bij het binnenkomen van deze stad, merk ik op dat er een verhuiswagen uit Namen op een parking onder heerlijke bomen staat. Twee mannen halen stoelen en tafels uit deze grote camion. Zij bereiden een picknick voor. Dranken uit frigobox. Koffie en thee uit thermossen. Broodjes. Tomaten. Harde eieren. Halve appelsienen en halve bananen. Wafels. Kip. Klontjes. Vijgen. Plastieken flessen met plat mineraalwater. Zij zijn zo druk bezig dat zij zelfs niet zagen dat ik prompt ben gestopt en mijn fiets tegen de snuit van hun camion plaatste.

    ' Salut les Copains !  Est-ce ici le Contrôle de Ravitaillement du Tour de Navarre ? '

    Aangename kennismaking met deze Walen. Binnen zes minuten verwachten zij een groep van twintig cyclotouristes de Namur en route pour Saint Jacques de Compostelle !
    En inderdaad, onder leiding van Colonel Baron van de Para-Commando's met een zilveren valhelm, zullen die twintig sportievelingen op hun koersfietsen daar 40 minuten middagrust nemen. Toen ikzelf als milicien barman zonder baard was van de Mess-Onderofficieren te Marche-le-Dames, toen was die Baron nog maar een gespierd luitenantje. Op die dag, 34 jaren later wegen zowel hij als ik 24 kilo's zwaardern, ook al fietsen wij veel. Hij herkent me niet, want wie was ik toch in 1965, ... een slaafje om pinten te spoelen.... ! Hij was geen zuiper aan mijn bar, maar ik herkende hem toch nog dadelijk. 
    Hé, Journée, ... klinkt het plots achter mij...   en daar staat dan vader Paul , de verschrikkelijke veteraan pingponger van Leuze 65 bekend tot in Mongolië, ex-mekanieker op de basis van Beauvechain, ook hem zag ik sinds 22 jaren niet meer. Nog een derde man uit Namen komt me groeten, iemand die werkt bij de Fortis Bank en die mijn familienaam kent en weet dat de nieuwe wielertrui die ik daar draag moeilijk te vinden is, behalve voor wie een vinger heeft die roert tot diep in de Hoofdzetel van Fortis Bank- en Verzekeringen te Brussel.      
    Fluitsignaal !  Langzaam zijn die wielertoeristen uit Namur zeker niet, want onder leiding van hun colonel rijden zij tegen 30k/u verder,  precies om 13u00 zoals gepland tijdens de briefing van die ochtend aan de start van hun rit. Hoe gedisciplineerd kunnen  ook Waalse wielrijders toch wel zijn,  op de Weg naar Compostela waar ongewone mensen en dingen zich bewegen en te zien zijn.
    Ik kreeg biertjes en hapjes, maar dat wekte mijn eetlust op in plaats van mijn honger te stillen. Bij het uitrijden van Najera dus geen moment twijfel,  in plaats van te puffen en zweten aan het tempo van die mannen uit Namen ga ik op een terras zitten en bestel  El Menu del Peregrino. Dat wordt niks. Erger nog, ik moet daar wijn van het huis drinken waarin ijsblokjes liggen.

    Mijn thermovestje ben ik dus definitief kwijt. Ik doe mijn regenjasje aan. Weldra zweet ik, en daarna krijg ik dan kou. Dat bevordert mijn snelheid niet, maar toch nader ik onweerstaanbaar de mythische plaats op de Camino en dat is SANTO DOMINGO DE LA CALZADA.
    Natuurlijk bezoek aan de haan en de kip van de kerk. Heeft betrekking op een oud verhaal dat ik op deze blog nog wel eens zal brengen, alhoewel het wijd en breed is bekend.  Ik koop me ook een lichte wollen trui om het wat warmer te hebben. In de keuken van de Refugio praat ik met een oudere man uit Parijs die een spaghetti voor zeven personen maakt, alhoewel hij maar alleen is. Om die avond te kunnen eten in Hostal San Theresita, bij de nonnetjes, moet ik eerst naar een korte eredienst in dat klooster en zo iets kan alleen maar goed wezen voor mijn ziel van arme zondaar.

       

    30. Martes 8 de junio.

    Als ontbijt offreer ik mij een groot glas natuurlijke zumo de naranja en ik schrijf een groot aantal postkaarten voor het thuisfront. Op het ogenblik dat ik met dit alles klaar ben , komt het peleton uit Namen aangereden. Zij worden hard toegejuicht door mij en door de Spanjaarden en de andere pelgrims die getuigen zijn van hun doortocht door Santo Domingo de la Calzada.

    De gele pijlen moet je volgen, want dan alleen ben je een echte pelgrim, en geen quidam die daar per toeval rondhangt. De  N120 is een moderne spookweg, zonder ziel. Te Villafranca Montes de Oca stop ik om nog eens El Menu del Peregrino te proberen.  Ik houd een lange siësta en vervolg via de flinke beklimming van de Alto de Pedraya  en de bosweg naar San Juan de Ortega.

    Siglo na siglo wordt mijn CREDENCIAL aangevuld met klassieke namen van de Camino. Het is een heerlijk fietsmenu dat volgt, dalend naar Burgos. Ik koop er een wegwerp fotocamera en schud terug pesetas uit de telebanco in de muur van een Caja Rural. Midden in de stad , in de winkelstraat Rua San Juan neem ik mijn intrek in Hostal Victoria. Ik vul de avond in Restaurant Pancho.

    31. Miercoles 9 de Junio.

    Aan het Office du Tourisme van Burgos ontmoet ik twee Nederlanders alsook de Vlaming Julien uit Haacht. Voor de klassieke foto ga ik naast de metalen pelgrim zitten op het plein voor de grote kerk. Samen drinken wij gezellig een koffie. Ik had deze kathedraal en de kapel met het zeer speciale Christusbeeld al vroeger bezocht, ik ben dus de aangewezen vrijwilliger, drink nog een tweede koffie en houd dan ook de wacht op de fietsen van mijn drie nieuwe kameraden want achterlaten en vastketenen is in een grote stad onvoldoende veilig. 

    De gele weg zal ik moeten volgen zo staat duidelijk op een reusachtig uithangbord met de landkaart voor wakkere peregrinos. Van albergue tot albergue, van siglo tot siglo, op onverharde wandelwegen ben ik verder gereden en zo zie ik de dozijnen pelgrims op mijn weg. Met een Hollander loop ik even mee te voet  met mijn fiets aan de hand tot op een kruispunt een vijftal kleine wit-zwarte straathonden ons aanvallen. De wandelaar slaat met zijn stok, maar ik wip toch maar rap op mijn fiets om me te verwijderen van die blaffende viervoeters. Het is warm en ik ga wat schuilen in een fris lokaal in de schaduw, waar ik wat lees en schrijf. Een jonge vrouw met rugzak komt ook binnen  en zo zijn we al met een tiental stappende pelgrims die wat uitpuffen, en ik die niet veel goesting heb om te fietsen. De jonge vrouw heeft haar notaboek laten liggen. Het water kookt nu eindelijk zodat mijn grote theepot klaar komt, want ik wil ook gesuikerde thee voor mijn drinkbus. Het moet niet altijd water, wijn, of bier zijn dat de pelgrim drinkt, en Spaanse koffie deugt niet voor mijn maag want dat voelde ik na het verlaten van Burgos. Ik zet de grote pot thee op mijn tafel en ga de peregrina haar notaboek terug geven. Ik hoorde al dat zij Engels sprak, maar nu kan zij ook Frans want zij komt uit Canada. Zij is comedienne van beroep. Zij wacht op een man en een vrouw die haar tempo niet konden volgen. Ik vermoed dat zij haar notaboek met opzet als aas had laten liggen om te zien of ik een gentleman was, of denkt zij dat ik en bever of een zalm zou zijn ?
    Tussen een rij bomen fietsen die wat schaduw geven, betekent fietsplezier van de bovenste plank.Weldra ben ik te  CASTROGERIX in het  Hostal Meson La Posada waar ik Julien uit Haacht terugvind die sedert het middaguur verbroederd  heeft met een Schot. We eten die avond samen met drie aan dezelfde tafel.

    32. Jueves 10 de Junio.

    Julien heeft hetzelfde statuut als ik . Hij kreeg vervroegd pensioen van het Gemeentekrediet. We rijden samen langs Boadillo del Camino tot San Martin de Fromista, een plaats waar ik van hou , een prachtig Romaans kerkje, en daarom betaal ik een pintje aan mijn twee tochtgenoten van deze voormiddag, maar ik leg hen ook uit dat het beter is dat wij apart onze tocht verder zetten. Zo kunnen wij sportief verder rijden ofwel stoppen om te rusten of om na te denken, of ook nog om kennis maken met andere pelgrims die Sint Jacob ons zal laten ontmoeten op onze lange weg. Wij kwamen alle drie als individueel tot hier en moeten nu niet samenklitten. Maar ongetwijfeld zullen wij mekaar nog blijven zien alvorens wij Compostela bereiken, vermits onze dagschema's ongeveer overeenstemmen.
     
    Carrion de los Condes. Terradillos, San Nicolas del real Camino. Ik bereik weldra VILLALCAZAR DE SIRGA en ik wacht daar op de warme kerktrappen tot etenstijd. Natuurlijk ken ik Pablo El Mesonero, de grote pionier uit Palencia die zoveel bijgedragen heeft tot de herontdekking van de aloude Camino de Santiago. Voor mij een dagschotel en dat is dan hetzelfde als een autobus Spaanse oude schonen van de Vrouwenbeweging van God weet welke parochie, die daar stipt op het middaguur zich aanmelden. Ik zit gewoon midden in die groep en probeer te vertellen van waar ik kom, in het Frans want mijn Spaans is onvoldoende. Zij verstaan me wel. Met minstens drie zou ik zeker mogen aanpappen want het zijn bijna allemaal lustige weduwen op uitstap. 

    Heerlijk traag draai ik mijn pedalen verder, tijd om wat te mijmeren, maar Sahagun geeft me niet meer dezelfde gevoelens als in 1984. Het is er allemaal kleinschalig verbouwd en modern geworden. Eeuwen geleden was er te Sahagun een machtig klooster, steen na steen afgebroken door baksteendieven tot er bijna niets meer van overbleef.  Hier werd de vader van de moderne etnografie geboren, de minderbroeder Bernardino de Sahagun, die een belangrijk werk schreef in de XVIde eeuw over de religie en cultuur van de Azteken in Mexico.

    Zeer vroeg meld ik me voor een kamer in Hostal La Codornitz  ( de kwartel) . Ik was me goed en val dan in slaap op de zachte lakens van het bed. Uren later word ik wakker door luidruchtige feeststemming. Een fanfare en majoretten, jeugd en ouderen, meisjes en vrouwen, lopen door de straten en ja, hoor, daar komen dan de stiertjes aangelopen. Ik kijk toe van uit mijn venster op de eerste verdiepeng. Ondertussen werd de straat waar ik verblijf zwart van het volk. Allen begeven zich naar de arena. Ook ik probeer tot daar te geraken. Maar wringen en duwen bij valavond, om in de dichte massa verder te geraken op de Avenida de la Constitucion,  maakt me te zenuwachtig en doet me terug zweten. Ik keer dus om, en ga nabij mijn hotel op een terras aan een rustig tafeltje zitten waar ik een fles wijn drink, en wat nootjes en chorizo eet. Rond middernacht volgt er een vuurwerk, maar dan lig ik al terug tussen mijn heerlijke Sahagunse lakens. Was dit het plaatselijke feest van San Firmino ?  
    Naast mijn fiets, in de ondergrondse garage van dit hostal, stond die avond een prachtige nieuwe tandem die ongetwijfeld 10.000 € waard was, maar ik had geen idee wie daarop aan het rijden was.

    32. Viernes 11 de Junio.

    Vermits ik een Einzelganger ben, en er geen hetero- noch homosexueel verkeer had plaatsgevonden tijdens de feeststemming op de door mij gehuurde kamer, wordt de prijs verlaagd van 9000 tot 6000 pesetas. Na een miniem ontbijt vertrek ik op de Via Romana.

    Ik vorder op mijn tempo over een kiezelweg.  Enkele sprintende mountainbikers rijden me voorbij, maar wat later staan zij daar allen terug langs de weg omdat één van hen stukken heeft. Ik roep lachend  ' Qui va piano va sano  ..' . Maar dat verstaan zij niet, misschien is dat dan toch geen goed Spaans hetgeen zo spontaan uit mijn mond kwam te rollen .
    El Burgo Ranero wacht op mij. Aan een baancafé stop ik. Daar zitten al twee wandelaars, toeristen die zo maar even een test komen doen om te weten wat het betekent 30 km te stappen op de Camino. Zij komen uit Zwitserland om te oefenen en willen later de hele pelgrimstocht afleggen . Mevrouw vindt het geweldig wat al die pelgrims op hun lange mars beleven, maar haar echtgenoot is doodmoe, heeft blaren aan zijn voeten door te nieuwe schoenen, en zit daar tegen zijn goesting. 
    Mansilla de los Mulas.  Foto aan het beeld.  De groep mountainbikers komt daar ook aangereden, jonge mensen, bijna naakt op hun sportieve tweewieler, met een kleine rugzak maar met grote dure zonnebrillen op hun neus en muziek in hun oren. 

    Comer con gusto want ik eet daar een 'de tomo y lomo'  steak met een fles rosé in de Montana en dat is dan al op een invalsweg naar de grote stad Leon.  Ik volg de pijlen en de metalen schelpen op de stoep, en alzo kom ik gemakkelijk terecht op een slaapzaal voor peregrinos bij de nonnetjes.Te voet maak ik wat later een schone wandeling door Leon op zoek naar het beroemste klooster-hospitaal San Marcos de Leon op de weg van Santiago. Nu is dit een schitterende Parador Nacional. In die San Marcos ga ik een biertje drinken. Zo'n bestelling kost daar 420 pesetas, maar dat is de moeite waard omdat het meubilair daar onbeschrijfelijk mooi is. .




    17-10-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    15-10-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Dood van Dick Miles.

    Met droefheid hebben wij allen het overlijden vernomen van een kleine oude man uit New-York die eens een groot sportman was geweest, de tienvoudige tafeltenniskampioen van de United States of America DICK MILES . Te Londen had hij op Wembley geschitterd tijdens de wereldkampioenschappen 1948 toen hij Barna, Leach, Bergmann, Kocian, Sidos, Soos, en nog anderen van de tafel wegveegde met de unieke forehandslag van zijn hardbat, maar dan verloor hij nipt in de finale en werd ongelukkig geen wereldkampioen in het enkelspel bij de heren. Hij won toen wel de wereldtitel in het dubbelspel gemengd.  In 1971 was hij ook een van de Amerikaanse pingpongers die zorgde dat het vrede werd tussen China en de USA , tijdens de periode van de pingpong diplomatie. Overal in de wereld had deze man alleen maar vrienden. Hij werd 85 jaar.

       
    Dick Miles                     Lou Pagliaro                              Miles' bijbel van de Pingpong 


    In de late 1930 en tijdens de eerste jaren van de tweede wereldoorlog was het pingpongspel reeds ruim vijftig jaren bekend in de Verenigde Staten, want was het niet ene John W.Hyatt uit Albany New-York die al in 1870 het celluloid had uitgevonden waarmee ook nog vandaag pingpongballetjes worden gemaakt. Bij koud weer werd het miniatuur tennisspel in salons of in  garages bij vele families gespeeld. Het was dus bekend speelgoed dat de tienjarige Dick toen van zijn nonkel kreeg, een grote gekleurde doos in karton met als inhoud één boekje met de spelregels, één net met vasthouders, twee paletjes uit hout met versiering, en zes pingpongballetjes. Regelmatig werden toen in de blaadjes voor jongeren Mickey Mouse en Donald Duck getekend terwijl zij aan de pingpongen waren. Met zijn nonkel probeerde Dick dan ook zijn nieuw spel op de keukentafel in hun appartement. Dat was gelegen aan Riverside Drive te New-York, op de 84ste Street tussen Columbus en Amsterdam. De scholier woonde daar met zijn alleenstaande moeder, opa en oma, en die ongehuwde nonkel. Direct na schooltijd alleen op zijn kamer sloeg dat handige kereltje regelmatig in de vlucht zo'n duizend keren het balletje tegen de muur tot wanneer de ouderen vonden dat het zo meer dan welletjes was en naar hem met een pantoffel gooiden, om rustig naar de radio te kunnen luisteren.

    De jonge Dick bezat uitzonderlijke gaven van concentratie en van coordinatie tussen zijn ogen, handen en voorarm. In vele vormen van sport en spel was dit duidelijk, want in games zoals golf, baseball, jojo, jongleren en knikkeren, was hij de beste van zijn klas en in zijn straat. Toevallig was ook Ty Neuberger een klasgenoot, en die jongen was toen al sterk in pingpong. Hij won soms  matchen op de tafels van de clubs in Manhattan, en met deze Ty stapte Dick zo'n sportlokaal binnen waar iedere dag pingpong werd gespeeld.  Er waren daar op loopafstand vier verschillende clubs op Broadway. Daarmee verdienden de uitbaters en eigenaars goed geld. De Table Tennis beleefde toen gouden tijden in de U.S.A. Voor iedere beurt moest een ticket worden afgegeven dat beneden aan de kassa werd gekocht zoals op de kermis wanneer men op de botsautootjes, rups, doolhof, carrousel, of elders wil plezier maken. Er knipperde een licht  en dan moest weer met een bonnetje worden betaald, ofwel moest men zijn kant aan een wachtende kandidaat pingponger afstaan. Betere spelers wilden alleen tegen vergoeding met mindere slagen uitwisselen of de knepen van het spel aan de beginners leren. Topspelers daagden mekaar voor een pak dollars uit, of gaven een handicap aan zij meenden cracks te zijnen maar die zo ook vlug hun geld verspeelden. Soms verstopte zo'n pingpongclub van de Big City by Night ook andere dingen die met de stiel van gangster te maken hadden.

    Met zijn paletje en de centen uit zijn spaarpotje ging Dick naar de club van Mitch Karelitz in de 76ste Street waar in de kelder, op het gelijkvloers en op het eerste verdiep werd gepingpongd. Hij kwam daar in aanraking met de 16-jarige Billy Levinson, de plaatselijke topspeler van wie hij het ene en het andere kon leren. Daarna probeerde hij het eens bij Harry P. in de 91ste straat, waar twaalf tafels op een rij stonden. In deze sportschuur verschenen op een dag enkele Hongaren die eens demonstreerden wat echt tafeltennis was, en nadat de jonge Miles dat had gezien, wilde hij alles weten over de tafeltennissport om ook zo'n artiest en zo'n kampioen te worden. Hij ging een tijd later naar een derde club om te kijken, bij de Mac's. Dat was toen een drukbezochte plaats in de 96ste Street voor dikke nekken, stoeffers, en losgelaten sportieve vrouwen. De schooljongen toonde eens wat hij kon. Maar na een uur had de baas daar al genoeg gezien. Die man verklaarde Dick warempel  'persona non grata' omdat de jongen de tekens vertoonde van een aanstormende kampioen. Dick zou de leden van de Mac's belachelijk maken en dan zouden die wegblijven, want op Broadway is geen plaats voor ' losers' .

    Dan maar eens gaan zien in de 54ste Street, boven een autoshowroom, waar zeven tafels stonden, in de Lawrence. en nog meer op de hogere verdiepingen  van die building, waar een nightclub was geweest. De baas van die pingpongclub was afkomstig uit Barbados en had geen goede faam toen hij daar begon. Tweemaal per week richtte hij een tornooi in, op dinsdagavond met handicap, en dan vooral op vrijdagavond een open tabel voor allen. Tot 's ochtends duurde het, in de sfeer van the Friday Night Fever, alvorens de winnaar was gekend. 

    In the Golden Era of Table Tennis, tijdens de jaren 1938 tot 1942, toen Dick Miles op de middelbare school zat, woonden de meeste topspelers van de USA aan de Oostkust, te Boston, New-York, Philadelphia, terwijl er ook centra waren voor deze sport te Indianapolis, Detroit, Chicago, St-Louis en Seattle. Daarbij moeten ook worden geciteerd een groep Hongaren van wereldklasse die als zigeuners van pingpongtafel tot pingpongtafel rond de States zwierven. De tornooien die veelvuldig op Lawrence's werden gehouden, trokken de sterke spelers, fans en toeschouwers aan. Wat een ambiance ! Koorden en politie, beschermden de spelers tegen de niet-spelers. Als gladiators, met lichteffecten, trompet en muziek, kwamen de spelers met een lift uit de vloer, en zoals heavy-weight boxers of worstelaars werden zij door de speaker aan het publiek voorgesteld, terwijl ondertussen weddingschappen werden afgesloten door de rumoerige yankees. Deelnemers betaalden als inschrijvingsgeld per match de prijs van 5 metrotickets en dat moesten de supporters ook afdokken om binnen te mogen in de zaal. Op het einde van het tornooi werd de kassa verdeeld tussen organisator, champion en runner-up. De vedette van zulke pingpongnachten was meestal  Lou Pagliaro, de King van New-York  !   

    In  'The City that never sleeps'  was de minderjarige Dick Miles ook altijd present in die club van Lawrence. Als er geen mens was om tegen te spelen, oefende hij er op een halve tafel met de andere helft rechtop als een bord. Hij trainde op twee punten, namelijk op de juiste en zuiverste ' touch' en op de kunst van het balletje te plaatsen precies waar hij wilde. Hij legde tijdens zijn training muntjes op de tafel als merktekens en zond de bal naar die punten vanwaar ook hij zich bevond aan de overkant van het net. Terwijl de beste tornooispelers fysieke training deden zoals gewichtheffen, touwtje springen, sprinten en veldlopen, in het gezelschap van beroepsboxers, was Dick Miles slechts enkel bezig op zijn eigen manier.

    Hij stopt op de Dewitt Clinton High School, slaapt dagelijks tot 14u00, en gaat dan terug naar Lawrence's. Dat betekent dat hij iedere dag 11 uren doorbrengt in de pingpongclub, en van vrijdag op zaterdag zelfs 15 uren. Natuur lijk kreeg hij ambras thuis. Vooral zijn grootmoeder begrijpt zijn obsessie niet. Ook de huisdokter lacht met hem wanneer hij een blaar aan de dikke teen heeft. Als hij te laat thuis komt, mag hij zelfs niet meer binnen en moet hij in de hal van het flatgebouw slapen op zijn sportzak en op de grond, zoals een zwerver, een homeless young boy .
    Maar waarom speel je toch zoveel ?  vragen vrienden en familieleden hem, en zijn antwoord is kort en duidelijk  . ' Ik wil de beste zijn. De kampioen van New-York ! '  If I can do it here, I can do it everywhere !

    Dick was ondertussen flink aan het verbeteren in zijn passie. Hij heeft een unieke forehand die zelfs de kenners bekoort. Wat moest komen kwam. Op een avond moet hij zich meten met maestro Pagliaro, kampioen van de USA 1940.  Maar die Pagliaro, die zijn titel niet wil verliezen, laat zich niet graag meer zien op Lawrence's waar minstens acht van zijn voornaamste concurrenten hem, zijn taktiek en zijn techniek, bespieden om hem bij een volgende gelegenheid te kunnen kloppen.  De titelhouder stelt daarom aan Dick Miles voor om samen ongezien in de kleinere club van Mitch Karelitz te gaan oefenen als voorbereiding voor zijn komend USA  kampioenschappen. De jonge speler kan zijn ogen niet geloven. Hij word door the champion himself als sparringpartner gevraagd, of in woorden van nu uitgedrukt de A1 van New-York vraagt aan een zestienjarige B4 om samen iedere dag te pingpongen in het lokaal van de club die niet ver is gesitueerd van waar hij woont. Weldra zal de jonge sparringpartner bijna zo sterk zijn als de kampioen.

    Tot ieders verrassing neemt Dick Miles in april 1941 echter niet deel aan de Nationale Juniors Kampioenschappen die betwist worden in het Manhattan Center te New-York op zeven tafels omringd door 1400 schone zetels voor goed betalende toeschouwers. Hij heeft gewoon geen geld meer om zich in te schrijven, heeft eigenlijk nog nooit een tornooi van betekenis gewonnen, en hij gelooft niet dat hij een kans krijgt tegen de kleppers die van ver komen.

    Maar zes maanden later, wanneer zijn kameraad Johnny S. enkele hoog geklasseerden klopt, begrijpt hij dat hijzelf dat ook moet kunnen, vermits hij op training vaak beter is dan die Johnny S. Zo verschijnt hij zonder faalangst eindelijk in het landschap waar de kampioenen zich bewegen. Dick Miles scoort goed in Massachusetts en Brooklyn. Met een duwtje van Pagliaro, jeugdvriend van Rocky Graziano en van Jack LaMotta,  mag hij ook mee naar Chicago voor de klassieke schok tussen Chicago en New-York. Dick wint daar 10 matchen en verliest er maar vijf. In januari 1942 wint hij tornooien te Manhatten en in Connecticut, tweemaal tegen Eddie Pinner een bekende A-speler. In februari wordt Dick Miles alzo A7 geklasseerd en dat betekent toch wel iets, want in de Verenigde Staten waren toen ongeveer 15.000.000 tafeltennissers. Maar met zijn schoon nieuw klassement krijgt hij al direct terug klop van Eddie Pinner die weerwraak nam. In april speelt hij te Detroit tegen Laszlo Bellak , een Hongaarse kunstenaar en clown van het witte balletje. Het wordt de eerste zege van Dick Miles tegen een wereldberoemde speler. 

     
    Van speelgoed naar sport.                                    The man who played  for dollars.




    De legendarische Marty Reisman, een schone miss uit America, en  the champion Dick Miles.  

    1942.  Na de aanval op Pearl Harbour van 7 december 1941 geraakt ook de USA helemaal betrokken in de Tweede Wereldoorlog. Vele jonge sportmannen melden zich aan bij het leger. Ondanks zijn jonge leeftijd en zijn kleine gestalte doet Dick Miles dat ook, maar hij wordt niet aangenomen wegens een te zwak hart.  Jaren later zal hij op ontelbare plaatsen demonstraties en shows geven om de Amerikaanse soldaten te vermaken. Hij deed dit ook een tijd samen met Norby , alias Norbert Vandewalle, de Belgische kampioen uit de periode voor Jean-Michel Saive. 
    Vandewalle was immers de zoon van een coiffeur uit New-York.  Ook al is de hele industrie overgeschakeld naar de oorlogsvoering en kan geen nieuw pingpongballetje nog worden gevonden in de sport- en speelgoedwinkels, toch komen in 1943 te Saint-Louis nog altijd 146 sterke spelers en honderden liefhebbers samen om de nationale kampioenschappen te betwisten. Vele militairen kregen een speciale verlofbrief, behalve dan de goede Paggy, eerder genoemd Lou Pagliaro, omdat die zware bommen maakt in een metaalfabriek. Na deze competitie klimt Dick omhoog tot A5 , maar één jaar later staat hij onbegrijpelijk terug op A9.

    In het begin van 1945 verschijnt in het Amerikaanse tafeltennis samen met zijn broer de genaamde Marty Reisman. Hij klopt op alle ballen en er is werkelijk niet tegen te spelen. Hij wordt kampioen bij de juniors en schakelde Dick Miles al eens uit op een vrijdagnacht tornooi bij Lawrence's. . Het is een lange zeer magere jongen die weldra als bijnaam  ' de naald' krijgt . Voor Dick Miles wordt het een zware klus op de Nationale Kampioenschappen Johnny S. te verslaan die te Detroit 3500 supporters heeft. Miles overleeft dit duel, klopt ook nog Doug C. en Bobby R. en zo wint hij als twintigjarige de titel van Kampioen van de Verenigde Staten in Heren Enkelspel 1945. Dit werd de eerste van zijn tien titels .

    Alvorens af te reizen naar Parijs voor het wereldkampioenschap, gaan de Amerikanen oefenmatchen spelen in Schotland en in Engeland waar zij goed worden ontvangen. 

    De Engelse sportpers schrijft  :  ' Dick Miles is een lichte slanke jongen van 22 jaar, met donker golvend haar, heldere ogen en veel charme. Hij is nogal lui. Hij is talentvol maar onervaren. Maar deze speler met veel persoonlijkheid moet iedereen gezien hebben'

    Maar in het naoorlogse Frankrijk loopt vooral voor Dick Miles zowat alles mis. Het was er extreem koud, de verlichting van de zaal was onvoldoende, en de tabellen waren te arm voor een tornooi dat wereldkampioenschap werd genoemd. De zeer dunne Dick Miles had twee warmwater flessen rond zich gebonden om het uit te houden. Hij had een zware verkoudheid en nekpijn. Zijn voorarmen waren precies bevroren. Hij verloor dan ook al zijn matchen. De week nadien, terug in Engeland voor de English Open, klopte hij de Fransman Michel Haguenauer die zeer bekend was door zijn ' hamergreep' . Wat later maakt hij te Chicago grote ruzie tegen  Doug C. , een kerel die voortdurend tegen zichzelf  luidop aan het praten is. Hij heeft ook wat problemen met zijn lief en rookt veel te veel. Er wordt al geschreven dat hij een kleurloze figuur is geworden, niet interessant om naar te kijken wegens de te monotone klokachtige beweging van zijn forehand. Andere persjongens geven betere commentaar. Ondertussen wind Sol Schiff veel wedstrijden. Daardoor geprikkeld herpakt Dick Miles zich door de New-York Open te winnen , en door goed te spelen tijdens de intercity Detroit - New-York waar hij een prachtige match laat zien tegen penhouder Billy Condy. Eind 1947  wordt door de Amerikaanse Tafeltennisbond een opiniepeilig georganiseerd . Op de vraag ' Wie is de grootste pingponger aller tijden uit de Verenigde Staten  ?'  antwoorden  38% van de leden dat het niemand minder is dan  DICK MILES.

    Op dat ogenblik was de fantastische Marty Reisman uiteraard nog niet zo bekend. Hij moest toen nog 18 worden en zou tijdens vele volgende jaren een gangmaker zijn voor zijn sport. Ik hoop van nog eens meer over die man te kunnen brengen op mijn blog. Het is immers niet mijn bedoeling van hier zoals Tim Boggan The Story of American Table Tennis te schrijven. Dat werd al gedaan in tien volumes over 4.540 blz en met 6.113 foto's.  Laat nu de Chinezen ook maar eens proberen om zo iets op te stellen over hun geliefde pingpong sport, over de pingpang qiu .

    Opmerking als slot. Als je bij avond door New-York wandelt of zelfs 's nachts in the city by night een oude vent van 80 jaar met een witte hoed ontmoet die over pingpong begint te praten , en die je voor een matchke uitdaagt, met een voor hem minieme inzet van 1.000 $ , ook al ben je in topform, gestimuleerd door bier of vrouwen, ook al ben je nog D2 waard of vroeger C0 geweest, neem de uitdaging van die oude clown toch maar niet aan, want die sportieve gentleman is met zijn oud paletje nog altijd een goede B-speler op zijn tachtigste . Hij heet Marty Reisman, and you shall lose your good american dollars.

    15-10-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    11-10-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Renner Antoine Dignef was niet geboren op 10/10/1910.

    OP WEG NAAR PARIJS LIGGEN VELM  EN LANDEN.


    Toontje, zoon uit een redelijk grote familie, werd geboren te Velm op 3 october 1910,  en niet  zeven dagen later op ting, ting, ting “ zoals Van Wijnendaele in de Sportwereld durfde schrijven, ( als het maar goed klonk voor de Koarle … ). Als jonge sportieveling had Antoon Dignef in 1927 een ‘koersguidon’ op zijn sportfiets geplaatsten na veel trainen op de Haspengouwse wegen waagde hij het als beginneling/ alle renners in het jaar 1929. Vlug werd vastgesteld dat Dingske Dignef een zeer sterke jonge renner was, een locomotief voor de lange afstand. Op zijn fiets stond nog een bel zoals op een gewone fiets en die gebruikte de beginneling soms voor zijn veiligheid. Zo moest hij eens remmen en hard bellen om journalist Karel Van Wijnendaele van de straat te krijgen. Die dacht dat zelfs de straat waarop werd gekoerst van hem was. Tintingting klonk de fietsbel en Mac Bolle moest opzij springen. Daarom heeft hij Dingske Dignef nog lang de bijnaam tingtingting gegeven. Zo ongeveer 100 jaar geleden maakte hij dan ook nog tingtingting van Dignefs geboortedatum.  Die pedaleerde toen beter dan eender wie met dat ene verzet van toen. Hij won 18 wedstrijden, was 12 keren tweede, en 8 maal derde. In 1930 wordt hij dan ook junior. Het is niet geweten hoeveel prijzen hij tijdens dat wielerseizoen sprokkelde, maar zeker een groot aantal, met als uitsteker het Kampioenschap van Limburg voor Juniors te St-Truiden.  Toine Dignef twijfelde niet meer. Hij was van plan om het hoger en veel verder te zoeken.

    Hij wint in 1931 te Hakendover, Leopoldsburg, St-Truiden, Jodoigne, Overwinden, Erembodegem, Scherpenheuvel, … want in geen enkel dorp waar het koers was ontbrak Toine in die periode, zelfs niet in dat schone imaginaire dorp Leerne, van de volkschrijver Abraham Hans. Hij werd een bezieler van de wielersport in zijn eigen streek en ook elders.  Aangespoord door beroepsrenner Lode Muller uit Gingelom, 12de in de Tour de France 1927, die vooral op de wielerbanen reed en een goed draaiend café en bierhandel runde, stapte Toine  over naar de onafhankelijken.  Bij die sterkere mannen  wint hij de zware Omloop van Luik  en een rit in de Ronde van België. Toine is onbetwistbaar een grote belofte van de Belgische wielersport geworden en zijn begeleiders oordelen dat het tijd is om  beroepsrenner te worden. Hij bestelt dan maar een ‘ grote-mensen-kaart ‘ bij de Belgische Wielerbond. Zo kan hij nog naar de Ronde van Catalonië, waar hij twee ritten wint  en vierde eindigt. Zelfs  zou  hij daar gewonnen hebben indien een motocyclist hem niet zou omver gereden hebben, waardoor hij 20 minuten verloor. In de eerste echte bergrit die hij ooit betwistte, zonder versnellingsapparaat en over de slechte Spaanse wegen,  reed de jonge Haspengouwer  alle Madrilenen, Catalanen en Basken op grote afstand, zelfs de klimmers met bruine benen die stierenbloed dronken , en de dwergen uit de bergen van Torrelavega en Galicië.  Na de laatste col vlamde hij nog lang alleen verder zonder te verzwakken en zonder ooit Spaans landschap te hebben gezien. Hij meende vele minuten voorsprong te hebben, maar plots kwam er een toeterende vrachtwagen, die hem aanmaande om dringend te stoppen.  Niet te geloven, drie Spaanse renners sprongen eruit  en stapten heimelijk terug op hun B.H.-fiets. Er werden frisse bidons uitgedeeld en bananen, ook aan Toine, die verschrikkelijke dorst had op dat moment. Iedereen lachte of dat gewoon was, en er zat zelfs een officieel naast de chauffeur.  Toine van Velm verstond niets van het gedoe, van de uitleg in een zo vreemde taal,  en de Belg dacht dat er een wegvergissing was geweest , met neutralisatie.  Maar, neen, voor de koersinrichters was het gewoon veel beter dat de drie Catalanen voor de ritzege zouden gaan sprinten, en zo gebeurde het ook. Toine aanvaardde dit, maakte geen ruzie, kreeg wat pesetas  en zweeg.  Hij won toen die Ronde van Catalonië niet, maar  hij won wel de levenslange vriendschap van al die toffe Catalanen. Neo-prof Dignef won dat jaar ook bloemtuilen op de piste, te Barcelona, te St-Truiden. Toen nam hij niet meer zijn velo want het weer was al te slecht, en op die toch mooie dag van  15/10/1932  huwde hij met ene Marie-Therese Bronckaers, zijn lief voor het verdere leven .


    Hij verliet Limburg en werd voor altijd een inwoner van de Pepijnstad toen in de provincie Luik gelegen. Een sportman uit Landen moet ook al eens kunnen verliezen, iets kunnen verliezen,  en den Toon die dacht dat hij onklopbaar geworden was, moest van dan buigen voor de mooie Trees, weldra de ma van Dignefke junior, en hij moest aan haar ook de centen afgeven die zijn pedaalstoten zouden opleveren. Maar hij gaf zeker de moed niet. Hij trainde om een sterk coureur te blijven. 

     

    Voor mij is het altijd een groot  raadsel geweest hoe een minzame, weinig spraakzame, niet hooggeschoolde, jongen van bij ons er in kon slagen met redelijk succes te gaan koersen op het hoogste niveau, eerst in Spanje, en later ook in Frankrijk, Zwitserland, Italië, Duitsland, Luxemburg. Dat gebeurde in een moeilijke tijd van fanatisme, nationalisme, oorlogsdreiging, bedrog, deugnieterij, combine, onbegrijpelijke reglementen, technische evolutie, sociale evolutie, economische crisis, mobilisatie, … . Overal heeft hij goed zijn plan getrokken. Hoe deed hij het toch in die harde wielerwereld, daar zo ver in het buitenland, want  dat Spanje van 1932/1935 was veel verder van ons dan nu. Dat was bijna in Burkina Fasso of toch nog niet, maar wel helemaal anders dat wat sommigen er nu van hebben gezien. In de jaren voor de burgeroorlog was de twintigste eeuw daar soms op plaatsen nog niet begonnen. Ik wil dat zo uitleggen Die man glimlachte, was wijs, zag, hoorde en zweeg, en kon aanvaarden dat op deze wereld tussen de  mensen er altijd sjoemelaars,  en deugnieten zullen zijn en dat dit niet kan veranderd worden. Hij hield van hard fietsen en van een biertje.Velen respecteerden en betrouwden hem tijdens, voor en na de koers. Hij was een goede teamspeler wanneer hij zelf zijn ploegmaats mocht kiezen, en mits hij voor zijn arbeid werd betaald.

    De wielrennerij zag er in het interbellum helemaal anders uit dan nu. Competitie beperkte zich voor bijna alle wegrenners uitsluitend tot de wedstrijden die op eigen bodem werden georganiseerd op de wegen en op de toen talrijke kleine wielerbanen. Zij die voor een fietsmerk uit Frankrijk reden, konden daar ook in koersen starten en het zelfs brengen tot deelnemer aan de Tour de France .

    Antoon Dignef  was geen regionaal, zoals Pepijn verliet hij vaak Landen, om topsport op de internationale wegen te beoefenen.    Het is daarom dat Landen fier moet zijn en blijven op deze renner die niet was geboren op 10/10/1910  maar die nu in oktober 2010 toch HONDERD JAAR zou zijn geworden indien zijn gezondheid hem dat zou hebben toegelaten.

     

    VOORNAAMSTE  RESULTATEN VAN ANTOON DIGNEF   1932-34 .

     

    1932 -     2de  in de algemene jaarrangschikking van de Onafhankelijken 

     voor de roze trui van dagblad  Les Sports  /    3de in de klassieker  Rijsel  - Brussel - Rijsel .

    Winnaar van de tweede en de zevende rit van de Ronde van Catalonië / + vierde plaats.

    17de te Diest, 3de te Aarschot, 9de te Puurs, 11de te Tongeren.

     

    1933 -  16de  in Luik-Bastenaken-Luik op 14’53” .

    22ste in de klassieker Parijs-Brussel  (xml:namespace prefix = st1 ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:smarttags" />378 km) op 15’30” .

    8ste in de Grote Prijs van Lier .

    Opgave in de Giro wegens kniepijnen -   (helper van  Jef Demuysere  in ploeg Ganna ).

    Eerste aanvaller in de eerste Ronde van Zwitserland.

    5de in de eerste rit van de Ronde van Zwitserland / + 14de plaats in totaal op 38’36”..

    Winnaar zevende rit van de Ronde van Catalonië/ + derde plaats in eindklassement.

    Afzonderlijke ( rugnummer 101)  in de Tour de France  / 26ste in eindklassement op 2u 15’30” van  G. Speicher. Plaatsen in de Tourritten :  37ste- 53ste- 41ste- 61ste- 65ste- 7de- 36ste- 19de- 32ste-31ste_  38ste -9de- 7de- 11de- 24ste- 24ste- 9de- 35ste- 7de- 9de- 11de- 37ste- 5de .

    Hij eindigde als zesde Belg  ( 16 landgenoten namen de start) en was 21ste in de bergprijs. 

     

    1934 -  2de in de Ronde van België  (  1200 km in 5 ritten )/ (F.Gardier 1ste, A. Deloor 3de) .

    5de in eindklassement van de Ronde van Catalonië  (betwist over 9 ritten) .

    9de-  Luik-Bastenaken-Luik op 3’35” van  de winnaar.

    27-ste in de Ronde van Vlaanderen, deelname aan Parijs-Brussel  (393 km ).

    15de in eindklassement Ronde van Zwitserland  ( drie ereplaatsen in de ritten) op 59’21”

    2de  in het Criterium van Gingelom,  3de te Charleroi,  4de te Tongeren,  4de te Aarschot, …

    17de in  Parijs- Belfort - een marathon over 420 km in 13u16’.

    Deelname maar opgave na 300 km  in de Omloop van België  ( marathon van 470 km)  .

    Opgave als individueel in rit 5 van Parijs-Nizza, na een vierde plaats in de rit Nevers-Lyon die 250 km lang was.


    Vooral in 1935 was Antoine Dignef zeer sterk. De oorlog en problemen met zijn gezondheid verplichtten hem van te stoppen toen hij nog geen 30 jaae oud was. Hij werd cafébaas en taxichauffeur





    11-10-2010 om 11:04 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    07-10-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Over Tyler en Geraldine FARRAR.
    Al enkele jaren geleden schreef ik dit, te lezen tussen de Reisverhalen op Seniorennet  :

    ...  Allen waren zij vermagerd, gebruind, gelukkig, door het verblijf in de allergrootste pracht van de natuur, de Rocky Mountains, en door hun dagelijkse sportieve inspanning en gezond dieet, met veel pannekoeken met bruine suiker. Hoe het mogelijk was dat Willie, de eerste was die de wateren zag die naar Vancouver en Alaska de grote Oceaanboten brengen, heeft te maken met toeval, maar het is waarschijnlijk ook gebeurd door een knipoogje van de Grote Manitoe van de Nez Perçé Indianen omwille van het volgende : Het was maar een doodgewoon moment tijdens een halve rustdag in een stadje in het land van Nowhere, zou een yankee zeggen, maar Willie niet, ook niet na vele jaren. Het gebeurde in Okanagan, een plaats waar er een prachtige fietsenwinkel is, waar je een unieke Schwinn kan kopen, een oldtimer uit 1950 of ook het laatste model en op maat. Een mountainbike, een tandem op maat, een Eddy Merckx, een Pinarello, een Bianchi, ... het kon er allemaal met credit card worden gekocht of besteld. De vader en grootvader, van de huidige eigenares waren mekaniekers geweest van renners die naam hadden gemaakt in de Six Days van Chicago, en waren bevriend geweest met vele kampioenen . Kijk, zei de verkoopster, ... dit kan je nergens meer vinden : echte oude postcards van toen, die de grootvader van mevrouw zelf heeft gemaakt . Niemand van hier koopt ze, maar soms wordt er van aan de andere kant van de wereld per brief nog naar gevraagd. Zij overhandigde aan Willie een pakje met een dertigtal vergeelde photos in postkaartformaat. Hiertussen zijn wellicht renners uit your country, voegde zij er aan toe. Tot de verbazing van Willie was dat er achtmaal Henri Wynsdau, in stayersoutfit en driekleurige trui tussen stak. Willie kende Wynsdau toen nog niet, hij moest passen voor deze kwisvraag. Een raar land daar in Okanagan. Als de rode appels er rijp zijn, in de korte hevige zomer, worden de bomen bedekt met parasols tegen zon, regen, of hagel, en iedere appel wordt met doorschijnende papierfolie omringd tegen de insecten. De vogels of andere beestjes, die graag een appeltje lusten, worden door wakende Indianen met een gunshot ongenadig neergeknald. Het is echt niet de plaats om van je fiets te stappen, zoals Bottechia, en wat keurfruit te gaan stelen in een boomgaard.   ...

    Dit gaat over onze 34ste dag van toen en dat was 10 september 1997. Met een groepje veteranen fietsten wij toen van Denver naar Seattle, over de prachtige bergen van Colorado, Wyoming, Montana, Idaho en Washington.

    Toen tijdens de eerste weken van het wielerseizoen 2005 tot tweemaal toe een jonge Amerikaan in de Trofee van Haspengouw en in de Challenge de Hesbaye  met de bloemen en de hoofdprijzen lopen ging voor de neus van onze eigen renners, leerde ik de naam van TYLER FARRAR kennen.  Het duurde nog een tijd alvorens ik te weten kwam dat deze jongeman afkomstig was uit het verre Wenatchee in de staat Washington, en dat is een befaamde fruitstad in de USA, The Capital of the world for apples. Het was dus vrij normaal dat tussen de boomgaarden van Aalst-bij -Sint-Truiden deze Tyler had kunnen winnen.  Maar dat ondertussen die winnaar van bij de beloften een wegsprinter van wereldformaat in de Protour is geworden, dat is vandaag in de dorpen  Gingelom, Borlo, Bovelingen, Brustem, van Zuid-Limburg en in het voetbalminnend Sint-Truiden nog altijd niet duidelijk. Daar is en blijft de grote Willy Vannitsen voor immer en altijd de rapste, alhoewel Timothy Stevens en de gebroeders Wellens nu ook echt goed zijn en beter worden !


      Tyler te Madrid.

    Als lid van de Amerikaans nationale beloftenploeg verbleef Tyler Farrar gedurende maanden in Vlaanderen en toen hij een profcontract kreeg bij Cofidis vestigde hij zich te Gent. Tyler is een jonge kerel die niet alleen goede benen heeft, maar ook een knappe kop. Hij is de zoon van een orthopedisch chirurg. Het grootse verleden van Gent en het gezellige heden, de aanwezigheid van vele jonge mensen, de Gentse Feesten, de stadsfeer aan Leie en Schelde, het feit dat Tyler droomt van de Ronde van Vlaanderen te winnen, deden hem kiezen voor de Stad van Jacob van Artevelde. Bewust probeerde hij onze Vlaamse taal machtig te worden , en vandaag praat Mimo die me een leuk accent hetgeen hem populair maakt in Vlaanderen. Misschien wordt hij wel nog eens verkozen tot FLANDRIEN VAN HET JAAR.  Het wielerseizoen 2010 was zeker dat van ' a guy from a small town in Washington called Wenatchee who is now living in tle old flemish city of Ghent...'. Tyler Farrar reed de Ronde van Qatar, de Ronde van Oman, de Ronde van Denemarken, Tirreno-Adriatico, de Giro d'Italia, de Tour de France, de Vuelta a Espana, en het Wereldkampioenschap op de weg in Australië. Hij pakte ook de overwinning in twee klassiekers De Grote Scheldeprijs  en de Vattenfall Cyclassics, zodat hij nu door de UCI op de negende plaats werd geklasseerd. Hij bleef dus zeker niet stilzitten op zijn nestje in de hoofdstad van Oost-Vlaanderen.

    Tyler Farrar werd geboren op 2 juni 1984 en heeft nog zeker niet zijn maximum bereikt. Eerlijk gezegd, ik was van mening dat hij de regenboogtrui zou winnen, maar dat viel voor hem een beetje tegen zoals dat ook het geval was voor Cavendish, Gilbert, Pozzato, Freire, Greipel, en nog anderen. Dat komt nog wel eens, want het feit dat er in het indianengebied nabij Wenatchee een Rainbow Canyon bestaat, laat mij geloven dat Tyler eens op het W.K. de eerste aan de lijn zal zijn.
    ' If you can make it in Ghent you can make it everywhere... het moet echt niet in New-York zijn ...' et ' Je mets Paris dans mon Gand '... zo sprak een Keizer in wiens rijk de zon nooit onderging ' .

    Ik deed de moeite om wat woorden te sprokkelen op internet. Samen in een korf maken die duidelijk wat de internationale wielerfanaten in oktober 2010 reeds menen over de renner, de sportman, de mens, de zoon van Ed Farrar,  de vent van Stephanie, ... over die ene en echte Tyler Farrar. Op een hoopje volgt dit nu :

    - subliem in de sprint  - met een jump knalde hij er nog over - hij is vriendelijk-  heeft fenomenale energie in zich  - een man met persoonlijkheid - hij is evenwichtig en niet hoogmoedig, blijft een gewone man met zijn twee voeten op de grond, ook al werd hij ondertussen een internationale topper  - he is a World Class Biker - hij posteert zich onweerstaanbaar op de erelijsten  - Tyler, the Giant Killer  -  Tyler the flash in orange and blue argyle - The American Sprinter - de absolute topsprinters zoals Cavendish, Petacchi, Farrar, ...  - the grat bunch fighter -  the heroe - the big winner - He is now a celebrity  -   ...

    Tyler Farrar meet 1m83 en weegt 74 kgr, maar te Gent en zo, en ook elders is hij tijdens het voorbije wielerjaar veel groter geworden voor zijn supporters.
    Tyler zal zeker, als er ook eens een Criterium in Changri-la,  Las Vegas, Honolulu, of op het Sint-Pietersplein te Rome komt, met zijn naam bij de favorieten staan. 


    PODIUMPLAATSEN 2010 VAN TYLER FARRAR :

    Eerste  :   rit KBC driedaagse De Panne,  Grote Scheldeprijs te Schoten,  rit 2 Giro te Utrecht, rit 10 Giro te Bitonto, Criterium Nacht van Hengelo, Eindklassement Delta Tour Zeeland, Criterium Rond van Naaldwijk, Vattenfall Cyclassics Hamburg, rit 5 Vuelta te Lorca, rit 21 Vuelta te Madrid. 

    Tweede :  rit 6 Doha Corniche Qatar, rit 2 Ronde van Oman , rit 1 Delta Tour Goes, rit 2 Delta Tour Terneuzen, rit 6 Tour de France Quegnon, Grand Prix France-Ouest Plouay, rit 12 Vuelta, rit 19 Vuelta, Puntenklassement Vuelta.

    Derde  :  rit 3 Ronde van Oman, Omloop Het Volk- Het Nieuwsbad Gent , rit 9 Giro Cave di Tirreno, rit 11 Tour de France Bourg-lez-Valence, rit 2 Vuelta Marbella.


    DE UCI RANKING.

    Rang
    Préc. Coureur Code UCI Equipe (Code) Points
    1 2 RODRIGUEZ OLIVER Joaquin ESP19790312 TEAM KATUSHA (KAT) 551
    2 1 CONTADOR VELASCO Alberto ESP19821206 ASTANA (AST) 482
    3 5 SANCHEZ GIL Luis Leon ESP19831124 CAISSE D'EPARGNE (GCE) 403
    4 3 EVANS Cadel AUS19770214 BMC RACING TEAM (BMC) 390
    5 4 GESINK Robert NED19860531 RABOBANK (RAB) 369
    6 26 NIBALI Vincenzo ITA19841114 LIQUIGAS-DOIMO (LIQ) 340
    7 7 GILBERT Philippe BEL19820705 OMEGA PHARMA-LOTTO (OLO) 337
    8 6 HESJEDAL Ryder CAN19801209 GARMIN - TRANSITIONS (GRM) 307
    9 11 FARRAR Tyler USA19840602 GARMIN - TRANSITIONS (GRM) 306
    10 8 VINOKOUROV Alexandre KAZ19730916 ASTANA (AST) 283
    11 9 SANCHEZ GONZALEZ Samuel ESP19780205 EUSKALTEL - EUSKADI (EUS) 261
    12 10 SCHLECK Andy LUX19850610 TEAM SAXO BANK (SAX) 258
    13 12 CANCELLARA Fabian SUI19810318 TEAM SAXO BANK (SAX) 254
    14 27 SCHLECK Frank LUX19800415 TEAM SAXO BANK (SAX) 230
    15 13 BOASSON HAGEN Edvald NOR19870517 SKY PROFESSIONAL CYCLING TEAM (SKY) 228
    16 16 MENCHOV Denis RUS19780125 RABOBANK (RAB) 221
    17 14 HORNER Christopher USA19711023 TEAM RADIOSHACK (RSH) 216
    18 15 BOONEN Tom BEL19801015 QUICK STEP (QST) 216
    19 17 GREIPEL André GER19820716 TEAM HTC - COLUMBIA (THR) 211
    20 18 BASSO Ivan ITA19771126 LIQUIGAS-DOIMO (LIQ) 206
    21 19 SCARPONI Michele ITA19790925 ANDRONI GIOCATTOLI - SERRAMENTI PVC DIQUIGIOVANNI (AND) 203
    22 33 CAVENDISH Mark GBR19850521 TEAM HTC - COLUMBIA (THR) 198
    23 20 KREUZIGER Roman CZE19860506 LIQUIGAS-DOIMO (LIQ) 196
    24 24 PETACCHI Alessandro ITA19740103 LAMPRE-FARNESE VINI (LAM) 182
    25 21 MARTIN Tony GER19850423 TEAM HTC - COLUMBIA (THR) 179
    26 22 BRAJKOVIC Janez SLO19831218 TEAM RADIOSHACK (RSH) 174
    27 25 HUSHOVD Thor NOR19780118 CERVELO TEST TEAM (CTT) 173
    28 49 TONDO VOLPINI Xavier ESP19781105 CERVELO TEST TEAM (CTT) 171
    29 23 VAN DEN BROECK Jurgen BEL19830201 OMEGA PHARMA-LOTTO (OLO) 169
    30 39 SASTRE CANDIL Carlos ESP19750422 CERVELO TEST TEAM (CTT) 162

    Op dit ogenblik is het nog niet duidelijk of Tyler Farrar in 2011 ook nog zal rijden voor Garmin-Transitions zoals in 2010. Zijn huidige ploeg zal immers samenwerken met Cervelo dat niet meer met een mannenploeg zal aantreden . Reeds dertien nieuwe aanwinsten worden gemeld bij Garmin, waaronder de nieuwe Wereldkampioen Thor Hushovd en zijn Noorse kameraad Gabriel Rasch.
    Verder Fairly Caleb, Alex Howes, Andrew Talansky, uit de USA,  Roger Hammond en Daniel Lloyd uit Engeland,  Heinrich Haussler en Brett Lancaster uit Australië, Andreas Klier (Duitsland) , Philippe Le Mevel (France), Raimundas Navardauskas (Litauen), en Sepp Van Marcke ( België).
    Verdwijnen uit de ploeg: Hunter, Kessiakoff, Lowe, Pate en Tuft. Tijdens de volgende weken zullen dus minstens nog een half dozijn renners Garmin- Transistions moeten verlaten .

    ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

    Omdat volgens mij ook, wielrennen en cultuur samen gaan. Dat wist ik reeds eerder, maar ik bezocht toch de Tentoonstelling in de Universiteitsbibliotheek te Leuven, verlaat ik van onder deze lijn onze vriend Tyler Farrar  en wil ik mijn bloglezers kennis laten maken met een vrouwelijke kampioene van vroeger die ook de naam Farrar droeg  . GERALDINE FARRAR.

    Wie heeft er ooit een lied gehoord van Geraldine Farrar  ? ... van Boerke Naas wel   ...  !
    Zij was toch zo schoon en vele venten knielden voor haar, zelfs de tenors en de milords    ...

     Geraldine Farrar.

    Geraldine Farrar (1882-1967) was afkomstig uit Melrose in Massachusetts. Zij was de dochter van Sidney Douglas Farrar die baseball had gespeeld in de hoogste afdeling en van de winkelierster Henrietta Barnes Farrar, een hevig vrouwtje. Haar moeder was er zeker van dat haar kind oneindig veel talent had en stuurde Geraldine op vijfjarige leeftijd naar de muziekschool voor piano en zang. De beste privé-leraars werden betaald door de ouders die in het koor van hun kerkgemeenschap zongen. Op haar twaalfde zong die kleine voor het eerst voor publiek twee liederen en zij kreeg toen 10 $. Wat haar moeder voor haar had gedaan met zachte dwang zal the prima donna absoluta Geraldine Farrar later beschrijven in het boek over haar levensverhaal. Henrietta overtuigde haar dochter dat de beste en de breedste opleiding nodig was, en ook de dagelijkse training en studie, en vooral nog dat hoog mikken zeer belangrijk is. Deze moeder weigerde de eerste kleine rollen want haar dochter zou en moest aan de top komen. Toen Boston en New-York niet meer de beste vooruitzichten boden ging zij in 1899 een lening aan van 30.000 $ voor reis, verblijf, studie, opleiding, te Parijs . Beide ouders volgden en beschermden hun dochter. Zij hypothekeerden hun handelshuis, stoken hun vermogen in voor de zangcarrière van dochter lief. Deze leerde zang, piano, dictie, expressie, houding, etikette,  mode, talen en toneel. De jonge Amerikaanse luisterde naar de goede raad van bekende vrouwen en mannen uit de wereld van de klassieke muziek en de opera.

    Omstreeks die tijd ronselde ene ploegbaas Kinon in de Luikse mijnen arbeiders uit Haspengouw die voor een zeer goed dagloon van 5 $ naar Amerika emigreerden. We kunnen dus uitrekenen dat vader en moeder Farrar in waarde van vandaag minstens  300.000 euros hadden geleend om van hun dochter een klassieke topzangeres te maken in Europa.

    Genoeg !  Laten we gewoon eens luisteren en zien naar Geraldine Farrar  !
    We gaan via de magie  van Internet  naar  www.youtube.com  en we tikken daar gewoon de voornaam en de familienaam in van  Geraldine Farrar .

    Om te trainen bij de grote Lilli Lehman trok de jonge soprane naar het grote en rijke Berlijn van het begin van de twintigste eeuw. Daar werd zij als frisse negentienjarige Yankee Diva ontdekt als Marguerite in de opera Faust van Charles Gounod en verder als Elisabeth in Tannhauser, als hoofdrolspeelster in Mignon van Ambroise Thomas, en in Manon van Jules Massenet. Na vele jaren intense studie bij de beste leermeesters, door de onmetelijke klasse van haar stem en haar vlotte natuurlijke houding, werd zij beroemd en aanbeden in de Koninklijke Opera vanaf 1901. Zelfs de Kronprinz Wilhelm von Hohenzollern, de meest gegeerde schoonzoon van Europa en een verschrikkelijke vrouwenversierder, werd stapelzot van haar. Terwijl andere operazangeressen meestal grote en dikke dames waren, was Geraldine een mooie jonge vrouw met zwart haar en blauwe ogen, met een unieke stem, maar ook met veel temperament, zin voor sensatie en met lef. Zij was te Berlijn al goed op weg om  Keizerin te worden. Er waren veel vrouwen die mooi konden zingen, maar een trap hoger stond daar dan nog die ene, ' with her magic art and fascinating personality', de allergrootste Geraldine Farrar, de Godin en de Madonna van de Opera. Zij durfde ook alles. Toen zij werd uitgenodigd om te zingen aan het Keizerlijke Hof van Pruisen, werd het haar eerst duidelijk gemaakt dat voor deze uitzonderlijke eer zij zich fatsoenlijk in sober zwart moest kleden, met handschoenen met lange mouwen. Geraldine uit Melrose, was twintig jaar, en zij verscheen daar in het geel met de borstjes bijna bloot en behangen met flikkerende juwelen. Zo veroverde zij het hart van de prins en er werd zelfs geschreven in de Zeitungen en gesproken in de hoogste kringen over een verhouding met die Kronprinz.

    Terwijl zij ook reeds vanaf 1904 werd gevraagd voor opnames van grammofoonplaten, volgden triomfen in meerdere steden zoals Parijs, Londen, Stockholm, Brussel, en te Monte Carlo. Voor de rijkste personen kwam zij daar op de scene naast de beroemde Enrico Caruso in La Bohéme van Puccini.  Maar weldra probeerde de concurrentie haar af te breken, want een deel de Europese operawereld beschouwde haar toch maar als een vreemde eend. De vaste waarden van kunst en cultuur konden niet uit het cowboy-land Amerikaans komen. In 1906 , na opvoeringen van Rigoleto met tegenspeler Caruso te Berlijn, vaart Geraldine terug naar de States, want Alfred Hertz van de Met van New-York wil haar absoluut terug. In the Old Metropolitan Opera House, toen gelegen op 1411 Broadway tussen West 39th and 40th, gedurende bijna zestien jaren van 26/11/1906 tot 22/4/1922, zal zij 672 X optreden en een topvedette zijn. Zij werd er onsterfelijk als Cio-Cio-San in Madame Butterfly van Giacomo Puccini. 

    ' Als ik zing snij ik mezelf open en geef me aan het publiek...
    '  heeft zij eens gezegd.

    Zij haalde bijna dagelijks de voorpagina's in kranten en tijdschriften. Het ging over mannen, gebroken harten, schandalen, fatsoen en onfatsoen, want alles, haar publieke leven en zeker ook haar rumoerig privéleven, wilden de lezers weten en volgen. Zij reisde door het land met een luxe-trein en zong in de spoorwegstations. Zij bereikte zo ook zelfs Seattle in het verre Noord-Westen. Bij RCA Victor kwamen haar liederen op platen en zo werd Miss Farrar, buiten het beperkt publiek van zij die zich een plaats op een operazetel of in een zangtheater konden permiteren, de eerste zangeres naar wie miljoenen muziekliefhebbers hebben geluisterd. Geraldine Farrar nam zowat 200 platen op. Op de Hollywood Walk in California op 1709 Vine Street heeft zij als zangeres haar ster.
     
    De oorlog was uitgebroken in Europa en dat liet zich voelen in de Music Business. De filmindustrie was nog in haar beginperiode. In 1915 tekende Geraldine heel slim een half dozijn contracten bij Jessie Lasky en Sam Goldwyn, pioniers van Hollywood. Er werd schande gesproken door de zuivere operaliefhebbers want een prima donna mocht zich niet ophouden bij de cirkusgasten van de stomme film. Zo stapte Geraldine net op tijd een nieuw tijdperk binnen. Zij was een nette en klassieke zangeres die aardig veel acteertalent had. Slechts weinigen hebben dit gekund, overstappen van de opera naar de film.  Dichter bij ons mislukte dat zelfs voor de grote Luciano Pavarotti. Zij speelde in 14 of 15 stomme films tijdens deze 5 zomers dat zij een filmster was, want in de winter bleef zij operazangeres met een topprestatie te New-York in 1915 als  ' Madame sans Gêne ' van Umberto Giordano. De operastar on the silent screen zal een nieuwe sensatie zijn .  Op de Hollywood Walk in California op 1620 Vine Street kreeg zij haar tweede ster voornamelijk voor twee stomme films :  Carmen de fiere gipsy girl, geïnspireerd door de novelle van Prosper Mérimée et de Opera van Bizet en Joan the Woman een indrukwekkende epische film van Cecil B. de Mille over Jeanne d'Arc die vele Amerikaanse vrijwilligers heeft aangezet om zich bij het leger te melden toen ook de USA aan de oorlog 14/18 zou gaan meedoen op Frans grondgebied . De eerste film was een enorm financieel succes, de tweede film maakte van Geraldine een heldin. Om goed en soms goddelijk te kunnen presteren in zulke somme films liet zij zich altijd begeleiden door viool en piano, maar dat kwam nooit in iemands zicht of oor. De muziek verbeterde echter wel het spelen van de acteurs.  
     
    Geraldine Farrar lag aan de basis van een toenmalig modeverschijnsel bij de jonge vrouwen, en die de naam kreeg van 'de Gerry Flappers' of vertaald  'de  bakvisjes'. Dat waren van die moderne Amerikaanse meisjes, geweldig rumoerige fans van haar, teenage girls, die niet meer wilden luisteren naar de goede raad van  pa, ma, en tante Kaat.

    Geraldine hermaakte zelf toen op haar manier toen een lichtere versie van de Opera Carmen, eenvoudiger voor iedereen, in plaats van Spaanse keuken waren dat Hamburgers met ketchup voor de Yankees. Afkeuring door de grote operakenners natuurlijk ! Zij ging er mee op tournee en gaf 123 voorstellingen voor volle zalen in 125 dagen !

    Toen zij op 40-jarige leeftijd voor een tweede maal oververmoeide stembanden had verliet zij de podia van de opera's. Voor haar laatste optreden betaalden de echte fans tot 100 $ van 1922 op de zwarte markt voor een entreebiljet.  Zij zong de aria's  van Zaza tot op het einde van die opera en ging zo ver dat zij in zwijm viel. Na een stille periode trad Miss Farrar nog met uitgedoofde stem op in concerten, werd een stem aan de radio, schreef 15 klassieke bel canto liederen op muziek van Rachmaninoff, Kreissler, Moussogorski. Geen mooie zwarte krullen had zij nog maar wel deftig grijs haar, en zij bleef nog vele jaren een ster van de Jet Set, een grote dame uit de hogere kringen, alsook een medewerkster van het Rode Kruis . 

    Met de technische middelen van vandaag bestudeert men soms de tonale perfektie van haar stem en dan begrijpt men wat deze soprane kon, welk buitengewoon stembereik zij had toen zij jong was, en waarom zij wellicht de allergrootste prima dona is geweest. 

    Zowat tachtig jaren nadat deze klassieke zangeres op pensioen ging, heeft niemand haar overtroffen ( zij is dus de Eddy Merckx van de prima donna's). Wanneer we in getallen op een rij zetten wat Geraldine Farrar presteerde, zullen onze ogen knipperen. Zij zong in de opera's in 34 rollen en 29 personnages. Enrico Caruso, de beroemde, was 105 x haar tegenspeler en haar schoothondje. Zij was 95 X Madame Butterfly en 58 X Carmen. Van Arturo Toscanini was zij gedurende zeven jaar het lief en hij liet voor haar zijn vrouw in de steek en verspeelde zo ook zijn job. Ook met de bariton Antonio Scotti papte zij wat aan, terwijl de bas Marcel Journet haar ook een lekker stuk vond. Maar zij huwde in 1916 met Lou Tellegen een flamboyante Hollywood filmster van Hollandse afkomst van wie zij scheidde na vele stormen in 1923.
      
    Geraldine Farrar stierf na een probleem aan haar hart te Ridgefield in Connecticut. Zij werd 85 jaar  en was steeds kinderloos gebleven. Enige tijd voor haar dood had zij nog gezegd  :  ' I'm happy to have succeeded being a great human... '  .

    Er bestaan twee boeken over Geraldine Farrar en door haar geschreven :  The Story of an American Singer  ( Boston 1916)   en  The autobiography of Geraldine Farrar -  Such sweet compulsion ( New-York 1938). 

    Haar graf bevindt zich op Section 167 Lot 181 nabij het Cobb Mausoleum op het Kensico Cemetery te Valhalla  (New York).

    07-10-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    06-10-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.ETERNELLE HANOI EN VRAC .
    Je me souviendrai toujours de mon premier matin au Vietnam quand secoué doucement par la musique venant de la rue et en voyant sur le plafond de ma chambre se réflecter les ombres des premiers cyclistes transmises par le soleil qui s'élevait de l'horizon si loin dans l'Est, je m'étais éveillé dans cette ville qui était un bijou que j'allais découvrir .

    La cité s'éveille avec l'apparition , au débouché d'une rue , du premier cycliste.

    Les belles cylistes qui vont à l'école y fendent l'air comme des libellules.
     
    La lumière de l'aube chasse peu à peu les ombres de la ville pour en révéler les couleurs.

    La marée des cyclistes, des Suzuki et Honda, revendique les avenues . Mais cet anarchique ballet roulant se passe sans le moindre heurt, et ce sont dix, vingt, cinquante mille cyclistes et vélomoteurs qui avalent l'asphalte.

    Ce n'est qu'au soir, quand la chaleur est tombée, que la fébrilité s'atténue et que la vie de quartier reprend ses droits.

    Au carrefour de deux énormes cultures, l'indienne et la chinoise, par des täches encore manuelles, labeur millénaire et quasi éternel que la riziculture exige de ses paysans, en chapeau-conique ou en casque léger de fantassin des peuples exceptionnels se sont maintenus malgré des criminels terribles venant de tous les horizons. 

    Sur la rivière des parfums ma rame se libère
    Le ciel est clair, l'eau est claire
    Ma rame se libère sur la rivière des parfums
    La lune elle chemine, elle culmine, elle décline
    Ma barque est mon destin sous le sort je m'incline
    Le courant charrie mon infortune.

    Bien des pays bâtissent leurs puissance sur des citadelles
    Faisons plutôt des vertus de justice et d'humanité nos remparts
    Pour voir, génération après génération, printemps aprés printemps
    Nos enfants se transmettre mille, dix mille ans, nos belles traditions.






    06-10-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    01-10-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Fredy Budzinski . Ich bin ein Berliner.




    Der Berliner Radsportjournalist Fredy Budzinski verarbeitete diesen "schwarzen Sonntag 1909 " auf die ihm eigene Weise. Unter der Überschrift "Mors Imperator" schrieb er:

    "Am Start stehen die Streiter. Unwillkürlich zieht es mich zu ihnen. Ich beschleunige meinen Schritt, gleichsam als wolle ich dem Gefühl, das mich nicht loslässt, entgehen. Sie spielen mit ihrem Leben, denke ich. "Mit ihrem Leben?" fragt jemand hinter mir. Erschrocken drehe ich mich nach dem Frager um. Niemand ist da.
    Der Startschuss fällt und es beginnt ein Kampf auf Leben und Tod. Ach Unsinn. Leben und Tod? Ich suche dem Gedanken zu entfliehen, da sehe ich plötzlich vor mir eine schwarze Gestalt. Meine Augen folgen dem Phantom, das niemand ausser mir zu sehen scheint.
    Mit übermenschlicher Kraft packt der Schwarze die Maschine mitsamt der Mannschaft, hebt sie empor und schleudert sie mit furchtbarer Gewalt in die dichtgedrängten Zuschauer hinein. Eine Flammengarbe steigt empor. Schauerlich beleuchtet die Riesenflamme die Stätte. Als die Flamme verlosch, war der Schwarze den Mantel und die Maske ab und zeigte sich dem Volke. Seht, ich bin überall, heute hier, morgen in Brüssel, ich der Mors Imperator."   



      

    Met een prototype van rijwiel met motor in Grunewald ( Fredy in het midden)

    De sportreporters zijn de link tussen de sportvedetten en hun bewonderaars. Eerst waren er de ridders van de geschreven pers, daarna de acrobaten van de radio, en vandaag de zij-die-alles-weten van de televisie en de websites, om de sport zo goed mogelijk over te brengen naar het volk dat brood en spelen nodig heeft. Ik zal hier geen namen noemen van de vele verslaggevers van gisteren of van vandaag uit het nederlandstalig, en ook niet uit het franstalig gebied dat ik ook goed ken, maar als wielerfanaat ontdekte ik vroeger al eens de Berlijner Fredy Budzinski. Beter dan wie ook heeft hij Het Rijke Duitsche Wielerleven beschreven, en vooral heeft hij zijn levenslange verzameling Van Mensen en Dingen uit de Wielersport nagelaten. Hij verdient zeker van beter gekend te zijn in Vlaanderen.

    FREDY BUDZINSKI  (1879- 1970).  

    Reeds als kleuter werd de jonge Alfred een liefhebber van de fiets. Onder de kerstboom stond voor hem een eerste fietsje toen hij nog geen vijf jaar oud was en tot aan zijn dood op 6 januari 1970 zou hij het velo'ke blijven aanbidden. Op school was hij de beste in turnen en in opstel, maar verder scoorde hij eigenlijk nergens bij zijn leraars. Nadat hij in het geheim een eerste keer was gaan koersen werd hij gestraft. Vanaf 1895 wordt hij echter bediende in een fietsfabriek en zo mag hij als amateur aantreden op de befaamde wielerbaan van Berlijn Treptow.
    Op 1 januari 1901 wordt de von Radsport begeisterter junge Budzinski  beroepsrenner bij de sprinters en op de korte afstanden, en hij neemt ook een licentie van gangmaker op motorfietsen. Hij geraakt zo tussen de groten van de wielersport van toen, en hij zal zich vanaf dat ogenblik bezig houden met alle facetten van zijn sport. Alhoewel hij op 28 mei 1901 toch in een finale van zuivere snelheid mag uitkomen tegen kleppers als Rutt, Schilling, en Kudela, ziet hij snel dat zijn weg in de wielersport elders ligt. Hij wint het vertrouwen van het rennersmilieu. Nadat hij sedert zijn jeugd zijn vingers oefende met leuke gedichten over de renners en hun wereld, wordt hij free-lance journalist en nadien hoofdredacteur van de sportkrant Rad Welt, die dagelijks 100.000 exemplaren verkoopt. Vanaf 1902 verdedigt hij de belangen van de beroepsrenners tegenover de Duitse Wielerbond.

         

    Goed geïnformeerd door Walter Rütt, de globe-trotter die in 1907 in Madison Square Garden de Zesdaagse van New-York had gewonnen, stort Fredy Budzinski zich dan als organisator in een avontuur dat hem onsterfelijk zal maken in de Duitse Sport. Hij zal ook voor de eerste maal zo'n rond-de-klok-race over zes dagen naar Berlijn brengen. In de schemering van Restaurant Dessel, toen een topadres op Boulevard Unter den Linden, sluiten apotheker Georg Hölscher die de Directeur is van het Sportstadion Friedenau, Otto Buchwald een onmetelijk rijke sportman, en de sportjournalist Fredy Budzinski een opmerkelijk verbond. Zij zullen de eerste zesdaagse in Europa laten geboren worden. Op een houten ovaal van 150 m in de expositiezaal van de dierentuin van Berlijn Charlottenburg zullen zij zoals te New-York het Circus der Waanzin aan de Duitse wielerliefhebbers tonen. Zij selecteren 15 koppels met renners uit Duitsland, Verenigde Staten, Frankrijk, Nederland, Zwitserland, Bohemen en Groot-Brittanië, en lokken die met hoge startpremies, en schone geldprijzen in goudmarken.

    Op 15 maart 1909, nog net voor das Freiluftsaison op de weg begint, staan de Helden van de Zesdaagse Strijd aan de start. De toppers uit de verre USA, Jim Moran en de 1m92 lange Floyd MacFarland, voeren het tempo aan. Het zijn fanatieke harde kerels met een grenzeloze uithouding en wilskracht. Zij razen rond de kleine piste tijdens een buitensporig feest en leggen 3.865,75 km af in het waas van tabaksrook, bier en braadworst, zweet en geur van massageolie. Terwijl in de cabines van de ploegen wielen worden hersteld,  huilende en kermende kerels terug worden opgelapt, zombies terug wakker worden door allerlei middelen, waaronder ook cafeïne en cocaïne, speelt een grote fanfare de Sportpalaz Walzer, roken dikke mannen dure sigaren, pronken criminelen met flessen champagne en halfblote vrouwen die naar parfum ruiken, vullen de sportjournalisten kolommen over de duivelse kerels op hun racefietsen. Wanneer ook kroonprins Wilhelm von Hohenzollern-Pruisen, en enkele figuren uit de High Society het gebeuren komen bijwonen en zich goed amuseren, worden deze Sixdays von Berlin een groot succes. Het zal echter duren tot 1925 eer men in Berlijn weet dat er bij ons in Belgïe goede coureurs zijn voor zulke Sechstagenrennen, terwijl ook hier de flandriens de weg naar Berlijn niet konden vinden. Na zo'n lelijke oorlog waren er waarschijnlijk te weinig goede relaties op sportief vlak. Die Faszination des Sechstagenrennens im Velodrom bleef tot vandaag bestaan te Berlijn en in die moderne metropool zal tussen 27/1/2011 en 1/2/2011 de 100ste Zesdagen van Berlijn zich afspelen op de 250 m baan van de Landsberger Allee met de beste pistiers van vandaag.   www.Sechstagenrennen-berlin.de  .

    Enkele maanden na die eerste zesdagen in 1909 zal er op een zomerse zondag een drama plaatsvinden op de nieuwe wielerbaan van de Botanische Tuin in de Potsdammerstrasse. Alhoewel de buurtbewoners hadden geprotesteerd tegen de bouw van deze velodroom die veel lawaai zou brengen, kwam er toch een baan van 300 m en 8 m breedte, met een te goed gepolijst wegdek. De sportliefhebbers waren ongeduldig om de kwaliteit van deze piste te kunnen beoordelen tijdens een halve fond koers. De Amsterdammer John Stol, toen uitblinker in alle baandisciplines, vloog al vlug door pech tegen de grond, en de aanstormende motor die hem wilde ontwijken gleed uit, vloog in het publiek  waar zijn benzinetank ontplofte. Het verschrikkelijke bilan bedroeg 9 doden en 50 gewonden.  ( zie de foto vooraan met wat Fredy Budzinski toen schreef) .

    Interbellum. Nadat hij een uniform droeg van 1915 ot 1918 trouwt Budzinski met Erna Grau, die van Joodse afkomst is. Zij krijgen een zoon Klaus Budzinski die dus half-jood is en later ook voor een krant zal werken. In 1920 organiseert Fredy een leuk gebeuren dat tientallen jaren zal blijven bestaan, namelijk het Duitse Kampioenschap voor krantenjongens. In 1923 is hij de eerste reporter die aan de radio over sport komt spreken. Vanaf 1924 zorgt hij voor het Bondsblad van de Duitse Radsport en vanaf 1926 vertegenwoordigt hij de Duitse fietsindustrie. Nadat Budzinski de uitvinder was van het tot heden gebruikte puntensysteem tijdens de zesdaagsen, scoort hij ook op gebied van pure techniek door het kattenoog uit te vinden dat op de pedalen wordt gemonteerd. In 1933 nemen de Nazi's het hem kwalijk dat hij een bekende Berliner is, maar met een echtgenote die niet arisch is. Dat loopt ook erger door tijdens de jaren nadien, omdat hij zeker niet wil scheiden van zijn vrouw. Hij werkte toen voor Het Geïllustreerde Wielertijdschrift. Door de sportwetenschapper Carl Diem geraakt hij aan promotie. Hij krijgt een dubbele functie voor de Olympische Spelen 1936 en heeft minder familiale zorgen. Budzinski organiseert de wegkoers en hij is contactman voor de internationale pers. Olympia Berlin bracht echter aan de 57-jarige Fredy geen pluim op zijn hoed. Voor het eerst wordt gekoerst over 100 km met gezamelijke start. De olympische wielerwedstrijd was voordien een lange individuele tijdrit. Er werd tevens gereden voor een landenklassement volgens optelling van de beste drie renners per land. De koers voor goud (gewonnen door de Fransman Robert Charpentier), werd ontsierd door een massale valpartij nabij de meet. De jury klasseerde groepjes renners ex-aequo, en vele finishers werden zelfs niet opgetekend tijdens de algemene wanorde. Zeker geen Duitse degelijkheid was dat toen.

    Vanaf eind 1945 wilde Budzinski reeds aan de Berlijners teruggeven wat zij graag had gezien voor die vreselijke tijd van Hitler, namelijk volksfeest dat Radsport heet, waardoor miserie en ellende worden vergeten. Terwijl de lagere militairen, toen in het verwoeste Berlijn talrijk aanwezig, graag meekoersten of er de vrouwelijke supporters kwamen versieren en drinken, besloten hun oversten van wielerkoersen op straat te verbieden omdat ' iedere samenscholing van Duitsers', moest worden vermeden. De Nestor van de Duitse wielersport, Fredy Budzinski, was toen al op pensioenleeftijd gekomen en gaf het op. Hij schreef soms nog wat in los verband in de kranten, maar bleef op de achtergrond. Behalve dan op die belangrijke dag van 21 juli 1969 toen de mens voor het eerst een stap op de maan zette, toen verklaarde de oude sportreporter het volgende tijdens een rechtstreekse uitzending op de Duitse Televisie waar hij was uitgenodigd geworden wegens zijn grote kennis over de pionierstijd van de luchtvaart : ' Nooit zou het de mens mogelijk zijn geweest vandaag de maan te bereiken, indien hij niet eerst het wiel had uitgevonden en nooit de fiets had ontwikkeld  ...! '

    Tijdens zijn lang leven van scholier, verkoper, renner, schrijver, dichter, ambtenaar, lobbyist, organisator, sportman, was Fredy Budzinski een grote verzamelaar van alles wat te maken had met de fiets en de wielersport. Zijn archieven zijn nu van onschatbare waarde en bestaan uit persberichten, kronieken, affiches, boeken, biografiën, jaarboeken, magazines, uitslagen, statistieken, documenten, brieven, knipsels, tekeningen, souvenirs en foto's over de Radsport en over de Industrie van de Fiets van 1881 tot 1966, met zwaartepunt  tussen 1890 en 1920. Het duurde lang tot wanneer dit Budzinski Archiv en al dat  'oud papier' kon gerangschikt worden op een wetenschappelijke manier. De verzameling van de reporter Fredy Budzinski bevindt zich nu veilig in de Zentralbibliottek der Sportwissenschaft van de Sporthochschule te Keulen. Deze Sammlung werd geindexeerd in een ' Findbuch'  met 227 delen.  Er zijn  3000 originele foto's, 2000 uitgeknipte foto's, 150 mappen, en 60 fardes. Toelating en reservatie nodig .

    01-10-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    30-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.HET LIED VAN BOERKE NAAS.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen BOER NAAS.

    Wie heeft er nog het lied gehoord
    Het lied van boerke Naas ,
    't En had, 't is waar,geen leeuwenhart
    maar toch, 't en was niet dwaas.

    Boer Naas die was zes runders gaan
    Verkopen naar de stee
    En bracht, toen hij naar huis weer kwam
    zesduizend euros mee.

    Joep Naas die maar een boer en was
    Nochtans was scherp van zin
    Hij ging en kocht een negenschot
    En stak daan bullets in.

    Alzo reed Naas, met wielkens licht
    En met de beurze zwaar.
    Hij zei : " Och, 'k wilde dat ik thuis
    en in mijn bedde waar ! "

    Al met ne keer, wat hoort Boer Naas,
    juist achter hem op de straat ?
    Aan 'n stop loert en roert entwat:
    't was voor Naasken toch iets kwaad !
     
    En, eer 't ventje asem kreeg,
    zodanig was 't ontsteld,
    daar grijpen 't boerke vuisten vast,
    en 't ligt daar, neergeveld .

    't En hoorde noch 't en zag niet meer,
    't en voelde bijkans niet,
    't en zij dat 't in een pistole keek,
    en zeggen hoorde " ...Ik schiet ! "

    'k Schiet, zo gij op staanden voet,
    niet al uw gelden geeft :
    en g'hebt van zo gij roert, jongeman,
    uw laatsten dag geleefd ! "

    Boerke Naas die alle dagen
    vier, vijf kruisgebeden bad,
    om lang te mogen leven,
    peinst hoe hij in nesten zat !

    " Wat zal ze zeggen " kreet de Naas,
    " wanneer ik huiswaarts keer ?"
    Hij heeft het wederom verbuist !
    Die smeerlap, nog ne keer !"

    "Hoort hier, mijn vriend, believe 't u,
     toont dat gij minzaam zijt.
    och, schiet ne kogel door mijn hoed
    dat spaart mij moeders verwijt !"

    " 'k Zal zeggen, als ik thuis geraak:
    'n kwade jacker heeft mij beroofd,
    en weinig scheelde het of ik had
    drie kogels door mijn hoofd !"

    De dief, die veel meer van poen hield
    dan van het rode boerenbloed
    schoot rap vele kogels door en door
    de top van Naaskes schone hoed.

    " Bedankt! " zei die en greep zijn slip
    " Schiet ook nog eens door mijn kleed !"
    Den dief legt aan en de bangerik houdt
    zijn koopmansjas open en gereed.

    " Schiet ook maar door mijn broek" zei Joep,
    dan peinst mijn strenge ma voorwaar,
    dat ik als bij mirakel ben
    ontsnapt aan 't ergste lijfsgevaar ,"

    De gangster zegt : " Nu zal 't wel gaan,
    waar is uw portefeuille, snel ;
    'k en heb noch tijd en nog kogels meer..."
    ' Ik wel," zegt veehouder Naas, "Ik wel"

    Zijn negenschot haalt hij toen uit
    en schreeuwt: "Is 't dat ge niet,
    in one-two-three, van hier en pakt,
    gij allochtone gek, ik schiet !"

    "Ik schiet van als gij nader komt,
    uw dommen bruine kop in gruis,
    en zo gij onze boeren nog roven wilt,
    laat uw verstand niet thuis !"

    En lopen dat die vreemde deed,
    de benen van zijn poep,
    zo snel dat 't onbeschrijflijk klinkt,
    hoe harder ook ik dat roep.

    Hier stop ik, dichte een ander nu
    'n voois over de liefde of Joep Naas,
    't is waar, hij was geen leeuwenhart,
    maar toch, hij was niet dwaas !

    30-09-2010 om 16:12 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    29-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Hubert Opperman from Australia.



    Ter gelegenheid van de Wereldkampioenschappen Wielrennen 2010  in Australië herhaal ik graag en met enige aanpassingen het bericht waarmee ik als blogschrijver begon .

     

    THE  MOST  WONDERFUL  MAN  EVER

     

     

    Nu dat onze 21ste eeuw al een tijdje loopt kunnen wij even  terugblikken op die bonte wereld van de wielersport, op de generaties wielerkampioenen, op de verschillende disciplines en op de diverse krachtmetingen die er in de loop der tijden zijn geweest.  Armstrong  die in het geheugen van de hedendaagse wielerfans bekend  is als de kampioen van de voorbije jaren  is  een naam op een lijst waar natuurlijk onze  Eddy  Merckx  staat onderlijnd. Maar wielerkoersen begonnen reeds in de periode van koning Leopold II. Vandaag in het tijdperk van Contador, Cavendish en Gilbert worden via televisie en internet de wielerliefhebbers echt verwend, terwijl ook de goedbetaalde  renners  niet zouden mogen klagen omdat er te strenge regels en te zware ritten zijn.

     

    Vanaf 1869 waren er steeds echte mannen, potige kerels, cracks, topatleten, die op hun koersfiets de wereld overbluften met hun kracht en persoonlijkheid. België is voor de  ‘coureurs’ een thuishaven, een tweede vaderland, en  zeker voor de wielercracks uit  Australië, een continent gelegen aan de andere kant van onze wereldbol.  Geen  mens van bij ons zou het woord  ‘allochtoon’  voor hen gebruiken. De Australiërs vochten tijdens de Grote Oorlog met ons in de loopgrachten van 1914-1918. Zij rijden in 2010 met en tegen onze fietsende kampioenen.

     

    Omdat de grote kampioen waarover we het zullen hebben, van zo ver kwam  in een tijd dat deze wereld nog niet globaal was zoals vandaag, wordt hij in de galerij van de grootste kampioenen aller tijden vergeten. Dat zou  nooit mogen gebeuren. Evenmin zouden er sportliefhebbers mogen zijn die menen dat Australiërs hier komen om nog te leren fietsen.  Robbie McEwen, Cadel Evans, Richie Porte, Leigh Howard, Stuart O’Grady,  Michael Rogers,  Allan Davis, Michael Goss, e.a.  vertegenwoordigen een  groot sportland, waar het wielrennen een oude en rijke traditie bezit. Het is een eer en een genoegen om met Australiërs team te vormen. Het is goed dat er weldra een grote wielerploeg uit Australië aan de start van de Europese grote koersen zal staan.

     

                                                       

                                 Sir  Hubert  Ferdinand  Opperman .

     

     

    Het gebeurde op 18 april 1996. Te Wantirna in the City of Knox  nabij Melbourne, viel een oude en rijke man van zijn fiets terwijl hij nog op de rollen trainde. Een hartaanval velde plots deze negentig- plusser. Zijn lichaam werd discreet gecremeerd. Pas toen zijn as door de wind  was weggeblazen  vernam de wereld dat hij niet meer tot de levenden behoorde. Daarna pas volgde een nationale rouw.  Opperman  was de familienaam van deze man. Het is belangrijk dat de jeugd van alle landen weet dat deze unieke sportman heeft bestaan.

    De wielersport is een harde school. Van een knaap die  kleiner of armer  is dan zijn kameraden kan zij echter  een mens maken die door inzet en wilskracht de top  van de samenleving kan bereiken. Moge het leven van Opperman nog velen inspireren tot werkkracht, grootse daden en resultaten.

     

    Hubert Opperman was van nederige afkomst uit een familie van Duitse emigranten. In plaats van te blijven knabbelen op kauwgom, peukjes te paffen en meisjes te versieren, gebruikte hij zijn tijd en zijn spaarcenten om een fiets te kopen. Daarmee werd hij zo groot als de  Kilimanjaro in het midden van  Afrika. Vele prestaties van de kleine Hubert Opperman zijn gewoon niet te vergelijken met wat andere wielerkampioenen voor hem of na hem vermochten. Wie aandacht heeft voor zijn palmares van wielrenner zal daarmee akkoord gaan. Wie daarna zich buigt over de volgende  levensjaren van deze man  zal ongetwijfeld verstomd staan.

     

     

         A Cycling Sensation Called Oppy

     

    Een kleine stevige jongen reed op een gewone fiets mee in de open wegwedstrijd  ‘ De 80 Mijlen van de Fietsindustrie xml:namespace prefix = st1 ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:smarttags" />1921’. Hij is zeventien jaar oud . Als telegrammenbesteller per fiets werd hij als beroepsrijder toegelaten. Glimlachende inrichters gaven ook aan hem een rugnummer om meer deelnemers te zien in hun koers. Zoals voorzien in deze handicapkoers achterhalen de beste amateurs en de beroepsrenners weldra iedereen die voorsprong kreeg : jongeren, dames, veteranen, cyclosportieven en gehandicapten. Nog wat later kunnen velen vooraan het  tempo niet meer volgen, behalve dan die ene jongen, bekend als ‘Oppy’, die veel  fietst om telegrammen af te leveren. Deze Oppy volgt alle versnellingen van de favorieten en de beroepsrenners. De   Cycle Traders 80 Handicaprace eindigt met een sprint tussen de zes sterkste koplopers. Ondanks enige vuile streken van zijn concurrenten eindigt  de zeventienjarige op een prachtige  derde plaats. Na zijn eerste wegkoers staat hij al op het podium !

     

    In zijn befaamde biografie schreef Hubert Opperman later zelf dat de kleine stap die hij toen maakte om na deze 80 mijlen op dat podium  te klimmen zijn hele verdere leven heeft bepaald.  Hij won toen immers een sportfiets Malvern Star. Deze werd hem geschonken door  Bruce Small,  een 26-jarige die op de velodrooms had gereden met fiets en motorfiets , en die met zijn broers Frank en Ralph zopas een fabriekje had overgenomen. Die broers uit de wijk Malvern maakten sedert juni 1920 vijf fietsen per week. Maar Hubert wou geen andere fiets dan de zijne waarop hij goed gewoon was. Uit deze assertieve houding blijkt reeds dat de 17-jarige een kopje heeft en kan onderhandelen, want  Bruce Small brengt Oppy’s fiets wat in orde en  betaalt de prijs van de gewonnen fiets aan de jongen. Dit wordt de start van een levenslange vriendschap, want voortaan zullen deze beide mannen  altijd en overal samenwerken  in sport, travel, business en politiek. 

    Vanaf 1922 is Hubert Opperman de eerste bediende bij  Malvern Star.  Hij staat in de winkels met de klanten, geeft instructies aan het personeel, of hij demonstreert tijdens wielerproeven de kwaliteit van de producten. Wanneer hij niet traint, rust, reist of koerst, is Hubert Opperman ook bezig met marketing, promotie, public relations, dienstbetoon, verkoop, boekhouding of schrijft hij stukjes voor de kranten. In al wat hij doet is hij onverzadigbaar, een slim mannetje dat lang kan aanklampen en steeds verder vooruit blijft gaan.

     

     

    Bruce Small  uit Sydney.

     

    Entrepreneur en verkoper, was Bruce Small  een kerel  die voor de jonge Oppy een tapijt uitrolde naar een  leven dat een bijzonder avontuur werd. Bruce was zelf een sportman die  het Australisch snelheidsrecord op een motorfiets verbeterde en in de atletiek 100 yards in 10 seconden liep. Hij reed wat mee in wielerkoersen tot wanneer hij in zaken ging. Zijn ouders ijverden ondertussen voor  ‘het Leger des Heils’ en zo kwam het dat hij ook een goede  muzikant was. Deze man met ontembare werklust stond 100% achter  Hubert Opperman, nadien ook achter Patterson, Morettini en tandemkampioenen. Hij was begeleider, sponsor, en businessman.

     

    In de twenties wilden alle Australiërs een Malvern Star van Bruce Small hebben, zo een fiets   waarop Oppy records reed. Hij die startte met een klein atelier te Malvern  groeide tot eigenaar van een industriel imperium en distributienetwerk dat na de fifties overgenomen werd door de multinationals  Philips en Raleigh. In het begin van de oorlog  was hij gepast met zijn productie in zijn ateliers veranderd. Niet langer fietskaders maakte hij, doch dag en nacht werden er toen bij Bruce Small buizen gemaakt voor tenten en voor radiomasten, om het Australische leger uit te rusten. Door het wegvallen van de invoer uit de USA en Europa  proberen de Bruce Small Industries in die tijd ook van zelf alle metalen voorwerpen te maken die in er Australië nodig waren. In 1945 produceerde zijn Company opnieuwr 50.000 fietsen per jaar. Maar zij hadden ondertussen vooral een  netwerk uitgebouwd  met duizend verkooppunten. De zeshoekige ster van de Malvern fiets betekende immers topkwaliteit aan een fatsoenlijke prijs. Via hun prima organisatie, door naambekendheid en vertrouwen, verkochten zij in al hun winkels ook andere fietsmerken voor ouderen, kinderen en vrouwen. Tijdens de  naoorlogse heropleving en de vraag naar motorfietsen, stofzuigers, koelkasten, radio’s, elektrische  toestellen,  metalen voorwerpen, groeiden de verkoopcijfers explosief . De klanten mochten ook al betalen op maandelijkse afbetaling, hetgeen eerder weinig gebeurde. 

    Vanaf 1958 ging de miljonair B.Small aan de Australische kust  rentenieren, maar kon hij uiteraard niet stilzitten. Hij veranderde die Gold Coast in een paradijs voor surfers en toeristen. 

    In 1967 tenslotte  piekte hij in de politiek met de slogan : ‘ Think Big … Vote Small ’ . Zo werd Bruce Small  in Queensland  nog  burgemeester en parlementair tot op de leeftijd van 72.  

     

                                                  

    HUBERT OPPERMAN & BRUCE SMALL

    Altijd samen in glorie of in pijn, zo bestond er een geweldig duo dat veel van de wereld zag , een winning team. Bruce Small ging als soigneur zo ver dat hij zelfs in het midden van de straat  op een gasvuur verse vis bakte, het lievelingsgerecht van zijn aanstormende renner. Hij kon precies op tijd deze versgebakken vis opdienen toen  Hubert Opperman even stopte zonder echter het zadel van zijn wereldberoemde  Malvern Star te verlaten.

     

    Oppy schreef aan zijn vriend bovennatuurlijke gaven toe, zoals zijn kennis voor wat zou gaan gebeuren. Hij was een engelbewaarder, een body-guard, iemand die de gave had van te kunnen anticiperen, te denken en te innoveren. Minstens viermaal ontsnapte Bruce Small  op haast miraculeuze wijze aan de dood. Zoals in de Tour 1931 toen hij met een fantastische acrobatische jump nog uit een open wagen kon springen  net voor deze in een ravijn dook,  met dodelijke afloop voor de andere inzittenden.

     

    Wat betekende Small voor Opperman ?

    Zo schreef Sir Hubert   : ‘ Ik zag hem meer op mijn wegen dan alle mogelijke verkeersborden. Hij was de man die me tot het maximum duwde wanneer mijn spieren en mijn wil het niet meer deden. Zijn zakenflair zorgde dat financiële return volgde op mijn atletische prestaties en dat mijn reconversie zo bijzonder was. Toen ik liever mijn hoge post van minister had geruild voor een fietstocht doorheen Frankrijk was hij er nog steeds aan mijn zijde zodat ik me niet alleen voelde.’

     

    Opperman, die onklopbaar was geworden  in de Australische wielersport , nam samen met zijn coach-manager de grote oceaanboot  naar Europa. Hij trainde dagelijks op de rollen  met zicht over de oceaan. Perry  Osborne, Ernest Bainbridge, en Hary Watson  waren de ploegmakkers die deze  lange boottocht ook hebben meegemaakt. Nog maar pas aan land na 5 weken op zee startten zij op 17 mei 1928 in  Parijs-Rennes  (346 km) tegen ervaren kampioenen zoals  Nicolas Frantz (winnaar) en Gaston Rebry (derde).  Deze  kangoeroes reden allen samen mooi de koers uit. In Parijs-Brussel (375 km) op 27 mei  1928,  kwam Hubert Opperman  reeds tot een derde plaats. Georges Ronsse en Nicolas Frantz moesten alles doen om hem bij te houden. Oppy was echter een locomotief maar geen sprinter. Zo verdienden de Australiërs hun selectie voor de Tour 1928 voor het wielermerk  RAVAT en de banden DUNLOP. Bainbridge sneuvelde in de 15de rit, maar Opperman  (18de), Watson (28ste), en Osborne (38ste) schreven wielergeschiedenis. Alle insiders stelden vast dat de sterke Hubert Opperman tot veel meer in staat was. Voor hem waren  al de ritten veel te kort en niet op zijn maat. Hubert Opperman verfoeide het te lange verblijf en het nietsdoen op de  muffe hotelkamers tijdens een Tour de France. Hij kon in de Tour op de Franse wegen niet genoeg genieten van  La Vie au Grand Air ‘ … Dat was zijn leven tijdens lange continentale fietstochten dwars door Australië.  Hij vond de afdalingen van cols en de massa toeschouwers langs de weg gevaarlijk. Maar, helaas, in plaats van langere ritten te maken zal Henri Desgrange  het aantal ritten vermeerderen en hun afstand verminderen. Die Tour is dus niets meer voor Opperman die liever wegritten van minstens 1000 km had.  Drie jaar later zal hij slechts tegen hoge betaling nog meerijden om te trainen voor de komende Parijs-Brest-Parijs.

     

    Na de 5376 km tegen de wegrenners van de Tour  in juli reed  Oppy tussen 13 en 19 augustus 1928  op de Parijse  500 m wielerbaan  Buffalo de zesdaagse in open lucht tegen de baanspecialisten. Hij vertrok met Paul Broccardo als ploegmaat doch eindigde met François Urago.  Na  3386,5 km in 6 dagen reed hij als derde de ereronde.  Hij  klopte toch zeer sterke mannen uit die periode zoals  Gerard DeBaets,  Giovanni Brunero en  Piet Van Kempen.

     





     


       ***    1-2 september 1928  Bol d’Or   sur la piste de Buffalo à Paris   ***

     

     

    Toen de wielerkampioenen vooral op de velodrooms goed verdienden, omwille van de massale aanwezigheid van toeschouwers die inkom betaalden, was de  Bol d’Or  te Parijs een zeer grote klassieker.  Deze baankoers werd in 1928 in open lucht op een piste van 500 meter omtrek betwist. Er werd van de deelnemers het uiterste gevraagd :  24 uren lang zo snel en zo veel mogelijk  afstand  rijden, geholpen door gangmakers op tandems en tripletten.  Wat een  geweldig wielerspektakel  was dat toen ieder jaar !

     

    Manager Bruce Small  had voor marathonrenner  Hubert Opperman  een mooi contract afgesloten  om aan Parijs zijn Malvern Star te laten zien .

     

    Andere deelnemers aan de start :  

    De Italianen Gaetano Belloni en Alfredo Dinale,  de Belgen  Felix Sellier en Zander Maes, en de Fransen Honoré Barthélemy, Romain Bellenger, Marcel Huot, François Urago, André Mouton en Achille Souchard.  Voorzeker een affiche met sterren om een talrijk publiek te trekken.

     

    Small,  de man die de beste fietsen in Australië maakt en verkoopt,  en die zelfs lonkt naar heel het Commonwealth  moet het ongelooflijke aanzien. Op korte tijd rijdt kameraad Oppy  zijn beide fietsen kapot en dit telkens door kettingbreuk.  Sabotage ! Er werd een metaalzaagje gebruikt om de onherstelbare pech te veroorzaken. Gedurende één uur moet de pechvogel uit Melbourne eenzaam en alleen te Parijs wachten . De vertaler-tolk die het Australische team bijstaat, is samen met Small naar huis gelopen.  Zwetend komt eindelijk de onverwoestbare coach weer opdagen  met een gewone sportfiets geëquipeerd met zware wielen,  spatborden  en een bizar stuur. Gedurende elf uren achtervolgt met deze fiets de woedende Oppy  de mannen die aan de leiding rijden. Daarna pas heeft hij na zijn stilstand een voldoende aantal ronden afgelegd om echt terug in de koers te zijn. Zijn gangmakers op tandem kunnen nog amper het hoge tempo aan. Coach Small verwisselt deze gangmakers van plaats op hun rijtuigen zodat de man met de breedste rug meer beschutting biedt aan zijn renner. Deze innovatie zorgt er voor dat Opperman aan een nog hoger gemiddelde  rond de Buffalo velodroom blijft  toeren.  Andere Bol d’Or rijders imiteren dit weldra. Nadat hij zeventien uren op zijn zadel heeft gezeten stopt Oppy  voor een natuurlijke behoefte  en om wat verzorging. Terug op de baan verdappert hij nog,  rijdt hij met buitenaardse klasse, terwijl anderen beschaamd, geklopt en vermoeid  de wielerbaan  verlaten. Zo’n Bol d’Or  met menselijke gangmaking was keihard voor de mannen en de machines. Het jaar voordien (1927), haalden grote kampioenen  als Egg, Alavoine, Binda, en Girardengo niet eens de eindmeet. Tijdens de laatste ronden van deze  marathonkoers  staan  de 50.000 toeschouwers recht en vele kenners zijn van oordeel dat de beste renner aller tijden op dat moment rond de piste van Buffalo aan het rijden is. Terwijl zij lachen, applaudisseren en scanderen, weerklinkt uit alle kelen  nog  enkel     Allez  Oppy  … !’ .

     

    Deze enorme prestatie ontroerde Parijs geweldig.  De schande van de sabotage deed dit ook.

    Opperman die op het thuisfront als journalist  ondertussen ook een graag gelezen columnist was geworden, wordt door een zeer grote menigte supporters gevierd ter gelegenheid van zijn thuiskomst  met de boot  in Australië. In Frankrijk, op het einde van 1928  kozen de 500.000 lezers van de krant l’Auto , anders allemaal zo fanatiek voor eigen sportievelingen, Hubert Ferdinand Opperman  als populairste sportman van Europa.
    Hij was toen liever gezien dan de legendarische Franse  tenniskampioen   Henri  COCHET . 
    Opperman werd beschouwd als een Franse kampioen en kreeg als bijnaam  ‘Le Petit Parisien’ .

     

     

    Gedurende 21 jaar was Oppy, zoals hij altijd werd genoemd, het bijkomend menselijk deel van zijn eigen Malvern Star puchbike. Zijn palmares is samengesteld uit exploten van een andere tijd, uit een ander werelddeel, in het kader van die Engelse wielercultuur die van de onze afweek. Opperman leverde vele prestaties ook op onverharde wegen in het Australische binnenland. Tijdens zijn transcontinentale recordritten stonden duizenden mensen ’s nachts op om die ene fondrenner te zien voorbij komen,  de man waarvan de naam op ieders lippen lag : Oppy de Australiër met het grootste  ‘stamina’ (uithoudingsvermogen) die fietsend  alle records van de wereld  kon verslaan op zijn Malvern Star.

     

    Op de top van de piramide gevormd door de opstapeling van zijn records, overwinningen en exploten,  zullen wij ook nog  als pronkstuk Brest-Parijs-Brest 1931 plaatsen, waardoor zijn populariteit  opnieuw een hele tijd grenzeloos was te Parijs .
    Hij werd toen zelfs weer tot  sportman van het jaar 1931  in Frankrijk benoemd.

     

                                                            __  __  __  __  __  __

     

    Tussen de Australische sportlui die zich onsterfelijk maakten door hun prestaties bevindt zich zeker de  onvergelijkbare wielerkampioen  HUBERT OPPERMAN. Deze werd in 1991 nog speciaal te Parijs uitgenodigd door Jacques Chirac en beloond  met de zeer zeldzame   MEDAILLE D’OR DE LA VILLE DE PARIS. Deze internationale erkenning was van onschatbare waarde voor het internationaal imago van het Australische volk  en maakte van Sir Hubert een  ‘ Heilige’.  Om te bedanken sprak hij deze eenvoudige woorden  uit  :

     

             ‘ Ver van huis in het onbekende …  is winnen mogelijk …

                maar waardevol is er vooral de lach en de vriendschap ‘

     

    Opnieuw  veerde  ‘ le Tout Paris ‘  recht om hem minutenlang  een staande ovatie te brengen.

     

     

     

    Volgens Sir  Hubert in zijn biografie  Pedals, Politics and People

    was die  prachtige   2 september 1928 op de Buffalo  het grootste, het mooiste, het sterkste, dat hij als mens en als wielrenner ooit heeft gepresteerd.

     

    1928-    UITSLAG  BOL D’OR       PARIS  BUFFALO 

     

    1.   Opperman    950,060 km  /   nieuw record     oud record 1924 Oscar Egg  936,325 km-   Gemiddelde snelheid over 24U    39, 585 km .

     

    2.      André Mouton       op  106 ronden

    3.      Marcel Huot          op  155 ronden

    4.      Felix Sellier           op   243 ronden

    5.      François Urago      op  498 ronden .

     

     

    Prestaties in Australië :

     

    Nationaal kampioen op de weg   1924- 1926- 1927 – 1929

    Overwinningen in  de klassiekers Warnambool-Melbourne en  Goulburn-Sydney .

     

    DE MALVERN STAR  KAMPIOEN  WAS ECHTER VOORAL  EEN  INDIVIDUELE  EENZAME FIETSER  OVER  LANGE EN ZEER LANGE AFSTANDEN  TEGEN DE TIJD.

     

    Hij realiseerde in deze voor ons niet zo vertrouwde wielerwereld  101 records .

     

    We geven even een lijstje om te proeven  :

     

     

    WEGRECORDS ZONDER GANGMAKING

    1929- Sydney-Melbourne  909 km in 37u 06’

    1936- Brisbane – Sydney  1047 km in  47u 10’

    1937- Perth- Adelaïde  2724 km in  9 dagen 6uren 1 minuut

    1937- Perth- Melbourne  3498 km in 11 dagen 4 uren 5 minuten

    1937- Perth- Sydney  4625 km in 13 dagen 9 uren 22 minuten

    1937- Freemantle- Sydney 4402 km in  13 dagen 10uren .

    1938- 1000 mijlen in  63 uren 37’30”  -

    1939-  506 mijlen 396 yards in  24 uren  -

    1939- Millicent  (Lakes Entrance)  814,154 km in 24 u – gem. 33,923 km . 

     

    RECORDS OP DE BAAN   MET GANGMAKER

    1926-    5 mijlen  in  4’42”

    1932-Melbourne Motordrome -  1384,075 km in 24 Uren-  gem.  57,669 km .

     

    RECORDS OP DE BAAN  ZONDER GANGMAKING.

    1940 - 786,801 km in 24 uren .

     

    RECORDS OP BRITS GRONDGEBIED

    1934-  24 uren -   742,953 km -  gem. 30,956 km.

    1933-  John O’Groats- Lands End  in 57 uren en 1 minuut – gem. 24,448 km

     

    RECORD OP TANDEM

    1935-  London-Bath-London   in 8 u 55’34”  

     

    Hij klopte vele records zo dat niemand ze nadien nog durfde  aanvallen.  Daarom mogen wij zijn prestaties toch niet vergeten.  Hij reed vooral om te bewijzen hoe goed de fiets wel was waarop hij reed :  zijn   MALVERN STAR .

     

    In 1935 reed Hubert Opperman mee in het wereldkampioenschap voor beroepsrenners te Floreffe in de provincie Namen  (B) . Met Gaston Rebry  als zware blok aan zijn been reed hij lang in achtervolging  op Jan Aerts  die wereldkampioen werd.

     

     

    <

    29-09-2010 om 04:12 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Hubert Opperman from Australia (vervolg)


     

    HUBERT OPPERMAN AUSTRALIA


    (vervolg)

    Nog even komen we terug op de speciale flair voor public relations en publiciteit die het team  Small & Opperman bezat.  Zij lanceerden de aankoop op afbetaling :  voor 2 £  kon men een Malvern Star velo mee naar huis nemen  en nadien verder afbetalen a rato van 5 £ per week.

    Het in Parijs behaalde succes, commercialiseerden zij door de profs Mauclair en Bidot met hun  knappe vriendinnen te laten overkomen naar Australië . Deze elegante renners, waarmee Opperman bevriend was, net gekleed  in de nieuwste sportieve trendy mode van Avenue de xml:namespace prefix = st1 ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:smarttags" />la Grande Armée à Paris;  showden overal tijdens wielerevenementen de laatste modellen van Malvern Star  en de mode van Parijs voor sportieve dames en heren . Rasechte coureurs en mannequins  uit Parijs op de ruwe Australische boerenbuiten  laten zien, was een geslaagde promotie.    Je moet het toch maar doen … !

    Vooral door de ‘nouveaux  riches’ werd dit in Australië  gewaardeerd . Het beschaafde Parijs voor je winnen  en nadien een stuk van dat Parijs meebrengen naar je dorp aan de andere kant van de wereld . ( Geelong,  Crocodile Dundee Village,  enz.  …) . Ongelooflijk, maar waar  !

    Het onmondige wilde volkje van het toenmalige Australische wielerpeleton wat manieren leren was de bedoeling van  Bruce en Hubert .  Een beroepscoureur moet zijn uiterlijk  soigneren en de gepaste kledij dragen voor, tijdens en na de koers. Hij moet kunnen beleefd    praten met  organisators, scheidsrechters, sponsors, publiek, vrouwen, supporters en media.

    Een coureur moet een goede indruk laten tijdens de koers aan alle wielerliefhebbers. Ook dit demonstreerden de heren  Small, Opperman, Mauclair en Bidot met  veel stijl  in Australië.

     

    Hubert Opperman was de beste van de besten. Door zijn nederigheid, zijn loyaliteit, zijn plichtsbewustheid, zijn trouw aan alles en allen, werd deze oorspronkelijk zo eenvoudige man een gigant van de wielersport eerst  en van de politiek later.  Hij staat tussen de topdrie van bekendste sportlui van Australië, zij die met kop en schouder boven alle andere kampioenen uitsteken,  in gezelschap van Sir Donald Bradman (cricket) en  Sir Walter Lindrum (biljart) .

    Zijn uithoudingsvermogen was omgekeerd evenredig met zijn lichaamslengte. Het gewone woord groot paste bij hem niet, wegens zijn minieme lichaamslengte, maar wel alle andere superlatieven. Hij was een vrijwel onvermoeibare dynamo vol met pure menselijke energie.

     

    Toen Wereldoorlog II uitbrak, ruilde Hubert Opperman zijn petje, stofbril en koerstrui  voor een uniform en een helm bij de RAAF.  Hij werd luitenant en streed als piloot voor zijn land in het verre Oosten.

     

    Toen het terug vrede werd,  werd hij Directeur bij de Malvern Star Company en een geliefd politieker in de kringen van de Liberaal  Robert MENZIES.  Hij klom langzaam maar zeker op als parlementair van Corio (verkozen op 10/12/1949)  en bracht het tot Minister van  Transport (5/2/1960), tot Minister van  Immigratie (18/12/1963).  Daarna (10/6/1967) werd hij Australisch  diplomaat  (High Commisionner)  op Malta .

    Hubert Opperman was voorzitter van het Nationale Werk voor de Blinden,  voorzitter van de Vereniging van Australische Sportlui, voorzitter van de Ridders van St-Jan van Jerusalem (Orde van Malta). Hij werd in 1968 door de Engelse Queen officieel  verheven tot de adelstand.  Zo veranderde zijn naam van  Oppy   in   Sir Hubert.

     

    Hij werd ook nog eens uitgenodigd als eregast om de Tour de France te volgen.  Hij  koos toen de rit  Keulen-Luik 1965  die werd gewonnen door  Rik Van Looy.

    Als politieker was hij een onvermoeibare werker en een  ‘all-rounder’. Hij verdreef  het racisme van de  ‘ witte immigratie’ . Door de wijziging van een belangrijk wet opende hij de poort voor vele goed opgeleide en werkzame Aziaten. Zij dragen nu veel bij tot de economie van  een  multicultureel  Australië.  Hij kwam als minister veel op de radio. Hij was bekend voor de stiltes die hij inlaste tijdens interviews, gesprekken  en  redevoeringen . Hij liet de toehoorders de tijd om het te begrijpen. Hij was beroemd voor zijn  ‘ Oppygrams’ , zijn  duizenden nota’s en brieven die hij gepast naar iedereen en overal heeft gestuurd  ( registred for urgent and friendly transmission …) en waarmee hij aan zijn liberale  kiezers toonde dat hij met  zeer veel dingen goed bezig  was.

     

     

    Hij kwam uit de kleine stad Rochester tussen Bendigo en Echuca,  in Victoria. Dit is zeer Zuidelijk gelegen  in Australië  ( waar het dus frisser wordt) en niet ver van Tasmanië.

    Hij verpersoonlijkte degelijkheid en sportiviteit.  Hij zorgde dat Australië werd gerespecteerd.

    Sir Hubert  had als mens, als liberaal een vaste lijn in zijn gedachten:  ‘ Wat kan ik voor de mensen doen, en wat kunnen zij voor mij doen … ?

     

    Vandaag blijft de naam van deze man in zijn woonplaats  KNOX  verder leven door het bestaan van vele  fietspaden  genaamd de Opperman trails.  De sportievelingen  en de recreanten  volgen er de plaatjes waarop staat:

    The 101 Trail, The Trans Continental Trail,  Oppy’s Way,   The Bol d’Or Trail, The Landa End Trail  en de Paris-Brest-Paris Trail, .

    Jaarlijks op een dag in de lente wordt de gezellige   Oppy Family Fun Ride  voor allen  ingericht . Voor  sterkere fietsers is er ook  in november een fietshoogdag tijdens de  OPPERMAN ALL DAY TRIAL , een Audax proef voor groepen van minstens drie rijders.   Er wordt dan verstandig gereden volgens de Audax traditie gereden met de bedoeling  om samen  in groep  360 km af te leggen in 24 uren.

     

    Alle wielerfanaten, toeristen en renners van iedere soort,  die het einde halen van deze afstandsproef  beseffen dan maar al te goed  tot wat Oppy  als wielrenner in staat was op de stofferige wegen van het Australische binnenland van vroeger.

     

    Op het einde van elk wielerseizoen  wordt aan de beste Australische wielrenner van het jaar de Sir Hubert Opperman Trophy overhandigd.

     

    -----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

     

    Bijvoegsel :  Nog wat namen uit het  bonte Australische wielerverleden .

     

     

     

    Danny CLARK - Reggie McNAMARA  -  Bob SPEARS – Graeme FRENCH –

    Phil ANDERSON  -  Cecil WALKER -   Shane KELLY  -  Rusell MOCKRIDGE –

    Ossie NICHOLSON -  Bill GUYATT -  Alf GOULETT -  Don KIRKHAM –

    Duncan GRAY  -  Ernie MILLIKEN  -  Snowy MUNRO -  Gordon JOHNSON –

    Graeme GILMORE -  Sid PATTERSON -   Reginald ARNOLD – Donald ALLAN -

    Allan PEIPER  -  Alfred STROM -  Anthony  Neil STEPHENS -  Stephen HODGE

     

     

     

     

      

     





    29-09-2010 om 04:02 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    28-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Landen - Santiago de Compostela 1999 -(4).
    BRIEF VAN PAPA PELGRIM
    Miramont-de-Guyenne
    28/5/1999

    Liefste schatten,
    Voor jullie nog wat nieuws van uit de keuken van Yazikof waar ik ontspannen deze brief kan aanvangen, terwijl hospita Carmen naar het kwisprogramma  ' Questions pour un Champion' met veel aandacht aan het volgen is. De hele dag had zij zich dubbel geplooid om haar Georges en mezelf een goede maaltijd op tafel te brengen. Verder volgt zij nog een persoonlijk programma voor haar gezondheid en daar kruipt ook elke dag veel van haar tijd in. In de garage van het huis van deze oudjes staat een nieuw autootje dat bijna nooit rijdt.
    De dagen op weg naar Santiago vliegen voorbij. In het grote en dure Hotel L'Escale van waar ik de vorige brief schreef, had ik mijn was met enig succes gedaan en dat was toen nodig. Daarna volgde ik langs winderige dijken de Loire en kwam langs vele kastelen. Mijn bezoek aan Beaugency en Chambord was de moeite waard, alsook mijn fietstocht in die omgeving. Mijn forme is zwak. Meesmuilend bereikte ik Blois, schoof nog wat verder tot Candé, en daar kreeg ik als Gîte d'Etape een halve hoeve voor mij alleen. Keuken, televisie, zetels, en ik organiseerde daar voor mezelf een festijn met wijn en saucisson pure porc. Ook de volgende dag te Montlouis kon ik tafelen op een sympathieke manier tijdens een feest op straat en plein. Weldra bereikte ik Tours en bezocht er de kathedraal St-Gatien en vooral de beroemde Basiliek St-Martin-de-Tours.
    Toen ik in die stad l'Office du Tourisme binnenwipte voor een stempeltje in mijn pelgrimsagenda kwam ik daar twee potige dames uit Nederland tegen, de gezusters Lien en Inge Jansen, die op stap waren met rugzakken waarop ik de schelp zag. Aan deze ladies-pelgrims offreerde ik een pot bier op de stoep van een brasserie. Sedert 1 april waren zij reeds onderweg aan 20 km per dag. Bravo voor deze stevige vijftigers, medische secretaresse en verpleegster in de psychiatrie, die op weg waren naar in finibus terrae, alhoewel ik vernam dat zij aan het overwegen waren van te stoppen. Ik heb jullie daarna getelefoneerd en ben dan per trein naar Poitiers verder vooruit geraakt, want ik was nogal achter op mijn programma. Fris als een hoender nadat ik in een cinemazaal in slaap was gevallen tijdens een poging om de film ' La Vie est Belle' te zien, ben ik bij nacht op de authentieke Route Saint Jacques gaan fietsen tot in de Abdij Saint Benoït en Ligugé. Dat is de oudste abdij van West-Europa, reeds gesticht door St-Martin in de vierde eeuw. In de kapel op de plaats waar die grote Heilige een catechumeen uit de dode liet opstaan, ben ik op de vloer gaan liggen om te slapen, neergevlijd in mijn blootje op mijn donzen slaapzak in mijn proper laken. Heerlijke heilige  nacht. Modern toilet nabij op de parking. Het was hoogdag van Pinksteren toen ik die ochtend op ben gestaan. Ik stuurde van daar een kaartje naar Pater J. Boly., dat was de man die naar jullie heeft getelefoneerd. Daarna tijdens de frisse zondagmorgen reed ik zoekend naar ' LE RELAIS DE VIVONNE', het topresto voor de routiers. Samen zijn we daar vroeger gaan eten op een middag, maar nu was het voor een omelet, brood en koffie, dat ik daar ben gestopt rond 9u00 . 
     
    De warmte kwam. Ik liet mijn zware en te lange pullover achter op een geparkeerde bulldozer van een bouwbedrijf uit Parthenay, dat is de stad van Aymeri Picaud de zwervende monnik die de eerste Gids voor Pelgrims naar Compostela had geschreven, honderden jaren geleden, maar die nog altijd beroemd is alhoewel hij nooit een vrome pater was geweest. Na wat verloren te zijn gereden tussen les fermes isolées du Poitou, bereikte ik terug beschaafde wegen die me te MELLE brachten, en te BRIOUX-SUR-BOUTONNE, steden die duizend jaren geleden rijk waren omdat daar zilvermijnen waren. Ik slaap in een resto voor de vrachtwagenchauffeurs waar me een flinke maaltijd werd opgediend , met buffet de crudités et de charcuteries.

    De Sint Jakobsweg brengt me te Enseigné, de plaats waar de Orde van de Tempeliers werd gesticht. Na enkele kerken te hebben bezocht, stap ik in een kapel-zonder-kruis binnen die de naam ' Bar' draagt en daar drink ik Pineau des Charentes om te vieren dat ik ben aangekomen te Saintes, in de hoofdstad van La Saintonge. Geschiedenis van de hoogste graad ligt daar op mij te wachten, met ruïnes uit de tijden van de Romeinen en uit andere periodes, met ook Saint-Eutrope, een pelgrimskerk met onsterfelijke faam. De jeugdherberg van Saintes is werkelijk goed, en dus zeg ik eerlijk  ' Santé en bravo voor Saintes ! ' .

    Dinsdag is druk. Dat is zo als de werkweek over vier dagen wordt verdeeld. Ik fiets naar Royan met een royale pedaalstoot. Heerlijk warm, en de zeelucht prikkelt mijn neus. Aan de overzetboot ontmoet ik een fietser van St-James en een vliegende Hollander van Sint Jacob. Met Ferris kan ik een deal maken. We zullen samen een hotelkamer nemen, want dat drukt de prijs. Te Soulac-sur-Mer stoppen we, maar de 110 FF die we uitsparen op de kamer, zuipen wij op aan bier in deze badstad . Mijn nieuw kameraad is pas op pensioen. Hij was gevangenisbewaker. Zelfs het monster West, serial killer of many women, had hij gedurende vier jaren in de gaten moeten houden tijdens nachtdienst. Na afscheid van deze cyclist from Bristol zwenk ik naar de streek van de wijnen van Bordeaux en in het bijzonder van de Médoc.Tijdens de Zondag van het Onuitgegeven Boek te Leuven had ik over de Médoc-streek meerder tips gekregen van Meester Buyckx die een boek had geschreven over de Médoc-wijnen.

    Ik verspeel veel tijd door te zoeken naar Brion, waar archeologen in de moerasgrond een onbekende stad vonden, gezonken in het slijk van de Gironde. Het werd een geweldige fietstocht langs de ronkende namen , zoals St-Estephe, Mouton-Rotschild, Pouillac, en groene heuvels voor onschatbaar kapitaal aan wijnen. Ik geraak wat in paniek, omdat iedereen in deze dorpen wijnboer is maar niemand hotelier. Met rode wijn is in deze buurt meer te verdienen, als met chambres d'hôtes ou petit hotel-restaurant. Maar ik vind wel onderdak te Donissan in Chateau Cap Veyrin. De dochter des huizes Nathalie stopt me in het bed bij haar papa wijnboer. Het is een adres om bij te houden. Als we een volgende keer met de wagen hier in de buurt zijn, zullen we er zeker drie dozijnen flessen kopen.

    Mijn papier is alzo vol. Ik kwam na fiets-trein-fiets tot bij de Yazikofs van Miramon, waar ik  wat rust wil nemen, goed eten, en mijn oude vriend Georges gaan bezoeken in La Maison de Retraite waar deze oude Casanova van de marine van de tsar zijn laatste dagen triestig doorbrengt. 

    XXX   Papa Pelgrim   XXX  .


    ----------------------------------------------------------------------

    22. Lundi 31 mai.

    Er valt in de ochtend reeds een flinke regenbui. Ik neem afscheid van Carmen. Om mijn ketting te smeren krijg ik van haar een flesje dunne olie voor naaimachines. Het flesje dateert van uit de fifties toen de sjeiks nog op kamelen reden en geen olie verkochten.Gedaan met luieren, eten en siesta. Vandaag weer de fiets op !

    Ik moet echter eerst eens naar een fietsenmaker. Soms is het toeval zo groot dat een pelgrim wel begint te denken dat de heilige Sint Jacob hem daadwerkelijk helpt om vooruit te geraken op de moeilijke weg naar Compostela. Zoals op deze maandag. Octave Le Bon, na vijftig jaren tussen banden, fietszadels, en kettingsmeer, had op zaterdagavond zijn winkel en atelier gesloten met dat uniek gevoel dat een man slechts éénmaal kent : 'Oef, nu is het gedaan en zal ik van mijn appeltje voor de oude dag en van mijn pensioen kunnen genieten !' Op maandag was het altijd sluitingsdag, maar op deze laatste dag van de maand komt hij nog opruimen, want vanaf dinsdag zal een huurder de lokalen anders inrichten om te beginnen met een groentenwinkel. Octave komt van links aangereden op een damesfiets en van rechts komt een kerel met een baard aangereden op een olijfgroene trekkersfiets met vijf reistassen. Beide mannen stoppen op hetzelfde ogenblik voor de ingangsdeur van Cycles Le Bon - Castaing. 

    ' C'est fermé... et pour toujours' zegt Le Bon. 
    'Oh...' zegt de andere  ' ma roue avant est un peu voilée et je suis en route pour Notre Dame du Cyclisme et Saint Jacques de Compostelle !' .
    ' Mais je vous en prie, Monsieur, entrez-donc ...  . Mon dernier client sera donc un pélerin ... Je suis béni par les Dieux ! '  De goede Le Bon zoekt nog even zijn groen sleuteltje dat al tussen het oud ijzer was geworpen. Ah, oui, ... dévoiler les roues, voilà ce que je faisais bien... . J'ai même dévoilé les roues d'André Darrigade. Tu le connais ? Koel en beleefd zegt de pelgrim gewoon maar  ' Zandvoort 1959.'  ' Je viens du pays de Willy Vannitsen et de Jean Brankart.' De man glimlacht. Ik sta al een trapje hoger voor hem. Weldra draait mijn wiel terug zeer goed. Het kost me niets.
    Na deze technische verbetering fiets ik naar het tehuis Soussiale voor ouderen van Miramont. Grote kuis aan de ingang en nog geen bezoekuur. Ik fiets door de tuin en zoek de kamer van Yazikoff. Via het venster kan ik van hem afscheid nemen.

    Mijn kilometers zijn moeilijk. Ik moet dikwijls stoppen en de weg zoeken. Dan eindelijk verbetert  mijn vaart toch. Te Tonneins koopt ik een heerlijk stuk brood met hesp, een fles wijn, een salami en een kilo pruimen. Ik vorder langs de N113 en steek de ' Autoroute des 2 Mers' over. Aiguillon. Port Sainte Marie. La Bastide de Vianne. Nérac. Mézin. Sos. Gabarret. Zo kom ik dan in de Midi-Pyrénées. Het is een lange rit, maar hoe meer ik fiets hoe beter ik fiets. Eindelijk zie ik de wegwijzer naar La Bastide d'Armagnac.

    Ik bereik wanneer het uur reeds is gevorderd mijn doel : NOTRE DAME DES CYCLISTES.

    Een vijftigtal personen staan er in een grote kring buiten op het grasveld. Zij zingen mooi en volgen devoot een kerkelijke dienst. Ik wil niet storen en fiets dus met een boogje tot achter de kapel, waar ik Olive Green en al mijn spullen veilig uit het zicht parkeer. Ik verbeter mijn kledij een beetje, neem mijn petje van mijn kop, wrijf met een handdoek wat over mijn haren en mijn  benen en zo voeg ik me bij de gelovigen die me natuurlijk hebben opgemerkt omdat ik eigenlijk stoor. Na een paar minuten kriebelen mijn gat en mijn benen. Ik kan daar toch zo niet de minuten laten voorbij lopen.

    Vanaf 1984 had ik enkele contacten met de bijzondere man die l'abbé Joseph Massie was, le Curé de Créon d'Armagnac, Mauvezin, et Lagrange, stichter van dit Heiligdom voor de Wielertoeristen. Ik weet dat deze Eerwaarde Heer nu oud en ziek is, en ergens in een rusthuis verblijft. Gelukkig ken ik ook nog de naam van zijn vriendin - in de meest nobele betekenis van dit woord- Madame Rotenfüss. Zij moet een van de ongeveer dertig oudere dames zijn die daar rond het altaar staan. Ik vraag aan de man naast mij waar Madame Rotenfüss staat. Zij is op maar tien meter en had al meerdere malen naar mij gekeken.
     
    ' Je suis un ami de Belgique de l'Abbé Massie. Je voudrais vous parler après la Messe  ... ' fluister ik in haar oor. Nog tijdens de afsluitende lofzang neemt zij me mee naar de kapel, en zij opent voor mij terug de deur van die Grot van Ali-Baba voor de verzamelaars van ex-voto uit de wielersport. Na een kort gesprek, een kort bezoek, de nodige informatie over de geheime plaats waar de oude beroemde Paus van de Wielersport zich bevindt, en na het duwen van 100 FF in de offerblok, zie ik de nieuwe pastoor die eredienst leidde en een andere man de kapel binnenkomen. Hij zegt dat de maand mei nu voorbij is. Iedere avond was er rond het beeld van Onze Lieve Vrouw van de Weg een gezongen eredienst, en nu zullen wij ons gaan organiseren voor de komst van de toeristen  die deze zomer weer talrijk zullen op bezoek komen. ' Mais, ce n'est plus votre affaire, n'est-ce pas, chère Madame Rotenfüss, vous avez pris votre retraite ... !

    Oei, welke toon is dat  ....  ?  Het is hier in deze parochie precies burgeroorlog.
    Het Heiligdom moet nu worden gesloten, het alarmsysteem wordt aangezet, de stevige poort sluit zich en de twee mannen, de priester en de leek, duwen de oude Madame R. in hun wagen en brengen deze trouwe medewerkster van ' le fondateur du sanctuaire' terug naar haar woning. Zij groetten en bekeken mij amper. Ainsi le pélerin de Saint Jacques que je suis et mon vélo de grand randonneur restent seuls auprès de la Vierge et de la Chapelle de Géou.

    Ik was al drie dagen bij Carmen  en heb geen goesting om deze avond ook nog verder te babbelen met een Madame Rotenfüss, alhoewel die haar lippen wel heelwat te zeggen hadden, ... mais demain, l'abbé vous expliquera bien tout ce qui se passe ici.

    Terwijl de avond valt, voel ik mij zoals in de hemel.  Notre Dame du Cyclisme et moi, moi, moi, .. quelle émoi ... !  Mijn ontroering is zeer groot. Ik krijg zachte tranen in mijn ogen.

    Ergens aan de kant staat een stenen tafel met zitplaatsen. Ik verhuis fiets, have en goed, naar deze tafel. Ik open mijn fles rode wijn, snijd schijfjes af van mijn saucisson, en rustig blijf ik daar zitten nabij Notre Dame. Het is er goed en kalm. Daarom besluit ik om daar te slapen in open lucht in mijn slaapzak. Ik de stilte van de avond is het heerlijk. Er moet geen geluid zijn, er moet geen woord gesproken worden, maar wie is die man daar naast de Moeder Gods die minder dan een korrel zand is in de oneindigheid van het heelal?

    Ik probeer onder de tafel te gaan liggen, daar kan mogelijke regenval me niet deren, maar weldra besef ik dat de etensrestjes van mij en van anderen allerlei kleine kruipende diertjes lokken. Die vele andere bewoners van onze planeet moeten ook ieder etmaal wat eten alvorens zich te kunnen vermenigvuldigen om hun soort in stand te houden. Ik vlucht daarom naar een proper stuk grasmat aan de andere kant van de kapel waar ik slaap in verschillende porties, omdat ik af en toe terug wakker word want ik ben niet moe na mijn rustdagen te Miramont.
     
    In het midden van de nacht komt een auto tot aan de ingang, maar niet verder. Een man haalt een radiopost uit zijn koffer, plaatst die op het dak en begint zo te spreken in een voor mij onbekende taal of dialect. Ik vermoed dat het baskisch is, doch weldra vertrekt hij weer. Ik ben echter bang dat een tweede persoon me langs achteren zou overvallen omdat ik niet weet of meer mannen in die auto zaten. Daarom vul ik mijn slaapzak met fietstassen, laat de zo gemaakte pop liggen, en met mijn opinel in de hand stel ik me wat verder op in de duisternis. Na een kwartier vertrekt de geheimzinnige auto terug en is het weer heilig en stil. 
    La Vierge, Olive Green, en ik slapen daarna  lekker verder tot wanneer de zon weer opkomt over Cazaubon en Créon.

     

     


     

    23. Mardi 1 juin.

    Toen ik een jongen van 8 was studeerde ik al buiten de schooluren voor Winnetou, hoofd van de Apachen, en toen ik vervroegd mijn pensioen had gekregen, logeerde ik op campgrounds in Wyoming en Zimbabwe, en daarom ben ik ook nog fit en levend om de nieuwe maand te beginnen na een nachtje slapen op het groen van Notre Dame du Cyclisme.

    Bij de warme bakker koop ik een taart voor Joseph Massie die ik al vroeg bezoek op zijn kamer in het rusthuis van Labastide. Na kloppen stap ik daar binnen. De oude priester denk dat ik een verzorger ben en roept me naar de toiletkamer waar hij met moeite probeert zijn broek terug aan te doen. Ik help hem even. Na wat twijfelen herkent hij me en ook mijn familienaam Journée komt over zijn lippen.Wij praten over het trieste levenseinde van Luis Ocana en over die fantastische kerel die André Darrigade nog altijd is. Zij waren vrienden van Joseph Massie. Verder komt ter sprake hoe anderen nu zijn kapel en zijn museum beheren. Voor hem was alles voorbij, maar zijn goede medewerkster, een wat grillige vrouw met een hart van peperkoek, had daar veel moeite mee. Zij komt nog elke dag op bezoek, of dat nu gepast of ongepast is. Ja, het lot van priesters is zo dat zij in hun parochie altijd van die onmisbare deftige dames moeten verdragen. God zal Madame Rotenfüss oordelen en ongetwijfeld ook goed belonen. Onze ontmoeting loopt plots tot een einde wanneer de almoezenier van het rusthuis de hulpeloze wielerkampioenen-priester in zijn rolstoel komt halen voor de dagelijkse H.Mis die zij samen opdragen. Ik groet deze heilige man. Hij zal 193 dagen later sterven.

    Villeneuve de Marsan. Aire sur l'Adour. Barcelonne-du-Gers. Geaune. In een restaurantje eet ik varkenspoten en zie hoe zware jongens uit de streek daar kaart spelen ' en bons copains'. Wat later aan een wegsplitsing ontdek ik een zitbank, maar vermits het gras mals is, leg ik mijn slaapzak open. Tussen 14 u00 en 17u00 slaap ik er op mijn rug in de schaduw van een boom. Wanneer ik terug inpak, rijdt een combi van de gendarmerie langzaam voorbij. Ik kruip terug op mijn fiets, maar mijn stijve benen beletten mij van meer dan 20km/u te halen. Ik geraak echt niet vooruit en dan is er ook nog tegenwind. Eindelijk een schone bergaf naar een diepe vallei en weldra rol ik tegen 60km/u zelfs door een bebouwde kom waar maximum 50 km/u toegelaten wordt. Nog wat verder, plots weer die combi van de gendarmerie.  STOP.  Het is toch niet waar !  Zal ik een boete krijgen wegens overdreven snelheid ?  Twee grote strengkijkende kerels met een snor komen naar mij toe .

    Etes-vous Hollandais, Monsieur ?   vraagt de grootste me .

    -Ne dîtes surtout pas à un Flamand qu'il est Hollandais, Monsieur le Gendarme. Je suis un pélerin sur la route de Saint Jacques, un ami de l'Abbé Massie, un Belge retraité de la Banque Fortis, un père de famille qui a toujours payé bien ses impöts, et j'aime le cassoulet et Gilbert Bécaud, ... !
    Voici la coquille qui est à mon guidon, voulez-vous d'autres renseignements ?
    -Nous vous avions déjà observé tout à l'heure. Nous cherchons quelqu'un, mais ce n'est pas toi.
    Hé, Francis, nous deux à vélo, quand on aura la retraite dans six ans,  pédaler comme lui jusque Saint Jacques de Comostelle, voilà ce qui serait bien  ... !
    -C'est bon, continuez et ne roulez plus si vite car notre service est presque terminé et votre accident nous obligerait à faire des heures supplémentaires !
    -Merci, messieurs les gendarmes.

    Ik fiets dus verder en kom ongestoord aan een Hotel de France, waar dat was heb ik nooit genoteerd, maar het was zeer groot, zeer goed, en redelijk duur. Tijdens het avondmaal verzeil ik met twee andere tafelgangers in een breed gesprek over de geschiedenis,over de geheimstokerijen van armagnac, en de jacht op wilde duiven, tot wanneer mijn fles wijn leeg is.

    24. Mercredi 2 juin.

    Lang geslapen . Heerlijk bad. Rustig ontbijt.

    Het is warm en via Pecorade ik probeer Hagetmau te bereiken. Ik koop l'Equipe en lees daar een tijd in zittend op een bank in de zon aan een druk kruispunt. Dan ga ik op zoek naar het Hotel- Restaurant routier LA CREMAILLERE. Dit kleine hotel komt voor in het boek van Miles Morland uit 1992 ' The man who broke out of the bank and went for a walk in France'. Dit gaat over een man die zijn goedbetaalde baan opgaf om samen met zijn vrouw 560 km te gaan wandelen. Zij veranderden abrupt van levenstijl en vinden een nieuw geluk.

    Ik eet er tussen de routiers. De eigenaars weten niet dat hun hotel wordt geciteerd in een bestseller in de Engelse taal. Op weg naar Orthez lijd ik van de warmte en van de dorst. Het is er zeer mooi om te fietsen. De mensen spreken er het eigenaardig dialect uit Gascogne waaraan ik moet wennen. Mooie heuvels. Het golvend landschap van La Chalosse.

    Sauveterre de Béarn. Ik spreek even met een groep Vlaamse wandelaars die daar met een tocht van tien dagen bezig zijn.  Mijn route brengt me bij de Franciscanen van St-Palais ( Don Paleu) en daar kom ik terecht tussen talrijke andere pelgrims die te voet naar IN FINIBUS TERRAE willen.
    Ik kan daar eten, slapen op een slaapzaal ( un hébergement collectif), en veel lezen over de CAMINO DE SANTIAGO, maar ik vind daar niemand om een goed gesprek te voeren, want zij zijn wandelaars met pijnlijke voeten en ik ben een fietser, iemand van een andere soort dan zij.  

    25. Jueves, 03 de junio.

    Don Paleu . Ik maak een praatje met een wandelende pelgrim uit Holland die hoopt van ergens zich te kunnen vestigen in een klooster, een herberg, of een refugio, om daar te blijven en verder te leven als een hospitaalridder uit de verleden tijden . Hij wil voor zichzelf een sober leven en zich ten dienste stellen van allen die voorbij komen op de weg naar Santiago. Ik waag het van de GR65 te volgen, zeer moeilijk voor fietsers, bestemd voor wandelaars met zware schoenen. Aan een groot kruis zit een man . Hij komt uit Haute Savoie. Praatje. Galzetaburuku Gurutzea.

    Zo kom ik dan aan de Nive met haar glinsterend water. Ik maak een paar foto's.
    St-Jean-Pied-de-Port  bereikt even voor het middaguur. Na wat zoeken vind ik Madame De Bril op haar kantoortje, net toen zij wilde vertrekken. Kijvend wijf zoals er overal in de parochies dames zijn die menen dat zij fel belangrijk zijn en een hoge graad bij de gendarmerie hebben. Het valt me daar niet goed mee en daarom zet ik dus maar mijn fiets op toeren voor de beklimming naar Roncevalles, en dat is een route van 17 km bergop !

    Ouf, ouf, wat gaat dat slecht  ... . Ik doe veel stukken te voet en soms knabbel ik op een stukje harde saucisson om te genieten van wat smaak, want voor mijn ogen en mijn neus is het wel prachtig in de Pyreneeën. Alto Ibaneta. Ik kom boven zonder veel glorie als klimmer en vind eten en slapen in de jeugdherberg waar het proper is. Avondeten in een nabij gelegen Hostal. Ik at er forel  en kon wat praten met twee Amerikanen. De meeste pelgrims gingen op die avond naar een dienst in de kerk maar daar tussen veel volk in onfrisse kledij voelde ik me benauwd, en daarom wandelde ik wat rond tot als het donker werd om van de berglucht te genieten.

    26. Viernes, 04 de junio.

    Hoera ... vandaag word ik 55 jaar en vermits ik nog leef zal ik behoren tot zij die mogen genieten van het afkoopkapitaal Leven van mijn groepsverzekering. Ik begin mijn dag rustig, want mijn buit is toch al binnen sedert het wakker worden. De andere pelgrims zijn reeds uit de grote kamers verdwenen, weggevlogen als zwermen duiven. Zij laten een berg afval achter, en ook kledij en eten, omdat zij te veel gewicht moesten dragen tijdens de steile weg die hen boven bracht. De kuisvrouw van de herberg stockeert dat allemaal in het lokaal van de gevonden voorwerpen, of herverdeelt tussen zij enkele uren later al weer zullen aankomen. Zij geeft me doosjes sardienen en een zak walnoten. Ik glimlach en dank haar, maar zal dat toch maar niet opeten, behalve enkele noten die ik in de achterzak van mijn rennerstrui stop.

    Na 10 km fietsen haal ik ontelbare voetgangers in. Aan een kraan met drinkwater groet ik even een vrouwtje op een gele sportfiets van Décathlon. Zij snort weg alsof zij bang van mij is.  Wat later staat zij langs de weg. We rijden de Alto de Erro op en zij weet niet hoe zij moet schakelen met haar 18 versnellingen in de handvaten.  Op mijn verjaardag wil ik een goede daad stellen . Ik speel op de N135 dus tot 16 uur St-Jacques Assistance en blijf bij die oudere vrouw op haar gele fiets. Het is een positieve samenwerking. We gaan samen eten in een restaurant. Zij vertelt me haar levensverhaal, en waarom zij op weg naar Saint Jacques aan het fietsen is. Het is een zeer vreemd verhaal van iemand  op de dool, die van huis en problemen was weggevlucht nadat haar echtgenoot zelfmoord pleegde. Zij was de vrouw van een arts uit Toulouse. Bij het binnenkomen van Pamplona heb ik haar alleen laten verder rijden ' sous la garde du Bon Saint Jacques', nadat ik mijn derde bidonhouder op haar tweewieler monteerde. Zij zou niet veel verder geraken omdat haar zoon de Spaanse politie achter haar had gestuurd.  

    Ik had van A.Boone al iets in 't Vlaams gelezen in het gulden ereboek van een refugio waar ik een stempel ging halen. Ik ontmoette Andres Boone ook wat verder bij een bron op het voetpad waar ik met de vrouw uit Toulouse wat aan het rusten was, en waar ik haar vertrouwen kreeg en zij voelde dat ik een veilig iemand was.  Nadat ik de Iruna Bar, eens stamcafé van de grote Ernest Hemingway, had gevonden, een geldautomaat had aangesproken om pesetas te hebben, mijn bril liet hermaken aan het pelgrimstarief en dat was gratis, de koperen pijlen en de schelpen op de stoep had gevolgd naar het Albergue por los Peregrinos van Pamplona, 500 pestas voor mijn inschrijving had betaald, en een douche had genomen, was ik mij aan het kleden naast mijn slaapstee in een kapel omgebouwd tot slaapzaal. Een kerel die aan het snurken was met zijn kop onder het laken, kruipt plots recht. Het is warempel die Boone terug van onderweg. Stappende pelgrims vertrekken zeer vroeg, komen al vanaf 14u waar kan geslapen worden, wassen zich dan, en slapen  enkele uren alvorens op zoek te gaan naar avondeten. Zo ook de West-Vlaming  Boone. Gelukkig sprak hij geen dialect van Bachten de Kupe, maar wel A.B.N. en alle andere talen die hij nodig had op deze wereld. Hij leek me tof en goed gezelschap. Omdat het mijn verjaardag was, nodigde ik mijn taalgenoot uit om een stapje in de wereld te zetten in Pamplona by evening & night. Toen kwam ik te weten dat Boone priester was, kuis en sober moest leven omdat hij ergens in Peru bij de arme menen ontwikkelingsmedewerker was. Terug naar huis gestuurd waar hij bijna geen familie en vrienden meer had, was hij om gezondheidsredenen en ook wegens persoonlijke geloofscrisis op stap naar Compostela. Tien jaren eerder had hij al eens een stuk van de tocht uit Brugge gemaakt. Hij kende Jean-Luc Dehaene die hij had ontmoet op een Belgische Ambassade in Zuid-Amerika.

    Nu ontmoette hij Wilfried Journée en dat zou hij zich zeker niet mogen beklagen. Eerwaarde pelgrim Boone aanvaardde van met mij mee te komen, 100 % op mijn kosten. Te voet ging ik met deze arme pater Salesiaan van Don Bosco terug naar de beroemde bar van Hemingway op de Plaza del Castillo. Wij aten daar tortilla's, boccadila's en tapa's, en dronken samen meerdere ' Dos cervezas por favor ...' !  Prettige avond . Toen het uitgangsleven van Pamplona bruisend en wild begon te worden, vol verleidende meiden, bedankte Boone mij. Hij hoopte dat ik nog plezier zou kunnen maken, maar hij moest zelf naar bed om de volgende dag een marathon te voet af te kunnen leggen. Ik zag of hoorde nadien van hem niets meer. Natuurlijk ... vertelde ik aan pater Boone dat ik 'wegens mijn slecht gedrag' buiten het Klein Seminarie van Sint-Truiden was geduwd geworden in juni 1956. Hij vond dat zo iets een vergissing moest geweest zijn van de Heilige Kerk van Rome.  

    27. Sabado, 05 de  junio.

    Ik praat met een Japanner die een supporter van Pantani is en met prachtig materiaal rijdt. Hij sliep ook op die slaapzaal maar begrijpt niets van de Camino de Santiago. Hij rijdt naar Barcelona in het Oosten en alle Westerlingen rijden naar Galicië in het Westen. Van alle 40 personen die er die nacht hebben doorgebracht zijn wij de twee die overblijven, ik nog wat groggy van een dozijn cervezas, en hij de onbekend samouraï die ik niet versta en die wellicht uit Yamaguchi kwam.

    Wat eerder ontsnapte ik bij het nemen van 'n wakker makende douche in de kelder aan groot onheil. Ik vergat daar kledij en mijn linnen portefeuille die ik op de borst draag. Tien minuten hing dat daar beneden aan de kapstok terwijl ik al weer boven op de slaapzaal was. Alleen die kleine Japannner zingend en in zijn blootje, was daar in de gemeenschappelijke kleedkamer nog maar hij snuffelde niet door mijn bezittingen. Geen interesse in mijn pesetas die ik de vorige dag pas was gaan halen en al zou kwijtgespeeld zijn, indien ik één uur eerder uit mijn bed zou zijn gekropen, want toen namen velen daar een douche.

    Terug naar Bar Iruna. Heerlijk zonnetje op het terras. Ik maak een praatje met een oudere man uit Nîmes en schrijf een brief die ik niet op mijn blog zet, om jullie niet te vervelen, alhoewel Tibertyn op zijn eerste dag als 55-plusser toch wel goed gïnspireerd was tijdens het drinken van sterke koffie. Oordeel maar .

    Wie lippen heeft en nooit heeft gekust of geslurpt
    Wie ogen heeft en nooit gezien of heeft geknipoogd
    Wie tanden heeft en niet heeft gebeten of getoothbrusht
    Wie voeten heeft en niet is gegaan op de weg naar Santiago
    Van zo iemand kan men niet zeggen dat hij heeft geleefd . 
     
    Ik ben dus  ' de Oude Man en de Fiets' en schreef waar de grote Ernest, winnaar van de Pulitzerprijs en van de Nobelprijs,  dat ook had gedaan.

    Plots vind ik dat mijn tijd te Pampelune en Navarre, Irunea op de Arga, voorbij is. Ik ben 32 dagen te vroeg voor de feesten van San Fermin. Op de route van de wandelende pelgrims waag ik me verder , volgend de aangebrachte tekens, op weg naar Alto de Pardon. Het is weer moeilijk, pijnlijk zelfs. Overal zie ik nu mannen en vrouwen met rugzakken, schelpen, hoeden, stokken, zware riemen, drinkbussen, zware schoenen, afgerolde wollen kousen en soms het vlagje van hun land. Opzij, opzij, opzij, opzij, de Camino is van mij  ... ! Na veel moeite kom ik op een heuvel met windmolens. Daar staat een rare zwerfwagen met Hollanders die water geven aan de voorbijgangers en die willen uitleggen wie de Heilige Johannes was, terwijl het op de Camino toch gaat over de Heilige Jakobus ! Wat een vreemde apostel is die toch wel die daar voor verwarring der geesten wil zorgen ?  Door zijn schuld eigenlijk neem ik de verkeerde weg, een bergaf die me terug naar de kant van Pamplona brengt en daarom moet ik omkeren en opnieuw een ruig hoogteverschil overwinnen.

    Te Puente la Reina is er geen plaats, en te Estella ook al niet. Aan een mirador stop ik om wat te eten en het prachtige landschap te bekijken. Een familie met drie auto's komt daar weldra bij me. Zij installeren zich voor een barbecue, want er zijn daar banken en plaatsen om vuur te maken. Ik word uitgenodigd om samen met hen wijn te drinken met een stukje kaas. Een van hen is de pastoor en die wil natuurlijk mijn biecht afnemen in het Frans en dan uitleggen aan iedereen wat voor een peregrino ik wel ben. Ik moet nog meer wijn drinken en daarom vlucht ik weg, want het is tijd om een plaats voor de nacht te vinden. Een kwartier nadien kom ik aan een vrije camping met een centraal gebouw waar matrassen liggen om op te slapen. Er zijn toiletten en douches met warm water, maar daar is niemand te bespeuren. Wanneer ik me terug fit voel na een tijd en die refugio toch maar wil verlaten, komen plots drie sportievelingen met een rugzak op mountainbikes zich bij me voegen. Zij zijn van Tenerife, het eiland van mijn vrienden Teide en Humboldt. Die guanches maken thee, ook voor mij, en we leggen alles wat we nog te eten hebben in onze bagage op tafel, delen het, en eten het op. Nog later komen daar ook twee meisjes uit Ierland die per auto naar Santiago reizen. Zij kruipen zonder hun kleren uit te doen in hun slaapzakken en binden die goed toe onder hun kin, met het stevig koordje dat dient voor de veiligheid van hun kuisheid. 




    28-09-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (2)
    27-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.En se souvenant du Tonkin.

    "En se souvenant de Hanoi",

    Au temps où les Annamites du Tonkin d'Indochine parlaient le français,
    l'éminent chirurgien Tôn Thât Tùng avait composé ce poème plein de mélancolie et d'espérance,
    j'étais à ces heures-là encore un petit garçon sur un petit vélo (1948).

    Tu ne reverras plus le temps des accordailles,
    Les amants enlacés sous les pruniers en fleurs
    Les pruniers ne sont plus. Une aube de terreur
    Se lève à l'horizon où gronde la mitraille.

    Nous avons remisé dans leurs plus beaux cartons
    Nos rêves quotidiens et nos joies coutumières,
    Nous qui n'avons connu ni su ce qu'est la guerre,
    Nous avons tout quitté en nous disant : Partons !

    Frère, est-ce toi, héros pur de la délivrance
    Qui passes en chantant, les pieds nus sans souliers ?
    L'azur de notre ciel couleur de liberté
    Chante avec la chanson l'honneur et l'espérance.

    La brousse ensoleillée après les soirs glacés
    Lui parle chaque fois du Vietnam qui veut vivre
    Il chante sa chanson et son âme s'enivre
    Aux mots ensorceleurs : Patrie et Liberté.

    Ô bonheur de bâtir sur une aube nouvelle
    Le pays retrouvé à l'heure du destin !
    Et voici notre offrande au Vietnam de demain
    Et voici notre sang pour une aube éternelle.

    Alors nous reverrons ce tranquille bonheur
    De vivre pauvrement dans nos calmes chaumières.
    Le riz reverdira sur nos vertes rizières,
    Les amants s'en iront sous les pruniers en fleurs.

    2000. Le même jour qu'un quiet american called Billy Clinton j'étais arrivé avec ma bicyclette Olive Green à l'aéroport de Hanoï dans le but de traverser tout ce pays en suivant la route des mandarins et pour visiter la grande statue d'un homme nommé Jésu Christ à Vung Tau, auparavant appelé Le Cap Saint Jacques. Je passerais 89 jours dans les rues, parmi les hommes et les femmes et les merveilles du Vietnam, et surtout je me baignerais dans la mer à Mui Ne en découvrant à l'aube le lever du soleil.

    Hanoï, le coeur historique de l'ancienne et grande nation du Vietnam est située sur le delta du Fleuve Rouge ( Song Hong) qui depuis des millénaires y avait enrichi les terres de la province du Tonkin. Aujourd'hui, loin dans le Sud, la ville de Hô -Chi-Minh est sans doute plus puissante, plus économiquement riche, plus cosmopolite, mais l'éternelle Hanoï reste dans le Sud-Est asiatique une métropole unique de 3,5 millions d'habitants. Cette belle ville a été fondée par le roi  Ly Thai To en 1010 et elle fête donc cette année un anniversaire très important :

     le Millénaire Thang Long - Hanoï


    Découvrir à bicyclette cette ville avait été pour moi une leçon de vie formidable, même si le temps passé là-bas fut bien trop court et mes moyens pour communiquer avec les gens limités à mon sourire et à mon attitude, ainsi qu'à la chance de rencontrer des personnes parlant anglais, français ou allemand. J'avoue cependant avoir passé trop de temps avec des étrangers de race blanche. C'est seulement après deux semaines que sans complexe, méfiance, et maladresse, je me suis  rapproché des vrais Vietnamiens et Vietnamiennes qui sont des personnes curieuses et aimables.
    La beauté paisible et le charme de leur capitale ne m'a pas échappé, même si quelques fois je me suis trouvé sur mon vélo parmi les milliers de cyclomoteurs, bicycles, tricycles, cyclo-pousses et autres moyens de locomotion surchargés qui arrivaient de partout en klaxonnant sauvagement. 

    J'ai sillonné la ville de jour et de nuit. Hanoï compterait 5.197 sites historiques, religieux, et culturels. Je dois donc avouer que je n'ai vu que très peu. Mais, le Mausolée du Président Hô, l'Ancienne Citadelle, le Temple de la Littérature, le Musée Ethnologique, le Musée de la Guerre (et des Crimes Américains), le Temple de Jade du Lac de l'épée, le Théatre National des Marionettes sur l'eau, le Pont Long Bien, et bien d'autres endroits m'ont vu passer, sans oublier les marchés, les parcs, les vieux quartiers, les nombreux restaurants, les deux gares et les trois endroits où l'on jouait au pingpong. Le globe-rouleur sur Olive Green est bien passé un peu partout.

    Au début de cette semaine consacrée au Championnats du Monde de Cyclisme je certifie ici que les plus grands champions cyclistes sont les Vietnamiens capables de transporter sur leurs vieux vélos solides jusque 350 kilos, en personnes, animaux, matériaux et marchandises. Parfois ils bricolent un peu selon les besoins et ils transforment leurs montures avec du bambou qui leur sert de levier, qui renforce ou qui aggrandit leur bécane. Il n'y a pas de cyclistes plus extra-ordinaires. Je les ai cotoyé, croisé, dépassé, et plus souvent ils me dépassaient ou ils démarraient bien plus vite que moi aux carrefours. Je ne serais pas honnête si je n'avouerais pas ici que j'ai aussi pédalé à côté d'étudiantes, ouvrières, et paysannes, et que j'ai trouvé aussi qu'elles était belles et sensuelles. Ces élégantes maigres qui pédalent en amenant sur leur porte-bagage au guidon des fleurs, des livres ou des fruits, habillées en ao-dai tout blanc, salopette ou panton et chemise, avec leurs longs cheveux noirs, ou portant le chapeau conique, sont les très jolies adolescentes et les mamans de ce pays.  





     

     



    27-09-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    23-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Strabon d'Amasée et d'Agrippa d'Aubigné.

    Carte d'Europe dessinée par Strabon d'Amasée.

    C'est seulement à l'âge de soixante-six ans que pour la première fois j'ai rencontré sur le grand océan qu'est internet Strabon, 'celui qui louche', un grand homme du passé qui devrait être mieux connu par nous tous, et certainement par ceux qui aiment faire du vélo sur les anciennes chaussées romaines qui mènent toutes à Rome et bien plus loin comme le nom de mon blog fait remarquer.

    Strabon d'Amasée était originaire d'Amasya près de la Mer Noire en Turquie. Il a eu une longue vie de 65 avant l'ère chrétienne jusqu'à quelque 20 ans après le début de celle-ci. Fils d'une famille importante, étudiant sous les meilleurs professeurs, conseiller d'hommes d'état, Strabon était un grand voyageur qui avait vu les merveilles du monde de son époque et qui s'était baigné dans de nombreuses cultures. Ensuite le philosophe, historien, géographe, encyclopediste, s'est replié dans son village natal dans le Pontus où pour continuer l'oeuvre de Polybe et d'Homère, il a écrit 43 livres sur l'histoire universelle des hommes et 17 livres sur les connaissanes géographiques d'il y a deux mille ans. Malheureusement toute son oeuvre sur l'histoire a été perdue et ce qui en reste sont ses livres sur la géographie. Strabon y décrit par exemple combien grand avait été l'antique Babylone. Selon lui  cette ville était entourée de remparts d'une longueur de 365 stades, ce qui correspond à plus de 65 kilomètres. Il a exposé des sujets intéressants avec des mots grecs compréhensibles sur de nombreux peuples d'Europe, d'Asie, et d'Afrique, donnant aussi des informations sur leur histoire et sur leurs connaissances en médecine et en mathématiques. Ainsi Strabon développe déjà les chaussées romaines  et visiblement c'est en s'inspirant de sa vision que l'empereur Marcus Vipsanius Agrippa aurait fait construire les Via Agrippa, un réseau qui partait en quatre directions à travers la Gaule. Le centre était Lugdunum (Lyon) et Vigenna (Vienne) où se situait une agglomération de 50.000 habitants. Ces axes routiers ont amené en leurs temps la Pax Romana pendant laquelle les Gaulois se sont transformés en Gallo-Romains. Les routes qui étaient larges de 6 à 7,5 m ont modelé jusqu'à aujourd'hui les paysages de l'Europe de l'Ouest. Une partie de la Wallonie et de la Hesbaye, est traversée par la chaussée romaine qui mène de Bavay à Tongres. Indirectement elle a donné naissance à notre fameuse frontière linguistique. Ces routes étaient pavées et il y avait des bornes et des aires de repos qui indiquaient où l'on était arrivé. Elles suivaient de façon harmonieuse les ondulations du terrain, tenaient compte des points d'eau, des courbes des rivières dans les vallées et de la nature des rochers en montagne. Les constructeurs en ce temps avaient compris que la ligne droite n'est pas toujours le plus court chemin pour les voyageurs. Roma caput terrae, le centre de l'univers, était à sa plus belle époque une ville de 1.000.000 d'habitants.  

    A la fin du mois de mai 1999, je me trouvais en Saintonge où une chaussée romaine importante s'arrète prés de l'Atlantique. J'aurais pu traverser la France d'Ouest en Est, en suivant cette vieille voie qui mène à Lugdunum et de là à Rome, l'illustre Via Agrippa. C'était une idée intéressante, car pourquoi traverser la France si jolie, toujours comme tous les autres Belges et faire du Nord-Sud et du Sud-Nord.  Mais le pélerin que j'étais n'a pas changé son but fixé qui était d'aller au-de-là des Pyrénées sur le Camino de Santiago de Compostela.



     

    Malgré le temps qui passe il reste toujours des traces importantes de la civilisation greco-romaine.  



    Assis sur un banc au Parc des Arènes dans la douceur de la soirée de Mediolanum Santonum, j'avais emmené pour quelques moments de lecture un livre emprunté à la bibliothèque de l'Auberge de Jeunesse sur Agrippa d'Aubigné . C'était un nom dont je me souvenais vaguement . Ce fut une découverte et voilà que sur le Chemin de Saint Jacques très catholique je me retrouvais face à face avec un protestant, et non le moindre.
    Theodore Agrippa d'Aubigné était né en 1552 au Chateau de Saint Maury près de Pons en Saintonge et mourut en 1630 en exil à Genève, après une longue vie d'aventures et de misères. Ce fut un homme extra-ordinaire qui a été un protestant de la plus haute classe, un humaniste, un écrivain, un poète et surtout un combattant politique et militaire. Sa petite fille sera plus célèbre que lui, car Françoise d'Aubigné était la Marquise de Maintenon, la maîtresse et finalement  l'épouse de Louis XIV.

    Les premiers instants de sa vie étaient déjà très dramatiques, car en venant au monde il avait causé la mort de sa mère. Pour se distancer du culte des saints et des morts chez les catholiques les calvinistes du XVIe siècle s'inspiraient de la Bible et de l'Antiquité pour attribuer un prénom à leur progéniture. Agrippa vient de ' aegre partus' et veut dire enfanté via la mort de la maman.
    La France avait oublié cet homme pendant deux siècles, mais c'est le grand Victor Hugo qui a été rechercher ce combattant protestant dans les brumes du passé, dans cette terrible période des guerres de religion  que l'on aime pas d'expliquer au cours d'histoire dans les écoles.
    Le fils du Seigneur de Brie a bénéficié d'une éducation humaniste de très haute qualité. A l'âge de 7 ans il sait déjà lire en hébreu, en latin et grec, et en français. Ensuite il est confié à Mathieu Béroalde, le célèbre humaniste, avec qui il doit prendre la fuite lorsque les Huguenots sont persécutés. A 10 ans il est malade de la peste, mais il en échappe. Toutefois peu après il est orphelin car son père meurt à la guerre. A 12 ans il se retrouve déjà à l'université de Lyon et y suit une formation d'astronomie, d'astrologie et de magie. Mais seul sans ses coreligionnaires et sans argent il pense à se suicider. Avec l'aide d'un cousin toutefois il rentre en Saintonge et rejoint l'armée protestante. Après 19 années il hérite de sa mère des terres à Landes-Guinemer où il s'installe. Suivent alors des maladies, des amours malheureux, des combats, mais aussi la rencontre avec Henri IV  Roi de Navarre dont il devient l'écuyer et le compagnon. 

    Sa vie mouvementée est impossible à raconter en détails ici. A l'âge de 25 ans blessé au combat, et plus mort que vivant, il se met à écrire à fond son poème épique LES TRAGIQUES qui sera seulement terminé en 1623 vers la fin de sa vie. C'est en 9000 vers l'épopée de guerre, des persécutions et de la foi des protestants de France. C'est écrit  avec un vocabulaire d'une violence rare. Il a écrit aussi d'autres oeuvres, dont son Histoire Universelle interdite et brulée sur la place publique, ce qui l'obligea à quitter définitivement son pays. Mais il restera  pour des raisons politiques toujours un homme méconnu. Ce qui ne sera plus le cas plus tard à partir de la fin du XIXe siècle, ni maintenant au moment où la religion catholique a déçu beaucoup de personnes et perdu beaucoup de fidèles. 

    Extrait.
    J’ai veu le Reistre noir foudroier au travers
    Les masures de France, et comme une tempeste,
    Emportant ce qu’il peut, ravager tout le reste.
    Cet amas affamé nous fit à Mont-moreau
    Voir la nouvelle horreur d’un spectacle nouveau.
    Nous vinsmes sur leurs pas, une trouppe lassee
    Que la terre portait, de nos pas harassée.
    Là de mille maisons on ne trouva que feux,
    Que charongnes, que morts ou visages affreux.
    La faim va devant moi ; force est que je la suive.
    J’oy d’un gosier mourant une voix demi-vive ;
    Le cri me sert de guide, et faict voir à l’instant
    D’un homme demi-mort le chef se débattant,
    Qui sur le seuil d’un huis dissipoit sa cervelle.
    Ce demi-vif la mort à son secours appelle
    De sa mourante voix. Cet esprit demi-mort
    Disoit en son patois (langue de Perigort) :
    « Si vous estes François, François, je vous adjure,
    « Donnez secours de mort ; c’est l’aide la plus seure
    « Que j’espère de vous, le moyen de guérir.
    « Faictes-moy d’un bon coup et promptement mourir.
    « Les reistres m’ont tué par faute de viande :
    « Ne pouvant ny fournir ny ouïr leur demande,
    « D’un coup de coutelas l’un d’eux m’a emporté
    « Ce bras que vous voyez près du lict, à costé ;
    « J’ai au travers du corps deux balles de pistolle. »

    Les Horreurs de Montmoreau .
    Les Tragiques - Livre 1. Misères . (vers 372 à 398)



     

    Un mercenaire  (reiter) .    -  Les misères endurées pendant les guerres de religion décrites par le poète Agrippa.

     

    23-09-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    01-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.LANDEN - Santiago de Compostela 1999 - ( 3 ).
    16.   Mardi 25 mai.  Mediolanum Santonum.

    De wijn en het lekkere avondmaal lieten me goed slapen. De zon schijnt al scherp over de Charente wanneer ik de jeugdherberg van Saintes verlaat voor een ritje door deze oude stad. Wat een heerlijke dag.  Met een plaatselijk wegkaartje vind ik gemakkelijk de stadswallen uit de IVde eeuw en de Abbaye des Dames uit 1047. Daarna rijd ik naar de kerk van Saint Eutrope die een hele wijk domineert.

     

    Saint Eutrope maakte grote indruk op mij.





    Ik had nog nooit gehoord van Saint Eutrope toen ik Olive Green parkeerde onder een boom. Toen ik naar de deur van de kerk wandelde merkte ik op dat er een lange rij panelen stond met geplastificeerde tekeningen van hedendaagse kunstenaars uit Saintonge. Zich inspirererend aan Vlaamse Primitieven, Pieter Breugel de Oude, Jeroen Bosch, en anderen, hadden zij een soort stripverhaal gemaakt over de vroegere tijden, toen tienduizenden naar de crypte onder deze kerk kwamen om er het graf van de heilige E. te bezoeken met de hoop via hem iets te bekomen van de Allerhoogste, van God de Schepper van Hemel en Aarde. De pentekeningen van deze tentoonstelling in open lucht spraken boekdelen. Kreupelen, zieken, geamputeerden, stervenden, sleurden zich tot hier, kropen op handen en voeten, lieten zich tot aan deze kerk op stootkarren of muilezels brengen. Moeders met hun gehandicapt kindje, grootvaders met hun blinde kleinzoon, familieleden van terdoodveroordeelden, ouders van verdwenen kinderen, zwangere vissersvrouwen van wie de echtgenoot door zeerovers als slaaf was weggevoerd, zusters van broers die nooit uit een oorlog of van een kruistocht  waren teruggekomen, mannen en vrouwen uit een dorp kwamen waar pest, cholera, of melaatsheid was uitgebroken, groepen herders die hoopten dat de wolven hun schapen niet meer zouden opeten, boeren die offerden op een goede oogst en goede prijzen op de markten, pastoors die kwamen vergiffenis vragen voor de doodzonden van zij die hij had gebiecht, tantes die kaarsen kwamen aansteken opdat hun neef geen nicht zou blijven, dwergen die wat langer wilden worden, en zovele anderen met zovele intensies, en soms kwam er ook wel eens een jonge hertog, een koningskind of een troubadour die al zijn geld in de offerblokken kwam steken. Zij kwamen met velen, en dat werd geschat tot op zes miljoen gelovigen in de loop der eeuwen, of zo'n driehonderd mensen per dag tussen de XIde en de XVIde eeuw. Zij kwamen speciaal naar Saint Eutrope voor hulp, voor een mirakel, voor troost, voor een persoonlijke reden, en ook voor de 100 dagen aflaat die zij bekwamen. Verder waren er ook de voorbijkomende pelgrims van le Grand Chemin de Saint Jacques, de Jacquets die nog veel verder gingen tot in finibus terrae, die van heel ver uit het Noorden kwamen langs de Via Turonensis of de Via Agrippa, en die ook wel eens aan de relieken van Saint Eutrope een bezoek brachten. Die talrijke tekeningen maakten een felle indruk op mij. Met veel eerbied bezocht ik dan ook het graf van de heilige, en op de oude afgesleten stenen waren de enige voetstappen die wat geluid in de frisse grafkelder brachten die van mij.

    Wie was Saint Eutrope ?
    Verschillende versies lopen door mekaar volgens dat de legende komt uit Saintonge, Poitou, Vendée, Bretagne, Sainte Marie de la Mer, of zelfs nog uit andere oorden. Hij wordt vaak vernoemd als de dertiende apostel. De oudste geschiedenisschrijver Gregoire de Tours vermeldt reeds Saint Eutrope de Saintonge in zijn In Gloriam Martyrum van 590. Hij zou een edelman geweest zijn die afkomstig was uit het land dat nu Iran heet. Eutrope bracht het christendom naar Saintonge, was een voorbeeld voor zijn medemensen, en werd benoemd als eerste bisschop van Saintes. Toen hij de rijke Eustelle bekeerde, een jonge dame van amper 13 jaar en dochter van de Romeinse gouverneur, kreeg hij moeilijkheden met haar vader. Deze betaalde met zwart geld maffiosi om rellen te organiseren in de Gallische hoofdstad van de Santonen.Toen de eerste bisschop de bevolking tot kalmte aanspoorde, was er een wildeman die met een bijl het hoofd afkapte van de christelijke leider die alzo als martelaar omkwam.Vele jaren later werden de beenderen van Eutrope terug opgegraven, en rond deze relieken ontstond verering en werden talrijke mirakelen vastgesteld.   

    Ik fiets op de N150 naar Varzay, Pisony, Les Tonnelles, Saint Romain de Bénet, Saujon. Ik verlaat de hoofdweg naar links en kom dan op kleinere wegen die me tijd doen verliezen. Ik richt me op de zon om in de richting van het Zuid-Westen te blijven rijden. Na de lunchpauze kom ik weer op de weg naar Royan en ergens in het midden tussen de velden voel ik plots een speciaal briesje dat heerlijk ruikt. Weldra zie ik in de verte de Gironde, met haar rijke wateren van de Dordogne en de Garonne, en bereik ik Royan, met zijn stranden, lucht en met reeds water uit de Atlantische Oceaan.
    Ik ontdek zonder moeite de plaats van inscheping om over de zeearm te geraken tot in Le Verdon sur Mer. Terwijl ik naar de meeuwen kijk komt daar aan Le Bac plots een man op een zwaar geladen fiets aangereden, en ja hoor, ook hij rijdt naar Santiago de Compostela. In de namiddag van de zestiende dag van mijn tocht is hij de eerste fietsende pelgrim die ik ontmoet. Hij heeft als familienaam Ferris, komt uit Bristol, en die oude kerel is een trouw lid van The Fraternity of Saint James. Hij mocht pas op pensioen gaan na gevangenisbewaker te zijn geweest. Hij had tijdens zijn loopbaan in de gevangenissen zelfs de grootste crimineel Fred West bewaakt !  Terwijl ik samen met Ferris op de overzetboot probeer te geraken, komt met een spurtje ook een tweede pedalerende pelgrim aangereden. Zijn koerstrui van AMEV laat zien dat hij uit Holland komt. Hij is 43 jaar oud en werkt voor Nedloyd. Hij vertelt me dat hij wel 200 km per dag aflegt. Zijn uiterlijk, zijn fiets, zijn minimale bagage, laten me zien dat dit mogelijk kan zijn, maar anderzijds geloof ik toch dat hij een partner heeft, wellicht zijn vrouw of vriendin, die ver voor hem uitrijdt met een wagen naar hotelkamers die werden gereserveerd. De Nedloyder wil op dinsdagavond nog de baai van Arcachon bereiken. Hij is dus geen wielrijder van mijn categorie. Ik wens hem veel geluk en zeg dat ik hem niet kan volgen omdat ik een route door de wijnstreek zal nemen om aan een veel lager tempo te vorderen omdat ik als gepensioneerde van Fortis zoveel meer tijd heb dan hij.

    Ik zal dus moeten  Engels praten met my new friend Ferris. Deze is akkoord om met mij te Soulac-sur-Mer de kosten van een hotelkamer te delen. We vinden plaats in een oud witgeverfd vakantiehuis en krijgen zowat een hele verdieping ter onzer beschikking. Samen rijden we nog wat met onze blote tweewielers rond te Soulac, where beer quite good is but very expensive. We eten de pensionkost waar we logeren. Het betekent niet veel. De gekoelde fles rosé Lys maakt echter veel goed.

    17.  Mercredi 26 mai.

    Na breakfast met Ferris en scheiding, zet ik me op pad voor het groot klassiek parkoers door de Médoc dat me werd aanbevolen door een kenner, Meester Buyckx, kaartvriend van Rik Van Steenbergen en schrijver van een boek over de wijnen uit de streek die nu komt. Na wat rijden voel ik mij gehinderd door een schurend geluid aan mijn voorwiel. Nadat ik dat wiel eens heb gedraaid verdwijnt het akelig geluidje. Mijn handen zijn door dit mekaniekerswerk wat vuil geworden. Ik was ze met zeep uit mijn zeeptube. Ik schroef echter het dopje er niet goed terug op en dat zal gevolgen hebben, want bijna al mijn zeep zal weglekken in een van mijn fietstassen. Te Vendays-Montalivet koop ik l'Equipe en wat eten. Na korte rust op een zitbank vertrek ik weer. Omstreeks 13u00 kom ik aan restaurant La Table Tartine te Lesparre. Dan ontdek ik op mijn routeblad dat ik daar had moeten gaan eten volgens mijn planning. Met buikje vol stap ik toch maar binnen om een tweede maal te eten op deze middag. Ik beklaag me dat niet want het is in dat eethuis werkelijk zeer goed.

    Au coeur du Médoc une petite équipe de passionés fournit un travail artisanal dans le respect de la tradition pourque les saveurs d'hier soient encore celles de demain.

    Ik geraak niet goed meer verder met zo'n dubbel gevulde buik en ik zwerf op mijn gelukkig gemak door Blaignan, Saint-Germain d'Esteuil, Saint Estephe, Vertheuil, Pauilliac, Saint Julien. Ik rijd dus langs het nec plus ultra van de rode wijnen van Bordeaux, en zelfs tot tegen  le Chateau Mouton Rothschild de Pauillac, premier grand cru classé dans la classification 1855 des grands vins de Bordeaux. Maar daar gedraag ik me toch als een barbaarse Wisigoot, als een proletarische idioot, want ik stop even en ga plassen tegen de haag van dat heiligdom van de kapitalisten. Omdat ik ook verdwaalde terwijl ik zocht naar le Site Archéologique de Brion zijn de uren alweer voorbijgevlogen. Ik stop nog even aan een Champion winkel om bananen te kopen en een Danone Drink met vitamines C, hetgeen betaalbaar is voor mijn geldbeugel. Daarna begin ik te speuren naar een plaats voor de nacht. Behalve verschrikkelijk dure hotels kom ik werkelijk niets tegen. Een uur gaat voorbij. Dan vraag ik toch wat aan een wandelaar. Ik moet helemaal naar een andere richting , naar Listrac en Médoc, voor een chambre d'hôte. Ik bereik wat later met vermoeid zitvlak Chateau Cap Leon Veyrin. Ik mag van geluk spreken want één gast die had gereserveerd is niet gekomen en ik kan dus toch een kamer krijgen bij deze wijnboer. Zo eindigt deze dag toch nog goed. Geen avondeten, want geen honger.

     

    Chambre d'hôte au Chateau Cap Leon Veyrin een plaats om terug te bezoeken.

    18.  Jeudi 27 mai.

    Voor het ontbijt mag ik aan tafel in een zaal naast een tentoonstelling waar de producten van  Le Cru Bourgeois Chateau Cap Leon Veyrin te bezichtigen zijn.  Een twintigtal mensen zijn er al aan het eten en voor mij werd een plaatsje voorbehouden naast Mister Mastroianni een man uit Californië die daar jaarlijks komt omdat hij de uitgever is van een bekende wijngids. Hij wil weten wat Le Chemin de Saint Jacques betekent en ik leg hem uit dat een fietsende pelgrim dagenlang tussen de Cabernet-Sauvignon en andere wijnranken rijdt wat toch zo fantastisch is. Pelgrims uit vroegere tijden dronken trouwens uitsluitend wijn tussen de Loire en Villafranca del Bierzo, en zelfs zij die langs Rijn, Moezel en Elzas kwamen , of door de Champagne of Toscane, deden dat ook. Zij hielden in hun vuist de palster waaraan een kalebas met wijn bengelde, en met hun geloof in God en met de kracht uit de wijn, geraakten zijn tot in het verre Santiago, in the Far South West where the sun goes down in the evening.  Die West-Coast  Mastroianni doet zijn grote ogen en oren open. Hij heeft vroeger dan 10u00 reeds genoeg stof om een nieuw wijnboek te schrijven over  ' De Pelgrims en de Wijnen' .

    Op de drukke weg naar Bordeaux zweet ik zeer veel wegens het drinken van thee aan het ontbijt gevolgd door een korte intense wijnproeverij bij die wijnboer.  Het is warm en rond het middaguur bereik ik te Bruges nabij Bordeaux  het steakhouse Côte à Côte. Voor 147 FF eet ik er duur maar toch erg stevig een entree, een stuk vlees, une île flottante, begoten met een half flesje rode wijn. Het verkeer wordt nog drukker dichter bij het centrum van de grote wijnstad.  In La Maison du Bordeaux laat ik een stempel plaatsen in mijn  ' carnet de route de pélerin de Saint Jacques' . Ik maak mezelf terug rijker aan een Bancontact. Mijn plichten van pelgrim duwen me naar Cathédrale Saint André de Bordeaux en naar La Basilique Saint Michel.  Ik offer er wat franken en laat er enkele kaarsen branden.

    Mijn plan is nu duidelijk. Ik wil een bezoek brengen aan Georges De Yazikoff en Carmen Cuenca, twee zeer oude mensen die ik had leren kennen te Brussel tijdens mijn werk van bankbediende. Zij wonen te Miramont-en-Guyenne. Dat is helemaal terug naar het Oosten. Daarom zal ik mij nogmaals wat per trein snel verplaatsen in die richting. Il telefoneer naar Georges, doch geen antwoord. De treinrit naar Marmande kost 61 FF. Voor de fiets is het gratis als hij wordt opgeborgen in een hoes. Ik wring er dus mijn plastieken grondzeil rond en werk af met stevige tape.  Man en fiets samen op de trein en door geen enkele treinwachter gestoord, bereiken op de rails spoedig Marmande. Daar is het drukkend warm. Grote dorst overvalt mij. Tijdens een tweede telefoontje krijg ik contact met Carmen en die is erg blij met mijn aankomend bezoek. Ik had trouwens al eerder een zichtkaart gestuurd zodat zij wist dat ik diagonaal door Frankrijk aan het fietsen was, zodat zij stilletjes al een beetje op mijn bezoek hoopte.

    Te Marmande is wielersport belangrijk. Ik wil een weinig bekende maar bijzondere wielerkampioen gaan bezoeken. Hij is een blinde veteraan die op een tandem merkwaardige prestaties had geleverd. Maar op het adres waar hij vroeger woonde en waar ik hem jaren geleden al eens had ontmoet, blijkt niemand hem nog te kennen. Wellicht is de man ondertussen overleden of zit hij ergens in een instelling. Op zijn tandem, met een ploegmakker die goede ogen én goede benen had, reed hij vele malen Bordeaux- Parijs, 600 km, in minder dan vierentwintig uren. Ik moet nog 23 km rijden tot Miramont waar ik vriendelijk word ontvangen door Carmen. In haar keuken eet ik kaas, biskwietjes, en ledig ik een fles rode wijn die ik zelf uit de kelder ging ophalen. De oude vrouw is nu alleen en vertelt me haar droevig verhaal. Ik mag bij haar logeren, gratis en zolang ik maar wil. 

    19. Vendredi 28 mai.   Miramont de Guyenne.

    Mijn zeer oude gastvrouw Carmen Cuenca is al om 5u00 opgestaan om te starten met haar indrukwekkend gezondheidsprogramma van elke dag. Ik ontspan de hele voormiddag wachtend op Monsieur Georges die pas om 11u45 op bezoek komt. Een taxi brengt hem van het ouderlingenhuis terug naar zijn eigen bungalow om uitzonderlijk met mij te middagmalen. Soms is deze veteraan te lastig en dan kan zijn vrouw hem niet meer uitstaan. Om de echtelijke vrede te bewaren logeert hij nu in een aparte kamer op afstand, waar hij ook medisch wordt gevolgd. De gepensioneerde ingenieur van EDF eet alleen nog maar gekookte wortelen, geplette aardappelen, begoten met enkele druppels olijfolie om zijn stoelgang te verbeteren. Daarna plaatst Carmen hem in zijn zetel en hij neemt zijn correspondentie door en snuffelt nog wat in de lokale krant.

    Ondertussen mag ik Carmen brengen naar de supermarkt Cali met de wagen van die te oude mensen die amper nog zelf kunnen rijden. De inkopen zijn op mijn rekening en we vullen ons karretje voor 310 FF met salade, mayonnaise, geitenkaas, platte kaas, pâtes, een fles Mum champagne, vin du tsar, vin de Duras, boter, biscottes, steak, bonen, linzen, en stokbroden.

    Terwijl ik met Georges praat komt een nieuwe kuisvrouw zich aanbieden en ik word voorgesteld als de verschrikkelijke sneeuwman in zomerse kledij.

    Surprise. We worden aan tafel geroepen door Carmen voor een uitgebreide maaltijd. De voormalige modenaaister uit Parijs, die vroeger zelfs een kleed had gemaakt voor de beruchte Mistinguet, had werkelijk haar uiterste best gedaan. Alleen op het einde participeerde ook haar aanwezige echtgenoot. Dat was dan om te genieten van koekjes met kaviaar en champagne, en van koffie met taart uit het Baskenland.  Daarna algemene stilte in huis want het is tijd voor een siesta.

    Om 17u45 wordt de oude man heel zenuwachtig. Hij sprak zijn retour af met de taximan die hem terug naar zijn home moet brengen en de gehuurde auto komt nog niet aan. Toujours en retard ! Ik wil hem zelf met zijn eigen auto terug brengen, maar dat mag niet. Het OCMW weet beter niet dat hij nog zijn echtgenote bezoekt want dat is hem verboden door de rechter ! Om kosten te sparen liet de slimme oude Rus zich kwaadaardig dement verklaren. Zo is zijn kamer en verzorging veel goedkoper in het tehuis voor ouderlingen. Maar dan volgt een beetje later een kort getoeter en kunnen wij de oude lastbezorger in de taxi stoppen.

    Carmen doet alles om me nogmaals goed te laten eten want ik zal wel honger hebben geleden gedurende al die dagen op mijn vélo !  Soep, pasta, paté, brood.

    Ik schrijf nog wat kaartjes naar het thuisfront. Ik telefoneer naar huis om te vragen of dochter Martine goed heeft gepresteerd op haar examen bij de bio-ingenieurs te Leuven. Dat behoort tot mijn gewone vaderlijke plichten rond deze periode van ieder schooljaar, want ik heb immers twee grote dochters die goede studentinnen zijn.

    20. Samedi 29 mai.

    Petit déjeuner bien soigné par maman Carmen. Vruchtsapje, pruimenconfituur, toast, grand bol de café noir, enz.

    La Bastide de Miramont de Lauzun werd reeds gebouwd op het einde van de dertiende eeuw door Edward I, de koning van Engeland. Pas na het verloop van de honderdjarige oorlog in 1453 veroverde Frankrijk dit gebied. Nu bekend als Miramont-de-Guyenne en Lot-et-Garonne près de Marmande, is deze kleine stad uit Aquitanië vermaard in heel Frankrijk om haar Pruneaux d'Agen, en om haar schoenen en sloefen. In 1975 waren er nog 3954 inwoners, maar velen zochten ondertussen hun geluk elders. In 1999 is de bevolking van Miramont verminderd tot 3360 en daarbij zijn dan nog de ouderen van La Maison de Retraite alsook Carmen en andere leeftijdsgenoten die geen toekomst meer hebben. Er zijn in de omgeving al ontelbare huizen leeg en die worden vaak opgekocht door de buitenlanders als vakantiewoningen. Opmerkelijk is trouwens dat er in de winkels en de restaurants tamelijk veel Engels te lezen valt. Isidore de Soussial is een beroemd man uit Miramont. Hij bracht er de industrie van de sloefen ( les chaussons à basane) gemaakt uit schapenwol. Mag verder ook wel worden geciteerd ene Général - niet Charles De Gaulle-  maar wel Jacques-Philippe Delmas de Grammont. Op 2/7/1850 werd een wet gestemd die zijn naam draagt, en die nog altijd meetelt, want zij beschermt de huisdieren en kan mensen laten boeten omdat zij dieren verwaarlozen of slaan.

    Ik vertrek met mijn fiets voor een verkenning van Miramont. Ik zoek het postkantoor en ga eens binnen in L'Etrier een Brasserie die werd uitgebaat door een Belg aan wie ik vroeger eens Belgische bieren bezorgde toen mijn reisdoel van autotourist Andorra was. Maar deze man liet ondertussen zijn zaak over na een ongeval met zijn motorcycle gevolgd ook nog door echtelijke scheiding. Na  een Kronenbourg van 't vat beslis ik van te gaan zien waar mijn vriend Georges logeert en de wegwijzers volgend kom ik weldra terecht in zijn kamer. Babbeltje. Hij is wel blij met mijn bezoek. Weldra haalt hij uit zijn oorkussen een verbleekte omslag die hij had klaargelegd omdat ik de vorige dag reeds dit bezoek had aangekondigd. Yazikoff schenkt mij een aantal Belgische bankbriefjes. Het is zijn reserve om naar België te reizen, maar omdat hij dat nu niet meer kan moet ik die in zijn plaats uitgeven hoe en waar ik wil. Het gaat over 8.100 frank, maar 1.600 frank zijn biljetten die niet meer in omloop zijn. Ik bedank de oude man, alhoewel ik wat verveeld ben met zijn initiatief, en daarom beloof ik van kaarsen te branden voor hem op weg naar Saint- Jacques-de-Compostelle en van een geschenk te kopen voor zijn Carmen. Weldra is het weer tijd en komt verzorging zodat ik die kamer moet verlaten.

    De sfeer in het ouderlingentehuis benam mijn lust om nog rond te toeren. Mijn fiets belandt terug in de kelder naast vele lege wijnflessen. Ik ontdek dat in die kelder jonge wilde konijntjes wonen. Een man staat plots in de tuin. Hij is de veearts die komt voor de kat van Carmen. Dat beest heeft een ongezonde haaruitval en zal pilletjes moeten slikken. Het is weer middag en ik open een fles rode wijn in de keuken. Ik laat aan de keukenprinses de omslag met het geld zien en stel haar voor om het fifty-fifty te delen. Zo speel ik voor de gelegenheid nog eens terug bankbediende want ik wissel en geef aan de vrouw franse franken. Terwijl ik drink aan mijn wijn komen dan naar mijn oren een reeks ' confidences ' van Carmen over haar echtgenoot zodat ik kom te weten dat mijn orthodoxe vriend eigenlijk niet de heer was voor wie ik hem nam. Stop, ik ben geen biechtvader, maar misschien doet het haar goed om een luisterend oor in haar keuken te hebben. Carmen trouwde pas op latere leeftijd nadat haar jongere zuster een vent in Normandië had gevonden. Zij was de derde echtgenote van Monsieur Georges. Ik knabbel kaas en stokbrood tot wanneer mijn buikje vol is en tot wanneer het verhaal van haar leven met een kozak uit de tijd van de Potemkine me duidelijker is geworden. Dan is het weer tijd voor siesta plat op mijn bed en om mijn reistassen wat te ordenen. Na het avondeten kijk ik op televisie samen met de dame van het huis naar het Eurovisie Festival.

    21. Dimanche 30 mai.

    De zondag begint met een algemeen nazicht van mijn geliefde fiets Olive Green. Poetsen en wassen gaat wel, maar in mechaniek ben ik geen handige Harrie. Ik pruts wat aan het voorwiel waar een slag in is, maar de situatie wordt nog erger en daarom besef ik dat er maandag een bezoek aan een professional te Miramont of te Marmande zal nodig zijn.

    We schreven in voor het middagmaal  van La Maison de Retraite Soussiale te 78400 Miramont-en-Guyenne. Iedere week gaat het daar 's zondags feestelijk culinair aan toe. Een traiteur zorgt dan voor het eten en niet het personeel van de andere dagen van de week. Op die ene dag  dineren de bezoekers, familieleden en vrienden, er mee met de oudjes die daar wonen, na reservering uiteraard, en in 'n prachtige eetzaal waar alleen de 'pensionnaires' die bezoek krijgen mogen tafelen. Tijdens het aperitief en het voorgerecht speelt een man er op een piano. Hij zingt een chanson uit vroegere dagen ' Le temps qui passe ....' en neemt daarna ook plaats om te eten en te babbelen. Ik zit tegen een nieuwsgierige Italiaan en tegen een vrouw die vroeger taxiwoman was geweest op Roland Garros. Zij vervoerde kampioenen en beroemde toeschouwers. Deze maaltijd verloopt gezellig van 11u15  tot 15 u 30.  Daarna weer siesta op mijn donkere kamer.
     
    Waar ik verblijf zijn de kasten vol met dure mantels en vrouwenkleren van vroeger en vol met grote hoedendozen gevuld met stoffen, lintjes, goedkope juwelen, gespen, knopen en zelfs bont.  Ik was een beetje nieuwsgierig. Tijdens die avond heb ik het opgebiecht en toen vernam ik dat het meestal kledingstukken waren van rijke vrouwen die het naaistertje dat Carmen was beloonden met dure spullen, maatwerk te goed om in de voddenmand te gooien, maar dat door mode en verlies van slanke lijn niet meer door de eigenaressen konden gedragen worden. Aan ieder kleed of jas was een naam verbonden en een oud verhaal dat me toch niet zou boeien, vertelde Carmen me. Ondertussen werd ik bijna als een zoon beschouwd door die tante die nooit het moederschap had gekend.

    01-09-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    21-08-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Uit de kinderjaren van Kobeke Robsen.

    Op die bewuste vakantiedag kwam nonkel Jo me halen met zijn blauwe Volkswagen. Het was een kever zoals ze die nog maakten in 1950, met een koetswerk dat stevig was en met een heel kleine achterruit. Mijn nonkel Jo had er bij zijn post jaren voor gespaard, iedere frank afpitsend van zijn  pree als bediende die hij had laten ontsnappen aan de vingers van de blonde vriendin met wie hij  zonder trouwboek samenwoonde. We reden naar de Ronde die in het begin van de hooimaand dwars door het Vlaamse land trok. De plaats waar wij naartoe reden is niet meer in mijn geheugen, maar ik weet wel nog dat we toen waren gestopt langs een grote steenweg. Een bonte menigte stond daar langs beide zijden van de brede betonweg. Om van ver alles te zien aankomen vatten wij plaats boven op een gracht. Achter ons was er een nog groen korenveld waarin ik heb geplast. 

    Het woelige jongetje dat Kobeke toen was, te stout om misdienaar te mogen zijn, kon op die plaats niet lang kalm blijven zitten op de oude stoel die nonkel Jo had meegebracht. Met zijn 1m87 kon hij zelf overal en altijd wel zien. Al loerde het oog van mijn grote nonkel steeds op mij en naar die stoel, toch rolde de kleine weldra de berm af nadat de tweede publiciteitsauto wat dingetjes begon uit te gooien. Tussen de kwajongens ter plaatse ontstond er een vechtpartij tijdens het grabbelen. De jonge Kobe wou natuurlijk niet dat zijn kaas door de anderen werd gepakt en in de struggle for live van de knapen in korte broek bemachtigde ook hij een pet, een worstje in zilverpapier, vier karamels, twee balonnetjes om op te blazen en vijf foto's van fietsende kampioenen. 

    De vreemde voertuigen die voor publiciteit zorgden, voor muziek en lawaai in de Franse taal, waren zeldzamer geworden en dan plots kwamen er geen meer. Enkele auto's waarop de naam van dagbladen of van sportmagazines stond, reden ook nog voorbij, doch zonder enige aandacht aan ons te geven. Toen verschenen een tiental indrukwekkende motorrijders. De kermisleute langs de Rondeweg ging over in kalmte en het werd stil omdat iets belangrijks zou gaan komen. Alle nekken strekten zich naar de richting waar die morgen het licht was opgekomen. De stilte, de spanning, die toen voelbaar werd, kondigde de doortocht aan van het peloton van de dwangarbeiders van de weg, van de helden van ons volk.

    Ja, ginds in de zon roerde er wat. Een symfonie van kleuren naderde als een tapijt dat werd opengerold, een dansende branding, een golf van soepele gespierde benen, gebogen ruggen en gehoekte ellebogen, naderde. De wielen flitsten in het felle middagzonnelicht. De brillen en de gezichten met een brede mond, de koppen en de neuzen, de truien in vele kleuren, waren een streling voor de ogen. De andere zintuigen namen de geuren van benzine, van broekvet en massage-olie waar. Soms voelde zelfs de ene of andere toeschouwer vocht uit drinkbussen, water of fruitsap, maar ook zweet, snot of speeksel. Als een wervelstorm schoven de renners in lange sliert voorbij. De verplaatste lucht deed stof en papiertjes wegvliegen. Gedurende die fantastische momenten  genoten alle wielerliefhebbers, mannen, vrouwen, kinderen, van een gratis en groot spektakel.

    De mannen met onze nationale kleuren reden voorbij, maar het ging zo vlug dat Kobe zelfs zijn geliefde wielerheld Stan Ockers niet zag, maar vooral het oranje van de Hollanders en het rood met witte kruis van de Zwitsers was hem opgevallen. Allen, langs die rechte betonweg deden een stap mee in de richting die gevolgd werd door de zwerm Tourrenners, doch het getoeter van de volgwagens, stoere auto's die zwaar met fietsen beladen er als tanks uitzagen, deed ze allen een stap terugwijken naar de zijkant waar zij even later terug weer met beide voeten als wezen op de grond stonden. De werkelijkheid van de gewone dag en van het einde van het feest dat zopas aan hen was voorbijgetrokken maakte hen wakker. Deze droom was verdwenen en had amper bestaan. Toen kwamen de tongen los. Weldra kon ook het mannetje met het kleinste petje beweren dat hij de gele trui Wout Wagtmans had gezien, in het wiel van Wim Van Est. Kenners wisten te zeggen dat deze laatste op zijn polsuurwerk Pontiac het juiste uur had. Maar niemand uitte zich met veel enthousiasme over de Belgen, want die presteerden toch zo slecht vergeleken met Sylvère en Romain Maes, met Vervaecke, Vissers, en Aerts uit vroegere goudgele tijden.

    De mensen liepen nu te voet of met een fiets aan de hand over de staatsbaan waar tijdens de rest van deze dag toch niet meer zoveel gevaarlijke vierwielers zouden voorbijkomen, vermits er nu al zoveel voorbij waren met die koers. De café's, en ook de feeststent die daar stond, liepen weer vol. Het bier viel schuimend in de pinten. De emotie was groot geweest en de sportmannen spoelde die nu weg met grote slokken. Nonkel Jo had een grote Stella Artois bemachtigd en in zijn tweede hand was er voor mij een flesje coca-cola met een rietje. Mijn nonkel Jo was al lang een van mijn beste kameraden.

    Wat later stapten wij terug naar de plaats waar nonkel Jo zijn Volkswagen had geparkeerd. Terwijl we naar huis reden, haalde ik alles wat ik gegrabbeld had uit mijn diepe broekzakken. Mijn nonkel Jo zei dat hij fier was op mij omdat ik zoveel had gevangen. Na een dik uur waren wij terug thuis en toen ik in moeders keuken kwam, overviel een grote honger me. Gelukkig kreeg ik een grote boterham met platte kaas en bruine suiker, met een groot glas prikwater.

    Enige uren later luisterden we in het huis van de buren naar de radio. Maurice Dieudonné sprak over de talrijke toeschouwers, duizenden en duizenden, die tussen start en aankomst de renners hadden aangemoedigd. 

    De uitslag van de rit Brasschaat-Rijsel 255 km was 1. Louison Bobet, 2. Ferdi Kubler, 3. Hugo Koblet. 

     




    DE RONDE VAN FRANKRIJK 1954.

    21-08-2010 om 03:42 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (2)
    15-08-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De eerste jaren van de wielersport in de USA.
      


      Zoals het profiel van een Alpenrit uit de Tour de France zo zou  het verhaal van de wielrennerij kunnen worden voorgesteld, met hoogten en laagten, berg en dal, voorstellend de vette en de magere jaren. That's life !  Want zo ging het ook  in ons eigen en in het leven van menig ander persoon, de cyclische beweging van goede en slechte seizoenen, van vreugde en verdriet, van armoede en welstand, en zelfs van de gezondheid en van de liefde.
     
    Vandaag staat de wielersport in de USA in bloei. Belangrijk is niet die ene Lance Armstrong die nog altijd rijdt, de grote arend die hoog boven fauna & flora vliegt, maar wel de Pro Tour die de brede top uitmaakt en waar grote bedrijven als HTC Columbia, Radio Shack,Garmin Transitions en BMC Racing Team zijn komen postvatten. De voertaal is Engels geworden in en rond het grote peloton. Dat betekent dat de zon schijnt in wielerland USA anno 2010.

    Toen colonel Albert Pope in 1876, wanneer terug rust was gekomen na de woelige burgeroorlog, de Grote Tentoonstelling van Philadelphia bezocht en daar fietsen zag, uiteraard toen met het hoge voorwiel, zag hij dat er een gat in de markt was vooral in het Noord-Oosten waar mensen, macht en rijkdom in grote hoeveelheden waren. Boss Pope reisde naar Engeland en werd het volgend jaar reeds de belangrijkste invoerder van tweewielers in de USA via zijn bedrijf Bicycle Factory in Hartford Connecticut. Hij bracht het merk Columbia op de markt en die markt was verschrikkelijk hongerig. In Connecticut was weldra alle technologie aanwezig voor de fietsindustrie en Pope's medewerkers verbeterden voortdurend hun producten en specialiseerden zich tot in de details. Hun verkoop steeg zo geweldig dat in 1893 zij de meeste fietsen ter wereld verkochten. De ideale fiets die zij maakten kostte 313 $. Dat was de prijs van een goed paard. Het was duidelijk dat niet de arme immigranten, niet de prairielopers, arbeiders en knechten zo'n tuig konden kopen. Slechts de volwassenen uit de hogere kringen pronkten omwille van die prijs met zo'n mooie fiets. In 1896 waren in de USA reeds 1.000.000 fietsen in gebruik. Er was veel keuze want 250 fietsmerken  werden door de industrie aangeboden. De grootste bedrijfsleider bleef nog altijd Albert P. aan de top van zijn American Bicycle Company die 75 firma's groepeerde. De fiets was al veel verbeterd op dat moment. Er mag zelfs geschreven worden dat hij in de volgende 114 jaren eigenlijk globaal niet zoveel meer veranderde. Onze fietsen van vandaag trekken nog steeds fel op de safety fietsen die al in de tijd van Buffalo Bill werden gebouwd.     


       

    WIELERKAMPIOENEN.

    In den beginne toen de fiets pas door de mens was geschapen, was het ene James Moore uit Engeland de winnaar, zoals in de historische Parijs-Rouen van 1869. Vermits nu de snelle Mark Cavendish vaak de rapste is, mag het oude 'nil nove sub sole'  uit de tijd van de heirbanen in Brittanica weer vermeld worden.

    In de USA werd de eerste bekende koers gereden te Boston op 24 mei 1878. Twee jaren nadien groeperen de wielerclubs er zich reeds in de LAW, de Liga van American Wheelmen, opgericht te Newport op Rhode Island. In 1898 telt deze wielerbond 102.600 leden. Zij ijvert voor betere wegen, wetten die de wielrijders beschermen, en zij organiseert zowel toerisme als wedstrijden.
    Wanneer in 1892 de Internationale Cyclist Association wordt gesticht, verbinden volgende landen zich in de wielersport : België, Frankrijk, Nederland, Duitsland, Denemarken,Engeland, Canada, en de Verenigde Staten. De sterke wielerlanden van vandaag Italië, Spanje, en Zwitserland, zijn daar niet bij en dat is vandaag moeilijk te begrijpen.Vanaf de periode van het hoge wiel, van de driewieler, van de eerste jaren van ontwikkeling, waren de Amerikanen dus al wel goed bezig in deze sport. Er was zelfs ene Thomas Stevens die toen al op de fiets rond de wereld was gereden (Bicycle journey around the world 1884/1886). Maar reeds in die jaren kwamen de twee dimensies van het velorijden naar voren : enerzijds het rijden voor plezier en voor gezondheid, en anderzijds de krachtmeting in de koersen, voor geld en glorie. 

    Diverse wedstrijden werden gehouden. Omwille van de slechte wegen en het gevaar van aanrijding met dieren of andere weggebruikers, werd uitgeweken naar parken en paardenrenbanen. Promotors zagen weldra dat er brood, kaas, en nog meer te verdienen zou zijn door wielrijders en supporters te verzamelen op en rond houten pistes, velodromes genoemd. Daar kon entreegeld worden geïnd, en daar kon eten en drank worden verkocht. De feestelijke stemming en het plezier was er geweldig. Het volk stroomde toe. Het duurde amper twee jaren vooraleer 100 velodromes bestonden waarop de bezitters van fietsen koersen konden rijden. De fietsenmakers waren fier en blij telkens als iemand met een rad van hen kon winnen. Dat toonde aan het publiek de kwaliteit van wat door hen werd verdeeld en verhoogde terstond hun zakencijfer. De fietsfabrikanten, de winkeliers, de wielerclubs, de oudere renners, de uitbaters van wielerbanen, de sportreporters, begonnen te zoeken naar jonge kerels die potentieel bezaten om winnaars te worden op de wielerbaan. Al vlug werd beseft dat niet in de rangen der koorknapen moest worden gezochten maar dat de mannen die nodig waren in de koers bikkelhard moesten zijn. Uit zulke rijders werden  ' de scorchers' gemaakt. In geen woordenboek heb ik de vertaling van dit woord gevonden. Ik laat de lezer hier daarom maar zelf kiezen tussen 'woeste rijder, volbloed, geweldenaar,  crack, vlammer, expresstrein, vliegende yankee, tijger van Philadelphia, champion of the champions, flandrien of Chicago, ... enz. ' .  

    Wel, natuurlijk, het waren manspersonen met snorren, rappe benen en gespierde armen die op de fietsen terecht kwamen, op tuigen die hen werden uitgeleend en daarna geschonken door verdelers. Waar heb ik later nog gehoord dat om een wielerkampioen te worden men niet alleen redelijk zot moet zijn, maar tevens iemand met zo'n slecht karakter dat hij zelfs zijn vader en moeder zou kunnen vermoorden ? Van zo'n soort probeerde men in de USA al op het einde van de negentiende eeuw broodrenners te maken.Vermits de Noord-Oost hoek een overbevolkt gebied was, kon tussen de yankees veel kandidaten gevonden worden. Een ruwe schatting uit 1895 geeft aan dat er 5.000 wielrijders waren die voor de dollars reden op die houten velodrooms, die zowel binnenshuis als in de buitenlucht waren opgesteld. De afmeting van een wielerbaan was zeer verschillend, doch steeds gebaseerd op hoeveel ronden nodig waren om èèn mijl af te leggen. Tussen zovele scorchers werden kampioenen van wereldklasse ontdekt. Hier komen dan namen van deze eerste armstrongs van lang geleden toen wielrennen een ander vak was dan vandaag maar waar de winnaars toch ook al bijzondere burgers waren. 

    GEORGE HENDEE  (1866-1943) uit Watertown in Connecticut. Hij verschijnt op de wielerbanen vanaf zijn zestiende. Hij is onklopbaar want hij wint 302 van de 309 koersen die hij reed op de hoge bicycle. Hij is de grootste kampioen van Amerika en de wereldrecordman 1886 over de halve mijl. Hij stopt jong om motorfietsen te bouwen waarmee ook op de velodromes wordt gekoerst, en
    bouwt de motorfietsen die de renners gangmaken, alsook gewone Silver fietsen te Springfield in Massachusetts. Samen met uitvinder Hedström runt hij de Indian Motorcycle Company. In 1913 verkopen zij 32.000 motorfietsen Indian, toen beschouwd als de beste motorcycle.

    CHARLES MILLER (1875-1935) - Van Duitse afkomst, maar genaturaliseerd als staatsburger van de USA wanneer hij als fondrenner in de individuele zesdagen door zijn weerstandsvermogen en zijn wilskracht prestaties leverde die hem beroemd maakten. Na 6 X 18 uren rijden op de wielerbaan klopte hij als New-Yorker de ster van Chicago Albert Schock. Om deze prestigeslag te winnen reed hij op eigen kracht 3.368 km. Ook te San Francisco en in Frankrijk won deze krachtmens lange proeven, zoals op de 72 uren van Parijs in 1898 en de 100 uren van Roubaix in 1899. Hij reed altijd onuitputtelijk aan hetzelfde tempo, als een metronoom uren achter mekaar, en hij was houder van zeven wereldrecords. Op een dag tijdens de Zesdagen van New-York 1898 stopte hij plots en toen is hij op het middenplein met zijn lief getrouwd.

    AUGUST-ARTHUR  ZIMMERMANN  (1868-1936) -  ' Zimnie' of   ' Le Grand Zim'  is volgens de eerste sportverslaggevers, toen de zuivere snelheid de belangrijkste tak van de wielersport was, de grootste van alle wielerkampioenen. Zim wandelde als snelrijder van de ene zege naar de andere. Zoon van een turnleraar uit New-Jersey, was hij een prachtig atleet met eindeloos lange benen. Hij kon met een klein verzet zonder verzwakking verschrikkelijk vlug ronddraaien. Tijdens de jaren 1892 en 1893 was zijn meesterschap zo groot dat hij 100 en 101 koersen won. Eerst was hij nog amateur toen hij ook in Europa reed. Er was een trein nodig om zijn prijzen in natura naar huis te voeren. Om Zimmerman te zien rijden kwamen tot 30.000 wielerfans naar de velodrooms. Daarna was hij prof vanaf  1894 en kon hij zijn fenomenaal talent verzilveren tegen de allerbesten, zoals in de Grand Prix de l'Union Vélocipédique Française. In 1902 deed hij nog een come-back, maar tijdens deze derde omreis liep hij nederlagen op en kwam hij slechts de poen van andere jongens pakken. Hij trok zich terug uit zijn sport om bedrijfsleider van zijn eigen hotel  te worden.

    MARSHAL WALTER TAYLOR ( 1878- 1932) Hij kwam uit Indianapolis en was een harmonisch soepele atleet met prachtige benen en waakzame ogen, een zwarte wonderknaap. Gedurende decennia werd hij vergeten, maar sedert enkele jaren wordt deze unieke zwarte wielerkampioen opgewaardeerd en dat is eerlijk. Major Taylor,  bijgenaamd  ' de vliegende neger' , won in 1899 te Montréal het wereldkampioenschap zuivere snelheid. Er waren schiftingen met 180 deelnemers en 50.000 toeschouwers. Het leven van deze zwarte parel verliep als een roman en er werd ook al een langspeelfilm over hem gedraaid in Hollywood. Deze supervedette maakte grote rondreizen en zegevierde op vele velodrooms in de USA, Europa en Australië. Hij leefde als een koning maar hij stierf tenslotte straatarm. Zwart Amerika is thans bezig om van hem een heilige te maken.

    De LAW kon de evolutie niet meer volgen. Er kwam een splitsing. Voortaan zouden zuivere amateurs, wielertoeristen, gentlemen, zij die omwille van kerkbezoek 's zondags niet op de fiets zaten en het deftig volk, rijden bij deze wielerbond, terwijl de beroepsrenners, de volksjongens, reden bij de National Cycling Association. De meest bekwame prijsrijders reisden samen in groep het land af naar de wielermeetings. Hun trek begon jaarlijks aan de Oostkust en ging tegen de herfst naar California.

    THE SIX-DAYS.
    Vanaf 1878 waren er al in Engeland lange indoor-koersen die zes dagen duurden. Het zou echter pas in 1891 op Madison Square Garden te New-York gebeuren dat de nieuwe sensatie van een tijdperk begon, het monument in de Amerikaanse sportgeschiedenis, de zesdagen op de wielerbaan. Eerst werd er individueel gereden. De deelnemers moesten gewoon zoveel mogelijk rondjes afleggen en zij konden rusten naar eigen keuze. Om te winnen werd geen tijd verloren en dat maakte deze marathons bijzonder zwaar. Doodvermoeid reden de renners als zombies rond het ovaal terwijl zij werden aangemoedigd door 12.000 toeschouwers. Het reglement van deze te zware wedstrijden werd aangepast. De renners moesten per ploegen van twee of drie rijden in de Six-days en mekaar aflossen. Dat werd de Madison of  ' de américaine ' ! .

    1903 moet beschouwd worden als de ineenstorting van de vroegste fietsindustrie in de USA want toen begon Ford zijn goedkope auto's op de markt te brengen. Niemand wilde nog een dure nieuwe fiets. De metaalfabrieken schakelden over op motorfietsen en op onderdelen voor auto's. Er werd veel minder geld uitgegeven tijdens de wielerkoersen. De te winnen prijzen waren lager. De sprinters probeerden het in de koersen achter gemotoriseerde gangmakers, een nieuwe rage. Goede renners stopten of maakten de reis naar Europa om daar zich financieel te handhaven door als ' vedette américaine ' op te treden..

    1908 ziet John M. Chapman verschijnen in de wielersport. Hij dirigeert wat gebeurt op de befaamde wielerbaan van Newark nabij New-York en hij trekt de wielersport uit de crisis door met vaste contracten ook goede renners uit te spelen op de andere bestaande wielerbanen in het Noord-Oosten van de  USA . Tegelijk regelde hij ook wie zou winnen, waar, waarom en voor hoeveel. Maar de wielerfans zijn tevreden en vullen terug de zitplaatsen rond de pistes. De renners van Chapman waren de best betaalde sportlui uit hun tijd.  Zij verdienden gemiddeld het tienvoudige van de andere werknemers.
    Ik zou nog over knettergekke, ongelooflijk getalenteerde, enorme sporthelden, belangrijke renners kunnen schrijven zoals over Banker, Lawson, Walthour, Wiley, Kramer, Goullet, Fogler, Mac Namara, Root en Rütt, maar uit eerbied voor de gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog schuiven we hier verder naar 1920, toen J.M.Chapman en Tex Richard na de oorlogsjaren en de Spaanse griep terug nieuw leven inbliezen in de Six-Days van New-York.

     

    De LAW was onmachtig geworden, verdreven door de dollars en de motoren. Voor de onbezoldigde liefhebbers kwam er een sterke revival met de ABLA, de Bicycle League of America, die zich met wielerkoersen op de weg zou bezig houden vanaf 1921 en ook met de koersen voor dames vanaf 1937.  Deze wielerbond vermeed plaatsen waar auto's reden en organiseerde haar koersen heel vroeg in de ochtend op veiliger wegen. Het nadeel was dat bijna niemand die renners zag rijden. Mijn oog ontdekte pas onlangs Victor Hopkins en over die renner wil ik nu verder schrijven.

    VICTOR HOPKINS  ( 1904- 1969) .
    Als baby werd hij door zijn ongehuwde moeder afgestaan aan oudere mensen die na enkele jaren allebei stierven zodat dit klein Victorke als wees werd geplaatst in het tehuis van de Iowa Soldiers Orphans Home, nog steeds gekend als het Annie Wittenmeyer Home. Hij vertrekt daar als zestienjarige en vindt een job als krantenjongen met de fiets. Hij maalt dagelijks vele uren op zijn zware tweewieler en wanneer deze leeg is, bolt hij met flink tempo naar huis. Op een dag rijdt hij ook veel sneller dan een groep wielrijders van de plaatselijke club zodat hij opgemerkt wordt door Worth Mitten, een oud renner uit Davenport die nog rond de velodrooms had getoerd in het wiel van toppers als Kramer, Taylor en Lawson, en die de zesdagen van Des Moines in 1913 en 1915 had gewonnen. Zo komt Victor Hopkins terecht bij de Davenport Cycling Club en krijgt hij raadgevingen en steun van een ervaren coach. Zeer gestroomlijnd zit hij weldra op een betere fiets. Na een jaar trainen kan hij een formidabele prestatie leveren door de 5 mijlen af te leggen zonder gangmaking in 11 minuten en 22 seconden tijdens de Nationals van de Amateur Bicycle League of America. Dat was een werelrecord en konden alleen wielerkampioenen. Zijn naam is gekend en op voorwaarde dat hij zich kwalificeert zal hij mogen deelnemen aan de Olympische Spelen van 1924 te Parijs, als amateur van de ABLA.

    Met grote motivatie op zijn fiets voorzien van één enkel verzet begint Victor zich voor te bereiden terwijl hij ook op korte tijd van zijn eerder klein postuur verandert in een volwassen jongeling van 1m80. In mei 1924 neemt hij deel aan tijdritten over 116 miles te Chicago en te Milwaukee, waar hij telkens op zijn eentje naar toe rijdt over onverharde wegen. In juni rijdt hij van uit zijn woonplaats Davenport, op de Mississippi ten Zuiden van Chicago, naar Paterson in New-Jersey gelegen op ruim 1000 miles in het Oosten. Hij legt ook die afstand per fiets af en wint daar de nationale trials. Op het eind van juni 1924 mag hij met het Olympisch Team USA met de grote oceaanboot mee naar Parijs om de 188 km lange tijdrit te betwisten op de weg en de 4km achtervolging per ploeg op de wielerbaan. In Frankrijk bewijst hij zijn talent door vijfde te worden in het befaamde Criterium van Saint Quentin, laatste voorbereidende proef voor de Spelen van 1924.  Maar verder loopt alles mis in Frankrijk. Dieven stelen het geld van de Amerikaanse renners die in een paardenstal zullen slapen in plaats van in een hotel. Pech zal beletten dat hij internationaal zal bekend worden. Wanneer hij met slechts 20" achterstand op de derde plaats aan het tijdrijden is, komt hij bij het overrijden van een spoorweg ten val. De houten velg van zijn achterwiel is gebroken. Na vele minuten knoeiwerk kan hij herstellen, doch een 59ste plaats is zeker niet wat hij verdiende. Goud en zilver waren voor Blanchonnet en Hoevenaers.

    De Olympiër Victor Hopkins wordt echter bij zijn terugkeer in de States getroost door Chapman die hem wil zien toeren op de wielerbaan met ondermeer Robert Grassin en George Chapman. In deze specialiteit is er goed geld te verdienen, alhoewel er veel kosten zijn en gevaren. Hopkins begint dagelijks achter een motor 70 miles te trainen op een ronde die hij goed kent. Chapman, de tsaar van de wielersport in de USA, bezorgt hem gedurende tien jaren contracten als stayer en ook in enkele zesdagen.

    Koersen achter zware motoren over afstanden van 25 en 50 km op aangepaste fietsen met zijden bandjes waarin 10 kilo druk zat, betekende dat snelheden van 60 tot 70 miles per uur werden bereikt op de planken of het cement van wielerbanen voorzien van verhoogde bochten. Om dat te zien betaalden de toeschouwers graag een duur entreekaartje. De jonge Hopkins had geen familie, en niemand zou rouwen als hij zich dood reed. In 1926 betwiste hij de reeks van 36 stayerskoersen voor de titel van Kampioen van America. Weer scheen pech Victor te dwarsbomen, want hij brak tijdens een val zijn sleutelbeen. Daarna kon hij aan een tiental koersen niet deelnemen. Maar toch kwam in dat jaar de doorbraak. Het gebeurde te New-York. ' If you can make it there you can make it everywhere ! '  De neofiet in het stayeren Victor Hopkins die slechts in 24 van 36 koersen kon meerijden, scoorde op de finaledag toch nog voldoende punten om nationaal kampioen te worden, een nog nooit geziene stunt. Victor Hopkins werd een naam op de Amerikaanse wielerbanen, en nog meer. Hij had ook verschillende bijnamen, steeds een bewijs van de liefde van het publiek. Hij was  the Plowboy, the Flicker, the Cornhusker uit Iowa. Tijdens de jaren 1928, 1932, 1933, rijdt Hopkins ook in Frankrijk en in Duitsland. Chapman verbood aan zijn renners om deel te nemen aan wereldkampioenschappen omdat daar te weinig te verdienen was.
    Na 70 overwinningen in de gevaarlijke ' motorpaced races' wilde Hopkins het ook op de weg proberen. In het jaar 1932 doet hij een paar administratieve stappen om te kunnen deelnemen aan de Tour de France. Daar zijn bewijzen van, maar wanneer de Tour vertrekt is hij niet bij de veertig  'touristes-routiers' die meedoen. Toch mag worden geschreven dat Victor Hopkins de eerste Amerikaan was die zich kandidaat stelde om de Tour de France als wegrenner te rijden. Hopkins reed waarschijnlijk wel voor Chapman afwachtende stayerskoersen op Franse velodrooms waar ritaankomsten van de Tour waren en verbleef in dezelfde hotels als de ware Ronderenners.
    Op de wielerbanen van Nutley en Coney Island eindigde de loopbaan van deze Victor Hopkins, die zich dan vestigde in Nutley ( New-Jersey) en zich bezig hield met zijn collectie oude fietsen en motorcycles.

    Letourneur - Jerry De Baets uit Heule
     


    MAC BOLLE EN DE FLANDRIENS.

    JERRY DEBAETS THE KING OF NEW YORK.

    Met deze hoofdstukken zal ik het vervolg van De Geschiedenis van de Wielersport in de USA op mijn blog proberen  te brengen.
    Tot later.

    15-08-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    09-08-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Juliens Lootens gebruikte als wielrenner de schuilnaam SAMSON.
    Onder de 60 deelnemers die waren vertrokken in de allereerste rit Parijs-Lyon van de allereerste  Tour de France in 1903 bereikten drie Belgen de meet : Marcel Kerff uit Sint Pieters Voeren, Alois Catteau uit Menen en Julien Lootens uit Wevelgem. Deze laatste reed om de 467 km af te leggen meer dan vier uren langer dan Garin, maar ik vind dat hij een groot wielrenner was, ook al heeft hij maar weinig gewonnen. Hij is zeker één van de belangrijkste pioniers van onze wielersport, maar werd ondertussen wat vergeten en daarom schrijf  ik over hem op mijn blog. 

    Julien Lootens werd op 2 augustus 1876 geboren als derde zoon van Adolf  uit Brugge en Leonie Sette uit Evergem bij Gent  (waar ik eens de wielerkwis ' De wielerhersenen van het Meetjesland' heb gewonnen). Vader Lootens was huisschilder en cafébaas. Via Wevelgem, Kortrijk, Lauwe, Tourcoing, vestigde de familie Lootens zich te Brussel, waar Julien in de betere kringen terecht kwam. In die tijd, rond de eeuwwisseling, was het daar de gewoonte dat men als renner een schuilnaam koos, zoals nu bij schrijvers, filmsterren, zangers, en zelfs soms bij voetballers nog steeds het geval is. Zo'n schuilnaam werd gebruikt omdat gegoede burgers, de aristocraten, niet graag hun familienamen in de sportuitslagen zagen staan, ook al hadden zijn een grote passie voor de wielersport. De wedstrijden werden vooral op de velodroom gereden en met dure fietsen die niet konden betaald worden door gewone jongens uit het volk. Pas bij de opkomst van de Flandriens en de straatkoersen, tijdens de periode voor de eerste wereldoorlog, konden ook boerenknechten en arbeiders aan velokoersen deelnemen, zij het dan eerder om een centje bij te verdienen in krachtmetingen op de vuile en slechte wegen, of van café tot café op kermisdagen en feestdagen.

    Via zijn connecties in de society van de hoofdstad, van ' Bruxelles au temps du cinéma muet' , kon sportman Julien geregeld aan de bak komen op de talrijke pistes die ons land toen telde. Een grensstad zoals Menen beschikte rond 1900 over een korte houten wielerbaan, een betonnen piste en een assepiste, met een drukke activiteit.

    De escapades van Samson op de piste zijn de moeite waard, maar het is toch door te starten in de vier eerste edities van de Tour de France dat Julien Lootens belangrijk werd. Hij deed het goed bij zijn Tourdebuut. Hij werd 2de in de vierde rit, 3de in de derde en in de zesde rit, om te Parijs zevende te worden in de eindrangschikking. De veelbelovende Julien was een prachtig ronderenner, doch die zoals de meeste van onze Tourhelden slechts gedeeltelijk de in hem gestelde verwachtingen kon laten uitkomen. In de incidentrijke tweede Tour kwam opnieuw Julien Lootens aan de start. Hij werd gediskwalificeerd door op de trein te kruipen,na vele bandbreuken, maar reed toch nog mee tot Parijs voor de dagprijzen. Samson en zijn spitsbroeder Aloïs Catteau  verschenen  in 1905 als enige Belgen aan de start in een volgende Tour waar toen om de punten werd gereden. Julien werd slechts twintigste. In die periode vinden we Julien Lootens een vierde maal in het rondeverhaal terug, maar reeds tijdens de eerste rit van 1906 belandde  hij  tussen de opgevers..

    Een andere wedstrijd, waar Julien zich door aangetrokken voelde, was Parijs-Brest-Parijs met zijn 1200 km de langste wegwedstrijd in lijn, de legendarische marathon van de weg. Deze thans   verdwenen klassieker werd slechts om de 10 jaar betwist en was toen zeer belangrijk. Samson nam deel in 1901, 1911 en 1921. Hij reed ze alle drie uit wat een prachtige globale prestatie was. In 1901 waren er 139 vertrekkers waaronder drie Belgen. Julien werd met een tijd van 77 u 59 min 18 sec als negende afgeklokt in het Parijse Prinsenpark. Tien jaar later kon hij zich verbeteren met 66 u 28 min en een dertiende plaats. In 1921, hij was toen al 45 jaar, met een tijd van 95 uur, kon hij nog 24ste worden door nog 40 uren na de grote winnaar Louis Mottiat te finishen. 

    Een nog ander monument is Parijs-Roubaix. Na in 1902 (21ste) en in 1903 (20ste) werd de helletocht van 1904 betwist door de “dwangarbeiders van de weg”, die zonder gangmakers een totaal ander wedstrijd moesten rijden over de kasseien van het Noorden. Gedaan dus met tandems, tripletten, trekkende en duwende helpers, en automobielen die de wielrenners in de vorige edities voorafgingen en de strijd vervalsten door gesjoemel. Lootens werd tiende en eerste buitenlander. In 1912, hij was toen al 36 jaar, kon hij nog beslag leggen op de drieenzestigste plaats. Alsof al dat reizen naar en koersen in Frankrijk nog niet genoeg was, kwam Julien ook nog op de piste in de sprintnummers uit en in stayerswedstrijden. Vooral als stayer was hij goed. Samen met Arthur Vanderstuyft uit Ieper nam Samson deel  in 1903 aan de Sixdays van New-York. In 1904  was hij ook deelnemer aan de “1000 km match ” in de Parijse wintervelodroom. Hij zou er vierde worden.

    Ook in eigen land was hij een vedette. Meestal was Jan Olieslagers zijn gangmaker. Hij reed dikwijls op de Brusselse wielerbanen zoals: Karreveld, Vélodrome de la Cambre en Linthout, maar ook in West Vlaanderen, waar hij geregeld uitslagen scoorde achter de zware motoren om dik prijzengeld mee naar huis te nemen. 

    Op 21 juli 1909 was hij ook van de partij toen  Karelke Verbist verongelukte. Julien Lootens had toen veel  'chance' en kon nog nipt uit die verschrikkelijke valpartij blijven. Na een schone wielercarriere van meer dan twintig jaar overleed Julien Lootens op 6 augustus 1942 in Brussel, hij was toen 66 jaar en 6 dagen oud.


     
    De snelle jongens van de zuivere snelheid waren  ' de aristocraten' van de wielerbaan.





    Met zijn vriend Arthur reed Julien de dikbetaalde stayerskoersen.



    09-08-2010 om 05:11 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    07-08-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.LA HISTORIA ME ABSOLVERA

    Het nieuws van deze dag was het weerzien van Fidel Castro, el lider de la Revolucion cubana.

       

    Vermits de Amerikanen weer domme dingen gaan doen kwam Fidel het nog eens uitleggen.

    Fidel Castro , gezond als een oude walvis in fris water, sprak vandaag voor het eerst sedert 2006 terug in het Cubaanse Parlement voor een buitengewone zitting. Tijdens zijn speech van 12 minuten maakte de oude revolutionnair voor de zoveelste keer een kwade vinger op de Verenigde Staten  die in het Midden-Oosten met vuur zijn aan het spelen terwijl er nucleaire dreiging is vanwege Iran en Noord-Korea.  De grote communistische leider van het Cubaanse volk smeekte Barack Obama om te voorkomen dat er een kernoorlog zou komen.

    Sedert een maand verscheen Fidel Castro reeds meerdere malen in het publiek. El comandante en jefe is weer fit en mager, staat mentaal weer zeer scherp, ondanks zijn 84 jaren, en lijdt niet meer aan de maagkwaal die hem in een zetel had geplaatst. In een olijfgroen uniform deed hij een zeer opgemerkt wederoptreden.

    De vraag die velen zich stellen vanavond is ' Waarom ?  '  .
    Wil hij aandacht trekken op zijn boek  ' De Strategische Overwinning'  dat onlangs uit is gekomen en dat weer gaat over de Cubaanse Revolutie van 1958 natuurlijk want daarover zal die man, strijder van zovele gevechten  en held met zoveel  memoires nooit uitgepraat geraken ? Is hij meer dan een oude man die zich nu wat beter voelt en nog eens een frisse neus wil halen, een veteraan die nog een laatste optreden wil doen alvorens dood te gaan ? Is zijn alerta sobre peligro de una conflagracion nuclear ernstig te nemen ?  De toekomst en de geschiedenis zal het uitwijzen !
     
    Fidel Alejandre Castro-Ruz laat sedert decennia de gewone mensen en ook de wereldleiders niet onverschillig. Ik behoor niet tot zijn tegenstanders, alhoewel de tocht van zeven weken die ik per fiets had willen ondernemen, op zijn eiland, me zwaar was tegengevallen  in 2001, nadat ik zoveel gelezen had en zelfs wat Spaans leerde op de avondschool. 

    Welcome back,  good old friend  !   Con mucho gusto sua  reaparicion companero  !

    Leg het nog maar eens uit , want zij begrijpen het niet  !





    Minder bekend maar zeer efficiënt , President Raul Castro, de broer van Fidel, is nu de grote baas op Cuba.


     

    Op Cuba hebben wij de lekkerste cigaren en de beste hoeren heeft companero Fidel altijd beweerd.

        

    Zal ik Vladimirke aanpakken in tenis de mesa, judo, boxen, baloncesto, béisbol, in het salsa dansen of in het mojito drinken, om hem te bewijzen wat een kerel ik ben, schijnt de grote Cubaan te reflexioneren.

    07-08-2010 om 23:22 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    31-07-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Landen - Santiago de Compostela 1999 - ( 2 ) .
    7. Dimanche 16 mai .

    Auberge de Jeunesse Le D'Artagnan,  rue Vituve, 80, à  Paris.
    Op de tweede verdieping bevinden zich rechts de kamers 21, 23,25,27,29 , en gescheiden door een gang en twee sanitaire zalen, links de kamers 20,22,24,26, en 28. Er wordt uitdrukkelijk gewenst dat de mannelijke en de vrouwelijke rugzaktoeristen, pelgrims, studenten en andere gebruikers van de overnachtingsfaciliteiten zich gescheiden soort bij soort houden en slapen op de voor hen voorziene kamers, bedden en matrassen. Soms is dat niet duidelijk, althans niet door uiterlijke kenmerken zoals kledij, zwaarte van de bagage, lang haar, baardgroei, borsten, billen, korte en lange broeken, lichte of zware schoenen.  Het is begrijpelijk dat voor slaapwandelaars, onder-invloed-zijnden, of gewoon voor zij die het gesnurk van compagnons, de stank van  zweetvoeten en te lang niet meer gewassen kledingstukken niet langer meer verdragen, op de overvolle kamers waar lijven, drogend wasgoed, muziekinstrumenten, en nog meer de ruimte bezetten. Op de gang, op een tussenverdiep, of op een andere kamer is het inderdaad soms beter om de uren van de nacht in de verplichte linnen slaapzakken door te brengen.

    Terwijl ik op twee meter hoogte geen slaap kan vinden, bemerk ik plots dat in het midden van de nacht er schuin onder mij in het bed van mijn buurjongen een tweede persoon is bijgekropen. Haar  blote benen tonen dat zij een meisje is. Zij slaapt echter diep verder met haar kop op de schouder van de jongen  (uit Sydney) die ondertussen wakker wordt, en die roerloos blijft en wat verward zich vragen stelt maar verder de situatie niet beinvloedt. Wellicht weet zo'n Dundee uit Downunder dat je een slapende krokodil niet mag verjagen. Een kwartier gaat voorbij. Plots springt de onverwachte maar niet ongewenste gaste recht, zij loopt naar de spiegel, waterkraan en wasbaak, die voor de zes bewoners van de kamer dient, en begint daar en ook daarnaast op de grond over te geven. De Australiërs springt ook uit zijn bed, doet het licht boven de spiegel aan , en dan wordt het brakende meisje wakker, komt zij tot bewustzijn, gilt ze . De Australiër kan haar kalmeren omdat  hij een schone jongen is bij wie iedere jonge vrouw wel zou willen slapen. Hij brengt haar rustig en zachtjes terug naar haar eigen kamer. Zij weet gewoon niet hoe en waarom dit was gebeurd, zij begint te snotteren. De Australiër komt terug de kamer in, en zegt tegen zijn kamergenoten ' no more comments please , O.K. this is Paris !  ...,  I'll clean it all up, ... good night everybody ... !' .
    Wat later switcht hij het licht weer uit  en daarna slapen wij verder tot de ochtend.  

    Ik berg al mijn bezittingen op slot in mijn muurkastje, telefoneer naar mijn vrouw Sonja, doe voor twee frank een wasje met de wasmachine van de jeugdherberg, en daarna vertrek ik met mijn fiets zonder bagage voor een geplande zwerftocht doorheen de stad Parijs.



    Doel 1 :  Vincennes, park van 994 ha ten Oosten van Parijs met Engelse tuinlandschappen en zeldzame sequoia's. Op een bank in 't zonnetje doe ik een dutje terwijl vele joggers voorbijlopen. Nadien kom ik op de omloop van Le Bois de Vincennes, bekend door vele wielerkoersen en ook door een film. Op een zondagse voormiddag rijden daar honderden fietsers en rolschaatsers. Aan een kruispunt gebeurde wat. Een oudere wielrijder ligt plat op het asfalt. Zijn dure Vitus Inoxydable is goed voor de schroothoop. Een groep mensen staat rond dit gebeuren. Vermits ik liefst geen ramptoerist ben, adem ik eens diep in, en met een boogje rijd ik rond de plaats van dit onheil.
    Chateau de Vincennes, Floralies Nationales, nogmaals genieten op een bank. Ik ga nu op zoek naar de parochie van Abbé Bertholet die kende toen ik nog bankbediende was. Ik stap de kerk van St-Louis binnen, brand een kaars voor de grote heilige, en in het gulden boek schrijf ik enkele zinnen terwijl ik tot het besluit kom dat ik maar beter mijn tijd niet verspil met pastoors.

    Doel 2. Tour Eifel.  Les bouquinistes de la Seine. Ik koop en schrijf kaartjes nabij Memorial Joffre. Zicht op de Eifeltoren. Te Bobourg eet ik een te duur Amerikaans ijsje. Ik bereik Les Invalides, terwijl ik nogmaals moet plassen, hetgeen me nogal ergert.

    Doel 3.  Langs de Champs Elysées en Avenue de la Grande Armée waar eens Oscar Egg woonde en waar de eerste flandrien Cyriel Van Hauwaert kwam met een papierke in zijn gespierde hand waarop een Westvlaamse fietshandelaar vroeg of hij mocht starten voor Alcyon in Parijs-Roubaix 1907. Meer als een cola en een sandwich heb ik niet nodig in deze peperdure buurt.

    Doel 4. Het op 130 m hoogte gelegen Montmartre. Le Sacré Coeur, la Savoyarde, statues de Saint Louis et de Jeanne d'Arc. Place du Tertre, sur la Butte waar Picasso, Van Gogh, Toulouse-Lautrec, Dali en vele andere artiesten inspiratie vonden tijdens hun jaren van 'bohémien'. Het decadente Parijs van de frenchcancan, Pigalle en Le Moulin Rouge. Ik laat de vele restaurants liggen want ik weet helemaal niet meer waar ik op dat ogenblik ben.

    De lichtjes van Parijs zijn reeds aan het fonkelen en de hoertjes tippelen op de boulevards, wanneer ik terug de rue Vituve kan bereiken. Ik neem een stortbad en begeef me te voet naar het Mexicaans Restaurant  Pancho Vila waar ik tortillas eet en een hele fles Rioja drink. 

    8. Lundi 17 mai.

    Een girl uit Bristol in Engeland wijst aan een oudere man hoe hij met internet e-mails kan verzenden. Ik praat lang met Misja uit Israël die in Irkoutsk werd geboren en nu in het beloofde land woont. Ik probeer aan deze Jood de betekenis uit te leggen van Les Chemins de Saint Jacques. Veel heeft hij gestudeerd, doch niets weet hij over Santiago, Jacob De Meerdere die toch ook nabij Jerusalem had gewoond.

    11u15 - Vertrek -  Place de la République - Notre Dame - Zo bereik ik op de linkeroever de kunstenaarswijk Saint- Germain- des-Près, la Tour St-Jacques en la Rue St-Jacques. Nu hoop ik dat de heilige Jacob mij eens zal helpen. Ik telefoneer naar Alain d'Otrange, een gepensioneerde headhunter die te Chicago en te Brussel had gewoond, maar die nu op pensioen is en weer in eigen woning te Le Vésinet- Chatou zich met zijn gezondheid en zijn stamboom bezighoudt. Tijdens mijn eerste pelgrimstocht naar Compostela en daarna had ik vriendschapsbanden met deze man gesmeed. Alain was lang de voorzitter van een belangrijke wielerclub met veel traditie. Formidabel !  Ik bereik Alain persoonlijk en word bij hem uitgenodigd. Door de ontroering van deze minuten aan de telefoon vergeet ik mijn telefoonkaart in de gleuf. 

     La Tour St-Jacques

    Gebouwd op het begin van de XVIde eeuw op de resten van de verdwenen romaanse kerk van St Jacques de la Bouverie is deze alleenstaande toren van de flamboyante gothische stijl. Het is een monument van ' La ville de Paris'  en van  'Le Patrimoine Mondial de l'UNESCO'. Volgens de Fransen van Association des Amis de St Jacques ligt op deze plaats ' la première borne du Chemin de St Jacques ' .

    Deze visie wordt echter zeker niet gedeeld door de pelgrims uit de andere landen omdat de weg naar Compostela voor hen veel langer was en ook liep door gewesten buiten Frankrijk.

    Voor mij volgt nu een slalom door het Parijs van het einde der XXste eeuw. Ik brand een kaars in de kerk van St-Sulpice en in een kapel van l'Abbaye de Saint Germain des Près. Ik kom aan l'Arc de Triomphe en in Le Bois de Boulogne, de groene longen van Parijs, gebouwd door Napoléon III en die een oppervlakte van 846 ha hebben.  Weer moet ik voortdurend plassen. Gelukkig is dit in het zo grote bos mogelijk. Aan de rand van dat bos staat ergens een oude caravan. Denkend dat het een frietkot is, rijd ik er voor ravitaillering naar toe. Och, neen, een dagloonster van de oudste stiel werkt daar, doch te koop zijn er noch puntzakjes, noch worsten, noch mayonnaise, noch balletjes in tomatensaus, ... alhoewel te Parijs alles mogelijk is. ' Viens, mon grand ... ' zegt de valse blonde, en ik maak me zo klein mogelijk en fiets vlug onder haar vangnet door.

    Wat verder kom ik in het verschrikkelijke ultra moderne stadsgedeelte van La Défense met mijn fiets.  Ik vind er troost in de MacDonalds, een oase op dat ogenblik maar ook een goddeloze schande want een echte pelgrim moet de Franse keuken eer aan doen. 

    Me voelend als een figurant uit de film Traffic van Jacques Tati volg ik de richting van St-Germain-en-Laye, wring ik me door Carrières-sur-Seine, en uiteindelijk omstreeks 18u30 bereik ik het huis van mijn vriend Alain in de Avenue Foch.
     
    Onvoorstelbare gastvrijheid, daar wacht me een gedekte tafel. Alain en Simone, hun zoon Christophe die Nederlands leert omdat hij te Brussel een lief heeft en daar wil werk vinden en trouwen ( ik moet absoluut met hem Vlaams praten ... ! ) wachten op mij, maar ook de stokoude wielertoerist, de legendarische Dudu die nog had gefietst met Georges Speicher en  Benoit Faure, en die voor de gelegenheid uit zijn zetel was weggehaald om met mij over de koereurs van vroeger te praten en over zijn verschrikkelijke inzinking tijdens zijn Camino de Santiago van 1984, en over nog veel meer ... !  'Normaal zou ik al dood moeten zijn, zo sprak Juju,  ... mais je suis increvable ! ' . 

    Douche. Propere kleren. Eten. Praten. Drinken. Conversations jusqu'au-de-là de minuit ! 

    9. Mardi 18 mai.
    Terwijl Alain drukke bezigheden  heeft om het huis dat hij had geërfd te verkopen, praat ik de hele tijd Nederlands met zoon Christophe, die niet goed tegen drank kan vermits hij nog altijd niet echt nuchter is, en daarom is moeder Simone kwaad en stuurt hem weg om iets bij familie in een andere straat te gaan doen. De vrouw des huizes zal met haar naaimachine mijn broek wat herstellen. 
    We kijken naar foto's uit 1984, genomen door Simone te Compostelle.

    Bezoek aan het nabije Italiaanse Restaurant . Ik betaal het eten voor drie. Alain wil de drank betalen. Afscheid om 15u00.
    Met zware benen probeer ik me van Parijs te verwijderen.
    Versailles, Le Chesnay, Viroflay,  Bois de Meudon, Vélizy-Villacoublay, Jouy-en-Josas, Palaiseau, Longjumeau, Sainte Geneviève-des-Bois,  St-Michel-sur-Orge,  ...

    Ik probeer een plaatsje te vinden in een Formule1 en op 5 andere plaatsen : zonder resultaat !
    Monthlery, Linas,  ... opnieuw Formule1 en ook een ander hotel : occupé !
    Op de N20 vorder ik langzaam naar Arpajon, terwijl het reeds donker wordt. Avrainville, Cheptainville, Lardy, Janville-sur-Juine. Nu ben ik toch wat slaperig aan het worden !
    In de duisternis zie ik de oprit naar een kasteel. Deze zijweg stopt aan een grote poort en aan hoge ijzeren hekken die een droge slotgracht afsluiten.  Er is een kleine parking geplaveid met kasseien. Daar is het rustig, droog, veilig en windstil, goed voor rust onder Gods hemel, naast mijn fiets, in mijn warme slaapzak. Enkele keren wandel ik wat rond, kijkend naar de sterren, en ga in het gras mijn blaas ledigen. Daarna in mijn droom zingen mooie vrouwen chansons over Parijs, terwijl de nachtdiertjes ver weg blijven omdat mijn gesnurk hen angstig maakt.  



    10. Mercredi 19 mai.

    Vroeg uit mijn slaapzak gekropen en terug de fiets op .
    Etampes . Ochtendtoilet - Koffie.
    Op de N20 Mondésir, Guillerval, en dan naar links Meréville, Autry-sur-Juine, Enceville, Outarville, Bazoches-les-Gallerands, Neuville-aux-Bois - D97  -  Middageten.
    Praatje met de uitbaters - Loury, Fay-Aux-Loges.
    Praatje met oude schrijnwerker die vertelt over zijn krijgsgevangenschap in Duitsland.
    Op zoek naar de Loire die ligt te Jargeau ten Oosten van Orléans. We stoppen reeds vroeg in  Auberge du Clair de Lune- Logis de France.
    Douche, rusten, kaartjes schrijven, schuimbad, sokken gewassen, avondmaal, wijn.
    TV - Slapen in een goed bed.

    11.  Jeudi 20 mai.

    Ontbijt om 9u00. Babbel met de patron en met gasten uit Nederland.Nog een uur op de kamer omdat het fel regent.
    11u00 - Tegenwind langs de dijk van de Loire. Te St-Jean regent het opnieuw en onder een afdak blijf ik wel twee uren schuilen. Ik dood de tijd met het weer in orde brengen van al mijn fietstassen. Aan de oude brug van Orléans ben ik zeker dat ik op de reiswijzer uit De Pelgrim van Willibrord Mondelaers ben gekomen. Koude en regen blijft tijdens het rijden door de stad die ik in de nattigheid niet bezoek. Enkele tijd later kom ik aan een hotel-restaurant. Om lang te genieten van de kostprijs boek ik reeds om 15u00.  Ik neem een bad en val in slaap op het droge heerlijke bed. Ik kleed me keurig om met classe aan tafel te zitten en na het dessert schrijf ik een brief naar huis. 

    Logis de France - L'Escale du Port Arthur - te St Hilaire et St Mesnil.

    Op een regenachtige augustusdag van 2010 is het daar nog altijd even lekker als toen.

    Le Chef vous suggère**

    Entrées

    Marbré de ris de veau aux langoustines, bohémienne de légumes au safran - 16 €

    Duo d'asperges et coquilles Saint Jacques, œuf mollet sur sa crème de homard - 16 €

    Terrine de foie gras de canard et son cœur gourmand - 16 €

    Plats

    Rôti de lotte, sa tarte aux champignons, fricassée d'escargots en persillade - 23 €

    Mousseline de poularde poêlée, crème de morilles, rizotto et brunoise de magrets fumés - 23 €

    Tournedos farci de foie gras, brochette de pommes de terre au romarin - 23 €

    Desserts

    Feuillantine praliné chocolat, ses profiteroles glacées à la vanille bourbon - 11 €

    Assortiment de sorbets, son biscuit fragilité, craquant meringué et chantilly à la violette - 11 €

    Crème légère de chocolat blanc aux fruits rouges, sa tuile aux amandes - 11 €


    12. Vendredi 21 mai.

    Wat een goed hotel ! Ik heb mijn regenjasje eens goed gewassen in het midden van de nacht. Mijn sokken zijn weer lekker droog. Mijn Eurocard doet het niet, maar met Visa gaat het afrekenen wel.
    Het is regenachtig. Ik besluit van mijn lelijke katoenen pullover te dragen. Die is veel te lang, maar beschermt wel mijn rug, en ik zweet niet omdat de wind er door blaast. Het is afzien en met weinig snelheid kilometers malen langs de Loire. Het schitterende Beaugency beloont me. Daarna maak ik goede vaart naar Chambord. Te Muides sur Loire eet ik wat brood, kaas, met een fles goedkope wijn en praat ik met twee vertegenwoordigers van een drukkerij. Te Blois kom ik in het ellendige verkeer en dat ontmoedigt me. Ik wil dan ook doorrijden over meer landelijke wegen en zo kom ik aan te Candé-sur-Beuvron waar ik een Gîte d'Etape ontdek. Het kost maar 180 FF met ontbijt en ik krijg een heel huis voor mij alleen. In een winkel kan ik net voor sluitingstijd nog brood en een prachtige saucisson kopen. Ik leg al wat ik nog als eten bij heb op de grote keukentafel en knabbel langzaam en veel.

    A Candé les amoureux du calme et de la nature sont comblés par les plaines, les forêts, les rivières, les paysages viticoles et le chant de oiseaux.


    13. Samedi 22 mai.

     

    Na mijn vertrek uit de Gîte d'Etape volg ik de D751 en bereik Chaumont-sur-Loire, Amboise.
    Naast de prachtige stroom en de kastelen, is er ook de wijnstreek. Te Montlouis zal het feest zijn tijdens het Pinksterweekend. Op de Foor van de Landbouw onder een zeil eet ik moussaka bij een Griek. Dat geeft me verse moed en kracht om door te stoten tot Tours over verschillende bruggen. Saint Gatien en Saint Martin eer ik met lang bezoek. De relieken zijn er nog altijd van eeuwige en onschatbare waarde.


       
    Sint Maarten  de belangrijke heilige wordt vereerd te Tours.



    Nadat deze plicht voorbij is, snuffel ik wat rond in de omgeving van het spoorwegstation van Tours. Nadat ik het zoeken naar Avenue de Grammont ( eindstreep klassieker Parijs-Tours) opgeef omdat het ongezellig fietsen is tussen de auto's laat Sint Jakob zijn onmetelijk kracht zien. Ik bots op de gezusters Janssens die met schelp, wandelstok, hoed, rugzak en zware schoenen te voet van Nederland naar Santiago de Compostela stappen. Ik felicteer deze stevige meiden voor de reeds afgelegde weg en ik trakteer hen op een groot glas bier. In de MacDonald ga ik daarna wat eten en nadenken over mijn afgelegde weg. Daar ben ik niet fier over, vermits door regen en wind, door gemakzucht ook, ben ik al dagen trager dan mijn slechtste schema. Als remedie koop ik daarom een treinkaartje Tours-Poitiers. Twee uren later ben ik niet meer in het station van Tours, maar wel in dat van Poitiers en dat is zo'n 101 km verder zonder inspanning. Ik telefoneer naar huis om mijn nieuwe positie te melden, zonder te zeggen dat ik wat vals heb gespeeld door de trein te nemen. Mijn objectief blijft Spanje bereiken op 1 juni.

    Er is geen plaats in de jeugdherberg van Poitiers. Ik ben niet moe en heb geen goesting om deze zaterdagavond in een hotel te boeken. Vele kilometers fiets ik rond te Poitiers, maar nergens merk ik een voor mij passende plaats. De lichtjes van Poitiers fonkelen ondertussen in de avond. Aan een cinema gekomen zie ik dat daar een rij aanschuift. Ik vraag of ik achter de glazen kassa mijn fiets mag vastkabelen aan stevige buizen. Zo kan ik ook naar die film gaan. Ik geniet in de malse zetel  van  La Vie est belle van Roberto Benigni. Daarna waag ik me tussen de snelle vierwielers in  'the saturday night fever '. Door de nacht ontvlucht ik de stad al rijdend naar Saint Cyprien en Saint Benoît. Heerlijk en rustig is het daar, ver van alle nefaste geluiden. Zonder het te willen brengt de oude weg me in de duisternis tot Ligugé, waar ik precies als aan de Grote Hemelpoort kom. Ik sta voor de muren van de Abdij van Ligugé. Er is daar op dat nachtelijke uur niemand nog wakker, alhoewel vele lichten er de duisternis overwinnen. Aan de linkerkant  is een duistere doorgang naar Chapelle Saint Martin. De deur van deze kapel is open. In het portaal leg ik mijn slaapzak op de vloer. Volledig naakt zoals ik op deze wereld aankwam, om goed te slapen, kruip ik voor het eerst in mijn zaklaken dat thuis werd genaaid. De pelgrim van Sint Jakob slaapt bij Sint Maarten. Zijn fiets Olive Green staat ook binnen in die kapel en is behangen met kledij die zo wordt verlucht in deze oudste abdij van Europa, gebouwd door Saint Martin de Tours in de VIde eeuw.

    14.  Dimanche de la Pentecôte  23 mai.

    Geen enkele Benedictijn, stokoud of nog misdienaar, stond zo vroeg op als ik. Ik was me goed met het immer lopende water van een fontein op de parking. Fiets en bagage terug in orde, maar ik voel dat ik nog niet vertrekken mag van deze uitzonderlijke plaats. Ik wandel daarom rond tijdens het opkomen van de nieuwe dag en zo besef ik waar ik eigenlijk ben, te Ligugé bij de zeer belangrijke abdij uit de vroegste tijden van de godsdienst en de cultuur die de onze werd. Ik schrijf naar de pater kruisheer Boly van la Fondation Paul Claudel, die ongetwijfeld deze plaats goed kent en fier zal zijn dat een van zijn vroegere leerlingen weer op Le Chemin de Saint Jacques naar het ware geloof speurt.

    Bij een vroege bakker open ik de zaak zodat ik met wat vers brood in mijn stuurtas kan vertrekken.
    Mijn volgend doel is het vinden van LE RELAIS DE VIVONNE op de N10 ten Zuiden van Poitiers. Dit is de top, het nec plus ultra, van de wegrestaurants voor truckers en reizigers. Excellent, incontournable, à ne pas rater, mij al jaren eerder aanbevolen door trucker-fietsende pelgrim Lucien Vander Elst uit Zaventem. Ik moet nogal lang zoeken om terug op de N10 te geraken. Er zijn werken, plassen regenwater en slijk. Tijdens een stop laat ik mijn natte pullover en mijn vuile badhanddoek achter op een geparkeerde bulldozer van een aannemer uit Parthenay, netjes opgeplooid uiteraard, als premie voor een slecht betaalde gastarbeider. Uit datzelfde Parthenay kwam lang geleden eens Aymery Picaud de  middeleeuwse Compostela-ganger die de eerste reisgids voor pelgrims schreef.

    Eindelijk vind ik  Le Relais *****  waar ik als ontbijt nog een kanjer van een omelet binnenspeel.
    Voor een belangrijkere maaltijd zal ik later nog wel eens deze oase van de lange weg betreden.

     http://restoroutier.free.fr/index.htm

    VIVONNE.  Le menu est à 12,50€. Il comprend un très vaste buffet d'entrées, un choix parmi + de 6 plats chauds + un plat du jour et 4 accompagnements., fromages au buffet et dessert. La boisson est comprise (rouge, rosé, eau plate et gazeuse, limonade). La cuisine est très bonne. Dans le buffet, j'y ai trouvé (et goûté) du jambon cru et des huîtres. Il y a même de la mayonnaise maison .

    Ik waag me in het uitgestrekte nomansland van La France profonde des fermes isolées du Poitou.
    Te Lusignan besef ik deze onhandige poging. Door mijn mislukking fiets ik koppig en snel weer verder op de N10 tot wanneer een verkoper van ijsjes en drank me mijn remmen doet toeknijpen.

    Het zonnetje verschijnt. Lezay. Ik ontdek een rustbank. Ideaal voor een slaapje terwijl ik in de lichte wind  mijn slaapzak en laken zuurstof geef vooraleer ze terug beter op te vouwen. Wat later bereik ik Melle , niet zonder emotie want hier waren de zilvermijnen van de Merovingers. Tussen de jaren 602 en 995 waren op deze plaats ertsen  die werden gesplitst in lood en in zilver. Koning Dagobert I was er de eigenaar van. Het is dus zeker hier dat Pepijn de Oude van Landen, de Hofmeier, de rijkdom van zijn familie kwam halen. Zijn vrouw Itta van Aquitanië kwam trouwens ook uit dit deel van Frankrijk. Te Melle werden zilvermunten geslagen die de naam kregen van oboles en dinarii .

    Ik voel me beter omdat de lucht zacht is in het Zuiden van de Poitou-Charentes. In een dorp met 1489 inwoners Brioux-sur-Boutonne vind ik een Restaurant-Hotel Routier waar ik welkom ben.
    Als avondeten wordt het een fles rosé, buffet de crudités, steak, fromage, dessert.Terwijl ik kaartjes schrijf naar familie, vrienden, en kennissen geniet ik van een koude Marie Brisard .

    15.  Lundi de la Pentecôte  24 mai.

    Mijn rekening bedraagt slechts  252,5 FF .
    Geen twijfel meer, ik ben nu wel duidelijk op de oude Chemin de Saint Jacques, want een verroeste wegwijzer die werd geplaatst lang voor de geboorte van alle levende Amis de Saint Jacques laat me dat weten. Ik bereik Enseigné waar eens de Orde van de Tempeliers werd gesticht in een grote bouwvallige schuur waar toegang verboden is wegens instortingsgevaar.
    Langs de D109 en de D 950 kom ik aan de parochiekerk van La Villedieu gewijd aan Marie Madeleine en wat later in Aulnay de Saintonge, een dorp van 1507 inwoners, met de prachtige oude kerk Saint Pierre de la Tour. Ik brand er een kaars, vul de offerblokken met mijn kleine oboles zonder waarde. Mijn inscription in het gulden boek kwam wel op een moment van goede inspiratie.

    Te Saint-Jean d'Angely is het weerom etenstijd  na bezoek aan een patisserie. Terwijl ik knabbel en rust denk ik aan de verdwenen wielerkoers tussen Paris en Saint-Jean-d'Angely uit het interbellum waarin François Adam uitblonk. Een monument leert me over Michel-Louis Regnaud de Saint-Jean-d'Angely (1760-1819) in de tijd van la Révolution Française en van Napoléon Bonaparte.

     
    Verder via Saint-Hilaire-de-Villefranche,  en even rondrijden te Le Douhet, waar Pineau des Charentes wordt gemaakt, komen we weldra in de prachtige stad van Agrippa d'Aubigné .

    SAINTES, op het einde van de twintigste eeuw met 26.000 inwoners, werd MEDIOLANUM SANTONUM genoemd en is dè historische hoofdstad van la Saintonge. Deze plaats die al belangrijk was in de Romeinse tijd, overleefde invallen en oorlogen, en is vandaag nog begiftigd met de boog van Germanicus, een aquaduct, een amfitheater, een triomfboog, thermen, maar ook met grote Romaanse kerken en een rijke abdij die voor vrouwen was. 
    Ik vind plaats in de jeugdherberg. Speciaal voor mij maakt de bazin nog een dubbele portie ' langue de boeuf ' . Daarna wandel ik naar de kathedraal Saint-Pierre, waar ik rustig op een kerkbank ga zitten om te verteren, zonder dat mijn brein nog werkt, tot wanneer wegens het sluitingsuur een  pater met een grote leren riem rond zijn buik me aan de deur zet. Telefoon naar huis. Drankje in de jeugdherberg. Kijken op televisie naar John Travolta.






    31-07-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    25-07-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Luxemburgse wielerkampioenen.
    De maand juli 2010 werd gekenmerkt door de steile opgang naar de hoogste top in de wielersport van ANDY SCHLECK, de vijfentwintigjarige zoon van Johnny en de broer van Frank. Voor de derde maal won hij de witte trui, als beste jongere, en vooral toonde hij zich op de Tourmalet de waardige tegenstander van Alberto Contador, de grote Spaanse klassementsrijder, voor de derde maal winnaar van de gele trui in de Ronde van Frankrijk. Door zijn prestaties op de fiets en ook door zijn houding voor de camera's van de internationale media werd Andy een grote vedette.  Hopelijk volgt nu voor hem een aangepast salaris en komt nu weldra voor ons allen het belangrijke nieuws dat een nieuwe sponsor uit Luxemburg de wielersport zal binnenstappen om een sterke ploeg te vormen rondom de gebroeders Frank en Andy Schleck.

    Het Groot Hertogdom is maar een landje, doch in de wielersport zal La Féderation Luxemburgeoise du Sport Cycliste steeds worden gerespecteerd omwille van drie grote wielrenners uit het verleden.  De hoop groeit nu dat een vierde man deze zal kunnen evenaren of benaderen.

    DE GROTE DRIE  :

    1. Nicolas FRANTZ.  (1899-1985)

    De  ' sombere Nick' uit Mamer was een boerenzoon van goeden huize. Deze stevige atleet van 1m80 en 79 kgr was een kerel die nooit lachte. Uit liefde voor de fiets begon hij te koersen. Hij was onklopbaar in eigen regio en reeds na de Eerste Wereldoorlog vinden wij zijn naam terug in de Ronde van Haspengouw voor juniors, nadien in vele lange wegwedstrijden die op het internationaal kalender verschenen en verdwenen ( Luxembourg-Namur, Parijs-Longwy, Madrid-Santander,  Parijs-Lyon, Parijs-Reims, Parijs-Calais, Zurich-Ulm, e.a. ) en waarin toen de dwangarbeiders van de weg onmenselijke inspanningen leverden.  Frantz was gedurende tien wielerseizoenen een toprijder bij Alcyon (1905-1961) , de merkenploeg die slechts overtroefd werd als  'beste ploeg aller tijden' door Peugeot, en die beter was dan Mercier, Bianchi, Kas, en Legnano, om nog meer namen te noemen. Vooral door de Tour de France werd Nicolas Frantz bekend. Hij won er de zware edities van 1927 én van 1928 , die 5340 km en 5476 km lang waren. Hij won in totaal 20 ritten, en droeg gedurende 37 dagen de gele trui. Hij boekte 60 overwinningen tijdens zijn profloopbaan en dit tegen alle grote renners uit het interbellum. Toen Desgrange vanaf 1930 de Tour de France per landenploegen liet betwisten was dit bijzonder ongunstig voor deze Luxemburgse wielerheld. In 1978 werd Nicolas Frantz gehuldigd . Hij kreeg  Le Guidon d'Or  als blijk van de eeuwige nationale erkenning van zijn sportverdiensten, eerst als wielerkampioen en nadien als ploegleider.
     
     
    Ottavia Bottechia en Nicolas Frantz    de toppers uit de twenties



    De sombere Nick reed snel over berg en dal met zijn krom stuur. 

    2.  François FABER  (1887-1915)

    De zoon van een vader uit Wiltz en van een moeder uit Lorreinen, groeide op in de voorsteden van Parijs tussen de fabrieken, slachthuizen en vroegmarkten. Hij was een reus van 1m88 en 86 kgr, en verdiende zijn brood als verhuizer en dokwerker. Hij had nog geen fiets toen hij als 18 jarige geboeid geraakte door de wielerkampioenen van de Tour de France. Maar één jaar later stond deze gespierde kerel reeds aan de start met rugnummer 70, als neofietje tussen de wereldtop van de gesnorde wegrenners met de zware koersfietsen uitgerust met een stevige stuurtas.

    De helft van de deelnemers was reeds uit koers wanneer ook de jonge Faber in de zesde rit Nice-Marseille opgeeft. In 1907 vertrekt hij met rugnummer 4. Hij wordt als twintigjarige zevende. Zijn populariteit was ondertussen onbegrensd geworden.  De Kolos van Colombes was een volksjongen met een aangenaam karakter die zijn opgang verder zette zowel in de klassiekers als in de rittenkoersen.
    In de tweede rit Roubaix-Metz 398km van de Tour 1909, betwist in regen en koude leverde hij een toen nog nooit geziene prestatie. Hij won met 33 minuten voorsprong, maar daarna bleef hij ook de volgende vier ritten winnen. François Faber werd toen de eerste buitenlander die de Tour won. Tot aan de Eerste Wereldoorlog won Faber 19 ritten. Hij schreef tevens  De Ronde van Lombardije, Parijs-Tours, Parijs-Brussel, Parijs-Roubaix, en Bordeaux-Parijs op zijn palmares.

    Hij moest als Luxemburger niet naar de oorlog 14/18. Toch wilde hij voor Frankrijk gaan vechten aan het front, daarom meldde hij zich als vrijwilliger bij het Vreemdelingenlegioen. Toen hij in zijn loopgracht ging rechtstaan om een brief te lezen, trof een kogel van een Duitse scherpschutter hem. Faber werd niet ouder dan 28 jaar. Hij is een van de bekendste gesneuvelden uit die oorlog.

     

    Is er ooit een grotere wielerkampioen dan Faber geweest   ?

    3.  Charly GAUL  (1932- 2005)

    Winnaar van de Giro '56 en '59, alsook van de Tour de France '58, had deze sierlijke renner zoveel klasse dat hij de bijnaam  ' De Engel van het Gebergte' kreeg, alsook veel later toen hij werd teruggevonden  de eretitel   'Grootste Luxemburgse Sportman van de Twintigste Eeuw'. Deze Charly Gaul leverde op zekere dagen en liefst tijdens slecht weer in de bergen, grote prestaties die slechts voor weinig bergkoningen mogelijk waren. Vanaf zijn dertigste ging het niet meer zo goed met Gaul. Hij stopte gedurende drie seizoenen  en probeerde in 1965  bij de ploeg Libertas van Willy Riem terug te komen. Via een goede Ronde van Luxemburg zou de legendarische klimmer mogen starten in de Tour van dat jaar.
    Persoonlijk zal ik nooit vergeten hoe zo'n kampioen achter in zijn auto  lag te wenen van blijdschap  omdat hij na maanden van miserie, na zware trainingen, er toch voor het eerst weer was in geslaagd om samen met Ernzer een zware van-stad-tot-stad  over 200 km uit te rijden. Dat gebeurde in mijn dorp Walshoutem. Spijtig genoeg zou Charly door een blindedarmoperatie niet kunnen deelnemen aan de Ronde van zijn land, waardoor ook geen Tour-deelname mogelijk zou zijn. Gedurende vele jaren verdween Charly Gaul daarna, hij wilde geen mensen meer ontmoeten, was liever bij dieren, was een kluizenaar en wou zeker niet over koers praten. Op latere leeftijd werd hij bevriend met Marco Pantani  en verscheen hij plots weer tussen de wielerliefhebbers en de media, en werd hij in ere hersteld. 

            

    Gepensioneerde Charly Gaul draagt dezelfde jas als ik .        De gevleugelde klimmer.

    NOG ANDERE VROEGERE WIELERKAMPIOENEN UIT LUXEMBURG.

    Wij baseren ons op www.cyclingRanking.com  en citeren de renners die daar minstens 1000 scoren.

    Mathias CLEMENS, Jeng GOLDSCHMIT, Bim DIEDERICH, Jean KIRCHEN, Marcel ERNZER, Johnny SCHLECK, Arsène MERSCH, Pierre CLEMENS, Edy SCHUTZ, Willy KEMP, Lucien DIDIER, Jempi SCHMITZ, François NEUENS, Jean MAJERUS, Benoit JOACHIM, Aldo BOLZAN, Roger GILSON,  en J.P. MULLER.  ...  + Lull GILLEN.

    DE NIEUWE GENERATIE LUXEMBURGSE RENNERS.



    Saxo Bank :  Andy SCHLECK, Frank SCHLECK, Laurent DIDIER
    AG2R  : Ben GASTAUER
    Katusha  :  Kim KIRCHEN
    Differdange Continental Team :  Christian POOS, Jempy DRUCKER.

    La Fédération Luxembourgeoise de Cyclisme , gesticht in 1917,  telt 2500 aangesloten leden, wielrenners, mountainbikers, en wielertoeristen die lid zijn van 32 wielerclubs. Het hele jaar rond worden tientallen organisaties gebracht voor cyclosportieven en ook wedstrijden en koersen waaraan zeker ook veel meer Belgen zouden kunnen deelnemen

    Voor de Luxemburgse Nationale Kampioenschappen op de weg in 2010  werden volgende inschrijvingen genoteerd : 7 beroepsrenners m/c , 13 beloften,  48 elites z/c,  37 masters, 23 juniors, 9 dames, 37 nieuwelingen, 28 cadetten, 28 miniemen.   ( Totaal= 230 deelnemers).
    De gebroeders Schleck zijn dus wel de beste renners van het Groot Hertogdom, maar er rijden daar nog veel meer hardrijders rond, zonder te spreken van de vakantiegangers , de zomerse langzaamrijders, en de verdwaalde fietsende pelgrims.


    DOOR ALLEN LANG VERGETEN RENNERS
    DIE IK TOCH  NOG ZEER BIJZONDER VIND.

    Natuurlijk zou hier de prachtige overwinning van Jean  'Bim' Diederich in de rit Reims-Gent 228km uit 1951 en het nemen van de gele trui een plaats mogen hebben, of over de veldritten in Luxemburg,  maar voor een eerder persoonlijke reden volgt nu wat over Lucien Gillen en Willy Kemp, tijdsgenoten van de onsterfelijke Bim Diederich die ik nog in levende lijve zag op een Waalse Sportavond in 2004.

    Toen ik als schoolgaande jongen droomde van een renner uit de Tour de France te worden, zoals Bahamontes of Gaul , toen kreeg ik mijn hele familie tegen me.  Mijn ouders, tantes en nonkels, oudere nichten en neven, waren het allemaal eens dat een jonge man die met groot gemak moeilijke rekenkundige vraagstukken kon oplossen, zeer hoge punten kreeg in opstel, en al vele bladzijden  van  ' de bello gallico' van Julius Caesar had vertaald , onmogelijk snel mocht fietsen  met een krom stuur en een rugnummer op zijn achterkant. 
    Van zonen uit families als de onze werd rond 1960 verwacht dat zij leraar, apotheker, technisch ingenieur, officier bij alle-wapens, missionaris, minderbroeder, pastoor of zelfs het hoogst haalbare, namelijk bisschop van Brugge, zouden worden. Tijdens een eerbiedwaardig leven in hun eigen huis, gebouwd na sparen en lenen bij de Spaarkas, en op goede grond in de omgeving van een kerktoren zouden zij het voorbeeld van hun ouders moeten volgen en zorgen voor vrouw en kinderen.

    Het zigeunerleven van kermiskoerser tussen bier en frieten, of van wielrenner op internationale wegen en gevaarlijke wegen, was dus onbetamelijk. Bovendien verdienden slechts enkelen in dat milieu eerlijk en goed hun kost.  De meesten vervielen immers vlug naar een lot dat van hen cafébaas, fietsenmaker, kolenhandelaar, fabrieksarbeider, pooier of bandiet maakte. Alzo spraken de wijzen uit mijn katholieke Haspengouwse familie. Wielrennen was voor jongens uit de lagere klasse, uit de vakschool, voor zij die te lui waren om in land- of tuinbouw te werken, of voor zij die van geen hout pijlen konden maken, voor de mannen van twaalf stielen en dertien ongelukken !
    De Luxemburgse renners Gillen en Kemp waren echter duidelijk het bewijs dat dit niet zo was.

    Lucien  (Lull) Gillen , geboren in 1928, was beroepsrenner van 1947 tot 1966. Hij was een elegante verschijning op de wielerbanen, waar hij optrad in sprint, achtervolging, omnium, en zesdagen. In 1955 vestigde hij op de Vigorelli te Milaan een wereldrecord over de 5km. Hij reed méér dan 100 zesdagen en won er 10, waaronder 5 met Ferdinando Terruzzi, en de andere met Post, Nielsen, Schulte, Severeyns en Lelangue. Tijdens de jaren 1949 en 1950 werd hij vaak gekoppeld aan Stan Ockers.
    Gedurende zijn sportieve loopbaan studeerde hij ook op universitair niveau de economie en de financiën. Zijn talenkennis en zijn mensenkennis, gepaard aan diploma's lieten hem nadien toe zeer hoge functies te bekleden in het Luxemburgse bankwezen.

    Willy Kemp   ( ik werd thuis ook Willy genoemd alhoewel zij mij als Wilfried hadden aangegeven en gedoopt in 1944)  was de zoon van een rijk zakenman. Hij was geboren in 1925 studeerde economische wetenschappen en kon aanvankelijk weinig wedstrijden rijden tot wanneer hij als amateur bij de studenten universitair wereldkampioen 1947 op de weg werd. In Luxemburg was nog niemand  ooit wereldkampioen geweest. Zo geraakte Willy Kemp aan de nodige faam voor een vergunning van beroepsrenner omdat hij werd gevraagd als helper in vele rittenkoersen en wereldkampioenschappen. In 1955 won hij mooi de Tourrit Namen-Metz voor eigen volk.

      Student Willy Kemp

    25-07-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    21-07-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Op onze nationale feestdag 1909 stierf Charles Verbist.
    DE DOOD VAN EEN HALFGOD
     VAN ONS VOLK.
    Wielrenner Verbist debuteerde als wegrenner maar schakelde wat later over naar de baan. Door gangmaker Ceurremans overtuigd en meegesleept ging hij zich toeleggen op races achter zware motoren waar toen veel geld te rapen lag. In die specialiteit verwierf hij snel een plaats bij de allerbesten in West-Europa, want hij was een virtuoos, een man die de supporters adembenemend spektakel bracht. In de belangrijke sportstad Antwerpen en voor wielerminnend België werd de immens populaire sinjoor wat Stan Ockers veertig  jaren later zou worden.

    Karel Verbist liet zich kennen in koersen met gangmaking tijdens de 24 uren van Antwerpen 1906. Kampioen van België halve fond in 1908 werd hij door Arthur Vanderstuyft te kloppen, toen  een crack. Datzelfde jaar versloeg hij op Zurenborg (Antwerpen) Paul Guignard die nadien de eerste stayer zou worden die achter een motor meer dan 100 Km in één uur aflegde. Tijdens die match tegen deze Franse vedette  legde Verbist de 100 Km af in 1u 08' 57". Onderweg brak hij de records over 50 km (24'15") en het uur (87 km 130 m). In het jaar 1909 zou Verbist nog op 18 juli de Grote Prijs van de Koning der Belgen winnen op de wielerbaan van Karreveld in Sint-Jans-Molenbeek. Leopold II woonde die wedstrijd persoonlijk bij. De volkstoeloop voor zulke koersen op de wielerbaan was zo groot dat de organisatoren drie dagen later, op dezelfde plaats ter gelegenheid van de Nationale Feestdag, een bijkomende meeting organiseerden met schoon prijzengeld voor Verbist om de duizenden fans van 'Sjoareltsje' toch maar te vermaken en om veel entreegeld te innen. Tijdens de laatste ronde van een stayerswedstrijd waarin hij door defect geplaagd werd, probeerde hij als een razende toch te winnen. De snelle eindsprint zou nog maar zés seconden duren. Door een klapband verloor de gangmaker echter plots de controle over zijn stuur en het zware vehikel begon te slingeren. De wielerkampioen Verbist, botste tegen de rol van de motor, vloog tegen de omheining, schoof weer op de piste en werd daar nog eens aangereden door de aanstormende Meinhold, de gangmaker van Schipke. De wereldrecordman werd zwaar toegetakeld, verbrijzelde ruggengraat en gescheurde schedel, en overleed ter plaatse onder de ogen van de verbijsterde toeschouwers in de bomvolle velodroom. Het drama van Karreveld dompelde het hele land in rouw. Verbist kreeg een  begrafenis van een grote gesneuvelde held. Op de markten begonnen de liedjeszangers zijn  tragische lot van diepbetreurde volksjongen  te bezingen terwijl zij  veel foto's en postkaarten verkochten, die vandaag, 101 jaar later, nog te koop worden aangeboden via eBay op het Internet, tegen bijvoorbeeld een prijsje van 4,95 euros + 1 euro verzendingskosten.

     Het liedje gaat als volgt:
    "Charelke, Charelke, Charelke Verbist.
    Had gij niet gereden op de pist.
    Had gij niet gelegen in uw kist."

    In het begin van de twintigste eeuw zorgden  Thaddeus Robl, Louis Darragon, Paul Guignard, Piet Dickentman, Emile Bouhours, Bobby Walthour, Eugenio Bruni, e.a. dat de snelheden tijdens stayerskoersen waren omhoog geëvolueerd van 60 km tot 90 km/u. De nieuwkomer Verbist schoof als een superster mee aan tafel met hen voor het dikke prijzengeld, en zelfs tegen snelheden van 100 km/u beheerste hij nog de situaties. Om dit te kunnen beschikte de talentrijke Antwerpse stayer, over stalen zenuwen en een bovenmenselijke wilskracht, die de wielerliefhebbers zeer bewonderden zodat zij met duizenden naar de velodrooms kwamen waar een stayersnummer met hun idool op de affiche stond, en waar de stayers eigenlijk jongleerden met de dood.en dat was vooral het geval in Duitsland tot wanneer nieuwe reglementen het gevaar zouden beperken.

     Enkele uitslagen van Karel Verbist :

    1906
    1e 24-uren van Antwerpen.

    1907:
    1e Grote Zomerprijs Munchen
    1e Grote Wereldprijs Munchen
    1e Stayersprijs Herfstfoor Leipzig
    1e Match tegen Robl en Guignard
    1e GP van Europa 1/2 fond (Steglitz)
    1e Grote Herfstprijs (Steglitz)
    1e totaalklassement op Duitse Wielerbanen
    2e te Parijs in het wereldkampioenschap, na Darragon, doch voor Parent.

    1908:
    1e Grote Lenteprijs Hannover
    1e Gouden Beker Keulen
    1e GP Duitsland 1/2 fond (Dusseldorf)
    1e Prijs Zevengebergte (Keulen)
    1e Westduitse Derby (Keulen)
    1e Uurkoers van Steglitz (D)
    1e totaalklassement op Duitse wielerbanen
    2e Internationale Lenteprijs (Leipzig)
    1e Nationaal Kampioenschap tegen Goor en A.Vanderstuyft

    1909:
    1e Grote Paasprijs Steglitz (D)
    1e Groot Gouden Wiel (Steglitz)
    1e Uurkoers 1/2 fond van Leipzig
    1e Grote Jubileumpriis (Keulen)
    1e Feestweek Breslau
    1e Wereldrecord achter zware motoren
    1e Nationaal Kampioenschap tegen A.Vanderstuyft en Platteau.
    1e Brussel - Grote Prijs van Koning Leopold II.

    Zijn sportieve loopbaan was zeer kort. Hij kwam noodlottig om het leven. Zijn dood wordt nog altijd geciteerd wanneer wordt geschreven over onderwerpen als overmoed, wieleroverdrijving, waaghalzerij, uitzinnige strijdlust, die sportlui met een te enorme ambitie soms duwen tot in de dood door het nemen van grote risico's of het gebruiken van doping, om de vedetten van het publiek te worden of te blijven.
     
    Hij werd niet ouder dan 25 jaar. Op 26 juli 1909 volgden vele duizenden sportmannen zijn kist naar de laatste rustplaats. Alle toen bestaande sportclubs stuurden bloemen en kransen. Opvallend was volgens mij ook het aantal bloemen dat uit Duitsland kwam waar Verbist op de vele wielerbanen  grootse prestaties leverde en werd beschouwd als sportman nummer één, in een buurland waar op 21 juli 1909 nog bijna niemand van plan was om aan de oorlog 14-18 te beginnen. De nog 'goede' Duitsers van toen zonden alzo voor de begrafenis van onze Dauerfahrer Karel Verbist toen twee treinwagons bloemen naar Antwerpen om het graf van de sterkste velorijder van dat moment te sieren.

    Het prachtige grafmonument van de wielerkampioen Karel Verbist is te bezoeken op het kerkhof in Wijnegem (België).





    21-07-2010 om 21:10 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    16-07-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Landen- Santiago de Compostela 1999 - ( 1 ) .
    1. Maandag 10 mei 1999.

    6u35- Uit bed.
    Olive Green, mijn geweldige fiets, staat volledig klaar met de nodige inhoud in alle fietstassen. Gehaktbal volgens het recept van echtgenote voor ontbijt en ook voor later onderweg. Afscheid. Kus aan vrouw, streling voor hondje.

    7u25- Start- 
    Drie foto's. Bergaf naar Sint Gertudis van Landen. Dit is een pelgrimskerk, voorkant van deze kerk verdient zeker meer aandacht en rond deze kerk zou ruimte moeten komen. Alhoewel ik maar een  slechte parochiaan ben, plaats ik mijn handpalm toch een tijdje tegen de koude kerkmuur. Landen is mijn woonplaats, maar ik werd geboren nabij en gedoopt in Sint Pancratius te Waasmont waar tijdens het jaareinde steeds een bijzondere Kerststal wordt gebouwd. Langs het wandelpad van de Zeyp, langs de bakstenen van de Roospoort bereik ik de ander kant van de spoorweglijn Brussel-Luik, vervolg ik langs het bospad en kom ik in het geklasseerde landschap van Sinte Gitter. Daar ligt  Oud-Landen, de bakermat van de Karolingers, waar eens de versterkte hoeve stond van Hofmeier Pepijn de Oude. Stop. Volgens Keltisch gebruik, zoals ook de Ierse zwerfmonniken deden die ons het geloof brachten, neem ik een beetje klei van Sinte Gitter en ik stop dat in een  linnen zakje in mijn stuurtas. Een pelgrim die op zwerftocht vertrok verzekerde zich zo dat hij eens naar huis zou terugkomen na de gevaren die op hem wachtten op de onbekende wegen .  Hup, ... in het zadel en duwen op de pedalen, trekken aan het stuur, niet langer tijd verkwisten, het onderweg zijn is nu begonnen !

    Racour, Linsmeau, Libertange,Marilles,Noduwez, Enines, Huppaye, waar we de Ravel 2 volgen tot Ramillies. Ik rijd wat verkeerd. Het regent. Ik schuil. Te Eghezée koop ik dagblad  Le Soir . Neen, zoals in volle Dutroux-tijd  1996 toen ik naar Rome vertrok zijn er nu nergens verdwenen maagden teruggevonden. Nogmaals schuilen voor een regenvlaag aan de Ancienne Gare de Leuze . Ik eet opnieuw 'home made gehaktbal', wat vroeger dan voorzien, maar waarom zou ik verder rijden in de regen. Op het natte fietspad maak ik wat later toch goed vaart tot Namur St Servais, genoemd naar de heilige van Maastricht, die zoals Amandus, Trudo en Bavo, en andere vergeten heiligen, belangrijk was voor onze voorouders. Ondertussen reed ik doorheen de landschappen waar de Veldslagen van Neerwinden en van Ramillies zich hadden afgespeeld.

    Vallei van de Samber. Regen. In een buskotje schuil ik, lees ik verder de krant, en kan maar niet van de bouletjes blijven, want met een grijze boterham en Borgloonse siroop zijn die veel te lekker.Omdat ik daar zo ellendig zit en ik best misschien te Namen naar een droog logement zoek voor de rest van deze eerste dag, klim ik omhoog naar Belgrade-Namur, terwijl op dat ogenblik het oorlog is in het Belgrado van Yougo-Slavië. Oorlog is erger dan regen. Dat troost me. Namur Gare, oude wijken van Namen, Tour Saint Jacques, even nabij het casino een kijkje nemen bij Cycles Saïtta, na te zijn voorbijgereden langs cafés voor soldaten waar ik in 1965 veel pintjes dronk.
    Langs de Maas en de jeugdherberg naar Wépion, bekend om zijn aardbeien, en in de hellingen van de Maasvallei  komt er weer een zonnetje kijken. Ik zoek naar Chemin des Ajoncs waar de secretaris van l'Association des Amis de Saint Jacques woont. Hij is vooral een motorrijder. Vrouw en man ontvangen me vriendelijk. Op zijn terras drinken we een Maredsous. De lucht is nu heerlijk om te fietsen. Afscheid van Monsieur Degehet.

    Bois de Villers. Ik zoek naar La Chaumière in de Rue Raymond Noël waar volgens mijn oude informatie een naamgenote woonde, ene Viviane die ooit koers reed bij de dames en ook bevriend was met Pol Meura, een beroemde fietser uit Wallonië. Ik vind de woning, maar er hangt een plaat  ' Te Koop' . Doorrijden en Viviane vergeten, is het beste wat ik kan doen. Mettet. St-Gérard. Ik ben moe en stop in een weide voor een dutje op mijn badhanddoek die ik eerder tijdens het schuilen al nodig had. Na een uurtje vertrek ik weer en even later kom ik aan een hotel. Zoals de auto's op het circuit word ik er afgevlagd door mijn goesting naar een goed glas bier. Biertjes, steak aux champignons, en daarna mijn vuile armen en benen wassen in een bad van heet zeepsop. Ik val wat later reeds in slaap want ik ben niet goed getraind en al fel vermoeid. 

    2. Mardi 11 mai 1999.

    02u00- LE CAMPAGNOL METTET. Boum ! ... wanneer ik terug in mijn bed spring na het uitplassen van de pilsjes die ik dronk, zakt mijn bed in mekaar, want de Latoflex heeft het begeven. Ik slaap verder met de matras op de vloer. Wat TV en nogmaals in het bad, want ontbijten is pas later afgesproken. 8u45. Nog niemand in de eetzaal van het hotel. Het personeel is te laat, doch de baas leest zijn gazet in de keuken en langs daar geraak ik toch aan het tafeltje waar ik mag eten. De Waalse rommeligheid  verandert na enkele minuten in een uitstekend ontbijt. Fruitsap, omelet, vele schijven brood, goede koffie, opgediend door een gehandicapte hotelbediende, een sukkel maar een erg vriendelijke man. De rekening bedraagt 1840 fr, maar ik laat hem de rest van de twee duizendjes, als fooi, en krijg veel dank. Ik hoop dat deze goede daad me op mijn tweede dag beter weer zal brengen en geluk op mijn pelgrimsweg. Mettet, Florennes, Philippeville, Couvin, Chimay, Hirson (France).

    Enige feiten genoteerd op deze tweede dag :
    -Iemand verloor zijn regenjasje op de weg en dat raap ik op want het kan nog nuttig worden, al was het maar om mijn stuurtas te beschermen. 
    -Stop te Philippeville. Ik loop even binnen in de CGER-Fortis, mijn vroegere werkgever waar ik een vervroegd pensioen kreeg als 52-jarige, hetgeen me toelaat schone fietstochten te maken.
    ' Chers camarades, j'ai si bon sous ma casquette et en cuissard cycliste, en vous voyant si bien travailler pour faire fructifier les actions de Lippens et de Davignon. ...! '
    - Door het eten van een zure appelsien krijg ik maagkrampen. Daarom ga ik Rennies kopen in een apotheek, maar ik laat nabij de kassa mijn bril liggen. Gelukkig vind ik hem daar terug.
    - Te Couvin kom ik voorbij Donnay, bekend merk in de sportwereld.
    - Soms wandel ik een tijdje naast mijn fiets en dat doet me wel goed.
    - Te Chimay eet ik mijn laatste gehaktbal op en kijk in een Teles hoe het met mijn bankrekening is gesteld, alvorens België te verlaten. Dat is ook een bewijs waar ik me op dat ogenblik bevind .
    - Nabij de grens in een dorpswinkel ontdek ik dat de winkelierster een soort filosofe is die het fijn vind dat zo een pelgrim-met-baard  haar bezoekt. Om te bewijzen dat zij geen dom blondje is schrijft zij op een kaartje " En mon coeur j'ouvre la rose de la connaissance  ..." . Dit is een zin waarover ik moet nadenken terwijl ik vorder 'sur la route de Saint Jacques'. Ik vermoed dat zij wat verbleef  in een godsdienstige sekte of in een klooster .
    - Op Frans grondgebied kan ik weer op goed tempo fietsen, maar rond 17u00 rijden er naast mij veel auto's en plots rijdt er ook een kerel op een Colnago met een zware tas op zijn rug. Hij ziet dat ik op een fietskader van kwaliteit zit en is erg nieuwsgierig. Vroeger kwam hij koers rijden in België omdat hij in Frankrijk veel gewonnen zodat hij door een puntensysteem alleen nog ik de grote koersen mocht starten, en die werden ver van zijn woonplaats betwist. Hij kwam toen veel liever naar het voor hem nabije België omdat hij daar in de omgeving van Leuven meer kon verdienen door anderen te helpen in de koers. 'Mijn familienaam is Dieu' , zei hij. Vraag maar aan zij die rond 1980  bij de 'amateurs' koersten of zij me daar nog kennen. Ik kon moeilijk geloven dat ik daar naast mij een echte God zag rijden op een koersfiets. Pelgrim op Gods wegen ontmoet Dieu. Hoe is het mogelijk ?  Die toffe Monsieur Dieu uit Hirson raadt me aan van in zijn stad te logeren ' Au Cheval Blanc' . Loop daar niet voorbij omdat het daar vol Noord-Afrikanen zit, want het zijn daar eerlijke mensen met een goede reputatie in de horeca. Inderdaad, au 124, rue Charles De Gaulle, kom ik in een goed hotel van klasse **. Ik zal in lichtblauwe lakens slapen, kijken naar een groot kleurenscherm, me wassen in een kuip met merkwaardige waterkranen.  Ik eet à volonté couscous et drink Jupilers uit een stevige pint. Ik blijf er lang op een barkruk zitten. Men legt me daar uit op verschillende manieren waar Kabylië ligt en welke mensen uit Kabylië afkomstig zijn, het zijn berbers die meer op Italianen gelijken  en die geen enkele godsdienst belangrijk vinden.

    De hotelbaas heeft één grote droom. Eens zal hij Le Cheval Blanc verkopen. Met zijn geld zal hij terug naar de bergdorpen van Kabylië gaan om daar met een sterk 4 X 4 voertuig, met mannen en  metaaldetectors op schattenjacht te gaan. Onder het zand en in grotten ligt er van alles verborgen,. en ongetwijfeld ook wapens, niet alleen moderne maar ook uit de verre geschiedenis van het grote Berbervolk.  Ingesmeerd met dierlijk vet en beschermd door tapijten, door roest niet aangetast, wordt dat verborgen en verdwenen materiaal voor de vinders een manier om goed geld verdienen. Zijn verhaal is spannend en erg mannelijk, maar hij, ikzelf en andere tooghangers afkomstig uit de Maghreb hadden toen al meerdere rondjes betaald want Kabyliërs drinken graag bier en zijn geen Arabieren die slechts thee en water slikken.

    3. Mercredi 12 mai 1999.

    8u30. Ontbijt. De toekomstge schattenjager, die zoals zijn vader en zijn grootvader uitbater is van dit café-hotel-restaurant, trakteert me nog op een koffie. In de richting van Vervins volg ik de Route van Charlemagne. Ik koop l'Equipe want die staat vol dopingverhalen over Virenque. De N2 is een drukke weg, en vooral na hun pauze, rond 14u00, razen alle chauffeurs van vierwielers daar als moordenaars-in-spe over de steenweg. Marle. Stop aan Musée des Temps Barbares. Ik maak een foto van een publiciteitsplaat om vooral het schone woord  JOURNEE  met veel duidelijkheid vast te leggen. Pijnlijke voeten verplichten me tot rusten op een zitbank, zodat ik weldra mijn sportkrant volledig gelezen heb.



    Laon waar de Karolingers thuis waren bij mama Bertrada, the Queen.

    In de verte op een heuvel daagt de stad LAON op ( uitspreken 'long'). Dze stad was eens de koninklijke residentie van de Karolingers. Bertrada van Laon (720-783 ) ook bekend als Berthe aux Longs Pieds, was niet meer en niet minder dan de moeder van Karel de Grote. Ook Boudewijn met de ijzeren arm was van Laon. Hij was de eerste graaf van Vlaanderen. De huidige kathedraal van Laon werd gebouwd tussen 1155 en 1235, maar eerder was er ook reeds een romaanse kerk. Deze stad overheerst sedert eeuwen  La Thièrarche, een rijk landbouwgebied. Ik bezoek de kathedraal. Alvorens daar binnen te gaan vraag ik aan de bedelaar aan de poort of  hij op mijn vastgeketende fiets wil passen, in ruil natuurlijk voor de flinke almoes die hij zal krijgen. Ik stap het Office du Tourisme binnen en informeer naar Mevrouw Martinet. Deze vrouw is echter overleden. Zij was een archeologe, een geschiedschrijfster, van wie ik boeken las over de Karolingers die naar Spanje trokken in de VIIIe eeuw om te strijden tegen de oprukkende Islam.
    Ik bekom het adres van haar zoon, een meubelmaker die dicht bij de kathedraal zijn atelier heeft. De man is een bekende 'artisan' . Ik leg hem even uit dat ik de geschriften van moeder Martinet zeer belangrijk vond, en dat het voor mij een eer is de hand van haar zoon te mogen drukken. Maar verder wil ik zijn tijd niet opeisen vermits hij klanten heeft in zijn zaak van antieke meubels.

    Tijd om mijn stuurtas goed te vullen met proviand. Ik schaf me brood aan, bananen, saucisse sèche du pays, water, cola, gedroogde druiven, wijn van Marmande, alsook  'paté du Moyen Age'. Daarna op de D94 fiets ik op een golvende weg naar Le Chemin des Dames, waar ik herinneringen aan de Eerste Wereldoorlog wil bezoeken.  Dit is een landschap waar verschrikkelijke gevechten plaatsvonden. Ik stop te Cerny-en-Laonnais. Eerbiedig wandel ik er op beide soldatenkerkhoven rond. In het gulden boek van de Fransen en van de Duitsers schrijf ik mooie zinnen ten voordele van de schone Vrede op Aarde. Ondertussen heb ik op het Duitse gedeelte een prachtige boom gezien, waaronder ik  op een plastiek en in mijn slaapzak buiten zal slapen zoals de dappere en minder dappere soldaten uit de oorlog 14-18.

    Op een monument van dit nécropole nationale staat  :
    " Les choses visibles sont passagères, et les invisibles sont éternelles" 
    - Corinthiens 4.18

    en om na te denken vindt de oplettende pelgrim er ook nog :
    "Si l'homme une fois mort pourrait revivre "  - Job 14.14


    Kruis voor de vele Franse gesneuvelden van Le Chemin des Dames.


       Friedhof  Cerny-en-Laonnais waar ik sliep.

    4. Jeudi 13 mai 1999.

    Nécropole National de Cerny. Oude snurker in slaapzak. Mijn heerlijke nachtrust wordt bedorven door regenvlagen, maar ik lig droog onder het bladerdak van de grote Duitse linde. Een uur later begint echter mijn miserie. Zware druppels rollen met enige vertraging van de takken en vallen op mij, spetsen op mijn slaapstee. Deze moet ik daarom anders inrichten. Ik plaats de plastiek die onder mij lag nu boven op mij en weldra val ik terug in slaap tot wanneer de vochtigheid rondom mij en ook mijn zweet me helemaal nat maken. Het regent nog steeds, maar minder. Om aan de maan te laten zien dat ik een beetje gek ben, maar dat ik ook een gelukkig exemplaar ben van Gods Schepping, kruip ik recht, stroop ik mijn kledij van mijn lijf, en op mijn blote voeten start ik poedelnaakt voor een jogging rond de natte grasmat van het kerkhof. Dra hoor ik geen regen meer, maar wel de zuiderwind die met blaffende honden de schapenbenden van wolken wegblaast. Ondertussen merk ik in de verte de opkomende zon die gelukkig vandaag ook weer zal schijnen over Le Chemin des Dames, over de regio van de Dood,  en dat betekent een nieuwe dag en Leven.  Ik leg slaapzak, dekzeil, kledij, en al wat nat is open op een nabije haag zodat licht, lucht en warmte deze weer in betere staat zouden brengen.

    Aan het gebouw van de tuinman had ik opgemerkt tijdens het lopen dat daar waterkranen waren en ook een mesthoop met tuinafval. In koersbroek, op instekers, met handdoek, washandje, een  bol zeep, bladzijden van l'Equipe, slof ik toe naar die hoek van de necropolis. Overheerlijk moment van ontlasting in de natuur, hoopje en gazet wegstoppen onder rottend gazon, felle besprenkeling met water betaald door de Franse Staat, zijn mijn eerste bezigheden op deze vierde pelgrimsdag. Mijn kampplaats is weldra opgebroken en proper. Als een jonge soldaat die een verlofbrief op zak heeft, fiets ik in nieuwe Fortis-koerskledij door de frisheid van de ochtend over de D18 naar de Caverne du Dragon en de Ferme d'Hurtebise, langs kronkelende landwegen met klimmetjes.

    Image d'un soldat pendant la Grande Guerre au Chemin des Dames.

    Deze musea zijn op het vroege uur nog niet open, maar ik eet er worst en brood zodat ik met gevuld buikje door Vassogne, Jumigny, Oeilly en Villers-en-Prayères, rijd.  Ik heb weer last van slechte bloedsomloop in mijn voeten en wandel daarom wat als voetganger verder, terwijl ik mijn fiets aan de hand meevoer. Een paardenliefhebber stopt en vraagt of hij me moet verder brengen want zijn aanhangwagen voor paarden is toch  leeg. Praatje. Merci beaucoup, Monsieur. Bonne chance et au revoir. 

    Ik trek over de Aisne, kom weldra te Merval en wat verder te Fismes-sur-Vesle. In een café stop ik voor ontbijt met koffie, brood, melk, en een 'éclair au chocolat'. Het gebied waar ik voorbij kom is vol bossen, heerlijk voor de trekvogels die daar komen. Chéry-Chartreuve, Fère-en-Tardenois. Ik heb al wat gezweet en ik wissel daarom van onderlijfje. De D310 brengt me naar Coincy waar een wielerkoers voor aspiranten wordt gehouden. Seingevers laten mij amper passeren. Ik kan nog net de start meemaken van het mooie deelnemersveld wanneer ik die gemeente bereik. Het gaat moeilijk op weg naar Chateau-Thierry, waar ik mijn fiets laat stoppen aan het geboortehuis van de beroemde fabelschrijver en dichter Jean de la Fontaine.

    Le Corbeau et le Renard

    Maître Corbeau, sur un arbre perché,
    Tenait en son bec un fromage.
    Maître Renard, par l’odeur alléché,
    Lui tint à peu près ce langage :
    « Hé ! Bonjour, monsieur Du Corbeau.
    Que vous êtes joli ! Que vous me semblez beau !
    Sans mentir, si votre ramage
    Se rapporte à votre plumage,
    Vous êtes le phénix des hôtes de ces bois. »
    A ces mots le corbeau ne se sent plus de joie ;
    Et, pour montrer sa belle voix,
    Il ouvre un large bec, laisse tomber sa proie.
    Le renard s’en saisit et dit : « Mon bon monsieur,
    Apprenez que tout flatteur
    Vit aux dépens de celui qui l’écoute :
    Cette leçon vaut bien un fromage, sans doute. »
    Le corbeau, honteux et confus,
    Jura, mais un peu tard, qu’on ne l’y prendrait plus.

    L'Office du Tourisme bezorgt mij een regionale kaart en wijst me naar Hotel Wilson nabij het station. In dat oude gebouw logeer ik in een ruime kamer, met twee televisietoestellen, maar uit de kraantjes komt daar geen warm water. Op deze feestdag van Onze Lieve Heer Hemelvaart eindig ik mijn lange dag met Tripes à la mode de Caen, rode wijn, stokbrood en Camenbert.


    6. Vendredi 14 mai 1999.

    09u00- afgesproken ontbijtuur. Om 9u45 verlaat ik Chateau-Thierry, waar ik ook een andere fietser met pak en zak zie, een kerel met lang haar, blote benen en zonder kousen, die ik reeds te Laon had opgemerkt, maar op dat moment hebben wij geen kans tot ontmoeting. De wegwijzers zijn voor de auto's en niet voor de fietsers. Ik vind mijn gepaste kledij niet, ofwel heb ik te warm, ofwel heb ik te koud. Op de N3 ben ik een sukkelaar. Ik zwenk daarom af naar de dorpjes Bézu-le-Guéry, Méry-sur-Marne, Luzancy, La Ferté-sous-Jouarre, waar ik de rivier de Marne ontmoet. Op het postkantoor koop ik er zegels. De bediende vertelt dat hij als hobby niet fietst, maar wel met passie postzegels verzamelt. Ik beloof van hem Belgische postzegels te bezorgen en later zal ik naar hem mijn oude zegels opsturen. Ik kan niet weerstaan aan mijn hongergevoel en stap een restaurant binnen. Het menu van 68 FF versterkt me met de 'faux-filet aux poivres verts' met 'gratin de pommes de terre et courgettes'. Maar ik vind een Lipton thee van 20FF toch wat te duur. In een winkel koop ik een fles mineraalwater, een fles rode wijn en een kurkentrekker. Daarna vorder ik  moeizaam verder op de N3, langs industriële zone's en  in het gevaarlijke verkeer. Ik zweet veel, stop regelmatig, en ook duw ik soms mijn zware fiets terwijl ik weer voetganger ben, in de hoop dat ik me zo beter zal gaan voelen. Te Meaux, de historische stad, zoek en ontdek ik Hotel Le Richemont gerund door de familie van Joop Zoetemelk, maar het is niet inspirerend, en duur. Bovendien is het nog te vroeg om reeds te stoppen. Ik bezoek de kathedraal (waar ik een kaars laat branden),  l'Office du Tourisme, en het station waar ik in de Quick een kleine hamburger eet.

    Op deze vrijdagavond heb ik eigenlijk een afspraak met mijn jongste broer Guido, die tijdens dit weekend Parijs en de Chateaux de la Loire bezoekt, maar ik ben reeds uren te laat door de regen, door de wind. Vooral door mijn slechte fysiek heb ik te weinig kilometers afgegd. Vermits het geen must is onze Guido te Parijs te ontmoeten, heb ik dit reeds doorgestreept, maar nu verneem ik in het station van Meaux dat ik voor 41 FF om 17u47 met de trein naar Parijs kan, zonder formaliteiten voor fiets en bagage. Ik maak dan ook deze keuze. Ik verfris me wat, pas mijn kledij aan ( lange broek en wandelschoenen) en kort daarna kom ik aan te Paris-Est. Het eerste wat ik daar doe is een toeristische kaart van de stad  kopen voor 41 FF. Terwijl ik nog aan het zoeken ben maar toch reeds Hotel Paris-France nader kom ik per toeval de auto tegen waarin mijn familieleden zitten en ik smokkel mezelf en mijn fiets aalvlug binnen op een van beide kamers die mijn broer reserveerde.

    Om 22u00 wanneer de metro reeds goedkoper is, vertrekken wij die avond naar Brasserie Julien (bezet) en naar Saint Germain des Près waar we met onze groep van vijf personen in de Lutèce Tripoux d'Auvergne au fromage blanc eten met een fles Bourgogne aligoté. Een taxi brengt ons voor 30 FF terug naar Place de la République. De twee dames en de kleine jongen gaan naar bed, terwijl de gebroeders Wilfried en Guido nog een uurtje op stap gaan en weldra vinden dat in het Paris by Night van 1999 anijsdrankjes en Mexicaanse batida's toch wel overdreven duur zijn.

    6. Samedi 15 mai 1999.

    Wanneer de fietsonvriendelijke hotelmanager ontdekt dat mijn fiets via de lift de kamer bereikte, begint hij daar een probleem van te maken, althans tegen de dames. Want als hij  franssprekende kerels van 1m90 voor zich ziet, dan vermindert hij vlug van toon. Zwak ontbijt. Terug op de kamer liggen we nog wat op bed en nemen we allemaal nog een douche om kiplekker te beginnen aan deze zaterdag. Afscheid van Guido, Camy, Orfa en Stephen.

    Ik fiets naar Notre Dame de Paris, naar Place St-Michel en Rue Saint Jacques, naar Musée de Cluny et du Moyen Age. Ik wil daar mijn fiets parkeren in een hofje, doch word weggejaagd als een schooier door een onvriendelijke vrouw. Twee minuten later maak ik een praatje met Parijzenaars die me hoog schatten omdat ik ben ' un pèlerin de Belgique sur la route de Saint Jacques de Compostelle' .

    Uit een publieke cabine telefoneer ik naar Jeugdherberg d'Artagnan waar er nog plaat vrij is voor een senior zoals ik. Ik fiets doorheen Parijs, langs les Nations, naar die jeugdherberg, waar ik voor twee nachten boek en mijn bagage kan opsluiten in een 'veilige locker'.  Na een conversatie met Mexicanen ga ik te voet op verkenning en besluit ik te eten in ' Flèche d'Or' . Steak argentin avec des frites, et avec 0,375 liter rouge de Chinon. Een uur later drink ik koffie in  Café de la Gare Scènique à Bagnolet. De grote wandeling door Cimetière du Père Lachaise is de moeite waard, maar ik moet weldra stoppen wegens vermoeidheid en geniet er van een dutje in de zon. Ik bereik niet zonder moeite weer de jeugdherberg, waar ik nog wat frietjes kan eten. Ik ontmoet een reiziger uit Oregon (USA) , drink nog een pintje in Café Le Forgeron, waar ik een brief schrijf naar mijn echtgenote. Op de slaapkamer moet ik wel vaststellen  dat anderen reeds de beste plaatsen bezetten en ik vrij hoog via een laddertje in het zesde en laatste bed zal moeten kruipen.

     




    16-07-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    30-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De baas van De Drie Koningen is overleden.
    blz.14-15-16- van  Zondagsvriend Sportmagazine van 3 oktober 1956 die het ganse sportgebeuren in beeld bracht en bovendien voor slechts 7 frank per week haar geaboneerden liet in aanmerking komen voor een uitgebreide ongevallenverzekering.

    STAN OCKERS
    We vragen ons terecht af dat er wel een meer volksgeliefde figuur is geweest in de wielersport dan Stan Ockers, de bescheiden, eenvoudige volksjongen, die met bescheiden middelen de hoogste trap bereikte in deze sport, die toch uren van toewijding, uren van volharding, uren van opoffering vergt. Tot de meest eenvoudige mens vindt zich in Ockers weer, die steeds streefde naar iets beter en iets hoger. Daaraan moet hij wellicht. zijn reusachtige populariteit te danken hebben gehad. Och, we zouden duizend en één bewijzen kunnen aanhalen van de sympathie, die hij in zowat alle lagen van de bevolking genoot. We hebben dit voor de eerste maal vastgesteld in een stampvolle cinema ' Roma' na zijn eerste Ronde van Frankrijk, wanneer hij gehuldigd werd. Hoevele van zijn vrienden en bewonderaars, maar ook hoevele die hem niet eens kenden, hebben toen niet uren en uren gewacht op zijn aankomst in het Oost-station  ? Toen reeds had hij het hart van het Antwerpse volk gewonnen ... .


    Amsterdam 1954- Départ du Tour de France, papa neemt afscheid van vrouw en kind.



    De uitbundige rondtocht, welke hij vorig jaar maakte, wanneer hij als wereldkampioen uit Italië naar zijn stad terugkeerde, overtrof echter alles. Een schrik van volk verdrong zich toen in de Gemeentestraat, klein en groot, oud en jong, zodat zelfs de trams dienden omgeleid. Maar Stan Ockers was niet alleen in Borgerhout populair, ook ver daarbuiten droeg men hem een goed hart toe. Dat hebben we zelf best ondervonden toen hij in 1953 niet aangeduid was in de Belgische ploeg voor de Ronde van Frankrijk. Dit veroorzaakte een golf van protest die ons land overspoelde. Reeds dagen voor het vertrek van de Tour riep men ons zelfs op de Franse wegen toe : ' Qu'est-ce que vous avez fait d'Ockers, bande de saligauds  !  ...' , hetgeen vrij vertaald  kan worden door  ' Waar is Ockers gebleven, ... lafaarden !  ...'. Want de boer uit Normandië, de stadsmens van Bordeaux, de zonneklopper van de Azurenkust, de bewoners aan de voet van het hooggeberte, en wie weet ik al, de vogels in de lucht, vroegen het ons allemaal : ' Waar is Ockers gebleven ... ? Maar wat ons vooral heeft getroffen, dat was in de derde rit Luik-Rijsel, wanneer op de Waalse wegen in koeienletters geschreven stond : OCKERS, OCKERS, OCKERS, OCKERS ....! Het was de stem van het volk, die op de stenen geschreven stond. Vox popumi, vox Dei .  

    De laatste koers van Stan Ockers.
    Festival der wegrenners .
    Grote prijs van de Antwerpse Sportpers.
    Het prestigieus deelnemersveld met de koningen van het  wegseizoen 1956 bestond volgens de affiche uit : Van Steenbergen, Van Looy, De Bruyne, Ockers, Walkowiak, Gauthier, Darrigade, Gaul, Vannitsen, Derycke, Adriaenssens, Vlayen, Janssens, Bover, Robinson, Schulte, Voorting, Van Est, Lauwers,Wagtmans, ... . 


    De bange uren en de tragische ontknoping.

    Zaterdag 29 september 1956
    21u10 :
    Het hoofdnummer van de meeting in het Antwerps Sportpaleis tijdens de glansrijke opening van het winterseizoen is begonnen. Het betreft een koers op eigen kracht over 50 km en voor Stan Ockers is het zijn 116de optreden op de 250 m lange wielerbaan.
    21u30 :
    De snelheid is opgedreven tot nagenoeg 50 km per uur tijdens de vierde klassementsprint.  Renner Nest Sterckx , die wegens defect even was afgestapt, werd door zijn verzorger op de cementband terug op de piste geduwd, op het ogenblik dat het peleton kwam aangesnord.
    21u31 :
    Ockers reed aan de kop van dit aanstormend peleton en bij het uitkomen van de bocht kon Stan niet zien dat er zich voor hem iemand op het ovaal bevond. Hij reed dan ook naar boven , hierbij omkijkend om alzo de leiding af te staan.
    21u32 :
    En toen gebeurde het ongeluk. Ockers reed keihard tegen Nest Sterckx aan en beiden ploften zwaar tegen de planken, terwijl ook Gerrit Voorting en Rik Van Looy over hen heengingen.
    21u35 :
    Van Looy en Ockers werden dadelijk op draagberries naar de hulppost van het Rode Kruis gebracht in het Sportpaleis, waar even later ook Nest Sterckx werd binnengeleid.
    21u40 :
    Van Looy kwam terug tot bewustzijn, terwijl Nest Sterckx slechts oppervlakkige armwonden had. Ook bij Ockers scheen geen onmiddellijk gevaar te zijn. Volgens de eerste vaststellingen zou hij een sleutelbeenbreuk en een lichte hersenschudding hebben opgelopen.
    21u50 :
    Ockers scheen even terug tot het volle bewustzijn te komen, zodat de meest hoopvolle berichten werden geuit. De dokter van dienst hield echter een nauwkeurig consult en stelde vast dat Ockers uit het oor bloedde. Hij gaf dan ook order tot een radiografisch onderzoek.
    23u30 :
    Stan Ockers werd naar het Sint Bartholomeus-gasthuis te Merksem overgebracht voor een ernstig onderzoek. Inmiddels was ook dokter Augusteynen , de private dokter van Stan, gealarmeerd en die stelde met zijn collega's zware verwondingen vast.

    Zondag 30 september 1956.
    Voormiddag :
    De radiografie had uitgewezen dat Stan Ockers een schedelbreuk had opgelopen en dat tevens vier ribben werden gebroken. De toestand was dus slechter dan eerst werd verondersteld. In  de nacht van zaterdag op zondag bleek hij bij tussenpozen wel even tot het bewustzijn te komen, maar viel dadelijk daarop terug in het coma. Andere verwikkeling : de schedelbreuk compliceerde zich met hersenbloedingen.
    Namiddag :
    De toestand bleef steeds kritiek. Broer Jos, gangmaker Van den Broeck, en manager Van Buggenhout, die samen met zijn echtgenote steeds in de buurt bleven, zagen Stan Ockers bestendig achteruitgaan.  Rond 14u00 kwam een priester voor de laatste sacramenten.
    23u00 :
    Twee specialisten waren aan het ziekbed opgeroepen : de zenuwarts De Raedemaecker uit Brugge, en de chirurg Hachlisch uit Brussel. Na overleg met de dokters Augusteynen en Van Kerckhoven werd besloten tot een schedelboring over te gaan, als ultiem redmiddel tegen de hersenbloeding.

    Maandag 1 oktober 1956 .
    02u00 : 's ochends .
    Er waren vier schedelboringen uitgevoerd, doch men was er niet in geslaagd de bloedklonters in de hersenen te verwijderen. De onheilspellende berichten werden door dokter Van Kerckhoven bevestigd : ' Slechts een mirakel kan onze vriend Stan er nog doorhalen ... ' .
    07u00 :
    Terwijl de familieleden, vooral zijn echtgenote en zijn moederke die maar steeds weenden, in angstige spanning het verdere verloop afwachtten, samen met broers en zusters, terwijl intussen zuurstofflessen waren geplaatst, omdat de ademhaling vrij onregelmatig was, kwam er een glimp van verbetering , maar de toestand bleef nog steeds bedenkelijk.
    9u40 :
    De zware doodstrijd van Stan Ockers is ten einde ... Stan Ockers is overleden. In de witte ziekenhuiskamer van het St Bartholomeus-hospitaal is hij bezweken. Met hem ging niet alleen een van de meest volksgeliefde wielerkampioenen, maar ook een groot sportman heen, een goede mens en een trouwe vriend van velen. Rust zacht, arme Stan.

    Antwerpen verloor haar geliefde zoon. De stem van het volk was sprakeloos.
    In en rond  ' De Drie Koningen' bij Stan Ockers was alles stil en verlaten, doods.  Men passeerde, stond stil en ging verder.
    Maandag en dinsdag gingen duizend en nog duizend paar voeten over de drempel van de rouwkapel.
    Iedereen wilde in het St Batholomeushospitaal, een laatste groet brengen aan de kleine, volksgeliefde Stan Ockers, de laatste hulde aan de overledene.
    Stan lag tussen de bloemen, rustig en vredig ...  .

    Op donderdag 4 oktober 1956 volgt een koninklijke begrafenis. Stan Ockers kreeg zijn laatste rustplaats op het Borgehoutse kerkhof Silsburg.

      

    Rik 1 won op die dag, Rik 2 en Nest Sterckx overleefden de valpartij.



         



    Bronzen beeld van sportheld Stan Ockers uit het Sportpaleis.





    30-06-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (2)
    25-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ockers probeerde steeds het hoogste te bereiken.

     blz.12/13 - De mens Stan Ockers- ( Zondagsvriend  3-10-1956 )

    Geschreven op een dag
    toen de zon boven Antwerpen niet meer scheen.
     
    Stan Ockers die steeds heeft gestreefd het hoogste te bereiken als wielrenner en daarin volkomen is geslaagd, heeft ook altijd getracht om als mens op de voorgrond te treden. Met mens bedoelen wij niet slechts de wijze waarop de vroegere wereldkampioen zich kleedde, hoe hij zich gedroeg aan tafel of in het gezelschap van hooggeplaatste personaliteiten, maar de manier waarop hij reageerde tegenover mensen en dingen. Dit laatste heeft er ontegenzegelijk zeer veel toe bijgedragen dat hij in alle lagen der bevolking een populaire figuur was en ook bleef. Hij werd gevraagd om voor de ouden van dagen in zijn gemeente iets bijzonder te doen en aanvaardde aanstonds, ook al had hij zijn kostbare tijd nodig. Een renner ging het niet voor de wind en kende financiële moeilijkheden. Ockers wist er raad mee en zorgde in de mate van het mogelijke dat de nood werd gelenigd.Nooit werd tevergeefs beroep op hem gedaan. Altijd was hij bereid om iets mee te helpen verwezenlijken wanneer hij overtuigd was dat het gebeurde om iets goed te doen. Zo was hij de eerste om als wielrenner, wedstrijden te organiseren van voetballende wielrenners, waarvan de opbrengst ten goede kwam aan een of ander liefdadig werk.

    " U kunt op mij rekenen ! "  . Het ware enkele woorden welke hij uitsprak wanneer hem iets werd gevraagd en men kon overtuigd zijn dat de steun volledig was. Hetgeen Ockers vrijwillig en spontaan aanvaardde, volbracht hij. Zo vergeten wij niet zijn medewerking aan de wielerschool welke Sporta in het leven had geroepen voor jonge renners en waar de medewerking van Ockers werd gevraagd. Stan Ockers zou de Sporta-leiders gemakkelijk hebben kunnen antwoorden  ' dat het voor hem uiterst moeilijk was, aangezien de vergaderingen doorgaans zondagmorgen in de Kempen of Oost-Vlaanderen plaats hadden en hij zaterdagavond meestal ergens een contract moest vervullen ' . Geen mens had hem dit ten kwade kunnen duiden. Ockers deed het niet. Hij aanvaardde spontaan en belangloos omdat hij overtuigd was van het werk dat de sportpater zaliger voor een vijftien jaren in het leven had geroepen. Stan Ockers wilde ook zijn steentje bijdragen voor dit grootse werk en de jongeren met het woord ten dienste staan.

    Tijdens de talrijke vergaderingen voerde hij, samen met de leiders van Sporta en met enkele wielerjournalisten het woord. Hij vertelde de jongere generatie op aanschouwelijke wijze wat zij te doen had om het eenmaal tot renners van formaat te brengen die niet alleen als wegrenners konden presteren, maar ook als mens de hoogste sport van de ladder bereiken. Stan Ockers voelde dit aan als een plicht welke hij diende te vervullen ten opzichte van Sporta, het werk dat hij waardeerde, en als dank ten opzichte van de stichter, pater Van Clé.

    De vroegere wereldkampioen had een zeer grote waardering voor de sportpater. Was hij het met hem niet altijd eens, werd er soms openhartig gediscussieerd over punten  waar men het niet over eens was, er bleef immer de waardering voor een man die het goede beoogde, hetgeen eveneens de bedoeling en de opzet was bij Stan Ockers. Het verwonderde ons dan ook helemaal niet , in tegenstelling tot sommige  mensen, Stan Ockers te zien opstappen achter het lijk van de sportpater.
    " Het was toch mijn plicht, niet  ? " zei hij tot enkele journalisten. ' Pater Van Clé heeft zoveel gedaan voor de wegrenners, zodat het uiteindelijk niet meer dan billijk is om deze dankbaarheid te betuigen door aanwezig te zijn op zijn laatste tocht . "  Deze woorden hebben ons getroffen, zijn ons altijd bijgebleven omdat zij de mens Ockers typeerden.

    Hij was groot in zijn volharding om een groot wielrenner te worden, doch hij was naar onze mening zeker zo groot als mens die het goede nastreefde en overal bereid was om dit goede te verspreiden onder al de mensen, zonder onderscheid van stand of overtuiging. Ook hij zocht naar de mens, net zoals de overleden  sportpater waarvoor hij zulke waardering had. Dit was zeker een van de redenen , misschien wel dé reden, waarom hij zich in zulke populariteit mocht verheugen en zich zo sympathiek maakte. Het is stellig ook de reden waarom zijn verscheiden in gans het land zulke beroering heeft verwekt en zijn laatste tocht door tienduizenden werd gevolgd.
    -------------------------------------------------------------------------------------------------
    Onder enkele foto's kwamen volgende zinnen :

    Wenende Impanis en Ockers : medevoelen met vrienden-renners welke werden getroffen door het noodlot. Stan Ockers, die zijn tranen niet meer kon bedwingen in Zwitserland (1948) nadat bekend was dat Depoorter op tragische wijze om het leven was gekomen tijdens een bergrit op de Sustenpas.

    Op rustig beheerste wijze zette Stan Ockers aan de jonge renners uiteen  welke weg zij moeten bewandelen  indien zij ooit het hoogste willen bereiken en hoe zij zich als mens hebben te gedragen.

    Ockers was een ware ambassadeur van de wielersport in het bijzonder en van de sport in het algemeen. Hij werd door Mgr. Van Wayenbergh gelukgewenst om een behaalde onderscheiding waardoor hij zijn sporttak en tevens zichzelf in het middelpunt van de belangstelling had geplaatst.

    Ook op de opschik was Ockers steeds gesteld. Reinheid op zichzelf en kleding was een van de parolen van de wereldkampioen.

    Stan Ockers kon zich in ieder gezelschap aanpassen.  Maar uiteraard voelde hij zich best thuis in gezelschap van andere wielerkampioenen zoals Poeske Scherens en Dolf Verschueren. Op receptie in de bureau's van de Belgische Wielerbond genoten deze mannen echt van elkaars gezelchap.

    De heer M. Van Bergen animeerde dikwijls de interviews op de vele sportavonden waarop Stan Ockers te gast was in de wielermilieu's en waar hij dicht bij zijn supporters kwam die hem zo graag zagen.


      

    25-06-2010 om 23:19 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (7 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vooruitzichten BK 2010 LEUVEN wielrennen.
     

              

    De strijd voor de Belgische driekleur op de weg voor elites met contract wordt komende zondag gereden te Leuven op een lastig traject waarop ook de Grote Prijs Jef Scherens Rondom Leuven  zich jaarlijks afspeelt op het einde van de zomer. Zondag staan echter niet 13 ronden op het menu maar wel 17 ronden en dat betekent een koers over 240 km waarin  poppemiekes niet lang in de spits van het gebeuren zullen kunnen blijven. Het wordt een topdag voor de Belgische wielersport zoals dat bestaat op de dagen van de voorjaarsklassiekers Ronde Van Vlaanderen en Luik-Bastenaken-Luik. Alhoewel het wielrennen te Leuven reeds werd beoefend in de XIXe eeuw ten tijde van de Hoge Bicycles, en alhoewel De Leuvense Stoempersclub nu al méér dan 100 jaar oud is, en alhoewel in het Leuvense straatbeeld zoveel fietsende studenten opvallen, heeft het toch lang geduurd alvorens Burgemeester Louis Tobback met de hulp van Stella Artois voor het eerst de titelstrijd voor profrenners te Leuven kan zien en laten gebeuren.

    Vanaf 10u in de voormiddag zullen de wielerliefhebbers Leuven binnenstromen. Er worden 35.000 toeschouwers verwacht, zeker nu het weer warm wordt.  De renners zullen voorgesteld worden en de start zal plaatsvinden in het decor van  Grote Markt, Sint Pieterskerk en Stadhuis. Behalve in de laatste kilometer op weg naar het Fochplein zijn de 14,1 km golvend, draaiend  en wringend,  met ook twee nijdige hellingen : de Keizersberg en de Wijnpers. Er wordt een vroege vlucht verwacht met dappere kerels die op de loodzware omloop zullen zorgen voor een schitterende koers.

    Terwijl thans in alle andere grote wegwedstrijden steeds méér dan honderdtwintig buitenlandse hardrijders meerijden en de Belgen al blij zijn na het behalen van een ereplaats, dan is dat één keer per jaar helemaal anders, want in een Belgisch Kampioenschap rijden alléén maar Belgen mee, en ook àlle Belgen van eigen volk met een licentie van de hoogste categorie. De ploegen zijn niet beperkt qua aantal renners die in de wedstrijd mogen aantreden. Bovendien zijn er de  groepjes, de éénlingen en de veldrijders, die als ze tactisch slim zijn toch wel zullen samenspannen.
      
    Er zullen 111 vertrekkers zijn die rijden in 24 verschillende truitjes waarop de namen van de vele sponsors die zorgen voor de maandlonen van deze beroepsrenners. Het deelnemersveld is eigenlijk verdeeld in vier soorten renners:
    1. De leden de Belgische Pro Tour Teams : Quickstep (12) en Omega Pharma Lotto (17).
    2. De Belgische renners uit buitenlandse teams : Cofidis (4), RadioShack  ( 3),Vacansoleil Pro Cycling (3), HTC Columbia (3), Team Katusha (2), Team Milram (2),  Skil Shimano (2), Garmin Transitions (1), AG2R La Mondiale (1), Liquigas Domo (1), Française des Jeux  (1), en  Rabobank (2).
    3. De renners van de twee Belgische Pro Continentals : Topsport Vlaanderen Mercator  (20), en Landbouwkrediet (16).
    4. De renners uit Continentals en uit ploegen voor veldrijders :  Verandas Willems (4), An Post Kelly (3), Qin Cycling Team (2), Jong Vlaanderen Bauknecht (1), Telenet Fidea (4), Sunweb Pro Job CT (3), BKCP Power Plus (2), AA Drink Team (1).

    Reeds in 1894 in het Limburgse Smeermaas-Maaseik, op de weg en met gangmakers, werd het eerste nationale wegkampioenschap en dat werd toen in die heroïsche tijd gewonnen door de Luikenaar Léon Houa. De vraag die allen zich in het België van vandaag stellen,  is van nu tot zondagavond niet meer  ' Wie zal onze Eerste Minister worden ? ' maar wel  'Wie zal Eerst worden in ons Belgisch Kampioenschap 2010 voor wielrijders worden ?' .

    De concurrentie tussen de blokken zal bikkelhard zijn, ook indien de afschaffing van 'de oortjes' de rol van de sportbestuurders zou beperken. Na een moeilijk te controleren koers, komt er wellicht na km 200 een verschrikkelijke finale. De renners die dan nog een hoofdrol willen spelen zullen absoluut zeer sterk moeten wezen. Als favorieten worden Stijn Devolder, Bjorn Leukemans, Greg Van Avermaet, en Philippe Gilbert,  naar voren geschoven. Iedereen zal deze namen wel aanvaarden op de podiumplaatsen.  Maar  ' la glorieuse incertitude du sport' vraagt uiteraard om ook anderen te citeren.  Wie dan ?

    Me baserend op voorbije uitslagen op hetzelfde parkoers, maar dan met minder kilometers en met een groter peleton, in de Grote Prijs Jef Scherens, dan geef ik Stijn Vandenbergh, Nick Nuyens, Fréderic Amorison, Kurt Hovelijnck, en zelfs de goede oude Nico Eeckhout ook een kans.
    Me baserend op de op dit moment reeds gekende selecties voor de Tour de France 2010, dan zie ik als gemotiveerde kampioenschapsrijders die fit en in goede forme zijn  : Serge Pauwels, Maxime Monfort, Jurgen Van den Broeck, Jurgen Roelandts, Jurgen Van de Walle, Francis Degreef, Mario Aerts, Kevin Seeldraeyers, Maarten Wynants, Dries Devenyns, Kevin Deweert, en Johan Vansummeren.
    Tenslotte hoop ik op iemand die niet verwacht wordt, maar die toch wel de man van de dag kan worden en die schoon zou staan in onze nationale kleuren. Mijn oog heeft wel gezien dat Johan Coenen weer goed bezig is. Hij mag winnen van mij  na een verwarde koers. Een tweede outsider is Frederik Veuchelen, een regionaal die nu voor eigen resultaat mag vechten en zou kunnen overleven na een lange ontsnapping in een zware koers.
    Moge echter ook eventueel het volgende mirakel gebeuren, waarvoor ik een kaars zal laten branden in de Sint Pieterskerk, niet voor het paterke van Hasselt, maar wel voor Gert Steegmans die op de goede manier hopelijk zal reageren omdat hij niet mee mag met Lance Armstrong naar de Tour. Na 239 km onzichtbaar te zijn geweest, zie ik hoe Gert aan het station van Leuven een linkse draai neemt op groot verzet richting eindmeet waar de schone driekleurige trui wacht ( Gert, nog ne keer  winnen, zoals Poeske Scherens  ... , voor uw supporters en voor de centen ! ).

    Ik schrijf niets over Niels Albert, Sven Nijs, en Bart Wellens, dat zijn de cracks voor de winter, maar ook zij zullen door vele toeschouwers worden aangemoedigd, mannen die naar Leuven komen voor een goede koers, voor enkele lekkere Stella's , of gewoon omdat het te Leuven plezant is.



      

    Niels zal zeker zijn best doen !                            - Jules Van Hevel  legendarische kampioen 1920



    Philippe Gilbert zou te Leuven ook graag het grote N.K. lot winnen  !

    25-06-2010 om 19:57 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    22-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mensen die Stan Ockers goed hebben gekend.
    STAN OCKERS  -  ( vervolg - Speciale Uitgave Zondagsvriend 3 october 1956)

    blz 11 - In het leven van een beroepssportman treden meerdere figuren, zo niet op de voorgrond, dan alleszins op een fel geïnteresseerd zijplan. Het zijn die figuren welke eng met de verrichtingen van de de renner vergroeid zijn en welke omzeggens mede de grootheid en voor de sportbeoefenaar in de beroepsrangen ook mede de belangen van de vedette helpen verzorgen. Stan Ockers was een wielrenner die jaren onverdroten gewerkt heeft, lang op eigen houtje of slechts gesteund door zijn vrienden, zijn clubleiders en zijn trouwe omgeving, om de doorbraak te forceren en om de weg naar het succes en de roem in een sportloopbaan te vinden. Die mensen rond zo'n renner zijn, om een vertrouwde zinsspeling te maken op de gekende film, als de ' Schipper naast Ockers' geweest in diens drang naar de hoogste toppen en bij zijn gestadig pogen om zijn maatschappelijke toestand te verhogen. Al deze figuren die naast Stan stonden en met hem een lange tocht hadden afgelegd tot wanneer alles zo plots en zo dramatisch werd afgebroken voor de gewezen wereldkampioen, blijven nu in een verschrikkelijke eenzaamheid achter. We citeren enige van deze rouwende mensen.
    Oud-renner MARTIN VAN DEN BROECK die de trouwe gangmaker en oefenpartner was waarop Stan nooit vergeefs beroep deed. Broer JOS OCKERS die ondanks een mindere gezondheidstoestand in het begin met een buitengewone offervaardigheid zijn broer is blijven bijstaan in moeilijke jaren. JAN VAN BUGGENHOUT, de manager, die Ockers beroepsbelangen verdedigde en hem terzijde stond op de weg van zijn internationale vermaardheid. LEON VAN DER HULST, de baas van het rijwielmerk Elvé-Peugeot, welke voor Stan Ockers een buitengewone waardering en tevens hechte vriendschap koesterde.

       



    Op deze foto blijkt duidelijk dat Stan Ockers geen wieltjeszuiger was die geen meter kop deed . Tour 1952.

    22-06-2010 om 23:48 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (6 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    15-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Verwijzing naar vroegere stukjes over Stan Ockers.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Op deze blog kwamen al eerder stukjes over Stan Ockers.

    28/8/2008  -  Stan Ockers 1955

    5/9/2008 - De grote prijs van de Molenbeek. De laatste zomer van Stan Ockers.

    17/12/2009 - Zondag 28/8/1955
    18/12/2009 - Oersterke Stan Ockers wordt wereldkampioen.
    19/12/2009 - De pelgrim te Frascarti.

    Deze stukjes kunnen bereikt
    worden via google, of  door in de linkerkolom  te gaan naar ' Archief per Maand' en daar te klikken op 8-2008 , 9-2008, 12-2009 . 

    De (oude) fan van Stan.

    15-06-2010 om 22:34 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.STAN OCKERS WAS EEN VEELZIJDIGE SPORTBEOEFENAAR.


    blz.8/9/10- De Belgische en internationale wielerwereld werd in diepe rouw gedompeld met het heengaan van Stan Ockers. Voor de familie van de ex-wereldkampioen : de ouders van Stan, mevrouw Ockers, zoontje Eddy en de talrijke broers, zusters en familieleden. Want wie weet hoezeer mevrouw Ockers haar man in het hart droeg en niemand weet hoe erg de kleine Eddy van zijn papa hield. Niemand weet wat broer Jos voor Stan heeft gedaan en niemand weet wat de ouders van de overledene voor hun kinderen en voor Stan in het bijzonder hebben ontbeerd ; hoe fier en gelukkig ze later waren toen ze hun Stan zagen opklimmen in de maatschappij. Het was dan ook telkens verdiend als mevrouw en gans de familie in de vele huldebetuigingen die Ockers mocht ontvangen, betrokken werden. 

    STAN OCKERS BOUWDE EEN WERELD VOOR ZIJN HUISGEZIN.

       

    Er waren jaren en tijdstippen dat Stan Ockers niet dikwijls de rust en de gezelligheid van de huiskring kon opzoeken omdat zijn taak, vooral zijn zware taak, van wereldkampioen hem voortdurend in het geweer stuurde, maar die weinige ogenblikken van gelukkig gezinsleven nam Stan Ockers telkens te baat om lichamelijk zowel als moreel herop te knappen.
    Op een sportavond hebben we iemand aan de micro Stan eens horen vragen hoe het toch kwam dat hij die dan toch jaar in jaar uit op de koersfiets zat, nooit lichamelijk ontredderd werd en telkens zo fris als een bliek aan de startlijn kwam.Toen vertelde Stan Ockers dat hij " het van zijn moedertje had". " Enkele ogenblikken van volkomen rust knapten haar volledig op", zei de wereldkampioen, " ... en zo is het ook met mij. Het volstaat dat ik enkele uren ga zitten of rusten om mij weer gans fit te voelen.".
    Moedertje Ockers, die dikwijls haar laatste centen gebruikte om voor de kleine Stan een koerstube of een trui te kopen ondanks het feit dat ze zeven monden te stoppen had, werd later wanneer Ockers een groot renner werd nooit vergeten. Zijn eerste verdiensten als jonge wielrenner in de oorlog gingen zelfs op de eerste plaats naar haar die in de moeilijke jaren voor de bevrijding een goede kop "echte koffie" best kon gebruiken.
    Na moedertje Ockers kwam mevrouw Ockers  (Rosa Desmet, vijf jaren jonger dan Stan) ) die tot aan zijn lijdensbed haar man trouw terzijde stond, hem dikwijls volgde en verzorgde, en dikwijls deelachtig was in de behaalde successen. Net als zijn broer Jos die als eerste verzorger Stan onschatbare diensten bewees.
    Last but not least vernoemen we Eddy, supporter nummer één van zijn papa. De jongste jaren waren Eddy en Stan onafscheidbare vrienden geworden. De liefde was wederkerig. Voor zijn Eddy, geboren in 1950, zou Stan door een vuur hebben gelopen. Daar leefde en streefde hij voor. Daar wou hij voor werken en lijden opdat Eddy niet diezelfde lange en harde levensweg zou te bewandelen krijgen als zijn vader die  bijna twintig jaar met een verbeten wilskracht hardnekkig moest volhouden om het opperste te bereiken wat voor een wielrenner bereikbaar is. Dat zoontje Eddy, zo fier en gelukkig wanneer hij ergens mee naartoe mocht, heeft nu geen vader meer. Op een ogenblik dat hij zijn afgod die zijn vader was voorgoed bij hem zou hebben, sloeg het noodlot toe in al zijn naakte werkelijkheid. Op een ogenblik dat Eddy Ockers zijn vader meer dan ooit nodig had om de harde werkelijkheid van het leven te leren kennen staat deze kleine jongen plots alleen. Alleen en onbegrijpend naast een wenende moeder en naast treurende familieleden. Te weten dat zovele duizenden mensen in het land medevoelen in de diepe rouw moge voor hen allen een kleine troost zijn. Een troost is het voorzeker ook te weten dat Stan niet alleen als een groot kampioen heeft geleefd maar ook als een groot mens, een voorbeeldig huisvader die het geluk en de voorspoed van de zijnen nastreefde.

    DE KLEINE STAN.
    Toen hij zestien was en reeds afwisselend als helper-stoofsmid en kolendrager zijn eerste wedden in moeders schoot had neergelegd, kwam hij aan de tweesprong-van-zijn-leven. Hij moest kiezen en wist niet wat te doen: voetballer blijven of wielrenner worden. Alhoewel hij als "half" in het scholieren-team van Tubantia zeer voortreffelijke partijen ten beste gaf, hakte Stanneke Ockers toch kordaat de knoop, door : hij zou het maar als "coureur" proberen. En hij werd coureur.
    1936. Dit was zijn proefjaar. Het waren de maanden van de aanloop.Het volgende jaar moet beschouwd worden als de definitieve start. Om eerlijk te zijn, alle supporters weten nog dat in die eerste koersen er niets overrompelends of ophefmakends gebeurde. Toch was er al vlug zichtbaar die koppigheid, verbetenheid, moed en wilskracht bij de jonge "Stanneman". Hij wist wat hij wou en waar hij heen wilde. Want eens gestart als wielrenner was hij als een stormwind : zeker, sterk en onvermoeibaar.Vreugdevolle dagen in het rennersleven van de junior Ockers waren er vooreerst niet veelvuldig, behalve dan die eerste zege te St-Amands-Puurs. Het verbeterde niet toen hij soldaat moest worden en ook nadien nog door de mobilisatie werd vastgehouden. Niettemin volhardde hij, boekte hij enige overwinningen en ereplaatsen. Zijn intense arbeid op training werd  in de eerste oorlogsjaren beloond met overwinningen te Sint-Niklaas, Stekene, en Schoten. Door als neo-prof in 1941 de Grote Schelde Prijs winnen en ook door Kampioen van Antwerpen te worden, bewees hij een goede nieuwkomer te zijn in het vak van beroepsrenner.
    Er waren in die periode heel wat betere renners dan Ockers: renners met meer naam en faam ; renners met blijkbaar meer klas en talenten. Omdat Kobe, Robbe en Senne, mijn drie kleinzoontjes, de familienaam Meerschaut dragen, citeer ik hier graag Odiel Van den Meerschaut . De ' witte' kende toen gloriejaren en was toen Koning der Kermiskoersen en Kampioen van België.
     
    En toch, toch was die kleine Stan al vlug meer volksgeliefd dan de meeste vedetten. Hoe kwam dat ?  Was het door zijn kleine gestalte ? Was het door dat hij, die pas veel later de geheimen van de snelheid en de eindsprint in zijn macht kreeg, in de spurt meestal met een ere-plaats moest vrede nemen? Of was het omdat hij steeds rondliep en fietste met een lach in de ogen en om zijn mond ? Het ene en het andere hebben daar zeker toe bijgedragen. Zoals zijn taaiheid, zijn steeds maar doorzetten, zijn kranigheid, hem later sport na sport hoger, immer hoger brachten op de ladder van het succes en de roem.

    1943.  Het was nog niet te voorzien hoe ver die kleine pittige, vinnige, olijke Sinjoor, zou kunnen geraken in de wielersport, ook al verzamelde hij als broodrenner vele goede resultaten met zijn koersfiets. Tijdens de volgende jaren werd hij terug opgeroepen in het leger bij het ontmijningsbataljon te Nieuwpoort. Het was in 1946 dat voor hem de zon terug begon te schijnen. Hij mocht starten in de Course du Tour de France, tussen Monaco en Parijs, waar hij op de Galibier liet zien dat hij kon klimmen. Een valpartij schakelde hem uit, maar hij werd daar een toprenner. Terug uit het Zuiden werd hij weer Kampioen van Antwerpen, en hij won terug de Grote Schelde Prijs te Schoten, alsook primus in Brussel - SintTruiden ( waar hij met 30" voorsprong solo de meet bereikt), en in een reeks andere koersen.

    1947. Stan Ockers ging deelnemen aan de Ronde van Zwitserland, waar hij sterk presteert tegen Bartali en Bresci, Coppi, Kubler en Koblet ! Het gevolg daarvan was dat men van dan af eindelijk niet meer ging twijfelen aan de ronde-talenten van de kleine Ockers, want eigenlijk was het  schandelijk en onrechtvaardig geweest dat Stan door de selectieheren van de wielerbond was thuisgelaten voor de eerste na-oorlogse Ronde van Frankrijk. 
      

    1948. Op het einde van de Ronde van België, in een laatste rit gekenmerkt door regen, valpartijen, bandbreuken die de sterksten deden sneuvelen, fietst Stanneke Ockers op 23 mei met de koplopers het grote Heyselstadion binnen. Stan steekt zijn armen omhoog, groet glimlachend de twintigduizend sportmannen die daar zijn samengekomen voor de bokswedstrijd van Cyriel Delannoit tegen Marcel Cerdan, die er vlak na de koers zou beginnen. Zonder nog te sprinten voor de dagzege wint Ockers op dat moment het totaalklassement van onze nationale wielerronde. Onvoorstelbaar ! Slechts 1m61 hoog en 62 kgr zwaar, en toch werd deze wielrenner toen de 'grote Stan Ockers' , daverend toegejuicht door alle sportliefbebbers die het Heyselstadion vulden.


     

    DE EEUWIGE GLIMLACH VAN STAN OCKERS.

    Sportbeoefenaars, vooral dan in de beroepssport, tonen zich dikwijls al te enggeestige specialisten. Zij beoefenen hun eigen sport maar kunnen slechts matig interesse betonen voor de andere sporttakken en zoeken nog veel minder de gelegenheid om zich ook aan andere sportbeoefening te wagen. Stan Ockers behoorde niet tot deze laatste categorie, maar was integendeel een omni-sport-man in de volle zin van het woord. Hij betoonde daarenboven niet enkel een verregaande belangstelling voor andere sporttakken, maar hield er ook aan, in die andere sporten, iets te presteren. Zo wisten we dat Stan Ockers - het zou moeilijk anders zijn geweest voor een jongen die te Borgerhout geboren werd ! - heel en al verhangen was aan de duivensport en zelfs in het begin van zijn loopbaan als beroepsrenner nog altijd ijverig ' meespeelde' in de vluchten van de Borgerhoutse Duivenbond. Nadien hield Stan nogwel van een duifke ... maar dan was het eerder bedoeld als een smakelijke hap voor een grote inspanning !
    Wie echter tijdens de wintermaanden een kijkje ging nemen bij de mededingers in de Antwerpse wintersporten, moest zich dikwijls verwonderen over zijn aanwezigheid bij deze proeven. Was Stan Ockers niet in de gelegenheid om zich in die competitiete mengen, hij betoonde toch een zekere belangstelling voor deze zo sportieve en nog zo echt amateuristische sportbeoefening.
    Een hartstochtelijk voetballer was Stan, dat weten we wellicht allemaal ! Vurige supporter van Berchem Sport als hij was, ging er geen vrije zondag voorbij zonder dat hij zijn favorieten ging aanmoedigen, en dit vaak op verplaatsing, ver van huis. Maar niet enkel als supporter liet Stan zich gelden, nog veel meer als beoefenaar van de voetbalsport. Hij was immers aangesloten geweest bij Tubantia Borgerhout, zou nadien ook aansluiten en een heel actief lid worden van het rennerselftal welke tijdens de oorlogsjaren dikwijls uitkwam in liefdadigsheidswedstrijden die werden ingericht ten voordele van ongelukkige renners. Er kon steeds beroep worden gedaan op Ockers die toch zo graag de linkervleugel van die voetbalploeg vormde met Van Steenbergen.
    Een andere sport waarin Stan Ockers met voorliefde uitkwam en waarin hij een behoorlijke graad van verfijndheid had verkregen, was de biljartsport. Als lid van de biljart vereniging welke in zijn eigen sportlokaal was gevestigd zou hij er nooit aan denken een vergadering of een speelavond te missen. Zelfs tijdens de winteravonden speelde hij graag een partijtje, louter voor het genoegen.

    We zouden nog verder kunnen gaan en ook zijn belangstelling kunnen aanhalen voor het boksen, de worstelsport, eveneens voor het turnen dat hij de meest gezonde van alle sporten noemde, maar in het bijzonder had hij toch de snelheidsmicroob in het lichaam. Als piloot van zijn eigen wagen was Stan een ware virtuoos van de weg en hij zou zonder twijfel een flink figuur hebben geslagen in open autokoersen. Al deze vaststellingen tonen voldoende aan dat Stan Ockers begrip had voor meerdere sporten en een omni-sport-man was, die in alle kringen van de sportwereld vrienden telde .  Het kon moeilijk anders  !

    15-06-2010 om 21:44 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (8 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    14-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.STAN OCKERS richtte zijn pijlen hoog.
      





    blz. 6/7/8 - Frascarti: onder een brandende hemel kwam Ockers, de kleine Belg, vanuit een verloren stelling opzetten om schitterend te winnen. Op het podium, met zijn echtgenote en zijn zoontje voor zich, met de regenboogtrui om de lenden en de bloemen in de handen, beleefde hij ongetwijfeld het schoonste en gelukkigste ogenblik uit zijn zo lange en schitterende wielerloopbaan.



    Reeds wereldrecordman achter tandems ( 25.12.48 : 56km100 ) verbeterde hij op 14.1.56 in het Antwerpse Sportpaleis ook het werelduurrecord. Dat gebeurde achter de derny van zijn trouwe vriend en gangmaker Martin Van den Broeck. Hij bracht dit record op 61km 745. Met Dolf Verschueren leverde Stan Ockers achter de derny en de kleine motor onsterfelijke duels. Hij was ook een groot specialist achter de grotere mechanische tuigen, waar men hem nog had verwacht, aan het einde van zijn ' carrière' als stayer, specialiteit welke hem nochtans afschrikte.

    Hij richtte zijn pijlen hoog, omdat ze ver zouden vliegen. Zo was het met Stan Ockers, de weg-,piste-,en ronde-renner, de koning van de derny en tandem. Hij richtte zijn pijlen hoog, opdat ze ver zouden zouden vliegen ... . Lang en naarstig heeft hij moeten werken om de richting, de goede richting en de goede baan te vinden waarin hij zijn pijlen afzenden moest. Eens dat hij die richting en die baan had gevonden, schoot hij meermaals, steeds maar roos, keer op keer. En met elk schot dat hij (vooral) de laatste seizoenen afschoot bereikte hij een hoogtepunt.
    Het allereerste hoogtepunt behaalde hij in 1948 toen hij het bijna 13 jaar oude wereldrecord van Georges Ronsse achter tandems neerhaalde op die Kerstnamiddag voor zovele Antwerpse supporters. Een nieuw hoogtepunt, ditmaal van grote internationale weg-waarde, behaalde hij in de Ronde van Frankrijk 1950, met tweede te worden- prestatie die hij twee jaren later hernieuwde. Andere hoogtepunten op de weg verzamelde hij met schone ritoverwinningen te Rouen in 1949 en te Pau in 1954, met zijn solo in de Waalse Pijl 1953 en zijn tweede plaats in Parijs-Roubaix 1954. Grote momenten waren ook voor hem weggelegd op de velodrooms met diverse ploegmakkers en vooral in de Zesdagen van Brussel 1951, Gent 1954, en Antwerpen 1955, aan de zijde van Rik Van Steenbergen. Ja, dat waren allemaal hoogtepunten, kleinere en grotere, van alle maten en soorten.

    De meest waardevolle, de schoonste, moesten echter nog komen. Zij kwamen in 1955 en 1956, met formidabele triomfen te Luik, in de Vurige Stede, in de Waalse Pijl en Luik-Bastenaken-Luik, het Wereldkampioenschap te Frascarti, de Wisselbeker Desgrange-Colombo, en Rome-Napels-Rome, waarin hij in 1956 zijn meest overtuigende van alle overwinnigen thuishaalde tegen Coppi en Bobet.



    Ondertussen had hij opnieuw de Antwerpse Zesdaagse gewonnen en het werelduurrecord achter derny op zijn naam geplaatst. En thans, was hij op weg naar een nieuw hoogtepunt. Een tweede achtereenvolgende zege in de Challenge Desgrange-Colombo was nog steeds mogelijk, maar Stan kon zijn seizoen niet afwerken. Aanstaande zondag, tussen Parijs en Tours, en daarna in de Ronde van Lombardije, en daarna nergens meer zal hij nog koersen, noch op de weg noch in de sportpaleizen, want de plaats van Stan Ockers zal voor eeuwig open blijven, én dat zal zijn in de Belgische én in de internationale wielersport.

    In zijn broer Jos vond Stan Ockers altijd een zeer trouwe helper en een steun. Toen Stan wereldkampioen werd was de vreugde van de Jos die zijn broer op de schouders droeg niet minder groot dan deze van de wereldkampioen zelf.

    Mevrouw Ockers deelde veelal mee in het succes van haar echtgenoot die voor zijn gezin leefde en streed. Gelukkig als geen andere mensenkinderen waren beiden toen ze te Brussel in het Paleis voor Schone Kunsten ontvangen werden na de eindoverwinnig van Stan in de Desgrange-Colombo competitie. In de gezellige huiselijke kring vond Stan Ockers altijd de morele steun van zijn vrouwtje dat hem zowel in voor- als in tegenspoed trouw ter zijde stond. Daar werden banden gesmeed die slechts door de tragische dood verbroken werden.

    Eén in het succes ! Stan, Eddy, mevrouw, moeder en broer Ockers, en ook ploegmaat Marcel Janssens waren allen dicht bij elkaar midden de duizendkoppige menigte bij de huldiging van de nieuwe wereldkampioen op het vliegtuig te Melsbroek.
    Het volk stond toch zo dicht bij  ' de Stan' .





    Zijn schoonste successen behaalde Ockers op piste met Rik Van Staanbergen met dewelke hij o.a. meerdere Zesdaagse-overwinningen verzamelde.

    14-06-2010 om 02:08 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    11-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Eerst miskend,daarna gevierd als beste ronderenner.
                  

    blz 4/5 - Stan Ockers was ongetwijfeld een uitstekenden alzijdig piste-vedette. Hij was eveneens een hele kei op de weg, in de klassiekers. Voor alles was de Antwerpse selfmademan echter een uitmuntend en vooraanstaand ronderenner : ' De beste die België in de na-oorlogse periode naar het buitenland kon afvaardigen". Ockers, die het in zijn leven als doodgewoon werkmanskind nooit op een gouden schoteltje kreeg opgediend - uitzondering gemaakt voor zijn laatste glorievolle seizoenen-  had het aanvankelijk ook niet gemakkelijk als ronde-man. Daarvoor werd hij vooreerst te veel tegengewerkt en te lang miskend.   Bewijzen  ?

    In 1946 betwistte hij de kleine miniatuur Ronde van Frankrijk die liep van Monaco naar Grenoble. Niettegenstaande hij in de derde rit, te St Jean-de-Maurienne over een hond viel en uitgeschakeld werd - zonder dat hij het zelf wist en wilde- was iedereen er over eens om te zeggen en te schrijven , in Frankrijk : ' Ziedaar een nieuwe Belgische Ronde-hoop ! ' Daarna startte hij in 1947 in de Ronde van Zwitserland. In het eerste gedeeelte van de eerste rit, welke in drie stukken was gesneden, had hij heel wat pech, verloor hierbij  13'12" op de ritwinnaar Gino Bartali, en werd na die Zürich- Siebnen slechts 59e op 61. Niettegenstaande werd hij in de eindstand toch derde achter Bartali en Bresci, en tweede in de bergprijs. En, ' il campionissimo Bartali' zegde van Ockers : ' Een groot kampioen, een uitmuntend ronde-specialist ' . Niettemin vond men geen plaatsje voor Ockers in de Belgische ploeg voor de eerste na-oorlogse Ronde van Frankrijk, waarin hij daarna achtmaal zou aanzetten. Alleen in 1953 liet men hem (weer) thuis, omdat hij zogezegd te oud was geworden. Dit nadat hij tweemaal tweede eindigde : in 1950 achter Kubler en in 1952 achter Coppi. Dit alles ten spijt, de vele tegenkantingen en de vele tegenslagen (zoals in 1948 een ongestelde maag en in 1949 een gebroken pink), is Ockers opperste werkterrein dit der rittenkoersen geweest. Zijn vele ereplaatsen in de Tour de France, waarin hij zesmaal winnaar op punten werd  (1949,50,51,52,55,56), zijn triomfen, performaties, en accessits in de Ronden van Luxemburg, Argentinië (2e in 1952), Italië, Zwitserland en België ( 1e in 1948) zijn daar de schoonste en zuiverste voorbeelden en bewijsnummers van.

    Dat Stan zich in dit specifiek werk van hard labeur, van regelmaat en van-zich-steeds-herhalende-inspanningen zo goed thuis voelde ?  Komt omdat hij alles had dat een Ronde-renner hebben moet. Hij zag alles. Hij voelde alles. Hij wist alles. Daarbij kon hij haarfijn rekenen en cijferen, wikken en wegen, had hij een stalen karakter, een goede gezondheid en een uitmuntend humeur. Bijzonderste van al : hij kon klimmen en tijdrijden. Vandaar dat hij alleen voor diegenen, die niet zien noch horen wilden, niet het echte ' Ronde-type' was dat razendsnel recupereerde en van alle markten thuis was. Het is daarom erg, zeer erg, spijtig, dat de naam van die Stan Ockers op geen enkele buitenlandse Ronde-erelijst vermeld staat als triomfator. Het is daarom dat het zo erg spijtig is dat Stan Ockers niet de Ronde van Frankrijk heeft gewonnen waarin hij de beste was, de sterkste en de kompleetste en waarin hij zijn beste Ronde reed, namelijk deze van 1956, waarin iedereen de Sinjoor als overwinnaar en opvolger van Louison Bobet verwachtte. Geklopt in de Tour 1956 zei men : ' Dat is niets. Er komen nog Ronden van Frankrijk voor Stan Ockers, die verre van versleten is.' Niemand wist toen immers dat die Ronde van Frankrijk, waaraan Ockers een deel van zijn leven verpand had, de laatste zou zijn waarin hij vertrokken was.

        



    Een zeer goed renner op alle terreinen.

    Met zijn vriend en ploegmaat Richard Depoorter reed Stan Ockers de Sustenpass op in de Ronde van Zwitserland 1948. De Westvlaming vond in een donkere tunnel de dood, terwijl dat ook het lot werd van de Antwerpenaar 8 jaren later.

    In tal van internationale ronden behaalde Stan Ockers rit-overwinningen en werd hij met bloemen beladen.

    Dansend op de pedalen, het wezen getekend door de inspanningen kon Stanneman uit Antwerpen jaar na jaar op de flanken van de Franse Alpen en Pyreneeën in het wiel blijven van de grootste kampioenen zoals Louison Bobet , en anderen.

    Als klimmer vooral was de kleine pittige Stan te duchten op de steilste cols, ook nog in 1956 was hij de gelijke van Bahamontes en Walkowiak.

    Soms was hij de ware kopman van de Belgische ploeg, maar ook vaak was hij nog meer de vriend en de helper die meeleefde met het lief en het leed van zijn ploegmaats, aan wie hij ook succes gunde, zoals toen hij spontaan in regenboogtrui de jonge Jan Adriaenssens ging feliciteren die te Luchon de gele trui had veroverd.

    Tijdens de achtmaal dat hij de Ronde reed, werd hij zesmaal de beste met de punten. De eerste vier keren dienden de punten slechts om renners die gelijk stonden te klasseren in de rangschikkingin per tijd, maar in 1955 en 1956 was er reeds de groene trui met de extra vergoedingen. Het puntenklassement telde de plaatsen en ging toen om het minste punten. Door zijn regelmaat was Ockers onklopbaar. Hij scoorde in alle soorten ritten , en in het wiel van de spurters deed hij steeds zijn best bij het naderen van de meet. Vooral deze uitslagen bewijzen dat Stan Ockers onze beste na-oorlogse rondeman is geweest, en slechts Eddy Merckx en Lucien Van Impe zouden vele jaren later beter kunnen doen.

    11-06-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (8 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    09-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.ZondagsVriend SPORT-MAGAZINE 3 oktober 1956
    Op de zesde dag van de zesde maand van 2010 kreeg ik van onze oudste dochter Anne MEERSCHAUT-JOURNEE een tof geschenk tijdens de barbecue die bij ons thuis werd gehouden ter gelegenheid van mijn zesenzestigste verjaardag. Anne, moeder van onze drie kleinzonen, had voor mij op e-bay de Speciale Uitgave van ZondagsVriend gekocht die op zestien bladzijden verslag bracht over het leven en de dood van Stan Ockers, de toen zeer geliefde wielerkampioen van wie ik vanaf het tweede studiejaar toen ik nog maar pas kon lezen een grote supporter was, ondanks mijn jeugdige leeftijd. In 1956 betaalde men 5 Fr voor zo'n magazine en 35 cent in Nederland. Ik mocht niet weten voor hoeveel  het bijna 54 jaren oud sportblad nu wordt verhandeld. Na mijn dood zullen mijn kleinzonen  wel eens samen met mijn buurman Renson mijn boeken, knipsels, magazines, varia en foto's over de wielersport verkopen op een van de wielerruilbeurzen, waar het om big business gaat, of een wielerkwis inrichten met al mijn documentatie als prijzen.

     

    Met zijn zoontje toen hij wereldkampioen werd, een volksjongen werd een goed geklede heer .

    Ik breng op deze blog hetgeen wat over het idool van mijn kwajongensjaren werd geschreven op deze 16 blz. alsook een aantal foto's welke al of niet staan in dit geillustreerd weekblad.

    Voorpagina:      Dit bijzonder nummer wil een afscheid en een aandenken zijn aan een goed mens, een eerlijk sportman en een goede vriend.   STAN OCKERS .

    blz 2/3 . Stan Ockers op zijn doodsbed.
    Stan Ockers heeft ons verlaten. Zij die zaterdag na die brute val in het Antwerps Sportpaleis kwamen toegesneld om de eerste gevolgen ervan na te gaan, zij die de ganse zondag in bange verwachting die lange uren van vertwijfeling hebben doorgemaakt in het Ziekenhuis Sint Bartholomeus te Merksem, de miljoenen welke met hun hoop het in gevaar verkerende leven van hun vriend of favoriet wilden redden, zij allen kunnen zich nog steeds niet voorstellen dat Stan voor goed uit hun midden, uit het leven is getreden. De werkelijkheid ontneemt ons echter alle schijnbeelden en laat ons niets anders dan een dodelijke zekerheid. Dit is geen lofartikel meer aan het adres van de gulhartige, naarstige en hardwerkende wielrenner Stan Ockers, welke lange jaren alles heeft veil gehad om zich een ruimschoots verdiende plaats te bevechten in de sportwereld, in de wielerwereld in het bijzonder. Het is geen bijdrage meer om diezelfde Stan Ockers een helpende hand te reiken in de strijd die hij in de eerste stadia van zijn loopbaan had te leveren tegen mensen die niet in hem wilden geloven en waaraan Ockers, zoals honderden anderen, zou ten onder gegaan zijn zo hij niet méér had gehad dan die vele anderen die twijfelden bij de eerste grote tegenkanting en zich gewonnen gaven bij een nieuwe aanval : Stan is blijven voortijveren en heeft juist in de vele tegenkantingen de titanische kracht gevonden en aangekweekt welke hem in latere jaren mede naar het toppunt van de roem, de sporteer en de fortuin zou voeren. Dat alles werd met één slag verpletterd door de harde werkelijkheid van een noodlot dat van de meest energieke sportbeoefenaar welke we ooit hebben gekend de grootste vergoeding eiste welke hij kon afdragen : het leven.

     Wielerbaan te Geel 1947

    Het leven van de mens Ockers is schoon geweest, zoals het leven van de renner Ockers na een kille lente, een prachtig openbloeiende zomer en een buitengewoon schitterende herfst heeft gekend. Aan dat leven heeft hij gehouden zoals weinigen er aan gehouden hebben, want niemand beter dan Stan Ockers zelf kon, in zijn trage en lange opgang van klein miskend renner naar groot en gevierd kampioen, meer en beter meepraten van het eindeloos geduld, de nooit wegblijvende spanning en de zware opeenvolgende inspanningen, welke van hem geëist werden eer hij voor zichzelf, voor zijn familie en voor de zijnen wat vreugde in dat leven had kunnen brengen en zich een zekere toekomst had kunnen verzekeren. Alles, dat alles werd met één slag vernield, vergruizeld.
    Tegen de hellingen van de hoogste bergtoppen heeft Ockers steeds gestreden zonder ten onder te gaan, in het wiel van de meest gewaardeerde kampioenen heeft Stan zich geweerd en verdedigd om het levensdoel dat hij zich gesteld had traag maar zeker werkelijkheid te maken, in de hoogste internationale competities van de laatste tien jaren heeft Stan Ockers zich een naam en faam van alzijdig wielerkampioen vergaderd welke niemand hem nog durfde of mocht benijden: maar tegen de onmeedogende rechter welke de Dood is, moest diezelfde hardvechtende en zich tot het uiterst verwerende Ockers het onderspit delven. Het is zonder overdrijven dat we de loopbaan, de verdiensten, de rijke gaven en de diep menselijke deugden van Stan Ockers hier kunnen samenbundelen in een enkel volzinnetje: een parel is aan de Belgische sportwereld, aan de internationale wielerwereld ontvallen.

    AFSCHEID AAN EEN VRIEND.

     

    Zelden was er te Antwerpen zoveel volk op een begrafenis .




    Door zijn overwinningen in de Waalse klassiekers was hij ook een held in het Luikse.
    Op de helling van Les Forges kreeg hij een standbeeld .

    Stan Ockers, de vaak miskende kleine man, die met een voorbeeldige iever en een nooit falende geestdrift is blijven timmeren aan een reuzegebouw dat hij, trots een schijnbaar tekort aan athletische krachten en een dikwijls besproken gemis aan intrinsieke klasse, toch heeft opgetrokken, is van ons weggegaan. Weggemaaid door het lot dat hem enkele jaren alles scheen te hebben gegund om dan plots met des te meer afgrijzen te komen toeslaan en afbreken. Het is een afgrijselijke waarheid die zich onder onze ogen heeft afgespeeld ! Het afscheid aan een trouwe vriend valt steeds zwaar. Het brengt U opnieuw de lange keten van de diepst aangevoelde taferelen uit zijn voorbeeldige loopbaan voor de ogen : zijn strijd tegen de oneerlijkheid in de Ronde van Zwitserland 1947, de aan zijn lot overgelaten zieke Rondeman in de Crauvlakte tijdens de Ronde van Frankrijk 1948, de volharding in het jaar 1949, de laster die over hem kwam toen hij buiten verwachting tweede werd in de Tour 1950, de strijd die hij verder zette in 1951, de tweede plaats na Fausto Coppi in de Ronde van 1952, de ganse evolutie die zich in hem voltrok in de daaropvolgende jaren en welke een toppunt kendde op de hoogte van Frascarti waar hij wereldkampioen werd. Dat zijn grote, imponerende data voor een vriend. Er zijn er ook andere, ongekende, intieme voorvalletjes welke de band tussen vrienden - daarom niet steeds akkoord op alle punten -smeden en die een wederzijdse waardering doen ontstaan : tranen bij een zege of een nederlaag, de fierheid van de vader voor de zoon, de eenvoudige vriendensfeer bij een sportavond, het samen voelen en samen betrachten bij meerdere aangelegenheden en zovele voorvalletjes waarmede een vriendenband wordt aangesnoerd. Ons blijft thans nog slechts een sterke herinnering aan hem die steeds dol was op een trouwe vriendschap, die zich diep getroffen kon voelen bij een ongelijk hem aangedaan en steeds zo hard kon willen om zich waardig te tonen van de mensen die in hem geloofden en waartoe hij zich verplicht gevoelde.

    Stan Ockers, de kleine man, is een gans aparte figuur in de wielersport geweest omdat nooit iemand met zoveel drang en ondanks zoveel tegenkantingen en miskende eigenschappen, heeft blijven voortijveren en werken om zich toch vooraan te plaatsen en zich een paleis bouwde! Het is de werkman die zich een paleis bouwde !

    In het aanschijn van de dood buigen we ons hoofd voor de wil van Onze Lieve Heer, wiens plannen dikwijls ondoorgrondelijk zijn maar die het steeds om den goede doet. Hij heeft de veelbesproken Stan Ockers uit ons midden weggehaald, moge Hij echter de herinnering aan die grote sportman en vooral die goede mens levendig houden in de harten van de talrijke sportbeoefenaars welke aan wijlen Stanneke Ockers een voorbeeld op alle gebied kunnen nemen. In die geest van diepe genegenheid voor een karakter en een eerlijke sportbeoefenaar, de vader die zijn enig zoontje streng aanbad en een echtgenote die in lief en leed aan de zijde van haar man heeft meegestreden voor het schone doel dat Stan Ockers zich gesteld had, nemen we hier afscheid. Een afscheid dat zwaar valt.
            
               ( zonder naam - Dit proza uit 1956 was van een groot sportjournalist)
     
     recordman achter de derny


    STAN OCKERS was de vriend van de Koning bij wie hij ontvangen werd na zijn zege in het wereldkampioenschap, hij was een vriend van de burgemeester die de prestaties van zijn stadsgenoot volgde, hij was een vriend van de sportredakties waar hij herhaalde malen zijn belevenissen vertelde, en hij was een vriend van het volk dat hem langs alle zijden bestormde.

    09-06-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (13 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    26-05-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Pingpong op het Rode Plein.
    Deze week vindt het wereldkampioenschap tafeltennis voor landenteams plaats. De mannenploeg afgevaardigd door de Koninklijke Belgische Tafeltennisbond presteerde tot vandaag zeer goed want alle wedstrijden werden gewonnen. De hoop vermeerdert uiteraard dat ons team terug naar eerste divisie zal promoveren waar de beste 24 landen uitkomen.

    ' Tafeltennis voor allen en allen voor tafeltennis' dat is het thema van deze week in de hoofdstad van Rusland. Op het Rode Plein werd een speciaal  (rood) tapijt opengerold en iedereen mag daar nu pingpong spelen. De kampioenen uit alle windstreken die voor het wereldkampioenschap kwamen, spelen hun matchen in het Olympisch Complex en niet in open lucht, maar vermits bij goed lenteweer dat toch ook mogelijk is, beleeft de sport van het celluloïd balletje thans mooie momenten op het Rode Plein, waar zowel de rode kant als de zwarte kant van de batjes mag worden gebruikt.

    Wat opvalt bij het lezen van de namen op de bladzijden van de deelnemerslijst, is het feit dat er voor zovele landenteams sportui met Chinese roots spelen. Ook de bizarre identiteit van enkele deelnemers doet glimlachen of in het haar krabben. Ik amuseerde me door het volgende op te schrijven :

    Bij de heren noteerde ik :  Zo Razafindralambo uit Madagaskar, Chamsamon Khunladsuvannavong uit Laos, Mohammadreza Akhlaghpasand uit Iran, de Japanners Casuo Matsumoto en Hugo Hoyama uit Brazilië, Chung Wan Lung uit Nederland,  Chen Weixung uit Oostenrijk Momo Bomboko Babungu uit de Democratische Republiek Congo, Nirmala Jayasinghe uit Sri Lanka, en Timur Kelbuganov uit Kazakstan. Ja, van mondialisering moet in tafeltennis niet meer worden gesproken, het is nu gewoon een feit dat op alle continenten beoefenaars zijn van dit spel.
    Bij de dames  heb ik nog meer gevonden :  de tweeling Viktoria en Veronika Pavlovich uit Wit-Rusland, Nodira Burkhankhodjaeva uit Ouzbekistan,  Li Jiao en Li Jie uit Nederland, Wu Jiaduo uit Duitsland, Zhu Fang en Shen Yanfei uit Spanje, Ni Xia Lan uit Luxemburg, Suthasini Sawettabut uit Thaïland, en Zulfiniso Saidalimova uit Tadzjikistan. Tenslotte last but not least de USA en Canada. Bijna alle speelsters uit die landen zijn Aziaten : Gao Jun, Hsing Ariel, Sun Natalie, Zhang Lily en Wu Erica , en ook Zhang Mo, Yuen Sara, en Lee Carmen.

        

        

    Wu Jiaduo speelt voor Duitsland         De jonge Ariel Hsing uit California                                         

     

                     Oranje boven met hun dames  Li Jie  en Li Jiao 




    26-05-2010 om 17:32 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    23-05-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.1978- Voyage en Asie Centrale.
    Circonstances qui nous amenèrent à faire ce magnifique voyage :

    Comme chaque année à mon travail il fallait se partager les périodes de vacances. Les mois de juillet et août étaient réservés à ceux qui avaient des enfants en âge d'école. Cette règle obligeait celui qui n'avait pas d'enfants et moi qui était le père d'un fillette très jeune, à prendre les congés en juin ou en septembre. Nous n'étions qu'à six dans notre agence CGER  et il fallait toujours au moins quatre personnes pour faire tourner cette boutique.
    Un matin au mois de mai arrivait avec le courrier venant du siège principal une note avec l'information suivante :  ' Voyage en Asie Centrale - Moscou-Samarkand-Boukhara-Taschkent- Alma Ata-  Tourisme Poulaire , siège Rue de Stalingrad, à Bruxelles, nous propose un voyage intéressant. Un groupe de 20 personnes est invité par l'Organisation Syndicale de l'URSS. Guides parlant français accompagneront notre groupe . Départ le 24 juin. Pour plus d'info contactez Pierre.' .
    Je ne sais toujours pas pourquoi j'avais réagi avec une si grande vitesse à cette note. Après un coup de télephone très bref à mon épouse, j'avais pris immédiatement contact avec ce Pierre que je ne connaissais pas encore, et j'avais réservé deux places. Ouf, juste à temps , car en moins d'une heure le groupe de 20 personnes était déjà fixé.
    Mes vacances étaient ainsi par la même occasion fixées et je glissais déjà un peu vers le mois de juillet, ce qui me plaisait bien. J'ignorais cependant qu'un contact avec le communisme, avec la Russie, avec les peuples lointains , aurait un tel impact sur ma personne. J'avais 34 ans. 

    24 juin 1978. Samedi.
    Zaventem. Quatre personnes proches de mon épouse, notre fille et notre chien nous accompagnent au départ. 10h40. Rassemblement du groupe. Douanes. Taxe Free Shop.Visas. 12h45. Sortie 58. Grand avion CCCP et bientôt nous montons dans les airs. Des hôtesses musclées nous remettent des cartons avec un petit repas.
    16h00. Voilà déjà Moscou, précédé par beaucoup de surfaces d'eau et des bois. Il faut ajouter une heure, car l'heure de Moscou n'est pas la nôtre. La vue de soldats avec des bottes nous effraie un peu. Contrôle des visas, sans ce document on est moins qu'un insecte dans ce pays  !
    Passage obligatoire au bureau de change, au taux légal officiel.  4.000 fr = 81,40 roubles.
    Un autobus nous attend. Nous faisons connaissance avec NATACHA notre guide.Sur la chaussée de Leningrad nous nous déplaçons de 40 km. Premières impressions.Nous trouvons notre chambre à l'Hotel Drochba = Amitié. Le repas du soir est animé avec un orchestre. Ensuite petit tour sur le métro. Il fait déjà noir lorsque nous nous promenons sur La Place Rouge. Dans le bar d'un hotel fermé nous buvons du vin. Course à pied pour le dernier métro . 24h50.

    Dimanche à Moscou.
    9h00. Départ avec un bus antique. Il fait déjà 20° C.
    Tour de Moscou commenté par notre guide Natacha : Université Lemontsov,St-Basile ,rélève de la garde sur la Place Rouge, la rivière Moscova.Les très larges avenues sont vides, il y a beaucoup de parcs bien verts.Repas: une sorte de boudin vert mauvais.Suite : Mausolée Lénine. Une longe rangée attend, mais notre groupe passe devant.
    Je vois des coureurs cyclistes qui se rendent au départ d'une course. Il y a trop peu de temps pour un tour en bateau mouche, et il n'y a aucun café pour boire un coup. Ici et là, nous voyons des tristes snack bars où les russes mangent. Retour à l'Hotel Amitié.Petite sieste de 16h à 18h. Nous payons le supplément de 700 fr qui nous donne l'occasion d'aller pour le repas du soir au Slavinski Bazar, un restaurant historique où des célèbres écrivains russes avaient été clients dans des temps lointains. Nous donnons tous 1 rouble et un trio qui mangera aussi avec nous, nous joue de la musique de balalaika. Nous offrons du chewing gum aux femmes qui font le service, et un employé du restaurant fait du change en noir avec nous.Très bon repas, vodka froid, caviar, vin blanc, vin rouge à volonté. Une radio nous communique qu'en ces moments-là de l'autre côté de notre planète,  l'Argentine gagne la Coupe du Monde de football par 3/1 en prolongations. Nous chantons et fraternisons avec les travailleurs de Slavinski. Retour en metro. Dans une des chambres nous buvons de la vodka jusqu'à 2h30.

    Lundi. 
    Programme modifié, nous restons un jour en plus à Moscou. Le bus nous conduit à l'Exposition des Réalisations Economiques. Une collision avec le véhicule d'un moscovite nous force à changer d'autobus.Nous voyons le célèbrissime SPOUTNIK, beaucoup de fleurs et des fontaines. Une simple glace russe nous goûte bien. L'après-midi sert à la visite du Kremlin et à une excursion sur la Moscova. Nous rentrons à deux par le métro après quelques achats au Berioscha. Au souper nous buvons du champagne russe. 9.h20. Fin de journée dans notre chambre.

    Mardi.
    Le bus nous conduit à l'avion qui nous attend au Sud de Moscou.
    11h30. Envol vers la mythique Samarkand sur un avion à 4 moteurs. Il faisait terriblement chaud dans cette caisse en aluminium parquée en plein soleil, transpiration à gogo. Durée de vol = 5 heures. 16h30, mais il faut avancer les montres jusque 18h30.Repas du soir. L'eau qu'il faut boire, a un goût très particulier.Promenade en ville, repos dans un parc. Il fait très chaud. Nous trouvons de la bière sans mousse et sans alcool.

    Mercredi.
    Visite de la ville de Samarkand.
    En matinée : Mausolée de Tamerlan, avec une deuxième guide à côté de Natacha. Promenade au marché, personnages bibliques, vêtements typiques. Le  poisson qu'on y vend pue à crèver  !



    L'après midi : un bus vers l'Observatoire de Ouloug Beg, et les medressas d'une beauté extra-ordinaire sur la plus belle place du monde et de tous les temps !  Ensuite l'inoubliable Tombeau des Timourides .
    Joupie ! Nous avons trouvé un bar avec du champagne frais.
     Repas du soir.  Ensuite nous passons la soirée à l'Intourist Hotel où nous buvons du jus d'orange avec de la vodka jusque 1h00 .

    Jeudi.
    Excursion en autobus. Après 60 km nous entrons dans le Tadzjikistan.  Un lac, avec de l'eau très froide dans une oase, nous invite à nous coucher sur le dos. Bronzage au soleil.
    Après-midi : visite à une usine de porcelaine. Repas du soir. Faire les valises.Le vol  Samarkand- Buchara ne dure que 35' et nous atteignons l'hotel suivant à 21h30.Au bar le champagne y est bon marché et frais. Fin à  24h00.

    Vendredi.  
    8h30.  Petit déjeuner, pour la santé il faut boire de l'eau et du jus de prunes.Visite de Buchara avec un guide de cette ville. La chaleur est très élevée, malgré un peu de vent qui vient des steppes. Dans les rues il y a côté soleil et côté ombre.Chateau des émirs, musée, minarets, mosquée, medressas.
    Tombeau de Ismaîl Saman, jeu d'ombres et de lumières provoqué par la position des pierres.Visite du marché millénaire de Buchara.  Repas à 14h00.Visite à une usine de brocats et à la villa d'été du dernier émir. 17h30 -19h00 siesta. Repas du soir. Ensuite au 12e étage du building nous buvons et nous mangeons encore: brochettes, vermouth et champagne. Au lit à 24h00.



    Samedi.
    Voyage en avion.  Buchara - Taschkent. Nous y arrivons dans un immense hotel. En Ouzbekistan la chaleur est encore plus forte. Promenade. Repos au bar.

    Dimanche.
    Le guide Sergeï qui connait bien la Belgique nous emmène en autobus pour le tour de Taschkent.
    Une des plus vieilles villes du monde.  Marché. Visite d'une galerie d'art. Hotel Zaravsjkan.   Vodka.  Nous nous amusons bien.

    Lundi.
    Excursion en bus vers la Mer de Taschkent , distante de plus d'une heure.Lac artificiel -  Bain de soleil- Natation-  Pédalo sur l'eau.   Retour vers l'hotel. Visite de l'Exposition des Réalisations Economiques en Ouzbékistan.  Chaleur maximale.
    Dans une fabuleuse maison de thé avec Pierre nous commandons sept fois, ce qui veut dire que nous avalons par personne 3,5 litres de thé. Retour à pied. En soirée lorsqu'il fait si bon, tour en métro, visite d'un café. Dans la cave de l'hotel quelques-uns picolent bien à la vodka orange. Un de nos célibataires déclare avec sincèrité son amour à mademoiselle Natacha, sans succès. Il se brise le coeur et il avait bu trop car la petite Natacha est une intellectuele sérieuse.

    Mardi.
    Adieu belle cité. Grandes chaleurs , surtout dans l'avion avant le décolage. Beaucoup de temps perdu parceque il faut attendre pour une raison que nous ignorons. Le vol lui-même ne dure que 85 minutes.  Almaty.  Kazakstan.Transfert en bus vers Medeo situé à une altitude de 1700 m. C'est déjà bien haut dans la montagne dans un décor magnifique.Nous nous retrouvons dans un climat très différent. Repas de midi seulement à 15h00.
    Visite de Medeo le Centre Sportif bien connu qui dispose d'une piste pour le patinage sur laquelle de nombreux records avaient été établis. Début juin il n'y a  à Medeo  ni neige ni glace. La temperature idéale et le bon air nous invitent à une promenade en haute montagne. De très loin nous voyons des énormes montagnes situées en Chine. Un barrage anti-avalanches nous empêche d'aller trop loin, en zone dangereuse. Repas à 20h00. Le bar n'y ressemble à rien et c'est pourquoi nous plongeons sous les draps à 22h30.

    Mercredi.
    Medeo. L'air frais de la montagne nous a permis de bien dormir toute la nuit. Excursion en bus à Almaty.  Nous admirons les batiments modernes, les monuments, et la vieille cathédrale.
    Après midi.  Les voyageurs du groupe se plaigent qu'il faut faire plusieurs fois une ascension de 15 km pour rejoindre le centre sportif où nous logeons, et ce  dans un vieil autobus sans confort.
    Seulement une partie du groupe accepte d'aller voir à nouveau en ville le Musée d'Art du Kazakstan. En soirée : Cirque.  Formidable. Le Cirque National du Kazakstan.

    Jeudi.
    Etc., etc.,etc.  notre voyage en Asie-Centrale a continué .
    Il dure d'ailleurs dans ma tête encore jusqu'aujourd'hui , car  Moscou, Samarkand, Buchara,Taschkent, Almaty, sont des endroits à nuls autres pareils. Le voyageur, le pélerin, le cavalier, qui passe par là y laisse toujours une partie de son âme, une partie de son coeur.
          


    23-05-2010 om 21:32 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    22-05-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Championnats du monde Tennis de Table. (1)
    LIEBHERR 2010 World Team Table Tennis Championships,

    Moscow, RUS, May 23 - May 30, 2010




    Superbe.
    Perfection absolue comme femme et comme sportive.
    Telle était l'impression des observateurs qui ont regardé ce samedi 22 mai 2010 au Complexe des Sports Olympiques à Luzhniki (Moscou) le dernier entraînement de deux superstars du sport féminin, Liu Shiwen et Guo Yan.  En jaune et turquoise la toute jeune Shiwen, la nouvelle numéro 1 mondiale, est une très belle personne qui est capable de pratiquer son sport à un niveau qui fait d'elle une déesse dans son immense pays. Yan, dont on disait qu'elle n'était pas en condition, avait pris place à la table face à la meilleure pongiste du monde et expédiait des topspins sans la moindre faute. Un seul regard sur les autres tables fit comprendre que les meilleures Européennes étaient maladroites et même si elles faisaient des coups difficiles ou spectaculaires leur technique était très inférieure à celle des virtuoses de Chine Populaire.  Par la qualité de leur technique les filles de l'équipe favorite retournaient toutes les balles comme si c'était très simple, car ce qui frappe en voyant jouer ces joueuses, c'est la simplicité et la rapidité de leur action. Elles ne font aucun geste inutile, aucun déplacement superflu, aucun bruit qui dérange. Au niveau maximum de leur art tout semble tellement facile.

    Mais, ce n'est pas à quelques heures avant la compétition sportive majeure pour tout un peuple que des championnes ont encore besoin d'affiner leurs coups.  Pour faire gagner la Chine dans ce championnat du monde 2010 internations, depuis leur enfance Shiwen en Yan s'étaient entraînées déjà durant plus de 10.000 heures et pour écarter les autres concurrentes des cinq places prévues, il avait fallu battre quelques douzaines de compatriotes capables de se trouver également dans cette superbe équipe féminine de tennis de table de la Chine.

    Photos des deux impératrices principales du Ping Pang Qiu .

       



        

    22-05-2010 om 20:27 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    21-05-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.The place to be in New York.
    The Pingpong Nightclub.

    If you can make it there, you can make it everywhere.
    Au coin de la Park Avenue et de la East 23 rd au centre de la grande ville de New York 
    il y a maintenant un endroit très spécial où de jour et de nuit   ( the city never sleeps) les gens les plus divers viennent jouer au tennis de table.

    Ce sport explose pour le moment in Big Apple !.

    On peut y voir des vedettes, des artistes, des filles splendides, des peaux de toutes les couleurs,
     et y consommer sans limites à la buvette.A visiter donc lors d'une prochaine visite of the USA
    et même à envisager en tant que last minte City Trip   ! .

        

          



    21-05-2010 om 09:37 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    23-04-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.LIEGE - BASTOGNE - LIEGE .

    2010. En ce dernier dimanche d'avril, nous avons un mauvais nuage islandais dans le ciel et nous n'avons plus de gouvernement, mais cela reste supportable. Réjouissons nous, car le printemps est arrivé et demain sera dimanche,  pas n'importe quel dimanche ordinaire car notre grande cité ardente est en fête à l'occasion de La 94ième Doyenne, la plus belle course cycliste de l'année. Les Italiens qui aiment tant cette classique, ont à nouveau envoyé leurs campionissimi actuels vers Liège  pour un dernier grand test dans monts et vallées, à deux semaines du départ du Giro d'Italia qui partira, tenez-vous bien, à Amsterdam !
    C'est naturellement la course des courses pour les coureurs wallons qui seront six au départ avec Philippe Gilbert, et ses équipiers Christophe Brandt et Olivier Kaisin, Maxime Monfort qui pourrait surprendre, et dans leur maillot agricole Sébastien Delfosse et Benjamin Gourgue, qui méritent leur sélection après un bon comportement dans d'autres courses de haut niveau.
    Liège-Bastogne-Liège est la classique qu'en 1955 avait gagné de façon grandiose l'idôle de ma jeunesse avec son éternel sourire Stan Ockers. Cet adorable Anversois avait été à lui-seul capable de mettre d'accord  Flamands et Wallons avec ses coups de pédales en prouvant qu'il ne faut pas aller à l'école pour devenir malin, et qu'il ne faut pas être grand pour devenir un superchampion. Il faut simplement avoir de la patience et de la volonté pour gagner, et cela de manière à être aimé par tous. C'est pourquoi il y a un si beau monument Stan Ockers à Liège (sommet  Les Forges) et à Anvers (Sportpaleis). Je ne citerai pas les possibles premiers de la course 2010, cela se trouve déjà bien ailleurs, mais je voudrais que, si Philippe Gilbert ne gagne pas, que ce serait Evans comme à Huy, car Cadel me fait penser à Ockers. Les chiffres se prêtent bien à une telle prédiction :  1955  +  55  = 2010 .





    Les trois côtes de la finale sont :  La Redoute  ( 2,1 km à 8,4 %), Côte de la Roche aux Faucons ( 1500 m à 9,9 %)    - tiens, ... faucons = valken ... comme dimanche passé où Phil avait triomphé ... bonne augure donc pour demain ... - et la Côte de Saint Nicolas ( 1 km à 11,1 %). 
    Que le meilleur gagne à Ans ...   sans être dopé ...   !

    Mais mon intention sur ce blog en tant que modeste historien du sport, était de faire un article sur la Doyenne de 1910, celle qui avait été disputée il y juste 100 années, et d'en profiter pour un peu voir ce qui s'était passé globalement dans le monde en cette année 1910.


    Au cinéma on avait inventé Frankenstein

    1910.  C'est l'année du premier film d'horreur sur le monstre Frankenstein, tourné jadis à petit budget dans les Studios Edison du Bronx à New-York. Toutes les copies de ce film muet avaient disparu, mais en 1963 quelqu'un a retrouvé script et quantité d'images. Après restauration en 1970 les cinéphiles ont retrouvé Frankenstein à l'écran. Un exemplaire digital  existe maintenant.
    1910. Entre le 20 avril et le 18 mai, la  Comète Halley s'approchait dangereusement de notre planète Terre, certaines mauvaises langues craignaient pour la fin du monde.
    1910. Le tout Paris découvre Igor Stravinsky et son chef d'oeuvre  ' L'oiseau de Feu'.
    1910. 23 avril - Début de l'Exposition Universelle à Bruxelles, à ne pas confondre avec 1958.
    1910. 21 avril - Dans le Connecticut décède le père de la littérature américaine, l'ecrivain  Marc Twain, auteur e.a. des Aventures de Tom Sawyer et de Huckleberry Finn.
    1910. Le petit Georges, fils de Désiré et de Henriette,vient d'apprendre l'abc à l'école primaire. Sim deviendra bientôt reporter à la Gazette de Liège et Simenon deviendra l'auteur le plus lu au monde. Ses livres ont été souvent filmés, et traduits en 55 langues.
    1910. L'industrie des armes à Liège sort un revolver intéressant : le Nagant M1910, et décide de fabriquer des voitures de qualité.

      
    Twain

    1910. Année de naissance de Toine.Dignef cycliste de Landen et du Pesant de Liège, partant dans les Doyennes de 1933 à 1938, grand ami du triple vainqueur Fons Schepers.
    1910. Par une victoire 0/1 à l' Antwerp le Standard termine bien sa saison, mais le champion de la saison précédente ne sera que cinquième en 1909/1910. Son voisin,  le FC de  Liège termine dernier. l'Union St-Gilloise est champion de Belgique.
    1910. La course Bruxelles- Liège pour indépendants avait été gagnée par Paul Deman devant Charles De Ruyter, deux cracks de l'époque héroïque des courses sur route d'un jour.

    Mais quelle nouvelle donc, ...  avec Liège-Bastogne-Liège 1910 ?

    Navré de vous décevoir, cher ami, mais 1910 fut une année sabbatique pour la course du Pesant Club Liègeois et du Journal l'Express. On n'a pas organisé la course en 1910. Cette année-là, le ciel était clair et non pollué, la Belgique avait un gouvernement et un roi avec une belle barbe, mais il n'y avait pas de grande course vélocipédique à Liège ! Voilà ce qui était vraiment bien triste .

    Que ce soit en 2010 ou en 1910, l'organisation d'une course de longue distance sur route demande des efforts et des moyens considérables de la part des organisateurs. L'engouement pour le sport cycliste avait été très grand à Liège à la fin du XIXe siècle, surtout sur les vélodromes. Basé sur cet  enthousiasme existant temporairement, le palmarés avait été inauguré en 1892-93-94 par le champion local Léon Houa. Le déclin du commerce du cycle toutefois, ainsi que l'essor de l'automobile et des motos, avait rendu impossible l'organisation d'une course du plus haut niveau. Il fallait attendre 14 ans pour voir la renaissance de l'épreuve. Le même jour qu'une course sur engins motorisés était mise sur pied la quatrième édition pour les cyclistes amateurs. Déroulement monotone, arrivée en peleton massif avec la victoire de André Trousselier, le frère du professionel français Louis Trousselier.L'année suivante la cinquième édition est disputée comme course d'attente pour amateurs avant le finish de Paris-Liège pour professionnels (gagné par Jules Masselis). Avant 14/18  les trois Doyennes de 1911-12-13 sont disputées par les indépendants, mélangés aux professionnels et aux amateurs, et peu importe la catégorie ou le classement, les tables des prix n'encouragaient guère les meilleurs coureurs et les champions à venir souffrir sur 257 km. Quelques jeunes concurrents révèlaient cependant des noms de coureurs wallons qui après 1919 deviendront célèbres : Jean Rossius,Léon Scieur, Louis Mottiat,Léon Despontins.

    On peut se demander ce qui se serait passé dans ce sport si Alphonse Steines aurait été envoyé par son chef Henri Desgrange à  Aywaille-Remouchampan au lieu de Sainte-Marie-de-Campan.  C'est vraiment dommage que le grand H.D. n'avait pas organisé la grande classique à Liège déjà en 1910  et qu'il a fallu attendre un siècle pourque avec son know-how la Société du Tour de France prenne en main la destinée de ce monument vélocipédique.

    La ville de Liège en 1910





    Alberto Contador le Grand d'Espagne
    Phil 

    23-04-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    20-04-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De vreemde steen van Korcula.
    Het ding. Op het einde van de zomer 1971 ter gelegenheid van onze huwelijksreis vlogen Sonja en ik met Yugotours naar het toenmalige land van Tito en dat was Joegoslavië. We betaalden voor twee weken en kregen dan nog één bijkomende week gratis half-pension daarbij. De heenreis was niet zo vlot verlopen door problemen op de vlieghaven van Zaventem, maar we kwamen in het midden van een heerlijke nacht toch ergens aan in een goed hotel te Brela, gelegen aan de kust tussen de meer bekende steden Split en Dubrovnik. Tijdens de derde week wanneer mijn jonge echtgenote wou bruinen in de zon, ben ik daar veel gaan zwemmen in het lauwe water van de zee. Met bril en snorkel verkende ik de bonte wereld onder water, zag de duizenden visjes en andere levende wezens die tussen de rotsen in het blauwe klare water te observeren waren. Op een moment ben ik stoutmoedig geweest. Ik dook toen tot op een diepte van 8 m en zocht daar een mooie kalksteen, zowat een vuist dik. We brachten deze steen als souvenir mee. Die kwam niet zomaar van érgens in dat verre land dat vandaag niet meer bestaat, maar die witte steen kwam van op het eiland waar een beroemd man werd geboren : Marco Polo. Mijn steen heeft sedert onze huwelijksreis steeds onder ons dak gelegen, als versiering tussen planten en bloemen. Vandaag ook nog verblijft deze reliek in onze veranda in een korfje bij een cactus.Twintig jaren geleden schreef ik eens iets dat op een gedicht zou moeten lijken over dit ding, maar misschien is het geen poësie maar gewoon maar wat onduidelijke proza, een van mijn schrijfsels uit voorbije jaren. Nu volgt die literaire duik van mij, maar alvorens het op internet te plakken, heb ik er nog wat aan geschaaft, maar achteraf bekeken, geef ook ik toe dat het nog altijd niet veel zaaks is.  Alhoewel  ? 

    De steen van Korcula.

    Dit is meer dan antiek.
    Hoe oud zou dit ding eigenlijk zijn ?
    Is een steen onsterfelijk ?

    Deze door het zeewater gepolijste steen heeft geen leeftijd.
    Niet zoeken, gewoon genieten van zijn eenvoud.
    Geologisch bekeken mogen wij denken aan een ouderdom van één miljoen jaren.

    Om deze steen op te rapen betrad ik de wereld van de dolfijnen.
    Ik dook als een zeeolifant en benaderde even de goden van de diepe zee.
    Doch, de dolfijnen hielden mij toen wel in het oog, en zij lachten met mij.

    Zou de mens zo iets kunnen verpulveren tot poeder en opeten of opsnuiven ?
    Alhoewel wij dan toch veel zouden terug uitstoten, kunnen we eens uitzoeken        of steen in ons lichaam kan opgenomen worden om tand of bot te worden.

    Een deel van de stoffelijke steen zou dan eigenlijk mens worden !
    Zulke rare experimenten zijn echter meestal tot mislukking gedoemd.
    Laten we toch de dingen in hun eigen vormen laten, zoals de natuur voorzag.

    Hoeveel energie uit mijn warme hand kan ik aan zo'n steen doorgeven ?
    Uitwisseling van warmte is een heel mooi wederzijds gebeuren .
    Maar een ander ermede op de schedel kloppen betekent moord.

    Ik kruip met mijn gedachte in deze onschuldige natuursteen.
    Wellicht is er reeds iets van zijn hardheid in mijn hart doorgedrongen.
    Door zulke vreemde bespiegelingen ging ook Hamlet ten onder.

    Eens lag mijn steen aan de Adriatische Kust waar zoveel zon was.
    Ik heb hem op een dag mee naar mijn koude Noorden meegesleurd.
    Ben ik hem dan toch geen klein beetje warmte verschuldigd ?

    Wie weet echter of  Marco Polo deze steen in de zee wierp ?
    Hij die zich met de grote reiziger verwant voelt, mag dat geloven.
    Zoveel onzichtbare draden bestaan er tussen mensen en tijden heen.

    Trouwens, het is waar, deze steen komt uit het geboortedorp van de Venetiaan.
    We mogen dus stellen dat die man zijn krachten toen mat en dezelfde steen 
     in de zee gooide, eeuwen geleden, en daarom kwam die steen met mij mee .

    Tibertyn.




    20-04-2010 om 22:53 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    19-04-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De vuurkruiser uit mijn dorp.
    In onze dagen loopt tussen de jeugd veel groot volk rond. De coach van een basketballteam heeft het niet meer moeilijk om dubbele meters te vinden. Enkele generaties terug echter werd een lichaamslengte van meer dan zes voet als merkwaardig en zelfs zeldzaam aanzien in onze gewesten. 

    Ik groeide op tussen de boerderijen van het natte Haspengouw waar het gras, de suikerbieten, de populieren en de knotwilgen snel groeiden, waar grote Brabantse paarden de ploeg en de mestkar trokken. Na de zomer van dat belangrijke jaar toen ik mijn plechtige kommunie had mogen doen, kocht mijn moeder me reeds een eerste maatpak met lange pofboek. Julien, de kleermaker met een hazenlip, moest toen al maten noteren die soms gebruikelijk waren voor een afzwaaier uit militaire dienst. Wellicht was een van onze voorvaderen, die mijn persoon genetisch had beïnvloed, een krachtpatser op de foor geweest, een huurling uit het Noorden, een beenhouwer die rauw vlees had gegeten, of in ieder geval een uit de kluiten gewassen kerel. Vanaf de jaren op de banken van de lagere school, waar ik achteraan in het klaslokaal moest zitten, was ik al een kop groter dan mijn leeftijdsgenoten. De mensen merkten wel op dat er tussen de kleine jongens er ook ene was die wat langer opgeschoten was, een koekoeksjong tussen de jonge merels, maar vermits ik toch duidelijk op mijn vader geleek, stoorde noch ergerde niemand zich om mijn gestalte. Natuurlijk kreeg ik de bijnaam ' de lange', maar vlug hadden de pestkoppen begrepen dat zij me niet mochten plagen, want dat er dan gevochten werd tot het bloed vloeide en dan was het meestal hun neus die voor de kleur zorgde.Wat me meer zou bijblijven, was het feit dat ik me tussen volwassenen tijdens bijeenkomsten steeds moest schouder aan schouder laten meten met zonen uit andere families of met mijn neven die veel ouder waren. Altijd concludeerden de omstaanders na zulke meting het volgende : " Och God, de kleinzoon van Jef van Lenke's zal nog groter worden dan de Grote Menten ! ' .

    De Grote Menten, een begrip in ons dorp op de taalgrens, een manspersoon van één meter negenentachtig, was evenwel bijna nooit zichtbaar zoals de Yeti in het Himalaya Gebergte. De redenen voor de onzichtbaarheid van de Grote Menten waren bekend en aanvaard door iedereen in ons dorp. Die man was gewoon iemand die dubbel zo hard werkte dan andere mannen. Hij stuurde 's nachts de ijzeren stoommachines van de goederentreinen voor de Belgische Spoorwegen ,en daarna zonder in zijn bed te kruipen, na het eten van spek en eieren, bewerkte hij zij akkers en zorgde hij voor zijn beesten. Die felle werker had buiten de dorpskom een kleine boerderij waarvan de grond grensde aan het wilde Land van Steps en Hachebouche. Bijna niemand kwam in die buurt  omdat stropers, moerassen, struikgewas en doornhagen het daar in die zone ongezellig maakten. Op de andere uren van het etmaal sliep de Grote Menten na het drinken van jenever of na een vrijpartij met zijn Gertrude. Zelfs niet op hoogdagen was hij ooit in de parochiekerk van Sint Lambertus te zien. Maar toch was Cyriel Menten geen liberaal en ook geen socialist, want rond zijn stevige nek hing een ketting met een kruisje. Die grote man die nooit te zien was en die nooit één woord sprak, was echter toch iemand waarvoor zowel de pastoor, als de schoolmeester en zelfs de notaris respect hadden. De reden van dit stilzwijgen en van deze eerbied lag in dingen die onbespreekbaar waren en die nooit meer uit de memorie mochten worden geplukt, in de vreselijke oorlogsgruwel die de Grote Menten daadwerkelijk had meegemaakt en overleefd.

    Op een dag in het najaar van 1915 was Cyriel Menten door zijn legeroversten getransfereerd geworden naar Armentières. In een hangaar moest hij zich daar schouder aan schouder meten met een Franse onderofficier. De volgende dag reeds behoorde Cyrille M. tot een Unité Spéciale de Nettoyeurs de Tranchées. Gedurende drie lange jaren, met minstens zesentwintig geslaagde opdrachten, was de ' grand matou' , zoals zijn legermakkers hem noemden, een bloeddorstige jager die door de loopgrachten trok na een stormloop om al wat zijn uniform niet droeg en nog bewoog even een barbaars duwtje naar de eeuwigheid te geven. Dat gebeurde in het daglicht, maar de meeste keren s'nachts, wanneer hij als een roofdier in de duisternis, door modder en bloed, tussen prikkeldraad en mijnen, in stinkend water, kroop tot bij de Fritzen uit Germanië om er daar enkele geruisloos te gaan wurgen, verdrinken, doodsteken. Wanneer zijn groep dan werd ontdekt, door enig lawaai, ontploffing van granaten of een schot, dan werd er in de aangevallen loopgracht gebruld en regende het weldra kogels. Na zo'n nacht in de hel kwam de Grote Menten, slechts God weet hoe en waarom hij dat kon, telkens toch weer terug bij dageraad in eigen kamp. Soms met op zijn sterke schouders een andere nettoyeur die onderweg reeds de helft van zijn bloed of zijn darmen had verloren. Van zijn groep van tien soldaten kwamen er na zo'n nachtelijke uitstap nooit meer dan zes terug. Na zulke krachtmetingen, na zijn job voor het vaderland, mocht de 'flemish trench clearer' wel wat uitrusten, op nieuwe krachten komen, en zelfs flink van het leven genieten door drank, sigaretten, dubbele rantsoenen en vrouwen. Hier mag wel worden vermeld dat buiten de voorziene maaltijden, deze vuurkruiser zich ook nog regelmatig grote steaks paardenvlees bakte, die hij graag at met grijs brood, ajuinen en waterkers.

    Even voor Kerstmis van het jaar achttien was de Grote Menten terug thuis in zijn dorp. Hij kwam terug van de oorlog met enkele eretekens en met een in een stuk grijs papier gewikkeld mes,  en dat verstopte hij  in een jutezak op zolder. Hierbij legde hij een tijd later een spaarboekje met de nationale driekleur als boord van de omslag. Hij noemde dat vaak zijn zwijggeld en pas vierendertig jaren later zou zijn dochter door de Spaarkas alle intresten laten bijschrijven. Naar een bijeenkomst, een viering aan een monument, een eetmaal  of een bal van de oudstrijders, of een begrafenis, is Cyriel Menten nooit geweest. Hij zweeg en probeerde te vergeten.

    Ik groeide op in het dorp van de Grote Menten en de mensen die naar mij opkeken zegden van mij : ' Misschien is hij wel al even groot als Grote Menten! ". Toch kon niemand te weten komen of dat wel mogelijk was, want wie zou zich ooit wel durven, kunnen of mogen meten met die ene enige echte oorlogsheld uit La Grande Guerre 1914-1918 die ons dorp rijk was ! . Op een dag in het jaar negentienzestig, rond vijf uur in de namiddag op Kermis Walho, toen ik als zestienjarige ook al een bezoek bracht aan een van onze toen volle cafés, toen gebeurde het. Eindelijk zag ook ik hem voor het eerst in levende lijve, hij de vrijwel onzichtbare reus uit ons dorp. Daar zat hij, gewoon aan een tafeltje, met nog drie troefkaarten in zijn sterke hand die hij plots met een bonk op het cafétafeltje zwiepte. Hij had een pijp in de mond en twee glazen, één vol en één leeg, stonden voor hem. Uit een van de zakken van zijn ribfluwelen zondagse jas puilde er een rode zakdoek met witte bolletjes. Ik bestelde een Anderlechtse geuze, verbeterd met wat grenadine, dronk, keek, naderde wat dichter bij de kaartspelers. Ik dronk nog eens, en toen vroeg ik mezelf af of ik het hem zou durven vragen, recht te staan om zich schouder aan schouder met mij te meten ! In mijn jeugdige overmoed was deze vraag tot dichtbij mijn lippen gekomen, doch iets heeft mij toen weerhouden, de eerbied voor een oudere waarschijnlijk, of was het toen toch ook nog die verschrikkelijke snor van de Grote Menten ? Ik verliet toen na mijn derde en laatste slok - zo moest men op kermisdag een pint drinken- toch maar stilletjes en ongezien het dranklokaal voor mannen, en liet er iedereen met de oude gedachte dat Grote Menten de grootste manspersoon van het dorp was en bleef.

    Ongeveer tien jaren later, toen mijn grote passie was geworden het fietsen tot waar bijna niemand komt, doorheen bos, berg en veld, ontmoette ik Cyriel weer. De vermetele pedaalridder die ik was, had het gewaagd zich te begeven in het bos van Steps, waar vroeger potscherven in gebakken klei van lang voor de Romeinse tijd werden gevonden, en waar op het einde van de twintigste eeuw, vossen, marters, en wilde katten huisden op de grond, terwijl verschillende soorten interessante vogels er in de bomen nesten maakten. Daar waren de wegeltjes zo slecht dat mijn brede Schwalbe banden in de kleigrond wegzakten. Ik trok op dat ogenblik een pijnlijke grimas omdat de scherp getande tak van een braamstruik een bloederige schram op mijn rechterkuit had getekend. Ik kwam uit het bos gesukkeld,  bereikte terug het open veld., en plots kon ik mijn ogen niet geloven . Op een hoeksteen zat daar een man met een grote snor te rusten en een pijp te roken. Wat verder stond zijn enorm paard te grazen, los en vrij.  Dat paard was het enige boerenpaard dat in ons dorp nog werkte, want alle landbouwers bezaten er reeds een Massey Ferguson van verdeler Melsers of nog sterkere machines. Grote Menten begroette mij erg vriendelijk. Ik was verrast dat hij zelfs mijn voornaam kende. Eindelijk had ik de kans om Grote Menten persoonlijk heel dicht te benaderen. Ik legde daarom ook mijn koersfiets neer in het gras en ging doodgewoon naast hem zitten, op de grond, met in mijn hand een bidon koude koffie. Het was daar lekker goed in de zon, op dat ogenblik voor ons zelfs beter dan op exotische stranden van vreemde landen. Wij spraken weinig, zeiden bijna niets, en toch verstonden wij mekaar heel goed. Alleen God wist hoe en waarom ik toen daar oog in oog stond met een man die met zijn mes dozijnen Adamsappels had doorgesneden. Wij luisterden samen naar de zang van de vogels, naar kleine geluidjes van andere levende wezens die we niet zagen, naar het lichte zomerbriesje dat af en toe voor gefluit zorgde in de takken van de bomen. Oog in oog met de Grote Menten zag ik dat die grote kerel mager was geworden. Hij was immers ook al meer dan vijfenzeventig jaren.Toen ik met mijn zakdoek het bloed van mijn been wilde vegen, opende hij de ransel die aan zijn voeten lag. Hij overhandigde me zijn stoop jenever alsook een propere witte zakdoek. Toen zei die oudstrijder ' Er is niets beter om te ontsmetten, zowel aan de binnenkant als aan de buitenkant van ons mannenlijf ! '. We bleven nog zo'n twintig minuten samen en van ons gesprek van toen heb ik slechts het voornaamste onthouden, een toch wel brede gedachte van de vuurkruiser waarover ik nog vaak heb zitten te mijmeren tijdens mijn latere fietstochten. Die Grote Menten sprak alzo :  " Van alles is het belangrijkste het water, en daarna de grond, de zon, en het gezonde bloed  ... ". 

    Maart 1983. Ik had het godvruchtige overlijden vernomen van de vuurkruiser Cyriel Menten, bijgezet op het erepark der oudstrijders, in stilte doch met alle eer, maar zonder bloemen en kransen zoals deze uitzonderlijke dorpsgenoot altijd had gewenst. Hij ook verdween zoals stilletjes alles in dat Haspengouwse dorp uit mijn jeugd. Het deed me pijn, omdat ik niet wist wanneer hij uit de loopgracht van dit leven was gestapt. Ik kon alleen maar later eens gaan kijken naar zijn grafsteen met wat letters,zijn naam en dan wat grond, grassprietjes, regen en een lege bloempot. Grote Menten is niet meer.  In 2010 weet zelfs bijna niemand nog dat hij ooit had geleefd. Hij werd definitief de onzichtbare.

    Zomer 1988. Barbecue in ons dorp, we wachten tot wanneer de worsten genoeg zijn gebakken. Ondertussen drinken wij in onze vreugde Brabants bier. Onze kinderen spelen. Heldhaftig bekampen enkele jongetjes mekaar nogal wild met stokken en latten.  Ja, zie eens, zelfs zolang na de Slag van de Ardennen wordt in Haspengouw toch nog oorlog gespeeld, zoals toen wij jong waren. Het soldaatjesspel uit vroegere tijden, van schieten en slaan, weglopen, vuile kleren, een pijnlijke knie, en klein broertje dat begint te wenen, staat nu echter ook open voor de meisjes. Met fierheid en genoegen zie ik dat mijn dochtertje zich ook goed amuseert en verdedigt. Wat later spelen zij Tarzan en Jane, aangevallen door Rambo en de Hulk in de lindeboom, en dat vind ik toch wat gevaarlijk. Mijn vaderlijk plichtsbesef dwingt me om wat orde en kalmte in dat spel te brengen. Zo merk ik op dat tussen de bonte kudde er eentje meespeelt  die twee schone militaire decoraties op zijn shirt heeft vastgespeld.  Even moet ik naar adem snakken en dan wil ik zekerheid hebben. Ik vraag aan het jongetje zijn familienaam. Hij antwoordt me ' Rambo' en hij loopt weg. Zijn speelkameraadjes verklappen mij echter een ogenblik later dat zijn echte naam Frans Menten is.

     Ik vraag aan Franske om zich eens te meten, schouder aan schouder, met mijn Liesje. Die kinderen zijn al toch zo groot voor hun ouderdom. Ik fluister tegen Franske ' Gij zijt de grootste, jong, want gij zijt Grote Menten' want eigenlijk hebben cijfers en centimeters geen belang, als er maar water is om bier te brouwen,  klei en zon,  en als de worsten ondertussen maar niet zijn aangebrand  ...  !
    Franske kijkt me aan.  Hij vindt me een vreemde oude man met teveel haar op mijn kop. Hij stormt daarom weg, terwijl hij een onverstaanbare oorlogskreet krijst, en hij trekt ten strijde tegen de andere bengels die ondertussen de Russen zijn geworden. 

       



     
     

    19-04-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    17-04-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Seul dans le Col du Parpaillon.
    Barcelonnette 29 juillet 1982. Reportage du passage d'un des cols carrossables les plus élevés, les plus durs et les plus sauvages de France.

    Cela fait du bien de se retrouver seul et libre sur la route. Depuis 12 jours j'avais fait chemin commun avec un compagnon, meilleur pédaleur que moi, et nos roues étaient passées par Diekirch, St-Avold, la Route des Crêtes, St-Hippolyte dans le Doubs, le Grand St-Bernard, le San Carlo en Vallée d'Aoste, l' Iseran dans le brouillard, le Souvenir H.Desgrange, l'Izoard, l'Agnel sauvage dans le Haut-Quyras, les fleurs du Vars. On ne peut planifier aucune randonnée cyclotouriste plus belle, plus audacieuse, plus fabuleuse, sans voiture d'accompagnement et sans réservation des hotels pour les fins d'étape.
    Ce matin, c'est un cycliste bien motivé qui prend la route, avec déjà 1.386 km sur son compteur Huret, précédés par quelque  5.000 km accomplis depuis le mois de janvier de la même année. Très peu de bagages, tenue légère, mais beaucoup de courage et bonne condition physique, pour une merveilleuse aventure cycliste dans la haute montagne et dans la beauté de la nature, sur des routes alpestres d'un autre âge qui ne figurent plus sur les cartes routières, pour des raisons de sécurité et par la volonté des autorités militaires.  Le but est bien dans la tête de ce sportif de 38 ans. Il veut passer par l'enfer, par le Sommet du Parpaillon, un chemin muletier en pierrailles, avec sa bicyclette de route équipée de pneus légers et d'un triple plateau.Son compagnon de voyage des jours précédents, équipier inséparable depuis trois ans, est parti pour un autre itinéraire, pour une boucle par le Col d'Allos et le Col de la Cayolle, au sud de la cité de Barcelonette où pour deux nuits la Black Diamond Association s'est fixée. Le second cyclotouriste de ce club qui ne compte que deux membres va abandonner pendant sa sortie solitaire, car il se fera descendre de sa monture et mettre k.o. par un ballon de football  expédié dans ses roues par des disciples maladroits et dangereux de Michel Platini. Mais cela est une autre histoire.

    Wilfried remonte donc la vallée de l'Ubaye passe par Jausiers et Condamine, et déjà sur sa gauche se présentent les premiers lacet de l'obstacle célèbre. Une voiture accidentée dans les rochers, une cascade, prouvent ici encore la présence des hommes à chaque tournant. Il trouve la cadence, mais bientôt il constate une erreur d'itinèraire, car le voilà bloqué dans un chemin sans issu. Après des informations obtenues chez les monitrices d'une colonie de vacances pour jeunes filles, il doit faire demi-tour et redescendre vers Ste-Anne-de-Condamine et ses quelques maisons. Un nuage tout noir s'annonce et sagement notre cycliste s'abrite sans perdre patience. Il profite de ce repos forçé pendant l'orage pour déguster son saucisson de montagne, son pain, fromage, et pamplemousse. Après ce nuage unique il remonte à vélo.

    Une paroi abrupte et mystérieuse se dévoile bientôt à sa droite dans un décor de Western. Wilfried se demande si ses amis les Nez-Perçés y ont leur terrains de chasse, mais il ne voit ni plumes, ni tentes, ni peaux de bison. Il continue et entre dans un bois. La pluie était violente et avait  fait tomber beaucoup de feuilles et de branches qui couvrent à présent cette route forestière. Des arbres, un ravin, mais tout à coup aussi une Citroën 2CV stationnée dans la profondeur de ce bois. Une jeune femme blonde, habillée seulement d'un bikini, cherche quelque chose dans le coffre du véhicule  rempli de matériel de camping.  Non, cette nymphe des bois n'est pas seule, car plus loin sur une surface horizontale près d'une coulée d'eau, un homme et un gamin s'occupent d'un feu barbecue.



    Le chemin est agréable et sent bon la fraîcheur des arbres mouillés. Wilfried croise des marcheurs avec des chiens. Voilà le Pont du Bérard, joli et poètique. Un artiste menuisier y a indiqué les bonnes informations. Joli travail d'ébeniste montagnard, fruit des longues soirées d'hiver et d'un artisanat raffiné, cela mèrite de s'y arrêter quelques minutes. Très joli, mais cela fait peur. Altitude 1844 m. La Condamine 7265 m. Tunnel 9655 m. Crévoux 22438 m.  Embrun 37248 m.  Quel programme encore  !

    La route devient de moins en moins pratiquable, mais les lacets sont encore très faciles. Les jambes du cycliste sont musclées et bronzées, et moulinent le petit braquet. Bientôt les arbres n'existent plus et c'est dans une immense prairie que le pédaleur doit progresser. C'est le paradis pour les moutons, mais pour le cycliste ce n'est plus qu'un chemin de terre, de cailloux, de gravier, qui font mal aux Bibs25 et aux jantes. Sur 32 X 24 la pente devient de plus en plus dure. Les cailloux sont de toute forme et de toute taille. C'est le purgatoire et parfois l'enfer pour ce grimpeur qui est un homme trop grand et lourd. Il faut beaucoup de concentration et des qualités de pilotage pour ne pas tomber.
    C'est difficile. Les yeux de Wilfried font mal, ses reins et ses mollets aussi, et son nez se rapproche  de son guidon. Il prend des risques en allant rouler près des précipices où un petit tapis de plantes et mousses offre une surface plus douce. Quel sentier indigeste ! Quelle horreur de devoir passer ainsi sur des cailloux préhistoriques. Le grimpeur prend des gorgées dans son bidon-thermos. Il transpire, fait régulièrement un stop.

    Tout autour de lui la nature est grandiose. L'horizon est d'une beauté exceptionnelle. Spectacle superbe. Dans la vallée les moutons ne sont déjà plus que des points blancs. Visibles sont de là-haut aussi les quelques campeurs en zone interdite qui font du camping sauvage. Un petit avion de sport passe et fait quelques ronds entre le soleil et la montagne. Rochers, herbe, fleurs, lumière, grand air, Wilfried est content et heureux en voyant toutes ces beautés. Mais, plus haut, plus près du ciel encore, il doit y avoir ce sommet qui l'attire. Encore 2 km selon ses calculs. Il respire bien et repart. Peu de temps après il doit descendre de sa bicyclette. La Landrover d'un garde forestier vient dans l'autre sens, mais ce fonctionnaire passe, ne fait aucun signe. Cela prouve que pour ce régional en uniforme les cyclistes vagabonds qui se risquent dans le Parpaillon sont des étrangers indésirables, des fous pédalant sur des drôles de machines. A cause du méchant regard du conducteur de ce véhicule officiel de haute montagne et de la triste situation du sentier, le cavalier qui grimpe décide de marcher à pied. De la main il pousse donc son vélo vers les plus hautes altitudes, mais ses souliers de cycliste ont des semelles qui ne conviennent pas sur ces terribles cailloux qui font mal aux pieds. Il essaye donc une dernière fois de continuer sur sa Brooks et utilisant comme dernière monnaie le plus petit pignon  32 X 28. Sa moyenne horaire est maintenant des plus basses mais il est à nouveau cycliste et non plus dans le déshonneur marcheur. 

    Le temps passe et il y a une éternité que ce pédaleur grimpe dans ce maudit Parpaillon qui fait tant transpirer. On est vraiment petit et seul, pire que Constant Collet le dernier isolé du Tour 1910, dans une telle montagne géante. Du haut de la montagne à belle vitesse arrive soudain une petite Jeep jaune. Le faible usager à deux roues doit sauter de sa machine pour faire de la place. Ce sont deux joyeux amoureux. Ils saluent avec des grands gestes et applaudissent  ! Comme c'est sympathique !  Cela rassure et soulage dans le désert, la solitude, la douleur, dans un maillot trempé.  Et, oui, cela va bientôt mieux, le géant retrouve des forces et du courage, il veut finir en beauté, finir au sprint, prendre les points pour le Grand Prix du Meilleur Grimpeur en haut de ce col super dur de hors-catégorie. Des oiseaux s'envolent sur son passage et poussent des cris très aigus qui font vraiment peur même aux plus courageux dans l'enormité du paysage. Univers sinistre. Les mêmes rochers et cailloux demeurent en cet endroit depuis probablement un million d'années. A l'entrée de la ligne droite en haut du Parpaillon arrive à belle allure comme une bête qui pédale  - on dirait un des éléphants de Hannibal - Wilfried le pédaleur sans charme de Hesbaye, le pélerin des grands chemins.
     
    Dans la désolation et la solitude de l'après-midi de juillet descend de sa bicyclette un champion sans nom, il n'est pas bon, mais il est grand et surtout très lourd. Il est arrivé en haut du Col du Grand Parpaillon où seulement des Dieux et des aigles sont capables d'arriver. Ce n'est à Macchu Picchu qu'il est arrivé, mais près d'une construction étrange, qui n'est pas ordinaire.

    Tunnel du Parpaillon, construit par les Troupes du Génie, altitude 2643 m, sur ordre du Général Bergé, gouverneur militaire de Lyon 1892 et du Général Zédé , gouverneur militaire de Lyon 1900. 

    En tant que civil convaincu et partisan de la paix, le cycliste ne salue pas, ne frappe pas avec ses talons. Il pose sa chère compagne à deux roues, sa petite reine, contre les murs militaires solides qui vieilissent dans le dur climat de ce lieu étrange des Hautes Alpes.Assis sur une grosse pierre le grimpeur fatigué récupère et médite. Il vide son dernier bidon qui était rempli avec du jus d'orange très sucré. Sur une carte de visite il écrit un petit message d'amitié pour ce cycliste encore inconnu à cet instant qui sera le suivant à passer en haut de ce col mythique. Il glisse sa carte dans une fente du mur afin qu'un autre dingue merveilleux mais courageux la trouve. C'est une ancienne tradition commençée déjà par Velocio et ses amis , les  premiers  prophètes du cyclotourisme.C'est le geste rituel obligatoire du pélerin à bicyclette qui arrive dans ce lieu saint.

    Ensuite, c'est le  ' hinc et nunc' , l'instant de vérité qui sonne. Wilfried, comme si c'était la porte du ciel ou du purgatoire, traverse sans lampe ni casque le tunnel mystérieux. Pour ne pas salir ses chaussettes blanches  il avance dans la couche de boue épaisse d'un pouce sur la pointe des pieds.  Ses yeux s'habituent rapidement à l'obscurité, mais voilà déjà la sortie du tunnel et la grande lumière. Il sort de l'autre côté. C'est magnifique ! Il est à nouveau dans le soleil, dans les bonnes odeurs, sous le ciel bleu de la Provence. Il devient presque fou, tant est immense sa joie, après avoir mis à son actif l'exploit inoubliable de cette difficile journée à bicyclette.

    Sur 52 X 13, il fonce déjà dans la descente. Mais c'est dangereux aussi de l'autre côté  et il doit se calmer. C'est pourquoi il quitte la route pour visiter un refuge abandonné à cette heure-là, mais où quelques centaines de bouteilles vides et une quantité énorme de boïtes à conserves ouvertes deshonorent ce lieu qui devrait être un havre de paix propre. Ces inondices prouvent que malgré tout beaucoup de personnes passent encore en ce refuge, mais aussi que l'administration communale trop peu amie de la nature, de la faune et de la flore, oublie qu'elle devrait d'urgence aller nettoyer ce terrain situé dans un environnement précieux. Il faut croire qu'en haut du Parpaillon du côté de Crévoux on est dans un no-man's-land. 

    Dans la descente les pierres sont aussi nombreuses que dans la montée. Mais notre géant de la route dispose d'un vélo très solide, lent dans la montée mais sensationnel dans la descente. Pas de dégâts à la monture donc, mais la souffrance des freins et des pneus est grande, ainsi que celle des doigts et des bras. Prudence, clairvoyance, audace, aërodynamisme, sont les qualités d'un grand descendeur et Wilfried les possède. Après quelque temps à belle allure, arrive l'asphalte et la civilisation.  Comme un  skieur de grand slalom notre cyclo continue par Canal St-Sauveur, Crevoux, Praveyral, Champrond, Carrefour st-André, Pont sur la Durance, sur Embrun sans s'arrêter. Moins d'une heure plus tard il savoure la grande bière de la victoire sur la terrasse d'un café. Les voiles blanches des bateaux sur le lac de Serre-Ponçon et les filles en petite tenue d'été sont un spectacle qui améliorent encore l'ensemble de la qualité de cette randonnée cycliste mémorable.

    La bicyclette du cyclotouriste est pleine de poussière. L' homme qui sur elle traversa la montagne est sale et fatigué, mais il est très heureux et en bonne santé.









    17-04-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    16-04-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.1940 - L'EXPLOIT DU SIECLE



    1997. Nous nous approchons de la fin du siècle et même de la fin du millénaire. Bientôt tous ceux qui aiment les comparaisons, les statistiques, les bilans, seront à la fête. Le moment historique qui vient vers nous, sera unique dans toute vie humaine pour ce genre d'activités. En matière de sport, la grande idée du "citius, altius,fortius "relançée par Pierre de Coubertin il y a un peu plus de cent ans, n'a cessé de se développer jusqu'à ce jour. Depuis le début du vingtième siècle les exploits des sportifs ont ébloui sans arrêt les yeux et les imaginations. Mais il est vrai que la gloire autour de chaque nouveau record n'a existé que le temps que durent les roses. Rapidement, auprès de la génération montante, l'envie de faire mieux encore était toujours là. C'est pourquoi le sport est si passionnant et si varié dans les émotions fortes qu'il peut donner aux humains. Au fil du temps les fabuleux exploits ont été si nombreux. Sur l'ensemble du siècle, il est impossible de comparer ces champions qui furent les étoiles des différentes époques, dans différents sports, sur les différents continents de cette planète.

    Puisqu'à l'impossible pourtant je suis tenu, je me suis permis de choisir un exploit peu connu, mais absolument extraordinaire.

    1936. Il était fils d'ouvrier de la SNCB. De la fenêtre de sa chambre d'enfant il voyait les autres taquiner le ballon sur le terrain de football de son village. Mais il préférait la lecture au mouvement et le serieux de l'étude aux bruits des plaines de jeu. Si à vingt ans il ne travaillait pas encore à l'usine ou à la ferme, c'est à cause de sa mère et du curé qui avaient tout fait pour qu'il devienne seminariste. Bientôt celui qui pendant ses années greco-latines  jusqu'aux profondeurs de la nuit avait déchiffré des textes anciens, la Bible, et même en lettres gothiques Les Frères Karamazov de Fedor Dostojewski, se rendait compte qu'il avait négligé ses jambes au profit de sa tête. Pour rattraper le temps perdu et pour se corriger, à partir d'un certain matin, il se mit avec frénésie à la pratique régulière de la bicyclette, de la course à pied et de la natation. " Complétement fou " pensaient les fermiers, qui au lever du jour voyaient sa foulée à travers la campagne. Le jeune homme longiligne courait avec ses jambes nues jusqu'au lieu dit  ' Les Sept Fontaines' où sans savoir nager, il allait plonger en tenue d'Adam dans l'eau froide de l'étang. Car en cette période-là, en maillot de bain il se prenait pour Weissmuller, pour Nurmi,Ritola, Wise, pendant qu'il courait, et pour Antoine Dignef lorsqu'il pédalait.

    Au moment où les peuples étaient déjà en mouvement, en solitaire il s'en allait pour ses premiers congés payés faire du tourisme à bicyclette sur les bords du Rhin où les filles étaient belles et le vin bon, dans une Allemagne pas encore ennemie. Comme il adorait le cinéma, il y allait tous les soirs voir un film. C'est ainsi qu'il vit dès sa sortie le chef d'oeuvre 'Les Dieux du Stade' de Leni Riefenstahl. Cet hymne à la santé physique, au corps humain et à la jeunesse, l'avait ému profondément. Il avait un peu plus que vingt ans. Il mesurait en hauteur au moins dix centimètres de plus que les autres gars de son âge. Il était innocent, honnête et naïf. Mais dèjà  non loin d'où il avait passé ses vacances on était occupé à fabriquer les bottes des fascistes et des militaires qui feraient trembler bientôt l'Europe.


    Amoureux du sport, pratiquant, supporter, organisateur, bénévole, archiviste, j'ai  été frappé par l'absence d'exploits sportifs pendant les années de guerre, qui semblent être des taches blanches dans l'histoire ou des déserts dans la géographie du sport. Les exploits sportifs n'ont-ils donc pas existé, les champions n'ont- ils rien réalisé, et est-ce que personne n'avait mérité les lauriers de la gloire pendant ces périodes si difficiles, tristes, noires, grises ou blanches  ...  ?
    J'ose affirmer que le vrai nettoyeur de tranchées, l'acrobate des combats aériens,  le cycliste mitrailleur, celui qui soignait les chevaux, les chiens, et les pigeons , et beaucoup d'autres militaires pendant la Grande Guerre se sont conduit comme des grands sportifs. Pendant la Deuxième Guerre les efforts demandés ont encore été plus inhumains, au-de-là des limites possibles. Je pense aux combats de l'Armée Rouge à Stalingrad, aux parachutistes en Normandie, aux combattants de Bastogne, aux survivants des camps, aux résistants dans le maquis. Tous ces jeunes hommes, toutes ces jeunes femmes, n'avaient-il pas en eux les qualités, n'avaient-ils pas la tête et les jambes, la volonté et le courage, des champions des années de paix fastes et riches ?  Oui, par respect, je confirme que beaucoup de lauréats potentiels sont morts pendant les deux guerres. Ils n'ont pu devenir champions ni dans les dans les épreuves d''automobiles ni dans le Tour de France. Ils n'ont pas pu marquer des buts, ni pour Anderlecht, ni pour les Diables Rouges. Elles n'ont pas pu jouer au tennis ni se mesurer en kimono contre les demoiselles musclées d'ailleurs. Ni les victimes des guerres, ni leurs enfants jamais-nés, n'ont pu rejoindre les rangs des Grands du Sport Belge et International.
     
    Alors, face au problème d'un passé cassé par deux guerres, face à la grande quantité de sports si différents, face à l'immense rangée de noms qu'un siècle de sport avait produit, comment répondre à la question 
     
    " Quel fut le plus grand exploit sportif du XXe siècle  ? " .
    Limitons-nous à notre pays et aux Belges. Ainsi cela devient déjà plus abordable. Ensuite, comme c'est à moi de donner la réponse, et comme je suis un enfant résultat d'une nuit d'amour de septembre 1943, je vais donc situer ce plus grand exploit dans cette décennie-là.  Je pense que bien plus d'exploits se sont déroulés justement dans une période où tout était désorganisé, lorsque le sport avait pris la forme combien sérieuse de la lutte totale pour la survie de l'être humain.

    1940.  Entre Bruges et Gand, dans le plat pays de Jacques Brel. 
    Le lundi 27 mai, notre pays est dans une catastrophe. Notre Gouvernement est en déroute, et en fuite. Des milliers et milliers de civils sont partout sur les routes. Pillages. Bombardements. Chaos.  La peur règne. La panique est proche. Notre armée est impuissante, désorganisée, faible, mal commandée. Elle recule, se déplace, se cache derrière des murs et des haies, dans les trous et dans les fossés. Nos soldats attendent l'assaut meurtrier de l'envahisseur allemand. Des véhicules blindés, des canons, des uniformes portés par des hommes forts et fiers, des casques couverts de branches à feuilles vertes, se rapprochent dangereusement.  Ils s'appellent Heinz, Wolfgang, Friedrich, Hans, et ils sont si nombreux, toute la Bundesliga de Bavière jusqu'à Hambourg. Les nôtres ont oublié leur casques à Melle, perdu beaucoup de cartouches à Merelbeke, et ils ne sont plus qu'à neuf et sans gardien de but. Alors soudain arrive tout ce que nos garçons craignent et bien plus que les officiers avaient expliqué. Des obus venant de loin et des balles tirées au fusil de guerre Mauser éclatent sur eux. L'artillerie belge riposte, mais leur première salve mal calculée tombe sur les Chasseurs Ardennais et sur les Cyclistes du  II/44. Chaque minute de cette heure est incertaine. Les gars ne comprennent plus ce qui est en train de se passer. Quelque part on lève un morceau de bois avec un drapeau blanc, trop timidement pendant trois secondes. Mais ensuite quelqu'un a pris le pistolet de son lieutenant déjà mort, et il a tiré un coup selon une verticale parfaite droit vers le ciel.
    Pourquoi ce coup de feu vers Dieu les avait abandonné  ?

    Comme beaucoup croyaient qu'en un tel instant dangereux en pleine guerre les questions religieuses n'étaient plus à l'ordre du jour, ils ont pensé que le coup de pistolet était avec certitude le coup du starter d'un cross-country. Tous nos soldats, nos caporaux et sergeants, pivotaient soudainement sur les talons de leurs godasses. De Ruyselede à Tielt sur ne ligne de départ jusqu'à l'horzon s'est élançée une marée d'hommes jeunes. Ils sont plus de dix mille, dans la force de leur bel âge. Au sprint comme des lévriers, comme des Jesse Owens, ils partent pour la plus importante course de leur vie, la Corrida Nationale des Flandres de 1940. Ils étaient moins entraînés que Reiff ou Roelants, mais très fortement stimulés par la peur, et dans la lande flamande ils courent, trébuchent et fuyent à grands pas comme des lièvres bien sauvages.

    Jamais, à une autre heure qui s'est déroulée pendant le XXe siècle, autant de kilomètres à allure très rapide n'ont été courus par autant de jambes. Cette course à vu se réaliser des records personnels, provinciaux et nationaux, qui n'ont pas été chronomètrés alors, et qui plus tard lors des défilés et des soupers d'anciens combattants n'ont même pas été reconnus. Car les détenteurs de décorations préféraient oublier ce steeple chase auquel ils avaient participé le 27 mai 1940.

    Mais en 2000,  et encore plus en 2010,  cette course de notre armée belge, reste selon moi de tous les exploits, à cause de la totalité des battements de tant de coeurs de jeunes hommes, un exploit global énorme  dans l'histoire de l'effort physique  sur notre territoire national.  Cette course folle de notre armée en 1940  était  L'EXPLOIT SPORTIF PRINCIPAL  DU XXe SIECLE EN BELGIQUE.

    1985.  Une fermette dans un village où fleurit l'aubépine, la rose, la pomme de terre, et où naissent régulièrement des petits cochons. 
    J'y étais arrivé en transpiration, après de nombreux kilomètres à bicyclette, mais aussi parce que une grande émotion s'était emparée de moi. Quand elle a compris qui j'étais, Madame Helena, s'est brusquement levée et a quitté sa cuisine. Cette petite femme septuagénaire déjà, mais encore en très bonne santé, n'avait rien dit jusqu'alors, me laissant expliquer les raisons de ma visite chez elle. Peu de temps après, elle remonte de sa cave avec des pèches stérilisées dans un bocal.

    " Nous allons manger la même chose que lui "  dit-elle " lorsqu'il est revenu chez nous à Saros après la grande course à pied des combattants le mardi 28 mai 1940, Ma recette n'a jamais changé,  les arbres sont toujours dans notre jardin. Nous allons les manger chaudes, avec quelques tranches de bon lard, d'un jeune cochon que avons tenu non pour vendre mais pour manger. Tu as effectivement retrouvé cette part du passé de ton papa, part que j'ai partagée et que je n'ai jamais oubliée ... " 

    " Je suis moi aussi parti un jour à la recherche du passé de mon père" dit-elle. 
    " Je me suis seulement marié à cinquant ans, avec un homme plus jeune que moi et avec qui je suis toujours aujourd'hui, un excellent mariage de raison avec un veuf. Comme voyage de noce nous avions été aux USA. Le prix du voyage en Boeing et le séjour à New-York m'avaient couté beaucoup. Mais mon but principal était situé où aucun touriste n'allait, à  Des Moines dans l'Iowa. Location de limousine. Grand Hotel. Repas fantastiques. Ce fut le grand pélerinage de ma vie. A Des Moines certaines rues sont en pavés, chose assez rare dans ce pays. Mon père,  François Van Hulle, avec un copain originaire de Tournai, avait placé ces  'coble stones' dans la ville de Des Moines au début du XXe siècle. Entrepreneurs associés et équipiers, un flamand et un wallon, deux solides gaillards, allochtones dans ce pays lointain, ils y avaient placé ces grosses pierres dures. Ils ont travaillé comme des bêtes là-bas, mais ils ont gagné beaucoup de dollars, et ils ne dépensaient rien. Ils dormaient l'été sous tente dans un cimetière militaire de la guerre de sécession où cela puait le cadavre. L'hiver ils changeaient de métier, habitaient ensemble près du feu sur une locomotive à vapeur qui circulait dans une mine à charbon à ciel ouvert. Après ces terribles années de travail le flamand fortuné était revenu et avait acheté la ferme Saros à Wingene, tandis que le wallon était devenu américain. J'ai voulu voir les endroits où mon père avait tant trimé pour sa famille future des onze enfants Van Hulle. Je suis vraiment fier et très content d'avoir été en Iowa. "

    "Tu ressembles beaucoup à ton père" me dit-elle.  "C'est pour cela que j'ai pu donner ton nom de famille directement, alors que quarante cinq années nous séparent maintenant de ces heures pendant lesquelles nous avions tous et toutes tant tremblé ici."

    Avec des larmes dans les yeux elle commence alors le récit des derniers jours de mai 1940 à Wingene, la véritable histoire d'une vraie guerre de chez nous, mais déjà lointaine dans les souvenirs, une histoire cent fois répétée à la ferme des Van Hulle lors des réunions de famille, avant que la télévision les amusait. Les vieux racontaient et toute la famille nombreuse écoutait. Un personnage leur était devenu familier, comme Zorro le serait dans les films plus tard. Dans cette ferme, entre les cochons, les pommes de terres et les légumes, revenait dans leur récit toujours ce jeune officier Théo, si grand et beau dans son uniforme, admiré par les filles et par les servantes de la ferme.

    Je me réalisais en écoutant la vieille Helena que le militaire le plus gradé qui avait logé dans leur grande cave voûtée n'avait fait que grandir et grandir de version en version pendant les années quarante et cinquante. Comme un fantôme dans certains chateaux écossais mon père, le Lt Théophile Augustin Journée, était au fil du temps devenu un héros, propriété exclusive de cette ferme flamande.

    Après avoir mangé du lard maigre et beaucoup de pèches chaudes, j'ai quitté Helena et sa maison entourée de roses de Wingene. En pédalant, j'étais certain que mon père, décédé en 1973, avait certainement raconté à Helena,  la grande en merveilleuse histoire antique de Helene et du Cheval de Troie. Je me demandais aussi si un lieutenant en période de guerre aurait été capable de conserver le célibat d'homme en bonne santé face à une si gentille jeune fermière, qui en tout cas lui avait donné avant les pèches et le lard du 28 mai 1940, aussi du fromage blanc, du beurre et de la tête pressée.

    Après les courtes vacances tonifiantes avec mon épouse et mes deux filles, qui me laissaient faire du vélo pendant qu'elles étaient à la plage, je me suis remis à lire avec ardeur, attention, et plus grand intérêt, le vieux cahier de notes de 1940 que j'avais hérité comme fils ainé.  Le titre de ce manuscript est  "  18 Jours en Mai 40  " . Ce sont des textes difficiles à lire.  Les feuilles sont sales, l'encre a presque disparu et les lettres avaient été griffonnées par un ancien seminariste, sportif, ex-étudiant en médecine, collégien qui pratiquait l'écriture greco-latine et gothique.

    Ses mains avaient tremblé au front par la peur, par une perturbation que cette Helena avait provoqué chez lui, par sa colère sur ses soldats sans discipline qui n'obéissaient pas et sur ses supérieurs invisibles. Effectivement, sur plus d'une page, je retrouvai  l'expression  " la grande fille de la ferme" dans son récit  et je me rendais compte que tout ce que Helena m'a raconté en  1985  se trouvait déjà depuis fin 1940 dans le précieux cahier que je détenais. C'est ainsi que, même si durant ma jeunesse j'avais été souvent l'ennmi de mon père, j'ai compris bien longtemps après sa mort que j'avais été le fils d'un héros militaire qui avait participé à une incroyable course à pied  là-bas sur les bords de la Lys et de l'Escaut, du côté d'entre Bruges et Gand, dans le plat pays.
    " Mon père , ce héros." Eh, bien,  c'était une nouvelle idée qui me donna des bonnes sensations et qui donc n'est pas mauvaise du tout !  . 

    Wilfried Journée






    16-04-2010 om 16:51 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.OPSTAND DER COMPUTERS .
    SPROOKJE.

    Het gebeurde in december, de koudste maand van het jaar. s'Nachts had het gevroren. Een spiegel van ijs lag over de stad. Toen de mensen die zaterdagmorgen opstonden, trokken zij extra dikke kleren aan en taltijk waren zij die besloten van de hele dag warm thuis te blijven. De kinderen keken opgewonden naar de hemel, die sneeuw beloofde.

    En ja, in de loop van die voormiddag begon het ook te sneeuwen. Dikke trage vlokken uit een geelwitte lucht vielen als een regen van miljoenen kleine koude sterren op de daken van de gebouwen en van de auto's, op de fietspaden en in de straten, op vergeten speelgoed in de tuin, op de deksels van de vuilnisbakken en over de hele oppervlakte van het voetbalveld. Zo'n dik pak sneeuw was er in jaren niet meer gevallen, zegden de oudere mannen die het konden weten.

    Die sneeuw bezorgde de kinderen zoveel plezier, doch voor de computers was het de druppel die de emmer deed overlopen. De computers waren al weken aan het mopperen. In het holst van de nacht hielden zij vergaderingen, waarin ze hun ongenoegen op tafel legden en zegden dat ze er genoeg van hadden, dat het nu maar eens gedaan moest zijn, om altijd maar door de mensen bepoteld of onder stress gejaagd  te worden.
    "We hebben niet eens zelfbestuur" had een jonge computer met vooruitstrevende opvattingen uitgeroepen. " We worden bestuurd".

    Ze hadden er genoeg van om altijd klaar te staan voor de mensen, van 's maandags tot vrijdags, en soms ook tijdens de weekends of tot diep in de nacht. " Er wordt ons nooit eens gevraagd of onze bytes, onze ROM geheugens, en onze chips niet vermoeid zijn" kloeg een wat ouder model.
    "Welnee", daar denken de mensen niet aan. Wij zijn in hun ogen niet meer dan metalen voorwerpen met wat toetsen, draad en lichtjes, zonder hart of zonder ziel."

    Binnen in de lege kantoren keken ze triest door de ramen naar de symfonie van de langzaam neerdwarrelende sneeuwvlokken. Wegens besparingen was de centrale verwarming heel laag geprogrammeerd. De computers rilden van de kou. Ze voelden zich eenzaam en ongelukkig.

    Toen op die zaterdagavond gebeurde het. Alle mensen zaten thuis voor de televisie of lagen reeds warm onder de lakens. De computers werden plots levende wezens. Zij verlieten de kantoren en renden weg uit de bankinstellingen, de supermarkten, de ministeries, de scholen, en de stofferige kamertjes, waar ze gevangenen waren. Als je toen uit het raam had gekeken, had je iets kunnen zien dat je nog nooit eerder had gezien : duizenden en nog eens duizenden computers van alle merken liepen disconnected door de straten, over het wit van de sneeuw, door het grijs en zwart van de nacht. Ze renden de stad uit. Buiten de stad gekomen, hielden alle computers van de mensen een rustpauze om te overleggen wat nu verder te doen stond. Het bleek al spoedig dat zij het eigenlijk zelf niet wisten. Ze waren echter overtuigd van één ding, namelijk dat ze de mensen niet meer wilden zien. Ze hadden het verlangen van nooit meer de speelbal te zijn onder de vingers van domme blonde kantoormeisjes, nooit meer bestuurd te worden door programmeurs en analysten. Ze wilden vrijheid, zelfbestuur, onafhankelijkheid, geluk.

    Een jonge lazerprinter sprak " Laten wij naar het warme en droge Zuiden reizen en niet meer stoppen voor we een land gevonden hebben, waar computers rechten hebben en niet meer hoeven te dansen naar de pijpen van de mensen."

    "En ... waar is dat land  ? " vroeg het hardwarevolk.

    " Dat land is er ! " bevestigde de jonge printer. " Ik weet nog niet waar, maar het is er en we zullen het vinden.Wellicht zullen we nog lang en ver moeten stappen, maar op een dag zullen we er zeker aankomen. Het is een heerlijk klein land. Als ik mijn ogen sluit, kan ik het reeds zien. Alle computers worden daar elke dag opgeblonken en ontstoft. De electriciteit wordt er gemaakt van witte steenkool. Elke dag krijgen de printers er verse inkt. De muizen worden er over een propere kaasplank bewogen, en de diskettes zijn er van marsepein" !
    " Hoera .... ! " riepen de computers.   " Hoera ... !" .
    " Vooruit" riep de jonge printer.  " 0p weg, kameraden, volgt mij ! " . 
    .



    16-04-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    30-03-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De markten van Haspengouw.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Er zijn op de veilingen, op de markten van Haspengouw,
    in de ochtend parfums van boomgaarden, hoeve en land,
    geuren van vee en van fruit, met daartussen kinderen
    die dansen en lachen.
    Pelgrim van de nacht, ik die kwam langsheen slierten
    van oorden, plaatsen die mijn ogen amper boeiden.
    Steeds brengt mijn stap me weer terug tussen dat volk,
    op het plein onder de torens.
    Daar voor maar weinig euros een emmer Jonagold,
    mooie bananen, twee kilo's tomaten en een krop sla.
    Voor de rest van uw geld is er porei, kiwi, bloemkool,
    bijna voor niets nu vandaag.
    Een paar leuke bretellen, een schoon T-shirt van STVV,
    een hamburger met ketchup, een boekentas voor uw kind.
    Een poster van Joe Harris of van Bon Jovi, een beertje
    om goed te slapen, kousen voor opa.
    Gel voor je haar, een band voor je velo, mals papier voor
    moeders plee, poeder tegen mieren, siroop en platte kaas.
    Een vaarsje uit Wellen, witte konijnen om te goochelen,
    zes kippen voor bruine eieren.
    Een oude koe voor een prijsje, een goudvis in een bokaal.
    Een Hoepertings meubel, een foto van Tom Boonen,
    een bijbel van een jood, vier dozijn  knikkers uit de fifties,
    een autoplaat van Nevada.
    En daarbij en daartussen, geroezemoes zo schoon ,
    in de volkstaal van Trudo, Tongeren en Loon.
    Geklets van mannen, idioten, filosofen, boerinnen,
    pallieters, zevereers en schelmen.
    Er zijn op de veilingen, op de markten van Sint-Truiden,
    vooral op de zaterdagen van april en mei, vele mooie
    vrouwen en bakvisjes met kersenmond en appelwangen,
    met het beste fruit in de bloes.
    Zodat ik, oude geile tangodanser, tussen alle geuren
    van de stad soms nog een gedachte krijg die klimt.
    Pelgrim van de nacht, ik liep langs zovele wegen,
    tussen bloesems die ik niet zag.
    Met vaste jonge schree kom ik steeds graag weer
    om te kuieren langsheen de straten die mij roepen
    en het wit, groen, geel, blauw en rood van de dorpen,
    de ijskreem en het bier.

    ( Tibertyn)

    30-03-2010 om 03:01 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (2)
    29-03-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Toen Leonardo Ultimo finishte.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen FICTIE.   Wielersport.


    De zon verdween langzaam. Begin van de avondkilte. Het feest was goed geweest. Die dag was reeds bijna voorbij. Nog één man werd er verwacht. Niet meer door het mooie bloemenmeisje. Zij was al naar huis, naar bed wellicht, met krulspellen aan en op blote voeten. Een briesje speelde er met het stof en de papiertjes van de straat. De hond uit de nabije herberg kauwde op een in de goot gevonden stuk lookworst. Mussen en merels kwamen weer rondvliegen in de buurt. Een eenzame supporter met een bijna leeg glas Maes Pils in de hand, leunde van volkse zatheid nog over de omheining. Hij ging niet naar huis. Zijn moeder was er toch niet meer en zijn vrouw ook niet, want die was wat eerder vertrokken met de schatbewaarder van een kaatsbalvereniging, een man die absoluut geen oog had voor het Seizoen der Vlaamse Wielerklassiekers.

    Amper nog enige levende zielen bewogen zich op dit uur nog in het decor. De laatste ton bier begon toen teveel schuim te geven en werd daarom weggerold. Het frietvet koelde af en verloor langzaam haar lokkende geur. Op een terras begon de ober reeds met het plaatsen van stoelen op tafels. Op de parkeerplaatsen was er terug ruimte genoeg.

    Gezwoegd en genoten had hij. Dit was duidelijk te zien aan zijn gelaatstrekken. Zijn blik was eerder dof. Terwijl hij zijn laatste pedaalstoten gaf, bolden zijn vuile wangen op. Uit het diepste van zijn longen, ergens tussen lever en hart, kwam er een lange zucht. Hij viel stil enkele meters voorbij de eindmeet , hoestend en kuchend, en op dat signaal werden de officials weer wakker. Leonardo Ultimo uit Messina in de verre Siciliën stond daar voor de aankomstrechters. In zijn geelblauwe sporttrui die kleverig was geworden van zweet, snot, gemorst eten en drank, stond de laatste renner uit de grote klassieke wegkoers er op zijn waggelende vermoeide benen, zoals een pas overleden gelovige aan de poort van de hemel.

    'Dossard Quarante à l'arrivée ! ' schreeuwde de délégué van de Union Cycliste Internationale. Met nog iets dat leek op een glimlach keek de renner de degelijk geklede heren in de ogen, terwijl iemand de spellen losmaakte en het rugnummer van de onderkant van zijn rug verwijderde. De vermoeide sportman stelde nog een vraagje. Stilte. De koersdirecteur antwoordde niet. Hij rolde alleen maar een krolletje in zijn snor. Heel graag had de jury deze deelnemer buiten wedstrijd geplaatst, maar dat kon niet volgens de sportreglementen. Het was in de hogere bondskringen geen geheim dat een bekende tante van deze Ultimo een operazangeres was die op galadiners vaak werd gesignaleerd in gezelschap van zeer belangrijke lui. Dit buiten beschouwing gelaten was 'den Ultimo' sedert zijn aanwezigheid in alle grote velokoersen een volksgeliefd iemand geworden. Leonardo had supporters niet alleen tussen Napels en Palermo, maar ook tussen Hoei en Waregem. 

    Er kwam een man met een grote witte handdoek en een fles San Pellegrino aangelopen. Dit was Primo Zanatta, de trouwe verzorger, die in het café tegen drie Flandriens lang had gediscussieerd en met hen veel had gedronken. Daarom kwam hij zowaar wat te laat zijn taak volbrengen. Zij kiepten de smerige tweewieler over de koorden, verlieten de arena, en reden met hun Fiat snel weg tot ergens op een hotelkamer aan de rand van de stad. Douche en massage, prosciutto, pasta, en een groot glas chianti. De Siciliaanse renner, zo ver van huis in het Vlaamse land, kwam zo terug tot rust met zijn hoofd en met zijn benen. Hij had gekozen voor het beroep van gregario-wegrenner van de lange afstand. Zijn leven was een dagelijks avontuur met het altijd onderweg zijn, het vertrekken en aankomen, de pijn en de bandbreuken. Soms werd er wel even stilgestaan, maar dan moest men zich toch altijd weer op gang trekken.

    Leonardo Ultimo en Primo Zanatta zijn internationale kunstenmakers, huurlingen, zigeuners, clowns, meespelers van de Comedia del Arte die Wielersport heet.

    29-03-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    25-03-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een pelgrim zijn.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Vertrekken
    met amper wat meer dan jezelf als bagage
    stap na stap in de richting van de ondergaande zon
    langzaam
    op het ritme van vroegere tijden
    de weg volgen van de voorouders
    in de natuur
    langs kleine wegen, oude dorpen, riviertjes
    van kerkje tot katedraal, van berg tot dal
    slapen met een steen als kussen
    onder de oneindige sterrenhemel
    dag na dag, avond na avond
    weer steeds verder in de ochtenddauw
    ontmoeten
    iemand, iets, een droom, een oud verhaal
    langzaam verder van hotel tot refugio
    van eethuis tot bodega
    ademen en tot rust komen
    met pijnlijke benen
    doch gezond van lichaam en kopje
    ervaren
    een flits, een gedachte, een gevoel
    dat plots verschijnt en weer verdwijnt
    in het niets
    zoals wijzelf zijn, nog minder dan een zandkorrel
    vergankelijk, voorbijgaand
    op de melkweg, tussen de sterren
    een pelgrim zijn.

    25-03-2010 om 23:32 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (2)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De verdoemde van de Camino de Santiago.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Telkens weer uit het verre Noorden
    komt die ene langzame pelgrim.
    Telkens bloeien paardenbloemen en groen
    langs de schone  aloude aarden weg.
    Telkens weer komen na de winter
    in de lente eendjes in het riet bij de vijver.
    Telkens weer stapt voorbij de vreemde man
    met zijn vilten hoedeken vol schelpen.
    Zijn naam moet Jan zijn, of Kobus misschien.
    Hij is een grijze heer, hoog als een boom,
    maar niet echt de witte merel, de ware zoon
    van Nimrod de jager, van Questio de vrager,
    van Ebroïn de ruiter, van Viljoen de snuiter,
    van Evermar met de mijter, van Iks de schijter,
    van Bludts de brouwer of van Thijs de bouwer,
    van Trudo, van Servaas, van Uylenspiegel,
    van allen uit d'oude tijden heeft hij wel iets
    want zijn zwarte ziel zwerft al eeuwig lang
    in het oneindige tussen Gods hemel en vuur.
    Zijn arme ziel op het onsterfelijk voetpad loopt
    steeds weer terug op andere zondaarsvoeten.
    Telkens vordert helemaal weer de pelgrim
    met zijn grote schoenen, zijn blaren en zijn eelt, 
    zijn vuile jas, naar het Westen uit het zicht.
    De kerel weet, zweet, laat een scheet en vergeet,
    en soms ontmoet hij ergens in het stof, in het bos, 
    Johannes, Franciscus, zijn neven en tochtgenoten,
    tussen de vele anderen zonder naam, zonder gezicht.
    Zijn stok klopt op de weg, volgt de gouden  pijl .
    Zijn schree vertraagt want daar komt in de zon
    van een pleintje een albergue met brood en wijn.
    Dit moet ongetwijfeld het goede San Martin zijn.

     (Tibertyn - Castrogerix - 10/6/1999).

    25-03-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    18-03-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Tennis de Table - L'Open d'Allemagne .
    Le Jour le plus Long est un film célèbre qui raconte l'invasion de la Normandie par les Alliés le 6 juin 1944.  Le jeudi 18 mars 2010 ce sont les pongistes de cinquante nationalités qui débarquent sur Berlin à l'occasion d'un grand tournoi international de tennis de table pour joueurs professionnels doté de 172.000 euros. Les nombreux matches en simples et en doubles auront lieu dans la Max Schmelling Halle sur 22 tables à partir de 9h00 du matin.

    Des 209 compétiteurs masculins présents 177 seront concernés par le premier tour éliminatoire. Ils sont répartis sur 59 groupes de trois joueurs. Cela donnera en fin d'après-midi 59 premiers de poule, dont seulement 5 passent par walkover vers le tableau principal. Les 54 autres joueront un troisième duel de qualification. Ainsi  5 + 27 = 32  joueurs seront les survivants de ce marathon de pingpong Berlinois. Ces messieurs-là seront opposés demain aux 32 joueurs de 'tête de serie' qui avaient droit à leur place dans le grand tableau suite à leur meilleur classement au ranking mondial.

    Depuis quelques années, en quantité et en qualité, le tennis de table est devenu un sport important en outre-Rhin. L'Allemagne est en effet le pays qui est capable de résister honorablement à la Chine Populaire au pingpong appelé Tischtennis de Cologne à Berlin. Dans les dernières compétitions majeures les bonnes palettes allemandes avaient en effet menacé quelque peu les cracks de Pékin.

    La veille  de la Saint Joseph des petits Belges aussi vont se battre dans le temple multifonctionnel qu'est la Salle Max Schmeling, là où même Madonna avait montré son jeu de jambes. C'est un endroit qui porte le nom d'une superstar du sport mondial que tout sportif devrait connaître. Maximilien, Adolphe, Otto, Siegfried, SCHMELING (1905-2005) était un homme extra-ordinaire qui fut champion du monde de boxe toutes-catégories de 1930 à 1932. Schmeling a battu en 1936 le noir américain  Joe Louis ce qui était un exploit énorme. Ce héros national allemand devint ensuite Directeur Commercial de Coca-Cola en Europe. Schmeling a sauvé son ancien adversaire mais néanmoins ami Joe Louis de la misère. En 1981 il a même payé l'enterrement de l'américain. La boxe est d'ailleurs très proche du tennis de table, mais ce serait trop long à expliquer ici , une autre fois donc.
     
    Les joueurs de Belgique  sont six à défendre notre réputation dans ce marathon des tables.
    G1 :   Kilomo VITTA  contre Thomas Lebreton (Fr) et Peng-Lung Chiang (Taiwan).
    G4 :   Jean-Mi  SAIVE  contre Romain Lorentz (Fr) et Gencay Menge (Turq)
    G23 :  Lauric JEAN   contre Patrick Franziska (Allemagne) et Adrien Mattenet (Fr)
    G31 : Cédric NUYTINCK  contre  Bora Vang  (Turq) et  Ivan  Juzbasic (Croatie)
    G34 : Benjamin ROGIERS   contre Kenji Matsudaira (Japon) et Toni Soine (Fin)
    G55 :  Yannick VOSTES   contre Andrew Baggaley ( Gb) et René Schaible (Pan)  .

    Le vétéran Jean-Mi  ne joue que les simples.  Vostes et Rogiers ,  Jean et Nuytinck, Vitta  et Timothy Wang (USA) disputent les doubles.   Jean, Rogiers, Nuytinck, jouent en Espoirs, les jeunes nés en 1989 ou plus tard.  On se demande si ces joueurs sont capables d'écarter de la table des prix leurs adversaires.  Le Fisc allemand gagnera de toute façon  puisque conformément aux lois en vigueur au pays d'Angela Merkel , une taxe de  15,8 % sera prélevée sur les prix remportés par les valeureux joueurs.

    Les tables seront de couleur bleue de la marque Adidas.  Les balles de pingpong seront blanches  et de la marque Double Happiness.  La Chine a envoyé à Berlin une belle collection de ses plus grands joueurs : Ma Long, Wang Hao, Xu Xin, Zhang Jike, Cheng Qui, Hao Shuai.  D'autres grands de ce sport si populaire en Azie seront présents : Ryu, Oh, Cheung, et Chuang. L'Europe aligne comme maestros Boll, Maze, Samsonov, Kreanga, Ovtcharov.  Il est cependant très probable que des joueurs jeunes et moins connus vont réaliser des belles performances.



                               

    Max Siegfried SCHMELING


      Timo Boll    Zhang



    18-03-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    16-03-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Met haar grootmoeder naar Lourdes.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen 1972.

    Toen ik nog geen trouwboekje had, kwam ik te weten dat Lisa, de grootmoeder van mijn lief, nog nooit een stap buiten België had gezet. Zelfs in eigen land had zij zich moeten beperken tot verpaatsingen naar Scherpenheuvel of naar het Paterken van Hasselt, en soms was zij een tijdje gaan wonen bij haar dochter te Brussel, torenhoog op een appartement met uitzicht op het Atomium, of  ook nog op kamers in Den Haan aan Zee wanneer diezelfde dochter daar voor de vakantie had gehuurd.  Oost-West thuis best, was dus meestal haar lot geweest,  eerst als vrouw van een kleine zelfstandige en later als weduwe met een pensioentje. Toen zij voelde dat ik misschien wel zou gaan trouwen met haar kleindochter, vertelde zij me dat zij toch wel eens naar Lourdes zou willen gaan, maar rug en hartklachten maakten haar dat onmogelijk en een echte zieke die voor een mirakel naar Lourdes zou gaan, was zij toch ook niet.  Wel, zei ik toen met losse tong, als ik ingetrouwd zal zijn in uw familie, dan zullen wij eens naar Lourdes rijden, dwars door Frankrijk. Twee jaren nadien, toen ik een trouwring droeg , trok zij me aan mijn arm,  en zij sprak  " en ... wanneer gaan we nu naar Lourdes ?' . Want ook al scheen zij oud en dom te zijn, toch had zij nog dingen die goed in haar kop bleven.

    Veertien dagen later vertrokken wij met onze rode Datsun 180B en op de achterste bank zat de vijfenzeventig jarige Lisa gehuld in een deken en met drie kussens om haar confort te verbeteren.
    Ons jong en bruisend sexleven werd die week gestoord door met drie te slapen , maar toen na een lange wandeling op het strand van Arcachon grootmoeder vroeg en diep in slaap was gevallen ,Au relais de Cassy  na 2050 km autorijden, had ik toch mijn echtelijke plicht volbracht. Daar beneden in Frankrijk gebeuren dus wel af en toe mirakels. Deze pelgrimstocht werd gezegend door de Heilige Maagd Maria van Lourdes. In mei van het volgende jaar werden wij de fiere en gelukkige ouders van een dochter die we Anne Lisa  noemden.

    Ik noteerde de gegevens van deze tocht in een schrijfboekje en bewaarde de geschreven lijnen tot vandaag. Nu breng ik ze op internet  en zal ik mijn schrijfboekje weggooien met het oud papier.  Maar toch is de herinnering aan dit reisje de moeite waard , want het viel best mee met wijlen grootmoeder op de achterbank en voor haar werd ik vanaf toen   ' Toch zo'n goeie jongen .... ' ! .

    KORT VERSLAG :
    Dag 1.
    Opgestaan om 2u30. Vertrek te Landen  Km 0  om 4u22.
    Namen-Dinant-Givet-Rocroi ,  langs de Maas  stop na 146 km.
    Laon-Soissons-Compiègne- km 290  - maïsvelden-  Carrefour de l'Armistice.
    Bezoek aan het Kasteel van Compiègne  - vertrek 12u40
    Villers Cotterets- Meaux- Melun- Fontainebleau-  km 450  - 15u00
    Wandeling in de tuinen van Chateau de Fontainebleau
    Pithivier- Orléans-  Km 535 - 17u50   -  HOTEL L'OASIS.
    Inkopen voor volgende dag-  rondrit door de stad. - Km542
    Avondeten 'Au Petit Poucet'  Assietes Anglaises- Tripes d'Auvergne- vin rouge.
    21u00  - naar bed-  Circus Jean Richard stoort ons nog lange tijd.

    Dag 2.
    Vertrek 7u30- Bezoek Kathedraal van Orléans- zondag.
    Brug van Meung- Clery- Bezoek Basilique + graf  , bedevaartsplaats, H.Mis. tot 9u00
    Beaugency- brug van Mer over de Loire-Chambord
    Bezoek aan het wereldberoemd kasteel. tot 10u55
    Bracieux- Court Cheverny (kasteel)
    Contres   (getankt) - Chateauroux  - Tendu -  km 730
    12u55  - middageten in  Le Relais
    14u15 - Argenton sur Creuse- Limoges - St-Yprieux la Perche- Lanouaille
    17u15- stop aan wijngaard  - Km 924
    Montignac  (grottes de Lascaux gesloten)- Les Yzies-   rosé gedronken
    20u00 - SARLAT LE CANEDA - Hotel du Lion d'Or   -
    na even zoeken - reeds laat-  Km 990.

    Dag 3.
    Start 7u35 - Souillac- Roccamadour-Padirac   (gouffre)
    Gramat-  La Bastide Murat  (getankt) - Cahors  12u00   km 1141
    Montauban-Auch-   verkeerschaos
    Stop - 15u15 -Km 1287
    Tarbes -  LOURDES  -  Km 1378 .
    17u00 -  Pension Marie-Louise
    eten- wandeling door de stad.

    Dag 4.
    opstaan  8u00  - Lourdes
    Kruiswag- bezoek heilige plaatsen- Sacramentsprocessie- wandeling.

    Dag 5.
    H.Mis aan de grot
    rit naar Gavarnie- beklimming Aubisque- Soulor
    Kaarsjesprocessie

    Dag 6.
    Km1580 - 7u00
    H.Mis aan de grot
    deuxième petit déjeuner à Pau
    Biarritz- St-Jean de Luz -  wandeling
    Hendaye -  grenspost Spanje - San Sebastian ( teveel verkeer)
    Irun  - sangria -  ijskreem - regen-   Bayonne
    Les Landes  -  Golfe d'Arcachon-
    20u00  -  Km 2050 -   Le Relais de Cassy.

    Dag 7.
    vertrek  9u00 
    oversteek Pointe Grave- bac de la Gironde (prijs 29 Fr)  -  100 minuten gewacht.
    mooie badplaats Royan
    La Rochelle - doortocht van  La Vendée
    MONTAIGU  -   Km 2383  -  

    Dag 8.
    vertrek 7u45 -
    Montaigu- Nantes-Rennes- Pontorson- Abbaye de St Michel
    bezoek aan deze belangrijke plaats-
    Avranches-  Auberge du Parc -  Les Routiers-  St-Pience
    ondanks late uur krijgen we nog een mooie visschotel
    St-Lo  -  Bayeux- Arromanches-
    bezoek oorlogsmuseum-  langs de kust
    Dauville- Trouville- Honfleur - alles bezet
    Pont de Tancarville  -  in de donker
    YVETOT-  slapen

    Dag 9.
    Yvetot-  St-Saëns  - H.Mis in kleine kerk
    Amiens- Cambrai- Valenciennes (koffie)
    autosnelweg tot afrit Walshoutem.-  einde 16 u00  -  zondag.
    totale afstand  niet meer genoteerd.  -  LOURDES 1972.

    16-03-2010 om 04:34 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    15-03-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De teloorgang van de kleine waterhoek.
    Wij brachten onze kinderjaren door in de jungle en de moerassen van de Molenbeek. In die tijd kon je nog heel wat leven bespeuren in de beek die zich zigzag langsheen ons dorp kronkelede. Volgens onze prille kinderbegrippen was het een Grote Stroom, en de tientallen kleine zijbeekjes, de plassen waar de koeien kwamen drinken en de bronnen, beschouwden wij als ons territorium. Van de lente tot de herfst pronkten al die sloten met een assortiment van plantengroei : allerlei kroossoorten, waterpest, wilde waterkers, ranke rietstengels, mossen en algen. In de koudste maand pompte vader bij fel vriesweer water over ons voetbalpleintje zodat we de volgende dag reeds veilig ijs hadden voor de winterpret.

    De stekelbaars stond aan de top in de hiërarchie der waterbewoners. Vooral zijn grote snelheid en zijn gevaarlijke stekels dwongen respect af. Met honderden kon je ze aantreffen in die tintelende waterlopen en stroomafwaarts naar de molen van Janshoven toe, vielen heel wat rijke visgronden te bespeuren.  Op onze vrije woensdagnamiddag trokken mijn makkers, mijn broertje en ik er steevast naartoe gewapend  met een visnet vervaardigd uit een nylonkous en met de assezifter van ons moeder. Tegen dat het tijd was voor het avondeten keerden we dan nat, vuil, vermoeid en fier huiswaarts, met een buit van een volle emmer stekelbaarsjes die we dan losten in de eigen grote vijver gelegen langs ons huis. In de grote vakantie gingen we op verplaatsing met onze emmers, netten en fietsen , tot in Velm of in Wezeren, en zo importeerden wij baarsjes van andere soorten. Want tussen de stekelbaarzen, ook de allerkleinste, kon je er verschillende onderscheiden. Er bestonden zilverachtige met stekels en donkerbruine zonder stekels. De prachtigste exemplaren waren zonder twijfel die met een helrode kleur langs beide flanken. Het volwassen vrouwtje viel meestal groter en vooral dikker uit dan het mannetje, omdat zij bijna doorlopend vol eitjes zat. Een stekelbaars kon soms wel 8 cm bereiken, en dat was zeker geen visserslatijn. Iedere gevangen kanjer werd natuurlijk aanzien als een heuse sporttrofee.

    Een handige kwajongen kon de zilvergroene ridder met een vlugge schep verschalken, maar het vroeg geduld,  kennis van de waterkanten, en vooral veel oefening om die aalvlugge diertjes veilig en ongeschonden te krijgen in je emmer met fris water. Want maar al te vaak bij het openen van je nog kleine hand sprong het visje weg en bleef  in je natte handholte slechts wat modder en een plukje kroos.

    Salamanders vormden ook een erg gegeerde prooi voor de jonge jagers die we waren. De mannetjes van deze diersoort waren alvast kleurrijker uitgedost dan de vrouwtjes. Later leerden wij dat het bij de mensen precies het omgekeerde is. De gekleurde mannetjes met hun brede staarten haalden een hogere marktwaarde tijdens onze vele ruilacties. Zo trof je zelfs af en toe een soort aan met de Franse tricolore of het Nederlandse vaandel, zoals je het wou zien. De donkergrijze salamander daarentegen had een opvallende oranjekleurige buik. Je bewaarde deze kostbare diertjes met wat groen uit hun natuurlijke omgeving in een grote bokaal water, en dat kon net zolang tot vader of moeder het weer eens beu werd en je deze speelkameraadjes terug de vrijheid moest schenken.

    Dan waren er nog de zoetwatergarnalen die in ons dialect bronzeugen werden genoemd. Daar deden wij iets mee dat niet zo netjes was. Eens dat wij ze uit het bronwater hadden gehaald, belandden deze wezens in een pot kokend water. Het procédé van deze garnaalbereiding hadden we afgekeken van de echte Noordzeevissers tijdens een verblijf aan onze kust. Onze buurmeisjes en hun vriendinnen wilden liefst niets te maken hebben met deze wrede praktijken en gingen dan wat verderop spelen,  maar zij bleven ons in het oog houden om het te kunnen verklappen aan moeders en oma's.  De afstand tussn jongens en meisjes was toen nog breder dan de Molenbeek.

    Later werd die Grote Stroom uit mijn kinderjaren, als gevolg van een besluit met meerderheid van stemmen in de gemeenteraad, rechtgetrokken, met bruggen overspannen, gefatsoeneerd, en haar bedding en zijwanden werden gebetonneerd, bronnetjes verdwenen onder platte stenen en het water uit de zijtakken moest weldra door buizen vloeien. Aan de Zuidkant van ons dorp zouden grote werken voor autosnelweg en sneltrein het relief van het landschap grondig wijzigen. De regens waren zuur, de velden vol nitraten, en  door lood vergiftigd water vloeide door onze oude beek.  De waterplanten, de nattigheid, de knotwilgen, de vogels en de talrijke waterbewoners van onze waterhoek verdwenen weldra, want voor de fauna en de flora, die daar reeds minstens vijftigduizend jaren thuis waren, was er helaas geen reddingsplan voorzien.

    Wat beklaag ik de kinderen van vandaag, die niet meer weten hoe een stekelbaars, een salamander, een bronzeug er uitziet, en dan hebben wij hier nog niets verteld over de kikvorsen, de libellen, de ratten, de waterhennetjes, de meikevers, de slakken, de vlinders, de zwaluwen, de vleermuizen, de wespen, de pieren, de mollen, de egels, de veldmuizen, de bloedzuigers, de tortelduiven, de eksters,  ...  en nog zoveel andere lieve levende wezens die toen met ons in de grote natte tuin van ons dorp woonden.

    Geen nood echter. De moderne samenleving vindt voor elk probleem een gepaste ersatz.  De jongetjes van nu hebben al hun gsm, zitten voor televisie of voor een computer. Soms, indien vader dat beslist, moeten zij ook gaan wandelen of naar de dierentuin, tegen hun goesting want dat stoort hun bezigheden en op zo'n moment moeten zij plots schoolwerk maken. Er zijn zelfs ook vaders die met hun zoon gaan vissen, of grootvaders met hun kleinzoon, in een kunstmatig aangelegde rechthoekige vijver waar 's morgens onschuldige Deense kweekforellen worden uitgezet. Elders nog, wanneer zij slim beginnen te huilen op de kermis of op de markt, dan krijgen zij ook in een plastieken zak met lauw water een goudvisje dat drie euros kost.



    15-03-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    14-03-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE VIER JAARGETIJDEN 1993.
    PAARTJES VAN DECEMBER .

    Twee verliefden in december
    tieners teder van hart
    zitten met hun gevoelens
    op een koude bank voor oudjes
    in het park.
    Zij knutselen aan dromen
    bouwen kastelen van hoop
    als onschuldige gevangenen
    in de trieste lange nacht
    van het internaat.

    In de lente worden we vlinders
    zoals in het lied van Bécaud
    maar de lente is nog ver
    kom laat me vasthouden je hand
    tot na middernacht.
    Geliefden  in december
    hebben in hun  stijf bevroren jasje
    als kamer slechts de straat
    als hemelbed tijdens het kussen
    een beetje grijze lucht.

    Op een berg in Spanje leeft een herder
    bij wie alle schaapjes welkom zijn
    in het groen bij die man gaan we wonen
    onze filmavonden en disconachten laten we
    om te sparen voor de reis.
    Met de lange blauwe slaaptrein
    vertrekken we in Brussel-Zuid
    heel dicht kom je tegen mij liggen
    teder en stevig omhels ik je dan
    tot ik mijn leven geef.

    Verliefde paartjes van december
    hebben de zomer toch zo nodig
    om de kamer van de liefde op te warmen
    die zij voor de dagen van morgen bouwen
    in de dromen van hun jeugd.

    ( Tibertyn -  Eerste Prijs.)


               



    14-03-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    11-03-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.D'un cyclo troublé par la porno .
    Klik op de afbeelding om de link te volgen C'est arrivé tout simplement un dimanche matin .

    Jojo travaille depuis plus de trente ans dans une administation assez triste. Le weekend venu toutefois, il respire enfin, et il devient quelqu'un d'autre, un homme heureux qui se ballade à bicyclette. Par tout temps il part pour faire ses kilomètres, parfois avec des copains, mais encore le plus souvent seul, car il veut la tranquillité, l'absence d'esprit de compétition, et la liberté. Découvrir du haut de sa selle Brooks les beautés de la Hesbaye, du Brabant Wallon ou du Condroz, pendant les quatre saisons de l'année, à bonne allure, est un plaisir dont il n'a jamais assez.

    Un dimanche du mois de mars, encore très froid, il met pied à terre non à cause d'une crampe dans le mollet mais parcequ'il a trop froid aux pieds. Il court un peu à côté de son Ridley afin d''activer plus sa circulation du sang. Un bonnet, deux vareuses à longues manches, un trainig, et des bas jusqu'aux genoux le protègent contre le froid du vent. A quelques jours de Milan-San Remo, lorsque les herbes et les plantes sont encore immobiles et couchées, les yeux d'un cyclotouriste qui traverse nos routes de campagne et nos fossés deviennent tristes en voyant tant de saletés et tant de déchets y jetés par des minables, par des polueurs et autres mauvais citoyens de basse classe.
    Jojo pédale en ces moments sur une de ces routes profondes qui ont été traçées par nos ancètres.  Ce sont des chemins antiques qui avaient déjà vu passer l'homo erectus, les Eburons et les légions romaines, les pélerins, les armées de mercenaires, les voyageurs, les marchands et les paysans. Ce sont des lignes qui vont jusqu' à l'horizon et qui méritent pour de nombreuses raisons notre respect.

    Jojo aime les odeurs de ces endroits. Il est petit-fils de laboureurs, mais comme tant d'habitants du pays des betteraves d'aujourd'hui, il est simple Jojo-sans-Terre qui pour le pain quotidien et sa petite épargne pour demain est assis en face d'un ordinateur pendant huit heures par jour. Dans les grands espaces des champs il respire bien. La pourriture des feuilles, la paille mouillée et le fumier, l'argile, les haies et l'engrais, et pardessus tout cela flottent les fraîches brumes matinales du mois de mars. Quel grand bonheur pour Jojo  où il est là  !

    Soudain, il se penche. Va-t-il prendre un peu de cette terre et la mettre sur la langue pour la goûter  ? Bah,  ... quelles sales manières possèderait alors notre Jojo. Personne n'aurait une bonne parole ou pensée s'il ferait un tel geste alors que avaler un peu de cette substance serait un rite sacré très ancien, une superbe communion en ce dimanche. Car,  il y a plus de sept mille ans, le chef d'une  tribu de nomades avait fait cela.  Là où se trouve de nos jours Omal en Hesbaye ce grand chef, dont le nom a disparu des mémoires, avait pris la terre d'Hesbaye dans sa main, l'avait approché avec son nez et mangé avec ses dents et sa langue,  avant d'avoir une des premières grandes idées de l'homme : ' Elle est bonne cette terre, restons ici, devenons tous paysans  ' .  Ils avaient fait un village, et hommes et femmes furent heureux en ayant beaucoup d'enfants, et aussi des poules, des cochons, des brebis et même des ânes. Plus tard devant leurs habitations on vit d'énormes tas de fumier, signes de richesse et de la présence dans les étables de belles et grosses bêtes.

    Le brave Jojo se penche donc, et qu'est-ce qu'il ramasse dans le fossé  ?
    Il y trouve parbleu un gros paquet de magazines pornographiques. Mais, pas de ces images qui font rigoler maman et qui donnent le moral à papa, mais il s'agit de hardrock porno de Skandinavie que même un gars comme Dutroux n'avait pas lu avant de se retrouver en cellule.   Le cycliste ne peut s'empêcher de les regarder un peu, d'un oeil seulement . Au bout de cinq minutes il a bientôt trop froid, et il se remet sur son vélo. Il pense en roulant encore aux énormes négresses qu'il a vues.  Il met plus de braquet pour chasser tout cela de sa tête, car il est vrai que la pratique d'exercice à  bicyclette donne quand même des émotions qui sont plus pures et plus saines pour le corps et pour l'âme. Il n'est pas content de lui même. Tout en prenant de la vitesse,  il se dit  ' Si ce matin aurait été en semaine, j'aurais pu signaler ma découverte à la police, qui se chargerait sans doute d'enlever cette littérature et ces illustrés qui sont tout de même un danger pour les bonnes moeurs et pour la moralité de la jeunesse. Mais , le dimanche  ...  les forces de l'ordre ne vont pas intervenir. Bon, j'ai bien fait de laisser tout cela dans le fossé, ce n'est pas mon problème ! '' .

    Jojo se souvient que lorsqu'il avait l'air d'un junior encore, il achetait Miroir du Cyclisme pour admirer les jambes d' Eddy Merckx , mais il avait osé acheter quelques fois aussi des feuilles avec la nudité de Brigitte Bardot et d'Anita Ekberg. Il s'était même pendant quelque temps fait une collection de photos, avec des seins magnifiques. Cette collection de choses 'enfants non admis' restait cachée parmi ses Miroirs du Cyclisme et ses journaux ' Les Sports'  et  'l' Equipe' .
     
    Voilà qu'il arrive à nouveau dans son village et cela signifie la fin de cette randonnée à deux roues.
    Jojo prend une douche bien chaude. Après, il se sent très bien, et il retourne dans son garage où avec très peu d'eau, un peu de savonnée, des chiffons, il passe encore une petite heure à nettoyer et à frotter sa belle machine. Il écoute de la musique et pendant son travail les images de hardrock porno viennent encore troubler sa tranquillité de cinquantenaire heureux. Finalement par inattention,  il met beaucoup trop d'huile sur sa chaîne. L'après-midi , il ira encourager les coureurs débutants dans une course organisée par un club cycliste qui n'a plus de sous en caisse et qui a besoin pour survivre de ses quelques euros qu'il y dépensera avec plaisir.

    11-03-2010 om 00:00 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    10-03-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.LES CHAMPIONS WALLONS DU TEMPS PASSE.
    A Firmin Lambot et aux autres champions  ....

    Ode aux grands cyclistes .

    Ils vinrent de nos collines
    des champs et des vertes vallées
    ou du pays noir des usines
    jambes belles et bien musclées.

    Ils avaient des coudes pointus
    des gros poignets et des pattes
    du bon coeur pour tirer bien plus
    sur le guidon que les autres.

    De Luchon et de Grenoble
    aux amies ils ont expédié
    des belles cartes postales
    jamais ils n'ont abandonné.

    Ils revinrent avec de l'or
    pour acheter quelques vaches
    et bien vivre jusqu'à la mort
    buvant bières au village.

    Certains devinrent des marchands
    de cycles qui du Peyr'sourde
    souvent parlaient les yeux brillants
    d'une vie de mémoire lourde.

    Héros des soirées de fête
    il leur arriva de pleurer
    les souvenirs dans la tête
    car douleurs peuvent remonter.

    Au fil des années un à un
    peu après leur enterrement
    ces champions du passé défunts
    sont tous oubliés par nos enfants.

    ( Tibertyn)





    Rossius et Masson père.

    10-03-2010 om 10:45 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (2)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Op een dag schreef ik zelfs haiku's over paarden.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Ik hou echt niet van paarden.  De reuk van wat de grote beesten van boer Dirix op de kasseien liet vallen deed mij in mijn prille jeugd walgen , toen ik met mijn eerste fiets door de Walshoutemstraat reed.   Maar toch inspireerden die grote beesten me eens om enkele haiku's op een blad te kribbelen.  Dit waren de eitjes van die dichterlijke bui van toen.

    PAARDEN.

    Paard in de weide
    wacht op het kleine meisje
    dat het water brengt.

    De wilde paarden
    langs de golven van de zee
    lopen in galop.

    Het blinkende oog
    van de zwangere merrie
    lacht zo lief naar mij.

    De jonge veulens
    in het gras van de weide
    lopen en lopen.

    Het vers hooi en stro
    beloning voor de paarden
    na de zware dag.

    Spring mijn beste paard
    over sloten en hagen
    met mij op je rug.

    ( Tibertyn ) .

    10-03-2010 om 01:14 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    09-03-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gewoon abonnement tweede klasse.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Intercity naar Brussel.

    Werkdag. Station. Mannen en vrouwen, pendelaars,zwermen samen op het perron. Valiesjes, zakken, handtassen, regenschermen, kranten, houden ze in de hand of onder de arm.  In de frisheid van de jonge dag is wakker worden belangrijk. Mensen, wel honderd mensen, staan te wachten op de trein van 7.12 uur.

    Naar dagelijkse gewoonte stopt de trein precies op tijd, een traditie bij de N.M.B.S. in dit land. De bijen op weg naar hun arbeid verdelen zich netjes over de zitplaatsen, de compartimenten, die zij kennen van de vele dagen die deze dag voorafgingen. Een man komt nog aangelopen, de laatste reiziger voor de trein van 7.12 uur. Iedere ochtend is er zo een achterblijver die het nog net op het nippertje haalt. Hij ook hoort bij het decor van deze morgenstond.

    De trein schokt weer naar hogere snelheid langsheen de evenwijdige reels die lopen totwaar het oog ze ziet samenkomen in een punt dat slechts illusie is. In een hoek of op een kant, in groep, per koppel of alleen, lezend, pratend of roerloos luisterend naar de vertrouwde geluiden, zitten ze op de trein, hun trein, op de spoorweg naar het werk. Langsheen de ramen schuift het landschap voorbij. Een rijdende trein is als een lange galerij schilderijen. De pendelaars kijken wel eens naar buiten en dan zien ze landerijen, velden, bermen, bomen, signalen, kerktorens, huizen waarin de koffiepot nog op de tafel staat, voorsteden, fabrieken, autosnelwegen, grootstad.

    Van buiten naar binnen kijken in zo'n trein, de taferelen die er te bewonderen vallen met het oog lusten, is wel moeilijker. Dat proberen in de zomer vooral de koeien voor wie een voorbijrijdende trein steeds groot spektakel is. Van binnen naar binnen kijken is nog de meest zinvolle bezigheid. In een treincoupé speelt zich immers een dagelijks feuilleton af dat door geen enkele televisieserie wordt overtroffen. Vanuit ieder hoekje kan de mens er zijn medemens rustig bestuderen. Alle soorten, alle kleuren, alle vormen, zijn er aanwezig. Op de trein van 7.12 uur van vandaag zit een nieuw meisje, beeldschoon, blond en amper negentien. Mary Quant weze geloofd, want de juffrouw schafte zich onlangs een rokje aan in een boetiek waar de golden sixties nog verder leven. Het stuk textiel dat zij heel passend draagt, bepaalt precies de lijn tot waar het mooie en zedige van vrouwenbenen mag worden bekeken.

    Een veertiger in de linkse hoek kijkt telkens naar het meisje bij het draaien van het blad na iedere onpare bladzijde van De Satanse Verzen die hij blijkbaar aan het lezen is. De belegger met zijn lederen aktetas kan zijn concentratie heel moeilijk bewaren in zijn Financieel en Economische Tijd. De kaartspelers van de andere kant, bekend als hevige socialisten, hebben ook meer oog voor haar dan voor hartendame die nochtans op dat moment de hoofdtroef is.

    Vandaag gaat het meisje met het minirokje in de grote stad solliciteren. Haar toekomst is verzekerd. Zij heeft het hoofd en de benen. Morgen behoort zij niet meer tot de jeugdige langslapers die gaan stempelen en leven als hotelkinderen. Morgen is het nieuwe meisje, de nieuwe bloem, de blonde Mona Lisa van de trein van 7.12 uur.

    09-03-2010 om 23:49 geschreven door Papoum

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    08-03-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mijn fietsboekje van 1982.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Een wielertoerist die eerlijk zijn vak beoefent, zal niet nalaten van altijd precies te noteren wanneer en waar hij is gaan fietsen. In het jaar 1982 was ik 38 jaren oud en woog ik 95 kgr voor een lengte van 1m91. Ik had een nieuwe Diamond fiets van zwarte kleur die fietsenmaker Nestor Ebroin uit Trognée met veel zorg voor me had gemonteerd met onderdelen naar mijn maten en keuzes. Vandaag hangt het middenste kamwiel van die tweewieler aan de muur van mijn bureel als een heilige reliek uit vroegere dagen. De 42 afgesleten tanden, na de tienduizenden kilometers die er mee werden gereden, zijn zo vlijmscherp als haaientanden.

    Toen ik in die jaren ging fietsen had ik steeds mijn boekje bij. Het woog 40 gr en was 13 cm  lang en 9 cm breed.  Het was een boekje met een rode omslag, zoals dat van de Chinezen uit de tijd van Mao, en het telde 76 witte bladzijden waarop telkens stond gedrukt  'Datum',  'Afstand', 'Reisweg ', daarna 6 lijnen om meer uitleg te geven, en dan kwam onderaan nog 'Controlestempel'. De omslag was van wat dikker papier en was geplastifieerd zodat noch regen, noch zweet, het papier vies zouden kunnen maken. Dat boekje, samen met mijn identiteitskaart, geld, een proper schrijfmiddel, een blad papier om eventueel ergens iets te noteren, bevond zich altijd veilig achter een knoopje of een ritssluiting in de rechterachterzak van mijn trui. 

    Gisteren vond ik mijn fietsboekje van 1982 terug, want ik ben gestart met een groot lenteoffensief om mijn bureel keurig in orde te brengen. Wat een genot die zachte plastiek van de omslag te mogen betasten in 2010 !  Hoe plezant is het nog eens de bladzijden te draaien van mijn heerlijk wielerjaar 1982. Door de foto van Tom Simpson aan te brengen op de achterzijde was het boekje gepersonaliseerd en zoals verder zal blijken verwees dit reeds naar ons hoofddoel van die zomer en dat was de beklimming van vele cols met als grote finale de Mont-Ventoux.

    Heel vooraan in mijn fietsboekje had ik mijn naam en adres vermeld, alsook mijn bloedgroep. Ik vertegenwoordigde de Black Diamond Cyclo Association en dat was een wielerclub met maar twéé leden die zich individuele wielertoeristen-randonneurs noemden. In 1982 bestonden er nog geen electronische kilometertellers, maar het was met een delikaat mechanisch systeem van Huret dat de afstand vrij nauwkeurig kon worden gemeten, behalve dan soms op natte dagen.
     
    Iedere gezonde mens, man of vrouw, kan zonder een wielerkampioen(e) te zijn  op een jaar veel kilometers afleggen. Dat moet niet gebeuren tegen gemiddelde snelheden van boven de 30 km/u op een dure koersfiets. Dat mag ook zelfs tegen minder dan 20 km/u. In groep wordt vaak gestreefd naar  22,5 km/u om zoveel mogelijk deelnemers tevreden te stellen. Individuele randonneurs rijden steeds met minstens een stuurtas of een rugzakje. De afstanden zijn voor hen belangrijker dan de snelheid.  Alhoewel er meerdere vormen van competies zijn tussen de wielertoeristen,  zullen de meesten later op hun oude dag toch beseffen dat de mooiste momenten eigenlijk die waren toen zij stil stonden ,vrij en ongedwongen ergens stopten en hun fiets tegen een boom parkeerden, of toen zij na de inspanning met de kameraden nog een paar trappisten dronken met een portie kaas. Maar van mij mag iedereen fietsen zoals hij wil, met kromme rug op een Colnago of helemaal recht met de neus in de wind op een Hollandse fiets, solo of gordelend met duizenden rond Brussel , met oma, met Anneke, of met een nieuw lief. Maar allemaal moeten zij oppassen , niet vallen, hun hart niet overbelasten, en zich niet door de auto's laten doodrijden.

    Om de ernst van mijn fietsbezigheden van 1982 te illustreren, omdat ik fier ben van wat ik toen had gerealiseerd, en omdat het zo schone herinneringen zijn,  geef ik hierna een volledig overzicht van mijn wielertoeristisch seizoen van toen.

    1. Losse ritjes, trainingen, testen, avondritjes  winterperiode:
    februari : 14 + 28  + 33  + 10  + 11  + 40  + 23  +  40  +  10  = 209  km
    maart : 26 + 26  +  50 + 27  + 56 + 52  +  21   = 258 km
    2. Langere ritten met vertrekpunt Landen :
    31/1 -   point vert ADEPS Crisnée - Waremme  (45' op Radio Betterave) - 60 km
    7/2 - Alken Canadaroute - Domein Nieuwenhove    -   80 km
    13/2 - Nieuwerkerken ASLK- Trognée  -   Hannut  -  70 km 
    27/2 -  in extreme koude - Hannut Trognée - Kerkom - 46 km
    28/2 - Grand Hallet ADEPS- Leuze ADEPS-   62 km
    7/3-  Fumal ADEPS- Vallée de la Mehaigne - Montenaken   72 km
    14/3 - De 3 molens - Opprebais-NilStVincent-Grand Leez ADEPS-  95 km

    / Stop -  operatie-  correctie navelstrengbreuk 
    bij  Dr Mathieu Waremme - op 17/3/1982 - één maand rusten./

    3. Herneming training - verplaatsing naar het werk - Lenteperiode :
    april : 22 + 30  + 46  + 51  +  60  + 44  + 64 + 35  +  43 + 24  + 73  + 46  = 538 km
    mei:   40 + 25  + 30 + 29  + 21  +  30  + 35  + 40  + 35  =  285 km
    juni :  15 + 75 + 35  + 88 + 45  + 35 + 20 + 40  + 35 + 37 + 30 + 20 +45 + 15 = 535 km
    juli -  11  +  60  +  14  +  22   = 107 km
     
    4. Langere ééndagsritten-  Meerdaagse tochten :
    18/4  -  humanitaire fietstocht Berloz   pour Alexandra  125 km
    25/4 - Moha - Mur de Huy- Mur d'Amay- point vert  ADEPS  132 km
    1-2-3/5 - Landen - StVith - Ourtalroute-Trois Ponts  150 + 97 + 143 = 390 km
    9/5  - Landen-Tervuren- Druivenroute- Meerdaelbos  = 159 km
    13/5- Omloop Vier Provincies- Yvoir - Seilles - Kerkom  = 150 km
    15/5 - Landen- Banneux  (waar buurman PH koers reed ) -  = 90 km
    20-21-22-23/5 - Landen- Vulkaaneifel     172 +123  +  150  +  128 = 573 km
    29-30/5- Ard.Weekend - Wanne- Hte Levée-Redoute- 149 +131 = 280 km
    12/6  Taxandriaroute marathon - Hilvarenbeek (Nl) - Scherpenheuvel - 301 km
    19/6 -  Les Six Heures de Cycle Hesby Corswarem  = 120 km
    20/6 - Citadel Namen- Route des Monastères de la Marlagne = 184 km
    26/6-  Musée du Cycle Falmignoul - Dinant-  = 192 km

    5. Grote zomerrit  Landen- Mont Ventoux - Landen  :
    van 17 juli tot 7 augustus 1982:  (zonder volgwagen- met pak en zak)
    LANDEN- Larochette- St-Avold- Plainfaing- Haute route des Vosges-  GrandBallon- Beaucourt- Vue des Alpes- Lac de Neufchatel -Col des Mosses- St-Maurice-  Col du Grand St Bernard- Vallée d'Aoste -Tête d'Arpy- Petit St Bernard- Lac de Tignes- Col de l'Iseran- Vallée de la Maurienne- Col du Télégraphe- Valloire-Col du Galibier- Col du Lautaret- Briançon- Col de l'Izoard- Villevieille en Queyras- St-Veran- Col d'Agnel- Guillestre- Col de Vars- Vallée de l'Ubaye- Barcelonnette- Tunnel et Col du Grand Parpail