vrouwen

Vrouwen
Met hare zachte handen rukken zij open
wat jaren lang ten bodem sliep -
nemen haar deel, met een glimlach, en hopen
op sterren en stromen, ànders licht en diep.
Tuin van Eros (1932)

vrouwen
Met hare zachte handen rukken zij open
wat jaren lang ten bodem sliep -
nemen haar deel, met een glimlach, en hopen
op sterren en stromen, ànders licht en diep.
Tuin van Eros (1932)

behangOp het behang van Rath & Doodeheefver
De randen, door de ratten aangevreten,
Krullen aan de vier hoeken overend.
Oud en verschoten, in zichzelf frequent,
Raakt het motief tegen de muur vergeten.
Maar deze beelden stonden in uw ogen
En deze ogen zijn uiteen gegaan.
Hoe hoog en ver werden de schommelbogen.
Het hart kreeg alle ruimte om te slaan.
De hand wees mij de wegen naar het leven.
De wereld bloeit. De dood is opgeheven.
Gerrit Achterberg,
Uit:'Sneeuwwitje'
Querido, Amsterdam 1949
Opgenomen in Verzamelde gedichten
Querido Amsterdam 1963
staring
Niet om de dromen, die ook ik vergeefs heb moeten dromen
en om de woorden niet door mij daaraan verdaan,
noch om de herfst, die over deze landen is gekomen
met slaande regens, nevel, werveling van blaên,
maar om het overnieuw en allengsaan meeslepend stromen
des bloeds, waartegen hier geen weerstand kan bestaan,
ben ik bevreesd om nog eenmaal te worden opgenomen
in deze staat, die harten in evenmaat laat slaan.
Maar 't bonzen van het bloed kent hier geen mededogen
en ook haar handen niet, vervuld van tederheid,
noch hare mond, begeerlijk, warm, bereid,
en onweerstaanbaar als de helle brand der ogen,
die stervelingen noopt tot duurzaam onvermogen
èn hen schatplichtig maakt in alle eeuwigheid.

groenvanuit de trein weer zulke ontroerende
moestuinen gezien, met peulen, bietjes,
de piepers voor de winterdag, alles in
een groeizaam regentje, het fietsen-
schuurtje waar vader achter tegen plast.
Grootmoeder weer begraven. Het mistte
vaag en de zon scheen vaag en er was
niets meer aan te doen, alles was
betaald. Eenmaal gaan we allemaal
werd er gezegd. Om te huilen zo mooi.
In een rivier deze zomer hele grote
gladde en groen uitgeslagen rotsblokken
gezien en bevoeld met net zulke prachtige
details als bij jou,
wel van steen natuurlijk.
Rutger Kopland
uit: Alles op de fiets,
Van Oorschot, 1969
geboortegrond
Een gedicht van Virginie Loveling 1836-1923
In 't zuiden heerst een eeuwge lent,
En aarde en hemel lacht.
In 't hoge Noorden nijpt de kou,
Daar ligt de sneeuw, daar is de rouw,
De schemering en de nacht
Waarom bewoont de Noorderman
Die streek der duisternis?
Omdat hij dáar zich wel bevindt
Omdat de mens het plekje mint,
Waar hij geboren is.
Hij vraagt geen-rozen aan de Mei,
Geen vruchten aan de herfst.
Hij mint zijn groen fluwelen mos,
Hij jaagt de ijsbeer en de vos,
Die in de vlakten zwerft.
En keert hij weer door mist en sneeuw,
Van jacht of kleine reis,
Dan haakt zijn hart, vol ongeduld,
Ook naar zijn hut met rook vervuld,
Als naar een lustpaleis.
Hij ziet toch, als de bleke dag
Voor 't lange duister zwicht,
De sterren aan de hemel staan,
Hij heeft het licht der klare maan,
En 't rode noorderlicht.
Waar ook de mens zijn woning vest,
Gaan lief en leed gepaard :
De vreugdestralen van 't gemoed,
Zij zijn de ware zonnegloed,
In elke streek der aard.
Gedichten van Rosalie en Virginie Loveling (1877)

bidden
Bidden is niet enkel knielen;
’t Is in ’t huis van onbeminden
En in grauw mizerie-zielen
Veel verborgen liefde vinden.
Bidden is de bittere dingen
Met een zacht gezeg vergoeden;
’t Is doorheen zijn tranen zingen
En in alles ’t schoon vermoeden.
Bidden is langs donkere paden,
Lampen van gevoel doen branden;
Bidden is de schoonste daden
Dragen op zijn eigen handen.
Bidden is in stilte weten
Weelde en weedom van elkander;
Bidden is zichzelf vergeten,
Om te peinzen aan een ander.
Op zachte vooizekens

gedichtik ben soms zo kapot
ik moet opstaan ik weet het
maar wie weet mijn verdriet
niemand weet dat en hoe erg het is
dat mijn lief zomaar is weggelopen
maar vermoorden kan ik haar niet
dan maar mijn m'n dochter en m'n zoon
en mezelf erbij en dan hang ik daar
met bloed zweet en tranen of zoiets
ik drink teveel en ik mis mijn vrouw
en ik wil m'n kinderen zien en niet dood
dus ik moet opletten
en sterk zijn en soms wat huilen
god wat moet ik huilen
pad
Als rijen militairen gevallen op het veld
zo liggen de jasmijnen in en op elkaar
heel krachteloos! van bloem en blad ontveld
en naakt. En op het blande zonpad waar
de merelzang nooit zweeg, het goud
is morsig nu; 'n kleiïg weke grond
strengelt in grauwe banen zwart door 't hout,
en 't hout is arm en kaal en menigwerf gewond.
Hier ligt als 'n juweeltje diep in schrijn
zo menig pas, lieve, van u, begraven,
ik ruik weer geur heerlijk zoete jasmijn!
en lijsterzang krauwen de zwarte raven.
Mijn lief, mijn lief hoe is ons lot verkeerd
Gij zijt een dodend levend in mijn leven
en ik ben, levend, tot uw dood gekeerd
en weet niet of het leven is, wat mij gebleven.
Als donker, donker, donker wordt het pad
dan loop ik wel eens als een kind dat zoekt:
ik weet nauw nog waar gij ging en trad
met mij: dan loop ik, enkel, als vervloekt
een man, van schande, harde smaad gebogen,
bang voor de nacht het donker en mensen mededogen.
Zangen van hoop (1919)

madelieven
Madelieven zijn er altijd,
En die ze wil zoeken die vindt er;
We zijn ze slechts een ogenblik kwijt,
In 't barste van de winter.
En daar het voor mij nog geen winter is,
Maar — zo als gij 't wilt noemen!
Zo leg ik heden op uwe dis,
Een handvol van deze bloemen.
Gij hebt er gewis wel eens mooier aanschouwd,
Die frisser en fieuriger blonken;
Maar hebben ook zij niet haar hartje van goud,
Dat hemelse dauw heeft gedronken?
-----------------------------------------
Openingsgedicht bij de dichtbundel 'Madelieven' (1869)

augustusDe maand augustus nu voorbij maar zo'n gedicht hoort er nog bij!
Want het is een les naar niet keusloos leven...
augustus
het strand kijkt naar de zee en ziet
dat het water oud is geworden
de meeuwen vliegen door de gedachten van de zon
en hangen hun poten te drogen
in de liezen van de duinen
stoeien de vakantielieven in de lakens
van het zand
er knarst iets in de tederheid
de boeren oogsten hun twijfels
en na de avond kijken ze met de ogen
van hun tractors naar de open wonden
van de velden, er komt ruimte
voor de landing van de herfst
het jaar sterft een eerste keer
aan voorbij zijn, op de patio van hun afscheid
bergen de reizigers de avondzon in hun koffers
met het heimwee van hun aarzeling
verliezen ze hun keuze
tussen thuis en horizon
Roel Richelieu van Londersele,
uit gedichten 1980-1992,
Poeziecentrum,Gent, 1992
blij
Mijn lief is blij, zij lacht en zingt
En schittert in de zonneschijn
Als zij zó héél mijn leven zingt
Kan nooit mijn leven lijden zijn.
Ja! zang en lachen duren kort
Als bloemen in de zomerdag;
De zomer sterft, de bloem verdort:
Zo sterft der mensen zang en lach.
Maar nu der zonne gouden val
Vloeit langs gelaat en blinkend kleed,
En zij gaat, zingend of zij zal
Zó eeuwig zingen zonder leed,
Nu voel ik - of 'k mij zelve wieg
In dromen die maar kort bestaan
't Is beter zo 'k mij zelf bedrieg
Dan 't leven droomloos door te gaan -
Nu voel ik zalige vreugde in mij
Bij 't luistren naar heur lach en zang
Want weet, wát blijve of ga voorbij:
Dát hoor ik héél mijn leven lang.

kind
Kom mijn kind, de dag gaat ook.
Zie haar afscheid wuift ze al ginder;
In de tuin zijn bloem en vlinder
Als de nachtlamp en haar rook.
Kom mijn kind, de dag gaat ook.
Stil, hij is de dag al voor,
En hij sluimert, volgedronken,
Moegedroomd en blindgeblonken,
In oneindig niets teloor,
Rustig bij mijn woorden door.
Wonder, wat wordt de avond zwart!
Langzaam, langzaam moet ik stijgen
Langs de trappen, zelfs niet hijgen
Met dit hoofdje aan mijn hart,
Tot waar zacht de sponde mart.
Ach, want als hij wakker schrikt
Uit dat land van klank en kleuren
En hij ziet de nacht hier treuren,
Weet ik dat hij uren snikt...
Stram mijn knie, dat gij niet knikt!
Liederen en Balladen

zonovergotenZonovergoten
Vandaag een prachtige nazomerdag
Wat een heerlijkheid
Dat het zulk geweldig weer mag zijn
Even frisjes genieten
Want wie weet gaat het over
een paar dagen weer gieten
Als de politiek zijn ergste
pijlen uit gaat gieten
Kijk altijd naar het weer
Want het weer zegt soms heel veel meer!
Het natuurlijke wezen
Waar niemand iets aan kan veranderen
Die weerknop komt van een Hoge top
Die alleen ziet aan alle knoppen
Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde
En dat geeft voor een volgeling een grote meerwaarde
Een meerwaarde ook in het verlies
Dan krijg je het wel voor je zere kies
Maar Hij geeft daarbij de uitkomst
Op Hem vertrouwen
Dat is aan je eeuwig huis bouwen!
En laat de politiek dan maar mauwen
Ze krijgen je dan niet echt in hun klauwen!
de wijze
Mijn huis is vuil, mijn kinderen, talrijk, krijsen.
De varkens wroeten ronkend in de hof.
Maar bergen, blauw en ver verheven, eisen
Mijn aandacht op, die stijgt uit stank en stof.
Yoeng Poe Tsjoeng (1930)

waterlelieRijzend uit donker-koele vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.
Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenst niet meer...
Frederik van Eeden
Uit: Van de passielooze lelie,
W. Versluys, Amsterdam, 1901
zomernacht
De blanke mane
Licht overal
De donkre lanen
Staan langs de wal.
Boomtoppen drinken
Het zilvren licht
Beneden zinken
Schaduwen dicht.
Maar midden in de
Betovering,
Waar beuk en linde
Te dromen aanving
Dalen drie zware
Klokslagen neer
De kimmen klaren ...
De dag keert weer ...

het levenHet leven
Het leven wordt
vaak aangevallen
Van buitenaf
of aan de binnenkant
Het leven is maar even
Maar de mens heeft maar
één streven
Dat is voor zichzelf
het zoeken naar
een aangenaam leven
Maar niets is minder waar
Steeds is er een schaar
Die al het wat gevonden is
weer doorknipt
Het is vaak de egoïst
Die heen en weer tript
Die niemand een fijner leven gunt
Want die heeft met de jaloezie
het altijd op de ander gemunt
Van binnenuit klinkt er een luidt
Een luidt geschreeuw
Waarom doe je toch als een dwaas
Heel even heeft de egoïst een waas
Een waas van woede
Wees met egoïsten altijd op je hoede
Hij valt aan terwijl men het niet denkt
En zo weer een portie verdriet
bij de ander schenkt
Maar o wee als je bij de egoïst
een haar krenkt
Dan breekt er een hel uit!
tirolerlied
Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907
Ik vlucht mijn leger, mijn vreedzame dakje;
'k heb hond noch geweer, door de nacht loop ik heen,
Mijn boezem doorwoelt een knagende smart,
En waar ik ook vlucht, zij volgt mijne schreên.
Voor mij geen rust,
Geen hoop in 't verschiet;
Want zij die ik bemin
Bemint mij toch niet.
Hier eenzaam gezeten op 't hoogste der bergen,
Op rotsen zo woest, dat geen wild ze betreedt;
Hier zing ik mijn leed de onpeilbare afgrond,
De spraakloze nacht zing ik 't grievende leed.
De diepte en het duister
Aanhoren mijn lied;
Maar zij, voor wie ik zing,
Zij luistert toch niet.
Daar klimt uit de diepte een geheimvol gefluister:
‘Wat baat u het leven? Kom, rust in mijn schoot.
En zij die gevoelloos uw jeugd zag verkwijnen,
Zoekt morgen met angst en beweent uw dood.’
Heel 't dorp zou mij zoeken
Met klemmend verdriet;
Maar zij, voor wie ik stierf,
Zij komt toch niet.
Uit het hart! (1874)

tijden toch, hoeveel van wat er in ons leeft is ouder
dan wij, hoeveel daarvan zal ons overleven
zoals een pasgeboren kind kijkt alsof het kijkt
naar iets in zichzelf, iets ziet daar
wat het meekreeg
zoals Rembrandt kijkt op de laatste portretten
van zichzelf alsof hij ziet waar hij heengaat
een verte voorbij onze ogen
het is vreemd maar ook vreemd mooi te bedenken
dat ooit niemand meer zal weten
dat we hebben geleefd
te bedenken hoe nu we leven, hoe hier
maar ook hoe niets ons leven zou zijn zonder
de echo's van de onbekende diepten in ons hoofd
niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik
buiten onze gedachten is geen tijd
we stonden deze zomer op de rand van een dal
om ons heen alleen wind
Rutger Kopland,
uit over het verlangen naar een sigaret,
Uitgeverij van Oorschot , Amsterdam 2001
verwachting
Hou op, mijn ziel, 't Heelal te vragen,
Hoe, waarom, wat, en wie gij zijt.
De nevelwolken die u dragen,
En, speelbal van d' onzichtbre tijd,
Door de eindeloze ruimte jagen,
Doorscheemren wel van bliksemslagen
Wier flikkring door de scheuren splijt;
Maar, ziet gij uit naar 't morgendagen,
Die afstand is uw oog te wijd.
Wij hobblen door de mistdampbaren
Naar 't worstlend bruisen van haar vloed,
Onzeker waar we heen vervaren,
In 't buldrend onweer dat er woedt.
Wij laten de ogen om ons waren;
Maar vruchtloos is dat ijdel staren
Naar 't vonklen van een flauwe gloed,
Die 't dompig nachtzwerk op deed klaren
Dat afschrik en verdelging broedt.
Dees dichte sluier door te boren
Hangt aan geen sterfelijke macht.
In helse duisternis verloren,
Geteeld tot broedsel van de nacht,
Gedoemd, in deze damp te smoren,
Waartoe een donkre trek te horen
Die naar 't ontwijkend daglicht tracht?
De schrikbre noodstorm moet bezworen
Door Goddelijke wonderkracht.
Of voelt ge u in dit woest geslinger
Uws ondanks, machtloos meegesleurd;
Beseft ge, wiens ontzagbre vinger
De schepping uit haar naven beurt;
Ontwaart ge in u de Aldoordringer,
De nacht- en nood- en helbedwinger,
Wiens lichtstraal aard en wolken scheurt;
Die één, en zonder mededinger,
Ook u Zijn zorgen waardig keurt?
Laat dan 't Heelal verwoesting loeien;
Wees kalm, en vraag niet; maar verbeid!
De golven die er om u vloeien,
De neevlen, om u uitgebreid,
De bliksemstralen die er gloeien,
De donders die de wolken schroeien,
Verzwelgen in de Oneindigheid,
En haasten 't slaken van de boeien;
Waarin gij om verlossing schreit.
