Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

pad

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

Het pad

Als rijen militairen gevallen op het veld
zo liggen de jasmijnen in en op elkaar
heel krachteloos! van bloem en blad ontveld
en naakt. En op het blande zonpad waar

de merelzang nooit zweeg, het goud
is morsig nu; 'n kleiïg weke grond
strengelt in grauwe banen zwart door 't hout,
en 't hout is arm en kaal en menigwerf gewond.

Hier ligt als 'n juweeltje diep in schrijn
zo menig pas, lieve, van u, begraven,
ik ruik weer geur heerlijk zoete jasmijn!
en lijsterzang krauwen de zwarte raven.

Mijn lief, mijn lief hoe is ons lot verkeerd
Gij zijt een dodend levend in mijn leven
en ik ben, levend, tot uw dood gekeerd
en weet niet of het leven is, wat mij gebleven.

Als donker, donker, donker wordt het pad
dan loop ik wel eens als een kind dat zoekt:
ik weet nauw nog waar gij ging en trad
met mij: dan loop ik, enkel, als vervloekt
een man, van schande, harde smaad gebogen,
bang voor de nacht het donker en mensen mededogen.

Zangen van hoop (1919)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:43 Reageer op dit bericht

1 reactie op dit bericht

Raf en Ginette14 september 2012 om 10:57

Groetjes uit Koekelare

grotegrijze.gif

Dorake,wij komen u een gezellige vrijdag wensen.
Mooi gedicht.
Groetjes en knufff xxx
Raf en Ginette

Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

madelieven

Een gedicht van Niclaas Beets 1814-1903

Madelieven

Madelieven zijn er altijd,
En die ze wil zoeken die vindt er;
We zijn ze slechts een ogenblik kwijt,
In 't barste van de winter.

En daar het voor mij nog geen winter is,
Maar — zo als gij 't wilt noemen!
Zo leg ik heden op uwe dis,
Een handvol van deze bloemen.

Gij hebt er gewis wel eens mooier aanschouwd,
Die frisser en fieuriger blonken;
Maar hebben ook zij niet haar hartje van goud,
Dat hemelse dauw heeft gedronken?

-----------------------------------------

Openingsgedicht bij de dichtbundel 'Madelieven' (1869)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:16 Reageer op dit bericht

augustus

De maand augustus nu voorbij maar zo'n gedicht hoort er  nog bij!
Want het is een les naar niet keusloos leven...


augustus

het strand kijkt naar de zee en ziet
dat het water oud is geworden
de meeuwen vliegen door de gedachten van de zon
en hangen hun poten te drogen

in de liezen van de duinen
stoeien de vakantielieven in de lakens
van het zand
er knarst iets in de tederheid

de boeren oogsten hun twijfels
en na de avond kijken ze met de ogen
van hun tractors naar de open wonden
van de velden, er komt ruimte
voor de landing van de herfst

het jaar sterft een eerste keer
aan voorbij zijn, op de patio van hun afscheid
bergen de reizigers de avondzon in hun koffers
met het heimwee van hun aarzeling
verliezen ze hun keuze
tussen thuis en horizon

Roel Richelieu van Londersele,
uit gedichten 1980-1992,
Poeziecentrum,Gent, 1992

 

Geschreven door Dora om 11:25 Reageer op dit bericht

blij

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Mijnlief is blij

Mijn lief is blij, zij lacht en zingt
En schittert in de zonneschijn
Als zij zó héél mijn leven zingt
Kan nooit mijn leven lijden zijn.

Ja! zang en lachen duren kort
Als bloemen in de zomerdag;
De zomer sterft, de bloem verdort:
Zo sterft der mensen zang en lach.

Maar nu der zonne gouden val
Vloeit langs gelaat en blinkend kleed,
En zij gaat, zingend of zij zal
Zó eeuwig zingen zonder leed,

Nu voel ik - of 'k mij zelve wieg
In dromen die maar kort bestaan
't Is beter zo 'k mij zelf bedrieg
Dan 't leven droomloos door te gaan -

Nu voel ik zalige vreugde in mij
Bij 't luistren naar heur lach en zang
Want weet, wát blijve of ga voorbij:
Dát hoor ik héél mijn leven lang.

schrijver

Geschreven door Dora om 12:12 Reageer op dit bericht

kind

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

Slapend kind

Kom mijn kind, de dag gaat ook.
Zie haar afscheid wuift ze al ginder;
In de tuin zijn bloem en vlinder
Als de nachtlamp en haar rook.
Kom mijn kind, de dag gaat ook.

Stil, hij is de dag al voor,
En hij sluimert, volgedronken,
Moegedroomd en blindgeblonken,
In oneindig niets teloor,
Rustig bij mijn woorden door.

Wonder, wat wordt de avond zwart!
Langzaam, langzaam moet ik stijgen
Langs de trappen, zelfs niet hijgen
Met dit hoofdje aan mijn hart,
Tot waar zacht de sponde mart.

Ach, want als hij wakker schrikt
Uit dat land van klank en kleuren
En hij ziet de nacht hier treuren,
Weet ik dat hij uren snikt...
Stram mijn knie, dat gij niet knikt!

Liederen en Balladen

schrijver

Geschreven door Dora om 16:01 Reageer op dit bericht

zonovergoten

Het zonnige weer geeft een diepere kijk op het ondergaande Nederlandse rijk!

Zonovergoten

 

Vandaag een prachtige nazomerdag

Wat een heerlijkheid

Dat het zulk geweldig weer mag zijn

Even frisjes genieten

Want wie weet gaat het over

een paar dagen weer gieten

Als de politiek zijn ergste

pijlen uit gaat gieten

Kijk altijd naar het weer

Want het weer zegt soms heel veel meer!

Het natuurlijke wezen

Waar niemand iets aan kan veranderen

Die weerknop komt van een Hoge top

Die alleen ziet aan alle knoppen

Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde

En dat geeft voor een volgeling een grote meerwaarde

Een meerwaarde ook in het verlies

Dan krijg je het wel voor je zere kies

Maar Hij geeft daarbij de uitkomst

Op Hem vertrouwen

Dat is aan je eeuwig huis bouwen!

En laat de politiek dan maar mauwen

Ze krijgen je dan niet echt in hun klauwen!

 

Geschreven door Dora om 11:59 Reageer op dit bericht

de wijze

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhof 1898-1936

De wijze

Mijn huis is vuil, mijn kinderen, talrijk, krijsen.
De varkens wroeten ronkend in de hof.
Maar bergen, blauw en ver verheven, eisen
Mijn aandacht op, die stijgt uit stank en stof.

Yoeng Poe Tsjoeng (1930)

schrijver

Geschreven door Dora om 09:19 Reageer op dit bericht

waterlelie

Een gedicht van Toon Tellegen


De waterlelie

Ik heb de witte water-lelie lief,
daar die zo blank is en zo stil haar kroon
uitplooit in 't licht.

Rijzend uit donker-koele vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.

Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenst niet meer...

Frederik van Eeden
Uit: Van de passielooze lelie,
W. Versluys, Amsterdam, 1901

Witte%20waterlelie%20gd.JPG

Geschreven door Dora om 11:49 Reageer op dit bericht

zomernacht

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Zomernacht

De blanke mane
Licht overal
De donkre lanen
Staan langs de wal.

Boomtoppen drinken
Het zilvren licht
Beneden zinken
Schaduwen dicht.

Maar midden in de
Betovering,
Waar beuk en linde
Te dromen aanving

Dalen drie zware
Klokslagen neer
De kimmen klaren ...
De dag keert weer ...

schrijver

Geschreven door Dora om 10:26 Reageer op dit bericht

het leven

Uit het leven gegrepen...mensen worden soms ook zo tot levende diamanten geslepen...

Het leven

 

Het leven wordt

vaak aangevallen

Van buitenaf

of aan de binnenkant

Het leven is maar even

Maar de mens heeft maar

één streven

Dat is voor zichzelf

het zoeken naar

een aangenaam leven

Maar niets is minder waar

Steeds is er een schaar

Die al het wat gevonden is

weer doorknipt

Het is vaak de egoïst

Die heen en weer tript

Die niemand een fijner leven gunt

Want die heeft met de jaloezie

het altijd op de ander gemunt

Van binnenuit klinkt er een luidt

Een luidt geschreeuw

Waarom doe je toch als een dwaas

Heel even heeft de egoïst een waas

Een waas van woede

Wees met egoïsten altijd op je hoede

Hij valt aan terwijl men het niet denkt

En zo weer een portie verdriet

bij de ander schenkt

Maar o wee als je bij de egoïst

een haar krenkt

Dan breekt er een hel uit!

 

 


Geschreven door Dora om 19:12 Reageer op dit bericht

tirolerlied

Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907

Tirolerlied

Ik vlucht mijn leger, mijn vreedzame dakje;
'k heb hond noch geweer, door de nacht loop ik heen,
Mijn boezem doorwoelt een knagende smart,
En waar ik ook vlucht, zij volgt mijne schreên.
Voor mij geen rust,
Geen hoop in 't verschiet;
Want zij die ik bemin
Bemint mij toch niet.

Hier eenzaam gezeten op 't hoogste der bergen,
Op rotsen zo woest, dat geen wild ze betreedt;
Hier zing ik mijn leed de onpeilbare afgrond,
De spraakloze nacht zing ik 't grievende leed.
De diepte en het duister
Aanhoren mijn lied;
Maar zij, voor wie ik zing,
Zij luistert toch niet.

Daar klimt uit de diepte een geheimvol gefluister:
‘Wat baat u het leven? Kom, rust in mijn schoot.
En zij die gevoelloos uw jeugd zag verkwijnen,
Zoekt morgen met angst en beweent uw dood.’
Heel 't dorp zou mij zoeken
Met klemmend verdriet;
Maar zij, voor wie ik stierf,
Zij komt toch niet.

Uit het hart! (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:57 Reageer op dit bericht

tijd

Een gedicht van Rutger Kopland
Tijd

Tijd- het is vreemd, het is vreemd mooi ook
nooit te zullen weten wat het is

en toch, hoeveel van wat er in ons leeft is ouder
dan wij, hoeveel daarvan zal ons overleven

zoals een pasgeboren kind kijkt alsof het kijkt
naar iets in zichzelf, iets ziet daar
wat het meekreeg

zoals Rembrandt kijkt op de laatste portretten
van zichzelf alsof hij ziet waar hij heengaat
een verte voorbij onze ogen

het is vreemd maar ook vreemd mooi te bedenken
dat ooit niemand meer zal weten
dat we hebben geleefd

te bedenken hoe nu we leven, hoe hier
maar ook hoe niets ons leven zou zijn zonder
de echo's van de onbekende diepten in ons hoofd

niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik
buiten onze gedachten is geen tijd

we stonden deze zomer op de rand van een dal
om ons heen alleen wind

Rutger Kopland,
uit over het verlangen naar een sigaret,
Uitgeverij van Oorschot , Amsterdam 2001

Geschreven door Dora om 12:30 Reageer op dit bericht

verwachting

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Verwachting

Hou op, mijn ziel, 't Heelal te vragen,
Hoe, waarom, wat, en wie gij zijt.
De nevelwolken die u dragen,
En, speelbal van d' onzichtbre tijd,
Door de eindeloze ruimte jagen,
Doorscheemren wel van bliksemslagen
Wier flikkring door de scheuren splijt;
Maar, ziet gij uit naar 't morgendagen,
Die afstand is uw oog te wijd.

Wij hobblen door de mistdampbaren
Naar 't worstlend bruisen van haar vloed,
Onzeker waar we heen vervaren,
In 't buldrend onweer dat er woedt.
Wij laten de ogen om ons waren;
Maar vruchtloos is dat ijdel staren
Naar 't vonklen van een flauwe gloed,
Die 't dompig nachtzwerk op deed klaren
Dat afschrik en verdelging broedt.

Dees dichte sluier door te boren
Hangt aan geen sterfelijke macht.
In helse duisternis verloren,
Geteeld tot broedsel van de nacht,
Gedoemd, in deze damp te smoren,
Waartoe een donkre trek te horen
Die naar 't ontwijkend daglicht tracht?
De schrikbre noodstorm moet bezworen
Door Goddelijke wonderkracht.

Of voelt ge u in dit woest geslinger
Uws ondanks, machtloos meegesleurd;
Beseft ge, wiens ontzagbre vinger
De schepping uit haar naven beurt;
Ontwaart ge in u de Aldoordringer,
De nacht- en nood- en helbedwinger,
Wiens lichtstraal aard en wolken scheurt;
Die één, en zonder mededinger,
Ook u Zijn zorgen waardig keurt?

Laat dan 't Heelal verwoesting loeien;
Wees kalm, en vraag niet; maar verbeid!
De golven die er om u vloeien,
De neevlen, om u uitgebreid,
De bliksemstralen die er gloeien,
De donders die de wolken schroeien,
Verzwelgen in de Oneindigheid,
En haasten 't slaken van de boeien;
Waarin gij om verlossing schreit.

schrijver

Geschreven door Dora om 18:12 Reageer op dit bericht

poëzie

Zomaar een versjes uit een poëzie album
Vroeger wist men nog hoe de vork in de steel zat
Maar tegenwoordig ligt bijna alles in dit soort van dingen op z'n gat
Kinderen hebben nog weinig eerbied voor ouders maar ook ouderen!
Zo is er veel in het dagelijks geestelijk onderwijs vergaan!

poezie7.gif

Wil steeds Uw ouders eeren
Wil naarstig zijn in't leeren
Bij elke goed onderricht
Dan zult gij ondervinden
't Ga voor of tegen winden
't Genot van zulk een plicht!
Je nicht Sientje,
oktober 1953



Er is een vriend van kind'ren
Ver boven zon en maan
Een vriend die nooit verandert
Wiens trouw niet zal vergaan
Die vriend blijft steeds dezelfde
In liefde en gena
Hij zegent gaarne kind'ren,
En slaat hen vriend'lijk ga,
Juffrouw Boon,
oktober 1953



Op den weg door 't aardsche leven
Treft men dikwijls tegenspoed
Op den weg door 's werelds dreven
Groeien doornen voor d'en voet
t' Gaat niet altijd voor den wind,
Houd dit steeds in 't oog mijn kind!
Tante Nee,
oktober 1953

Tusschen beuken tusschen linden
Zult gij steeds een bloempje vinden
Dat U toe roept in 't verdriet
Maatje lief vergeet Zus niet!
Je nicht Zus,
oktober 1953




Geschreven door Dora om 11:21 Reageer op dit bericht

appelboom

Een gedicht van Rutger Kopland

Onder de appelboom

Ik kwam thuis, het was
een uur of acht en zeldzaam
zacht voor de tijd van het jaar,
de tuinbank stond klaar
onder de appelboom ik ging zitten en ik zat
te kijken hoe de buurman
in zijn tuin nog aan het spitten
was, de nacht kwam uit de aarde
een blauwer wordend licht hing
in de appelboom

toen werd het langzaam weer te mooi
om waar te zijn, de dingen
van de dag verdwenen voor de geur
van hooi, er lag weer speelgoed
in het gras en verweg in het huis
lachten de kinderen in het bad
tot waar ik zat, tot
onder de appelboom

en later hoorde ik de vleugels
van ganzen in de hemel
hoorde ik hoe stil en leeg
het aan het worden was

gelukkig kwam er iemand naast mij
zitten, om precies te zijn jij
was het die naast mij kwam
onder de appelboom, zeldzaam
zacht en dichtbij
voor onze leeftijd.

Rutger Kopland
uit: Onder het vee,
Van Oorschot, Amsterdam 1966

Geschreven door Dora om 13:03 Reageer op dit bericht

baken

Een gedicht van Marianne Som, voor mij onbekend maar kwam het tegen...


Als een baken

Op een rots
in de branding
staat een vrouw,
alleen.

De zee is één,
de branding is één,
de rots is één,
de vrouw is één.

Opgelost is haar verlangen
één van twee te zijn.

Eén in zichzelf geworden is zij,
twee in één.

Sterk als de rots,
onafwendbaar als de branding,
groots als de zee.

© Marianne Som
Uit: Een leven lang eeuwigheid, 1998

Geschreven door Dora om 11:49 Reageer op dit bericht

dichter

Een gedicht van Gerrit Achterberg


De dichter is een koe

Gras... en voorbij het grazen
lig ik bij mijn vier poten
mijn ogen te verbazen,
omdat ik nu weer evengrote
monden vol eet zonder te lopen,
terwijl ik straks nog liep te eten,
ik ben het zeker weer vergeten
wat voor een dier ik ben - de sloten
kaatsen mijn beeld wanneer ik drink,
dan kijk ik naar mijn kop, en denk:
hoe komt die koe ondersteboven?
Het hek waartegen ik mij schuur
wordt oud en glad en vettig op den duur.
Voor kikkers en voor kinderen ben ik schuw
en zij voor mij: mijn tong is hen te ruw,
alleen de boer melkt mij zo zalig,
dat ik niet eenmaal denk: wat is hij toch inhalig.
's Nachts, in de mist, droom ik gans onbewust
dat ik een kalfje ben, dat bij de moeder rust.

© Gerrit Achterberg
Uit: Eiland der ziel
Opgenomen in Verzamelde gedichten
Querido Amsterdam 1963

Geschreven door Dora om 11:10 Reageer op dit bericht

schemering

Een gedicht van julius dreyfsandt zu schlamm

In de schemering

soms voelt ruimte
aan als leegstand
en zie ik ieder ander
niet meer als verwant

verblijf dan in de stoet
van zwijgende ogen
schuifelend meegezogen

en waar de richting
er niet meer toe doet

het duidt op dwalen
in stuurloos denken
ik even niets meer
in woorden kan vertalen
waarbij gevoelens ook
nog eens onduidelijk wenken

in deze schemering
is men des te meer
de geboren eenling

zo de mens eigen
keer op keer

Geschreven door Dora om 12:05 Reageer op dit bericht

land

Een gedicht van Remco Campert

In de herfst
rijpen de appels
aan hun sappige tak

de meisjes met manden
lomp lief en lelijk
rapen de appels

de lucht is nog blauw
als op witte kalenders
(hoog boven de berg
vaart vredig het vliegtuig)
hooi broeit en zweet
in de buik van meisjes

's nachts sluipt
door grootmoeders velden
de boze wolf van de kou
Geschreven door Dora om 17:51 Reageer op dit bericht

ik zie

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

O ik zie de mooiheid...

O ik zie de mooiheid van
al alle dingen

Drìngende òp in mijn arm
mens brein
zijn

Mens wil ik voor alles, alles
mens zijn.

schrijver

Geschreven door Dora om 12:27 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten