vers

wil dagen lang in ons gedragen zijn
met zachtheid en bewaakt in stil beraad,
en als een kind in zorgen opgevoed
aleer 't alleen, op eigen weg, voorgoed
en veilig in de grote wereld gaat.
Tochten (1917)

vers

sinterklaas
Een gedicht van Helene Swart 1859-1941
Sinterklaas
"Neen, kind, dit jaar zal Sinterklaas niet rijden."
'k Verbeet mijn leed en kleurde stil mijn print -
En toch, verrassend, zond de milde Sint
Ons elk wat moois, om d'avond hem te wijden.
Maar stug, ondankbaar, bleef ik droef gezind.
Pret zonder voorpret kon me niet verblijden.
'k Gaf ál mijn kracht aan klachtloos heldenlijden.
Wie kon me toovren om tot feestblij kind?
Neen, diepste vreugd was, heimelijk bedenken,
In kindereenvoud, rijmen en geschenken,
Alleen, in schemer, lakken pak na pak.
En 'k voel mij weer dat kind met blozewangen,
Waar voor al geven méér was dan ontvangen,
Wanneer ik ruik aroom van vlammend lak.
Morgenrood, Amsterdam 1929

hoeveel
Hoeveel meisjes heb je bemind,
wereld-kind,
hoeveel liedjes van verlangen,
mocht je vangen?
Hoeveel meisjes ik beminde,
welgezinde,
vraag dat aan de nachtegaal
in de groene loverzaal.
Hoeveel liedjes ik wel ving,
allerliefste lieveling,
vraag dat aan de regendroppen,
die zacht kloppen.
Licht als lachen, droef als wenen,
zingend door de dagen henen,
baande ik mij een eigen weg,
deed ik goed, o liefke, zeg?
Alle wondren van vertrouwen
wil ik in uw ogen schouwen,
nooit heb ik genoeg bemind,
zwerver, dichter, wereld-kind.
Onze Eeuw jaargang 18 (1918)

minnebede
Alleen een opslag van uw oog, een lonk vall' mij ten deel';
Het minste, zegt der Wijzen spreuk, van die men mint is veel.
1827.

editorHoe je het draait of keert
Deze editor is er één van vreselijke ergernis!
En het rare is dat ik mijn voorgaande ergernis mis!
ijskristallen
Een gedicht van Pol de Mont 1857-1931
Blankberijmd, vol ijskristallen,
praalt en prijkt de lange laan,
waarop bleke stralen vallen
van de volle blanke maan.
Op wat takken neer mag vallen,
bleek en blank, één straal der maan,
kaatsen honderd ijskristallen
vlammenpijlen door de laan.
Plots, als van de daken, vallen
winden, brallend, in de laan,
dat, alom, al de ijskristallen
wieglen, waggelen in de maan...
En mij dunkt, die ijskristallen,
waglend, wiegelend in de maan,
'k hoor ze klingelend, klangelend vallen,
'k zie ze vonkelend, flonkerend vallen,
in de lange, lange laan...,
tjankelend vallen, tjankelend vallen,
honderdtallen, duizendtallen
vallen, vallen, vallen, vallen
in de lange, lange laan.
Zomervlammen (1922)

kleur
Rood is de vlag, die wij volgen genoten!
Rood is de morgen op zijn blozende kruin,
Rood zijn de pannen van de daken van Holland,
Rood zijn de stenen van de huizen van Holland,
Rood zijn de bloemen aan 't Haarlemse duin,
Rood zijn de kersen in de Betuwse tuin!
Wit is de vlag, die eens wappert op aarde,
Wit zijn de wolken die drijven voorbij,
Wit zijn de bloesems van de velden van Holland,
Wit is het zand van de stranden van Holland,
Wit is de zee als ze schuimt aan hun zij,
Wit is het vee in de Hollandse wei!
Blauw is de vlag, die onze nobele doden,
Onze strijd, onze liefde - eenmaal allen bedekt: -
Blauw is de hemel van ons heldere Holland, -
Rood-Wit-blauw is de vlag van ons Holland -
Door ons, kameraads, zij ze immer gedekt!
Door ons kameraads, zij haar wapper gewekt!

stille
‘t Is stille. Rustig ligt
en slaapt het altemaal,
dat leute en leven was,
dat locht- en vogeltaal.
Geen windeken en waakt:
november houdt de staf,
en stelpt dat wekken mocht
het eindloos duister graf
des aardrijks. Ongebaand
en dood zijn weg en straat;
de voet alleen verwekt,
en ‘t stappen van die gaat,
een doof gerucht in ‘t loof,
dat, afgevallen, plekt
de grond, die ‘t in een spree
van doodse varwen dekt.
‘t Is stille. Gij alleen,
o vlugge en vlijtig ding,
dat, langs de natte tak
geklaverd, uw gepink
laat horen, fijn en snel,
ge ontsnapt en snetst alom:
"Ik leef nog: piep! Ik leef,
spijts ‘s winters winterdom!"
Tijdkrans (1893)

slavernij
Hebt ge vuisten kloek en sterk,
Hebt ge een harte zacht en goed,
Zijt ge lang geen domme bloed,
Maar de knapste haast in ’t werk,
Zijt gij eerlijk, trouw en braaf,
Leeft ge, wat uw arbeid zij,
Als een vogel, vrij en blij,
Drink dan ‘water,’ zo als hij -
Anders zijt gij morgen Slaaf!
Ach, hoe menig kloeke hand,
Ach, hoe menig blij gemoed,
Hoe veel harten zacht en goed,
Hoe veel flinkheid en verstand,
Zag ’k verdronken in een glas,
Waar (in steê van 't zuiver nat,
Dat uit bron of duinwel spat)
’t Vloeiend vuur uit kruik of vat,
’t Hels jenevervocht in was!
Ziet! die ergste slavenbeul
Smeedt zijn kluisters om u heen,
Snerpt zijn zweepslag om uw leên,
Zonder troost ooit, zonder heul! -
Hieldt ge eens tegen Slavernij
Tachtig bange jaren stand,
Krachtig volk van Nederland!
Thàns omsluit u strenger band....
Blanke slaven, vecht u vrij!
Al de volksdichten (1865

aan....
Ik durf met mijn denken
Uw smart niet genaken,
Niet aan te raken
Uw droefenis;
Hetgeen mij zou troosten
Licht zou het u krenken,
Het teerste en brooste
Dat in u is.
Ik zie uw verklaarde,
Uw stilfijne trekken,
Die, wat ze bedekken
Aan wanhoop en strijd,
Verheerlijkt belijden
En dankbaar aanvaarden
Het gevensbereide,
Dat in ons schreit.
Onze Eeuw jaargang 21 (1921)

de zondares
O Heer, ik ken die zaalge zondares;
Het was mijn ziel, die wenend voor U bukte,
Die met haar liefde Uw minnend hart verrukte,
De nardus gietend uit albasten fles.
Ze ontwond in drift de slingerende tres
Der haren die haar teedre schouders smukte.
Slavin, die kussen op Uw voeten drukte,
Was ze aller zondaars zoete meesteres.
Nooit in haar leven kwam een zaalger stond,
Dan toen ze Uw goddelijke deernis vond.
Nog vóór zij bad, was al haar schuld vergeven.
Wat kan ze, U minnend, meer dan minnen doen?
Zij zal, ondanks der bozen honend woên,
Op U, Beminde, wachtend, voor U leven.
De donkere bloei (1923 - 1925)

editorAlle verandering is geen
verbetering....
Dit geldt voor de editor!
tuin
Een gedicht van Jacob van Looy 1855-1930
Eerste sneeuw in de tuin
Verhelderd ligt en overal omzwacht,
En tinteljong en toch zo eindloos oud,
Dat 't bijna angstig maakt en onvertrouwd
Dit daaglijks plekje nu in winterdracht.
Gedekt zijn alle sporen, kalm en zacht,
En alle onwilligheên en stutten boud,
Met veertjes blank als bijenvlerkjes koud,
Belegen werden uit de hemelnacht.
Van 't hart uit wit tot de einden als de dromen,
Die, woord nawoord, uit dichters neergekomen,
Zich levend schikten in het stilst der nachten;
Zo ligt de tuin gestrekt nu in het heden;
Wie zal er zetten komen de eerste schreden?
Anders dan mussen die hun kruimkens wachten.
Gedichten (1932)

herfstavond
Op 't donkre buiten
Boomkruinen ruisen;
Stormwolken drijven:
In 't lamplicht huis en
Voor donkre ruiten,
Zit 'n dromend beeld
Woorden te schrijven,
En 't kruinenruisen,
En 't wolkendrijven,
Staat, een geluid, in
Schrift gepenseeld.
Nieuwe gedichten



Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914
Val nu mijn woorden als hele reine
Drupjes van klank in der oren fijne
Luistrende schelpjes; maak melodije
Van mijn gedachten, en zoetjes laat
Ze op rimpling van golvige rhythmen glijen,
Totdat de ontwaakte stilte staat
In zachte glimlach van verblijen.
Serena (1898)

nacht
Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929
Nacht. - Aan het open raam
Nacht. - Aan het open raam waar mijn begeerte huivert
van pijnigende weelde en blij-doorpriemend wee,
hoor 'k, in het wind-gewuif, van dag-gebroei gezuiverd,
gescheurd en moe de kreet der ongeziene zee.
Ik luister. En 't geschuif der zuiverende vegen
van flodder-wind, die hijgend-blij 't geluchte wast,
voelt zeulen in zijn joel en door zijn woelen wegen
de stem der zee die kreunt en wijkt, die huilt en wast...
- o Vreugde-winden, die mijn pijnlijk-open ogen,
die mijn gedachten manlijk aait en waaiend zoent:
geen schaatren heeft mijn oor voor diepre stem bedrogen,
geen sussen dat mijn ziel met eigen leed verzoent.
In norse toomloosheid, in koppig-taai weerstreven,
voel ik mijn rouw in mij gelijk de zee gebreid:
nóg wilder, waar ze in zich voelt huiveren en leven,
o Zee, het wéten van haar wrede oneindigheid.
Want, hoe ge mijne kreet in eigen grol mocht smachten,
o Zee; hoe 'k eigen drift om eigen trots verbeet:
nog dieper dan mijn rouw bijt, sterkend, de gedachte,
dat gij mij niet en kent en ik uw grenzen weet.

rijp
Een gedicht van Jacob Winkler Prins 1817-1908
Nu glinstert alles van de witte rijp.
De dunne berkentakjes zijn bedekt
Met wollig dons, dat wonderbaarlijk blinkt.
Het groene koolblad, dat zoo sierlijk krult
Aan lange stengel, vonkt van diamant.
In schaduw van de doornenheg hangt, laag
Er tegen aan, in 't windje wuivend, rag,
Dat door ijspluimpjes dik omsponnen werd.
En lager tegen de aard straalt 't gele gras
Wijd uitgebloeid, hoog opgeschoten, fijn,
Zijn zijden aartjes pluisdun in de lucht,
Zo kostelijk fraai met edelsteen getooid,
Als strooide een zak met parelgruisjes daar
Een engel over 't uitgebloeid struweel.
Gedichten (1910)

bomenKom niet onder hoge bomen,
die klein zijt en niet groeien kunt,
wie alleen een haastig dromen
een ontrouw denken is gegund.
Zo wie loopt op losse voeten
heeft lichte last van hart en hoofd.
Taaigewrongen wortlen moeten
hem binden die in kracht gelooft.
Zie, de bomen ruisen, leven,
slaan streng hun zware schoonheid uit.
Blijf daar weg zo gij maar even
wat lispelspeelt met half geluid.
Heilig zijn de sterke stromen,
een hart dat scheurt, een pijn die gilt...
Kom niet onder hoge bomen,
kleintrotse, die niet lijden wilt.
Noordhorn (1916)
oog
In de stad met het zilverig oogerondkijken,
de tere omhoge volneergeblazen zachtgerande wolklucht, ’t strijkel
van de blauw wittigbespeelde lucht.
Hoe heerlijk. Het stille hoogdroge roodwange door de lucht.
Met moeie voeten, maar warm lepelende lucht;
stil langs de huizen, de lichtglazen, de donkerstenen,
dat donker geloop naast, er over henen,
dof het hoofd, laagdof, slaapdof, maar heerlijk de lucht
in de stad langs, op het water over, van omhoog door de blauwe lucht
De school der poëzie (1897)



De bolle winden blazen blauwe kuilen
In 't asgrauw fulp der zware wolkenlagen.
Een brede bundel zilverlicht komt vagen
De rug van 't grijze paard, dat sleept de zuilen
Van 't woud, gevelde stammen, op een wagen,
Door 't blanke heizand. Matte zon bleef schuilen.
De wegen-eiken staan als ijle tuilen,
Maar de einder-berken, schimmenbleek, vervagen.
De lucht vervullen blijder geen geruchten
Dan, uit een verre hofsteê, honden janken
En 't altoos eendre kling der paardenbellen
Versmelt met donker dodeklokken-luiden.
Maar 't somberst dunkt mij van die droeve klanken
De slag der bijlen, die de bomen vellen.
Nieuwe verzen (1920)
