

Een gedicht van Constantijn Huygens 1596-1687
AAN DE SNEEUW
Droog water, koele wol, wit roet, gehakte veren,
Wees welkom boven op mijn beste hoed en kleren,
Ik zie niet hoe men u met reden haten zou,
Die ons van boven brengt de Warmte met de kou.



Een gedicht van Constantijn Huygens 1596-1687
Droog water, koele wol, wit roet, gehakte veren,
Wees welkom boven op mijn beste hoed en kleren,
Ik zie niet hoe men u met reden haten zou,
Die ons van boven brengt de Warmte met de kou.
maart

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925
Maartlucht, die er tegelijk
zo scherp als glas
en zo ontvoerend zijn kan.
O, de bezieling, zijnde in de bezwaren
anders nooit betrokken streken
en schuilgelegen uitzicht
te brengen vondsten fonkelend en schaars:
de moeilijkheden zijn de kans der kunstenaars.
boeket

Een hartenkreet de schrijver is Marion niet zo zeer bekend het is een lange kreet
Een bloem, uit een gemengd boeket
fris van kleur en heerlijk van geur
zo sta jij overdag tussen de mensen
de ene keer ben je ernstig, dan met pret
bij jou kom je nooit voor een gesloten deur
al ken je niet altijd jouw eigen grenzen!
Een bloem, net als jij ook bescheiden
sta je zo vast besloten in jouw eigen stee
om een ander ermee te kunnen verrassen
niemand hoeft bij jou dan te lijden
ook al valt het dan niet altijd even mee
om een bloem te vinden die bij je kan passen!
bedelaarster

Een gedicht van Hendrik Tollens 1780-1856
Ik kom uit mijn dorpje: ik kom om wat brood;
Ik dool door het slijk en de slibber der straten;
Mijn kleed is gescheurd en mijn voeten zijn bloot;
Mijn moeder is krank en mijn vader is dood:
Wij schreiden zo luid, maar het mocht ons niet baten.
Heb meêlij, heb deernis, mijnheer en mevrouw!
Och, sluit niet uw oren zo koel voor mijn klagen:
De nacht is nabij, en ik bibber van kou;
Mijn moeder is krank van gebrek en van rouw:
Och, geef mij wat brood: ik zal nooit u weer vragen.
Neen, noem mij niet lui, niet vrijpostig en stout;
Ik zou wel zo graag leren breien en spinnen!
Reeds sprokklen mijn broertjes ons vlijtig wat hout;
En, zijn ze eens - als ik nu - groot en zo oud,
Dan zullen zij werken, en eerlijk wat winnen.
Och, moest gij eens, rijken, zo keurig gekleed,
Zo kostbaar gevoed! onze ellende ervaren;
Des winters zo naakt en des zomers bezweet,
Gaan bedelen langs straat om een dronk en een beet!..
Och, moog er u God toch altoos voor bewaren!
Uit de bundel: Gezamelijke Dichtwerken (1856)
Illustratie: " De kleine bedelaarster" door Adolf-William Bouguereau (1825-1905) Frankrijk
sonnet

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947
De wereld is dezelfde; overal
De blauwe hemel en de grauwe steden,
Drijvende wolken en, daar vér beneden
De velden en de mensen; morgen zal
Deze aarde mij niet anders zijn dan heden
En dan zij gisteren was; en zonder tal,
Trekken bij zonneschijn, bij regenval
De dagen verder, als zij altijd deden.
Alleen, lief, waar wij vluchtige uren leven
Te zaam in immer wisselende vreugd
En zo grondloos verzonken in elkanders
Geluk, of de uren eeuwig bij ons bleven
Met prille glans van nooit vergane jeugd,
Is álles eender en is álles anders.
hovaardijEen gedicht van Hermanus Asschenberg(h) 1726-1792
HOVAARDIJ *
Wie zich hovaardig op zijn schat toont, wordt belacht;
Wie ’t op geleerdheid doet, verdient ons mededogen;
Wie op zijn rag of staat zich trots toont, wordt veracht;
Wie ’t op zijn kunst doet, is bespottelijk in elks ogen;
Maar, geestelijke hovaardij
Is de onverdraaglijkste en streeft alle waan voorbij.
--------------------------------------------------------
Hovaardij - arrogantie
wenen

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903
I.
Gij weent - o God! wat doet u wenen? spreek?
Van waar die tranen op die lieve wangen, bleek
Als marmer en van doodskou overtogen?
Vrouw! waarom vloeit uit die zo minlijke oogen,
Die bittre, droeve tranenvloed?
Wat droefheid heerst op uw gemoed,
En rooft uw ziel haar kalm genoegen? -
O Gij, die beter waardig zijt,
Wat smart doet u de boezem zwoegen,
Wat doet u wenen? - God! - gij lijdt.
II.
Neen; - die als gij is moest niet lijden; - 't breekt het hart,
Het wreed gezicht van zo veel smart,
Waar zo veel deugd en zo veel schoonheid zich verenen;
Neen; - die als gij is moest niet wenen!
Daar zijn er moglijk, die dit uitstaan; wier gevoel
Gehard is tegen zo veel droevigs; die 't vermogen,
U aan te zien en kalm te blijven, - zo niet koel, -
Maar ik ben weker; - 'k heb mijn moeders borst gezogen,
En somtijds stijgt haar zwakheid mij naar de ogen; -
En thans, daar 'k u ten prooi aan zo veel leed
Moet zien, en zo veel tranen vloeien
Van één, die 'k zo onschuldig weet,
Nu voel ik 't brandend vocht ook in mijn ogen gloeien, O! sla niet weer dat wenend oog op mij,
Wend af dat droef gelaat, of 'k worde een vrouw als gij! -
III.
Maar ween gij voort; want tranen zijn voor vrouwen
Een toevlucht en een balsem in hun smart, -
Een zoete zalving voor een wreed gefolterd hart,
Zij vloeien zacht en onweerhouën;
Slechts de eerste kost iets; maar waar die vergoten werd,
Daar volgen de andren licht, gemaklijk en verkwikkelijk, -
U zijn zij zalig, - ons verschrikkelijk! -
Zij zijn de man een foltring; want geheel
Zijn wezen komt in opstand tegen tranen,
En al zijn kracht verzet zich, - (ligt te veel!)
Waar zij zich doortocht willen banen,
In 't oog, dat haar niet gaarn wil tonen; - daar
Moet veel bestreden, - veel verwonnen zijn in 't harte,
Voor zij de wederstand doen zwichten, die ze tartte. -
Verrijzen zij, 't is niet tot heling; maar
Onwillig komen zij en traag voor brein en ogen;
Wreed - pijnlijk - met een barning als van vuur.
Dit alles voelt gij niet: - uw schreien
Is onbedwongen - 't is het middel der natuur
Tot sussing van uw smarte; - tranen leien
Die af; - o! mochten zij 't geheel! mocht voor uw leed
Heur milde stroom een Lethé wezen,
Wiens vocht uw hartewond genezen
Niet slechts, - maar ook vergeten deed.
1834.
jeugd

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941 Onderaan het gedicht een dichterlijke visie van mijzelf
Ik zocht alom, ik zocht en kón niet vinden
Mijn Boek van Jeugd, verloren en versmeten.
't Was al zó oud: 'k had d'inhoud half vergeten,
Zo liefdezoel als heimweegeur van linden.
Maar gele bladen uit dat boek gereten,
Gedragen op erinnrings sidderwinden,
Wezen waar 't lag, omrankt van blanke winden,
Of me uit elk blad een bloem wou welkom heten.
In dof verleden-stofgoud knielde ik neder
En al de kelken uit dat boek ontsproten,
Streelde ik, in weemoed eerbiedvol en teder.
Maar 'k brak geen rank die 't Jeugdboek hield, omsloten.
Jonkheid is wreed, Erinnering nog wreder.
'k Bewaar het Boek omkelkt van lenteloten.
1898
Herinnering
De herinnering van de jeugd
Het is bepaald niet altijd een vreugd
De omstandigheden van het leven
Kan het een slechte of een goede herinnering geven
Het ligt er maar aan hoe sta je als kind en tiener in het leven!
Toen en wat later
In het leven is er altijd wel een kater
gezondheid

Een gedicht van Hieronymus van Alphen 1746-1803
Gezondheid is een grote schat
Om vergenoegd te leven.
Ofschoon ik grote rijkdom had,
Wat voordeel zou het geven,
Zo ik, doorknaagd van angst en pijn,
Mij zelve tot een last moest zijn.
Maar zou ik dan mijn Vaders raad
Niet ijverig betrachten?
En gulzigheid en overdaad
Niet mijden en verachten?
Die nooit genoeg heeft voor zijn mond,
Leeft zelden vrolijk en gezond.
Uit de bundel: Kleine gedigten voor kinderen (1778-1782)
uitzichtpuntEen hartenkreet van Joke Bot. Het is wel een realistische gedachte! Het werd gerangschikt onder humor
aan één stuk door
schijnt onze zon
een grijze dag
daarna de nacht
ik wou dat ik
het geloven kon
de aarde draait
de zon dus niet
opkomen en
ondergaan
is wat de mens
slechts ziet
stijgend

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920
O zwart gevaarte boven 't hoofd
zwaar hangend in de donkre lucht,
wat heb ik in uw diepten al
gesmacht, gebeden en verzucht!
O levend stenen wezen! Hier,
door angst gejaagd, door hoop gestaald,
ben ik naar 's harten wondergang,
wild ópgedraafd of kalm gedaald.
Geen enkle boezemtrilling, die -
- géén wentling mijner ziele, die
niet weerluidde in uw torenklank,
vol zoete of sombre poëzie.
En van mijn eerste grote smart
tot aan mijn laatste zielsgeween,
't is alles in uw bouw vergroeid
en 't spreekt mij toe uit elke steen.
Krank is nu 't lichaam, krank het hart,
dat in onpeilbre smart verviel,
maar, worstlend tegen God en lot,
jaagt stormend óp de ontembre ziel.
Brussel, 23 November 1897.
----------------------------------------------------------------
In 1047 liet hertog Lambert II een kerk bouwen ter ere van Sint-Michiel, aartsengel en patroonheilige van Brussel. Op de dag dat de romaanse kerk ingewijd werd, liet de hertog echter ook de relikwieën van Sint-Goedele overbrengen. De officiële naam van de kerk is Sint-Michielskathedraal, maar in de volksmond staat ze nog steeds bekend als Sint-Goedelekerk.
hartenkreet

Een hartenkreet van An Terlouw. Ze schreef het tijdens de kou en je ziet dat de meeste mensen sneeuw hebben wou! Je leest ook het gezeur van de mensen die in mineur de winter hebben doorgebracht...Het is uiteindelijk altijd wat!
Nu verzucht ’t hele land
kap nou toch eens met die sneeuw
we zijn het zat het wordt teveel
stop nu maar eens onderhand
jaren riepen diezelfde mensen
een witte Kerst is lang gelee
die zou er moeten komen
en iedereen riep driftig mee.
Dan komt er een mooie witte
niet alleen Kerst, welnee, veel meer
uren dagen weken maanden
zitten we er nu dan toch al mee
het is te lang het is teveel
het is te intens het is te vaak
maar toch vorig jaar opperde iedereen
zonder uitzondering maar raak:
Een witte kerst, zou prachtig zijn,
dat is al zolang gelee
en nu, na al die maanden sneeuw,
geen kans op stop zitten we er mooi mee
want het zout is helemaal op
en strooien, kan bijna niet meer
dus glibberen en glijden we alle kanten op
en doe je al je botten zeer.
Want de wereld is weer wit,
het sneeuwt weer volop als een lieve lust
en menigeen kijkend naar buiten zucht:
wanneer houdt het eens op?
vandaagVandaag
Vandaag hebben we pret
De dooi heeft ingezet
Dit is de stap die naar de lente wordt gezet
Ja lente, de meeste mensen kijken er naar uit
Je kon het vandaag een beetje waarnemen
Dat de winter bijna is verdwenen
lente?

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937. Hoe een mens naar de lente kan verlangen met blozende wangen door de eenzaamheid en kou! Dit is er altijd al geweest in het menselijk bestaan. De jaargetijden doen ons voortgaan!
Ik smacht naar de lente en haar goud,
Naar de jonge, de licht-tere kleuren,
Ik smacht naar het groenende hout,
Naar de zoetige Meidorengeuren.
Hoe heerlijk te liggen in 't mos,
Te staren in 't blauw van de hemel,
Te volgen de blaadjes die los
Zich wieg'len in takkengewemel!
Hoe welven zich bogen van glans
Om mij heen bij der lente verschijnen,
Hoe hupp'len in weke kadans
Mijn gedachten langs zacht-ronde lijnen!
Mijn hart roept de lente zo luid,
En klopt ongeduldig haar tegen...
Hoor! was dat geen merelgefluit?
Wat klonk daar langs de eenzame wegen?
schip
schemeravond

Een gedicht van Cornelis Honingh 1846-1896. Als moeder schreit dan begrijpt een kind daar niet veel van. Soms kunnen ze wel de gemoedstoestand aanvoelen.
"Twee kindertjes bij elkaar,
Een zusje en een broertje;
Ik wou, dat ik er meer van had,
Al van dat lieve goedje."
Zo zongen beide in 't schemeruurtje
Als Moeder 't olijk, vrolijk paar
Weer bij zich op de schoot ging beuren
En zij daar speelden met elkaar.
Nu zit ze alleen met ons klein-zusje,
Zingt, maar met tranen in haar stem.
Geeft haar ook 't kleintje kus op kusje,
Te meer nog denkt zij steeds aan hem.
Klein-zusje vindt het nu niet prettig:
Eén moest er zijn op elke knie.
Ze haalt haar pop: ‘Ma, dat is broer nu,
Weer zijn we met ons beiden, zie!’
"Twee kindertjes bij elkaar,
Een zusje en een broertje;
Ik wou, dat ik er meer van had,
Al van dat lieve goedje."
Zo zingt klein-zusje en is weer blijde,
Heeft schik, dat zij 't zo goed bedacht.
Verbaasd kijkt ze, als zij zich voelt kussen
En Moeder schreit in plaats van lacht.
grondenEen gedicht van Daniel Jonctys 1600-1654
Ondoorgrondelijke gronden!
'k Ga niet veilig, zonder nood;
'k Ben niet vrolijk, zonder wonden;
'k Kan niet leven, zonder dood.
't Zijn twee ogen die mij geven
Dood en dodelijke wond:
En dat doden doet mij leven;
En dat wonden maakt gezond.
Hierom, opdat ik zou mogen
Hoeden mij voor doods gevaar,
Zoek ik stadig naar deze ogen,
Om gewond te zijn van haar.
Zoete wonden, zonder sterven!
Lieflijk sterven, zonder dood!
Aardig stelen, zonder derven!
Wonder derven, zonder nood!!
vrij

Een hartenkreet van Marcus Neuborg
iets onbereikbaars
laat nooit echt los
wij zijn geen stenen
zijn geen rots
maar meer een boom
die ziet het als
een wereld die beweegt boven
ons
die wolken ziet dansen
en vogels liederen schrijven
zoals dat eigenlijk hoort
wij zijn de kinderen der
sterrenstof
nooit groeiden wij ouder
en nooit verstoorden zij onze jeugd
wij praten wel zuiver
maar kijken altijd verder weg
nooit konden zij weten
wat het eigenlijk kost
om echt vrij te zijn
sneeuwval

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922
Al
Dalen de vlokken,
Dalen de luchtige vlokken en lokken
Mijn ziel met geruisloze vreugde in stille, onhoorbare val.
Dicht
Sneeuwt aan de hemel,
Sneeuwt aan de loodgrauwe hemel gewemel
Van volle, van koelblijde blankheid in feestelijk, zachtgedempt licht.
Traag
Reikt mijn begeren,
Reikt mijn afgunstig begeren, te keren
In tot de sneeuwkoele, diepe, volkomen rust omlaag.
geschreven

Een gedicht van Mobar het heeft wel iets te vertellen, schrijven en schrijven het zijn twee dingen! Soms kan een schrijver al schrijvend zingen. In het andere geval kan een schrijver het schrijven benoemen! Wil men schrijven om te schrijven dan is er soms geen diepte in.
Ik denk soms
al weet ik het niet zeker
dat zij die zich het minst vaak
schrijver noemen, meer
te vertellen hebben
de weemoedige vreemdelingen
die geen tijd hebben om te schrijven
ze beleven pure poëzie en ademen
het leven, waarover schrijvers schrijven
en het zal mijn eigen pen niet zijn
die woorden herhaald, van wat ik hen
niet heb verteld, in afstand en stil zwijgen.