Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

de zon

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

VLOEK NIET DE ZON!

Vloek niet, o vloek niet de zon,

m'n broer, die zo zwaar draagt uw last,
touwen en lijnen zijn om u getast,
hoog glijdt de boot in de zon.

Rafel van kleed hangt naar neer van uw borst,
uw ogen en slapen zijn wild omvloten,
maar de haat, de haat uw oog ontschoten

0

vloekt de zon, vloekt de zon op uw borst.

Bittere man die nu bukkend gaat,
Aarde en Hemel zingen een lied,
gij bukt en gij hijgt ende ziet het niet,
de zonhaat snijdt door uw gelaat.

De Hel die de aard is, is door u betreden;
een arme schoot was het die u droeg,
'n arme vrouwe die 't eerst tot u loech,
daarom buk en hijg en heb vrede.

Daarom buk en hijg tot uw adem glijdt mee met -de adem -des Hemels, het aadmen der zee:
dan zal uw kind weer de trekker zijn.
en vloeken der zonne doorlaaiende schijn.

Zonne die heerlijk en licht maakt de Heemlen,
zonne die 't bloed door ons aren doet weemlen,
zonne behoedster, beschermster, bewaakster,
zonne al-lichtende levenmaakster,
zonne die baart wat de wereld al ziet,
genadig zij hem ende belg u niet

om de smaad om de smaad van zijn mond,
gezegend heerlijke zon.

Zangen van hoop

schrijver

Geschreven door Dora om 09:33 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

de zon

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920

De zon

De zon speelt door het loof der vorstelijke dreven,
die kruisen, heinde en verre, om 't vorstelijk kanteel;
de zon valt blinkend neer op toren en kanteel;
de zon doet levend goud op de oude kruinen beven.

De zon is overal. - Om 't wislend veldtafreel
verbreidt ze een waaiend waas, uit zijde en licht geweven:
zij trilt in elk gezang; zij leeft in alle leven
en leeft in ieder deeltje en leeft er toch geheel.

0 zon, laat mij nog eens in al uw luister baden ;
doordring mij gans, dring door in 't diepste mijner ziel,
die brandend naar u haakte en toch in nacht verviel.

0 laat me, u volgend langs de nooit-betreden paden,
waarheen zo menig streefde en geen u volgen kon,
verteren in de gloed der goddelijke zon.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:14 Reageer op dit bericht

sterven

Een hartenkreet van Hans Uding

Een afscheid voor altijd! Zo gaat het met ieder mens in de tijd!
Vroeg of laat moeten we scheiden...als het goed mag komen is
er niet meer dat vreselijke lijden! Dan werd het bittere zoet!


STERVEN

Lachend in de kille stille ruimte
door zijn intense snikken heen
weet hij toch nog te vertellen,
dat zijn vragen niet meer kwellen
de laatste adem, een kwestie van seconden
hij was blij, dat wij er allen stonden


Geschreven door Dora om 11:25 Reageer op dit bericht

wezenkind

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Het wezenkind van Sina

'k Ben een Sinese weze, een wezen vol ellende,
die moeders borsten nooit noch heure zoen genoot!
en vader, die mij voor zijn kindje niet en kende,
liet mij van wieg, en huis, en leven schier ontbloot!

o Goede Vlaamse klenen,
zoudt gij mij laten wenen
zo ik om hulpe vroeg?
één stuiver waar' genoeg.

Zij laten me al allene, allene en zonder hope!
al is 't dat ik verga van honger en van vrees:
'k heb schaars een korstje dat 'k in mijn tranen dope
en toch ben ik een kindje, en toch ben ik een wees!

o Engelandse klenen,
wilt ook entwat verlenen
om mijne nood te voên!
één stuiver zal gedoen.

Ha! 'k zou zo geerne van dees droeve wereld scheden,
waar 't dat ik na mijn dood de deur des Hemels vond!
maar 'k vrees hiernamaals nog veel schrikkelijker leden:
mijn zielke is nog niet vrij van de erfelijke zond!

o Lieve Franse klenen,
kon God het mij verlenen
dat gij mijn zielke koopt!
één stuiver! 't is gedoopt.

1850


-------------------------------------------
Sina: China
weze: wees
klenen: kleinen
gedoen: voldoen
scheden: scheiden
leden: lijden

schrijver

Geschreven door Dora om 10:42 Reageer op dit bericht

sleeping

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

SLEEPING FAWN

Op 't oud, geel boek, zie hoe, deze effen morgen,
Teer glanzend groen de bronzen vorm zich sloot:
't Reekalfje ligt in de eigen slaap geborgen,
Als vroeger in de donkere moederschoot. -

Mijn ziel, nu zó lang stom, kan ik nog hopen,
Dat iets, uit u geboren, in mij rust,
Maar straks ontwaakt, en dan, hoe rank mag lopen,
Op lichte voeten, langs bezonde kust?

Herwaarts(1920-1945)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:32 1 reactie Reageer op dit bericht

morgen

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Zo morgen...

Zo morgen tussen u en mij
De zee lag met haar vloed onmeetlijk,
Gij waart mij even onvergeetlijk
Als nu, nabij...

Geen tijd, geen afstand scheiden wat
De Liefde zó te zaam gebracht heeft;
Zij is het, die de ziel een kracht geeft
Als zij nóoit had...

Geen macht, die déze macht verwint,
Die, wat de Liefde wil, kan keren;
Zelfs als het hart vergeefs begeren
Moet wat het mint,

Zelfs dán nog is het, daar het heeft
Vergeefs verlangen, te benijden
Boven het hart, dat zonder lijden
En liefde leeft.

De Gids (1916)

schrijver

Geschreven door Dora om 15:46 Reageer op dit bericht

keizer

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

DE KEIZER

Hoog en stil, in 't glinsterend ijzer,
Boven volksgril - die hij haat -
Rijdt, als droomde hij, de Keizer
Dwars de davering door der straat.

Maar de spotschelm, eng ter slinker,
Schampert: "ken uw waarheid, dwaas!
Dood, die bittere verminker,
Schendt ook u tot, aanstonds, aas."

Smaad, als roem, maakt wijzen wijzer, -
Baat de schelm zijn hete spot?
De een blijft, onverlet, de Keizer,
De andere een naamloze onder 't rot.

Herwaarts(1920 - 1945)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:12 Reageer op dit bericht

lied

Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924

Het eigen lied

Ik was een knaap, die alle Joodse dagen
Van vasten en van vreugd eerbiedig hield.
Zijn dagen veilig voor angstige vragen,
Al zijn verlangen door vroomheid bezield.

Ik werd een man. Wie kent het zalig dwalen
Langs vrije wegen als ik heb gekend?
Van des ochtends vóór de open uren stralen,
Tot de zon zich naar 't weemlend Westen wendt.

Ik was een man, Ik heb het lied gezongen,
Waar de weg rust, dat het rusten verblijdt,
Meer dan één heb ik mijn makkers gedwongen
Met de macht van het lied tot heerlijkheid.

Tot ik bezon van al mijn machtig dwalen,
En keerde, een zware en diep-wroegende keer.
Maar zó vertrouwd als 't eigen ademhalen
Bleef mij mijn lied, niet luid, maar stil en teer.

En 't eigen land herdacht ik met verlangen,
Terwijl mijn lied sterk en bezonnen zwol.
Als de druiven, die in zijn gaarden hangen,
En zetten zich aan al hun ranken vol.

Tot ik keerde en onze eindlijke overwinning,
In onze Stad hier elke dag verwacht.
't Lied van verlangen, het lied van bezinning,
Maar 't overwinnend lied wint meest aan macht.

Zeg alles, wat gij weet aan innigheid,
Liefde, vriendschap, een moeder met haar kind,
Het is alles toch niets bij de innigheid,
Die een Dichter in het eigen lied vindt.

Want het eigen lied is de Dichter nader
Dan het eigen bloed in het bonzend hart.
Het leven voert langs vriend en langs verrader,
Het lied verlaat niet in vreugden en smart.

O, lied, dat mij langs verlangen geleidde,
Dat mij geleidde langs boetende keer,
Zult gij tot mijne Dood mijn hart verblijden,
Met een vroom spel en een bezonnen leer?

Het eigen lied in 't eigen land te zingen,
En zalig drinken van zijn volle lust.
Eén is het lied van de herinneringen,
Van verlangen, van bezinning en rust.

Het Joodsche Lied, Boek 2 (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:23 Reageer op dit bericht

oogst

Een gedicht van Rosalie Loveling 1836-1923

In de oogst

Zij stonden op het akkerland
Zij maaiden in de zonnebrand
En zongen bij het werk
De lastige arbeid wordt een feest
Voor hen die jong en licht van geest
En moedig zijn en sterk

Daar kwam de landheer langs de beek
De schouders hoog de wangen bleek:
Hij zocht de schaduw daar.
Hij groette licht en ging voorbij
Gezang en arbeid staakten zij
En wezen hem elkaar.

Die man gevoelde zich zo fier
Hij dacht „dat zijn mijn velden hier
En ginder rijst mijn slot.
Wis knaagt de nijd u in 't gemoed
Gij die op aarde zwoegen moet
Gij vloekt gewis uw lot."

Toen zei er een met stille stem
„Wie ruilde zegt van ons met hem?"
En allen lachten. Geen
Aan wie zo 'n leven zonder vreugd
Aan wie de rijkdom zonder jeugd
Benijdenswaardig scheen.

Gedichten van Rosalie en Virginie Loveling (1877)

Illustratie: De korenoogst (1565) door Pieter Bruegel

schrijver

Geschreven door Dora om 09:55 Reageer op dit bericht

winternacht

Een gedicht van Frederik Hemkes 1854-1887

IN ENE WINTERNACHT

Op bergen had de winter hoog
Zijn witte vaan geplant,
En zag met koud en glinsterend oog
Omlaag op 't groene land.

Dáár rustte gouden zonnegloed
Op 't langgepluimde gras;
Dáár toefden warmte en overvloed,
Alsof het zomer was.

Of was de lucht niet blauw en klaar,
Al kromp de blijde dag?
Geen bloempje nam de vijand waar,
Die op de hoogten lag, -

Eer, in het grauwe nevelkleed,
Dat kilheid met zich droeg,
De berggeest van zijn sterkte gleed,
En kleur en geur verjoeg.

Wat lente koesterde in haar schoot,
Wat heel een zomer bracht,
En herfstmaand spaarde, werd gedood
In éne winternacht.

Astrea, 1(1881)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:50 Reageer op dit bericht

omgang

Een gedicht van W.L. Penning 1841-1924

Onzichtbare omgang

Heen zonder afscheid en nooit weer te vinden —
'Dood' heet men u, mij eenzaam jaren reeds;
Blijde onafscheid'lijk trouwe vrinden —
Heet ons mijn eigen hart, zo zonnig leeft ge er steeds!

Levensavond (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 09:52 Reageer op dit bericht

woestijn

Een gedicht van Felix Timmermans 1886-1947

HOE LOOPT DE WEG DOOR DE WOESTIJN ?

Hoe loopt de weg door de woestijn
naar Uw Beloofde Landen?
Er is veel dorst, er is veel pijn,
maar weinig troost voorhanden.
Wij kwamen in 't begin der wegen
de kloeke druivendragers tegen,
en vroegen toen reeds: Is 't nog ver ?
Zij wezen met kort duimgebaar,
alsof het nog een boogscheut waar,
naar d' Avondster.
En 't land werd niet gevonden.
Maar 't heimwee blijft, spijts twijfel, nood
en ijdelheid en zonde.
Begint het soms in 't aanschijn van de dood?
Men zegt: Wie God wil zien moet sterven...
Of loopt de weg doorheen de grot
van onze ziel, waarin Gij waakt, mijn God?
Dan valt de schone hoop in scherven,
want dan begint de weg van her...
Dan was het nooit zo na, mijn God,
maar ach, ook nooit zo ver!

schrijver

Geschreven door Dora om 09:59 Reageer op dit bericht

vlam

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

Vlam

Schuimende morgen

en mijn vuren lach
drinkt uit ontzaggelijke schalen
van lucht en aarde
de opale dag.

Verzamelde gedichten (1941)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:30 Reageer op dit bericht

taal

Een gedicht van Hajaw Spandaw 1777-1855

De Nederlandse taal.

Neen! Neêrland staat zijn taal niet af!
Wie God een Neêrlands harte gaf,
En zuiver Neêrlands bloed in de ad'ren,
Dat bruist voor de eer van 't vaderland,
Die zal dit erfgoed van zijn vad'ren
Waarderen als een heilig pand.

Ja, Neêrlands taal is een trezoor,
Welks schatten, met ondoofb're gloor,
De nagebuur in de ogen stralen;
Waarin de deugden, moed en kracht,
De blanke trouw en de eenvoud pralen
Van 't onverbasterd voorgeslacht.

Dit heiligdom van 't vaderland
Werd door uw zegenrijke hand,
o Hoofden! Vondels! ons ontsloten;
En heel een goudstroom, schitt'rend rijk,
Hebt gij voor Holland uitgegoten,
o Onnavolgb're Bilderdijk!

De glorie onzer heldeneeuw,
De moed van Neêrlands waterleeuw,
De glans van Neêrlands krijgsbanieren, -
't Blinkt all' voor ons, in volle praal;
Nog kraken Neêrlands eerlaurieren
In Neêrlands grootse heldentaal.

Zelfs in de zwarte gruwelnacht
Van schande, en vloek, en jammerklacht,
Vlood, voor een poos, het schriklijk duister:
Ja, Helmers zong... er rees een straal,
Een volle dag van licht en luister -
Dat was de zon van Neêrlands taal!

En nu - nu nacht en schand verdween;
Nu Neêrlands schildleeuw, als voorheen,
Met fierheid schudt de gouden manen;
Nu 's ad'laars klauw hem niet weerstaat,
En voor de glans van Neêrlands vanen
De maan van Mekka ondergaat;

Nu Neêrlands onbesmette Maagd
Weer schatting van de volken vraagt,
De zege aan onze standers snoerend';
Nu Neêrlands rijke en stoute taal,
Haar eigen glans ter tinne voerend',
Doet schitt'ren Neêrlands wapenpraal;

Nu zouden we, als een slavenstoet,
Versmadende eigen overvloed,
Ons met geleende lompen tooien?
En, op uitheemse klank verzot,
De mond naar vreemde tongval plooien?
En zijn der volken schimp en spot?

Neen! Neêrland staat zijn taal niet af!
Vloek tref' hem, die, verwijfd en laf,
Nog in het Frans gareel blijft stappen!
Wat bralt hij op de naam van VRIJ?
Wie vreemden slaafs poogt na te klappen,
Is rijp voor vreemde slavernij.

Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1817.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:43 1 reactie Reageer op dit bericht

roerganger

Een gedicht van Albert Verwey 1865-1936

DE ROERGANGER

Zal ik zijn als gij mij wenst,
Varend tussen weerzijds banken,
Als een schok de schuit doet wanken
En het schuim de plecht beplenst,

Leer mij dan altijd uw oog
Boven mij te zien en onder,
Als een weerzijds lokkend wonder,
Afgronddiep en hemelhoog.

Want de dreiging om en om
Kan ik dan getroost verduren,
Als door rechts of links te sturen
Ik bij u te lande kom.

Het zichtbaar geheim, W. Versluys, Amsterdam.(1915)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:51 1 reactie Reageer op dit bericht

vaarwel

Een gedicht van Virginie Loveling 1836-1923

Vaarwel en wederzien

Vaarwel!- dat woord ligt op de lippen,
Vaarwel!- dat is zo licht gezeid.
Dat kan in stille treurigheid,
Bij kus en handdruk ons ontglippen.
Dat ligt in 't hart en op de lippen,
Wanneer men van elkander scheidt.

De tijd vervliegt, de jaren snellen,
't Verandert alles om ons heen,
Wat eenmaal eeuwigdurend scheen;
Maar wie toch kan de dromen tellen,
Gedachten, die ons harte kwellen
Met al 't verlangen naar 't verleên.

Vaarwel!- dat woord is onder vrinden
Zo vaak, zo onbedacht gezeid,
Wanneer men van elkander scheidt;
Maar 't wederzien, het wedervinden
Der diepbetreurden, die wij minden
Hoe lang soms en vergeefs verbeid!

Gedichten van Rosalie en Virginie Loveling (1877)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:10 Reageer op dit bericht

de mens

Een gedicht van Hajo Spandaw 1777-1855

De mens

Wat is de mens? Zie hem in volle overvloed
Van aards geluk: zijn borst zal steeds onrustig zwoegen;
De toekomst, die hem vleit en zijn verbeelding voedt,
Vertoont nog hoger heil, belooft hem meer genoegen.
Zijn aanzien stijgt in top - zijn wens blijft onvoldaan;
Zijn roem, luidklinkend, heeft zijn eerzucht niet bevredigd;
Hij hijgt naar zinvermaak - de wellust lacht hem aan ...
En met een enkle teug heeft hij de kelk geledigd.
Hij streeft naar nieuw genot - en walgt, als hij 't ontvangt;
Hij dorst naar schatten - geeuwt, wanneer ze 't oog verblinden;
Hij hoopt en droomt en zwoegt en reikhalst en verlangt ...
Totdat hij in een groeve in 't einde de rust mag vinden.
Ontneem hem hoop en droom, begoocheling en schijn,
En hij houdt op een mens te zijn!

Geschreven door Dora om 11:07 Reageer op dit bericht

ijdelheid

Een gedicht van Karel van den Oever 1879-1926

IJdelheid

Wij wandlen een poos over de aarde,
een ogenblik slechts, een kleine stond;
we gaan door de "levensgaarde"
en blijven een korte tijd ,"gezond",

we slapen, we praten en eten,
och, alles slechts een kleine wijl;
't is gauw weer verdwenen, vergeten...
Is 't leven geen snellende pijl?

Ei, straks was het klein knaapje jarig :
't was de tuinman die bloemen gaf .
Helaas, hoe is die vreugd voorbarig:
't zijn bloemen op het jonge graf...

Hoor onder die bomen de zuchten
en zoenen van 't jonge,lieve paar;
helaas, in het leven zijn kluchten!
Zij stierven vóór 't einde nog van 't jaar...

We leven op aard slechts een schijntje.
Weet gij wie het beteren zal?
God houdt ons aan 't eeuwige lijntje.
Zo raken de paarden op stal.

Verzen uit de oorlogstijd (1919)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:01 1 reactie Reageer op dit bericht

kerk

Een gedicht van Antony Winkler Prins 1849-1904

De kerk in 't bos.

(Canon)


Kling - klang! Kling - klang!

O - ver het woud
gal - men de klok-ken als Eng'-len - ge - zang,
Vlei - end met to nen van zil-ver en goud:

Kling- klang, kling - klang, kling - klang, klang!

Kling - klang! Kling - klang!
Sta - tig van stem roe - pen de klok-ken met stre-len - de drang:

Na - der, o na - der, o na-der tot Hem!

Kling- klang, kling - klang, kling - klang, klang!

schrijver

Geschreven door Dora om 10:06 1 reactie Reageer op dit bericht

zinspreuk

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

Zinspreuk

Ik bid alleen om licht....
Licht dat geen zwaarte heeft,
Licht aan het zwart ontzweefd,
Licht dat mijn kennis wijdt
Met zijn doorschijnendheid,
't Rijm en mijn maten draagt,
Dat wie ze leest zich vraagt,
's Avonds bij lampenschijn:
„Kan dit de dag al zijn?"
's Morgens bij zonnegloor:
„Volg ik een leeuwrikspoor?
Want 't wordt verblindend Licht
Voor mijn gezicht."

Herscheppingen (1916)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:25 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten