Welkom bij saagje!
Foto
Inhoud blog
  • Het aardmannetje van de Röhrerbühel 2
  • Het aardmannetje van de Röhrerbühel
  • Nikola staat borg
  • De vurige man van de Geute
  • De geschiedenis van de boerendochter Ketilrídur 2
  • De geschiedenis van de boerendochter Ketilrídur
  • Op reis gaan
  • De luie hasjverslaafde en zijn verstandige vrouw(vervolg)
  • De luie hasjverslaafde en zijn verstandige vrouw
  • Het toverfluitje en het toverhoedje (vervolg)
  • Het toverfluitje en het toverhoedje
  • Waarom de bomen in de herfst geel worden
  • Tijl Uilenspiegel en de paardenkoopman
  • De nimf Daphne
  • De geschiedenis van de reuzenkreeft
  • De toren van Medemblik
  • Theseus en Hippolytus
  • Duimedik
  • De vuurman van Soest
  • Maan, Djabu en de dood
  • De jakhals en de patrijs
  • Goudsbloempje
  • Afspraak is afspraak
  • Het spook van de Zeedijk
  • Rata's wonderbaarlijke reis-einde
  • Rata's wonderbaarlijke reis-vervolg
  • Rata's wonderbaarlijke reis
  • Waarom de hyacint maar zo kort bloeit
  • De citerspeler
  • Van een opgeverfde haan
  • Het land van moeder Soemba
  • Het zwanennest
  • De engel
  • De gebarsten emmer
  • De hondenmarkt van Boedapest (slot)
  • De hondenmarkt van Boedapest
  • Billy de coyote (slot)
  • Billy de coyote(vervolg)
  • Billy de coyote
  • Garuda
  • De dood van de sprookjesverteller
  • Het boertje in de hemel
  • De verdwaalde boodschappenjongen-vervolg
  • De verdwaalde boodschappenjongen
  • De bijenkoningin
  • De spijze gods
  • Tijl Uilenspiegel danst op het koord
  • De brandende schaapherder
  • Heilig Huis bij Vierhouten
  • De doedelzakspeler en de Pooka
    Foto
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Hoofdpunten blog waaroemni
  • bel20-aex 24/5/2012
  • Brigantijn
  • Brigand (Boerenkrijg)
  • bel20-aex 23/5/2012
  • Brigadeiro
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Categorieën
  • aardgeest (21)
  • avonturenverhaal (6)
  • dierenverhaal (5)
  • duivels (46)
  • fabels (56)
  • gedichten (1)
  • geesten (griezellen) (10)
  • heksen (51)
  • historisch verhaal (13)
  • historische sagen (35)
  • legende (41)
  • Luchtgeest (30)
  • Mythe (24)
  • parabel (7)
  • Plaaggeest (10)
  • sagen (87)
  • Sinterklaasverhalen (4)
  • sprookjes (115)
  • Tovenaars (38)
  • toverboeken (13)
  • volkssprookje (40)
  • volksverhalen (139)
  • vuurgeest (26)
  • watergeest (19)
  • weerwolven (15)
  • Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto
    'VOLKSVERHALEN'

    problemen
    Verhalen, sprookjes, fabels, mythen, sagen en legenden
    welkom!
    Problemen
    Er zijn nogal wat problemen met het lezen van de teksten, daarom volgende tip :
    Met de muis links klikken en over de tekst schuiven.
    De tekst verschijnt duidelijk leesbaar.
    08-05-2012
    nieuwsgierig héHet aardmannetje van de Röhrerbühel 2
    Het aardmannetje van de Röhrerbühel 2
    Het aardmannetje van de Röhrerbühel 2
    - Een Tiroler sage over een meisje en een dwerg -

    Na korte tijd kwam hij terug met een zware staaf in zijn handen, die hij het meisje aanreikte met de woorden: "Neem dit aan kindlief, het is puur korrelzilver uit de schatkamer van de berg, waarin nog nooit een mens geweest is. Ik wil je tot het rijkste meisje van de streek maken op één voorwaarde: iedere zaterdag op dit uur moet je mij bezoeken." Verblind door de glans van het edele metaal willigde Traudl zonder aarzelen zijn verzoek in. Zij hield haar belofte. Iedere zaterdag na haar samenzijn met Christoph bezocht zij het aardmannetje dat al bij de ingang op haar wachtte. Door het gezelschap van het frisse jonge meisje werd de oude dwerg vrolijk en blij en iedere keer als Traudl zich klaarmaakte om naar huis te gaan, kreeg zij koninklijke geschenken.

    Nu hadden de mensen iets om over te praten en te roddelen, niemand kon er een verklaring voor vinden hoe zo'n arm boerenweesmeisje opeens aan zoveel geld gekomen was. Zij had een grote boerderij laten bouwen. Er stond gezond vee in de stallen, en velden en weiden omgaven de grote deftige hoeve. Sieraden en mooie kleren had zij in overvloed.

    Nu zou je denken, dat het meisje daar gelukkig mee was, maar de onverwachte, moeiteloos verworven rijkdom had haar eenvoudige vrolijke aard veranderd. Traudl werd hoogmoedig en humeurig, onrechtvaardig en egoïstisch en de trouwe Christoph kreeg veel te verduren.

    Al gauw viel de winter in met sneeuw en koude, en werd het haar te veel moeite, het afgesproken bezoek bij het aardmannetje af te leggen. Langzamerhand vergat zij haar weldoener helemaal. Zij had alles wat zij zich maar wensen kon en had hem niet meer nodig.

    Op een stormachtige nacht in december brak er plotseling op de boerderij van het meisje brand uit. Het vuur was overal tegelijk, in het woonhuis, in de stallen en schuren. De daken stonden in lichterlaaie en de storm wakkerde de gloed aan tot één grote vuurzee. Ternauwernood kon Traudl zich in veiligheid stellen.

    Zij riep om hulp en huilde tranen met tuiten. Maar de buren, die nieuwsgierig aan waren komen snellen, bleven als aan de grond genageld staan en staken geen hand uit. Het meisje was hun te arrogant geworden, haar rijkdom was te raadselachtig geweest. Zij waagden hun leven niet om de wild om zich heen grijpende vuurgloed te bedwingen.

    Een lelijk grijs klein mannetje sprong vergenoegd rond en riep met hese stem: "Zo gewonnen, zo geronnen!" Nu was Traudl nog armer dan tevoren. Van haar geld en goederen was niets overgebleven dan een drukkend schuldgevoel. Zij wist maar al te goed dat zij Christoph in haar verwaandheid getergd en verwaarloosd had en dat zij haar eens gegeven woord niet had gehouden.

    Haar trouwe vrijer ontving haar echter met open armen. Hij was bijna gelukkig over het ongeluk dat zijn liefste getroffen had, want daardoor had hij haar weer teruggekregen. Hij vergaf haar alles en in mei zou eindelijk de bruiloft zijn.

    Toen de lente met zijn zachte nachten, zijn bedwelmende zoete lucht en de roep van de nachtegaal zijn intocht hield, kwamen zij opnieuw weer iedere keer op de Röhrerbühel bij elkaar. De avond voor de trouwdag ontmoeten zij elkaar nog één keer op hun geliefde plekje. Zwijgend zat het paar op het zachte mos onder de machtige sparrenboom.

    Het was bijna middernacht toen zij afscheid namen. Bij de ingang van de mijngang hoorde Traudl weer de bekende klank van het ertshamertje en de zachte glans van de karbonkel was in de diepte te zien. Besluiteloos en bang bleef ze staan, toen ging ze schoorvoetend de vanouds bekende weg naar beneden de grot in, waar het aardmannetje op de rotswand zat te kloppen. Toen hij het meisje in de gaten kreeg, barstte hij in lachen uit en riep spottend: "Ha, ben je daar, mijn duifje! Ik moet je nu zeker belonen voor je ondank? Nou, kom maar mee, dan zal ik je mijn rijkdommen laten zien!"

    Het gezicht van het aardmannetje was bleek en ingevallen. Zijn haren en baard hingen verward om z'n verwrongen gelaat en de diepliggende ogen fonkelden onrustig als die van een krankzinnige. Met ijzeren greep pakte hij het tegenstribbelende meisje bij de hand en trok haar met zich mee door eindeloos lange schachten en gangen, waarvan de wanden schitterden van het goud en de edelstenen. Eindelijk bleven zij staan. Het meisje deinsde huiverend terug. Aan haar voeten gaapte een donkere afgrond en in de onmetelijke diepte ervan kolkten wilde wateren. Voor haar ogen rukte de dwerg de karbonkel van zijn borst en slingerde hem in de afgrond. "Doof uit, zon van de schacht, verzink rijkdom van de berg, de oude dwerg voert zijn bruid naar huis in het eeuwige rijk van de nacht," riep hij met donderende stem, en reeds hadden de wilde wateren hem en zijn slachtoffer verslonden.

    De trouwdag was aangebroken. Vol verwachting stond de bruidegom met zijn gasten voor de kerk. Zij wachtten tevergeefs. Het werd middag, de avond viel, bloedrood verdween de zon achter de bergen, maar de bruid kwam niet opdagen. Dagenlang werd er naar haar gezocht. Traudl was en bleef spoorloos en ook het aardmannetje heeft men sindsdien niet gehoord of gezien.

    * * * teinde * * *

    Bron : - "Alpensagen. Wilhelm Tell en andere verhalen" door Gretl Voelter.
               Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1982. ISBN: 90-202-0049-6
               - www.beleven.org

    08-05-2012 om 14:29 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sagen
    » Reageer (0)
    06-05-2012
    nieuwsgierig héHet aardmannetje van de Röhrerbühel
    Het aardmannetje van de Röhrerbühel
    Het aardmannetje van de Röhrerbühel
    - Een Tiroler sage over een meisje en een dwerg -

    Lang geleden was er in de omgeving van Kitzbühel nog een zilvermijn. De mijnwerkers werkten ijverig in de mijngangen en schachten van de Röhrerbühel en brachten veel kostbaar erts naar boven. Eens hadden goedige aardmannetjes de rijkdom van de mijn in een droom aan drie boeren verraden. Toen de mijnwerkers daarna werkelijk zilveraderen vonden, kende hun hebzucht al gauw geen grenzen meer. Zij groeven steeds dieper in de berg en vielen de dwergen zo lastig bij hun werk, dat deze tenslotte vertoornd het wat verderop gingen zoeken. Slechts één van hen, een norse, rare oude snuiter, bleef de berg trouw en ging zo woest tekeer in de eindeloze gangen en tunnels, dat al gauw geen mijnwerker zich meer in de diepte durfde wagen, want bergbeken en ontploffend mijngas bedreigden een ieders leven. Zo raakte de grote winstgevende mijn in verval. Onberoerd liggen nu de schatten in de Röhrerbühel.

    Nadat het aardmannetje de mijnwerkers verjaagd had, raakten de gangen in verval en talrijke schachten stonden onder water. De oude dwerg echter verlangde soms hevig naar menselijk gezelschap. In heldere maannachten hurkte hij treurig neer voor de verwaarloosde ingang van de mijn, of sloop door weer en wind naar de dorpen en gehuchten en keek nieuwsgierig door de ramen.

    De mensen vermeden echter de omgeving van de Röhrerbühel. Bij het vervallen bergwerk was het volgens hen niet pluis. Alleen jonge paartjes uit de omgeving hadden er plezier in op zachte zomeravonden daar rond te dwalen, want het was er eenzaam en mooi onder de brede sparren. De sterren schitterden boven de spitse Kitzbüheler Horn, de maan goot zijn zilveren licht over weiden en bossen en glimwormpjes verlichtten de duisternis met hun fosforescerende gloed.

    Onder een geweldige boom zat Traudl, een arm boerenweesmeisje, met haar verloofde. Het plekje was helemaal naar hun zin en zij lachten en plaagden elkaar, zoals jonge verliefde mensen nu eenmaal graag doen. Christoph, zo heette de jongen, wilde gauw trouwen, het meisje echter had grote plannen voor de toekomst.

    Het was al laat toen de twee uiteen gingen, in tegenovergestelde richting op weg naar huis. Traudls weg voerde langs de mijngang. Van verre hoorde zij al een helder en regelmatig kloppen en klinken. Toen zij bij de mijn kwam, stond de poort wijd open en een flauwe lichtglans scheen uit de diepte. Zij voelde zich niet op haar gemak, maar de nieuwsgierigheid won het van haar angst en dreef haar voorwaarts. Voorzichtig en langzaam ging zij naar binnen en liep door een lange gang het licht tegemoet.

    Opeens doemde er een wijde ruimte op, en zij zag een oeroud mannetje met een baard, op een rotsblok zittend, ijverig op mijnwerkerswijze op het gesteente los hamerend. Een grote karbonkel op de borst van de dwerg straalde een helder licht uit en deed het veelkleurige erts aan de wanden schitteren. Het meisje wilde zich al weer verwijderen, toen het mannetje plotseling ophield met zijn werk. Als een jonge man sprong hij op toen hij het mooie jonge ding in de gaten kreeg en zijn ogen straalden van plezier. Hij hield het meisje bij haar jurk vast en smeekte haar nog een poosje te blijven en hem gezelschap te houden.

    Traudl stemde toe en vertelde uit zichzelf hoe zij binnengekomen was. Daar zij behalve Christoph, geen mens op aarde had, vertrouwde zij het aardmannetje al haar plannen, zorgen en wensen toe. De dwerg luisterde aandachtig, toen glimlachte hij sluw en verdween in de diepte van de schacht.

    * * * er volgt nog * * *

    Bron : - "Alpensagen. Wilhelm Tell en andere verhalen" door Gretl Voelter.
               Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1982. ISBN: 90-202-0049-6
               - www.beleven.org

    06-05-2012 om 18:20 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sagen
    » Reageer (0)
    05-12-2011
    nieuwsgierig héNikola staat borg
    Nikola staat borg
    Nikola staat borg
    - Een Russische heiligenlegende over Sint Nicolaas -

    Antip was een rijke boer. Hij woonde boven aan de helling van een steile heuvel. Maar Antip was een gierig mens. Hij was erg op zijn geld gesteld en ook al zou er iemand van honger voor zijn huis sterven, dan nog kon hij het niet over zijn hart verkrijgen ook maar één cent weg te geven. Wat Antip wel deed, was geld lenen, maar dan uitsluitend als men er hem iets voor in onderpand kon geven.

    In het dorp van Antip woonde nog een andere boer, Sergej. Maar Sergej was arm en dat was altijd zo geweest. Maar door allerlei omstandigheden had hij nu helemaal niets meer waarvan hij en zijn familie zouden kunnen leven, zodat zij met de hongersnood bedreigd werden. Dag in dag uit piekerde boer Sergej erover wat hij moest doen om aan geld te komen. En op een dag zei hij tegen Marja zijn vrouw: "Marja, ik denk dat ik een oplossing heb gevonden; ik zal naar Antip gaan!"

    "Maar Sergej, domoor, weet je dan niet dat Antip zonder onderpand niemand geld zal lenen?"

    "Ik denk dat hij mij dit keer wel geld zal lenen, ook al heb ik geen onderpand."

    Hij verliet het armzalige huisje, liep de heuvel op en klopte bij Antip aan.

    "Vadertje Antip, heb medelijden, anders sterven wij van de honger."

    "Maar beste broeder Sergej, weet je dan niet dat ik nooit iemand geld leen?"

    "Wil je me ook geen geld lenen, als ik je een borg breng?"

    "Dat weet ik nog niet. Het zal ervan afhangen wie je borg is."

    "Mijn borg is de heilige Nikola. Thuis heb ik zijn iconenbeeld staan." Toen moest Antip diep nadenken, want Nikola als borg kon je niet zo maar afslaan. Omdat hij een vroom man was, sprak hij tot Sergej: "Ik zal erover nadenken. Kom vanavond maar met de icoon van Nikola bij me."

    En zo verliet Sergej Antips huis en keerde vol goede moed naar huis terug. Antip zou hem vast geld lenen, zodat zij niet van honger behoefden om te komen. En tegen zijn vrouw zei hij opgewekt: "Antip heeft mij niet zonder meer weggestuurd; hij heeft gevraagd of ik vanavond bij hem wil komen."

    "Maar wat heb je dan tegen hem gezegd?" vroeg Marja.

    "Ik heb hem gezegd dat Nikola mijn borg zal zijn."

    "Maar hoe kun je dat nu doen?"

    "Maar mijn beste vrouwtje, weet je dan niet dat als er iemand is die weet wat er bij de mensen gebeurt en ziet hoe moeilijk ze het hebben, dat toch wel Nikola is. Ik ben er zeker van dat hij ons niet in de steek zal laten."

    Tegen de avond pakte boer Sergej de icoon van Nikola en zei tegen zijn vrouw: "Marja, je moet je warm aankleden en met me meegaan. Als ik bij Antip naar binnen ga, moet jij je buiten voor het raam schuil houden en goed luisteren naar wat ik zeg. Ik zal de icoon vragen: 'Vadertje Nikola, wil je mijn borg zijn?' Als je dat gehoord hebt, moet je zachtjes maar duidelijk met een lage stem zeggen: 'Ik zal borg zijn.'"

    En zo gingen ze samen op weg; boer Sergej voorop met de icoon onder zijn arm en daarachter zijn vrouw Marja. Ze klappertandde van angst. "Maar Marja, er is toch geen reden om bang te zijn? Heb ik je niet verteld dat vadertje Nikola alles ziet en ons niet in de steek zal laten?"

    Het was gaan sneeuwen en moeizaam liepen Sergej en Marja de steile heuvel op tot Antips huis. Sergej klopte aan en ging met de icoon van Nikola naar binnen.

    "Vadertje Antip, hier ben ik, zoals we afgesproken hebben."

    "En je borg heb je ook meegebracht?"

    Sergej haalde de icoon van Nikola te voorschijn en zette hem neer. En terwijl Antip en zijn vrouw naar de icoon keken, bekruiste Sergej zich en bad: "Vadertje Nikola, wil alsjeblieft mijn borg zijn!" En terwijl Antip zich nog afvroeg of de heilige werkelijk zou verklaren borg te willen zijn, hoorden zij plotseling duidelijk een stem: "Ik ben borg!" Een zachte, maar duidelijke stem had gezegd: "Ik ben borg!" Iedereen had het gehoord, Sergej, Antip en diens vrouw. "Heb je het ook gehoord, vrouw?" vroeg Antip. "Jazeker, ik heb het gehoord!" zei Antips vrouw. "Heb je veel geld nodig, Sergej?"

    Sergej voelde zich niet meer zo zeker van zijn zaak, want de stem die ze zojuist gehoord hadden klonk heel anders dan de stem van zijn vrouw. Toch zei hij: "Kun je me honderd roebel lenen?"

    "Antip, geef hem er tweehonderd," zei zijn vrouw. En terwijl Antip zijn geldkist te voorschijn haalde en die opendeed, draaide hij zich naar Sergej om en vroeg: "Tot wanneer wil je dat geld lenen?"

    "Ik zal het met Nieuwjaar weer terugbrengen," zei Sergej. Daarop gaf Antip Sergej tweehonderd roebel en Sergej vertrok. Buiten wachtte Marja hem op. Het was intussen pikdonker geworden en er woei een flinke sneeuwjacht.

    Nu waren de problemen voor Sergej en zijn gezin voorlopig ten einde. Maar de tijd vloog voorbij. Voor Sergej en Marja er erg in hadden was het al Kerstmis en over enkele dagen zou het Nieuwjaar zijn. En dan moest Sergej zijn schuld terugbetalen, maar hij had geen geld. Hij had gehoopt met dat geleende geld orde op zaken te stellen, dat alles weer goed ging en hij genoeg geld zou verdienen om Antip terug te betalen. Maar voor de arme Sergej was het onmogelijk zo'n groot bedrag bijeen te brengen. Tweehonderd roebel: dat was een vermogen!

    Het werd Nieuwjaar en Antip wachtte op Sergej, maar die kwam niet opdagen. Hij wachtte nog een dag en nog één, maar Sergej kwam niet. Antip voelde zich steeds bozer worden; hij had vertrouwen in Nikola als borg gehad en nu was hij toch bedrogen.

    De volgende dag besloot Antip de icoon van Nikola naar de markt te brengen. Daar had hij de hele dag rondgelopen en geprobeerd de icoon te verkopen, maar er was niemand die haar wilde hebben. Onder het rondlopen sprak Antip steeds maar tegen Nikola en verweet hem, dat hij er niet voor gezorgd had dat Sergej op tijd het geld had teruggebracht. "Je hebt toch persoonlijk gezegd dat je borg zou zijn voor die arme stakker!" En terwijl hij daar zo rondliep, werd hij steeds razender, omdat hij besefte dat men hem had beetgenomen! Het werd al donker toen Antip naar huis terugging. Hij was boos en droeg de icoon onder zijn arm. Terwijl hij daar zo liep kwam hem een oude man tegemoet. Deze vroeg hem: "Waar ga je heen, mijn zoon?" Wrevelig antwoordde Antip: "Ik heb een heiligenbeeld dat ik verkopen wil." Dat had hij die dag al zo vaak gezegd. "Wat moet je ervoor hebben?"

    "Doet er niet toe."

    Toen haalde de oude man twee biljetten van honderd roebel te voorschijn, gaf ze aan Antip en nam de icoon in ontvangst. "Ga met God, mijn zoon."

    Zonder nog één keer naar de oude man te kijken draaide Antip zich om en ging op weg naar huis. Het was langzamerhand helemaal donker geworden. Antip had al zijn aandacht bij de twee bankbiljetten die hij stevig in zijn hand hield en lette helemaal niet op de weg. En zo kon het gebeuren dat hij plotseling uitgleed over een glad stuk wegdek.

    Maar toen hij probeerde om weer te gaan staan lukte dat niet. Hoe hij het ook probeerde, met geen mogelijkheid kon hij weer opstaan. Antip werd bang en begon luid om hulp te roepen en op het geluid van zijn geschreeuw kwamen de mensen toegesneld. Ze tilden hem op en brachten hem naar huis.

    Maar met het geld kon Antip niet veel meer beginnen, want vanaf dat ogenblik kon hij niet meer lopen.

    * * * einde * * *

    Bron : - "Daar wordt aan de deur geklopt. Verhalen voor Sint Nicolaas, liedjes en recepten"
               door Ineke Verschuren.
               Uitgeverij Christofoor, Zeist, 2000. ISBN: 90-6238-734-9
               - www.beleven.org

    05-12-2011 om 15:05 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (1 Stemmen)
    Categorie:Sinterklaasverhalen
    » Reageer (2)
    31-10-2011
    nieuwsgierig héDe vurige man van de Geute
    De vurige man van de Geute
    De vurige man van de Geute
    - Een griezelverhaal over verschijnselen bij de monding van de IJssel -

    De Geute is een van de mondingen van de IJssel en daar is het niet pluis. Ja, daar gebeuren soms wonderlijke dingen. Tenminste wanneer men er met het net gaat vissen. Dat ondervond eens een visser die zich er niet aan gestoord had. Hij had een goede vangst maar er overkwam hem iets om van te griezelen.

    Hij lag 's nachts in de Geute, aan de kant van de wal. Hij en zijn knecht lagen reeds lang te kooi en sliepen de slaap van de rechtvaardigen. Maar ze hadden het net gebruikt en dat zou hen duur komen te staan. Want op een gegeven ogenblik wordt de knecht wakker en denkt: "Wat hoor ik toch voor vreemd gezang? Wonderlijk, op deze eenzame plaats, midden in de nacht. Wie kunnen er nu lopen zingen?" Hij roept de schipper en zegt: "Luister eens, wat is dat daar?" - "Watte?" vraagt de schipper slaperig, en hij wrijft zich de ogen uit. "Hoor je dan niet zingen?" De schipper gaat rechtop in de kooi zitten en luistert. Ja, waarachtig, er wordt gezongen. En wat een vreemd lied. Verstaan ze het goed, wordt daar gezongen:

    "De lamp brandt, de lamp brandt,
    Maar wij gaan liever over zand."
    Ja, dat zingen ze, wonderlijk.

    De schipper en de knecht staan op, schieten gauw de broek aan en gaan naar dek. Wat zien ze daar? Vier mannen. Of zijn het slechts schimmen? Het is zo onwerkelijk. Men kan niet duidelijk onderscheiden. Komt het gezang van die vier schimmen? Of ergens anders vandaan?

    De schipper en de knecht staan in spanning. Wat gaat er gebeuren? De vier gedaanten komen recht naar de botter toe. Wel nog aan toe, wat zou dat moeten? Ze horen duidelijk zeggen: "Hier brandt de lamp, maar wij gaan liever over zand." Vreemde woorden. Wat hebben ze te betekenen?

    De vier schimmen zijn de botter genaderd en zonder een woord te zeggen strekken ze hun acht handen uit en leggen die aan boord. Zo loodzwaar drukken die handen op de kant van de botter dat deze bedenkelijk overhelt. Zwijgend staan de vier schimmen in de duisternis, en laten hun handen loodzwaar wegen op de rand van de botter; tot kantelens toe.

    De schipper en zijn knecht staan verlamd van schrik. Reeds schept de botter water, nog een ogenblik en hij kapseist. Plotseling flitst het door het brein van de schipper: "De straf voor het netvissen." Ineens schiet de macht in zijn spieren terug en bijgestaan door de knecht gooit hij de trossen los en weet met een forse stoot de botter van wal te krijgen. En toen er van door. Zo vlug ie maar kon. De Geute uit en zee in. Nooit heeft die visser weer met het net in de Geute gevist.

    En dan die andere visser, die het net in de Geute uitgeworpen had. Weet je wat die beleefde? Men had hem nog wel gewaarschuwd: "Denk om die boerenplaats daar. Kom daar niet te dicht bij. Daar is het niet pluis." - "Wat is daar dan?" had de visser ongelovig gevraagd. "Wat zou me tegenover die boerenplaats kunnen gebeuren?" - "Ja, pas maar op, blijf er maar vandaan, meer zeg ik niet," huiverde de zegsman, "het is er niet in orde wat ik je zeg." Maar de schipper sloeg de raad in de wind.

    Hij viste er lustig op los, de hele nacht door, en haalde het net er door of het de gewoonste zaak van de wereld was. Hij floot er zijn deuntje bij en de knecht zong een vrolijk liedje. Wat kon hem gebeuren hier. 't Scheen alles zo veilig als wat. En de vangst was goed. Het weer was prachtig, dus er was niets wat hen deerde.

    Maar jawel, wie niet luisteren wil moet voelen. Want zie, stond daar niet, op de hoogte van de boerenplaats, op de dijk 'de vurige man'? Groot en dreigend stond hij daar te vlammen en zijn gloeiende rechterhand wees naar zee. "Schipper," schreeuwde de knecht en zijn stem sloeg over van hete angst, "schipper, kijk es!" - "Watte?" vroeg de schipper die nog niets gezien had, want hij was te druk bezig de vangst uit de netten te pellen, "watte, Piet?" - "Kijk," hikte Piet, "op de dijk."

    De schipper hief het grijze hoofd op en jawel hoor, daar zag hij de dreigende vurige gestalte staan, hoog, op de dijk, tegenover de boerenplaats. Van klinkklaar vuur was ie, roodgloeiend, en zijn ogen gloeiden witheet. "Wa-a-a-at is dat?" hijgde de schipper. "De vurige man!" klonk het van de dijk, "de vurige man! Wat moet dat hier in de Geute?"

    De schipper vergeet zijn roer en zijn netten en klemt zich van angst aan de mast vast. Hij knijpt zijn ogen toe om de vurige verschijning maar niet te zien maar dat is vruchteloos, want zo hel gloeit de vurige man dat het schelle licht door de oogleden heen dringt. Dreigend blijft de vlammende arm naar de zeekant wijzen. "We moeten weg," bibbert de knecht eindelijk. "Ja, weg, weg," hijgt de schipper en met een ruk gooit hij het roer om. De knecht hijst de zeilen en weg varen ze, zo hard de wind hen voortdrijven wil. Weg, uit de Geute, om er nooit weer met het net te komen vissen.

    Nee, in de Geute is het niet pluis.

    En die andere nacht dan. Het was kalm weer, zacht briesje en heldere maan. Een visser met het net bezig. En een goede vangst. Natuurlijk, in de Geute zit wel vis. Maar de visser werd weggejaagd. Evengoed als de twee vorigen. Nee, niet door vier schimmen, ook niet door de vurige man, maar door een witte gedaante.

    Ja, en die bleef niet op de dijk, zoals de vurige man, nee, die kwam over het water naar de botter gestapt. Eerst leek het maar een nietig klein wit wolkje, en de schipper met zijn knecht wijdden er niet te veel aandacht aan. "Zie je dat wolkje," had de schipper gezegd. "Datte?" vroeg de knecht. Maar verder praatten ze er niet over. Maar jawel, dat wolkje werd groter en nam vorm aan. Niet ineens. Nee, je kon niet zeggen, nu is het nog een wolkje en zie, nu is het een witte gedaante. Nee, 't ging zo van lieverlede. 't Kwam dichter bij en 't groeide, 't groeide al maar door, al maar door, en toen, vlak bij de botter, stond ie ineens, hoog opgericht, de witte gedaante. Akelig glinsterden zijn ogen en zijn lange witte mantel wapperde wijd uit. Met zijn lange magere armen maaide hij in de lucht; schrikwekkend om aan te zien.

    De schipper maakte dat hij wegkwam met zijn botter. Pas toen het schip in zee was liet de witte gedaante af. Al die tijd had ie achter de botter aangehold. Zwaaiend met zijn magere armen en zijn mantel woest wapperend achter hem aan.

    Nee, in de Geute is het niet pluis.

    * * * einde * * *

    Bron : - "Sagen en legenden rond de Zuiderzee" door S. Franke.
                W.J. Thieme & Cie, Zutphen, 1932, p. 36-38.
               - www.beleven.org

    31-10-2011 om 18:36 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:geesten (griezellen)
    » Reageer (1)
    26-10-2011
    nieuwsgierig héDe geschiedenis van de boerendochter Ketilrídur 2
    De geschiedenis van de boerendochter Ketilrídur 2
    De geschiedenis van de boerendochter Ketilrídur 2
    - Een IJslandse sage over een moedige vrouw -

    Vroeg in de ochtend werd zij door Thorsteinn gewekt. Hij vroeg haar hem te volgen, wat zij direct deed. Hij ging nu met haar naar de schaapskooi, waar hij haar de schapen van haar vader en de andere dalbewoners teruggaf en haar uit het dal bracht. Het weer was intussen mooi en helder geworden. Bij het afscheid zei Thorsteinn tegen Ketilrídur: "Ik zal je nu mijn hond lenen om je naar huis te vergezellen. Hij zal je bij het bijeenhouden van de kudden net zo goed kunnen helpen als een flinke man en hij zal je thuis bij het hek weer verlaten. Ik verzoek je echter, zodra je thuis bent, mensen te verzamelen, die je kunnen helpen, wanneer het nodig is. Maar je moet niet eerder met hen hierheen komen, voordat ik mijn hond Sörli gestuurd heb. En dan wil ik je nog vragen, niet eerder te trouwen, voordat je weet, wat er van mij geworden is." Daarna namen ze afscheid. En Ketilrídur ging naar huis, en Sörli dreef alle schapen tot binnen de omheining bij de boerderij van haar vader.

    Groot was de vreugde over de terugkeer van Ketilrídur, en voor haar ouders was het als hadden zij hun dochter van de dood teruggekregen. Zij vroegen naar haar belevenissen, en zij vertelde alles van het begin tot het einde. De dalbewoners kregen nu ook hun schapen terug en men prees Ketilrídur om al haar flinkheid en overleg, die zij getoond had. Maar Ketilrídur riep zo gauw mogelijk een aantal mensen bij elkaar en zij kreeg vierentwintig van de flinkste mannen uit de buurt. De jongen, die aanvoerder werd, heette Ketill.

    De winter brak aan. En op een nacht droomde Ketilrídur, dat Thorsteinn tot haar kwam en haar om hulp vroeg. Zij stond de volgende morgen vroeg op, kleedde zich aan en ging naar buiten. Voor de deur stond Sörli. Toen hij haar zag, sprong hij uitgelaten tegen haar op. Zij bedacht zich niet lang, maar liet onmiddellijk de mannen, die haar hun hulp aangeboden hadden, waarschuwen. Snel werden alle voorbereidingen getroffen, en Sörli liep voorop. Laat in de middag bereikten zij het dal en de boerenhofstede. Buiten was geen mens te zien. Toen zei Ketilrídur tot haar metgezellen: "Wacht achter het huis op mij. Ik wil eerst alleen naar binnengaan, maar houdt je gereed om te komen zodra ik jullie roep." Dat beloofden zij.

    Zij ging het huis binnen en kwam in de woonkamer, aan het einde waarvan zich een verhoging bevond. Daar ging Ketilrídur zitten. Zij zag een oude man en een oude vrouw en zes jonge jongens, die allemaal een boos gezicht trokken. De oude vrouw keerde zich naar Ketilrídur en vroeg of zij iets wilde eten, daar zij wel erge honger zou hebben. Ketilrídur nam het aanbod graag aan. Toen haalde de vrouw een schaal met vlees en bood die Ketilrídur aan. Zij nam de schaal aan, maar toen zij er in keek, schrok zij vreselijk, want het was mensenvlees.

    Zij zei, dat ze dit eten niet gewend was en vroeg de oude vrouw haar iets beters te brengen. Toen bracht men haar schapenvlees. Nu merkte Ketilrídur dat de oude man een mes tevoorschijn haalde en het begon te slijpen. Daarop zei hij tegen de jongens dat het wel het beste zou zijn, het meisje direct te doden. En hij beval hun haar te grijpen. Zij sprongen op om zijn bevel op te volgen. Maar zij smeekte hun, eerst haar doodsgebed te mogen zingen, omdat zij tenslotte een christen was. De oude man voelde niets voor religie en wilde daarom geen toestemming geven, maar de zoons waren nieuwsgierig en wilden het gebed graag horen, want zoiets hadden zij nog nooit meegemaakt. Zodoende werd het haar toegestaan. Zij verzocht hun haar tot de deur te begeleiden, opdat God haar ziel niet uit hun huis hoefde te halen. De oude man wilde ook dat weer niet toelaten, maar de zonen zetten door en brachten haar tot op de drempel van de deur, terwijl de oude met een mes in zijn handen volgde. Toen bad Ketilridur met luide en zeer duidelijke stem:

    "Keta, Keta, Keta van mij,
    Kom met je mannen naderbij
    En haal de ziel van mij."

    Nauwelijks hadden Ketill en zijn mannen dat gehoord, of zij waren al met hun wapens bij de deur. De zoons lieten Ketilrídur los om zich te verdedigen, maar het lukte hun niet. De hele bende werd gedood en hun lijken werden verbrand. Nu begon men het huis te doorzoeken, om Thorsteinn te vinden. Sörli wees hun de weg en bracht hen naar een afgesloten ruimte. Daar vonden zij Thorsteinn, zittend op een stoel. Zijn armen waren aan de stoelleuning vastgebonden, en zijn benen staken tot de knieën in een kuip water. Vóór hem stond een schaal met gerookt schapenvlees, maar hij kon er niet aankomen. Men bevrijdde hem van zijn boeien en verfriste hem. Nu vertelde hij, wie hij was, en hoe deze slechte mensen hem uit een dorp weggevoerd hadden, waar hij een flinke schaapherder geweest was.

    De hofstede werd tot op de grond toe verbrand. Alles wat waarde had, nam men mee. Men vond er buitengewone rijkdom en kende dit alles toe aan Ketilrídur en Thorsteinn. Hierna trokken zij met hun schatten huiswaarts en beloonden hun metgezellen met rijke geschenken voor hun hulp. Toen vroeg Thorsteinn Ketilrídur ten huwelijk en Grímur gaf graag zijn toestemming. Iets later vierden zij bruiloft, en na Grímur's dood namen zij de boerderij over. Zij leefden tot op hoge leeftijd gelukkig met elkaar en waren in die dagen zeer rijk, en hiermee eindigt deze geschiedenis.


    * * * t'eind * * *

    Bron : - "Volkssprookjes en legenden uit Skandinavië" door Heinz Barüske.
               Vertaald door Max en Beatrix Prick van Wely.
               Uitgeverij Elmar, Delft, z.j. Oorspronkelijke titel: Skandinavische Märchen. ISBN: 906120-1047
               - www.beleven.org

    26-10-2011 om 09:22 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sagen
    » Reageer (0)
    24-10-2011
    nieuwsgierig héDe geschiedenis van de boerendochter Ketilrídur
    De geschiedenis van de boerendochter Ketilrídur
    De geschiedenis van de boerendochter Ketilrídur
    - Een IJslandse sage over een moedige vrouw -

    In een dal in het oosten, in het district Sudurmúla, woonde lang geleden een boer, Grímur geheten. Zijn vrouw heette Thórkatla en zijn dochter, hun enig kind, Ketilrídur. Het dal was dicht bevolkt. Eens in de herfst, kon men de schapen, toen men ze van de zomerweiden in de bergen wilde weghalen, zeer moeilijk vinden, en daarom rustte men enige mannen uit om de eenzame berggebieden te doorzoeken. Maar het hielp niets. Grímur was de meeste schapen kwijt. Hij was - zoals de meeste van hen - hierover zeer ontstemd, maar kon er niets tegen doen. Toen de winter aanbrak, had Ketilrídur het volgende gesprek met haar vader: "Ik smeek je, vader, laat mij naar die eenzame plaatsen gaan, om je schapen te zoeken. Ik heb zo'n vermoeden, dat ik niet vergeefs zal zoeken, wanneer je mij dit toestaat."

    Grímur antwoordde glimlachend: "Ik heb al altijd geweten, dat je de moed van een man hebt. Maar dit is niets voor jou. Misschien zijn daar in die eenzame stukken land trollen, kobolds of struikrovers. Ze zouden je nazitten en overvallen. En dat zou je dood kunnen zijn, of in het beste geval eeuwige gevangenschap."

    Ketilrídur zei: "Ik geloof, dat aan zulke dingen veel meer gewicht gehecht wordt dan nodig is. En ik ben helemaal niet bang."

    Zij gaf het niet op en telkens weer verzocht zij haar vader, haar toestemming te geven, tot hij eindelijk toestemde. Hij gaf haar echter een herdersjongen mee als bescherming en daarmee stelde zij zich tevreden. Zij nam proviand en extra schoenen mee, want zij dacht wel een heel eind te moeten gaan. Zij nam afscheid van haar ouders en ging met de jongen op weg. Maar zodra zij haar ouders niet meer kon zien, stuurde zij de jongen terug. Hij deed het tegen zijn zin en zei tegen Grímur, dat zij zijn gezelschap niet wenste. Dat maakte de boer erg bezorgd, want hij was bang, dat de dood zich in de omgeving ophield en haar misschien al volgde.

    Lange tijd liep Ketilrídur nu door eenzame en onbewoonde streken. Tenslotte werd het donker en er stak een zware sneeuwstorm op, zodat zij nauwelijks voor zich uit kon zien. Zij vergiste zich in de weg en zwierf lange tijd rond, zonder te weten waarheen, tot zij eindelijk een rotskam onder haar voeten voelde. Daarover gaat ze naar beneden, ofschoon de meeste mensen deze weg onbegaanbaar gevonden zouden hebben, omdat er veel rotsblokken lagen en stukken harde sneeuw. Met grote moeite lukte het haar beneden te komen. Daar was zo'n sneeuwjacht, dat men geen hand voor ogen kon zien. Zij meende in een dal te zijn. Er stroomde een rivier doorheen, met ijs aan de oevers. Toen zij een klein eindje langs deze rivier gelopen had, zag zij plotseling een grote schaapskooi. Ervoor staat een man, omringd door vele schapen. Zijn gezicht ziet er niet kwaad uit. Zij begroet hem, maar hij groet slechts koel terug. Toen herkende Ketilrídur de schapen van haar vader en de andere dalbewoners.

    De man dreef de kudde de kooi binnen en Ketilrídur hielp hem. Daarna vroeg zij zijn naam en waar zij op dat ogenblik was. Hij zei, dat hij Thorsteinn heette. De naam van het dal wist hij niet, hij zei alleen, dat er zich maar één boerderij bevond. Ketilrídur wilde daar om onderdak voor de nacht vragen, maar hij vond dat een gevaarlijk plan, indien zij liever in leven wilde blijven.

    Hij zei: "Niemand, die daar om onderdak vraagt, laat men zijn leven behouden, maar ik zal zorgen, dat je niets gebeurt, wanneer je met mij meegaat. Ik weet, wat je hierheen gebracht heeft, en het is mijn oprechte wens, dat je voornemen een gelukkige afloop krijgt."

    Nu gingen beiden naar de boerderij en het huis binnen, waarin hij een hoek leegmaakte en een valdeur omhoog schoof, waaronder zich een onderaardse ruimte bevond. Daar liet hij Ketilrídur naar beneden zakken en verzocht haar dringend, zich niet te bewegen en geen geluid voort te brengen, wat er ook gebeuren mocht, of wat zij ook zou horen, want het gold haar leven. Hierna sloot hij de toegang weer af en ging weg.

    Kort daarna hoort zij een hevig lawaai en het geluid van menselijke stemmen. Zij hoort, dat er niet minder dan zes mensen zijn, die naar de gast zoeken en vragen. Maar Thorsteinn ontkent, dat er iemand gekomen is. Ketilrídur is door deze woeste manier van doen verlamd van schrik, want het hout kraakte en de onderaardse ruimte trilde van het gestamp en getrappel. Tenslotte verminderde het lawaai en werd alles stil. Toen viel Ketilrídur in slaap, want zij was erg moe.


    * * * er volgt nog * * *

    Bron : - "Volkssprookjes en legenden uit Skandinavië" door Heinz Barüske.
               Vertaald door Max en Beatrix Prick van Wely.
               Uitgeverij Elmar, Delft, z.j. Oorspronkelijke titel: Skandinavische Märchen. ISBN: 906120-1047
               - www.beleven.org

    24-10-2011 om 08:28 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:sagen
    » Reageer (0)
    15-10-2011
    nieuwsgierig héOp reis gaan
    Op reis gaan
    Op reis gaan
    - Een domme jongen gaat op reis -

    Er was eens een arme vrouw, ze had een zoon, en die wou zo graag reizen, en toen zei de moeder: "Hoe kun jij nu reizen? En je hebt helemaal geen geld om mee te nemen! Toen zei de zoon: "Ik kan me best behelpen; ik zal altijd zeggen: "Niet veel! Niet veel! Niet veel!"

    Zo liep hij een flinke tijd, en hij zei aldoor maar: "Niet veel, niet veel, niet veel."

    Hij kwam bij een troep vissers, en zei: "Ik hoop, dat God u helpt! Niet veel, niet veel, niet veel!" - "Wat zeg je nu, kerel, niet veel?" En toen ze de netten inhaalden, kregen ze ook niet veel vis. En zij met een stok op de jongen los: "Had je ons nooit zien dorsen?" - "Maar wat moet ik dan zeggen?" vroeg de jongen;Je moet zeggen: Vang veel! Vang veel!"

    Toen liep hij weer een hele poos en zei: "Vang veel! Vang veel!"

    En toen kwam hij bij een galg. En daar hebben ze een arme zondaar en die moet worden veroordeeld. Toen zei hij: "Goeiemorgen, vang veel, vang veel!" - "Wat zegt die kerel? Vang veel? Moeten er soms nog meer boze mensen op de wereld zijn? Is er nog niet genoeg?" En hij kreeg weer op z'n rug. "Wat moet ik dan zeggen?" - "Je moet zeggen: God troost de arme ziel."

    Weer reist de jongen een heel eind verder en zegt: "God troost de arme ziel."

    Toen kwam hij bij een gracht, en daar was een vilder, en die was bezig met een dood paard. De jongen zegt: "Goeiemorgen, God troost zijn arme ziel." - "Wat zeg je daar, lomperd?" en hij slaat hem met de vilhaak om de oren, zodat hij niet meer uit zijn ogen kan kijken. "Hoe moet ik het dan zeggen?" - "Je moet zeggen: "Daar ligt het aas in de kuil!"

    Nu gaat hij weer verder en zegt steeds: "Daar ligt het aas in de kuil, daar ligt het aas in de kuil!"

    Nu komt hij een wagen vol mensen langs, en hij zei: "Goeiemorgen, daar ligt het aas in de kuil!" en daar valt de hele wagen om en in een kuil, de knecht kreeg de zweep en sloeg de jongen zo hard, dat hij weer naar zijn moeder wou kruipen. En hij is z'n leven lang nooit meer op reis gegaan.

    * * * einde * * *

    Bron : - "De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel.
               Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.
               - www.beleven.org

    15-10-2011 om 14:20 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:volkssprookje
    » Reageer (0)
    08-10-2011
    nieuwsgierig héDe luie hasjverslaafde en zijn verstandige vrouw(vervolg)
    De luie hasjverslaafde en zijn verstandige vrouw(vervolg)
    De luie hasjverslaafde en zijn verstandige vrouw (vervolg)
    - Een volksverhaal uit Iran over een nogal domme man -

    De volgende dag vertrok hij. Hij deed een stap naar voren, een stap naar achteren en ging op weg. Hij kwam bij de koning binnen, werd door hem begroet en ook de ministers stonden voor hem op. Ze brachten hem de beste stoel en hij mocht gaan zitten. "Vertel ons eens hoe jij die leeuw hebt gevangen." Hij zei tegen hen: "Hoezo? Is een leeuw bij jullie zoiets bijzonders? Toen hij kwam aanlopen, heb ik hem opgetuigd en ben opgestapt alsof het mijn ezel was. Een leeuw heeft voor mij de waarde van een ezel."

    "Dan ben je dus een held," zei de koning tegen hem. "We zullen jou een leger geven; we maken een soldaat van je en sturen je op pad als legeraanvoerder. Jij zult aan het hoofd van de troepen staan en ik wil je op de vijand afsturen. We hebben namelijk een vijand; ieder jaar komt hij weer met zijn leger tegen ons in opstand en vecht tegen ons en wij kunnen hem niet verslaan. Maar dit jaar sturen we jou als aanvoerder van onze troepen." Hij zei tegen hen: "Geef mij drie dagen de tijd." Hij ging naar zijn vrouw toe: "Moge God je straffen! Wil je mij ongeluk brengen? Wil je mij een ramp bezorgen?" Ze zei tegen hem: "Wees maar stil, ik regel het wel voor je en bemoei jij je er maar niet mee!" - "Breng mij te eten, breng mij te drinken!"

    "Zeker," zei ze en bracht hem te eten, bracht hem hasj, bracht zijn waterpijp. Ze gaf hem te eten en te drinken. Daarna zei ze tegen hem: "Nou, heb je niet tegen hen gezegd: drie dagen? Ga dus maar naar hen toe en zeg hun op de derde dag: 'Geef me een paard, het sterkste paard uit de stal, dat als het ware vliegt als ik het bestegen heb en in de buitenlucht komt. En geef mij drie zakken, een zak met amandelen, een met pistaches en een met walnoten, die ik kan kraken en eten. En geef mij bovendien een zak met daalders, zodat ik geschikte kledij kan kopen, en geef mij wapens, omdat ik nu met het leger erop uit moet.'" - "Goed," zei hij en vertrok.

    Hij zei tegen hen wat ze hem had opgedragen. Ze bewapenden hem en gaven alles wat hij wilde. Ze gaven hem het geld, alles. Daarna kocht ze voor hem een leren pak dat hem, als hij het aantrok, volledig met leer bedekte: zijn handen, zijn gezicht, zijn benen - overal leer. Alleen zijn ogen waren nog te zien en de neus en de mond, maar het was maar een heel kleine opening.

    Ze pakte de lijm, kookte die en smeerde daarmee zijn bovenbenen, zijn voeten en zijn achterste in en zei: "Houd jij de teugels zo stevig vast als je kunt, laat ze niet los! Of het paard vliegt of rent of stilstaat: houd de teugels vast; laat ze in geen geval los!" Daarna opende ze de deur en zei: "Vooruit, toe maar! God zij met je en neem het geld mee!" Hij ging. Nauwelijks was het paard bij de deur of het vloog er al vandoor, de soldaten erachter aan. Ze renden naar buiten alsof ze gek waren. Ze kwamen buiten en renden voort, en de man voor hen uit.

    De sultan die met hen oorlog kwam voeren en die ze moesten verslaan, had een kaal hoofd. De hasjverslaafde probeerde zich aan de boom vast te houden, hij trok hem met zijn handen uit de grond; hij probeerde zich aan een blokhut vast te houden, die stortte ineen. Toen begon hij te schreeuwen: "Houd me vast, zodat ik niet val!" En ze dachten dat hij zei: "Houd de kaalkop vast!" Hij zei steeds weer: "Houd me vast, ik val! Houd me vast, ik val! Mijn God, ik ben verloren! Houd me vast, ik val!" - "Waar is hij, de kaalkop? Waar is hij?" - "Houd me vast, ik val!" Ze riepen hem steeds weer toe: "Waar is de kaalkop?" Ze renden verder naar de tenten; die verwoestten ze volledig. Ze grepen de kaalkop. Toen de vijandige soldaten hem hoorden: "Houd me vast, ik val!" en dachten dat hij riep: "Houd de kaalkop vast!" lieten ze hun koning in de steek en vluchtten. En zij boeiden de kaalkop en namen hem mee. De hasj verslaafde keerde met zijn paard terug.

    Tegen allen die met hem wilden spreken, zei hij slechts: "Boeboeboe!" Hij kon geen antwoord geven, het schuim kwam hem uit de mond. "Hoe kwam je overwinning tot stand? Hoe heb je hem kunnen vangen?" Hij zei slechts: "Boeboeboe..." Hij kwam weer bij zijn vrouw en riep haar toe: "Doe de deur open! Open...!" - "Wat een wonder! Wat een mooi bericht!" - "Boeboeboe!" Hij was totaal uitgeput, hij gooide zich languit op bed en zij deed zijn pak uit. "Mijn God," zei hij tegen haar. "Nu is het afgelopen, jij teef! Jij geeft mij geen bevelen meer!" Toen moest de vrouw hard lachen, maar de man nam zijn hasj en ging slapen. Van nu af aan at en sliep hij de hele dag en was lui en verslaafd aan hasj, net als vroeger. Maar zijn vrouw zei er niets meer over, want door haar handigheid had ze hun omstandigheden verbeterd en kon ze onbezorgd leven.

    * * * gebeeindigd * * *

    Bron : - "Moedige meiden, wijze vrouwen & geliefde dochters. Heldinnen in volksvertellingen uit de hele wereld" samengesteld door Geraldine Le Blanc.
               Kemper & Boekwerk, Leidschendam, 2005. ISBN: 90-76542-20-1
               www.beleven.org

    08-10-2011 om 21:38 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:volksverhalen
    » Reageer (0)
    06-10-2011
    nieuwsgierig héDe luie hasjverslaafde en zijn verstandige vrouw
    De luie hasjverslaafde en zijn verstandige vrouw
    De luie hasjverslaafde en zijn verstandige vrouw
    - Een volksverhaal uit Iran over een nogal domme man -

    Er was eens een man die lui en aan hasj verslaafd was. De hele dag was hij aan het eten en slapen. Zijn vrouw zei steeds weer tegen hem: "Sta op, doe eens wat, ga aan het werk!" Hij zei slechts: "Vrouw, laat me zoals ik ben! Laat me slapen, laat me met rust! Ga maar hasj en thee voor me halen en geef me te eten!"

    Op zekere dag had ze de buik er vol van en zei alleen maar: "Vooruit, naar buiten!" - "Waar moet ik buiten naartoe?" - "Ga maar wandelen!" - "Waar moet ik gaan wandelen?" - "Doe iets met je benen," zei ze, "misschien wordt onze situatie beter en bewijst God ons een weldaad." - "Moge God je bestraffen, ik vervloek je! Wil je mij ongeluk brengen? Wil je...?" - "Schiet op!" zei ze tegen hem; ze bracht hem een ezel, legde daarop het eten, een stuk kaas, een stuk brood, de thee, een stuk hasj, een deken, twee kussens en zei tegen hem: "Zoek de buitenlucht op, ga wandelen, zodat je je ten minste nog een beetje beweegt! Moge God ons een weldaad bewijzen!"

    De hasjverslaafde ging naar buiten en liep en liep tot hij in de steppe was aangekomen. Toen zei hij: "Ik wil gaan liggen; ik wil uitrusten en slapen. Die vrouw is gek! Waar wil ze me eigenlijk naartoe sturen? Ik ben niet geschikt om te werken en ook niet om rond te lopen." Hij haalde het eten te voorschijn dat ze voor hem had ingepakt. Hij at het, spreidde de deken uit, legde de twee hoofdkussens neer en sliep in.

    Daarbij vergat hij het stuk hasj en het eten dat op de grond was achtergebleven. Hij sliep de halve nacht; toen kwam er een leeuw aan, een verschrikkelijk grote leeuw. Die begon met de ezel en at hem op, daarna ging hij verder met het eten. Hij at het voedsel en het stuk hasj. Zodra hij het voedsel en het stuk hasj had gegeten, werd hij slaperig. De leeuw ging liggen; hij at de hasj verslaafde niet op, alleen de ezel, het voedsel en de hasj.

    De hasjverslaafde werd wakker. Hij vond de zadeltas en het zadel naast zich waar hij ze had neergelegd; zijn ezel vond hij niet. Alleen de leeuw was er nog. Slaperig als hij was, hield hij de leeuw voor de ezel. Hij zadelde hem op, klom erop en ging op weg, hij keerde naar de stad terug. Hij zei: "Godzijdank, nu keer ik terug; die vrouw is toch gek, ze wil me naar buiten sturen. Hoor ik in de buitenlucht? Ben ik soms een wandelaar?"

    Zo kwam hij met de leeuw in de stad aan. "Mijn God! Mijn God!" De mensen vluchtten, de kinderen liepen hard weg, de mannen maakten dat ze wegkwamen. De mensen vluchtten terwijl hij op de leeuw reed. "Kijk eens, wat een wonder! Een leeuw! Lieve hemel!" Hij zei tegen hen: "Is een leeuw bij jullie iets bijzonders?" - "Mijn God, vertel ons hoe je hem gevangen hebt!" - "Ha ha," zei hij, "zodra de leeuw bij mij was gekomen, tuigde ik hem op, zadelde ik hem en reed naar jullie toe." - "Goeie genade, bravo!"

    De mensen liepen van schrik weg. Toen hij bij zijn vrouw kwam, greep hij de leeuw, legde hem aan de ketting, sloot hem op in de kamer en deed de deur op slot. "Vrouw," zei hij tegen haar, "laat mij slapen, geef mij hasj, geef mij te eten! Jij hebt mij te gronde gericht, ik wil niet naar buiten gestuurd worden!"

    "Ga maar slapen," zei ze tegen hem, "nu bewijst God ons een grote dienst." Dat had ze meteen begrepen zodra ze de leeuw had gezien. Toen kwamen de boden van de sultan al naar haar toe: "Geef ons de leeuw die je gekregen hebt en direct bij zonsopgang willen we de hasjverslaafde meenemen, de koning wenst hem te zien!"

    "Hier," zei.ze tegen de boden; meteen gaf ze hun de leeuw mee en zei: "Morgen komt mijn man bij jullie!" - "Zodra je morgenochtend ontbeten hebt, ga je." - "Vrouw, wil je mij in het verderf storten? Wil je mij ombrengen?" - "Stil," zei ze tegen hem, "dat gaat je niets aan. God zal ons een dienst bewijzen, hij biedt ons de mogelijkheid in ons levensonderhoud te voorzien; ga nu!"

    Hij zei tegen haar: "Maar wat moet ik tegen hen zeggen als ik ga?" - "Zodra je binnenkomt en als ze je vragen: "Hoe heb je de leeuw gevangen?" zeg je: 'Is een leeuw bij jullie zoiets bijzonders? Voor mij is dat iets heel natuurlijks. Zodra hij kwam, heb ik hem opgetuigd en opgezadeld.' En als ze jou een opdracht geven, zeg dan: 'Geef mij drie dagen de tijd.' En dan kom je bij mij, ik zal het voor je regelen." - "Moge God jouw zaken regelen! Wil je mij ongeluk brengen? Kan ik opdrachten uitvoeren? Ik...?" Ze zei tegen hem: "Houd je daar maar niet mee bezig." - "Goed," zei hij.

    * * * wordt gevervolgd * * *

    Bron : - "Moedige meiden, wijze vrouwen & geliefde dochters. Heldinnen in volksvertellingen uit de hele wereld" samengesteld door Geraldine Le Blanc.
               Kemper & Boekwerk, Leidschendam, 2005. ISBN: 90-76542-20-1
               www.beleven.org

    06-10-2011 om 09:07 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:volksverhalen
    » Reageer (0)
    01-10-2011
    nieuwsgierig héHet toverfluitje en het toverhoedje (vervolg)
    Het toverfluitje en het toverhoedje 2
    Het toverfluitje en het toverhoedje - vervolg
    - Een toversprookje uit Zeeland (Nederland) -

    Zo kwam hij in een bos. Hij liep voort tot hij moe werd en legde zich toen onder een boom te slapen. Toen hij 's morgens wakker werd had hij honger, want sinds hij uit het paleis was verjaagd, had hij niets gegeten. Toen zag hij, dat hij onder een perenboom had gelegen en dat daar mooie peren aan hingen. Hij plukte er een paar af. Maar wat verder stond een boom, waaraan nog veel grotere peren zaten. Ook daarvan sloeg hij er enkele af en ging toen rustig bij een beekje zitten.

    Hij at drie van de grote peren op, maar... o wonder... toen begon zijn neus te groeien en werd zo lang, dat zijn hoofd door de zwaarte voorover boog. Hij moest zelf lachen, toen hij zich in het water bekeek, maar plezierig vond hij het toch niet, want hij kon zich niet meer roeren door die grote zware neus. Toen hij wat van de schrik bekomen was, voelde hij, dat hij nog honger had... Kom, dacht hij, ik heb nog peren over, laat ik die ook maar opeten. Toen nam hij een van de kleine peren en at die op, en daar begon zijn neus weer te krimpen, en toen er drie in zijn maag waren verdwenen, was ook zijn neus weer net zo klein als hij vroeger geweest was.

    "Dat is aardig," dacht hij. "Ik ga naar het hof en zal wel zien, dat ik mijn eigendommen terugkrijg." Hij ging naar de perenboom, stopte zijn zakken vol peren, en ging toen meteen op weg naar de koningsdochter.

    Dicht bij de stad ruilde hij zijn mooie kleren tegen het pak van een bedelaar en zo kwam hij op het plein van het paleis. Daar riep hij: "Koop, peren, koop!" maar hij vroeg zoveel geld voor zijn peren, dat niemand er van kocht.

    Maar de prinses was erg snoeplustig. Toevallig zat zij voor het raam en zag de perenkoopman, en toen zij hoorde, dat zijn peren zo duur waren, dacht ze: "dan zijn het zeker bijzonder lekkere peren, daar moet ik er een paar van hebben." Ze zond dus haar kamermeisje uit om de peren te kopen en toen die terugkwam, at ze er dadelijk drie op. Maar toen begon haar neus te groeien, te groeien, net zo lang tot hij lang genoeg was.

    De lijfartsen van de koning en alle dokters uit de stad kwamen er aan te pas, maar de neus werd er niet kleiner door. Toen werden beroemde professoren en dokters van heinde en ver ontboden, maar niets mocht baten, de kwaal scheen ongeneeslijk. Eindelijk kwam er weer een vreemde dokter aan het paleis, tenminste, men dacht dat het een vreemde dokter was, maar in werkelijkheid was het de man, die door de prinses bedrogen was. Hij onderzocht de koningsdochter en verklaarde daarna, dat de prinses niet genezen kon worden, omdat ze onrechtvaardig verkregen goed in haar bezit had.

    Dat wilde de koning natuurlijk niet geloven, maar toen de dokter volhield, bekende de prinses eindelijk, dat ze een oud hoedje had, dat haar eigenlijk niet toebehoorde. Dat werd gehaald en toen gaf de dokter haar twee van de kleine peren. Toen begon haar neus te krimpen en werd al kleiner en kleiner. En de prinses was al blij, dat ze genezen was. Maar neen. Het krimpen hield op, voordat de neus zijn behoorlijke lengte had teruggekregen.

    "Ik begrijp er niets van," zei de dokter, "dan moet de prinses nog meer onrechtvaardig verkregen goed bezitten." En nu kwam het uit, dat ze ook nog een fluitje had.

    "Dan wil ik wel geloven, dat het middel niet helpt," zei de dokter.

    Het fluitje werd hem ter hand gesteld en nu kreeg de prinses nog een peer, zodat haar neus normaal werd. Met geschenken overladen verliet de dokter het hof, maar omdat hij zich op de trouweloze koningsdochter wilde wreken, gaf hij haar bij zijn afscheid nog een pap van fijngewreven grote peren, met de raad om daarmee haar neus van tijd tot tijd nog eens flink in te smeren. Toen maakte hij, dat hij uit de stad weg kwam. Het duurde echter niet lang, of de prinses proefde eens van de pap en vond die zo lekker, dat ze er flink van at. Toen begon haar neus weer te groeien en werd net zo lang, als hij geweest was.

    De koning was woedend op de bedrieger en trok hem met een leger achterna. Deze was juist met het fluitje en het hoedje behouden op de boerderij van zijn broer aangekomen, toen het leger in de verte naderde. Maar de broers waren niet bang. De een zwaaide met het hoedje en de ander blies op het fluitje, en toen hun gevraagd werd, wat ze begeerden, verlangden ze een leger, groter en sterker dan dat van de koning. Toen werd de koning verslagen en de koningsdochter liep moederziel alleen door het paleis met haar grote neus.


    * * * het is weeral gedaan * * *

    Bron : - "De Oude Sprookjes" verzameld en vertaald naar de oorspronkelijke teksten door J. Riemens-Reurslag.
               Uitgeverij & Drukkerij Hollandia BV, Baarn, 1978.
               - www.beleven.org

    01-10-2011 om 15:52 geschreven door saagje

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    Categorie:Tovenaars
    » Reageer (0)


    Welkom bij saagje !
    Foto


    Laatste commentaren
  • Fijne resterende dinsdag ietskes minder al 4 uurkes en het is de leste midweek van dees mnd (Gekkemeid)
        op Nikola staat borg
  • net terug van een wandeling ...zalig !!!Nu nog wat blogjes bezoeken (veveke)
        op De kracht van het willen
  • dag saagje (boomer)
        op Nikola staat borg
  • Vriendelijke groetjes (valerieke)
        op De kracht van het willen
  • Midweekse groetjes (valerieke)
        op De kracht van het willen
  • Blog als favoriet !

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto


    Kribbelboekboek
  • BIJNA WEEKEND XXX
  • DONDERDAGGROETJES
  • HOPLA DE WEEK IS IN 2
  • GOEDE MORGEND
  • TERUG MAANDAG

    bedankt voor de trouwe bezoekjes
    saagje


    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    E-mail mij


    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Archief per week
  • 07/05-13/05 2012
  • 30/04-06/05 2012
  • 05/12-11/12 2011
  • 31/10-06/11 2011
  • 24/10-30/10 2011
  • 10/10-16/10 2011
  • 03/10-09/10 2011
  • 26/09-02/10 2011
  • 19/09-25/09 2011
  • 12/09-18/09 2011
  • 05/09-11/09 2011
  • 29/08-04/09 2011
  • 22/08-28/08 2011
  • 15/08-21/08 2011
  • 08/08-14/08 2011
  • 01/08-07/08 2011
  • 25/07-31/07 2011
  • 18/07-24/07 2011
  • 11/07-17/07 2011
  • 04/07-10/07 2011
  • 27/06-03/07 2011
  • 20/06-26/06 2011
  • 13/06-19/06 2011
  • 06/06-12/06 2011
  • 30/05-05/06 2011
  • 23/05-29/05 2011
  • 16/05-22/05 2011
  • 09/05-15/05 2011
  • 02/05-08/05 2011
  • 25/04-01/05 2011
  • 18/04-24/04 2011
  • 11/04-17/04 2011
  • 04/04-10/04 2011
  • 28/03-03/04 2011
  • 21/03-27/03 2011
  • 14/03-20/03 2011
  • 07/03-13/03 2011
  • 28/02-06/03 2011
  • 21/02-27/02 2011
  • 14/02-20/02 2011
  • 07/02-13/02 2011
  • 31/01-06/02 2011
  • 24/01-30/01 2011
  • 17/01-23/01 2011
  • 10/01-16/01 2011
  • 03/01-09/01 2011
  • 26/12-01/01 2012
  • 20/12-26/12 2010
  • 13/12-19/12 2010
  • 06/12-12/12 2010
  • 29/11-05/12 2010
  • 22/11-28/11 2010
  • 15/11-21/11 2010
  • 08/11-14/11 2010
  • 01/11-07/11 2010
  • 25/10-31/10 2010
  • 18/10-24/10 2010
  • 11/10-17/10 2010
  • 04/10-10/10 2010
  • 27/09-03/10 2010
  • 20/09-26/09 2010
  • 13/09-19/09 2010
  • 06/09-12/09 2010
  • 30/08-05/09 2010
  • 23/08-29/08 2010
  • 16/08-22/08 2010
  • 09/08-15/08 2010
  • 02/08-08/08 2010
  • 26/07-01/08 2010
  • 19/07-25/07 2010
  • 12/07-18/07 2010
  • 05/07-11/07 2010
  • 28/06-04/07 2010
  • 21/06-27/06 2010
  • 14/06-20/06 2010
  • 07/06-13/06 2010
  • 31/05-06/06 2010
  • 24/05-30/05 2010
  • 17/05-23/05 2010
  • 10/05-16/05 2010
  • 03/05-09/05 2010
  • 26/04-02/05 2010
  • 19/04-25/04 2010
  • 12/04-18/04 2010
  • 05/04-11/04 2010
  • 29/03-04/04 2010
  • 22/03-28/03 2010
  • 15/03-21/03 2010
  • 08/03-14/03 2010
  • 01/03-07/03 2010
  • 22/02-28/02 2010
  • 15/02-21/02 2010
  • 08/02-14/02 2010
  • 01/02-07/02 2010
  • 25/01-31/01 2010
  • 18/01-24/01 2010
  • 11/01-17/01 2010
  • 04/01-10/01 2010
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2009
  • 14/12-20/12 2009
  • 07/12-13/12 2009
  • 30/11-06/12 2009
  • 23/11-29/11 2009
  • 16/11-22/11 2009
  • 09/11-15/11 2009
  • 02/11-08/11 2009
  • 26/10-01/11 2009
  • 19/10-25/10 2009
  • 12/10-18/10 2009
  • 05/10-11/10 2009
  • 28/09-04/10 2009
  • 21/09-27/09 2009
  • 14/09-20/09 2009
  • 07/09-13/09 2009
  • 31/08-06/09 2009
  • 24/08-30/08 2009
  • 17/08-23/08 2009
  • 10/08-16/08 2009
  • 03/08-09/08 2009
  • 27/07-02/08 2009
  • 29/06-05/07 2009
  • 22/06-28/06 2009
  • 15/06-21/06 2009
  • 08/06-14/06 2009
  • 01/06-07/06 2009

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Welkom bij
    Foto

    Foto


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!