pereboom

o Pereboom belaên
o Pereboom, belaên
met al goudgeelwe blaên,
octoberziek en treurig,
de winter is 't, die naast,
en 't al het land uit blaast
dat groeizaam is en geurig!
Nog onlangs stondt gij daar,
o schone perelaar,
één witte wolke blommen,
die 't weerd was om te zien,
en die naar u de biên
van verre en na deed kommen.
De zomer ging voorbij,
en dan bekroondet gij
uw edel hoofd met bruine,
zoetvleeschde peren, van
daar schier mijn hand aan kan
tot in uw hoogste kruine.
Nu staat gij daar en treurt,
ontkinderd en ontkleurd,
en schijnt alom te vragen:
zal niemand, die mij zag
in mijnen schonen dag,
me een meêlijend herte dragen?
o Pereboom, vaart wel;
'n wilt vóór winter fel
noch weemoed buigen neder:
de winter komt en gaat,
o pereboom: weêrstaat,
verrijzen zult gij weder!
---------------------------------------------
goudgeelwe: goudgele
de winter naast: de winter nadert
biên: bijen
van verre en na: van heinde en verre
Jaarkrans (1893)











