tijd van toen
Om een idee te hebben over de maten en de munten(die we gelukkig op vandaag niet meer kennen. van de belastingen van Karolingische oorsprong, waarbij de parochianen één tiende van hun opbrengst op bepaalde gronden moesten afstaan aan de kerk voor het onderhoud van de geestelijken, de eredienst en de armen, men noemde dit de heerlijke tienden, een belangrijke inkomst voor de heer en de kerk. De voornaamste waren de graan, vlees en fruittienden. Vanaf de tiende eeuw waren vele van deze tienden ( vooral de stukken bestemd voor de erediensten en armen) in handen van de plaatselijke heren. De kerk deed noeste pogingen in de elfde eeuw om daar een einde aan te maken.
De Kortrijkse bunder, waaraan Rollegem ook aan onderworpen was, had een oppervlakte van 1,416956 hectaren. Deze werd dan verdeeld in 16 honderd lands van elk 885,598 m². Laatste term beduidt in feite “honderd kleine roeden lands” 2en kleine vierkant roede bedroeg aldus 8,85898 m² en vormde één vierde van een grote vierkant roede ( =35,42392 m²)
Zoals met iedere leefgemeenschap is de voeding het primaire bij de mens, en dier, ook hier bij deze bevolking. Een landbouw gebied, vandaar heel wat grote en kleinere hofsteden, zelfs van 1ha tot rond de veertig.
Zo hadden we centraal het “Hof van Rollegem” samen gesteld uit 10 verschillende domeinen gesitueerd in Lauwe, Moeskroen en Rollegem. Dit hof was reeds voor 1287 in handen van de van Halewijn, ridder, langs Fressende zijn echtgenote, die vrouwe van Rollegem was. Aan het hof was er een speciaal recht verbonden. De grafelijke domeinen waren verdeeld in een aantal ontvangstkantoren. Deze waren op hun beurt verdeeld in drie afdelingen: de spijker of graanzolder, de spekkamer, en inningkantoren van de cijnsgronden.
De spijker was de opbrengst in graan en andere landbouwproducten, later omgezet in geld, dat verschuldigd was aan de graaf van Vlaanderen.
In 1514 zegt men dat de heer van het hof “Heere van hoofdredeninghe” was. Wat gewone recht betreft, bleek dat hij, de baljuw een stadhouder en een sergeant mocht aanstellen en maner was van een volle schepenbank.
Laten we nu voor eens en altijd aanvaarden dat de “heren van Rollegem”, niet hun familienaam hebben geschonken aan ons “Rollegem” maar noemde wel de heer van Halewijn.
De heren van Rollegem waren heren van “Rollegem-Kapelle”.
Hij kon lijfstraffen door middel van zwaard, put, galg, rad, gevangenis, stok en schandpaal oplegen alsook geldboetes. Hij kon ook “Waerheden” houden. Dit zijn algemene onderzoeken tot handhaving van de orde. Zelfs een straatschouwing behoorde eveneens tot zijn bevoegdheid. Dit uitte zich in het uitvaardigen van “Kerkgeboden” die eveneens dienden opgevolgd te worden; tegen die dat niet deden, werde sancties getroffen aan de hand van een rechtspraak.
Hij mocht boeten opleggen tot 10 p. par. En de put en de galg als strafmiddel gebruiken ( voor het munt stelsel baseerde men zich op het systeem dat onder Karel De Grote ingang vond. Denarius (denier of penning, afgekort met d) twaalf denarii waren gelijk aan een solidus( schelling, afgekort als s) en twintig soldi vormden een libra (pond, livre; het laatste afgekort als lb. Of p.) Men sprak ook over penningen, schellingen en ponden parisis) (afgekort als p. paar.) Ook de jacht en het visrecht behoorde de heer toe. Zelfs het planten van bomen langs de openbare weg diende met zijn toestemming te gebeuren. Uitzonderlijk heeft de heer recht op de “elfste schoof” alsook op levende tiende.
Vervolgens was het leen van “s’ Coster”(of het goed van de koster) in 1365 bedroeg het foncier 8 bunders (= 11 hectaren 33 are 56 centiare) Vijftig jaar later was het opgelopen tot 10 bunders (= 14 ha 16 a 95 ca.) de heerlijke rente bedroeg 9 razieren ( = 792 liter), 2s. en 2 kapoenen. De inhoudsmaten was als volgt; 1 mund bedroeg 1056 liter. 1 Razier was gelijk aan 88 liter. 1 Havot kwam neer op 22 liter; 1 pint was ongeveer 5,5 liter. Aan het goed waren er geen speciale rechten verbonden.














