Kataloog
van november 1903 van Libraire L. Saffroy(1ste Pré-saint-germain,
Seine, grand’rue, 73 en 27218 van deze kataloog. Tien pagina’s in folio,
gedrukt in 1712.
Bij
een andere herinnering voor Joseph du
Chastel de Blangerval, graaf de Petrieu en voor A.Fr. graaf de Gand en van
Anne-Michelle de Varennes, tegen Marie-Jeanne, die beweert weduwe te zijn van
Joseph, graaf de Blangerval, en tegen de curator (toeziener) van het kind
ontsproten aan genoemde “Manessier en de graaf de Blangerval.” De verwondering
is groot, de enige voornaam van Joseph aan te treffen, voor de twee broers,
waarvan de jongste, die voogd is met A. Fr. graaf de Gand. In de stamboom komt
hij voor met drie voornamen: Albéric-Adrien-François. De wetsdienaar die dat
geschreven heeft moet zijn cliënt heel goed gekend hebben.
Zelfs
de graaf de Gand met de initialen A.Fr. , naaste familie van de kinderen van de
graaf de Blangerval. Zie hier de namen Michel-Maximilien, markies de Hem,
gehuwd op 15 maart 1704 met Marguerite-Charlotte de Berghes-Saint-Winnoc
François-Gilbert
de Gand, Kanunnik van Doornik en Jacques-Ignace de Gand.
Ze
hadden ook een oom Jacques de Gand-Villain, graaf de Gand, Hij was luitenant
van de grenadiers bij het regiment van de Waalse garde in 1703, daarna kolonel
bij de Duitse keizerlijke dienst.Hij lied zich Albert-François-Dominique
noemen.
De
tweede graaf Alberic-Adrien-François-Joseph du Chastel, die zijn broer opvolgt,
had met zijn eerste vrouw vier kinderen en met zijn tweede, een zoon. Volgens
de familie langs vaderszijde was het een bastaard. In de middeleeuwen kwam dit
veel voor zelfs in de 17de en 18de eeuw, een buitenechtelijk kind dat meestal
door de vader werd onderhouden, maar welke geen rechten had op een titel, troon
of opvolging.
Marie-Philippine-Albericque
du Chastel, gravin de Blagerval dame de Rolleghem, ze was gehuwd (met een
contract) met François-Eugéne d’Assignies, procureur van Theerouanne. Het werd
afgesloten op het kasteel van Werquin in Artois op 24 juli 1714. Hij was de
zoon van Octave-Eugène d’Assignies, ridder, tweede markies de Wendi? Hij was
gehuwd met Marie-Florence de Markais of Marquais, dame de Werquin.
Het
nageslacht van dit huwelijk verbond zich aan de Tramecourt en smolt samen met
het huis de Lannoy, tak van de graven d’Annepes, barons de Wasnes (te Toufflers)
en d’ Espierres. Het leengoed bevindt zich op het grondgebied van Toufflers,
Sailly en Templeuve-en-Pevele. Het behoorde tot het leengoed de Maufait,
d’Outrewasne en du Chastelet aan de weg van Toufflers naar Doornik.Ze werden opgenomen
in de “Nobilaire de Pays-bas” door de Vegiano, uitgave de Herckenrode, t.l.
p.69 en in de Annuaire de la Noblesse de Belgique voor 1852, t.VI, p.208.
Deze
dame had drie broers: de oudste, (overleden door te vroeg geboren) geboren op
11 juni 1697, en werd begraven in de
kerk van Houplin. De tweede, evens overleden.
En
een derde ( allen ouder dan zij), maar waarvan men denkt dat de derde wel eens
de zoon zou geweest zijn van Marie-Jeanne Manesier(logementsdochter) die
Guillaume-François genaamd en met de titel graaf de Blangerval, Rolleghem zou
opgenomen zijn op 16 oktober 1719?
Het
goed gaat terug naar de jongere tak genaamd de graven de Petrieu.
Alberic-Adrien-Francois-Joseph
de Chastel, ridder genaamd graaf Joseph de Petrieu, heer d’Houplin, de Beaumanoir
te Houplin, de Petrieu, enz.. Hij was lid van de staten d’Artois ten gevolge
van ziin bezit de la Vaquerie (Dictionnaire historique et archéologique du
département du Pas de Calais, arrondissement van Saint-Pol, Arras,
Sueur-Charruey, 1880 in -8°, t.2, p.363.)