gesneuvelden


vervolg Alfons Vandewalle
Hun offervaardigheid was hun enige wapen in de strijd tegen de dood. Lange maanden zou het duren eer de ambulancedienst weder ingericht was.
“Het overbrengen van de gewonden” Zo vertellen Luc Devliegher en Luc Schepens in hun nieuwe boek “Front 1914-18” Bleef de belangrijkste en lastigste taak van de brancardiers. Ook waren zij behulpzaam in de hospitalen zelf. Herhaaldelijk melden zij zich als bloeddonors of als schenkers van ruggenmerg of bepaalde lichaamsdelen bij een transplantaties die men toen reeds aandurfde. De bijzondere gevaarlijke omstandigheden waarin dit corps werkte, worden geïllustreerd door zijn verliezen. Maandelijks werden 45 à 50 man ofwel 5 t.h. uitgeschakeld ten gevolge van ziekte, kwetsuur of dood”
Je kan er aantoevoegen dat vele brancardiers ook bedrijvig waren bij de morele opbeuring en de culturele hulp. Vaak waren zij de enige intellectuelen bij de soldaten. Ze zagen en kenden de ellende van dichtbij. Zij merkten vernederingen die vele volksjongens moesten ondergaan. Als vanzelfsprekend werden vele brancardiers flaminganten. En moesten er voor boeten.
Zo verteld Alfons Vandewalle over het dagelijks leven van hen die geen decoraties kregen voor hun liefde;
Aan het hoofd van onze dienst stond een Waalse majoor van zestig jaar, met een lange, grijze baard. Hij gaf mij een “poste de faveur” ik mocht dienst doen in de achterste goederenwagen, waar de ransels, wapens en bagage van de gekwetste werden opgeborgen. Mijn beloning voor de maanden in de tyfustrein. In de goederenwagon kon ik mij vrij en comfortabel installeren en slapen. Er was een hokje voor de treinwachter en daaronder een soort kastje . Daar verborgen mijn vrienden en ik af en toe wat tabak en andere lekkernijen. Zowel het personeel van de trein als de brancardiers trachten een beetje te smokkelen voor de Belgen in Kales. Vele pakjes werden onder den trein gehangen. De overheid wist dat wel maar ze lied het oogluikend toe. Welk gevaar zat er in? Waren de frontjongens dan zo verwend dat ze onmiddellijk doodzonde zou zijn? Goed.
Maar de Luitenantgeneesheer die onze trein moest vergezellen, maakte zich boos op mij. Hij kende geen gebenedijd woord Nederlands en hij eiste dat ik Frans zou praten, ik zei: Leer onze taal we hebben de uwe wel moeten leren! Dat was te veel. Op een avond verwittigde hij de douane. Toen ik naar de trein ging , stond enkele tolbeambten en een soldaat bij mijn wagen. Ze hadden wat tabak en zo uit mijn kastje gehaald. “ Vandewalle”, je smokkelt!” Ik ontkende. “ De tabak is niet van mij. Iedereen kan hier iets komen verstoppen. Er werd een proces-verbaal opgesteld en ik moest in de Panne voor de rechtbank komen. Ze sprak mij vrij. Daags daarna riep de Waalse majoor mij bij zich. De dokterstond in zijn kantoor en beschuldigde mij van “Fraude” Ik ontkende in het Nederlands. “Qu’est-ce qu’il dit? “ vroeg de majoor. Ik weigerde ’t in Frans te herhalen. Toen werd de majoor rood en riep: Vandewalle, u kent uitstekend Frans, ik geef je acht dagen cachot! En ik heb ze moeten uitzitten. Ze schoren mij kaal en sloten mij op in de Mairie, als een bandiet, bij gestrafte soldaten.
Na mijn vrijlating kwam ik opnieuw op de ziekentrein en diende het ene verzoek na het andere in om bij de generaal op het rapport te mogen komen en te kunnen protesteren. De majoor gooide mijn brieven in de scheurmand. Ha zo zei ik. Op een vrije dag stapte ik in Kales naar de rue des Soupirants 22, waar de generaal verbleef. Ik wachtte tot de schildwacht mij niet zag, klopte op de deur en wipte bij de grote baas binnen. “Qu’est-ceque c’est?” vroeg die verbaasd toen hij mij, de simpele soldaat, daar zo onverwacht zag staan. Ik legde hem alles uit.” Vandewalle”, zei de generaal, “Ik heet Melis en ik ben ook een Vlaming, ik kom uit Brugge, ik zal de zaak onderzoeken. Ga naar u dienst en zeg aan niemand iets”.
Een tijdje later werd ik bij de Waalse majoor geroepen. Hij wreef eens over zijn baard en zei: “ Vandewalle, ik ben bij de generaal geweest voor je zaak”.
-Ik weet het zei ik
-Hij liet mij volledig vrij voor de oplossing.
-Ik geloof u.
-Vandewalle, wij hebben besloten je straf te schrappen en je opnieuw dezelfde gunstpost te geven.
-En mijn verloren solde? Vroeg ik.
-Die krijg je ook.


