gesneuvelden


Stond in mijn gazette van 29 oktober 1968
“Soldaat was ik alleen maar op papier, in die tijd bestond er geen dienstplicht. De jongemannen moesten naar de loting en wie een “slecht nummer” trok werd militair. Wie er zich “uitloot” kon zich voor zestienhonderd frank verhuren aan een rijkaard en in diens plaats naar ’t leger gaan. Ik trok een slecht lot, maar ik moest algelijk niet binnen. Geestelijke en onderwijzers waren vrijgesteld. Zolang het vrede bleef. Kwamen er moeilijkheden, dan zou men ons als brancardiers oproepen.
Zo ik gaf les en ik had goed mijn bezigheid, daar in Bellegem. Ik moeide mij met het verenigingsleven, ik ging naar de repetities van de fanfare, ik speelde toneel. S’ Avonds was ik nooit voor half elf in mijn logement. Ha, die mooie jaren.
Toen kwam de oorlog. Op 1 augustus 1914 werd ik door de veldwachter uit mijn bed getrommeld en om 7 uur vertrok ik naar Hemiksem, bij Antwerpen. Met wel honderdvijftig priesters, advocaten en onderwijzers kwamen wij bijeen. Allemaal in burger, met een hoedje op. Want een soldatenpak hadden we nooit gekregen. We werden allemaal tot brancardiers uitgeroepen en we trokken mee op. De hele terugtocht en daarna bij de IJzer hebben we meegemaakt. We kregen de vuurdoop in de streek van Nieuwpoort en Ramskapelle. Met ons hoedje op ons hoofd.
Alfons Vandewalle was toen 87 jaar. Hij heeft veel meegemaakt in zijn lang leven. Tegenslagen, ziekte, vervolging. Hij is altijd een moedig man gebleven die van aanpakken wist. Overal sloeg hij zich door. Als hij nu over de eerste wereldoorlog begint, zie je die moed herleven. De aandoening is na zovele jaren, niet verminderd. Een hele wereld komt opnieuw voor de geest. Maar hij verteld voort, met alle details. Het verleden is te sterk geweest. De jeugd moet wel weten wat er allemaal is gebeurd. “ Ook ik had gedacht dat al dat vergoten bloed niet nutteloos zou zijn. Ook ik had gepeinsd dat het na de oorlog allemaal direct ging veranderen en dat wij vrede en recht gingen krijgen.”…..
Na de afschuwelijke maanden van de eerste IJzergevechten toen het front zich achter de overstromingen had gestabiliseerd en de legers zich voor lange tijd begonnen in te metselen, werd Alfons Vandewalle brancardier op een van de “trains Sanitaires” De ziekentreinen met basis in Kales. Zijn versleten burgerpakje, zijn kapotte schoenen en zijn hoedje had hij eindelijk kunnen ruilen voor zijn eerste uniform. Geregeld reed hij met de trein over Adinkerke naar Boezinge, om er de gewonde op te halen en naar de hospitalen achter het front te brengen.
“Op een dag kwamen ze enkele vrijwilligers vragen. Er was tyfus uitgebroken. Onze treinen kregen een speciale wagen om de slachtoffers te vervoeren. Er moesten brancardiers gevonden worden om de sukkelaars te helpen verzorgen. Niemand mede zich aan. Toen kwam een onderwijzer uit Blankenberge naar mij toe. Een huisvader met twee kinderen. Ik zie hem daar nog staan met een bekommerend gezicht. Alfons willen wij ons aangeven? Wij hebben het gedaan. Dertien maanden lang brachten we door bij besmettelijke zieken. Op het einde van de oorlog brak de Spaans griep uit. De soldaten vielen neer als vliegen. Hele treinen vol voerden wijn naar het hospitaal. Schrikkelijk! De jongens lagen daar opgezwollen en grauw. Veel stierven. Ik ben nooit ziek geweest, nooit gekwetst. Op een keer viel er een bom op onze trein en sloeg hem in twee. De dokter die naast mij stond, verloor een vinger en won een decoratie.”
Alfons Vandewalle was een van de vele barmhartige Samaritanen die in de brancardiers rangen zwaar werk hebben geleverd. Zij kwamen terecht in een weinig of niet georganiseerd korps. Ze waren ongeoefend, werden zonder voorbereiding naar het front gestuurd.










