toponiemen
Den Bronckaert
Aanwinsten VI 2126: renteboek vander heerlichede van Moorenackere bestreckende op diversche gronden van erfven daer afghehouden die ligghen in de parochie van Curtrycke (1601)
Beschrijving: stick landts ghenaempt den bercenste tanghe(?) groot omtrent vijfhondert paelende metter oostzijde jehens Willem Vanderplanckes lant ghenaemt den bronckaert, metter zuytzijde jeghens Willems Hofstede ghenaemt den Moorenackere, metter west ende noortzijde jeghens Willems tangheveldeken ende pappaersbusch.
Verwijs en Verdam blz. 1456 bronken, znw. ww onz.
Kil broncken, j. proncken. Het woord verenigt de beide min of meer tegenstrijdige opvatting van “pruilen” en “pralen, fier zijn”. De betekenis die tussen beide ligt is “ een deftig gezicht zetten”. Het is wel hetzelfde woord als ons “pronken”.
- Pruilen, brommen
- Fier zijn, pralen, ook van paarden: fier stappen, hoog draven.
Den bronckaert: persoon die bronckt.
Westvlaams Idioticon de Bo blz. 167 bronken: bronkte, heb gebronkt o.w.
Pruilen, misnoegd zijn, niet willen spreken, fr. bouder. Men zegt ook “pronken”.
Algemeen Vlaams Idioticon Scheurmans blz. 81 bronken/ o w: 1. met gemelde processie rondtrekken dit jaar.
2. een ontevreden gelaat vertonen; een streng, stuursch misnoegd gelaat aannemen, misnoegd zijn niet willen spreken.
Als men iemand iets beveelt, dat hem niet aanstaat, en hij alzoo een zuur gezicht trekt, zegt men: hij bronkt weer.
Vandaar nog: het is een bronker of bronkert, dit is hij gaat veel zonder spreken. In Vlaanderen heeft bronken deze laatste betekenis ook. In Brabant zegt men monken of pratten, elders pruilen.
Bij Kol. Broncken, of proncken, ’t welke ook in Vlaanderen eene opzicht barende vertooning maken beteekent.
Woordenboek der Nederlandse taal blz.1525-26 bronken, brunken- onz. zw. ww. Andere, misschien oudere vorm van pronken, die reeds in ’t Mnl. voorkomt in de beide bettekenis: pruilen en : pralen: vergelijk pruilen(voorheen ook: pralen) en verder woorden met onzijdigde betekenis als grimmen. De opgave in den tuethon. 42 a zonder vertaling, geeft omtrent de bedoelde beteekenis geene genoegzame zekerheid. Voor Kiliaan, die bij Broncken naar proncken verwijst, was de eerste vorm dus blijkbaar niet meer de gewone (vergelijk brallen naast pralen) . Wellicht is het woord met een suffix-k- afgeleid van Brommen, met overgang der m in n.
A pruilen, een misnoegd of somber gelaat toonen, een strak of zuur gezicht zetten of niet willen doen wat verlangt wordt, talmen(- ook met iets)
- In het hageland thans: “het dreigen van ’t rundvee, als het wil stooten, hetwelke met een licht brommend geluid gepaard gaat”
Aldaar ook gebezigd van de lucht: betrekkenen, dreigend uitziet.
B pralen, prijken, pronken
- Van persoon: eene uittardende houding aannemen. In Limburg thans nog in de verwante betekenis: er trotsch en verwand uitzien. Doch ook: eene deftige houding aannemen, er stemmig, ernstig uitzien.
- Thans alleen nog in Limburg voor: een plechtige ommegang bepaaldelijk dien op de H. Sacramentsdag, houden.
Afl: in de betekenis a. bronken(d) iemand die zwijgend somber kijkt.


