nostalgie
Ook de man was niet gespaard, hij moest de wieg maken. Ze was van hout of riet en moest kunnen schommelen, want de kleine zou beter inslapen. Vaak kwam de wieg via overlevering in het gezin terecht.
Bij de bevalling kwam dan de “achterwaring” ze werd gehaald door de vader wanneer “het water brak” maar vaak was ze op dat ogenblik in huis. Dat betekend dan ook die “de geboorte geschiede thuis”
De vader was bij het gebeuren niet aanwezig, het zou ongepast gewezen zijn.
De vader reed met de fiets het dorp rond voor de bekendmaking en meestal kwam hij niet meer nuchter thuis. Veelal werd het ook “doorgezegd” het duurde niet lang of heel het dorp wist het. Doopkaartjes waren slechts voor de hele rijke klasse van toepassing.
Den boreling kreeg uiteraard ook een peter en meter. Het was een ernstige aangelegenheid, het gebeurde volgens een strikt hiërarchische normen, en der werd zeker niet aan getornd. Bij het eerste kind waren de vader van de vader en de moeder van de moeder, peter en meter. Bij het tweede kreeg de moeder van de vader en de vader van de moeder het toegewezen. Bij de volgende kinderen ging het naar de ooms en tantes volgen in de volgorde, van de oudste naar de jongste en daar werd zeker niet aan geraakt. Er was geen sprake van een voorrecht, maar gewoon van een recht.
Het was de peter of de meter om een naam te geven aan het petekind. Bij gebrek aan inspiratie werd de heiligenkalender er bij gehaald en dan gaf vaak de dag van de geboorte de doorslag om een naam te geven. Kon de peter of de meter door ziekte of iets dergelijks op het doopfeest niet aanwezig zijn, dan werd er een plaatsvervanger gezocht. Die werd dan “Peetje of meetje lap” genoemd.
Het doopfeest was zeer formeel, er werd enkel op zondag gedoopt. Meestal na de hoogmis of na de vespers. De plaats van dopen was de dorpskerk, hij die doopte was de parochiepriester of een familielid priester. De doopviering was een aparte, vrij korte plechtigheid, welke niet in een mis werd ingekleed. Het doopkleed ging vaak van moeder op dochter over. Was er geen, dan werd dat door de moeder zelf gemaakt. Slechts zelden werd een kleed gekocht. De priester kreeg een kleine vergoeding, welke niet verplicht was, dat door peter en / of meter werd gegeven.
Na de doopplechtigheid ging de familie( beperkt tot het gezin, aangevuld met peter en meter) meestal op café, er werden zoveel mogelijk herbergen met een bezoek vereerd. Deze drink gelagen werden meestal betaald door de meter en / of de peter, minder vaak door de vader. Uiteraard was de moeder bij deze plechtigheid en viering niet aanwezig, zij moest geduldig wachten en hopen.
Wanneer men dan thuis kwam werd er dan toch iets gegeten. Bij de rijken een feestmaal, bij de werkende klasse veel minder. Het ging hem over een broodmaaltijd, bijvoorbeeld “Koekebrood” met kaas of hesp. Ook witloof met ham, konijn of kip. Men dronk daarbij bier of borrels, soms ook wel wijn.









