We leven nu in den tijd waarvan we denken dat wij de wereld gemaakt hebben, nochtans met ons honderd jaar dat we hier mogen verblijven zouden we dat zeker niet kunnen realiseren. We mogen dus van geluk spreken dat we elk om beurt mogen meehelpen om iets na te kunnen nalaten. Toen men de oerknal nabootste, klonk het als of nu wisten wie deze wereld in elkaar geknutseld heeft. Maar als men met de telescopen die hebben, en nog altijd bijbouwen, zien ze dat ze onlangs hoe meer niets zien. Men stelt vast dat wat we spotten zeggen: “ Het heelal is zo groot dat zelfs den eersten die gestorven is nog in de hemel niet geraakt is, laat staan dat hij al zou terug zijn om ons te zeggen wat er daar is”.
En hierbij kun je, je dan de vraag stellen, heeft de mens al iets hier niet gezet wat er niet was? We horen u al roepen hebt u soms de computer uitgevonden? Dan antwoorden wij u welke materie zit er in de computer, die niet van deze aarde was? Je hebt gelijk als je zegt dat je met de materie iets hebt gemaakt, waar we verbaasd van opkijken en zeggen de mens is toch zeer ontwikkeld om zo dingen te maken. Toch het is alsof een goochelaar, die zijn beide handen in de lucht houd en ons duidelijk maak ik heb niets in de handen niets in het mauwen, en hop daar is een duif, of zelfs veel grotere dingen. Toch perslot van de rekening was de duif er! Met ander woorden, wij maken gebruik van de materie, waar we grootse dingen mee maken, doch alles ligt ter onze beschikking. Iets of iemand, heeft het ons om het waardig te gebruiken.
Iedereen denkt er het zijne over, maar wij zijn het niet, die hier enkele jaren verblijven, die de wereld het heelal laten bestaan. Men zegt dat wij het kapot maken! Hoe, door oorlog te voeren, want vrede, ja hier in het westen herdenken we honderd jaar oorlog, maar is dat vrede? Rijken blijven rijk, armen arm! De ene vecht voor zijn voedsel, de ander werpt het weg. Landen willen onafhankelijk zijn ander verbieden het. Is dat vrede?
We weten allemaal dat de kerken leeglopen, het begon al toen men de heiligen verbande uit de kerk, vroeger stonden de pilaren, indien het mogelijk was vol met heiligen beelden. Toen dacht men dat de mensen alleen naar der kerk trokken om heiligen te aanbidden. ’t Was misschien wel iets overdreven, doch nu is het langs den anderen kant dat men overdrijft. We lazen onlangs nog in de gazette dat men overdreven veel bloemen zet op het kerkhof en dat alleen met Allerheiligen. Ik had een vriend, en zoals Joris Declercq het zegt: “Ne vriend is lijk ne stekkerdraad, Je kunt er vast aan raken. En ojje weg wilt goan, ’t doe zeer, je los te laten” (Ik hoop dat Menheer Declerq het mij niet kwalijk neemt dat ik het gebruik) maar het is waar. En iedere dag breng ik hem geen bloemen op zijn begraaf plaats, hij staat bij mij thuis in de kast, en iedere dag als ik aan tafel zit zitten we recht over elkaar, en ‘t is alsof hij hier zit zoveel jaren later met zijn “export” van thuis van Bellegem. Allerheiligen, dan herdenken wij al die heiligen die niet ergens vermeld staan, Allerzielen, zij die ons dierbaar zijn, werden zoals de verjaardag van iedereen op een dag echt in de bloemen gezet maar dan allen in een keer.
Of feestdagen voor sommigen zouden mogen verdwijnen, oordelen wij hier niet, maar wij denken, toen onze ouders of onze voorouders er voor streden om die gebruiken en in voege te brengen dat ze wel ergens gelijk hadden. Echter is dit hier niet wat we willen bereiken, we willen alleen eventjes kennis maken met wat er allemaal zogezegd lang voor onzen tijd bestaande was maar tussen haakjes toch in gebruik is. Denk maar even wanneer we nu de kerk binnen gaan voor wat men noemt de H. Mis, ( eucharistieviering) dan zien we bijna allemaal grijze hoofden of kale koppen, met andere woorden oudere mensen. Bij zeldzame gelegenheden jongeren, wellicht, wanneer ook zij vergrijzen, zien we ze daar opnieuw. (Zoals men spreekt over de vergrijzing de baby boem jaren, zouden er misschien te weinig baby’s nu bijkomen en terug een ander kleur inbrengen dan grijs?) En toch, je zou haast denken dat er kabouters op pad zijn want bij vele heiligenbeeltenissen staan vele kaarsjes te branden. Bij kapellen, bij de verscheidene grotten verdeelt over Vlaanderen. ’t Is echt opvallend. Vandaar onze aandachten om die voorbije dingen eens op te rakelen. Wij gaan snuisteren in oude documenten en dagbladen tijdschriften en van die dingen meer, bij het opkuisen en wegwerpen, dat zij die achter ons komen niet te veel van dien “briel” nog zouden vinden. Maar we konden het over ons hart niet krijgen om niemand te laten mee genieten van die vervlogen tijden. Soms hebben we het zelf meegemaakt, andere van in de verte te horen zeggen, maar met respect voor zij die het meegemaakt hebben. Ontdekken van wat vroeger bestond is een prachtige gelegenheid om even om te kijken. Was het werkelijk alles zo slecht, we denken het niet, dat het soms overdreven was ja, maar is nu alles goed? Denk eens we lezen dat men in Kortrijk de Leie boorden gaan verlagen, ze waren vroeger laag en ze verhoogd het! En zo kan men doorgaan, laten we het gewoon bekijken en elk neemt er het zijne van. Toch is er bij het bekijken van de heiligen welke we volgen, een zeer opvallend iets. Die bekeerlingen gingen aan de mensen zeggen wat er men hen gebeurd was. Nu gaan of de mensen naar de priesters.(kerk) Er zijn weinig priesters die naar de mensen toegaan, of toch? Veel lees genot!