oudrollegem
Het archief de l’Etat, te Brugge Registre 119 du fonds de la Châtellenie de Courtrai geeft aan dat Marguerite de Croï een eerste maal op 2 september 1584 Pierre de Henin-Liétard huwde welke stierft rond 1598, en een tweede maal Vratislaus, graaf de Fürstenberg,derde zoon van graaf Albert en van gravin Isabelle, vrij geboren barones de Berstein. Zodoende ziet men op 15 april 1613, Vratislaus, graaf de Früstenberg, het reliëf maken van de gronden van Rollegem in naam van zijn Vrouw.
Er zijn geen sporen gevonden van het bezit van de grondheerlijkheid van Rollegem door de du Chastel de Blangerval, doch is het geweten dat voor september 1735, de hoeve van dit leengoed samen met de aanhorigheden behoorden aan de Doornikse Familie d’ Ennetieres, erfgename door huwelijk van het huis de Basta, graven van Mouscron, d’Hust. Een acte gedateerd 1734 met deze woorden; boven de ingang van de hoeve van Rollegem, een gebeeldhouwde steen met het familiewapen van de d’Ennetieres vergezeld van het opschrift: obijt(bovenaan) 30 (rechts) 7bre (links) anno 1735 (onderaan) Het schild van de d’Ennetieres heeft bovenaan de markieskroon ondersteund door twee tijgers die beiden een vaandel met hetzelfde wapen dragen.
Men mag er van uitgaan dat de Liedekercke of Basta, het leengoed van Rollegem verworven hebben bij de verdeling van de erfenis van gravin van Fürstenberg.
Ze schijnen hun ridder en goedrechten behouden te hebben tot rond1795, maar d’Ennetieres bezaten de hoeve tot 16 maart 1876, dag waarop ze de erfenis werd van graaf Adhemar d’Oultremont de Duras, wiens moeder de enige dochter was van de voorlaatste markies d’Ennetieres. Sindsdien werd de grond verkocht aan een Kortrijkse fabrikant van fotografische platen.
Jacques du Castel en Jehanne du Bois de Boyelles de oudste zoon Filip du Chastel, kocht in november 1585, de heerlijkheid van Rollegem, van Charles du Criy-Aerschot
Dit leverde hem de titel van quaestor of penningmeester op. Bij het baljuwschap van Kortrijk op 9 september 1586 herstelde hij de adeldom van dit leengoed. Als groot baljuw van Audenaerde begon de afrekening op 7 januari en eindigde op 7 mei 1612.
Onze heer droeg als wapen “ un écu d’azur au chevron d’or, accompagné de trois crois croisettées au pied fiché du même” en als “cimier: un château ou tour de gueules” als drager twee gouden griffioenen,( een griffoen ie een mythologisch dier) “langués du gueules” en als leuze: “ s’il plait à dieu”(als het God behaagt)
HIJ stierf in de abdij van Marquette bij Lille in 1626. Hij was al overleden in het jaar 1612. Dit echtpaar had twaalf kinderen waarvan er verschillende non waren in de abdij waar de moeder overleed.

