De naam zou van Gallisch-Keltischeoorsprong zijn, met name van Ho-lar wat hoog gelegen open plaats in het bos betekent. De oude spelling is "Hoeylaert". Hoeilaart noemt men ook wel eens ‘het glazen dorp’ vanwege de grootschalige teelt van druiven die er tot in de tweede helft van de twintigste eeuw in verwarmde serres gedaan werd. Inwoners van de gemeente worden Hoeilanders genoemd. Scheld of spotnaam van Hoeilaart: doenders, kolenbrander, eieruiper, spekdief, stoefers. > Kaart van gemeente Hoeilaart (www.google.be/maps) > Diverse informatie aangaande gemeente Hoeilaart (wikipedia.org)
Het is de naam voor het Brabantsedialectdat men vanouds in Brussel spreekt. Sedert de late achttiende eeuw werd het geleidelijk aan vervangen door het Frans, en na de Tweede Wereldoorlog in geringere mate ook door het Algemeen Nederlands, waardoor nu nog slechts een klein deel der Brusselse bevolking deze taal spreekt. Thans staat de "platte" volkstaal van weleer echter in hoog aanzien en maakt het een revival door.
De term Brussels slaat in correct gebruik eigenlijk alleen op de taal van Brussel-Centrum, maar vaak wordt ermee verwezen naar alle dialecten uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Men geve zich er rekenschap van dat in de voorsteden van Brussel (inclusief Laken,Neder-Over-Heembeeken Haren, die deel uitmaken van de gemeente Brussel) andere dialecten worden gesproken, die soms zeer duidelijk van het Stad-Brussels afwijken. Hieronder zal op die verschillen worden ingegaan; wanneer er van Brussels sprake is wordt steeds het dialect van de binnenstad bedoeld. >Lees meer op www.wikipedia.org Taaleigen Onaangekondigde overgang van de ene taal in de andere Ei kreig va zainen adversaire ne coup d'tête in zain moegt.(Hij kreeg van zijn tegenstander een kopstoot in zijn maag.) Ei aa gienen débouchonneur.(Hij had geen ontstopper.) Il est kroemmeneil zat.(Hij is stomdronken). K'em a carrément de woeraait gezeit.(Ik heb je vierkant de waarheid gezegd.) De quinze ei gedérailleid on den aiguillage van den Avenue Louise.(De vijftien is ontspoord aan de wissel van de Louizalaan.) C’est une onnuzel treis. ('t Is een dwaze trien.) Ge zai nen imbécile.(Je bent een dwaas.) Il sort manger avec sa mokke.(Hij gaat uit eten met zijn liefje.) Tu deviens peike, tu sais, kameroet.(Je wordt een oud ventje, hoor maat!) Tu es un dikken broebeleir.(Je bent een grote blaaskaak.)
Specifieke woordenschat(vooral scheldwoorden) ne pei, e peike:een (oudere) man en mei, e meike:een (oudere) vrouw ne pottepei:iemand die graag een biertje lust (niet zo erg als drankorgel) ne labbekak:iemand die eerder flauw, vreesachtig van aard is caliche:zoethout calichezap: eig. sap van zoethout, d.i. een minderwaardige drank (vb. koffie) die niet lekker smaakt zievere:schertsen (het niet ernstig menen) > Da's giene ziever!(Dit is geen lachertje.) e mokke:een liefje (mokkel), vandaar een aardig meisje daštere (> nen daštereir):knoeien of treuzelen ne fafoel:iemand die houdt van snoeven, hovaardige kažoebere(> ne kažoebereir):in vuilnisbakken scharrelen
Rijke variatie aan scheldwoorden skieve lavabo, skieve archetec (onbekwaam architect), amelaiken dojker (heimelijke duiker, gluiperd), tallurelekker van ’t gasthois(bordenlikker van het ziekenhuis).
Franse stam + Vlaams suffix of omgekeerd fils-ke:jongen débouchonn-eiren:ontstoppen (vb. Ei aa gienen débouchonneur vi da fleske te débouchonneire) ne zwanz-eur:een lolbroek
Letterlijke vertaling van een Nederlandse uitdrukking naar het Frans (zelden omgekeerd), waardoor groteske fouten ontstaan: J’espère que ça va pas continuer à rester durer.(Ik hoop dat het niet gaat blijven duren.) Je fais faire mes grosses courses, hein motje. T’as rien besoin?(Ik ga mijn wekelijkse inkopen doen, hoor meisje. Heb je niets nodig?) Il a une pièce dans ses bottes.(Hij heeft een stuk in zijn laarzen). d.i. Hij is stomdronken) Arrive une fois, filske!(Kom 'ns, jongen!)
Op basis van dit laatste worden bij wijze van grap wel eens fictieve zinnen bedacht, zoals: Nous sommes chemin.(We zijn weg)
Het Zeeuws is een samenvattende benaming voor een samenhangende groep dialecten in het zuidwesten van Nederland, met name in de provincie Zeeland. De naam Zeeuws is al oud: het woord stamt uit de Middeleeuwen en is zélf een zuidwestelijk dialectwoord. In de talige betekenis treft men het ook al vroeg aan. Een door promotors van het Zeeuws vaak aangehaald citaat van Jacob van Maerlant(uit zijn heiligenleven van Sint-Franciscus) luidt: Men moet om de rime te souken Misselike tonghe [verscheidene talen] in bouken: Duuts, Diets, Brabants, Vlaemsch, Zeeus; Walsch, Latijn, Griex ende Hebreeus
Ze schounk een lytje bier in d'oude ronde komme In de plekke van melk om zedder te kun bakken Miek er twee op e keer voor nuuze gulzig monden En se kunde ze draeien ze was daerom nie dom!
Mee bruune potsuiker m'aet toen vele te vele Die suiker kwaam assan van djuuste over de schreve Beter en gekopper in velo op de dreve Zon'er kommyzekotche geen rysche of nie vele.
Op vasten Dyssendag en 'n dag van Lichtemesse 't Was 't eten van 's navers mee kaffie of mee bier Karnaval overtyd was een groote feeste hier In Duunkerke en Belle nog assan kerremesse!
Latijn, eenItalische taal, is oorspronkelijk de taal van deLatijnen, een volk dat vanaf het eerste millennium voor Christus in de streek Latium (het huidige Lazio, Italië) woonde. Het was de stad Rome die na 500 voor Christus in dit gebied haar politieke en militaire invloed vergrootte en zo haar taalbuiten de stadsgrenzen verspreidde. Rome werd de hoofdstad van het Romeinse Rijk, dat bleef groeien tot het in de tweede eeuw na Christus haar grootste omvang bereikte. Het Latijn werd de voertaal in het westelijke deel van dit rijk (terwijl Koinè-Grieks dat in het oostelijke deel was en bleef). >Lees meer op www.wikipedia.org