Ziet gij de zwarte leeuw niet rijzen, Zo fier op ’t trotse gouden veld? Ziet gij zijn forse reuzenklauwen, Waarvan één slag de vijand velt; Ziet gij zijn bloedige ogen gloeien, Beschouwt zijn maan zo breed verward? – Die leeuw is onze Leeuw van Vlaandren Die rustend nog de wereld tart!
Hij sloeg zijn klauwen op het Oosten En ’t Oosterheir vlood siddrend heen, Zijn blik vernielde d’halve manen Van d’ongetemde Saraceen. Dan toog hij weder naar het Westen En schonk, hun dapperheid loon, Aan d’onversaagdste zijner zonen Een konings- of een keizerstroon.
Hij sluimert nu. – Der Walen koning Beknel’ hem vrij in ijzren band, Hij sture vrij zijn roversbenden Tot op der leeuwen Vaderland… Want zo de leeuw ontwaakt, – gij roovren! Wordt ge allen door zijn klauw verscheurd, Dan wordt uw trotse witte lelie Door hem met bloed en slijk besmeurd.
O, die blinkend witte nevel over de venen! de uitgestrekte, Grote, stille nevelzee, wier waatren de aarde bedekten!
Wij liepen des avonds tegen De tijd, dat de zon onderging, Samen op stille wegen Door het moeras en zwegen Van verwondering. Slechts hoopjes turf en daken Van donkere huisjes staken Zwart uit de nevel omhoog. Ze was zo stil, zo zonderling, Die zee, waar niets bewoog.
O, die zwarte, grillige heuvelkust, Die met haar brede lijn, Scheidde de blinkende nevelrust Van 't gloeiende karmijn! Want boven de donkere landen Stond vuurrood de hemel te branden Met onheilspellende schijn.
Ik werd onrustig en ik zocht Een woord, dat de stilte verbreken mocht. Ik keek in de zon, in het nevelmeer.... Het zwijgen werd pijnlijk. De avond, de aarde, mijn leven werd zeer, zeer onwaarschijnlijk.
De tjalken schieten aan tussen de strakke dijken en vullen 't glad kanaal met driftig schuimgedruis, totdat zij met een vaart hun lange zeilen strijken en glijdend binnengaan in 't veilig vak der sluis.
Daar dringen zij dooreen: de harde boorden kraken, zodra een druk rumoer zich opzet in de lucht, totdat de wachters weer de poorten open maken, en al dat ongeduld ver in de ruimte vlucht.
Dan lijkt de morgen stil na 't jong geluid, dat heen is en ons verliet, nog vóór 't zijn volle groei begon, en in de lege sluis, waar 't licht nu weer alleen is, drijft enkel nog wat schuim, dat schittert in de zon.
Bij 't muurke, waor de druufkes hangen, Daor speult, met bleekheid op de wangen En flonkerieng ien 't donker oog, Mien jungske; 't gooit zien petje umhoog Um 't witte vliendertje op te vangen.
'k Stao naor dâ kienderspul te turen, En zie 't zoo graog en toch zo nooi... Ocherm! 'et zal nie lang meer duren: Went ook de dood duut gooi op gooi - Bleek vliendertje wordt gauw zien prooi.
Ik vond een vogel, stervende in de tuin. Geen koestren hielp, hij drinken wou noch eten. Gelijk een bloem, wier stengel werd gereten, Aan 't slappe halsje hing het kopje schuin.
Eén siddering - en dan, in niets meer weten, Verstrakte 't lijfje, als de aarde grijzigbruin. Wij hebben 't stil begraven in de tuin - Die kleine vogel kan ik nooit vergeten.
Zo zag 'k voor 't eerst het wonder van de dood - Nu moest die vogel zang en vliegspel derven, Weerloos vergaan tot aarde in aardeschoot.
Toen wist ik: - Nu nog zijn mijn wangen rood, Nog zing en dans ik, maar ook ik moet sterven - 'k Voel nog de kou, die héél mijn zijn doorvloot.
Het zee-geruis zal ik nog dán gedenken als diep in zand mijn hoorloos oor vergaat, als lichten mild mijn ogen niet meer drenken, als zonder woon mijn ijle wezen staat.
Naar 't zee-geruis zal ik nog dán verlangen als naar het liefst wat mij de wereld deê. Zij zingt de kroonzang aller wereld-zangen, de op zandig veld neerdonderende zee.
Verheugt u toch, gij die dit rijmke lezen en nog in gloed der zonne wandlen meugt de stranden langs, - wen mijn verstorven wezen reeds lang ontbeert wat 't zózeer heeft verheugd.
Zegen dan uwe zinne' en uwe dag! Ik die dit schreef ging met een hart vol wonden handen vol euvel, oren vol geklag, en heb het leven toch zó schoon gevonden.
-------------------------------- Van de passielooze lelie (1901)
Lamp mijner ziel, die me in ’t verborgen gloort, Zoet wonder van ’t heelal, dat niemand weet, Brand niet zo duister in die mist van leed, Maak niet altoos uw schijnsel droef; – gloed hoort
Bij gloed, wat schoon is brengt wat schoon is voort, Zoet zoekt zoet, lief! och, dat gij ook zo deed, U zelve zoet, uw zoet Zelf minder wreed, Dat dus mijn bidden eindlijk werd verhoord.
Of als ge in smart dan altijd leven moet, Laat dan mijn ziel in tot uw ziel en paar Hen beiden in één smart en éne klacht; –
Opdat ze als tweeling-vlammen in één nacht, Verborgen branden, gloren naast elkaar, In ene stille walm en ronde gloed.