NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Theoretische Psychologie
een fenomenologisch onderzoek; op zoek naar een overkoepelende theorie voor gedrag
Inhoud blog
  • commentaar van John op krantenartikel; 16 december 2010
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    22-06-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    JOUW PERSOONLIJKHEID,

    HEB JIJ DAAR OOK ZO’N LAST VAN?[1]

    John Horowitz

     

    Voordracht voor de “IJsbrekers” op het symposium

    profiteer van je persoonlijkheid!”

    NIP-gebouw te Utrecht

    op zaterdag 25 mei 2013

     

    Waarde collega’s,

    Als je wilt interrumperen dan ben je daar zelfs van harte toe uitgenodigd.

    Ik hoop dat je veel gehad hebt aan wat er vandaag geboden werd en dat je je nu beter toegerust voelt bij het solliciteren en eventueel bij het beginnen van je eerste baan als psycholoog. Jammer genoeg zijn de economische omstandigheden niet gunstig. Maar deze crisis draagt naast negatieve kanten, op de langere termijn wellicht ook een paar positieve aspecten in zich, waar ook jij later profijt van kunt hebben. Er treden tijdens zo’n periode namelijk correcties op van enkele verkalkte maatschappelijke instituties en structuren.

     


     

    Wat ga ik doen?

    Eerst ga ik in op het begrip “persoonlijkheid”, immers het hoofdbestanddeel van ons symposium. De titel van mijn betoog luidt: “jouw persoonlijkheid, heb jij daar ook zo’n last van?” Je voelt de bui al hangen: bij een paar punten heb ik bedenkingen. Aan de hand van de recente historische ontwikkeling van onze leefomgeving en van de psychologie zal ik je mijn standpunt toelichten. Vervolgens geef ik dan twee voorbeelden uit sollicitatiecommissies van het ziekenhuis waar ik tot aan mijn pensionering werkte. Ik hoop je vanuit deze praktijk duidelijk te maken dat de relatie tussen “jouw persoonlijkheid” en het resultaat van sollicitaties soms meer op een toevalsvariabele lijkt dan dat hier een causaal verband kan worden gelegd.

     

    Over het begrip persoonlijkheid:

    De Penguin Dictionary of Psychology[2] onthoudt zich bij het lemma persoonlijkheid van een begripsomschrijving, daar er volgens de auteurs zo’n vijftigtal definities in omloop zijn. Zodra je het over profiteren van je persoonlijkheid hebt dan impliceert dit, dat “persoonlijkheid” een entiteit zou zijn en dat de keus aan jou is om daar al dan niet van te profiteren. Ook in de taal wordt dit begrip zeer divers gehanteerd. Men “ís een persoonlijkheid”, “hééft een persoonlijkheid” of men “míst een persoonlijkheid”. Vroeger gebruikte men het begrip “karakter” dikwijls op dezelfde manier. Ook die term had in de psychologie een plaats. Je had “karakterologische” tests en studieboeken over “karakterologie”. Dit uit het Grieks afkomstige woord suggereert dat er “ingekraste” eigenschappen zijn die een persoon door de tijd heen en in verschillende situaties zouden typeren. Ook het begrip “typologie” werd en wordt nog wel gebruikt. Ze verwijzen alle naar veronderstelde constanten in het gedrag van een persoon, waarmee de één zich van de ander zou onderscheiden, min of meer onafhankelijk van de diverse situaties waarin zij zich bevinden.

    Toen ik nog werkte, gebruikte ik in mijn rapportages over cliënten het woord “persoonlijkheid” vrijwel uitsluitend vanwege de bijvoeglijk naamwoorden waarmee ik iemands gedrag wilde beschrijven. Dus bijvoorbeeld:

    Ik vind de heer Jansen een afwachtende, traag functionerende persoonlijkheid

    Of: mevrouw Pietersen lijkt in het directe contact een gemakkelijk toegankelijke, empathische persoonlijkheid.

    Mijns inziens kan “persoonlijkheid” – simpel opgevat als de verzameling van iemands gedrag, bekeken vanuit uiteenlopende tijdschalen - zowel positieve alsook negatieve eigenschappen omvatten, beoordeeld vanuit diverse dimensies. Tot zover is er dus niets aan de hand met het onderwerp van dit symposium.

    Mijn eerste bedenking is deze: het begrip “persoonlijkheid” lijkt meer op een onbekend grote verzameling van gedragsvariabelen dan op een constante. De aanduiding met één zelfstandig naamwoord suggereert echter het tegendeel: het lijkt dan om een vastomlijnde entiteit te gaan. Je sticht daarmee verwarring en blokkeert de weg naar hypothesevorming en toetsing.

    Voorts lijkt het me een attributiefout om een causaal verband te leggen tussen bijvoorbeeld het afwijzen bij het solliciteren en zo’n vaag begrip als “jouw persoonlijkheid”. Ik laat je zo meteen vanuit een paar praktijkvoorbeelden zien dat er bij sollicitatieprocedures ongeteld veel factoren een rol kunnen spelen en dat het dikwijls zinloos is om het falen - maar ook het slagen! - causaal te koppelen aan “jouw persoonlijkheid”.

    Een andere bedenking is dat je al gauw een denkfout maakt in wat in de logica een tautologie heet: de waarneming – namelijk jouw gedrag – en de verklarende termjouw persoonlijkheid - vormen meestal namelijk geen afzonderlijke domeinen, hoewel dat voor een deugdelijke verklaring eigenlijk een vereiste is. Je beweert dan in feite tweemaal hetzelfde, in verschillende termen[3]. Soms is het nauwkeuriger om te stellen dat je bijna hetzelfde beweert, indien je ervan uitgaat dat de eerste term één element vormt uit de verzameling elementen van de tweede term. Je komt dan tot rare uitspraken die zich overigens in de dagelijkse omgang hebben gevestigd alsof het toch eenduidige beweringen betreft waarvan iedereen de betekenis zou begrijpen. Ik doel op uitspraken zoals: “ik moet dichter bij mezelf komen”, “ik moet meer op mijn gevoel afgaan” en dat verzin ik er voor deze unieke gelegenheid dan maar bij: “mijn therapeut zegt dat ik meer van mijn persoonlijkheid moet profiteren!”

    Ik maak je in dit verband graag attent op een aspect van onze zelfbeleving, de zogenaamde “meta-identiteit”: hoe denk jij dat een denkbeeldig ander jou beoordeelt? Zodra je daar op let, zul je ontdekken dat dit veel vaker voorkomt in je belevingswereld dan je je wellicht bewust was. Op de een of andere manier komt het veel voor dat mensen vanuit die meta-identiteit alleen maar negatief over zichzelf oordelen. En dat is nodeloze zelfkastijding. Tot zover een paar kritische opmerkingen over de titel van het symposium.

    Laten we eens even stilstaan bij de vraag, hoe de psycholoog en de toegepaste psychologie eigenlijk in de maatschappelijke positie zijn terechtgekomen, zoals we die nu aantreffen. Voor de ontstaansgeschiedenis hiervan keer ik terug naar het Nederland van pal na de oorlog.

    Het meest opvallende verschil met nu, lijkt me de godsdienstigheid van de bevolking vanaf de oorlog tot aan de jaren zestig. Alle verenigingen, stichtingen, radio-omroepen en scholen waren opgedeeld volgens godsdienstige denominaties. Denk bijvoorbeeld aan de namen van radio-omroepverenigingen als VPRO, KRO en NCRV. Als scholier wist je van iedere klasgenoot welke godsdienst hij beleed en hield daar rekening mee. Op straat zag je veel religieuzen. Beneden de grote rivieren was alles zichtbaar katholiek. Wie persoonlijk advies nodig had of zijn hart wilde uitstorten, deed een beroep op dominees, priesters en ouderlingen. Katholieken kenden de biecht. Voor de buitenkerkelijken vervulde vooral de huisarts de rol van persoonlijk adviseur.

    Het lijkt er op dat psychologen gedeeltelijk de maatschappelijke rol van priesters en dominees hebben overgenomen. Als vroeger iets lukte of mislukte, dan was dat “De Hand van De Heer”, “het was Zijn Voorbeschikking” of “De Here God Besliste in Zijn Wijsheid”. Nu wordt jouw persoonlijkheid als bron en soms tegelijkertijd als doel aangewezen. Dat is minstens even vaag als die godsdienstige verklaringen. Ik spreek je hier aan op je geweten als wetenschapper, om hier niet aan mee te doen. De methodologie is er niet voor niets!

    Verandering van de leefomgeving. Een halve eeuw geleden bewoog men zich maar zelden buiten de landsgrens. Nu is bijna de hele aardbol voor velen bereikbaar en we hebben tegenwoordig ook feitelijk met die hele wereld te maken. Als ik terugblik op die periode dan zijn er vele dimensies toegevoegd: het vliegen werd voor iedereen bereikbaar en er kwamen snelwegen. Weet je bijvoorbeeld hoe je vanuit Utrecht met de auto naar Amsterdam rijdt, zonder gebruik te maken van de snelweg? Of omgekeerd, vanuit Amsterdam?

    Het internet is de jongste sprong naar mondiale toegankelijkheid en maakt de fysieke afstand soms bijna irrelevant. Tegen de tijd dat je net zo oud bent als ik nu, zul je ongetwijfeld terugkijken op enorme veranderingen in jouw leven. Als wetenschapper waag ik me niet aan voorspellingen, hoe die wereld er dan uit zal zien. We weten immers niet, wat we niet weten. Ik vond dit belangrijke thema bij Nassim Taleb[4] in zijn boek: “The black swan” en bij Daniel Kahneman[5], de enige psycholoog die een Nobelprijs ontving. Deze stelling neemt een toenemend belangrijke plaats in, in het wetenschappelijk denken en verlegt ook de koers van de psychologie enigszins. Ik denk terug aan de visie die methodoloog Adriaan de Groot[6] in de jaren zestig voorstond. Hij vond dat de psychologie vooral gedrag diende te voorspellen. De nieuwe visie houdt onder meer in dat voorspellen een wel erg moeilijk te realiseren doel kan blijken, zonder die mogelijkheid uit te sluiten.

    Weet je wat? Laten we over een halve eeuw nog eens op deze plaats terugkomen om de dan jongste ontwikkelingen door te nemen. Ik zal er ongetwijfeld zijn!

    De toegepaste psychologie was in de jaren vijftig voornamelijk diagnostisch gericht: de psycholoog nam capaciteits-, intelligentie- en projectietests af. Behandelingen vonden vrijwel uitsluitend plaats via de psychiatrie en bestonden vooral uit het toedienen van medicijnen en uit opname in een psychiatrische inrichting.

    Vanaf 1947 werd er op bescheiden schaal geëxperimenteerd met gedragstechnieken. Ik doel op de sensitivity trainings aan de National Laboratories in Bethel, Maine, destijds begonnen door o.a. Kurt Lewin. Carl Rogers introduceerde de non-directive therapy, Fritz Perls nam uit Duitsland het idee van de “Gestalt therapie” mee naar de Verenigde Staten. In Italië ontwikkelde Roberto Assagioli zijn “psychosynthese”, een holistische benadering, afgezet tegen Freud’s psychoanalyse. Voorts kwam “psychodrama” tot bloei, een vondst van Jacob Moreno uit Wenen, een dissidente leerling van Freud. Maar dit alles bereikte ons land in de jaren vijftig en zestig nog niet op grote schaal.

    In de jaren zestig ontwikkelt de gedragstherapie zich als een wetenschappelijke psychologische techniek. Dat was echt iets nieuws! Ik herinner me het optimisme in de leerboeken: allerhande psychische narigheid verdween toen als sneeuw voor de zon, na slechts enkele zittingen successieve desensitisatie!  

    Vanaf 1965 werd vaak de film vertoond die drie psychotherapeuten maakten over hun behandeling van eenzelfde cliënte, Gloria geheten. Carl Rogers, Fritz Perls en Albert Ellis met zijn “rational emotive therapy” (RET) waren de drie therapeuten die afzonderlijk met Gloria spraken. Met deze film werd zichtbaar dat de psychoanalytische benadering niet langer de enige behandelvorm was en dat er meerdere psychotherapeutische technieken beschikbaar waren.

    Vanaf het begin van de jaren zeventig laat de toegepaste psychologie zien hoe je aan jezelf kunt sleutelen en daarmee je eigen horizon kunt verleggen. Psychologen volgen massaal psychotherapeutische trainingen, die aanvankelijk veelal gegeven werden door buitenlanders. De persoonlijke ontwikkeling, scholing en training van individuen lijkt geboren! Op grote schaal geldt het adagium: “werk aan jezelf!” Die slagzin was toen nieuw voor me. Een nieuwe tijd brak aan en het grote psychologiseren was begonnen.

    Deze stroming leidt tot een optimistische visie op het eigen bestaan: je kunt in je gedrag groeien en je eigen grenzen verleggen. De psychologie oefent sindsdien ook invloed uit op de cultuur. Er komen nieuwe formuleringen in de standaard spreektaal terecht. Zou een journalist vroeger gevraagd hebben: “wat vindt u hiervan?” Onder invloed van de nieuwe ontwikkeling hoor je sindsdien vaak: “hoe ervaart u dit?” of: “hoe hebt u dat beleefd?”

    De begrippen “psychologie” en “psycholoog” krijgen in deze periode bij buitenstaanders bekendheid. In de boekhandel vind je sindsdien veel “zelfgroei-” en “zelfhulp”-boeken. Er ontstaat een Ik-cultuur, met soms narcistische trekjes. Een onderwijzeres die al decennia voor de klas staat vertelde me dat in de loop der jaren vooral de ouders van haar leerlingen veranderden. Die stellen zich tegenwoordig eisend op ten aanzien van de leerkrachten: hun kinderen zijn “prinsjes” en “prinsesjes” en van het onderwijzend personeel wordt verwacht dat alles uit de kinderen wordt gehaald om hen te doen presteren en hen hoog op te stoten op de maatschappelijke ladder. Het recht van hun kind op comfort speelt daar eveneens een rol bij. Het moet voor het kind vooral leuk blijven.

    Concluderend: natuurlijk kun je van dit symposium iets nuttigs meenemen, waar je bij het solliciteren of in je nieuwe baan iets aan hebt. Ik kwam nog nooit een bovengrens tegen, wat het opnemen van nieuwe kennis en vaardigheden betreft. Vaak gaat dit zelfs levenslang mee.

    Ik neem je nu mee naar situaties die op dit moment wellicht heel belangrijk voor je zijn: het solliciteren. Ik zat vaak in sollicitatiecommissies bij het werven van medisch specialisten.

    Als je aan de deelnemers van zo’n sollicitatiecommissie gevraagd zou hebben of ze op zoek zijn naar de beste kandidaat voor die functie, dan zou iedereen dat zonder voorbehoud hebben bevestigd. Natuurlijk ook, omdat dit een sociaal wenselijk antwoord is. Maar vooral vanuit de overtuiging dat dit echt hun leidraad bij het sollicitatieproces is. Het begrip “beste kandidaat” blijkt in de praktijk echter vele inhouden te hebben, mede afhankelijk van de functionaris die je hier over spreekt, diens positie in de organisatie, diens belangen bij deze sollicitatie en allerhande waarnemingsvariabelen. Bij dat laatste denk ik bijvoorbeeld aan: “intelligente oogopslag”, “achterdochtige blik”, “sympathieke lach”, “vreemde uitdossing” en vast nog veel meer afzonderlijke indrukken die al gauw tot een “diagnose” over de sollicitant worden gegeneraliseerd. Het lijkt er - mede hierdoor - soms op dat sollicitaties worden gekozen via de beslissing van een toevalsgenerator en dat gedragseigenschappen van de sollicitant daarbij een onvoorspelbare rol spelen. Dit inzicht kan hopelijk voorkómen dat je je persoonlijk gekwetst voelt na een afwijzing. Binnen sollicitatiecommissies zag ik alles voorbijkomen op het gebied van groepsprocessen, zoals loyaliteiten, subgroepsvorming en rivaliserend gedrag. De oorspronkelijke vraagstelling was soms zelfs nauwelijks terug te vinden in wat er zich in zo’n commissie afspeelde. Ik geef je twee extreme voorbeelden.

    Voorbeeld 1: het betrof een medisch specialiste. Zoals dat vaak gebeurde, was ze al enigszins bekend in het ziekenhuis waar ik werkte. Ze had tijdens haar specialisatie namelijk al eens ingevallen en enkele stafleden kenden haar dus vanuit de praktijk. Het oordeel over haar was op grond van die ervaringen nogal negatief, maar niet definitief afwijzend. Men vond haar in de omgang met patiënten weinig empathisch.

    Toen ontving het stafbestuur haar referentiebrief. Die was op haar eigen verzoek geschreven door de hoogleraar die haar opleidde tijdens haar specialisatie. Daarin stond letterlijk dat hij deze referent ongeschikt achtte voor de klinische praktijk. Zijn oordeel raakte daarmee de kern van deze sollicitatie. Om die reden sprak het medisch stafbestuur waar ik toen bestuurslid was, met de directeur af dat hij aan de sollicitant zou meedelen dat haar sollicitatie hiermee een einde nam. De directeur liet zich tijdens het gesprek met de sollicitante echter ompraten en deinsde blijkbaar terug voor het brengen van slecht nieuws aan deze kandidate. Deze sollicitatie bleef dus gehandhaafd. Toen dit in de stafvergadering werd besproken was de opinie unaniem, op één persoon na: deze kandidaat wensen wij niet als collega in ons ziekenhuis. Eén persoon had echter een afwijkende mening. Hij was de directe disciplinegenoot en collega waarmee de sollicitante zou gaan samenwerken. Tegen elk argument in, weigerde hij andere kandidaten te zien en stelde onomwonden dat deze kandidaat zijn definitieve voorkeur had. Dat alle andere stafleden tegenstemden, deerde hem niet. Zo gebeurde het dat deze vrouw toch toegelaten werd tot de medische staf.

    En dan speelde er nog een quasi-genetische factor een rol. Vele jaren voordat deze sollicitatie speelde, werkte er een arts in de onderhavige discipline, die als persoon chronisch disfunctioneerde. Hij werd ooit via de rechter ontslagen, maar had als collega en opvolger opnieuw iemand gekozen die relationeel zeer zwak functioneerde. Het was de laatstgenoemde die tegen heug en meug nu deze sollicitant als collega wenste. Zo herhaalde de geschiedenis zich ten derde male.

    Helaas maakten de sombere voortekens zich ten volle waar en na enkele jaren verdween deze arts met stille trom uit het ziekenhuis.

     

    Ik geef nu een voorbeeld van een vakgenote die in mijn ziekenhuis solliciteerde en volgens mij juist uitermate geschikt was voor die functie. Deze collega werkte in een ander ziekenhuis. Een paar maal per jaar bezochten de psychologen van mijn en andere ziekenhuizen elkaar voor professioneel overleg. Zij nam altijd aan die bijeenkomsten deel. Ik was blij dat zij solliciteerde. Haar scholing en ervaring waren perfect toegesneden voor deze functie en haar referenties onderstreepten dit beeld. Haar presentatie was perfect: aardige collega, straalde rust uit, toegankelijk, ze bood volop ruimte aan de ander en zou ongetwijfeld overwicht hebben als deskundige op haar afdeling. Haar contacten met patiënten zouden professioneel en toegankelijk zijn. Kortom: een ideale kandidate!

    Ik zat in de stafcommissie voor deze sollicitatie. Na een indringende kennismaking was ons oordeel unaniem: deze collega kan aanstaande maandag beginnen.

    Deze vrouw werd – zoals gebruikelijk bij een belangrijke functie, eveneens door een andere commissie gezien. Daar ging het helemaal mis. Alle positieve punten die ik zojuist noemde, leidden in die commissie tot een sadistische relatievorming. Ze kon daar geen goed doen. Alles wat zich daar afspeelde, werd als bewijs voor haar ongeschiktheid aangemerkt.

    Toen de beide commissies bij elkaar kwamen voor een besluit, ontstond er een stevige botsing. Ook ik heb flink op de trommel geslagen, want ik zag de best denkbare kandidate aan onze neus voorbijgaan. Het resultaat was dat haar deze baan tenslotte niet werd aangeboden. Hoe liep dat zo vreemd? In die andere commissie zat één persoon die vermoedelijk de toon zette. Ze had een hoge positie binnen de organisatie. Die positie bereikte ze gedeeltelijk via gepsychopathiseerd gedrag. Van psychologen moest ze – misschien mede om deze reden - niets hebben en bleek al eerder verstorend te reageren op mensen die juist goed functioneerden.

    De sollicitant zal dit alles niet geweten hebben. Indien zij geconcludeerd zou hebben dat haar persoonlijkheid “blijkbaar” ontoereikend was om voor deze post in aanmerking te komen, dan zou ze zich evenzeer vergissen als de sollicitant uit het vorige voorbeeld die zich misschien juist op de borst klopte dat ze “blijkbaar” de meest geschikte persoon voor die functie was.

    Tenslotte vertel ik je hoe ik me voelde, toen mij ooit de baan van ziekenhuispsycholoog werd aangeboden, waar ik toen zeer op hoopte. Er waren tientallen andere sollicitanten en ik zal me zeker trots gevoeld hebben. Hier profiteerde duidelijk iemand van zijn persoonlijkheid! Maar ook dit verhaal loopt iets anders, dan aanvankelijk leek.

    Toen ik eenmaal vrienden maakte in de medische staf, werd me duidelijk hoe destijds over de vacature voor klin. psycholoog werd gedacht. Psychologen hoorden niet tot de medische discipline en vielen daarmee buiten de in-group. Een zekere xenofobie was aan de besloten gemeenschap van medici toen niet vreemd. Daarbij moet je bedenken dat dit in een politiek roerige tijd speelde, de jaren zeventig. Psychologen stonden in de kring van medici bekend als revolutionairen en linkse rakkers en dat volk kon niet op voorhand op de sympathie van de meeste stafleden rekenen. Rond deze aanstellingsprocedure zouden zich toen heftige taferelen in de staf hebben afgespeeld.

    Als je je realiseert dat de komst van een klin. psycholoog in de staf als een bedreiging werd ervaren en als een mogelijke invasie van revolutionairen, dan ligt het niet voor de hand dat men uit de veelheid van sollicitanten die persoon zal hebben gekozen die de intelligentste en de meest ondernemende indruk maakte. Hoewel ik dit nooit kon verifiëren, lijkt het me waarschijnlijk dat ze liever een tamme, weinig assertieve domoor in de staf opnamen. Je snapt het al: deze voorwaardelijke conclusie liet op slag mijn opgeblazen ego leeglopen.

    Ter afronding: ik hoop zeer dat het ijs voor jullie snel smelt en dat alle IJsbrekers snel in dit spannende vak aan de slag kunnen.

    Ik heb gezegd.

     



    [1] Met dank aan Roosmarijn Horowitz en Ilse Volkstedt voor hun commentaar op een eerdere versie van deze tekst.

    [2] Reber, Arthur S. & Emily Reber; 2001; the Penguin dictionary of psychology; 3rd edition;

     

    [3] Dictionnaire illustré des philosophes; 1962; Éditions Seghers, Paris.

     

    [4] Taleb, Nassim Nicholas; 2007, the black swan, the impact of the highly improbable; Penguin Books;

    [5] Kahneman, Daniel; (2011) thinking, fast and slow; Penguin; [ook in het Nederlands: Huizen,  Peter Van & Jonas de Vries; ons feilbare denken];

    [6] Groot, Adriaan D. de; 1961; methodologie; grondslagen van onderzoek en denken in de gedragswetenschappen; Mouton, ’s-Gravenhage; 2de druk.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    22-06-2013, 07:30 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    17-01-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    HISTORISCHE ACHTERGROND VAN PSYCHODRAMA

    John L. Horowitz en Roosmarijn I. Horowitz

    16 februari 2012

    In 1900 publiceerde Sigmund Freud (1856-1939) zijn “Traumdeutung“. De psychoanalytische methode is op zichzelf weinig inspirerend. Een moderne versie daarvan wordt weergegeven in het televisieprogramma “In Therapie”: strikt verbaal, dialogerend met de therapeut, die tegenover de patiënt zit.

    Psychodrama werd ontwikkeld door Jacob L. Moreno (1889-1974). Hij heeft nog college gelopen bij Freud. Moreno observeerde spelende kinderen in een park in Wenen en was onder de indruk van de mogelijkheden die het “alsof” gedrag bood. Zo ontwikkelde hij de methode die ook bij volwassenen een mogelijkheid biedt tot het oplossen van gedragsproblemen en droeg aldus bij aan de ontwikkeling van de actiegerichte psychotherapieën, waartoe onder andere de gestalttherapie behoort, ontwikkeld door Fritz Perls (1893-1970).

    Binnen het Nederlands taalgebied worden “alsof” situaties door kinderen aangeduid met een bepaalde taalstructuur: “ik was de prins en jij was de prinses en toen gingen wij samen trouwen”. Bij volwassenen komt deze grammaticale vorm niet meer voor. Zij maken er pas opnieuw kennis mee, zodra zij zelf kinderen hebben. Dan herhaalt de geschiedenis zich.

    Psychodrama is een actiegerichte vorm van groepsbehandeling. In plaats van de statische opstelling zoals bij de psychoanalyse, komen de deelnemers aan zo’n groep in beweging, nemen rollen op zich, en nemen deel aan een groepsoverleg. Dit kan tot een levendige dynamiek leiden die door de therapeut/leider/director en diens assistent/cotherapeut wordt gestructureerd.

    Corsini, Raymond J.; (1966); roleplaying in psychotherapy, a manual; Aldine Publ., tweede druk 1972. 

    Laat, Pierre de; (2005); psychodrama; een actiegerichte methode voor exploratie, reflectie en gedragsverandering; ISBN 90-232-4184-3; Koninklijke Van Gorcum.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (1 Stemmen)
    17-01-2013, 15:46 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    01-01-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    DE BREUKLIJN TUSSEN WETENSCHAP EN DE KLINISCHE PRAKTIJK

    Door John Horowitz

    Lezing op 16 november 2012 voor het

    Nationaal Psychologie Congres,

    Jouw brein, Jouw toekomst! Welke connecties leg jij?

    georganiseerd door de Sectie Psychologie Studenten van het Nederlands Instituut van Psychologen (SPS-NIP)

     

    Dames en heren, jonge collega’s,

    De titel van deze voordracht luidt weliswaar: het breukvlak tussen wetenschap en de klinische praktijk, maar het ware achteraf gezien beter geweest om te spreken over de lijm tussen de beide breukvlakken. Ik probeer namelijk een antwoord te geven op de vraag hoe je je wetenschappelijke attitude in de klinische praktijk kunt toepassen. Voorts doe ik je een idee aan de hand, hoe je van afzonderlijke indrukken over je cliënt, tot een psychologische diagnose kunt komen. We sluiten af met de vraag die ook op deze situatie toepasbaar is: wat heb je eigenlijk aan adviezen zoals deze? En daar mee samenhangend: wat hebben jouw cliënten aan jouw adviezen?

    Hoewel in de aankondiging van deze voordracht staat dat ik iets zou vertellen over de relationele krachtenvelden die een wetenschappelijke aanpak kunnen hinderen, lukte het niet om dat binnen de beschikbare tijd te bespreken. Als je daar alsnog op in wilt gaan, dan is daartoe gelegenheid aan het eind van ons uurtje.

    Als je tussentijds ergens nader op in wilt gaan, voel je dan vrij om te interrumperen.

    Ik hoop dat er in deze tekst iets bij is, dat je kunt gebruiken.

     

    Eerst iets over mijzelf: mijn eerste baan als psycholoog was in een revalidatiecentrum. Ik hield me vanaf 1971 bezig met WAO-ers, invaliditeit en revalidatie. De WAO is inmiddels veranderd in de WIA. Tijdens de specialisatie tot klinisch psycholoog maakte ik kennis met de actiegerichte vormen van psychotherapie zoals psychodrama en gestalttherapie. Anders dan men in de psychoanalyse gewend was, komen de deelnemers bij deze therapievormen uit hun stoel en zijn lichamelijk actief. Ook maakte ik een klassieke sensitivity training mee. Boeiend vond ik ook Rogeriaanse groepssessies waar meer dan honderd vakgenoten gelijktijdig aan deelnamen.

    De laatste 25 jaar van mijn carrière vormde ik samen met een collega de afdeling klinische psychologie in een algemeen ziekenhuis, met als speciaal aandachtgebied de neuropsychologie. Op de afdeling waren stageplaatsen voor doctoraalstudenten en ook voor hbo-studenten “psychodiagnostiek”. Ook leidden we GZ-psychologen en klinisch psychologen op. Naast de fulltime baan hield ik er een kleine particuliere praktijk op na.

    Binnen het NIP was ik tot voor kort actief in de Sectie Wetenschappelijk Onderzoekers in de Psychologie.

    Nu verder over jullie. Je volgt momenteel een wetenschappelijke opleiding of hebt deze al afgerond. Het verrichten van onderzoek in een wetenschappelijk instituut sluit daar eigenlijk het best bij aan. Verreweg de meeste psychologen komen echter in andersoortig werk terecht. Als je in de gezondheidszorg gaat werken, zullen opleiding en werkinhoud dan niet altijd naadloos op elkaar aansluiten. Daar gaan we het nu verder over hebben.

    Je kent wellicht de opvatting dat een psycholoog op grond van minimale informatie, een maximum aan “markante karaktertrekken” over een persoon weet te melden.

    Zo vertelde een lerares op de middelbare school met enthousiasme dat ze ooit naar een psycholoog was geweest die alleen naar haar handen kijkend, veel over haar “karakter” wist te vertellen!

    Voor mij vormde dat toen één van de motieven om psychologie te gaan studeren. Zo’n knapperd zou ik ook willen worden! Ik hoef gelukkig niemand meer uit te leggen, dat de lange weg van informatie verzamelen en pas daarna gefundeerd concluderen momenteel de enige weg is die tot een aanvaardbaar resultaat leidt.

    Wat hier gebeurt, is dat slechts enkele indrukken tot een psychologische diagnose worden verheven. Dat is aan de leek vaak gemakkelijk te verkopen, want hij doet zelf veelal niet anders. Let maar eens op wat mensen op familiebijeenkomsten over elkaar zeggen en wat men over elkaar concludeert. Er worden dan soms zelfs causale relaties gesteld. Ook de persoonlijke geschiedenis en de toekomstverwachting van de besprokene worden dan soms zelfs in een vloeiende lijn uit een paar indrukken afgeleid.

    Jullie gaan dat natuurlijk anders doen! Ga vooral niet boven de aarde zweven met “frappante voorspellingen en gedurfde diagnoses”. Laat dat aan astrologen en piskijkers over. Daarvoor word je trouwens niet ingehuurd. Het lijkt soms misschien alsof er een kortere weg bestaat dan die ingewikkelde en energievretende, wetenschappelijk gefundeerde route. Je komt ze tegen in adviezen als:

    voorrang voor de intuïtie; volg je eerste ingeving; ga af op je gevoel.

    Dit alles vormt echter geen kompas waarvan de kompasnaald regelrecht naar een uiteindelijke waarheid verwijst. Integendeel, je levert je volgens deze methode uit aan toevalsvariabelen en speelt in feite roulette.

    Kies alsjeblieft voor de lange weg van het systematisch informatie verzamelen en het zorgvuldig stellen van hypotheses. Zo bouw je een bruikbaar beeld op van de problematiek waarmee de cliënt zich tot je wendt. Trouwens, waarom zou je van een psycholoog verwachten, wat je van een arts verafschuwt? Een anekdote uit mijn ziekenhuis:

    Op de afdeling psychiatrie verbleef een dame met huidklachten. De dermatoloog werd in consult geroepen. Er verscheen een hoofd om de hoek van de deur: “bent u mevrouw Klarenbeek[1]?” Na haar bevestiging keek dat hoofd haar indringend aan en zei: “ik zie het al. Ik zal u een zalf geven. Daar moet u zich dan driemaal daags mee insmeren. Goedemiddag”.

    Dat is die dermatoloog nog jarenlang kwalijk genomen!

     

    Hoe gebruik je jouw wetenschappelijke attitude in de klinische praktijk?

    Wat je natuurlijk hard nodig hebt om je werk serieus te kunnen doen, is een wetenschappelijke instelling. Het is het bijzettafeltje dat je overal uitklapt waar je aan het werk bent. Daarop staan de volgende ingrediënten:

    1.   Nieuwsgierigheid naar gedrag en naar alles wat mensen doen;

    2.   Kritisch zoeken naar denkschema’s om je waarnemingen te ordenen;

    3.   Experimenteerlust om de werkzame factoren te achterhalen die met gedrag verband houden.

    4.   Zelfonderzoek: houd rekening met het feit dat je nu eenmaal niet weet, wat je over het hoofd ziet. Probeer eens een andere kijkrichting; wat zou een ander hier van vinden? Ben je tijdens je studie iets tegengekomen dat je een ander perspectief kan bieden? Wat denk je dat mensen die voor jou belangrijk zijn, je in deze probleemsituatie zouden adviseren?

    Voorzien van deze ingrediënten voorkom je dat de kliniek een buitengewest is, waar de wetenschap geen vat op heeft.

    Wil de uitkomst van een bepaald wetenschappelijk onderzoek ook voor jouw cliënt betekenis hebben, dan dienen de onafhankelijke variabelen - bijvoorbeeld mannen tegenover vrouwen, homoseksuelen tegenover heteroseksuelen of gedragsgestoorden tegenover normalen - in het leven en functioneren van jouw cliënt een aanwijsbaar belangrijke rol te spelen. Ik stel dat met nadruk, omdat we nogal eens de neiging hebben om de betekenis van onderzochte factoren voor dat ene individu te overschatten. Daarmee onderschatten we dan soms de invloed van geheel andere, ons op dat moment onbekende factoren die juist wel een belangrijke rol in het leven van die cliënt kunnen spelen. Mijn terugkerend adagium is ook hier: je weet niet wat je niet weet.

    Kouwer en Linschoten illustreerden dit principe in een leerboek uit mijn eerste studiejaar met de volgende cartoon:

    Een dronken man scharrelt ’s nachts wat rond bij een lantaarnpaal en lijkt iets te zoeken. Een passerende politieagent vraagt hem wat hij kwijt is. De man antwoordt dat hij zijn sleutels zoekt.

    “Bent u die sleutels hier kwijtgeraakt?” vraagt de agent.

    “Nou dat niet, maar hier is tenminste licht”, antwoordt de dronkaard.

     

    De betekenis van de statistiek voor de praktijk verdient uiteraard onze aandacht. Statistische bevindingen zijn vrijwel altijd het resultaat van vergelijking van gehomogeniseerde verzamelingen. Wil je de uitkomsten van die onderzoeken op jouw cliënt toepassen, dan moet aan een paar voorwaarden worden voldaan. In de praktijk is dat echter maar zelden het geval. Zo dient de spreiding van de data eigenlijk verwaarloosbaar klein te zijn. Pas dan zijn de gemeten modale, mediane en gemiddelde waarden immers direct van toepassing op jouw cliënt.

    We zien in de praktijk bijvoorbeeld hoe leken het begrip intelligentie en speciaal het IQ hanteren. Ze verheffen het soms tot een regelrechte toekomstvoorspeller of gebruiken het als middel om iemands geschiedenis te reconstrueren en negeren daarmee zelfs de grote spreiding:

    Piet redt het wel in het leven, die is zó intelligent! Of:

    Het is aan het lage IQ van Willem te wijten dat hij met Marietje is getrouwd. Hij is gewoon te dom om een goede partner te kiezen.

    Ik raad je aan om bij het noemen van testresultaten het accent niet zozeer te leggen op de score – bijvoorbeeld het IQ – als wel op de relatieve positie van die score binnen de referentiegroep. Dus, bijvoorbeeld:

    “Er zijn evenveel mensen die hoger als lager scoren dan u”

    of:

    “deze score plaats u iets onder het midden; 60 % scoort hoger op deze test; 40% scoort lager”.

    Het biedt extra houvast door ook de kwalificaties van de referentiegroep te noemen, bijvoorbeeld: “….vergeleken met vrouwelijke Nederlandse leeftijdgenoten met een voortgezette opleiding”. Ik maakte soms gebruik van een flipover om dit grafisch uit te beelden.

    Reken het uitdrukkelijk tot jouw verantwoordelijkheid om je cliënt goed voor te lichten over de reikwijdte en de grenzen van testuitkomsten en vertaal statistische gegevens vooral naar diens persoonlijk functioneren en omstandigheden.

    Met een voorbeeld hoop ik je duidelijk te maken, waarom een IQ een indruk is en niet als een diagnose kan gelden. De diagnose blijft in mijn visie strikt voorbehouden aan de psycholoog.

    Soms komt een kind pas in aanmerking voor een financiële vergoeding van bepaalde vormen van hulpverlening, als het een IQ heeft dat 80 of lager is. Het wordt daarmee als “zwakbegaafd” aangemerkt. Voor een kind met een IQ van 81 of hoger, geldt dat dus niet. Een afbreek-score ziet er weliswaar exact uit en maakt wellicht een wetenschappelijke indruk, maar is in de praktijk soms een regelrechte miskleun en kan tot een sociaal onaanvaardbare situatie leiden. De psycholoog dient hier zijn verantwoordelijkheid te nemen door uitdrukkelijk zelf de diagnose te stellen: “wel of niet minder begaafd”. Uiteraard zal hij dan het IQ als één der indrukken gebruiken, bij het bereiken van dit diagnostisch oordeel.

    In het televisieprogramma “Brandpunt” van 4 november werd de casus besproken van een jongeman die jarenlang ten onrechte in een inrichting voor zwakzinnige kinderen werd ondergebracht. Op een consultatiebureau werd weliswaar vastgesteld dat hij normaal begaafd is, maar daar werd toen door de leiding van die inrichting niets mee gedaan. Binnen die instelling zou ooit een IQ van 75 zijn bepaald en dat vormde blijkbaar de toereikende grond om hem verder als “zwakbegaafd” te behandelen. Hij werd door een verzorgster op grond van haar waarnemingen geïdentificeerd als normaal begaafd en zij spande zich in om hem een normale opvoeding te geven. Dat kostte haar wel haar baan bij die instelling. Gesuggereerd werd in deze uitzending dat hier ook een financieel belang speelde, om die jongen als zwakbegaafd te kwalificeren.

    Zover ik weet komt het in de geneeskunde niet voor dat het krijgen van een uitkering is verbonden met de uitkomst van één meting aan de patiënt. Men gaat af op de diagnose zoals de arts die stelt. Ik vind dat dat bij de psycholoog net zo moet gebeuren en je dient hier je professionele verantwoordelijkheid te claimen.

    Bij de DSM doet zich iets vergelijkbaars voor. Deze classificatie vergroot de betrouwbaarheid tussen beoordelaars onderling. Het gaat hier dus om de interrater reliablility. Voor het stellen van een psychologische diagnose is echter tevens validiteit nodig. Een DSM-classificatie verdient dan meestal aanvulling.

    De moraal van dit verhaal:

    Statistische significantie, een afbreekscore of een gestandaardiseerde classificatie voor psychopathologie vormen op zichzelf geen diagnose. Zij behoren alle tot de indrukken die vervolgens moeten worden verwerkt in een psychologische diagnose.

     

     

    Het stellen van hypotheses

    Ik raad je aan om bij het formuleren van hypotheses over je cliënt te zorgen voor tenminste één, maar liever twee alternatieve hypotheses. Die dienen dan buiten elkaars domein te liggen, anders is er immers sprake van tautologie en houd je jezelf voor de gek. Ik geef je een voorbeeld van beweringen die niet geheel buiten elkaars domein liggen, waardoor je beide hypotheses feitelijk als één hypothese kunt opvatten:

    Hypothese 1: Piet is een zwak geïntegreerde persoonlijkheid;

    Hypothese 2: d’r komt eigenlijk nooit wat uit Piet zijn handen.

    Ik geef je nu een praktijkvoorbeeld, hoe je met hypotheses kunt werken. De lokale GGZ-instelling verwees een man naar mijn afdeling voor diagnostisch onderzoek. Dat was in vijfentwintig jaar niet eerder voorgekomen. Aan die instelling zijn immers psychologen en psychiaters verbonden die zelf een diagnose kunnen stellen, dus een doorverwijzing lag niet voor de hand. Het ontbrak de verwijzers deze keer echter aan enig inzicht, wat er met deze man aan de hand kon zijn. Voor mij betekende dat dan ook, dat het “diagnostisch venster” bij deze cliënt maximaal werd opengezet.

    Toen ik deze cliënt voor het eerst zag, begreep ik het probleem van de verwijzers heel goed. Ik kwam namelijk ook niet verder dan: “hij doet wél vreemd!” Het ontbrak ook mij aan een richtingsgevoel, waar ik zou moeten zoeken en het was in dat stadium nog onmogelijk om hypotheses te stellen. De man was zeer coöperatief en dat bood de mogelijkheid om veel tests af te nemen. In de loop van het onderzoek stelde ik de volgende hypotheses:

    1.    Er is sprake van “malingering” op grond van narcistische motieven: hij geniet van deze gewichtige positie als centrum van ieders belangstelling;

    2.    Hij is journalist en verzamelt materiaal om een stuk te schrijven over de gezondheidszorg

    3.    Hij lijdt aan een lichamelijke ziekte

    4.    Hij dementeert.

    Je ziet dat deze hypotheses buiten elkaars domein liggen.

    Een dementieel beeld werd in een vroege fase van het onderzoek uitgesloten. Na enige tijd werd ook de hypothese dat hij een journalist zou zijn, als onwaarschijnlijk afgekruist. Het werd namelijk duidelijk dat de man leed of ergens last van had. Malingering leek evenmin aan de orde. Er resteerde toen de hypothese dat hij leed aan een lichamelijke ziekte.

    Er vormde zich een dik psychologisch dossier over hem. De hoeveelheid verzamelde indrukken was enorm. Een diagnostisch inzicht ontbrak echter nog steeds. Informatie bij de huisarts leverde geen verheldering op. Ten einderaad haalde ik toen een paar tests uit de jaren vijftig uit de kast en testte de man zelf. Deze tests waren nergens op gevalideerd maar hadden als plezierige eigenschap dat je de proefpersoon aan het werk zag en en passant met hem kon spreken. Toen merkte ik vooral aan zijn motoriek en aan de combinatie van spreken, denken en het vervullen van de testopdracht, dat er mogelijk sprake was van een neurologische aandoening. Hij werd doorverwezen. De neuroloog stelde inderdaad een afwijking vast.

     

     

    De lange weg van indrukken naar een diagnose

    We keren nu voor een moment terug naar de collegebanken. Je bent vertrouwd met het reductionisme als belangrijk principe bij wetenschappelijk onderzoek. Dit houdt in dat zoveel mogelijk storende factoren worden buitengesloten, opdat alleen de relevante overblijven. Vervolgens worden variabelen systematisch gemanipuleerd. Daaruit worden dan conclusies getrokken die een grotere reikwijdte pretenderen te hebben, dan uitsluitend zou gelden voor de proefpersonen die aan dat onderzoek deelnamen. De reductionistische aanpak kom je in de klinische praktijk onder meer tegen bij het testen. In een gestandaardiseerde onderzoekssituatie voer je immers een experiment uit en trekt dan conclusies volgens de richtlijnen van het bijbehorend handboek. De reductionistische benadering stelt strenge eisen aan het rangschikken, waarnemen en ordenen van gegevens. Er treedt bij deze methode zoveel mogelijk een scheiding op tussen informatie en ruis.

    Naast de reductionistische aanpak is in de klinische praktijk vooral een fenomenologische instelling nodig. Met deze term uit de filosofie doel ik op het vrij en onbevangen toelaten van allerhande indrukken. In het contact met je cliënt betekent het dat je je zoveel mogelijk openstelt voor alles wat met hem te maken heeft. Daaronder vallen naast de dossiergegevens, tevens jouw eigen en andermans waarnemingen, invallen, vermoedens en ideeën over die persoon. Ook testscores en de DSM-classificaties schakeer ik onder die indrukken. Zij vormen alle de grondstof voor de daar achter liggende psychologische diagnose.

    Tijdens het gesprek met je cliënt noteer je uiteraard de feitelijke informatie en daarnaast alles wat er bij je opborrelt over deze cliënt. Ik noem dat gemakshalve jouw “persoonlijk laboratorium”. Neem de vrijheid om alles wat volgens jou met deze casus te maken heeft, op te schrijven. In feite kun je hier kwijt wat de aanhangers van “intuïtie” en “het gevoel” proclameren. Maar let wel: je vergaart nu indrukken en bent nog niet bezig met de diagnose.

    Vat zulke indrukken op als aparte eenheden die louter op zichzelf staan. Je zoekt in dit stadium dus nog niet actief naar verbanden, hoewel dat overigens wel is toegestaan. Het systematisch zoeken naar verbanden vindt echter pas dan plaats, zodra je aan de diagnose toe bent.

    Het noteren van alle indrukken kost veel tijd. Afhankelijk van de vraagstelling kun je het “diagnostisch waarnemingsvenster” echter inperken. Daarbinnen vallen dan die indrukken die betekenis hebben binnen de vraagstelling voor jouw onderzoek. Een voorbeeld van een beperkte vraagstelling:

    Na het ongeval kan mevrouw Filipsen haar huidige beroep niet langer uitoefenen. Graag advies over haar mogelijkheid tot omscholing.

    Op die manier kun je dan enige efficiëntie inbouwen. Alleen bij een aspecifieke vraagstelling wordt het “diagnostisch venster” dan maximaal opengezet. Dat vergt dus veel onderzoekscapaciteit. Een gefingeerd voorbeeld: De medicus schrijft in zijn verwijsbrief:

    Meneer Harteveld gaat inadequaat om met zijn ziekte. Er is sprake van ontrouw in medicijngebruik, afspraken met de specialist worden niet nagekomen, fysiotherapeutische adviezen worden genegeerd. Is patiënt compos mentis? Gaarne uw visie en advies voor een therapeutisch beleid.

    In het contact met de cliënt levert de fenomenologische houding het voordeel op dat je intensief met hem in gesprek bent. In de term van Carl Rogers werk je “client centered”. Je stelt de inbreng van de cliënt centraal en neemt een open, betrokken, toegankelijke, aanvaardende houding in. Dit is dus een andere instelling dan waartoe de reductionistische houding uitlokt. De positie van betrokken gesprekspartner biedt je tevens de mogelijkheid om op deze microschaal te experimenteren en soms zelfs een hypothese te toetsen. Een voorbeeld uit de praktijk:

    Ik neem de werkanamnese af bij mijnheer Grootjans. Te midden van diverse werkzaamheden en baantjes vertelt hij met enige nadruk dat hij ook 13 maanden gevaren heeft. Ik noteer als indruk dat die “13 maanden” mijn aandacht vasthoudt, want vind dat overmatig gedetailleerd, vergeleken met de rest van de genoemde bezigheden.

    Een week later spreek ik zijn dochter. Zij vertelt dat haar vader vroeger onder meer 13 maanden gevaren heeft. Opnieuw houdt dit mijn aandacht vast en er vormt zich een hypothese. Tijdens het volgende gesprek met het ouderpaar komt het gesprek met hun dochter ter sprake. Quasi nonchalant “citeer” ik haar en bouw een minuscuul foutje in: “uw dochter vertelde dat u ook “een jaar” gevaren hebt. Hij repliceert: “dertien maanden, heeft mijn dochter gezegd”.

    Zij vertelden in een later stadium dat de man ooit dertien maanden gedetineerd was.

    Vermijd tijdens het noteren scheldwoorden en schuttingtaal, daar er immers inzagerecht bestaat. In plaats daarvan is het voor jezelf trouwens informatiever om te zoeken naar de aanleiding tot jouw ergernis en noteer dan bijvoorbeeld:

    “ik voel me niet serieus genomen; ze pikt mijn spreektijd af; ik móét het met haar eens zijn; past zich niet aan bij mijn denktempo; gaat niet op mijn vragen in; stroperig contact over haar klachten”.

    Door je open te stellen voor alles wat er zich per moment voltrekt en in je opkomt, ontstaat een grote verzameling van indrukken op de kleinst denkbare schaal. Je houdt in dit stadium een strikte scheiding in stand met de grote schaal van de diagnostische overzichtsbeelden. Zo voorkom je dat je het slachtoffer wordt van vooringenomenheid en ook van tunnelvisie. Vooringenomenheid kan bijvoorbeeld ontstaan op grond van de aanmelding door de verwijzer:

    ”mijnheer Hermans is een psychopaat met een lange justitiële voorgeschiedenis”.

    Daarmee kan de toon gezet zijn en zul je het misschien moeilijk vinden om in zijn gedrag nog iets anders dan louter psychopathie te zien. Breng de afzonderlijke indrukken niet tussentijds in verband met de grotere schaal van de mogelijke diagnose, door je af te vragen: “past het bij een psychopaat om dit zó te formuleren?” Zo’n vraag is namelijk maar zelden inhoudelijk te beantwoorden en leidt tot verwarring en misschien tot ontmoediging bij jezelf. Beperk je in dit stadium dus tot de microschaal van de indrukken. Op deze manier vrijwaar je je tegen stereotypieën die meer ruis dan informatie bevatten.

     

    Van tunnelvisie kan sprake zijn, indien zich tijdens het onderzoek slechts één hypothese aandient. Er ontstaat dan het gevaar van een “magnetische” aantrekkingskracht om alle indrukken in te passen in die ene hypothese over deze cliënt. Vooral vage en alomvattende concepten genieten de voorkeur om die positie in te nemen. Bijvoorbeeld: “meneer Hoogland lijdt aan een minderwaardigheidscomplex”.

    Door veel indrukken over je cliënt te noteren, schep je een aanwassende verzameling van elementen. Hoe groter die verzameling, hoe onbelangrijker ieder element op zichzelf wordt. Dat heeft een groot voordeel: één enkele indruk kun je dan immers vergelijken met een heleboel andere, steeds op hetzelfde schaalniveau. Zo bouw je een genuanceerd beeld op over je cliënt. Dit brengt je in een comfortabeler positie dan dat je met slechts één hypothese rondloopt die alleen maar “waar” of “ niet waar” kan zijn.

    Deze methode maakt het ook mogelijk om met het gedrag van de cliënt te experimenteren, zoals je trouwens in het vorige voorbeeld al zag. Ik verzin nu een casus waarin ik op dezelfde microschaal mijn eigen gedrag wijzig. Ik noteer bijvoorbeeld:

    “heeft weinig zicht op eigen functioneren; erg bezig met het overlijden van echtgenoot; is ze doof? Vreemde fonologie; beweert nu het tegenovergestelde van daarnet. Vreemde motoriek, vooral tijdens spreken”.

    Je ziet in dit voorbeeld dat binnen jouw “persoonlijk laboratorium” in korte tijd veel indrukken elkaar kunnen opvolgen. Nadat ik mijn opstelling tegenover de cliënte gewijzigd heb, noteer ik dan:

    “reageert agressief op mijn toegenomen afstandelijkheid. Stelt zich nu afhankelijk op door overmatig instemming te vragen. Ik ga meer betrokkenheid tonen”.

    Ik herinner me de volgende casus uit de praktijk:

    Mevrouw De Groot is bang dat ze een tumor heeft, maar de internist kan niets vinden en verwijst haar door, wegens een vermoeden van somatisatie.

    Ik vind haar niet defensief. Zij stelt zich kritisch en selectief op bij het beoordelen van een paar door mij gesuggereerde klachten en wijst deze alle op een zakelijke wijze af. Tevens omschrijft ze haar klacht gedetailleerd en splitst deze af van haar angst dat er iets ernstigs aan de hand is. Ik concludeer om deze redenen dat mevrouw niet somatiseert. De huisarts heeft eveneens deze indruk. Hij had ooit zelfs liever dat ze hem met een andere klacht eerder had bezocht. Ik rapporteer daarop aan de verwijzer dat haar klachten niet te relateren zijn aan somatisatie en stel intensieve medische aandacht voor, wegens mijn vermoeden dat haar klacht naar een lichamelijke aandoening verwijst. Op een later tijdstip wordt bij haar alsnog een tumor vastgesteld.

    Deze methode is naar mijn ervaring behalve bruikbaar om zicht te krijgen op het gedrag van de cliënt, tevens een manier om ook jezelf binnen de werksituatie te leren kennen. Zo kan het je opvallen dat je mensen vaak bijvoorbeeld “vervelend”, “eigengereid” of “dom” vindt. Zo kom je met deze methode ook jezelf tegen. Voor een psycholoog mooi meegenomen, toch!?


     

    In de nu volgende diagnostische fase vindt een schaalsprong plaats naar grotere structuren. Het hele dossier wordt nu minutieus doorgewerkt en er wordt nu juist wel naar verbanden gezocht. Wees hier bedacht op retrofitting, een begrip dat ik tegenkwam bij forensisch psycholoog Harald Merckelbach.  Achteraf worden de feiten dan uitgelegd in de richting van één finale diagnose. De denkrichting wordt dan eigenlijk omgekeerd. Met de door mij voorgestelde methode probeer je immers om vanuit de indrukken tot een diagnose te komen. Bij retrofitting ontstaat eerst een diagnose, waar de indrukken achteraf worden ingepast.

    Vergeet nooit de huisarts te spreken, mits de cliënt daar natuurlijk mee akkoord is. Niet alleen dat de huisarts zijn patiënten al heel lang kent, hij kent vaak het hele gezin, een enkele keer zelfs de oudere generatie. Bovendien woont hij bij zijn patiënten in de buurt en hoort en ziet soms opmerkelijke zaken. Daarvan geef ik je een paar voorbeelden:

    ·      Mevrouw Van De Brink wordt verwezen wegens een vermoeden van psychopathologie. Na een kennismakingsgesprek met haar, bel ik de huisarts en meld dat ik in dit stadium een normaal functionerende vrouw zag. De huisarts waarschuwt dat er wel degelijk iets aan de hand is. Hij woont namelijk tegenover haar en werd een paar maal uit zijn praktijk weggeroepen, omdat mevrouw naakt over straat liep. Bij voortgezet onderzoek vond ik een dementieel beeld.

     

    ·      Mevrouw Van Overeem ligt in het ziekenhuis. Haar echtgenoot vraagt uitdrukkelijk en herhaaldelijk om euthanasie voor haar. Zij laat hem begaan, maar uit zelf geen euthanasiewens, ook niet toen ik haar zonder haar echtgenoot sprak. Ik stond voor een raadsel, temeer daar er geen sprake was van een uitzichtloos lijden en evenmin van een medische eindtoestand met voorspelbaar dodelijke afloop.

    De huisarts vertelde toen dat hij kortgeleden aan de man meedeelde dat hij op afzienbare termijn aan een tumor gaat overlijden. De man hoopte zijn echtgenote dit te besparen. Vandaar diens verzoek om euthanasie voor haar.

     

    ·      Ik meldde ooit aan een huisarts dat de motoriek van deze 19 jarige cliënt mij opviel. Heeft hij misschien een ziekte onder de leden? De huisarts vertelde dat hij destijds de praktijk had overgenomen van zijn vader. Aan de laatstgenoemde was destijds precies hetzelfde opgevallen bij de ouders van deze cliënt. Dat leidde overigens nooit tot een klinisch beeld of enigerlei behandeling.

    Van de medicus kun je vanuit dit ene voorbeeld meenemen dat een opmerkelijke indruk niet altijd tot een medische diagnose hoeft te leiden. In de psychologie is dat niet anders: niet alles wat opvalt, blijkt voor de klinische praktijk relevant. Wel is het goed om zoiets als indruk toch te documenteren. Je kunt dan achteraf besluiten wat die indruk waard is, afgezet tegen de grote verzameling andere indrukken waarover je dan beschikt.

    De psychologische diagnose heeft meestal een beperkt bereik en zal zich richten op: opleiding; beroep; relaties met partner, gezin of met anderen; op het eigen lichamelijk functioneren en gezondheidsklachten of op de behoefte van de cliënt aan persoonlijke hulp. Ook combinaties hiervan komen voor.

    De diagnose is pas compleet, indien deze voor de cliënt:

    1.   diens visie verheldert op zijn eigen gedragsmatig en eventueel ook lichamelijk functioneren en op diens relaties met anderen;

    2.   meer duidelijkheid verschaft over zijn omstandigheden en zijn eigen positie daarin en aldus wordt geholpen om verder zelf adequate beslissingen te nemen;

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)

    01-01-2013, 16:37 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    27-04-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Hoe kan de psychodiagnostiek kwalitatief uitsteken

    boven het oordeel van de leek?

     

    Het nulniveau, ons vertrekpunt:

    Mensen beoordelen elkaar en koesteren verwachtingen over iemands toekomst. Hier ligt het nulpunt, van waaruit de psychodiagnosticus vertrekt. Het bedrijven van “psychodiagnostiek” gebeurt al lang: denk aan de Griekse Pythia te Delphi. Door de wijze waarop de hulpvrager een orakel verkreeg, werd deze praktijk boven het toevalskansniveau uitgetild en kon de hulpzoekende daar wel degelijk profijt van hebben. De moderne psychodiagnostiek dient boven dat niveau uit te komen. Het vertrekpunt ligt dus hoger dan het toevalskansniveau.

    Een omschrijving van diagnostiek zoals de Reber’s2001 dat doen, geeft de stand van zaken in de jaren vijftig van de vorige eeuw aan en stelt ons wat dat betreft, allerminst gerust:

    psychodiagnostics 1. any of the more-or-less valid techniques of assessing personality by interpreting behaviour patterns, particularly nonverbal ones, e.g. facial expressions, body posture, gait. 2. occasionally use of the ROHRSCHACH test.

    In deze formulering valt niets af te leiden over de kwaliteit of bedoeling: wat is een professionele aanleiding tot het bedrijven van diagnostiek, wat kan men er mee doen, hoe toetst men kwaliteit en wat heeft de cliënt daar aan?

    Aan het diagnostisch proces gaat een gerichte vraagstelling vooraf. Die moet falsifieerbaar of verifieerbaar zijn of anderszins meerwaarde bieden. Het resultaat dient nuttig te zijn: voor de cliënt zelf, voor diens netwerk van belanghebbenden, voor de verwijzende instantie, voor wetenschappelijke onderzoeksdoeleinden, of voor een combinatie daarvan.

    Is er hoop?

     

     

     

    Een aanvulling op de Verlichtingsidee

    De Verlichting bracht optimisme over ons vermogen om langs empirische weg kennis te vergaren. Bij Störig2004 worden alleen positieve aspecten van ons kenvermogen opgesomd. Hoogstens wordt aan de negatieve kant gesteld dat ons kennen incompleet is en dat er meer te ontdekken valt dan men op een bepaald moment meent te weten. Ik vind dit een te eenzijdig beeld en stel voor, te stellen dat ons kenvermogen naast positieve, tevens negatieve aspecten in zich draagt. Wij kunnen namelijk falen in ons kennen en verkeerde inzichten ontwikkelen. Zonder speciale scholing zal hierdoor nagenoeg iedereen het slachtoffer zijn van ook verkeerde inzichtvorming. Hier is een mogelijkheid voor de psychodiagnostiek om boven dit nulniveau – dat op zichzelf al boven het toevalskansniveau uitkomt – uit te stijgen. Daarmee sluiten we aan bij de Verlichtingsidee: obstakels die wij eenmaal kennen, kunnen we in principe overwinnen.

    Dat is onze hoop!

     

    Hoe kunnen we de psychodiagnostiek verbeteren?

    1.       Steeds zorgen dat er meer hypotheses beschikbaar zijn en niet star vasthouden aan één enkele theorie of hypothese. Voorstel: drie hypotheses – zeker bij het begin van een onderzoek - lijkt ideaal;

    2.       Er rekening mee houden dat geïdentificeerde variabelen waarschijnlijk deel uitmaken van een grotere verzameling van variabelen. Ongeïdentificeerde variabelen kunnen namelijk even belangrijk blijken als de geïdentificeerde;

    3.       Schenk meer aandacht aan de spreidingsmaten en richt de blik niet uitsluitend op de centrale maten;

    voorbeeld: het getoethaspel met IQ’s, zoals we dat in de media nogal eens meemaken;

    4.       Baken duidelijke referentiepunten – “ankers” - af. Definieer de maatvoering en geef aan, waarmee precies vergeleken wordt. Zorg dat vergelijking van elementen uit verschillende verzamelingen, elkaar niet includeren of overlappen. Anders verwordt zo’n vergelijking tot een onontwarbare kluwen, evenwel zonder dat men dit altijd in de gaten heeft. Dit kan tot potsierlijke conclusies leiden.

    5.       Men gebruikt een te hoog schaaltype, in de zin van De Groot1961. Dit, gecombineerd met het vasthouden aan een klassiek causaliteitsmodel – de psychoanalyse lijkt daar een voorbeeld van – ontstaat te gauw de neiging om causale verbanden te leggen. Het gemak dient hier weliswaar de psychodiagnosticus, maar niet altijd diens cliënt!

    Een veronderstelling: het kan profijtelijk blijken om meer aandacht te besteden aan de nominale schaalaspecten en aan scalairen[1]. Indien men dit combineert met modellen uit de natuurkunde die het lineaire causaliteitsmodel aanvullen met non-lineaire modellen[2], dan kan uit deze combinatie misschien een betere diagnostiek voortkomen. Te verwachten is dat deze aanvankelijk tegen de communis opinio, het gezonde verstand of de klinische blik ingaat.

    Er Is Waarlijk Hoop!

     

    John L. Horowitz, 5 april 2011.

     

    Literatuur:

    1.       Groot, Adriaan D. de; methodologie; grondslagen van onderzoek en denken in de gedragswetenschappen; Mouton, ’s-Gravenhage; 2de druk, 1961.

     

    2.       Reber, Arthur S. & Emily Reber; 2001; the Penguin dictionary of psychology; 3rd edition;

     

    3.       Science dictionary; the American heritage; 2005; Houghton Mifflin, Boston & New York;

     

    4.       Störig, Hans Joachim; geschiedenis van de filosofie; 2004; Het Spectrum, 26ste druk, (oorspronkelijk 1959: kleine Weltgeschichte der Philosophie);

     



    [1] Science Dictionary: scalar: a quantity, such as mass, length, or speed, whose only property is magnitude; a number.

    [2] Begrippen als complexiteit, chaostheorie en de vorming van fractals kunnen de psycholoog wellicht van dienst zijn.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    27-04-2011, 00:00 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    17-12-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.commentaar van John op krantenartikel; 16 december 2010

    Roos de Klerk stuurde naar John:

    Interview met kosmoloog Marcelo Gleiser: “er wordt veel volslagen waanzin verkondigd”; Govert Schilling. Volkskrant 27 november 2010.

    Naar aanleiding van het boek: Marcelo Gleiser; 2010; een scheurtje in de rand van de schepping. Over de betekenis van leven in een onvolmaakt heelal. Vertaling: Bert Bakker, uitg. Paradigma/FMB, Amsterdam. ISBN 9789049960223.

    De inhoud van het artikel vat ik samen:

    Gleiser[i] stelt dat het zoeken naar een unificatietheorie – het gaat over de natuurkunde – past in een oude traditie. Deze gaat terug op het monotheïsme en veronderstelt dat er slechts één fundamentele waarheid kan bestaan. Gleiser veronderstelt dat de natuur niet zo in elkaar zit, misschien afgezien van enkele deelterreinen. Het zoeken naar een unificatietheorie beschouwt hij als een “ouderwets paradigma”.  Het zou na 36 jaar zoeken niet gelukt zijn om empirische verificatie te vinden voor het bestaan van zo’n theorie en dat moeten we ons aantrekken, naar hij meent.  Zelfs de beste kandidaat – de supersnaartheorie[ii] – laat op dit moment geen empirische toetsing toe. Hij verwijst naar toenemende wildgroei in de theorievorming, die buiten alle empirie komt te staan. Dat verontrust veel fysici[iii]. De grens tussen fysica, metafysica en filosofie vervaagt en er ontstaat desoriëntatie. In zijn visie ontstaat complexiteit[iv] door onbalans en onvolmaaktheid en verwijst naar bijvoorbeeld Ilya Prigogine[v] die daarover publiceerde.

    Gleiser zoekt vanuit de natuurkunde een verband met gedrag, maar blijft inhoudelijk op afstand.[vi] Hij trekt ten strijde tegen een wazige koppeling van natuurkundige theorieën aan “kosmisch bewustzijn van al die new-age goeroes”. Zijn boek gaat over leven in een onvolmaakt heelal en rekent daarmee af met een klassiek religieus beeld. Ook zoekt hij een aansluiting  op kosmisch niveau tussen wetenschappelijke feiten en menselijke behoeften aan zingeving en bijvoorbeeld aan een gevoel van verbondenheid. 

     

    Mijn commentaar:

    Eerst over de natuurkunde: indertijd was er onenigheid tussen Einstein en Bohr over de kwaliteit van de toenmalige theorievorming. Hoewel eerstgenoemde actief aan de quantumfysica bijdroeg, had hij blijvend moeite met de waarschijnlijkheidsberekeningen die daaraan inherent zijn. Bohr verwees - als verweer tegen Einsteins visie - in die glorietijd van de snel uitdijende kennis op quantumgebied naar het feit, dat de bijbehorende wiskunde klopte en dat de empirische bevindingen toereikend waren om de ingeslagen weg te vervolgen.

    We zijn nu driekwart eeuw verder. Fysici beschikken over een enorm reservoir aan wetenschappelijke waarnemingen. Opnieuw bestaat er wantrouwen over de kwaliteit van de theorieën. Zover ik dat overzie heeft dat te maken met twee feiten:

    1.     Er dienen hypotheses te worden toegevoegd waarvan de empirische verificatie dubieus geacht wordt. Gleiser noemt het vooronderstelde bestaan van magnetische monopolen en het protonverval;

    2.     De theorieën laten veronderstellingen toe die tot bizarre uitkomsten leiden, zoals het bestaan van parallelheelallen. Op het moment dat een theorie aangeeft dat voorspelde waarnemingen principieel nooit gevonden kunnen worden omdat deze zich achter de horizon van de lichtsnelheid bevinden, komen deze theorieën dicht in de buurt van sprookjes en godsdienstige ideeën. Als wetenschappelijke theorieën hebben ze dan geen waarde.

    Voor ons onderzoek is van belang dat het zoeken naar een unificatietheorie misschien een relict zou zijn van een monotheïstische gedachte. De consequenties daarvan moet ik nog doordenken en vormt een interessante blikopener.

     

    Natuurkunde en psychologie kunnen misschien één gebied delen, als het gaat om de vraag wat er met de waarneming van de mens aan de hand is dat hij de wereld in kaart brengt, zoals hij dat nu doet. Dat is voor mij de verbinding tussen de beide wetenschappen  en voor Roos wellicht de reden om de aandacht op dit artikel te vestigen.

     

     

     



    [i] Braziliaan. Werkzaam  aan Dartmouth College, New Hampshire.

    [ii] Eric Verlinde, waarover ik jullie kortgeleden schreef, geldt als kenner van deze theorie. Het lijkt me indicatief dat juist hij een nieuwe weg in slaat.

    [iii] In het tijdschrift Natuurwetenschap en Techniek schreef Gerard ’t Hooft een artikel met een overeenkomstige strekking.

    [iv] Deze idee neemt een centrale positie in, in de theorie waar ik mee bezig ben!

    [v] ik beschik over een later artikel: Prigogine, Ilya; Zeit, Chaos und Naturgesetze; in: Gimmler, e.a.; Die Wiederentdeckung der Zeit; 1997;

    [vi] Voor ons doel juist een interessant onderwerp.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    17-12-2010, 17:41 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    07-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

     

     

     

    AANVULLENDE REACTIE VAN JOHN OP ROOS, SEPTEMBER 2010.

     

    è John reageert in cursieve, dikgedrukte tekst. Deze wordt een alinea ingesprongen

    è de tekst van Roos de Klerk.

    Kleurverschil is weggelaten, vanwege de leesbaarheid op de weblog.

     

    Roos schreef:

     

    Over de axioma’s:

     

    Axioma 1: Akkoord, geen speld tussen te krijgen.

     

    Axioma 2: Activiteiten als waarnemen, gestaltvorming, concipiëren etc. kun je zeker    beschouwen als “ordenend optreden”, een manier om orde aan te brengen in de chaos van prikkels die zich aandient.

    Maar wat te denken van hooligans, die van voetbalwedstrijden een grote rotzooi maken? Op één bepaald niveau kun je dit zien als “ordenend bezig zijn”, nl. als het vaststellen van een hiërarchie: ‘wij zijn de baas en wij bepalen wat hier gebeurt’. Maar op een ander niveau is dit gedrag toch een vorm van chaos creëren, en niet van ordenend bezig zijn.

     

    Er gebeurt hier iets interessants: het begrip “ordenend” suggereert een tegendeel: “ongeordend”. Beide begrippen zijn dus op te vatten als de uiteinden van een dimensie. Daarmee vormen ze vectoren: er is dan namelijk sprake van richting. Eigenlijk zoek ik naar een richtingloos begrip dat dus geen dimensie (op te vatten als bewegingsmogelijkheid) impliceert. Ik zoek met andere woorden een scalair.  Ik hoop dat het werkwoord “structureren” als zodanig wordt opgevat.

    Zolang dit onderscheid niet wordt onderkend, bestaat hier een vruchtbare bron voor misverstanden. Hopelijk ontstaat er nu helderheid? Ik ben benieuwd of dat voor jou ook geldt.

    Wij vormen zelf de proefpersonen voor het experiment waar we aan werken!

     

    Axioma 3: We hebben er al eerder over gediscussieerd: m.i. kun je het causaliteitsbegrip niet missen als je gedrag wilt verklaren. Het optreden van b.v. reflexen zie ik als iets causaals, niet als een non-lineair proces. In je opmerkingen bij axioma 3 op pagina 4 heb je het ook over “inperking van de reikwijdte (van causaliteit) voor gedrag”, terwijl in de formulering van axioma 3 gesuggereerd wordt dat we uitsluitend met non-lineaire processen te maken hebben.

     

    Je hebt gelijk. Ik bezondig me aan een factor die evenzeer onze aandacht vereist: de neiging om of/of keuzen vóór te laten boven en/en keuzen. We minimaliseren daarmee ten onrechte het domein van mogelijkheden. Moet ik afleren!

    Ik stel voor de axioma’s na jouw commentaar als volgt te veranderen:

    1.      Het individu is altijd actief;

     

    2.      het individu treedt voortdurend structurerend op. “Gestalt”-vorming vormt daarvan een voorbeeld uit de waarnemingspsychologie;

     

    3.      Deze activiteiten voltrekken zich als non-lineaire of als lineaire processen. Naast causale processen komen ook scalairen voor.

     

    Overigens zouden bij je opmerkingen bij axioma 2 op pagina 4 (gedragsmatige consequenties van deductie vs. inductie) enkele concrete voorbeelden verhelderend kunnen werken. In het voorbeeld van het journalistieke interview zie ik dat verband niet zo. Ik denk dan eerder aan een manier om de verwarring vóór te zijn: metacommunicatie à la Watzlawick.

     

    Ik denk niet aan Watzlawick, want dat zou een doublure betekenen. Ik noemde eerder het journalistieke interview maar vind bij nader inzien een veel beter manier om een en ander zichtbaar te maken: de rechtszaak tegen Lucia de Berk, zoals ter hand genomen door Ton Derksen. Zie het NRC-artikel van zaterdag 4 september: “boevenvangers op een dwaalspoor”, zie het katern: wetenschap.

    Ik kom bij Derksen een aantal punten tegen die in dit onderzoek eveneens een rol spelen. Ik neem mij voor om zijn boek te raadplegen.

     

    Mijn voorlopige conclusie: ik denk dat de axioma’s 2 en 3 niet op alle niveaus en dimensies van gedrag geldig zijn.

    De vrijheidsgraden waarover wij beschikken bij het wijzigen van een situatie, lijken zich binnen de grenzen te voltrekken, zoals aangegeven in axioma 3. Is er meer aan vrijheidsgraden beschikbaar of is dit limitatief? Die vraag dient nog te worden beantwoord.

     

    Dit ter aanvulling op de eerder gegeven repliek. Er zit vaart in!

    John.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    07-09-2010, 13:48 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    26-07-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Brief van John over causaliteit, op 26 juli 2010

     

    Ik vond bij Sander Bais in zijn boekje: de natuurwetten, 2005, een punt dat van belang is voor onze discussie. Het onderstreept jouw opmerking over het bestaansrecht van causaliteit als een essentiële factor. Je schreef:

    Axioma 3: We hebben er al eerder over gediscussieerd: m.i. kun je het causaliteitsbegrip niet missen als je gedrag wilt verklaren. Het optreden van b.v. reflexen zie ik als iets causaals, niet als een non-lineair proces. In je opmerkingen bij axioma 3 op pagina 4 heb je het ook over “inperking van de reikwijdte (van causaliteit) voor gedrag”, terwijl in de formulering van axioma 3 gesuggereerd wordt dat we uitsluitend met non-lineaire processen te maken hebben.

     

    Non-lineaire processen kunnen namelijk tevens volledig deterministisch zijn en tevens tot chaospatronen leiden. Bais stelt daarover:

    dit feitelijk onvoorspelbare gedrag in een exact gedefinieerd, totaal deterministisch systeem noemt men deterministische chaos. Dit soort chaos is een gangbaar verschijnsel bij niet-lineaire dynamische systemen.

     

    Ik zag ooit een natuurkundig experiment dat dit duidelijk maakt. Stel je een lange arm voor, die op één punt scharnierend is opgehangen. Die arm is doormidden gedeeld en daar voorzien van een scharnier. Het vrij bewegende uiteinde is voorzien van een lampje. Als je deze dubbelgescharnierde arm in beweging brengt, maakt het lampje in het donker volstrekt onvoorspelbare bewegingen: een chaospatroon. Bij een overigens volstrekt deterministische proefopstelling. Belangrijk zijn hier de beginwaarden van het in beweging brengen. De nadruk op die beginwaarden is kenmerkend voor deze categorie.

     

    Bij gedrag heb ik nog geen voorbeeld beschikbaar, maar de dag is nog lang. Het uitdagende van deze benadering vind ik dat er een “zoekopdracht” ontstaat die in te vullen moet zijn. Het heilig vuur brandt!

     

    Wat ik hier mee wil zeggen is dat causaliteit geen verdoemde factor in ons denken is, maar één element dat deel uitmaakt van een verzameling van meerdere mogelijkheden die in onze cultuur minder gemakkelijk worden onderkend. Causaliteit wordt vermoedelijk overgewaardeerd en soms ten onrechte gebruikt. Met scalairen zul je misschien zelfs pas nu kennis maken. Zo verging het mij, althans. Naar mijn indruk kunnen juist de scalairen belangrijk blijken bij ons onderzoek. Mogelijk kan de scalair een rol spelen als aanbevelenswaardige cognitieve strategie bij behandeling.  Het kan soms misschien voordeliger blijken om waarnemingen te ontdoen van hun vectoren: motivatoren, overwegingen, hypotheses over andermans motieven. De  cliënt zal dan “bijgeschoold” dienen te worden. Zover zijn we nog lang niet, maar het is de moeite waard om voor een moment te speculeren over toekomstige mogelijkheden.

    Prent je in: een scalair heeft als enige eigenschap: zijn magnitude. Je kunt een scalair verschijnsel niet met causaliteit verbinden.

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    26-07-2010, 00:00 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    24-07-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.commentaar van John op Roos de Klerk, 24 juli 2010

     

     

    ROOS REAGEERDE OP JOHN’S ‘EERSTE OVERZICHT OVER MIJN ONDERZOEK’ van 20 JUN 2010

    Hier volgt het commentaar van John daar op.

     

     

     

    Over de axioma’s:

     

    Axioma 1: Akkoord, geen speld tussen te krijgen.

     

    Axioma 2: Activiteiten als waarnemen, gestaltvorming, concipiëren etc. kun je zeker    beschouwen als “ordenend optreden”, een manier om orde aan te brengen in de chaos van prikkels die zich aandient.

    Maar wat te denken van hooligans, die van voetbalwedstrijden een grote rotzooi maken? Op één bepaald niveau kun je dit zien als “ordenend bezig zijn”, nl. als het vaststellen van een hiërarchie: ‘wij zijn de baas en wij bepalen wat hier gebeurt’. Maar op een ander niveau is dit gedrag toch een vorm van chaos creëren, en niet van ordenend bezig zijn.

     

    Commentaar van John:

    hier stuiten we op schaalproblematiek: wat op een kleine schaal geldig kan zijn, lijkt niet geldig bij schaalvergroting. Bij die hooligans blijft mits op dezelfde schaal bemeten, het principe intact. Vraag aan hen waarom ze doen zoals ze doen en er treedt een ordenend principe aan het licht. Deze wordt zichtbaar via attributies (“zij zijn begonnen”, “hunnie d’r schuld”, “het zijn mietjes”), relativeringen of overdrijvingen (“moet je eens kijken wat ze met ons doen”) of ontkenning (“ik mag toch wel laten merken wat ik vind?”)

    Ook in ander verband leidt ordenen/chaos-maken soms een wonderlijk leven: zeer geordend een leger inrichten, waar alles stram geordend verloopt, met als doel om andere mensen uit te roeien en hun spullen te vernietigen. Orde naast industriële productie van chaos. Het kan blijkbaar samen gaan….

     

    Axioma 3: We hebben er al eerder over gediscussieerd: m.i. kun je het causaliteitsbegrip niet missen als je gedrag wilt verklaren. Het optreden van b.v. reflexen zie ik als iets causaals, niet als een non-lineair proces. In je opmerkingen bij axioma 3 op pagina 4 heb je het ook over “inperking van de reikwijdte (van causaliteit) voor gedrag”, terwijl in de formulering van axioma 3 gesuggereerd wordt dat we uitsluitend met non-lineaire processen te maken hebben.

     

     

    Overigens zouden bij je opmerkingen bij axioma 2 op pagina 4 (gedragsmatige consequenties van deductie vs. inductie) enkele concrete voorbeelden verhelderend kunnen werken. In het voorbeeld van het journalistieke interview zie ik dat verband niet zo. Ik denk dan eerder aan een manier om de verwarring vóór te zijn: metacommunicatie à la Watzlawick[1].

     

    Reactie van John:

    Je hebt gelijk. Het gaat immers over gedrag en alles dient duidelijk te worden gemaakt binnen dat domein. Op dit gebied dient dan ook nog veel werk te worden verzet. Ik ben onderweg!

    Het lijkt me niet zonder betekenis dat je juist op Watzlawick komt. Het gaat immers om verschijnselen die in de wisselwerking met anderen is ingebouwd. Ik vermoed dat het zelfs actief gehanteerd wordt in de communicatie en als sturend element van de communicatie dient te worden toegevoegd aan wat we op dat gebied al weten. Voorbeelden daarvan moet ik nog verzamelen.

    Ik noemde het journalistieke interview, omdat daar dikwijls de korrelgrootte/schaalgrootte wordt gemanipuleerd en de tolerantie – behorend bij de permanente fluctuaties – wordt uitgebreid of ingekrompen. Dit is afhankelijk van situatieve factoren en kan dus worden gekarakteriseerd als intentioneel. Overigens ben ik huiverig om dit begrip te gebruiken, daar men anders terecht komt in homunculus-theorieën. Met de huidige benadering heb ik daar gelukkig weinig last van.  

     

    Mijn voorlopige conclusie: ik denk dat de axioma’s 2 en 3 niet op alle niveaus en dimensies van gedrag geldig zijn.

     

    Reactie van John:

    De axioma’s zien er op dit moment zo uit:

    1.     Het individu is altijd actief;

    2.     het individu treedt voortdurend ordenend op. “Gestalt”-vorming vormt daarvan een voorbeeld uit de waarnemingspsychologie;

    3.     Deze activiteiten voltrekken zich als niet-lineaire processen en vormen complexiteiten.

     

    Over de geldigheid van axioma 2 heb ik hierboven al iets gesteld. Vermoedelijk behoudt hij zijn geldigheid, maar je hebt wel enige twijfel gezaaid. Er lijkt inderdaad iets aan de hand: bij het wijzigen van de schaalgrootte lijkt er iets te gebeuren dat nog in kaart gebracht moet worden. Of daarmee het axioma zijn geldigheid verliest, moet worden uitgezocht.

     

    Axioma 3 dient inderdaad te worden veranderd. Toen ik destijds ontdekte dat er naast causaliteit ook een andere manier lijkt te bestaan om naar gedrag te kijken, werd deze verabsoluteerd tot enig alternatief. Vandaar dat ik de non-lineaire processen als enige vermeldde. Inmiddels is daar de scalair bij gekomen. Of er nog meer mogelijkheden zijn? Feit is dat causaliteit zoals jij stelt,  wel degelijk zijn bestaansrecht behoudt. Daaraan dienen nu de non-lineaire processen en ook de scalairen te worden toegevoegd. Het betreft dus een uitbreiding met meerdere categorieën. Ik stel als nieuwe formulering voor axioma 3 voor:

    Deze activiteiten voltrekken zich als non-lineaire, als lineaire processen of als scalairen.

     

    Ik hakkel nog wat met het woord “scalair”. Het is ontleend aan het Engels “scalar”, maar klinkt in deze vorm in het Nederlands wat schutterig. Van Dale helpt hier niet. Misschien weet Rens wat men in het Nederlands meestal gebruikt. Jouw hulp wordt ingeroepen, Rens!

     

    Terugblikkend naar wat ik straks stelde over voorspellen – over de haruspex en de Pythia – krijgt met het veranderen van axioma 3 een duidelijker dimensie en laat zich nu als volgt verwoorden: het lijkt dat mensen in het gebied dat door axioma 3 wordt aangegeven, voortdurend manoeuvreren met de drie genoemde categorieën. Verwarring lijkt spannend en leidt tot mysterieuze, goddelijke en bovenaardse belevingen en kan blijkbaar duizenden jaren worden volgehouden. Hier spreekt een kind van de Verlichting: ik verkies rationele ordening boven Het Mysterie of Het Goddelijke.

    Zondagavond keek ik naar een programma van de EO. Ademloos volgde ik hoe dominees worstelden en rationele ideeën durfden te overwegen: misschien is god een verzinsel van mensen. Fascinerend vond ik de reactie van enkele gelovigen: daarmee ging iets mysterieus verloren en dat vonden ze duidelijk een gemis en ook een verarming.

    Het is goed om deze stroming in de menselijke beleving te kennen. In mijn termen gesteld: het lijkt er sterk op dat spanningen, incompatibiliteiten, elkaar tegenwerkende structuren iets moois oproepen, waar mensen zich aan vastklampen en zelfs in stand wensen te houden als iets waardevols. Het zal duidelijk zijn: ik kies hier niet voor.

     

    Er rijst tevens een vermoeden dat voor het eerst opkomt en nog niet meer is, dan louter speculatie:

    è Het lijkt er op dat hier de permanente fluctuaties een bijzondere plaats innemen. Misschien een magische manier om deze in te perken?

     

     

    (Terzijde: voor niet-natuurkundig geschoolden zoals ik moeten begrippen als fractalen en je benadering van korrelgrootte en schaalproblematiek te zijner tijd nog wel wat toegelicht worden!)

     

    Reactie van John: dat is beloofd. Dit zal gelijk oplopen met het zoeken naar verificaties. Want er staat nog niets vast. Of de theorie zal worden ontmaskerd als zinledig. Ik heb hier een broertje dood aan eenzijdig toetsen, want ben bang me dan rijk te rekenen. Ik hang sterk aan het symmetrieprincipe, dat ook bij kan dragen om deze theorie te degraderen tot een vrijblijvende gedachte. We zullen zien!

     

    Over de permanente fluctuaties (pagina 5):

     

    Als ik het goed begrepen heb, pleit je voor een permanente tolerantie voor optredende fluctuaties, waar in de realiteit van nu – opportunistisch – de tolerantie opgerekt of ingeperkt wordt. Je vraagt je af of dit laatste een bron kan zijn voor de ontwikkeling van een persoonlijkheidsstoornis / dwangmatigheid. Dat is wel mogelijk, lijkt me.

    Aan de andere kant lijkt een permanente tolerantie voor variaties mij ook de nodige problemen te geven. Denk b.v. aan de opvoeding: ik zie verwarde kinderen voor me die geen idee hebben van wie of wat ze zijn en waar ze met de wereld aan toe zijn. Wordt het niet wat stuurloos allemaal?

     

    Reactie van John:

    Als je naar gedrag kijkt dan zie je dat dat – mits op diezelfde schaal vergeleken – allerminst constant is. De oorzaken zijn ongetwijfeld gefundeerd in kleine wijzigingen in de situaties of in de fysiologie van het individu of in enigerlei andere variabele. Deze schommelingen verdienen erkenning in de wisselwerking tussen mensen. Nu vormen ze een variabele die communicatieve consequenties heeft. In een scherpslijpend debat: “waarom zeg je nu dít, terwijl je straks dát zei?” In een gesprek waarin men elkaar niet te zeer de maat wenst te nemen, zal de acceptatie van variabiliteit juist groot zijn.

    Natuurlijk moeten er goede voorbeelden komen waarin dit alles duidelijk wordt. Dat zie ik als één van de opdrachten voor de komende periode.

     

    Wat die kinderen betreft: daar zie ik geen probleem dat uit de constatering voortkomt, dat mensen minder consistent zijn in hun gedrag dan men zich dat menigmaal anders voorstelt. We zien nu namelijk ook ouders die vanuit eigen frustratie een kind onder druk zetten met de eis dat het niet steeds “andere dingen” moet zeggen. Daar wordt soms de persoonlijke depreciatie aan gekoppeld, dat je “niet mag jokken”.

    Stelling: we doen in de communicatie méér dan Watzlawick’s vermeldt. We zijn en passant bezig zijn werk aan te vullen!

     

    Ik zie ook dat je denkt aan een toenemende onzekerheid en zelfs aan een ontwikkeling tot een afhankelijke persoonlijkheid bij een toename van permanente fluctuaties. Ik vind dit wat moeilijk te rijmen met je eerdere ‘pleidooi’ voor permanente tolerantie van fluctuaties, maar misschien haal ik zaken door elkaar.

     

    John reageert: mijn stelling is dat wat onzeker is, dan ook als zodanig erkend en behandeld dient te worden. Door op te schalen naar causale relaties, richt je schade aan die leidt tot nieuwe verwarringen. Het komt er in dit onderzoek op neer dat we in kaart brengen hoe menselijke cognities zich vormen en hoe dat beter kan dan thans vaak het geval is. Dat lijkt me de psychologische vertaling van de wetenschappelijke vraag hoe we greep krijgen op ons functioneren.

     

    è kan het zijn dat ons gedrag grosso modo ontstaat uit gestudder met verkeerde opvattingen over onszelf en alles om ons heen?

    Ik heb het gevoel dat dit wel eens een vruchtbaar idee kan blijken. We zullen zien.

     

    Bij: Wat houdt de foutieve cognities in stand?

     

    Met punt 1 en 2 ben ik het helemaal eens, met punt 3 heb ik meer moeite. Ik denk niet dat je bij het inleven in een andere persoon of bij het installeren van een interne criticus per definitie een verkeerd of falend cognitief systeem hanteert. Integendeel, het opent de mogelijkheid tot interne discussie en daardoor tot correctie van foute cognities. Het hangt er dus maar vanaf hoe je er mee omgaat! De mogelijkheid tot relativeren blijft open. Dat laatste zal echter voor gelovigen geen optie zijn, als het gaat om een opperwezen.

     

    John: ik stel voor om dit punt voorlopig te laten rusten. Ik weet daar voor het moment geen ander antwoord op, dan dat ik met je gedachtegangen instem. Misschien dat het in een andere context relevant wordt om dit punt nog eens op te nemen in onze discussie.

     



    [1] pragmatics of human Communications, 1967


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    24-07-2010, 12:38 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    20-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    EEN EERSTE OVERZICHT OVER MIJN ONDERZOEK

     

    John Horowitz, 20 juni 2010

     

     

     

     

    Begin van het onderzoek:

    Als clinicus raakte ik tijdens mijn werk ontevreden over de theorieën over gedrag. Steeds had ik het gevoel dat er zich achter de beschikbare visies op gedrag een andere realiteit voltrok, die zich evenwel aan onze directe waarneming onttrekt. Analoog aan wat in de natuurkunde plaats vindt, richtte ik me vervolgens op het vinden van een “standaardmodel" voor de psychologie.

     

    De centrale vraag die ik me nu stel, luidt toch anders dan waar ik mee begon: wat is er met ons gedrag aan de hand, waardoor we de wereld beleven zoals wij dat nu doen?[i] Deze onderneming is zowel speculatief  alsook ambitieus. Ik heb het gevoel dat ik een spoor volg dat nieuwe inzichten kan brengen. Je begrijpt hoe spannend dat aanvoelt! Hieronder stel ik je op de hoogte van de huidige toestand. Er is dus nog veel uit te zoeken!

     

     

    Gebruikte methode:

    Ik keer terug naar de vroegere fenomenologie als methodisch uitgangspunt. Denk daarbij aan Von Brentano, Husserl en voor de Nederlandse psychologie aan de Utrechtse School van na de tweede wereldoorlog (Buytendijk, Langeveld; zie ook: Luypen1961). Ik laat me daarbij leiden door wat ik aan gedrag waarneem. Om te voorkomen dat ik in dezelfde val terecht kom als de vroegere fenomenologisch psychologen – volgde ik een strak methodologisch pad. Daarbij hoop ik de vroegere vooringenomenheid uit te sluiten. Deze lijken me destijds ingegeven door onder andere de theologie en kwamen er op neer dat men vooraf een bepaald mensbeeld aannam. Het leek dat men vooral een positief mensbeeld wenste uit te dragen. Homo sapiens werd op een voetstuk geplaatst en als ver verheven boven de dieren beschouwd. Er werd hoog opgegeven over het menselijk vermogens tot spreken en zelfreflectie. Naar mijn indruk beperkten de onderzoekers uit die dagen zich daarmee in hun waarnemingen en interpretaties en lieten daarmee belangrijke zaken liggen. Deze hoop ik nu aan te vullen.


     

    Het symmetrieprincipe:

    Ik vermoed dat door een verkeerde methode te volgen, wij voortdurend de verkeerde dingen over gedrag in onze theorieën inbouwen. Dat is niet alleen het geval in het dagelijks leven, evenmin uitsluitend bij de patiënt die gedragsproblemen kent, waarschijnlijk ook bij diens psycholoog. De kernvraag die ik me in dit verband stel is: wat is er met ons gedrag aan de hand, waardoor wij een bepaald beeld over onszelf hebben? Als “gereedschap” hanteer ik de idee dat menselijke activiteiten niet uitsluitend positieve aspecten in zich hebben. Ik zoek nu – overigens met erkenning van de positieve kanten van een bepaald gedrag -  tevens naar eventuele beperkingen en vertekeningen die eigen zijn aan het menselijk ordenen. Ik noem dit het “symmetrie principe”. Daarmee hoop ik te voorkomen, in de vroegere valkuil terecht te komen.

     

     

    Sociaalpsychologische benadering naast individuele kennisverwerving:

    Voorts kies ik als methode de sociaalpsychologische benadering. Dit maakt het mogelijk om gedrag als een “massaproduct” te verzamelen, los van individuele betekenissen. Aldus vermijd allerhande problemen rond de begrippen “identiteit” en “persoonlijkheid”.

     

    De centrale theoretische vraag is voorlopig aan slechts één waarnemer gekoppeld en eindigt dus wat dit punt betreft, in individualisme. Daardoor kan aan dit betoog slechts een tentatieve waarde worden toegekend. Empirisch onderzoek dient te volgen om vast te stellen, in hoeverre we hier met herhaalbare waarnemingen door meerdere personen, te doen hebben. Pas dan kan het immers de status van een wetenschappelijke theorie verwerven, wat ik overigens wel hoop te bereiken.

    Wel onderhoud ik contacten met een groep geïnteresseerden. Van die kant krijg ik herhaaldelijk forse kritiek. Dat verhoogt dan de kwaliteit van de ingebrachte  ideeën.


     

    Axioma’s:

    Als raamwerk voor deze ontwikkeling stel ik een paar axioma’s die de uitgangspunten van dit onderzoek aangeven. Ik bewaak hiermee de juistheid van deze uitgangspunten, daar deze altijd en onder alle omstandigheden geldig dienen te zijn. Reeds bij eenmalig falen verliest een axioma zijn geldigheid.

    Ik stel:

     

    1.     Het individu is altijd actief. Fysiologisch en neuropsychologisch is dit juist. Deze bewering vormt de grondslag voor de volgende punten;

     

    2.     het individu treedt voortdurend ordenend op. “Gestalt”-vorming is daarvan een voorbeeld uit de waarnemingspsychologie. De taal – dus ook de wiskunde - is wellicht de krachtigst structurerende kracht waarover mensen beschikken en waarmee we elkaar beïnvloeden;

     

    3.     Gedragingen voltrekken zich als non-lineaire processen en vormen complexiteiten. Aan de natuurkunde ontleen ik begrippen als fractalen [fractals] en chaospatronen. Deze komen we waarschijnlijk ook in gedrag tegen.

     

    Wij zullen zien of dat hulp biedt bij onze zoektocht.

     

    Opmerking bij axioma 1:

    Het lijkt beter om uit te gaan van een onafgebroken stroom van activiteiten, dan van een lege ruimte waar van tijd een beleving wordt afgescheiden. Dat verklaart wellicht verschijnselen die de persoon zelf het gevoel geven dat hij zojuist voorspelde, wat er een fractie van een seconde later, inderdaad gebeurt. Ik schat dat deze activiteiten zich voltrekken op een tijdschaal van tienden van een seconde.

     

    Opmerkingen bij axioma 2:

    De ordenende activiteiten die onder punt 2 worden genoemd, onderwerp ik aan het “symmetrieprincipe”. Aan de negatieve kant betekent dat tot de veronderstelling dat de wijze van ordenen mogelijk tot een vertekenend beeld leidt over gedrag of over de rest van de wereld. Mijn ervaringen versterken de indruk dat dit een belangrijke aanvulling vormt op vroegere visies en dat het de moeite waard is om dit spoor te volgen.

     

    Hier ga ik een andere weg dan ik meestal tegenkom. Ik vertrek bij wat ik over gedrag waarneem en zoek daarmee naar een inductieve theorie. Veel filosofen trekken naar de gesproken taal of naar de wiskunde – immers eveneens een taal - en gebruiken dat als vertrekpunt voor hun onderzoek. De logicus Graham Priest2010 stelt in dit verband over de logica:

    Inductive validity is a very important notion. We reason inductively all the time; for example, in trying to solve problems such as why the car has broken down, why a person is ill, or who committed a crime. The fictional logician Sherlock Holmes was a master of it.

    Despite this, historicalley, much more effort has gone into understanding deductive validity - maybe because logicians have tended to be philosophers or mathematicians (in whose studies deductively valid inferences are centrally important), and not doctors or detectives.

    Priest, 2010, p. 4.

     

    Als psycholoog schaar ik mij in dezen onder de “doctors or detectives”. Dat past perfect bij de opzet van dit onderzoek – namelijk om gedrag te begrijpen – en levert een ander beeld op dan wanneer je de deductieve logica laat overheersen.

    Voor ons onderwerp komen we dus eerder uit bij de “fuzzy logic”[ii], (zie de eindnoten) veel gebruikt in systemen met kunstmatige intelligentie.

    In de wijze van vragenstellen en reageren van journalisten tijdens het interviewen, wordt vaak iets zichtbaar van een onjuiste gedachtegang, zoals hier bedoeld. Zij gebruiken dan een onjuiste logica. Dat leidt dan tot overmatig vragen naar causale relaties. Soms wordt hen een keuze “juist-onjuist” opgedrongen. Mensen raken daardoor in verwarring en geven antwoorden die hun stellingname eventueel destabiliseert.

    Ik vind de vraag interessant de gedragsmatige consequenties te overwegen, indien men met deductieve logica situaties beoordeelt die beter met een inductieve benadering af waren geweest. Ik vermoed dat dit tot verwarringen leidt die dan met nieuwe cognitieve structuren bestreden worden. Indien in deze structuren dezelfde fout opnieuw wordt gemaakt, zal dit de verwarring vergroten. Waarzeggers, godsdiensten en kwakzalvers vinden hier hun voedingsbron. Soms worden ad  hoc cognities bedacht die eigenlijk een te beperkt geldigheidsgebied hebben. Een andermaal worden “eeuwig geldige” cognities gebruikt, zoals die in godsdiensten worden gehanteerd.

     

    Opmerkingen bij axioma 3:

    In deze visie wordt het gangbare beeld van causaliteit zoals dat uit de klassieke natuurkunde van Newton valt af te leiden, in zijn reikwijdte voor gedrag ingeperkt. Andere processen maken lineaire causaliteit namelijk tot een minder vaak voorkomend verschijnsel. Zowel de voorspelbaarheid alsook het terugredeneren in de tijd naar mogelijke oorzaken van een bepaald gedrag, leveren volgens dit model minder succes op dan waar men dikwijls van uitgaat.

    Op deze klassiek mechanische  causaliteitsgedachte was de psychoanalyse gebaseerd. Mogelijk ligt hier de verklaring voor het feit dat wetenschappelijk onderzoek slechts weinig vat kreeg op deze behandelvorm.

     

    Permanente fluctuaties[iii]:

    Het lijkt dat wij zelfbeelden met ons meedragen, waarin meer sprake is van constantie in rollen en situaties, dan de realiteit mogelijk maakt. Ook is men gemakkelijk in staat om zichzelf op te delen in alterego’s. We hanteren situaties, zelfbeelden en meningen daarover alsof het constanten betreffen. Dat gebeurt daar eveneens via de taal en speelt dus ook een belangrijke rol in het sociaal verkeer. Toch is dit vrijwel nooit het geval en dient mijns inziens als nieuwe standaard een permanente tolerantie te worden ingebouwd voor optredende variaties. Het domein van die permanente fluctuaties lijkt een open verzameling met een onbepaalbaar aantal elementen. Idealiter zouden we daar bij zelfreflectie, bij de vorming van ons zelfbeeld en in de onderlinge bejegening rekening mee moeten houden. Dat neem ik echter maar zelden waar. Meestal raakt men verward in een streven waaraan nu eenmaal niet te voldoen is. Wel meen ik te zien dat men de tolerantie oprekt danwel juist inperkt, in het onderling contact. Dit onderwerp heeft dan duidelijk een functie in de wisselwerking tussen personen.

    Je kunt je afvragen welke invloed dat kan hebben op de ontwikkeling van personen en ook in de relatievorming. Kan dit een bron vormen voor de ontwikkeling van een persoonlijkheidsstoornis, van dwangmatigheid misschien?

    Er zijn mensen die in extreme mate bezig zijn met wat een ander van hen vindt en hun gedrag daar naar inrichten. Dit wordt weleens de meta-identiteisbeleving[1] genoemd. Dat betekent dan een kwadratische toename van permanente fluctuaties en daarmee van onzekerheid. Kan dit mogelijk leiden tot onzekere en piekerende mensen? Is dit één mogelijke route naar de ontwikkeling van een afhankelijke persoonlijkheid? Het is de moeite waard om na te gaan of dit een bron voor psychopathologie is.

     

    Schaalproblematiek en korrelgrootte:

    Er lijkt iets aan de hand met de schaal waarop we onze waarneming instellen, concepten vormen en de korrelgrootte kiezen in de communicatie. Het is momenteel nog niet mogelijk om in gedrag duidelijk te maken, waar ik op doel. Ongetwijfeld komt dit nog. Schaalgrootte lijkt sterk te fluctueren en betreft zelden een eenmalig in te stellen activiteit. Voorts vermoed ik dat dit in de communicatie een belangrijke rol speelt en ook actief gemanipuleerd wordt, vooral bij het discussiëren. Ik denk dat dit een factor is die aanzienlijk gaat bijdragen aan het beantwoorden van de hoofdvraag van dit onderzoek.

    Ik ben nog niet in staat om je inhoudelijk te melden waar het precies om gaat. Wel kan ik wat begrippen en ideeën opsommen die ik in de komende tijd vorm ga geven:

    ·        Men lijkt het verschil tussen schaalinvariante en schaalgebonden niet te kennen. Dit kan misschien tot verwarring leiden.

    ·        De onder- en bovenschikking van structuren is geenszins vanzelfsprekend en kan tot verwarring leiden. Ik vermoed dat dit bij time-management en bij de studiehouding van studenten een belangrijke rol kan spelen;

    ·        Fractale structuren lijken hier een rol te spelen; deze zijn in principe schaalinvariant. Dat betekent dat ze bij elke schaalgrootte gelijkvormig zijn. Het vermoeden rijst dat die schaalvrijheid tot verwarring kan leiden, juist doordat er dan geen ankerpunt bestaat en de schaalgrootte zelf een variabele blijft. Ik meen te zien dat dit een bron is voor ontregeling en desoriëntatie;

    ·        Het kan weleens zijn dat schaalproblematiek een rol speelt bij de tijdsbeleving. Denk bijvoorbeeld aan de “temps duré” van Henri Bergson. Dit begrip dien je te stellen tegenover de fysieke tijd, die je kunt aflezen op een klok. Ook hier valt nog heel veel werk te verzetten.

     

    Scalairen en vectoren:

    Er bestaan gebeurtenissen die wij het best kunnen behandelen als scalairen[iv]. Wij lijken deze categorie in ons gedrag niet te kennen en behandelen alles als het alternatief daarvan: de vector[v].

    Uit de literatuurGribbin, 2004 begrijp ik dat het bijvoorbeeld beter is om het optreden van een aardbeving als een scalair op te vatten. We kennen de permanente dreiging van een activiteit van de St. Andreasbreuk in Californië. De kans dat hij in 2015 actief wordt is echter niet groter dan dat het in 2050 zou gebeuren. Dit gaat tegen onze huidig cognitief systeem in, want we menen dat de spanning in de aardlagen met het verloop van de tijd zal toenemen en dat de kans op een uitbarsting dus alleen maar groter kan worden. Gribbin2004 laat zien dat deze gedachte onjuist is.

     

    Bij gedrag spelen veel vectoren een rol die uiteenlopend gericht zijn. We kennen vrijwel nooit het aantal werkzame vectoren en hebben de neiging om hun aantal te onderschatten. Daardoor lijkt het gemakkelijker om te voorspellen. Door namelijk over een mogelijke gebeurtenis een kansverwachting uit te spreken, behandelt men zulke gebeurtenissen als vectoren. Een betere strategie lijkt me, om veel gebeurtenissen op te vatten als scalairen. Bij scalairen heeft het voorspellen of denken in termen van waarschijnlijkheid, geen zin.

     

    De kans lijkt me groot dat we hierdoor onjuiste cognities in stand houden en een vertekend beeld hebben over ons functioneren. Merk trouwens op dat het bij principiële onvoorspelbaarheden nimmer ontbreekt aan waarzeggers, die via een magische omweg proberen duidelijk te maken dat zij het cordon van onvoorspelbaarheid wel degelijk kunnen doorbreken. Mensen zoeken blijkbaar altijd de grenzen van het (on)mogelijke op.

     

    Wat houdt foutieve cognities in stand?

    Opmerkelijk vind ik dat mensen over coping strategieën beschikken om de negatieve effecten van verkeerde waarnemingsstrategieën ongedaan te maken of te camoufleren door daar nieuwe misconcepties aan toe te voegen. Hier treedt dan stapeling van verkeerde strategieën op:

    1.     Men gebruikt bijvoorbeeld een strategie die in een beperkt domein effectief bleek, voor een ander domein van gebeurtenissen;

    2.     Men gebruikt toevalsprocessen om de toekomst te voorspellen. Hier wordt gespeeld met de causaliteitsidee. Denk bijvoorbeeld aan de Etruskische haruspices die uit de ingewanden van offerdieren de betekenis van voortekenen afleidden. Analoog hiermee zijn de tarotkaarten. Of Jomanda die zichzelf als boodschapper beschouwt tussen “deze” en “de andere” wereld en aldus “boodschappen van overledenen doorgeeft”. Deze activiteiten blijken lang te kunnen voortleven, daar bijvoorbeeld een orakel dat men uit Delphi ontving wel degelijk van enig nut kan zijn gebleken. Men deed immers meer dan zich uitsluitend concentreren op de darminhoud door de haruspex of op het gestamel van de pythia, in Delphi. Ook Jomanda kijkt uit haar doppen en komt met boodschappen die in haar ogen in die situatie het best van pas komen.

    3.     Realiseer je hoe gemakkelijk het is om aan jezelf een onbeperkt aantal alterego’s toe te kennen. Je kunt je immers gemakkelijk inleven in de positie van je werkgever, oudste broer of willekeurig wie. Het is zelfs gemakkelijk om met een alterego te “dialogeren”. Dat kan helpen bij het oplossen van zakelijke en persoonlijke problemen of bij het schrijven van een tekst. Aldus kun je als het ware je eigen criticus binnen jezelf installeren. Even goed is het mogelijk om “god” als alterego te introduceren en daar karaktereigenschappen aan toe te kennen. Indien dat bovendien wordt ingebed in een maatschappelijke institutie zoals een godsdienst, dan is de weg geëffend om dit alterego te externaliseren tot een “opperwezen”.

     

    Niet alleen in onze waarneming en gedachten zijn wij menigmaal ten prooi aan ondeugdelijke cognities. Ook  het evalueren van de waarde van gehanteerde strategieën is onderhevig aan diezelfde krachten. Ook falende systemen kennen menigmaal partiële beloningen. Dat vergroot de verwarring.

    Een stilstaand uurwerk geeft de tijd uiteraard niet adequaat aan. Toch wijst hij tweemaal per dag de juiste tijd aan.

     

    Daarmee ontstaat dan een stapeling van onzekerheden, als gevolg van permanente fluctuaties in het gedrag.

    Paradoxaal is dat deze geïntensiveerde dwalingen in de vorming van onze beelden over de realiteit, veelal juist leiden tot een rotsvast geloof in de waarde van deze hocus pocus activiteiten.

    Er moet nog veel werk verzet worden, om de mens van zijn ingewikkelde streken te verlossen!

     

    Dus?

    Als centrale vraag stelde ik eerder: wat is er met ons gedrag aan de hand, waardoor we de wereld beleven zoals wij dat nu doen? Op hypothetisch niveau zijn daar nu een paar antwoorden op gekomen. Ik vermoed dat er meer factoren bestaan die ons zicht op de wereld systematisch en langdurig vertroebelen. De  volgende vraag luidt: welke invloed heeft dat op het gedrag van mensen? Het beantwoorden van deze vraag vormt een krachtige motivator om met dit project door te gaan.

     

    Overzicht:

    Het symmetrieprincipe lijkt bruikbaar om de fenomenologie opnieuw tot leven te brengen, als een methode om kennis over gedrag te systematiseren. Daarbij voeg ik me in de traditie van de Verlichting [Enlightenment] en zet deze met enthousiasme voort: bevrijden van dogmatische vooringenomenheid en het voorrang geven aan de ratio bij het verkennen van de wereldBertrand Russell, 1948; Störig, 2004.

    Tevens worden enkele fouten en beperkingen zichtbaar. Een voorlopige conclusie kan zijn dat de ratio ons verder brengt, mits men acht slaat op zijn mogelijkheid tot ontsporingen. Zonder het idee te hebben dat deze opsomming uitputtend is, noemde ik een paar onderwerpen die een helder beeld op onze realiteit in de weg staan.

    Ik hoop op empirische verificatie van wat ik hierboven stelde.

     

    Literatuur:

    Gribbin, John; deep simplicity; chaos, complexity and the emergence of life; 2004; Penguin Books;

     

    Luypen, W.; 1961; existentiële fenomenologie; Het Spectrum, Aula;

     

    Priest, Graham; logic, a brief insight; 2010; Sterling, New York/London;

    Science dictionary; the American heritage; 2005; Houghton Mifflin, Boston & New York;

     

    Russell, Bertrand; 1948; geschiedenis der westerse filosofie; oorspr.: history of western philosophy and its connection with political and social circumstances from the earliest times to the present day (1946); uitg. Servire, Katwijk.

    Störig, Hans Joachim; geschiedenis van de filosofie; 2004; Het Spectrum, 26ste druk; (oorspronkelijk 1959: kleine Weltgeschichte der Philosophie).

     

     

    Eindnoten:



    [1] In de literatuur kom ik dit begrip niet tegen. Ik kwam het begrip ooit tegen in psychodrama.



    [i] Deze vraag ontleen ik aan Eric Verlinde, hoogleraar theoretische natuurkunde, UvA; college op de Universiteitsdag op 12 juni 2010. Hij vraagt zich af hoe het komt dat wij de indruk hebben, dat het heelal ontstond uit een oerknal en thans zou uitdijen.

     

    [ii] Science dictionary; the American heritage; 2005; Houghton Mifflin, Boston & New York omschrijft “fuzzy logic” als:

    A form of algebra employing a range of values from “true” tot “false” that is issued in making decisions with imprecise data. The outcome of an operation is assigned a value between 0 and 1 corresponing to its degree of truth.....

     

    [iii] Ik kwam op het idée van de permanente fluctuaties tijdens colleges over kwantumfysica: de onzekerheidsrelaties van Heisenberg;

    [iv] Science Dictionary, 2005: scalar: a quantity such as mass, length, or speed, whose only property is magnitude; a number.

    [v] Science Dictionary, 2005; vector: 1. A quantity, such as the velocity of an object or the force acting on an object, that has both magnitude and direction.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    20-06-2010, 00:00 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    19-02-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.OVER CAUSALITEIT EN DE GRENS VAN ONS KENNEN

     

     

    Reactie op het stuk van John Horowitz van 11-02-2010

     

     

     

    John schrijft: “…….de buitengrens van onze kennis: ‘wat kunnen wij kennen?’……..wat wij weten en nog niet weten…”

    Hier zit een valkuil: er is m.i. een verschil tussen wat wij (niet) kunnen kennen en wat wij nog niet weten. Van heel veel van wat wij nog niet weten is vaak wel een inschatting te maken. Zo kunnen wij er achter komen of medicijn X helpt bij het bestrijden van ziekte Y. Maar vóórdat dat onderzocht is, weten wij het nog niet. Dat sluit niet uit dat wij niet weten wat wij niet weten, maar is van een andere orde. Veel zaken zijn in principe kenbaar, ik heb er geen moeite mee dit te erkennen (“vastleggen” gaat misschien wat ver).

     

    Ik merk weer iets van je bezwaren (zo niet: weerzin) tegen het causaliteitsbegrip. Ik denk toch dat je “causaliteit” niet geheel uit een theorie over het menselijk gedrag kunt verbannen. Trouwens, “kans” en “causaliteit” hoeven elkaar niet uit te sluiten.

    Wat vind je van causaliteit = “100% kans”? Dat komt voor!

     

    Als je de begrippen “keuze” en/of  “beslissing” buiten de theorievorming wilt houden, zijn we het waarschijnlijk eens over de gedachte dat een godsdienstige overtuiging geen keuze is (al zullen bekeerlingen die “voor Jezus kiezen” daarover een andere mening hebben).

    Ik kom dan weer terug bij de drie uitspraken over de slak, god en de tram uit je vorige stuk. Ik vond de uitspraak over god van een andere orde dan de andere twee, die in principe toetsbaar zijn. E.e.a doet me denken aan de bewering van een evangelist die de overtuiging had dat de evolutietheorie nooit waar kan zijn, omdat die geen verklaring geeft voor het bestaan van de zonde (!). Een fraaie ‘category mistake’, nietwaar?

     

    Roos de Klerk

     

    19-02-2010

     

     

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    19-02-2010, 16:32 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    11-02-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.bericht van John Horowitz aan Roos de Klerk, op 11 februari 2010

    Ik ga in op jouw commentaar van 27 augustus 2009. De vertraagde reactie werd eerst veroorzaakt door een gemoedstoestand die een tijd lang geen stof tot antwoorden opleverde. Na het lezen van Taleb en van Mlodinow bruist het van nieuwe inzichten.

    Inmiddels ben ik hard bezig met het aanbrengen van nieuwe ideeën in mijn onderzoeksjournaal. De kern daarvan komt overeen met de aan dit onderzoek gestelde grens: deze methode laat slechts het ontdekken van eenvoudige structuren toe. Meer dan het doorzien van twee variabelen tegelijk, lijkt bijvoorbeeld uitgesloten. Een probleem is dat gedrag zich snel voltrekt. Het is moeilijk om alledaags gedrag te bezien in een trager tempo. Opmerkelijk is niet zozeer dat de nieuwe structuren er zo onwaarschijnlijk uitzien, lijkt het. Wel nieuw zijn de verbanden die daardoor soms worden gelegd.

     

    Ik dreig het contact met jullie als geïnteresseerden over dit onderwerp, te verliezen. En dat vind ik jammer en denk dat het niet nodig is. Misschien is het goed om aan een begin van een essay te gaan werken en dan de tussenstadia naar jullie toe te sturen. Ik pik een paar punten uit de vroegere commentaren.

     

    Terug naar de vroegere teksten:

     

    Op mijn retorische vraag wat de mens beschikbaar heeft om zich staande te houden, stel jij: opponeerbare duimen.

    Ik ben met je eens dat wij het moeten hebben van iets anders dan onze fysieke eigenschappen, een paar daargelaten. Zo zou de mens beter en sneller lange afstanden kunnen lopen, dan bijvoorbeeld apen. De zojuist overleden Adriaan Kortlandt zou daar oren naar gehad hebben, want het strookt immers met zijn theorie dat homo sapiens voortkomt uit een specialisatie van savannegangers. En die hebben meer aan lopen dan aan klauteren. Misschien jammer voor Kortlandt: kortgeleden werd een 4,4 miljoen jaar oude voorganger van de mens gevonden: de ardipithecus. Wat misschien minder strookt met diens visie: het betreft een hominide met opponeerbare grote tenen! Dit wijst er op dat ardipithecus een prima boomklauteraar was. Ardi liep rechtop en vertoonde in zijn kaakvorm duidelijk overeenkomsten met een oudoom van me. Of omgekeerd.

     

    Je schrijft dat de mens werktuigen kon maken. Helemaal mee eens. Maar nu men meer observaties van dieren ter beschikking heeft, wordt duidelijk dat dieren in veel ruimer mate incidenteel gelijkenis met menselijk gedrag vertonen, dan men vroeger voor mogelijk hield. Incidenteel worden – weliswaar elementaire – gereedschappen vervaardigd door dieren, aan wie men die capaciteit vroeger volstrekt niet zou toekennen.

     

    Het is mooi van je dat je mijn zelfwaardegevoel wilt redden, tijdens een ongenoeglijk treffen met een baviaan. Het maakt inderdaad duidelijk dat ik adequaat reageerde door geen krachtmeting met Bobbejaan aan te gaan. Ik vrees dat ik langdurig gerevalideerd had moeten worden, nadat ik hem frontaal had aangekeken en me gelijktijdig op de borst had geklopt. Deze krachtmeting zou een voorspelbare afloop hebben gehad, ook al was mijn lichaamsvolume het meervoud van die van deze aap.

     

    Dat over die Poissonverdeling: je hebt gelijk. Wat Taleb stelde over de Mandelbrotvergelijking klinkt niet sterk. Het kan inderdaad betekenen dat hij een deus ex machina hoopt aan te treffen bij Mandelbrot.

    Jouw gelijk schrijf ik als volgt uit.

    Stel: wij zijn hier geïnteresseerd in de buitengrens van onze kennis: “wat kunnen wij kennen?” Deze vraag werd in de filosofie al vaker gesteld, onder anderen door Kant.

    Stel vervolgens: die buitengrens wordt gevormd door wat wij weten en wat wij nog niet weten.

    Indien het juist is dat wij niet weten wat wij niet weten, dan vervalt de mogelijkheid om over die buitengrens een uitspraak te doen.

    Je kunt het bovenstaande mogelijk als de zoveelste ontmaskering zien van ons streven om zoveel mogelijk van de toekomst en van het nog niet bekende, toch maar vast te leggen als iets dat in principe kenbaar kan blijken.

     

    Realistischer lijkt het om genoegen te nemen met een armer kennissysteem. En dat is misschien wat Taleb bedoelde toen hij Mandelbrot erbij haalde. Dat is immers de man van de fractalen [fractals].

     

    Belangrijker lijkt me de stelling van Max Born: “kans is een fundamenteler begrip dan causaliteit”. Ik raak er van overtuigd dat Born gelijk heeft. Deze constatering heeft mijns inziens grote consequenties voor de grondslagen van de psychologie.

    Ik ben visies tegengekomen – denk hierbij ook aan de psychologen Kahnemann en Tversky – namen die terug zullen komen – die mijn functioneren als clinicus stevig ter discussie stellen. Kijk, dan schop je het ver, als een wetenschap in staat is om de poten onder zijn eigen stoel af te zagen!

     

    Wat jij stelt over mensapen die de beursbewegingen kunnen inschatten ben ik in diverse varianten tegengekomen. Taleb is namelijk ook beurshandelaar op Wallstreet, naast hoogleraar. Hij komt uit de economie. De kern is dat wij – op zoek naar vastigheid en voorgangers in het aanwijzen van causale relaties – ons laten leiden door mensen die veel verdienen, een grote mond opzetten, een paar maal succes hebben gehad. We zoeken speciaal mensen die al deze feitelijkheden in zich verenigen. Uit onderzoek is in verschillende tijdvakken gebleken dat dit niet wegneemt dat wij daarmee in “almachtigen” geloven die zich in feite dikwijls door een toevallig incident, van willekeurig anderen onderscheiden. Jouw verhaal over die mensapen past daar goed in. In de literatuur kom ik tegen dat dit geldt voor beursanalisten en ook voor uitgevers die moeten beslissen welk boek of welke film de moeite van het uitgeven waard is. Iemand die beroemd werd wegens het “goed” selecteren van filmsterren, stelde aan het eind van zijn carrière: “als ik alle aangenomen filmsterren had afgewezen en de weggestuurde acteurs had aangenomen, had dat voor deze industrie waarschijnlijk niets uitgemaakt.” Dus: waarom niet die mensapen van jou? Die zijn goedkoper dan deze lieden met hun astronomische bonus. Een krakkemikkige roulettetafel ware hier toereikend geweest!

     

    Is een godsdienst als cognitieve strategie een keuze? Dat geldt toch hooguit voor bekeerde godsdienst-fanaten? De meeste “godsdienstigen” hebben e.e.a. met de paplepel ingegoten gekregen. Ik vraag me af of en in hoeverre er dan sprake is van aan godsdienst gekoppelde identiteitsbeleving/ik-bewustzijn…..

     

    Ik ben geneigd om begrippen als “keuze” of “beslissing” zoveel mogelijk te vermijden in de theorievorming. Occam (Ockham) stelde immers met zijn “scheermes”: “voeg niet toe wat niet nodig is”. Anders ontstaan er contaminaties, waardoor de loutere vaststelling van een feit stiekem toch onderdeel wordt van een quasi causale “verklaring”. Als je daar op let, ontmantel je veel “verklaringen” van gedrag zoals die door leken worden gedaan.

    Psychologen DOEN DAT NOOIT, hoor je! Hoewel, mogelijk, misschien, eventueel toch wel eens een pietsie?

     

    Ik kom uit op een logica die iets lijkt te impliceren uit de verzamelingenleer. Daar ben ik nog niet ver in gevorderd, maar om in losse zinnen te stellen in welke richting ik denk:

    -         Probeer twee elementen in een bewering  uit niet-overlappende verzamelingen te laten komen

    -         Het aantrekkelijke van gecontamineerde (overlappende) verzamelingen is dat er ogenschijnlijk causale verbanden aan te ontlenen zijn;

    -         Bovendien levert dit het gevoel van “diepe inzichten” en metafysische waarheden op.

    Het zal je duidelijk zijn dat hier nog veel werk te verrichten is, maar dit onderwerp staat als belangrijk op de kaart! Sommige zaken zijn te belangrijk om ze aan filosofen over te laten. Als we iets willen weten, moeten we het zelf uitzoeken, lijkt het.

     

    Dat god mij op de moeilijkste momenten in mijn leven een oplossing zal aanreiken is een uitspraak van andere orde.

     

    Duidelijk wordt hoe het komt dat falende cognities toch millennia kunnen voortbestaan. Dat komt doordat hun waarschijnlijkheid van succesvolle bevestiging groter is dan nul. Kijk maar naar die oude verhalen die samen de bijbel vormen. Daarin staan incidentele successen in situaties die soms ver afstaan van je dagelijks leven.

    De kwestie is dat de kans op juistheid van zo’n vergelijking soms een interessant, aansprekend verhaal oplevert. En dat geeft een gevoel van juistheid. Voor een moment hebben we dan toch de wijsheid in pacht!

    Denk hierbij aan een stilstaand mechanisch uurwerk. Daar hij stil staat geeft hij het verloop der uren niet adequaat aan. Toch meldt zo’n klok tweemaal per etmaal de juiste tijd. Als het over god gaat, raken mensen blijkbaar in verwarring.

     

     

     

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    11-02-2010, 00:00 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    16-01-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.John Horowitz, tussentijds verslag, januari 2010

    Tussentijds verslag over mijn onderzoek

     

    John Horowitz,

     

    januari 2010

     

     

    Sedert mijn pensionering houd ik me bezig met de grondslagen van de psychologie. Daarbij vertrok ik vanuit de natuurkunde die lange tijd de trend heeft gezet voor het denken over causaliteit, omkeerbaarheid van de tijd en de mogelijkheid tot het doen van voorspellingen. Ik heb veel aan het werk van Taleb (2007) en van Mlodinow (2008), vanwege hun kritiek op de klassieke causale denkmodellen die vooral gebaseerd zijn op de oudere natuurkunde. Hiervoor hebben Newton’s wetten lang model gestaan. Bij hem was zelfs sprake van omkeerbaarheid van de tijd. Men meende immers te kunnen voorspellen - of omgekeerd de begintoestand te kunnen terugrekenen - mits men de uitgangspositie, danwel de eindtoestand voldoende nauwkeurig kent.

    De psychoanalyse lijkt me binnen de psychologie een typisch vertegenwoordiger van deze opvatting over causaliteit. Dat verklaart wellicht de moeizame relatie die er altijd bestond tussen Freuds werk en het wetenschappelijk onderzoek op dat gebied.

    Mlodinow’s verwijzing (p.195) naar Max Born zie ik als een uitdagende verfrissing: “chance is a more fundamental conception than causality”.

     

    De quantumfysica verpestte al een deel van het idee van de Newton’se voorspelbaarheid, met de komst van Heisenbergs onzekerheidsrelaties. Latere ontwikkelingen – denk bijvoorbeeld aan de meteoroloog Edward Lorenz en het zg. “vlindereffect” (Gribbin, 2004) - braken het klassieke causaliteitsmodel verder af. De blikken richtten zich sindsdien vooral op non-lineaire processen, instabiele en stabiele processen, chaospatronen en fractale structuren.

     

    Naar mijn vermoeden moet de psychologie zich rekenschap geven van een paar onderwerpen:

    1. schaalproblematiek. Hiertoe behoort onder meer de relatie tussen individu en verzamelingen van individuen; incident versus terugkerende thema’s; incidenteel gedrag versus gewoontevorming. Ik veronderstel dat dit begrip bruikbaar blijkt bij het begrijpen van de tijdsbeleving.

     

    1. een vergelijking op metaforisch niveau, met de Heisenberg’se onzekerheidsrelaties: ik veronderstel dat zich in het gedrag permanent fluctuaties voltrekken die verantwoordelijk zijn voor plotselinge wijzigingen en vernieuwingen in het gedrag. Dit concept veronderstelt een onzekerheidsgebied rondom vaste structuren, zoals die in onder meer de taal zijn vastgelegd. Ik meen te zien dat deze fluctuaties ook in het sociaal verkeer een rol vervullen, bijvoorbeeld tussen argumenterende of interviewende personen. Hiervoor bestaat nu nog geen grootschalige aandacht, voor zover ik weet. Misschien brengen deze veronderstelde fluctuaties ons dichter bij een verklaring voor allerhande krakkemikkige paragnostische of godsdienstige cognities. Anderzijds vindt ook humor hier zijn oorsprong;

     

    1. misschien is het zinvol om niet-alledaagse patronen in de psychologie te introduceren die in de natuurkunde heel gewoon zijn. Deze kunnen dan – fantaseer ik verder – helpen bij het in kaart brengen van de geheugenwerking. Bij het laatste gaat het dan niet om de neuropsychologische aspecten, maar om het alledaags functioneren. Draaisma spreekt over de werking van het geheugen, naar aanleiding van zijn boek uit 2001. Hij doet dat in het tijdschrift Audi 4/2009:

    ‘als je hersenen extreem weinig indrukken hebben te verwerken, duurt de tijd extreem lang. Omgekeerd, als ons menselijk brein zwaar op de proef wordt gesteld, verloopt de tijd ook al zo sloom. Draaisma: “het is een paradox. Ook als je extreem veel te verwerken hebt, lijkt de tijd erg lang te duren.”’

    Misschien kan hier een oplossing worden gevonden door te veronderstellen dat mensen in staat zijn om over te schakelen naar een andere schaalgrootte in de tijdsbeleving. Tenminste twee factoren zouden hier dan binnen eenzelfde situatie afzonderlijk variëren. Zover ik kan nagaan speelt deze gedachte niet bij Draaisma.

     

     

    Literatuur:

     

    Draaisma, Douwe; 2001; waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt, over het autobiografisch geheugen; Historische uitgeverij; ISBN 90-6554-470-4;

     

    Gribbin, John; deep simplicity; chaos, complexity and the emergence of life; Penguin Books, 2004;

     

    Mlodinow,  Leonard; 2008; the drunkard’s walk, how randomness rules our lives; Penguin Books; ISBN 978-0-141-02647-3

     

    Taleb, Nassim Nicholas; 2007, the black swan, the impact of the highly improbable; Penguin Books; ISBN 978-0-141-03459-1

     

     

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    16-01-2010, 00:00 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    01-11-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.brief van John Horowitz: 1 november 2009

    John schreef deze brief aan zijn achterban van critici. Deze tekst vormt een deeluitsnede.

    Ik heb lang niets van me laten horen. Maar dat betekent geenszins dat hier niets gebeurt!

    1. dit is een periode waarin ik voortdurend speurend en toetsend bezig ben. Zo werd het feit dat ik in Lissabon beroofd werd een interessant fenomeen waarin schaalproblematiek in de tijd, een grote rol speelt;

    2. de theorie ontplooit zich in een bevredigend tempo. Maar dat is niet genoeg. Ik ben op zoek naar toetsbare situaties, die vertaald kunnen worden naar kritische experimenten. Een hoge eis, maar dat verleent een theorie in mijn ogen pas dan legitimiteit. Voorlopig doe ik geen water in de wijn. Dat kan altijd nog.

       

     

    De dagelijkse praktijk is dat er zich gewoontepatronen vormen die theoretische veronderstellingen langzamerhand tot vanzelfsprekendheden maakt. Ik moet mij er zelfs voor inspannen om terug te keren naar vroegere visies.

    Daar het steeds – in overeenstemming met de pretentie – alledaags gedrag betreft, ontdek ik dat een kleine verschuiving in visie/gedrag, tot grote consequenties leidt in het dagelijks leven. Dat is niet anders dan wat psychotherapie kan bereiken. Een klein agens maakt soms het verschil tussen leefbaar en moeilijk vol te houden.

     

    Hoe het zit met het zoeken naar toetsbare – misschien zelfs kritische – situaties? Die zoek ik in het spel “mijnenveger”. Ik denk niet dat dit spel geschikt is voor experimenten – er ontbreekt namelijk de factor tijd - maar kan misschien de weg wijzen naar een goed idee. Ik ga er hierbij vanuit dat de permanente fluctuaties op een dag in een experiment zichtbaar worden. Dit lijkt de pièce de résistance van de theorie te vormen en leidt daarmee tevens tot gedragsregels die het leven leefbaarder kunnen maken. Voorlopig schat ik de tijdschaal waarin deze fluctuaties zich voltrekken op een tijdschaal van tienden van een seconde.

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    01-11-2009, 00:00 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    27-08-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.tekst van John Horowitz met daarin commentaar van Roos de Klerk: 27 augustus 2009

    in de onderstaande teksten voegt Roos de Klerk haar commentaren in. Deze teksten zijn vet gezet.

     

     

    John schrijft:

     

    Ik liet lang niets van mij horen. Maar dat betekent geenszins dat er geen activiteiten zijn te melden!

    Feit is dat mijn onderzoek langzaam voortsukkelt. VVN en SWOP eisen nogal wat tijd. Maar heel erg vind ik dat niet. Sommige ideeën vereisen namelijk rijpingstijd. Dat proces kan ik niet versnellen.

    Uiteenlopende onderzoeksgebieden dienen elkaar te controleren en leiden soms tot kruisbestuiving. Een paar onderscheidbare gebieden zijn:

    1. het zoeken naar slakken (≠ spijkers op laag water zoeken). Shannon’s informatietheorie zie je hier in praktijk gebracht, zoals false-positives, false-negatives;
    2. het spelletje “mijnenveger”, ingebouwd in Windows van Microsoft. Centraal staat hier het kansschatten in een experimentele omgeving. Hier vind ik aansluiting met paranoïdie, lokale theorievorming en het komen tot generaliseren; een enkel gecompliceerd schattingspatroon dat een merkwaardige invloed op mijn gedrag uitoefent;
    3. de wijze waarop mensen in de taal actief zijn en
    4. het onbegrensde open veld van “overig gedrag”. Dit is uiteraard het meest uitgebreide terrein.

     

    Dit alles brengt mij onder meer dichter bij de oplossing van “le temps duré” zoals Henri Bergson dat benoemt: de tijdsbeleving. In dit stadium lijken drie variabelen dit fenomeen op het eerste gezicht adequaat te dekken:

    1. frequentie,
    2. schaalgrootte en
    3. de inbedding in grotere patronen. Misschien dat hiervoor het begrip “veld” kan dienen, ontleend aan de relativiteitstheorie. Kurt Lewin deed dit trouwens al lang geleden voor de sociale psychologie. Ook hier kom ik ooit uitvoeriger op terug.

     

    Ik heb Taleb[1] nu uitgelezen. Zijn visie stimuleert me om nog eens te kijken naar Gribbin[2], speciaal wat hij schreef over de schaal van Richter en de (on)mogelijkheid tot het voorspellen van aardbevingen.

     

    Mensen beschikken over taal, kunnen denken en beschikken over ook andere middelen om de onbekende wereld te ordenen. Dat ordenen heeft ongetwijfeld overlevingswaarde in evolutionaire zin. Ik vermoed dat vanuit het ongerijmde; een ijzersterk argument! Heb je namelijk ooit een onbeholpener wezen op twee benen zien rondlopen, dan juist homo sapiens? Als hij geen “hersens” had, ja, wat heeft hij dan eigenlijk wel om zich staande te houden?

     

    Roos: Opponeerbare duimen! Daarmee kon hij werktuigen maken en hanteren, iets wat de meeste dieren (er zijn uitzonderingen) niet kunnen!

    Dit werd mij rap duidelijk toen ik een verschil van inzicht had met een kleine baviaan, bij Kaap de Goede Hoop. Het was op slag duidelijk wiens standpunt de doorslag zou geven. Ik repareer mijn gekrenkte ego door jullie te melden dat ik zo verstandig was, me gedeisd te houden. Dus toch nog een pietsie superieur!

     

    Roos: Ik weet niet wat het verschil van inzicht tussen jou en de baviaan was, maar dankzij je “hersens” (besluit tot gedeisd houden) heb je het er zonder schade afgebracht, veronderstel ik. Aangezien jij fysiek groter bent en ook lage geluiden (duiden in de dierenwereld op gevaar) kunt voortbrengen, had je e.e.a. misschien ook op een andere manier kunnen “oplossen”.  Mogelijk intuïtief, of met gebruik van de hogere hersendelen (strategie bedenken en uitvoeren). Dus zo “onbeholpen”is homo sapiens nou ook weer niet!

     

    Deze middelen tot ordenen dragen naast positieve kanten, ook negatieve aspecten in zich. Deze houden onbemerkt tevens verwarring in stand. Taleb noemt er één: de Gauss’e kromme of normaalverdeling, met zijn centrale en spreidingsmaten: gemiddelde, standaarddeviatie enzovoort. Hij ziet deze kromme als een passe partout die overwegend ten onrechte wordt toegepast, terwijl een andere verdeling meer op zijn plaats is. Mij viel al eens op dat de Poisson-verdeling soms op logische gronden de voorkeur verdient boven de normaalverdeling, terwijl de Poisson-verdeling minder bekend is.

    Roos: Die is bij mij zeker geheel onbekend….

    Bij grote getallen wint deze curve aan symmetrie en lijkt dan sterk op de normaalverdeling. Dit verschil is minder principieel dan de strijd die Taleb zijn lezer aanzegt. Hij begeeft zich vooral op het terrein van de economie en van de financiële beleggingen, zijn oorspronkelijk specialisme. Daarmee beschikt hij over veel numerieke gegevens van conjuncturele schommelingen, beursbewegingen en effectenkoersen.

    Onthoud voor jouw privégebruik zijn stelling goed: financieel analisten voorspellen niet beter dan hun lezers van de New York Times (≈ NRC). Naar zijn mening maken beursanalisten zich systematisch schuldig aan zelfoverschatting. Zodra zij gebruik maken van de “bell curve”, weet hij dat zeker.

    Roos: Als ik het mij goed herinner, kunnen zelfs mensapen de beursbewegingen beter inschatten! Zonder gebruik te maken van welke verdeling of curve dan ook!

    Taleb verwijt de misbruikers van de normaalverdeling dat zij geen rekening houden met onbekende factoren. De normaalverdeling suggereert zijns inziens ten onrechte dat onverwachte gebeurtenissen te voorspellen zijn, door hen een lage kans van verschijnen toe te kennen. Taleb stelt: “wij weten niet, wat wij niet weten.” Dat kunnen we niet verdoezelen of neutraliseren door het gebruik van de normaalverdeling.

    ….maar ook niet door het gebruik van een andere verdeling!!! ….als wij niet weten wat wij niet weten.

    Zijn alternatief is wat hij de Mandelbrot scale[3] noemt. Ik denk dat wij dat een logaritmische schaal noemen. Aldus krijgen we te maken met chaostheorie, fractalen en schaalinvariantie. Dat is mijn reden om opnieuw naar Gribbin te kijken over dit onderwerp. Taleb meldt dat hij probeert om dit type schaal te gebruiken bij het maken van prognoses op financieel gebied. Hij voorspelt daardoor minder dan zijn normaalverdelings-collega’s. Daardoor zou hij minder verwachtingen scheppen en aldus ook minder fouten maken dan die collega’s. Hij ziet zichzelf daarmee als eerlijker dan zijn collega’s die ongefundeerd toekomsten voorspellen.

    Dat is allemaal mooi en aardig van mijnheer Taleb, maar het is dus een kwestie van iets minder of meer correct voorspellen, iets meer of minder verwachtingen scheppen. Als wij niet weten wat wij niet weten, is het niet zo consequent naar een andere verdeling te grijpen. Dat suggereert dan toch dat er wel iets valt te weten van wat wij niet weten…

     

     

    Ik zou dan eerder een pleidooi voor een minder pretentieus gebruik van de normaalverdeling verwachten!

     

     A.D. de Groot zei: “Als ik iets weet kan ik iets voorspellen”.  Ik heb dat altijd een onzin-uitspraak gevonden.

    En zie eens hoe lastig het is om filosofische en taal-valkuilen te vermijden!

    Roos de Klerk

     

    John schrijft:

     

    donderdag 23 juli 2009: bij het zoeken naar slakken:

    nadat ik een slak gevonden heb en er vervolgens geen meer vind, profeteer ik dat er nog best één slak te vinden zal zijn. Ik leg mezelf nu de plicht op om niet af te haken, zolang ik niet aan deze zelfopgelegde verplichting heb voldaan. Ik weet namelijk “zeker” dat er nog een slak zal zijn.

     

    Er lijkt iets bijzonders te gebeuren, zodra ik de statistische strategie verander. Het voelt in zoverre vertrouwd aan dat het net is of ik iets alledaags doe.

    Voorlopig weet ik niet meer dan wat ik nu opschrijf.

     

    woensdag 5 augustus 2009: denkend aan het nut van godsdiensten kom ik opeens op het vreemde idee dat het kiezen van een cognitieve strategie zoals een godsdienst, samenhangt met identiteitsbeleving. è Leidt dat tot een “ik-bewustzijn”?

     

    Roos de Klerk voegt haar commentaar in:

    Is een godsdienst als cognitieve strategie een keuze? Dat geldt toch hooguit voor bekeerde godsdienst-fanaten? De meeste “godsdienstigen” hebben e.e.a. met de paplepel ingegoten gekregen. Ik vraag me af of en in hoeverre er dan sprake is van aan godsdienst gekoppelde identiteitsbeleving/ik-bewustzijn…..

     

    Breng dit in verband met wat ik op 23 juli 2009 hierover stelde. Het lijkt niet nodig dat er een kwalificatie aan de strategie is gekoppeld. Dus ook slechte strategieën kunnen tot identiteitsbeleving leiden.

     

    Wat is een “slechte”strategie? Wat zijn de criteria hiervoor?

     

    De consequentie hiervan is dat het ik-besef waardevrij is

    m.i. is niet het ik-besef zelf waardevrij, misschien wel de manier waarop het tot stand gekomen is, jouw redenering volgend.

    en dus geen bruikbare maatstaf voor de beoordeling van de kwaliteit van een gekozen strategie kan zijn. Terwijl ik het omgekeerde meemaak: men beroept zich op de juistheid of bruikbaarheid van een cognitie, op basis van een “goed gevoel” en een – naar mij lijkt – inflatoir egobesef.

     

    Wie is deze “men”? In de cognitieve theorie/therapie is “een goed gevoel” geen maatstaf voor de juistheid of bruikbaarheid van een cognitie! Tenzij je de rationele criteria tot goed gevoel wilt rekenen.

     

    De “slak”-strategie en de godsdienst hebben misschien nog iets met elkaar gemeen. Anders dan bij het leerproces van het slakkenzoeken dat sterk gekoppeld is aan een onmiddellijk succes, is in beide cognitieve strategieën (slak en god) een grote mate van onzekerheid ingebouwd:

    • “Er bestaat een kans dat er nog een slak te vinden is”
    • “Ik weet zeker dat god mij op de moeilijkste momenten in mijn leven, een oplossing zal aanreiken”

      

    Die laatste uitspraak is voor gelovigen een overtuiging, voor atheïsten pure onzin, alleen voor agnosten in enige mate onzeker...........

    Beide voorbeelden hebben met elkaar de kansschatting en inherente onzekerheid gemeen. Daarom is dit van een andere orde dan de cognitie: “over drie minuten komt tramlijn 5”.

     

    Naar mijn idee is de eerste uitspraak: “er bestaat een kans….” in grote mate zeker, want die kans bestaat inderdaad. De tweede uitspraak verwijs ik qua inhoud naar het rijk der fabelen. Ik vind de uitspraak over de komende tram niet van een andere orde dan de eerste. Het is een voorspelling. Inherent aan elke voorspelling is tenminste enige onzekerheid. “Er bestaat een kans dat er nog een slak gevonden wordt en ook, dat tramlijn 5 over drie minuten komt”. Dat god mij op de moeilijkste momenten in mijn leven een oplossing zal aanreiken is een uitspraak van andere orde.

     

    Het zal niet voldoende zijn om alleen de cognities te bezien. Daaraan is immers ook ander gedrag gekoppeld. Uitzoeken waar dat toe leidt.

     

     

     Reactie van Roos dd 12-08-2009

     

    John schrijft:

    Benieuwd naar je reactie. Ik heb het idee dat er maar één manier is om de kritiek tot volle wasdom te laten komen: ik moet op artikelniveau gaan schrijven. Dat gaat ook gebeuren. Pas dan kun je stap voor stap volgen, hoe het lukt om de begane paden te verlaten, bij het afwijzen van enkele (quasi) vanzelfsprekendheden als uitgangspunt.

    Roos: ik denk zeker dat het schrijven op artikelniveau een volgende, belangrijke stap is. Omdat de stof behoorlijk abstract is, denk ik dat het werken met veel voorbeelden zeer gewenst is.

     Ik zie er – in lijn hiermee - niets meer in om te vertrekken vanuit standaardopstellingen van filosofen. Zij bewijzen lippendienst aan houvast biedende structuren zoals de taal. Dat leidt tot rondzingen en levert weinig op. De klassieke fenomenologen deden eigenlijk hetzelfde, terwijl hun bedoeling nog niet zo gek was……..als het later bleek. Zij encanailleerden zich met bijna theologische thema’s.

    Fascinerend vind ik dat de vraag naar de betekenis van het gebruik van de normaalverdeling ingebed raakt in een verder reikend beeld dat steeds verder af gaat staan van de klassieke manier van kijken naar gedrag. De betekenis van het intelligentie-onderzoek met het daarbij behorende IQ dient in dit licht opnieuw bekeken te worden.

    Dat zijn zeer vergaande consequenties! Ik weet niets van de Poisson-verdeling en bij een logaritmische schaal kan ik mij maar weinig voorstellen. Vergeet niet dat de meeste van je toekomstige lezers maar matig natuurkundig/wiskundig geschoold zijn. (Zou natuurkundige/wiskundige kennis bij deze groep normaal verdeeld zijn? Of volgens de Poisson-verdeling?)

    Dan die schaalproblematiek. Het lijkt in toenemende mate een rol te spelen. Wij lijken daar geen oog voor te hebben in het dagelijks functioneren. Een extra probleem vormt de schaalinvariante grootheden, een term uit de natuurkunde die ons gedrag wel degelijk lijkt te beïnvloeden, misschien bijvoorbeeld in de tijdbeleving. Ik noemde dat een paar dagen geleden al in het bericht aan de onderzoekskring.

    Hoe schaalinvariantie en schaalproblematiek in het gedrag onderling gepositioneerd moeten worden, houdt me sterk bezig. Het vermoeden rijst dat dit in het alledaagse gedrag een grotere rol speelt dan ik ooit bevroedde. Niet zo gek: het gaat immers om een begrip dat in het dagelijks functioneren – ook niet in dat van de praktiserend psycholoog – niet als begrip wordt onderkend.

    Ook begrippen als schaalinvariantie verdienen daarom uitleg en toelichting!

    Zo tobben wij voort!

    John.

     

     

     



    [1] Taleb, Nassim Nicholas; 2007, the black swan, the impact of the highly improbable; Penguin Books; ISBN 978-0-141-03459-1

     

    [2] Gribbin, John; deep simplicity; chaos, complexity and the emergence of life; Penguin Books, 2004;

     

    [3] Volgens mij komt dat doordat hij dik bevriend is met Benoît Mandelbrot.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    27-08-2009, 00:00 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    29-04-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.John Horowitz reageert op Klaas Linker

     

    Ik begeef me op glad ijs, want ik ga nu af op alles wat ik in mijn leven aan ideeën over de Verlichting verzamelde. Ik moet nog in de literatuur duiken om dichter bij die realiteit te komen. Mijn voorlopige reactie is dat ik dicht aansluit bij het beeld dat jij van de Verlichting oproept in het eerste deel van je betoog, Klaas.

    Ik denk dat wat er toen gesteld werd, later als een impliciete vanzelfsprekendheid tot een dwingende richtlijn voor velen is verworden. Ik denk dat ik daar ook slachtoffer van ben geweest. Ik leid dat af uit de lange weg die ik bewandelde, voordat ik tot werkelijk ontstellend eenvoudige inzichten kwam, zoals ik die de laatste tijd aan jullie kenbaar maak. Deze ideeën laten zich eigenlijk condenseren op de punt van een naald. Niettemin kostte het jaren om een culturele ban van vanzelfsprekendheid te doorbreken, lijkt het nu. Op het moment dat ik iets voelde knellen, was de therapie daarmee al in zicht: op zoek naar nieuwe structuren!

    Wat zich aftekent is niet zozeer dat de Verlichting geheel nieuwe inzichten opleverde. De Grieken en hun nazaten hadden al veel werk verricht en leverden ideeën die nog steeds niet uitgewerkt zijn. misschien is het onderstaande tevens een illustratie van wat ik bedoel. Daartoe geef ik mijn dagboekaantekening van vandaag aan jullie. In voetnoten meld ik de genoemde literatuur.

     

    woensdag 29 april 2009: Taleb[1] (2008) stelt iets fundamenteels over de oorzaken van het geloof in bijvoorbeeld tarotkaarten of wat de klassieke haruspex (niet door hem genoemd, vermoedelijk van Etruskische oorsprong) deed: uit de inhoud van de maag van een dier “zinvolle” voorspellingen afleiden. Het gaat dan bijvoorbeeld om “karakterologieën” of toekomstvoorspellingen terzake van politieke beslissingen.

     

    Taleb stelt op p. 69:

    We, members of the human variety of primates, have a hunger for rules because we need to reduce the dimension of matters so they can get into our heads. Or, rather, sadly, so we can squeeze them into our heads. The more random information is, the greater the dimensionality, and thus the more difficult to summarize. The more you summarize, the more order you put in, the less randomness. Hence the same condition that makes us simplify pushes us to think that the world is less random than it actually is.

    Taleb, 2008, p. 69.

     

    Verderop, zelfde pagina:

    Think of the wordl around you, laden with trillions of details. Try to describe it and you will yourself tempted to weave a thread into what you are saying. A novel, a story, a myth, or a tale, all have the same function: they spare us from the complexity of the world and shield us from its randomness. Myths impart order to the disorder of human perception and the perceived “chaos of human experience.”

     

    Dit is onmiddellijk inzichtelijk te maken via het spel van Microsoft: “mijnenveger”. Daar wordt achterdocht en verwarring over een eigen inbreng en het objectief gegevene, direct zichtbaar, is mijn ervaring.

    In het geval van meerdere mogelijkheden – volstrekte toevalligheid, dus – vermoed ik veelal een verborgen programma dat stelt dat als ik X kies, dat daar dan post hoc door dat programma een “mijn” wordt toegekend.

    Had ik achteraf niet al vooraf de indruk, dat deze zet tot succes/falen zou leiden? Een staaltje “achteruit voorspellen”.

     

    Bij toeval kom ik bij Morris Kline[2] (1967) terecht, bij het trefwoord: Kant.

    Zet het bovenstaande nu eens tegenover:

    Men such as Plato and Descartes were convinced that mathematical truths were innate in human beings. Kant based his entire philosophy on the existence of mathematical truths. But now philosophy is haunted by the spectre that the search for truths may be a search for phantoms.

    Kline, 1967, p. 476.

     

    In het bovenstaande citaat spreekt Kline over de Euclidische meetkunde en komt dan tot die conclusie. Deze gedachtegang lijkt me interessant, daar dit opnieuw een licht werpt op de Verlichting als mogelijk veroorzaker van misverstanden over het functioneren van mensen.

     

     

     

     

    Klaas schreef op 20 april 2009:

     

    Al een poosje twijfel ik eraan of de Verlichting wel zo typerend is voor de kennisontwikkeling in het westen. Misschien markeert het in feite meer zoiets als een omslagpunt. Voor die tijd werden voorvallen en gebeurtenissen vaak verklaard met argumenten ontleend aan godsdienstige overwegingen. De Verlichting zou je dan kunnen zien als het ontstaan van het inzicht, dat rationele verklaringen vaak veel beter blijken en doeltreffender zijn. Er komt dan meer de nadruk te liggen op het eigen nadenken, los van religieuze tradities.
    Het komt mij voor, dat men nogal eens meent, dat met de Verlichting het echte denken opgang is gekomen en dat we daar onze huidige wetenschappelijke inzichten aan hebben te danken. Wat dat betreft vind ik de recensie van een boek in NWT van maart j.l. heel verhelderend (blz. 72). Het gaat dan over de vertaling van een boek van de Romeinse wijsgeer Lucretius: "De natuur van de dingen". Het blijkt dat zijn ideeën, die hij op zijn beurt ontleent aan de Griekse wijsgeer Epicurus, heel modern zijn. Op het internet kun je er wel meer over vinden. Als je zoekt naar de oorsprong van onze manier van denken, kun je kennelijk dan ook beter te rade gaan bij Taleb, dan dat je het zoekt in de Verlichting.

     



    1]  Taleb, Nassim Nicholas; 2007, the black swan, the impact of the highly improbable; Penguin Books; ISBN 978-0-141-03459-1

     

    [2]  Kline, Morris; mathematics for the nonmathematician; Dover Publ., New York, 1967; ISBN 0-486-24823-2;

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    29-04-2009, 00:00 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    27-04-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.John reageert op bericht van Roos de Klerk

    Op 25 maart schreef ik een brief aan Klaas. Jij gaf daar commentaar op door eigen teksten in te voegen. Ik zal die correspondentie hieronder afdrukken en maak daar de volgende aantekeningen bij.

    Ik noem als voorbeelden van ordenende principes: gestaltvorming en attributies. Jij geeft als voorbeelden daar bij, die tot een deraillement leiden, in plaats van te ordenen. Je spreekt over “doel” en resultaat. Intentionaliteit speelt daarmee een rol in jouw visie op gedrag.

    Ik behandel dit onderwerp anders: ik vermijd personalistische motieven in te voeren, daar dit vaak uitloopt op een kringloopredenering.

     

    Het axioma dat men altijd ordent, houdt dus geen rekening met het resultaat van die ordening. Dat impliceert dat “ordenen” een kwalitatief neutraal begrip is. Ik bedoel: mensen ordenen onophoudelijk. Soms is dat helpend, een ander maal kan dat hinderen. Het aanbrengen van ordeningen levert dus ook schade op en kan niet zonder meer gelijkgesteld worden met een positief resultaat.

    Zo hebben we overigens wel leren denken: ik ben destijds ondergedompeld in de gestaltpsychologie. Dat werd gelijkgesteld aan een unieke kwaliteit die het ons mogelijk maakt om kennis te verwerven. Dit is volgens mij een consequentie van het Verlichtingsdenken. Vanuit mijn observatie voeg ik toe: we verwerven soms inderdaad nuttige kennis. Een ander maal raken we daarentegen in verwarring en/of komen tot verkeerde inzichten. Dat ordening op grotere chaos kan uitlopen zoals jij stelt, is inherent aan mijn concept van ordenen.

     

    In jouw voorbeeld over die patiënt met pet en klep meld je een door hem aangebrachte ordening, waarvan jij de effectiviteit voor zijn functioneren betwijfelt. Ik zie dat als een illustratie van mijn zienswijze: we ordenen wat af, maar lang niet altijd in de richting die wij beogen.

    Bij aanvaarding van de waardevrije ordening ontstaat er geen spanning tussen axioma 2 en 3. Daarmee zie je misschien het voordeel van deze zienswijze?


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    27-04-2009, 12:03 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    06-04-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    John schreef op 25 maart het volgende aan Klaas. In cursief voegt Roos haar commentaar in de tekst in:

     

    Laten we ons eens realiseren wat Kant in ons denken betekent. Hij is immers een prominent Verlichtingsdenker en zette daarmee de bakens voor velen die zich met onderwerpen op kentheoretisch gebied bezighouden. Wat voor hem een theoretische verkenning was, betekent voor zijn intellectueel nageslacht veelal een vanzelfsprekendheid. Zó moet je zo’n vraagstuk immers benaderen? Een andere weg ligt niet zo voor de hand en is zelfs niet gemakkelijk te vinden.

     

    Mijn kentheorie – vooral gericht op menselijk gedrag – wijkt wellicht af van wat de Verlichting ons bracht. Ik vat die samen in de volgende axiomata:

    1. Het individu is altijd actief. De neuropsychologie rechtvaardigt deze stelling
    2. het individu treedt en ook groepen treden ordenend op; gestaltvorming en attributies behoren tot de vaste aspecten hiervan;

    Ik vraag me toch af of dit altijd het geval is. Gestaltvorming en attributies zijn zeker voorbeelden van ordenend gedrag, maar dan kijk je op één bepaald niveau naar gedrag. Er zijn vele voorbeelden op een ander niveau van gedrag te bedenken dat het tegendeel van ordenend is. Je denkt dat je je huis aan het opruimen bent (ordenend bezig bent) maar in werkelijkheid wordt de troep steeds groter. Het doel is natuurlijk wel orde scheppen, maar het resultaat kan zijn: (grotere) chaos.

    Dan moet er misschien een onderscheid gemaakt worden tussen bedoeling, proces en resultaat?

    Ik denk dat hier sprake kan zijn van een paradox. Het doet me ook denken aan een patiënt van mij, die meende dat het dragen van zijn pet met de klep naar achteren een manifestatie van vrij en onafhankelijk gedrag was. Ik heb hem er niet van kunnen overtuigen dat het tegendeel het geval was. Want: door eerst te kijken naar hoe anderen de pet dragen (met de klep naar voren) en dan te beslissen dat jij het anders doet, maak je je juist afhankelijk van het gedrag van anderen.

    3.   in het individueel functioneren zowel als in het sociaal contact treden schommelingen en permanente fluctuaties aan het licht. Deze ontstaan door cumulatie  van  vele waarschijnlijkheidsvariabelen en vormen geen stabiele patronen. Deze toevalsfluctuaties resulteren in permanente fluctuaties. Passen deze fenomenen in de verzamelingenleer? Of passen ze binnen de schaaltheorie zoals De Groot die voorstelde? Of is er andere theorie die de schommelingen en ordening van attributies beter representeert?

     

    En hoe zijn ze te verenigen met axioma 2?

     

     

    Met axioma 1 zal Kant waarschijnlijk geen moeite gehad hebben. Ik weet niet of hem dat zal hebben geïnteresseerd.

     

    Over axioma 2 zullen we het waarschijnlijk snel eens kunnen worden. Kant zal op die plaats dan geneigd zijn om de vraag te stellen naar de grenzen van wat wij kunnen kennen. Die vraag laat ik onbeantwoord, want ik meen niet over de daarvoor benodigde kennis te beschikken. Ik geef voorrang aan de inhoud van het kenbare. Het afbakenen van de grenzen daarvan, beschouw ik als ongekend, misschien zelfs als onkenbaar. Althans in dit stadium van ons onderzoek.

    Kant gaat hier verder dan ik. Hij zal niet alleen constateren dat wij voortdurend ordenen. Hij schrijft tevens voor hoe wij onze zintuiglijke indrukken dienen te ordenen. De logica vormt hier zijn leidraad. Ik ken hem te weinig om te kunnen uitmaken of dit is wat hij met de “reine Vernunft” bedoelt.

    Hier kies ik een andere weg. Ik schrijf geen aanpak voor zoals Kant, maar blijf waarnemen hoe mensen ordenen. Het voorschrijven van een imperatief maakt in mijn ogen deze structuur kapot. Hier staat de fenomenoloog tegenover degeen die vertelt hoe wij de ordeningen dienen aan te brengen. 

     

    Zie boven

     

    Axioma 3 laat zien tot welke consequenties het uiteengaan heeft geleid. Dit zal Kant een gruwel zijn geweest. Hier dient zijns inziens de ratio in te grijpen. Aan wat mensen spontaan misschien doen – zoals dan verwoord in dit axioma - valt buiten Kant’s poging om de grenzen van het kenbare te bepalen.

    Naar mijn gevoel ligt hier de kracht van de Verlichting zoals we die wellicht allemaal ervaren: door gedisciplineerde denkprocedures kan de mens zijn grenzen verleggen. Daarmee wordt het dan ook mogelijk om de principiële grenzen van ons kennen te benaderen.

    Het passief in kaart brengen wat mensen doen, leidt slechts tot alledaagse banaliteit. Daarmee verkrijgt men nooit toegang tot de filosofie, immers de hoogste vorm van het menselijk denken.

    Tot zover liet ik hier – in mijn gedachten - onze vriend Immanuel aan het woord.

     

    Samenvattend: als je zijn citaat als imperatief ziet, dan kun je zien of een alternatief mogelijk en aantrekkelijk is.

    Mijn visie is dat de Verlichting deels inadequate gedachten ontwikkelde om het menselijk gedrag te bestuderen. Mijn aanpak lijkt me beter.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    06-04-2009, 10:59 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    John schreef op 25 maart het volgende aan Klaas. In cursief voegt Roos haar commentaar in de tekst in:

     

    Laten we ons eens realiseren wat Kant in ons denken betekent. Hij is immers een prominent Verlichtingsdenker en zette daarmee de bakens voor velen die zich met onderwerpen op kentheoretisch gebied bezighouden. Wat voor hem een theoretische verkenning was, betekent voor zijn intellectueel nageslacht veelal een vanzelfsprekendheid. Zó moet je zo’n vraagstuk immers benaderen? Een andere weg ligt niet zo voor de hand en is zelfs niet gemakkelijk te vinden.

     

    Mijn kentheorie – vooral gericht op menselijk gedrag – wijkt wellicht af van wat de Verlichting ons bracht. Ik vat die samen in de volgende axiomata:

    1. Het individu is altijd actief. De neuropsychologie rechtvaardigt deze stelling
    2. het individu treedt en ook groepen treden ordenend op; gestaltvorming en attributies behoren tot de vaste aspecten hiervan;

    Ik vraag me toch af of dit altijd het geval is. Gestaltvorming en attributies zijn zeker voorbeelden van ordenend gedrag, maar dan kijk je op één bepaald niveau naar gedrag. Er zijn vele voorbeelden op een ander niveau van gedrag te bedenken dat het tegendeel van ordenend is. Je denkt dat je je huis aan het opruimen bent (ordenend bezig bent) maar in werkelijkheid wordt de troep steeds groter. Het doel is natuurlijk wel orde scheppen, maar het resultaat kan zijn: (grotere) chaos.

    Dan moet er misschien een onderscheid gemaakt worden tussen bedoeling, proces en resultaat?

    Ik denk dat hier sprake kan zijn van een paradox. Het doet me ook denken aan een patiënt van mij, die meende dat het dragen van zijn pet met de klep naar achteren een manifestatie van vrij en onafhankelijk gedrag was. Ik heb hem er niet van kunnen overtuigen dat het tegendeel het geval was. Want: door eerst te kijken naar hoe anderen de pet dragen (met de klep naar voren) en dan te beslissen dat jij het anders doet, maak je je juist afhankelijk van het gedrag van anderen.

    3.   in het individueel functioneren zowel als in het sociaal contact treden schommelingen en permanente fluctuaties aan het licht. Deze ontstaan door cumulatie  van  vele waarschijnlijkheidsvariabelen en vormen geen stabiele patronen. Deze toevalsfluctuaties resulteren in permanente fluctuaties. Passen deze fenomenen in de verzamelingenleer? Of passen ze binnen de schaaltheorie zoals De Groot die voorstelde? Of is er andere theorie die de schommelingen en ordening van attributies beter representeert?

    En hoe zijn ze te verenigen met axioma 2?

     

     

    Met axioma 1 zal Kant waarschijnlijk geen moeite gehad hebben. Ik weet niet of hem dat zal hebben geïnteresseerd.

     

    Over axioma 2 zullen we het waarschijnlijk snel eens kunnen worden. Kant zal op die plaats dan geneigd zijn om de vraag te stellen naar de grenzen van wat wij kunnen kennen. Die vraag laat ik onbeantwoord, want ik meen niet over de daarvoor benodigde kennis te beschikken. Ik geef voorrang aan de inhoud van het kenbare. Het afbakenen van de grenzen daarvan, beschouw ik als ongekend, misschien zelfs als onkenbaar. Althans in dit stadium van ons onderzoek.

    Kant gaat hier verder dan ik. Hij zal niet alleen constateren dat wij voortdurend ordenen. Hij schrijft tevens voor hoe wij onze zintuiglijke indrukken dienen te ordenen. De logica vormt hier zijn leidraad. Ik ken hem te weinig om te kunnen uitmaken of dit is wat hij met de “reine Vernunft” bedoelt.

    Hier kies ik een andere weg. Ik schrijf geen aanpak voor zoals Kant, maar blijf waarnemen hoe mensen ordenen. Het voorschrijven van een imperatief maakt in mijn ogen deze structuur kapot. Hier staat de fenomenoloog tegenover degeen die vertelt hoe wij de ordeningen dienen aan te brengen. 

     

    Zie boven

     

    Axioma 3 laat zien tot welke consequenties het uiteengaan heeft geleid. Dit zal Kant een gruwel zijn geweest. Hier dient zijns inziens de ratio in te grijpen. Aan wat mensen spontaan misschien doen – zoals dan verwoord in dit axioma - valt buiten Kant’s poging om de grenzen van het kenbare te bepalen.

    Naar mijn gevoel ligt hier de kracht van de Verlichting zoals we die wellicht allemaal ervaren: door gedisciplineerde denkprocedures kan de mens zijn grenzen verleggen. Daarmee wordt het dan ook mogelijk om de principiële grenzen van ons kennen te benaderen.

    Het passief in kaart brengen wat mensen doen, leidt slechts tot alledaagse banaliteit. Daarmee verkrijgt men nooit toegang tot de filosofie, immers de hoogste vorm van het menselijk denken.

    Tot zover liet ik hier – in mijn gedachten - onze vriend Immanuel aan het woord.

     

    Samenvattend: als je zijn citaat als imperatief ziet, dan kun je zien of een alternatief mogelijk en aantrekkelijk is.

    Mijn visie is dat de Verlichting deels inadequate gedachten ontwikkelde om het menselijk gedrag te bestuderen. Mijn aanpak lijkt me beter.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    06-04-2009, 10:59 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Over Kant en de Verlichting: Klaas Linker en John Horowitz

    John reageert op 25 maart 2009 op het bericht van Klaas Linker:

     

    Laten we ons eens realiseren wat Kant in ons denken betekent. Hij is immers een prominent Verlichtingsdenker en zette daarmee de bakens voor velen die zich met onderwerpen op kentheoretisch gebied bezighouden. Wat voor hem een theoretische verkenning was, betekent voor zijn intellectueel nageslacht veelal een vanzelfsprekendheid. Zó moet je zo’n vraagstuk immers benaderen? Een andere weg ligt niet zo voor de hand en is zelfs niet gemakkelijk te vinden.

     

    Mijn kennistheorie – vooral gericht op menselijk gedrag – wijkt wellicht af van wat de Verlichting ons bracht. Ik vat die samen in de volgende axioma’s:

    1. Het individu is altijd actief. De neuropsychologie rechtvaardigt deze stelling
    2. het individu treedt en ook groepen treden ordenend op; gestaltvorming en attributies behoren tot de vaste aspecten hiervan;
    3. in het individueel functioneren zowel als in het sociaal contact treden schommelingen en permanente fluctuaties aan het licht. Deze ontstaan door cumulatie van vele waarschijnlijkheidsvariabelen en vormen geen stabiele patronen. Deze toevalsfluctuaties resulteren in permanente fluctuaties. Passen deze fenomenen in de verzamelingenleer? Of passen ze binnen de schaaltheorie zoals De Groot die voorstelde? Of is er andere theorie die de schommelingen en ordening van attributies beter representeert?

     

    Met axioma 1 zal Kant waarschijnlijk geen moeite gehad hebben. Ik weet niet of hem dat zal hebben geïnteresseerd.

     

    Over axioma 2 zullen we het waarschijnlijk snel eens kunnen worden. Kant zal op die plaats dan geneigd zijn om de vraag te stellen naar de grenzen van wat wij kunnen kennen. Die vraag laat ik onbeantwoord, want ik meen niet over de daarvoor benodigde kennis te beschikken. Ik geef voorrang aan de inhoud van het kenbare. Het afbakenen van de grenzen daarvan, beschouw ik als ongekend, misschien zelfs als onkenbaar. Althans in dit stadium van ons onderzoek.

    Kant gaat hier verder dan ik. Hij zal niet alleen constateren dat wij voortdurend ordenen. Hij schrijft tevens voor hoe wij onze zintuiglijke indrukken dienen te ordenen. De logica vormt hier zijn leidraad. Ik ken hem te weinig om te kunnen uitmaken of dit is wat Kant met de “reine Vernunft” bedoelt.

     

    Hier kies ik een andere weg. Ik schrijf geen aanpak voor zoals Kant, maar blijf waarnemen hoe mensen ordenen. Het voorschrijven van een imperatief maakt in mijn ogen deze structuur kapot. Hier staat de fenomenoloog tegenover degeen die vertelt hoe wij de ordeningen dienen aan te brengen.

     

    Axioma 3 laat zien tot welke consequenties het uiteengaan heeft geleid. Dit zal Kant een gruwel zijn geweest. Hier dient zijns inziens de ratio in te grijpen. Aan wat mensen spontaan misschien doen – zoals dan verwoord in dit axioma - valt buiten Kant’s poging om de grenzen van het kenbare te bepalen.

    Naar mijn gevoel ligt hier de kracht van de Verlichting zoals we die wellicht allemaal ervaren: door gedisciplineerde denkprocedures kan de mens zijn grenzen verleggen. Daarmee wordt het dan ook mogelijk om de principiële grenzen van ons kennen te benaderen.

    Door passief in kaart te brengen wat mensen doen, leidt slechts tot alledaagse banaliteit. Daarmee verkrijgt men nooit toegang tot de filosofie, immers de hoogste vorm van het menselijk denken.

    Tot zover liet ik hier onze vriend Immanuel aan het woord.

     

    Samenvattend: als je zijn citaat als imperatief ziet, dan kun je zien of een alternatief mogelijk en aantrekkelijk is.

    Mijn visie is dat de Verlichting deels inadequate gedachten ontwikkelde om het menselijk gedrag te bestuderen. Mijn aanpak lijkt me beter.

     

     

     

     

    Klaas Linker schreef op 23 maart 2009:

    Graag zou ik ook de waarneming als het vertrekpunt willen beschouwen. Maar wat mij dan dwars blijft zitten is een uitspraak van Kant:


     "Ohne Sinnlichkeit würde uns kein Gegenstand gegeben, und ohne Verstand keiner gedacht werden. Gedanken ohne Inhalt sind leer, Anschauungen ohne Begriffe sind blind."


    We zullen, denk ik, toch moeten accepteren dat elke waarneming al een ordening volgens een begrippen-systematiek veronderstelt, terwijl tegelijkertijd er pas zinvolle begripsmatige ordening mogelijk is op basis van waarnemingen!

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    06-04-2009, 00:00 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    08-03-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Klaas reageert op 5 maart 2009 op Roos

    Laat er geen misverstand over bestaan, ik ben het geheel eens met Roos als ze zegt dat alles wat we doen, denken of willen met de taal samenhangt. Wanneer we iets niet goed begrijpen, dan helpt het vaak om te gaan zoeken naar heel precieze formuleringen van datgene dat we willen begrijpen. Denken en taal zijn hecht met elkaar verweven. Zo hecht dat soms denken en taal aan elkaar gelijk wordt gesteld. Denken is wel gedefinieerd als stil in je zelf spreken. En daar lijkt het ook veel op. Als ik in de trein zit en nog wat nadenk over zaken die mij bezighouden, dan is dat toch altijd in de vorm van een gesprek in mijn gedachten. En toch is het onjuist om denken en taal aan elkaar gelijk te stellen. Mijn belangrijkste argument daarvoor is het feit dat, als ik iets probeer te formuleren, ik ga zoeken naar de juiste woorden en begrippen die datgene kunnen uitdrukken wat ik wil gaan zeggen. Deze woorden zijn er dan nog niet voor mij, die moet ik nog vinden, maar dat wat ik wil zeggen heb ik kennelijk voor mijzelf al wel duidelijk!
    Het is dan ook eerder zo dat ik (ook) op zoek ben naar 'mijn persoonlijk werkelijkheidsbeeld los van de taal'. Mijn persoonlijk werkelijkheidsbeeld is dan nog steeds een afspiegeling van het onkenbare 'Ding an sich' van Kant.
    Door te denken, dat hetgeen we zien door de taal-bril, de werkelijkheid is, kunnen we in vervelende misverstanden terechtkomen. Tenminste daaraan zou ik, onder andere, het willen toeschrijven, dat ik gelovige christenen wel heb horen beweren, dat een moslim een ongelovige is, omdat deze niet in God geloofd maar in Allah! Als ik dan probeerde uit te leggen, dat het er toch niet zo toe doet aan welke naam men gewend is, dan werd er eigenlijk altijd met onbegrip op mij gereageerd.
    Evenals Roos zou ik taal en connotaties willen onderscheiden. Een precieze betekenis van de woorden is er niet. Het is door 'de connotaties die we oppikken' uit de tijd en de situatie waarin iets is gezegd of geschreven en de inbedding in een zin en in het geheel van een tekst, waardoor we de betekenis ven het gezegde of geschrevene moeten benaderen. Trouwens het komt mij voor dat dit mijn argument om denken en taal te onderscheiden ondersteund.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    08-03-2009, 11:02 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    04-03-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Roos de Klerk reageert op Klaas Linker, op 4 maart 2009

    Ik begon mij een beetje als Alice in Wonderland te voelen na John's laatste stuk: verdwaald tussen taal, korrelgrootte, invariantie en fractalen, en op zoek naar het voortsnellende witte konijn ( = John?). Het navolgende is een poging voor mijzelf om weer op weg te raken.

     

    Wat mij opvalt, is dat zowel John als Klaas op zoek lijken te zijn naar "de realiteit achter de taal" en daarbij de taal als het ware willen lijken te omzeilen. Eerlijk gezegd lijkt mij dat niet goed mogelijk. Het doet mij denken aan iemand die wil lopen zonder zijn benen of protheses te gebruiken. Of we willen of niet, alles wat je doet, denkt, voelt, hangt samen met taal.

    Ik kan mij overigens helemaal vinden in Klaas' laatste stuk, behalve dus in wat hij schrijft over het passeren van taalstructuren.

     

    Nog een vraag: hoe kun je op zoek gaan naar de essentie, de realiteit achter de taal, als je er tegelijk van overtuigd bent dat die essentie, die realiteit niet gekend kan worden (Plato, Kant en Klaas)? Zijn we dan niet met z'n allen bezig aan een 'als-of '- constructie, een soort schijnvertoning? We kunnen dan wel onze beelden van de werkelijkheid uitwisselen, maar wat is dan de zin van zo'n onderneming?

     

    En verder, wat betreft 'taal' :

    Ik denk dat we onderscheid moeten (blijven) maken tussen taal en connotaties. John's voorbeelden van de pacifist en de atheïst maken mij duidelijk hoe afhankelijk je daarin kunt worden van je ' tegenstander' en diens taal(-gebruik). Omdat je ' tegenstander' de negatieve connotaties van pacifisme dicteert, besluit jij dat je die term voor jezelf niet zult gebruiken, zelfs, dat zo'n overkoepelende term niet nodig is! Volgens mij kun je hier eenvoudiger uitkomen door de term 'pacifist' helder te definiëren (ja, in taal!) bijvoorbeeld: "iemand die tegen het gewapend oplossen van conflicten is".

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    04-03-2009, 19:43 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    03-03-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Klaas reageert op John's artikel van 1 maart 2009

    In de natuurkunde, c.q. scheikunde, wordt het begrip element doorgaans gebruikt voor de stoffen (atomen) die geordend zijn in het periodiek systeem. Een element wordt dan gezien als een bouwsel dat bestaat uit elementaire deeltjes zoals proton, neutron, elektron, etc. We kunnen natuurlijk van deze conventie afwijken, maar liever zou ik deze conventie toch maar willen blijven volgen. Temeer ook daar, naar ik meen, dit concept ons kan helpen om "de kleinste bouwsteen van onze psychische werkelijkheid" te definiëren. Laten we deze kleinste bouwsteen eens een BE (BestaansElement) noemen. Een BE kan dan worden gezien als het samengaan van een indruk (iets zintuiglijks), een sensatie (gevoelservaring), een actie (eventueel actietendens) en een evaluatief moment. Een voorbeeld: we merken een plotselinge geur, deze geeft een prettig gevoel, we halen aandachtig adem, we constateren weldadigheid. Op deze wijze kunnen we alles wat we in ons leven meemaken in een samenhangend verband onderbrengen. In dit verband, een zintuiglijke indruk zie ik als behorend tot het cognitieve betekenisveld. Ook alle interacties met onze medemensen passen goed in een dergelijke structuur. Met andere woorden we hebben naar mijn mening een concept voor een "psychologisch element". Een voordeel van deze zienswijze is dat deze los staat van de taal en kunnen we ermee inderdaad "de taalstructuren passeren". De taal kunnen we er juist mee onderzoeken als een psychologisch fenomeen. John, als je de vraag stelt of het misschien tijd wordt voor nieuwe cognities over gedrag, dan zou dit mijn antwoord zijn. Het bovenstaande is een summiere samenvatting van mijn ideeën over dit onderwerp, maar als jullie dit aanspreekt zal ik graag laten zien hoe dit verder kan worden uitgewerkt.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    03-03-2009, 13:54 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    01-03-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.reactie van John op Roos' artikel van 10 februari 2009

    Je vraagt om een verduidelijking van het begrip “korrelgrootte”. Hier ga ik nu veel uitvoeriger op in, daar ik met mijn vorig bericht waarschijnlijk op de verkeerde weg zat.

     

    Schaalgrootte, schaal van inzoomen, grootte van de korrel lijken synoniemen voor wat ik wilde duidelijk maken. Zij leken alle te wijzen in de richting van een psychologisch “element”, vergelijkbaar met het natuurkunde begrip element: proton, neutron, elektron.

    Ik meende met “korrelgrootte” een constante gevonden te hebben, die kandidaat zou staan als element voor gedrag.

    Echter. Van een element verwacht ik dat er geen relaties bestaan met boven- en ondergeschikte korrelgrootten. Bij nadere exploratie bleek dat echter niet het geval. sterker nog: er bleek keer op keer dat een bepaalde structuur invloed uitoefent op onder- of bovengeordende structuren.

     

    Omdat ik tegen investeringen in het leger ben, zou ik mezelf desondanks niet “pacifist” noemen. Die term wordt namelijk vooral door opponenten gebruikt, om die groepering te desavoueren. Ik noem opponenten immers niet zomaar “fascist”, of “crimineel”.

     

    De socioloog Bram de Swaan stelde over geloof en ongeloof dat hij zichzelf als te ongelovig beschouwt, om zich “atheïst” te noemen. Het begrip atheïst lijkt hier zijns inziens een overkoepelend begrip binnen de cognities van de gelovigen. Als “gewoon” mens bestaat er inderdaad geen behoefte aan een overkoepelend begrip.

    Als essentieel aan beide voorbeelden stel ik dat er een relatie bestaat tussen de diverse korrelgrootten:

    pacifist ó opposant tegen bewapening, of: atheïst ó iemand die niet in God gelooft.

    Ter toelichting: waarom zouden we wel een apart overkoepelend begrip hebben voor iemand die niet in schepping en God gelooft. We hebben immers geen aparte aanduidingen voor iemand die niet in Marsmannetjes gelooft of meent dat de Maan van kaas is?

    Het feit dat er een relatie bestaat, doet afbreuk aan de waarschijnlijkheid dat hier sprake is van een gedragsmatig element.

    Ook bij verdere exploratie kwam ik steeds verbanden tegen die ingaan tegen de veronderstelling dat korrel een onafhankelijk element betreft dat onafhankelijk is van boven- en onderordeningen.

     

    Dit leidde tot de volgende gedachtegang:

    Is het een na-ijleffect van de kennismaking met de natuurkunde, dat ik naar grootheden zoek als constanten, zoals “korrelgrootte”?

    Kan het zijn dat er een principe als element kan worden aangewezen, in plaats van een “vaste” maat zoals de korrel?

    Zo’n principe zou kunnen zijn: de invariantie van grootte. Dit gaat dus meer in de richting van fractalen, waarvan de objectieve grootte niet ter zake doet. Hierop stuitte ik al eerder en verdient verdere exploratie.

     

    Een andere gedachtegang die bij hetzelfde eindpunt uitkomt: kan het zijn dat de denkgewoonten over gedrag tot chronische vertekeningen leiden? Gesteld kan zelfs worden dat ik met het zoeken naar een element met vaste grootte ontrouw was aan de hypothese, dat de grootte irrelevant is en dat hier fractalen model dienen te staan.

    Een andere overweging: kan het zijn dat we via de Verlichting (Eng: Enlightenment) een ondeugdelijk denkschema overgeërfd kregen, waar we tot nu toe mee zitten opgescheept? Dienen begrippen als causaliteit, historiciteit en logisch verband herijkt te worden voor ons doel?

    De consequentie van zo’n verkeerde cognitie kan zijn dat men het tot nu toe met wrakkige theorieën moet doen, ten aanzien van gedrag. En dat is een indruk die bij mij voortdurend terugkeert. Tijd voor nieuwe cognities over gedrag? Indien zich dat waar maakt, kan dit gevolgen hebben voor cognitieve behandelingen, misschien niet direct op operationeel niveau maar op een breder gebied van de psychologie.

     

    Roos, je stelt voorts:

    Je stelt dat reflexen en actiepotentialen buiten het domein van gedrag vallen, maar er wel mee in verband kunnen worden gebracht. Hier dreigt een misverstand: ik ga nog steeds uit van de omschrijving van gedrag: elke activiteit van het (menselijk) organisme. Anders is het mij niet duidelijk wat je onder gedrag wilt verstaan!

     

    Zoals ik dat zie rammelt het begrip gedrag in de zin van permanente fluctuaties! Een bepaald begrip lijkt het goed te doen binnen een bepaalde context. Na wijziging daarvan past het taalelement “gedrag” niet meer in de nieuwe context. Opeens treedt desoriëntatie op. Wat is nou gedrag? alles toch?

    Voor mijn betoog blijk ik een afwijkende afbakening van het domein “gedrag” nodig te hebben.

    Volgens mij moet je in de gaten houden dat de realiteit nooit in de taal en de woorden ligt, maar altijd in het onderwerp waar we mee bezig zijn.

    Nu ik dit opschrijf realiseer ik me opeens wat de oude fenomenologen mogelijk probeerden met hun filosofische stroming: de dwingende macht van het woord kwijt te raken. Opeens vermoed ik dat zij in dit opzicht dezelfde strijd voerden als theologen: hoe breek je de macht van het woord om toegang te krijgen tot de realiteit “daarachter”?

    Door vanaf het begin een ander uitgangspunt te kiezen zoals hier gebeurt, is het minder moeilijk om taalstructuren te passeren. Maar het vereist wel oefenen om niet de betekenis van het woord voorop te stellen!

     

    Je stelde:

    En in dat verband: je verwerping van causale constructies: is dat niet te zeer een zelfopgelegde beperking? Bij reflexen en actiepotentialen, die ik toch echt tot het domein “gedrag” wil rekenen, is wel degelijk sprake van causale relaties. Ik begrijp dat je veel ruimte wilt maken voor permanente fluctuaties, onbepaaldheden en dergelijke, maar het bestaan van bepaalde causale verbanden kun je toch niet ontkennen?

    Er is vrijwel zeker iets ernstigs aan de hand met causaliteit. Ik vermoed dat dit meer gestalte gaat krijgen zodra de invloed van de Verlichting op ons huidig denken duidelijk wordt. Bij Sander Bais liep ik een kennis tegen het lijf die vertelde dat ze zich onder meer met de Verlichting bezig houdt en daar een hovo-cursus in volgt. Zodra ze terug is van vakantie zal ik haar daarover benaderen.

    U hoort nog dezerzijds!

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    01-03-2009, 17:01 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.reactie van Klaas op Roos, 10 februari 2009

    Dat we in eerste instantie uitgaan van onze persoonlijke beelden omtrent dat wat wij zien als werkelijkheid en dat deze vrijwel zeker verschillend zijn voor ieder van ons, daar ben ik het helemaal mee eens. Wel denk ik dat daarvoor hetzelfde geld als voor de taal. Wat de taal betreft is er toch wel zoiets als een algemeen begrepen betekenis van de woorden die we gebruiken. Als ik in een woordenboek kijk, dan komt de beschrijving veelal wel min of meer overeen met wat ik al dacht. Uiteindelijk heb ik ook al een heel leven achter mij waarin ik daarmee heb geoefend. Ditzelfde geld, denk ik, voor ons beeld van de werkelijkheid. Wel zal dit nogal cultuur gebonden zijn. Dat er taalverschillen zijn met medemensen die in een andere cultuur gevormd zijn, is vrij manifest en daardoor ook voor iedereen wel duidelijk. Maar dat dit ook geld voor onze werkelijkheidsbeelden is iets waarvan ik denk dat daar vaak te achteloos over wordt gedaan. Met de gebruikelijke misverstanden tot gevolg.
    Dus laten we vooral doorgaan met onze gedachtewisseling over hoe we om kunnen gaan met dat wat elk van ons ziet als werkelijkheid. Juist door te proberen onze persoonlijke theorieën aan elkaar voor te leggen, kunnen we met elkaar bouwen aan zoiets als een overkoepelend algemeen aanvaard werkelijkheidsbeeld. Ik wil zo graag weg uit het isolement van mijn persoonlijke opvatti


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    01-03-2009, 13:57 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    10-02-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Roos de Klerk schrijft op 10 februari 2009:

    REACTIE OP KLAAS DD 01-02-2009

                   EN OP JOHN DD 07-02-2009

     

    Roos de Klerk, 10-02-2009

     

     

     

    Klaas:

     

    “Raden” kun je op verschillende manieren doen: in het wilde weg, of gebruik makend van bepaalde informatie: “educated guesses”. Sommige mensen zijn daar beter in dan anderen en dat heeft o.a. met intelligentie te maken (het oplossen van raadsels). Wat mij betreft gaat het om een glijdende schaal.

    In principe heb je natuurlijk gelijk met de stelling dat de werkelijkheid onkenbaar is. En dat je geen attributies kunt toekennen aan de werkelijkheid zelf, maar alleen aan (een) beeld(en) van de werkelijkheid. Toch kom ik hiermee in problemen: over welke en wiens beeld(en) gaat het? Jouw beeld kan een heel ander zijn dan het mijne – en is dat waarschijnlijk ook voor tenminste een deel - . Als we kijken naar miljarden aardbewoners hebben we het ook over miljarden beelden van de werkelijkheid die misschien allemaal verschillend zijn of elkaar deels overlappen. Kunnen we bij het consequent hanteren van jouw stelling (die van Plato, Kant, Wittgenstein) nog uitspraken doen / theorieën formuleren over wat  dan ook?

     

     

     

    John:

     

    Over het relativeren van de uitgangspunten van de psychoanalyse hebben we het al even gehad: de kritiek kwam/komt niet zozeer van binnenuit, maar heeft te maken met wetenschappelijke en maatschappelijke ontwikkelingen, van buitenaf dus.

     

    Naar mijn idee zou je het begrip “korrelgrootte” toch nog iets moeten verduidelijken, vóór hierover misverstanden ontstaan. Ik denk dat het te maken heeft met beleving van ruimte en tijd en de factoren die hierop van invloed zijn, maar ik ben er niet helemaal zeker van.

     

    Je stelt dat reflexen en actiepotentialen buiten het domein van gedrag vallen, maar er wel mee in verband kunnen worden gebracht. Hier dreigt een misverstand: ik ga nog steeds uit van de omschrijving van gedrag: elke activiteit van het (menselijk) organisme. Anders is het mij niet duidelijk wat je onder gedrag wilt verstaan!

    En in dat verband: je verwerping van causale constructies: is dat niet te zeer een zelfopgelegde beperking? Bij reflexen en actiepotentialen, die ik toch echt tot het domein “gedrag” wil rekenen, is wel degelijk sprake van causale relaties. Ik begrijp dat je veel ruimte wilt maken voor permanente fluctuaties, onbepaaldheden en dergelijke, maar het bestaan van bepaalde causale verbanden kun je toch niet ontkennen?


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    10-02-2009, 22:17 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    07-02-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Commentaar van John op Roos de Klerk's artikel van 23 januari 2009

    Roos de Klerk reageert op “gedrag, wat is dat?” van 23-1-2009

     

     

    Je stelt je de vraag: “is de huidige psychologie nu echt zo deterministisch en statisch?”

    Ik meen te zien dat de meeste theorieën liever refereren aan stabiliteiten en vaste structuren, dan aan permanente fluctuaties, onbepaaldheden en geringe voorspelbaarheid vanuit de directe waarneming. Op zoek naar vastigheid doet men naar mijn indruk de psychologische realiteit soms geweld aan. Daarmee verlengt de vakman dan, wat ook de leek uit zichzelf doet. Bij behandeling van diens problemen kan het dan gebeuren dat de vakman blind blijft voor de eigen tekortkomingen en op diezelfde grond het te veranderen gedrag niet juist beoordeelt.

     

    Over de toen jongste ontwikkelingen van de psychoanalyse hoorde ik in de jaren zeventig voor het laatst. Ik was toen nog in opleiding tot psychotherapeut. Mogelijk is er van dat front nieuws te melden. In die dagen hoorde ik nimmer iets over de mate van voorspelbaarheid van gedrag als uitgangspunt van de psychoanalyse. Ook het determinisme stond toen niet ter discussie. Soms is het goed om ons te realiseren dat wij mensen zijn. Het is immers niet leuk om te horen dat Freud’s Traumdeutung minder spannend wordt, indien men zich realiseert dat determinisme de realiteit geweld aandoet. Daar kun je geen klinische praktijk op baseren en de wetenschap dient zich eerst verder te ontwikkelen alvorens het zinvol is om mensen professioneel te adviseren. Exit psychotherapie, exit psychotherapeut!

     

    Voor het behaviorisme geldt volgens mij iets anders. Vanaf het begin was deze explicieter met de visie op causaliteit en voorspelbaarheid. Deze stroming werd vanaf het begin met experimenten begeleid en maakte een ontwikkeling door, die op geleide van wetenschappelijke uitkomsten werd bijgestuurd. Jouw opmerking over S-O-R past hier goed in.

     

    De psychoanalyse ontbeert die experimentele traditie en berust veel meer op impliciete consensus, geworteld in culturele patronen die waarschijnlijk als vanzelfsprekend geldig werden beschouwd. Vergelijking van de klassieke psychoanalyse met het behaviorisme en later de gedragstherapie, bracht de gedragstherapie op voorsprong doordat deze stroming zoveel beter voor onderzoek toegankelijk was. De klinische acceptatie en het daarbij behorende gevoel van evidentie[1] hield aanvankelijk de psychoanalyse zelfs op voorsprong, zoals ik me dat herinner.

     

    Over klokketijd: dit is een fenomeen dat me al lang bezig houdt. Een methodologische truc lijkt het me, een nieuwe theorie te ontwikkelen aan de tijdsbeleving. In hoeverre is die theorie in staat om dat fenomeen adequaat te representeren? Ik vermoed dat hier meerdere factoren tegelijkertijd een rol spelen. Eén daarvan kan de korrelgrootte[2] zijn.

    Indien zich dit waarmaakt, dan is het begrip korrelgrootte zowel op ruimtelijke als op tijdelijke fenomenen van toepassing.

    Hoewel zeer riskant, waag ik een veronderstelling:

    Is korrelgrootte een zodanig elementaire eigenschap van het menselijk functioneren, dat zowel tijdelijke als ruimtelijke ordeningen onderhevig zijn aan dit elementair menselijk functioneren?

    Is dit een “Kategorie” in Kantiaanse zin? Dit kan volgens mijn vermoeden alleen worden geïntroduceerd als een geldige denkroute, indien wij de relatie tussen de natuurkundige begrippen ruimte en tijd aan kunnen sluiten bij het gedragsmatige begrip. Aan die voorwaarde lijkt mij op dit moment niet voldaan[3].

     

    Indien dit pad verder vervolgd kan worden, dan kan dit mogelijk aan een kennistheorie[4] bijdragen.
    Ik heb het boek van Draaisma gelezen en herinner me daar niets van. Misschien is dat eigen aan boeken die over vergeten gaan. Daar kom ik op terug.

     

    Jouw opmerking over ‘elementen’ leidt me tot de volgende overweging: je noemt als elementen: reflexen en actiepotentialen.

     

    Wat vind je hier van:

    Beide begrippen vallen buiten het domein van gedrag. Wel kunnen ze daar mee in relatie worden gebracht.

    Louter intuïtief – het ontbreekt me vooralsnog aan argumenten – neig ik er toe om als procedure te hanteren:

    1. ons werkveld is: gedrag
    2. de primair te gebruiken begrippen dienen direct daar betrekking op te hebben, dus: geen causale constructies;
    3. in deze verklarende, toelichtende, uitleggende, begrijpende of anderszins reliëf aanbrengende fase staat de “hele wereld” tot onze beschikking. Verklaringen van gedrag hoeven met andere woorden geenszins in gedragstermen plaats te vinden. De begrippen ‘reflexen’ en ‘actiepotentialen’ kunnen hier zeer wel worden gebruikt;
    4. het oorspronkelijke waarnemingsveld dient er anders uit te zien, op grond van stap (3);
    5. De gebruikte terminologie dient aan het eind van deze cyclus om die reden te behoren tot het domein van gedrag. daarmee keren we terug tot (1).

     

    Bekijk eens wat je van dit voorstel voor een cyclus vindt.

     

    Jouw opmerking over korrelgrootte als element wijst er op, dat hier nog veel dient te worden uitgezocht.

    Ik ontdekte dat wij eigenlijk geen ingebouwd orgaan hebben om dit als “elementair” te herkennen. Dat bleek nota bene toen ik bezig was met het bewerken van foto’s!

    Dit kan er op wijzen dat korrelgrootte inderdaad geen elementaire waarde heeft. Een andere veronderstelling kan zijn dat dit wel het geval is, maar dat we het nooit hebben leren kennen en er geen “orgaan” voor ontwikkeld hebben – misschien is dit in specifieke situaties trouwens anders – om er handig mee om te gaan.

    Dit dient nader te worden uitgezocht.

     

    John, 7 februari 2009.



    [1] Wat mij betreft op te vatten als: vermoedelijke juistheid. Niet te verwarren met Engels: evidence = bewijs.

    [2] Eerder ook wel ‘schaalgrootte’ genoemd. Een keuze in het gebruik van dit begrip dient nog te worden gemaakt

    [3] Tijdens  een voordracht over de relativiteitstheorie tijdens de zomercursus ‘het vreemde in de natuurkunde’ (Leiden, 2005) poogde de astrofysicus Vincent Icke deze natuurkundige begrippen te vertalen in gedragsmatige. In mijn ogen kwam hij uit op subjectivisme en kunstzinnig impressionisme. De relatie met de relativiteitstheorie ontbrak toen. Maar die poging is mijns inziens intrigerend!

    [4] vooral Klaas is hier in geïnteresseerd. Een spannende hypothese!

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    07-02-2009, 17:20 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Roos schrijft op 23 januari:

    REACTIE OP JOHN’S BERICHT:

     

    “GEDRAG, WAT IS DAT?”

     

    door Roos de Klerk, 23-01-2009

     

     

    Een boeiend en lezenswaardig stuk!

    Na lezing bleef bij mij toch de vraag hangen: “Is de huidige psychologie nu echt zo deterministisch en statisch?” 

    De uitgangspunten van de klassieke psychoanalyse en het klassiek behaviorisme hebben in de afgelopen decennia een herwaardering ondergaan en zijn fors gerelativeerd.

    Wat betreft de (klinische) voorspellingen: met de introductie van de statistiek en begrippen als betrouwbaarheid en validiteit worden toch vooral uitspraken gedaan in termen van schattingen en waarschijnlijkheden?

    Zit er al niet veel waarschijnlijkheid en complexiteit in de bestaande theorieën over en definities van gedrag? Een (vroeg) voorbeeld lijkt mij: het toelaten van de O in de keten S – R ( dus: S-O-R)  waarmee de weg geopend werd voor bijvoorbeeld de rol van cognities. Theoretisch zijn cognities niet onveranderlijk. In de praktijk vaak wel, denk aan vooroordelen.

     

    Over het probleem van het verschil tussen klokkentijd en ervaren tijd het volgende:

    Een sluitende verklaring voor dit fenomeen is er misschien nog niet, wel is er kennis over factoren die van invloed zijn. Douwe Draaisma, (2001) heeft in: ‘Waarom de tijd sneller gaat als je ouder wordt’ over het verschijnsel leuke ideeën geformuleerd.

     

    Over het begrip “elementen”:

    Dit lijkt mij een juiste term, aangezien het over zeer elementaire, basale processen lijkt te gaan. Ik denk daarbij aan reflexen en actiepotentialen. Het lijkt mij een uitdaging om de theoretische stap te maken van deze intentie- en richtingloze elementaire deeltjes of processen naar doelbewust en doelgericht gedrag van individuen en /of groepen.

     

    Het begrip “korrelgrootte” lijkt mij van een andere orde dan voornoemde elementen of elementaire deeltjes en factoren. Bij korrelgrootte gaat het  om een maat, de elementen zoals jij die beschrijft zijn m.i. eenheden van gedrag op basaal niveau.

     

    Ik ben benieuwd naar jouw reactie en die van de andere forumleden. En naar verdere ontwikkelingen natuurlijk!

     

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    07-02-2009, 17:14 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    02-02-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.
    Klaas Linker op 1 februari 2009:

     

    Waarschijnlijkheid

     

    Raadselspelletjes bestaan al heel lang. Al in verhalen die stammen uit de oudste tijden kan men ze, als wezenlijk voor de verhaallijn, tegenkomen. Raden naar iets dat men niet weet blijkt dan iets waarmee men zich kan onderscheiden en als men blijkt daar goed in te zijn, levert dit van oudsher achting op. In de wetenschap is dit verschijnsel uitgewerkt tot de methode waarmee waar en onwaar moet worden onderscheiden.

    Hoewel bijna elke wetenschapper hier wel van doordrongen lijkt, komt het mij voor dat er nogal eens niet beseft wordt, dat de waarschijnlijkheidsleer een methode is en dat waarschijnlijkheid niet als een eigenschap van de werkelijkheid beschouwd kan worden. Met name Kant heeft in een mij overtuigende redenering laten zien, dat de werkelijkheid in principe onkenbaar is en dat het bij voorbaat zinloos is om eigenschappen aan de werkelijkheid toe te schrijven. Ook Wittgenstein is het daar heel duidelijk mee eens.

    Wat we wel kunnen doen is ons een beeld van de werkelijkheid vormen. En aan dit beeld kunnen natuurlijk wel eigenschappen onderkend worden. Maar dit is heel iets anders dan dat we daardoor ook de werkelijkheid zouden kennen. Het komt mij voor, dat het ontbreken van dit besef een rol heeft gespeeld in bijvoorbeeld de discussie tussen Einstein en Bohr, als Einstein zegt: “God dobbelt niet.” Mij lijkt het in elk geval duidelijk dat we dit 'heel gewoon' niet kunnen weten en dan ook nooit zullen weten. Het komt zo vaak voor, dat als het in het publieke debat gaat over de betekenis van wetenschappelijke bevindingen, dit aanleiding is tot allerlei getheoretiseer dat niet alleen overbodig is, maar ook schadelijk. Met name denk ik dan aan debatten over de evolutieleer.

    Waarschijnlijkheid is een concept dat voortkomt uit de waarschijnlijkheidsleer en is ook een heel fundamenteel concept ervan. Daarom denk ik dat het voor onze verdere gedachtewisseling wel van belang is, dat we van elkaar weten van welk standpunt we uitgaan. Als we onder een attributie verstaan, dat het een eigenschap is die we aan de werkelijkheid toeschrijven, dan zal uit het bovenstaande duidelijk zijn, dat mijn mening een andere is. Belangrijk in mijn ogen is het onderscheiden van 'werkelijkheid' en 'beeld van de werkelijkheid'. Deze twee concepten met elkaar verwarren leidt tot heilloze misverstanden.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    02-02-2009, 21:33 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    29-01-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    op 27 januari 2009 schrijft Rens van de Schoot, naar aanleiding van het voorbeeld over het "zoeken naar bruine schoenen":

    Het concept dat jullie beschrijven heet binnen de statistiek Bayesiaans updaten van waarschijnlijkheden.

    toevoeging door John:

    realiseer je je, dat de Bayesiaanse statistiek hier niet wordt toegepast op door onderzoek verkregen numerieke gegevens, maar direct op gedrag. Een heel verschil met de gangbare toepassing!


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    29-01-2009, 16:14 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    27-01-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Commentaar van John op het stuk van Klaas Linker, dd. 6 januari 2009:

     

    Ik las onderstaand betoog van jou, Klaas. Het begrip waarschijnlijkheid krijgt pootjes binnen het domein van gedrag! De vraag die te zijner tijd nader dient te worden onderzocht is of waarschijnlijkheid tot de attributies behoort. Zover is het nu nog niet.

     

    Ik knip de door jou geciteerde zin van jouzelf in tweeën. Daarbij neem ik de stelling over: “ik kan de rol van het toeval in mijn leven terugdringen”. Het tweede deel is de formulering van een voorwaarde, die geheel apart bekeken moet worden. Althans, dat is mijn voorstel.

    “Toeval” is taaltechnisch gezien een zelfstandig naamwoord, dat daardoor een aspect van “dingachtigheid” suggereert. Zo kan dat niet bedoeld zijn, want dan verliest het immers zijn functie in een bewering. Van Dale stelt:

    Gebeurtenis of omstandigheid die niet voorzien of gewild, niet te berekenen is geweest; onberekenbaar, onvoorzien voorval.

    In de omschrijving ontbreekt nu juist iedere substantialiteit en is zelfs de uitdrukkelijke ontkenning daarvan. Het lijkt me goed je te realiseren dat dit bij redeneringen een bron van verwarring kan opleveren. Denk bijvoorbeeld aan de zin: “dit kán geen toeval zijn!” Niet alleen zijn mensen tot zulke ingewikkelde kronkels in staat. Ze kunnen hier tevens een correctie op toepassen, waardoor het alsnog een juiste functie krijgt in een bewering.

    Dat het moduleren van de kansschatting tot wijziging in de waarneming kan leiden, bewijst mijns inziens het volgende:

    1.      Of ik uit de garage bruine schoenen wil meenemen.

    2.      Ik zie daar geen bruine schoenen.

    3.      Mijn vrouw stuurt me terug met de mededeling: “ze staan er écht. Ik heb ze er zelf neergezet”.

    4.      Ik keer terug naar de garage en vind de schoenen er nu wel.

     

    Ik interpreteer dit als volgt: de kansverwachting van het optreden van bruine schoenen heeft een bepaalde waarde, groter dan nul: waarschijnlijk staan ze er wel, anders was ik niet gaan kijken.

    Vervolgens beïnvloedt mijn vrouw deze attributie (?) door de geschatte trefkans te verhogen. Dit beïnvloedt mijn waarneming zozeer, dat na intensiever zoekgedrag de schoenen alsnog worden aangetroffen. Ik meen zulke manipuleerbaarheid aan te treffen, zowel individueel alsook in het contact met anderen.

     

    Het tweede deel van jouw bewering: “…als ik controle heb over mijn gedrag en invloed heb op het gedrag van anderen, op de situaties waarin ik terecht kom”, is een veronderstelling. Deze parkeer ik voorlopig, daar mij niet duidelijk is wat de psychologische betekenis daarvan is. Jouw formulering is een onderling geaccepteerde manier van formuleren. Die bewering wordt ingepast in sociaal aanvaarde gedachtegangen. Je kunt er zelfs argumenten mee verbinden. Je kunt bijvoorbeeld stellen: indien dat niet lukt, had je dus niet voldoende controle over jouw gedrag en op dat van anderen. Er rijst wel een vermoeden, hoe we dit in een deugdelijke theorie kunnen onderbrengen. Dat komt later. Mij is binnen de context van onze exploratie niet duidelijk, welke betekenis de conclusie “dus” waard is. Is het een tautologie? Ik laat het nog even open.

     

    Fascinerend vind ik jouw voorbeeld, hoe mensen elkaars en het eigen gedrag sturen. Jouw voorbeeld kun je uitbreiden naar: hoe bewegen mensen zich in een ogenschijnlijk chaotische verkeersdrukte, zoals wandelaars doen op een druk marktplein?  Er treedt sociale sturing en terugkoppeling op, bij het langs elkaar heen lopen. Daarbij functioneert de sociale context soms als hulp: wij allen houden rechts, dus dat verwacht je ook van de tegenkomende partij. Blijkt de tegenligger een Schot, ja dan…boem! Als zijn tartan eerder ware opgevallen, dan ware een botsing mogelijk vermeden. Tenzij het een Nederlander is die naar een uitvoering van nep-Schotse doedelzakspelers is geweest en er mitsdien als een “echte” Schot uitziet. Dan opnieuw: boem!

     

    Zo komen we op missers die tot verwarring, op grotere schaal misschien tot pathologie kunnen leiden. Tegelijkertijd gaf jij een voorbeeld hoe wij uit chaos toch tot ordening kunnen komen en daarmee de overleefbaarheid verhogen. Het symmetrieprincipe lijkt ook hier te werken. Ik beschouw het als een nuttig stuk gereedschap.

    Als nagenoeg vanzelf kwam je met jouw redenering op het spoor van het “sociaal contract” dat er tussen mensen zou bestaan. In dit voorbeeld: houdt rechts. Op de middelbare school leerde ik dat dit klassieke (o.a. Plato) product vooral tijdens de Verlichting tot wasdom kwam en aan Jean-Jacques Rousseau dient te worden gekoppeld. Hij zou een tractaat hebben geschreven met deze titel: “le contrat social”.

     

    Jouw opmerking over de voorkeur voor het gebruik van het begrip “persoon” laat ik liggen. Ik zoek naar de functionaliteit binnen deze context. Hoewel het mogelijk niets toevoegt, leidt het evenmin tot verwarring, lijkt me op het eerste gezicht.

     

    John.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    27-01-2009, 16:44 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Klaas Linker schreef op 6 januari 2009:

    In mijn mailtje 'Waarschijlijkheidsleer' schreef ik:
    "Ik kan de rol van het toeval in mijn leven terugdringen als ik controle heb over mijn gedrag en invloed heb op het gedrag van anderen, op de situaties waarin ik terecht kom."
    Wanneer ik naar iemand toeloop en hem of haar duidelijk groet, dan is er een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat de betrokkene de aandacht op mij vestigt en een vrij grote waarschijnlijkheid dat de betrokkene mij terug zal groeten.
    Wanneer ik op het midden van een wandelpad loop en vanuit de tegenovergestelde richting komt mij iemand tegemoet lopen, dan kan ik met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid voorspellen, dat degene die op mij toeloopt, als deze mij tot op ongeveer 20 à 30 meter is genaderd, aan de rechterkant van het wandelpad zal gaan lopen. Rechts gezien vanuit het gezichtspunt van de andere persoon. Probeer het maar eens!
    In beide gevallen kan ik door mijn gedrag invloed uitoefenen en "de rol van het toeval terugdringen". Deze "controle" is afhankelijk van het bestaan van zoiets als een stilzwijgende, collectieve afspraak. In Ierland bijvoorbeeld gaat de persoon die mij tegemoet komt links van het wandelpad lopen. (Dat heb ik geprobeerd en dat wat ik verwachtte gebeurde)
    Naar mijn idee is dit één van de manieren (er zijn nog wel andere methoden) waarmee in een samenleving gepoogd wordt om aan het toeval te ontkomen en de noodzaak om statisticus te zijn afneemt.
    Het zijn dit soort methoden die een belangrijk bestanddeel vormen van het onderzoeksonderwerp van de psychologie, hoewel ons onderzoeksonderwerp meer omvat, meen ik. Je zou bijvoorbeeld ook kunnen zeggen, dat ik stilzwijgen afspraken met mezelf heb gemaakt, waaraan ik mij probeer te houden.
    Omdat het persoonlijke in ons gedrag zo manifest is heb ik een voorkeur om in plaats van de term individu de term persoon te gebruiken.

    Klaas.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    27-01-2009, 16:40 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    17-01-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    “GEDRAG, WAT IS DAT?”

     

    DE STAND VAN ZAKEN

     

    TUSSENTIJDS BERICHT OVER ONS ONDERZOEK

     

    John Horowitz, 17 januari 2009

     

     

    De opening van het nieuwe jaar is een goede gelegenheid om de stand van zaken in kaart te brengen. Zie het als een positiebepaling. Tevens worden er lijnen naar de nabije toekomst uitgezet.

     

    Dit onderzoek werd aanvankelijk vooral geïnspireerd door de natuurkunde. Zo vormde het zoeken naar een unificerende theorie over gedrag - analoog aan het natuurkundig standaardmodel – de directe aanzet tot dit onderzoek. In de titel van dit stuk vind je dat terug.

     

    De natuurkunde gaf trouwens in het recente verleden meerdere impulsen aan de psychologie, die toen nog in statu nascendi verkeerde. Denk bijvoorbeeld aan de wet van Weber-Fechner over drempelbepalingen in de waarneming, waarbij de relatie tussen stimulus en respons verloopt volgens een logaritmische schaal. De natuurkunde hield zich in die dagen vooral bezig met de thermodynamica – zo zou Sigmund Freud sterk zijn beïnvloed door de wet van behoud van energie[1] – en met het elektromagnetisme (Faraday, later Maxwell).

    Tegenover het determinisme dat een fundament vormde van de psychoanalyse, stellen wij een aanzienlijk minder optimistische visie omtrent de voorspelbaarheid van gedrag. De natuurkunde waarschuwt ons immers voor non-lineaire processen die tot instabiele structuren kunnen leiden, met soms chaospatronen tot gevolg. Voor determinisme is hier weinig ruimte in de theorievorming. Wel onderbouwt dit eens te meer de teleurstellende uitkomsten van klinische voorspellingen, zoals die in de jaren ’50 door Meehl e.a. werden geconstateerd. Dat bracht toen een schok teweeg onder de clinici.

     

    Onze methode dient als fenomenologisch te worden aangemerkt – Husserl, Brentano - maar dan zonder de metafysische en wijsgerig-antropologische bijproducten uit die dagen. Denk daarbij terug aan de Utrechtse School uit de jaren vijftig van de vorige eeuw: Buytendijk, Langeveld en Van Lennep[2].

    Om de deugdelijkheid van ons denkproces – hier ontbreekt immers het empirisch onderzoek als directe toetsingsmogelijkheid - te bewaken, besteden we veel aandacht aan de methodologie. Ook het bepalen van de grenzen van het mogelijk bereikbare via deze methode, vormt een blijvend onderwerp van aandacht. Daarmee voorkomen we zelfoverschatting.

    Deze methode leidt tot vermoedens, schattingen en waarschijnlijkheden. Het best bereikbare is dat we anderen inspireren tot empirisch onderzoek.

    Als controlemechanismen letten we op interne consistentie, logische structuren, helderheid van de gestelde vragen en op de vrijheidsgraden van de mogelijke antwoorden op die vragen. Ook kunnen we persoonlijke ervaringen gebruiken, die onderling worden vergeleken en aldus onderhevig zijn aan enige ijking. Dat is één functie van de onderzoekskring die wij nu vormen.

    Als quasi externe toetssteen wijzen we voorlopig een probleem aan waar – zover bekend - nog geen plausibele verklaring voor bestaat: het voortdurend verschillen van de klokketijd met de beleefde duur van tijdsintervallen[3]. Of dit een goede keus van onderwerp en een deugdelijke manier van kwaliteitscontrole betreft, zal pas later blijken.

     

    De psychologie heeft in de tweede helft van de twintigste eeuw een enorme ontwikkeling doorgemaakt, die in deze eeuw verder uitdijt. De vraag dient daarom gesteld of wij met onze bescheiden middelen in staat zijn om daar iets aan toe te voegen.

    Begrijpelijkerwijs zoekt een nieuwe wetenschap naar vaste steunpunten waar het op verder kan bouwen. Vastigheden gaan vóór waarschijnlijkheden; vastomlijnde begrippen verdienen de voorkeur boven entiteiten die permanent veranderen, zoals het begrip “permanente fluctuatie”[4], waar wij in ons onderzoek op stuiten.

    Ons richtend op de kernvraag: “wat is gedrag?” laat de gangbare psychologie hier waarschijnlijk iets liggen, dat wij hopen aan te vullen. Met het invoegen van waarschijnlijkheid, complexiteit (gevolg van non-lineaire processen) en permanente fluctuaties in de theorievorming over de kernvraag, verwachten we de psychologie een dienst te kunnen bewijzen. Dit alles dient te worden uitgewerkt tot een deugdelijke theorie, met zoveel mogelijk onderbouwing vanuit collectief onderkende ervaringen.

     

    “Permanente fluctuaties” werd als begrip voorgesteld als alternatief voor onveranderlijkheid in de waarneming, cognities, taalhantering en psychomotorische activiteiten. Het lijkt een culminatie van onzekerheden die inherent lijkt aan ieder gedrag. Ook in het sociale verkeer spelen permanente fluctuaties vermoedelijk een belangrijke rol en vormen onder meer een belangrijk bestanddeel van het dagelijks discours. Ook dit wordt in de toekomst uitgewerkt.

     

    Tot nu toe wezen we geen entiteit aan die verondersteld wordt, permanent te fluctueren. Het gebruik van de term “gedrag” is in dit verband te generaliserend, daar dit immers alle menselijke activiteiten omvat.

    Het begrip “attributie” lijkt een serieuze kandidaat. Het werd in de jaren vijftig van de vorige eeuw in de sociaalpsychologie geïntroduceerd. In de persoonlijkheidspsychologie komen we terecht bij Kelly (‘grid’, ‘personal constructs’) en waarschijnlijk ook bij Hermans[5], met zijn “Zelfconfrontatiemethode”.[6]

     

    Misschien blijkt het nuttig om psychologische “elementen” voor te stellen. Naar verwachting zullen deze een rol spelen in zowel individuele als sociale contexten.

    We stellen voorlopig dat psychologische elementen:

    1. intentionaliteit missen. Ze zijn richtingloos. In de vroegere fenomenologie was intentionaliteit juist een centraal begrip. Je vindt dat terug in wijsgerig antropologische beschouwingen uit de vorige eeuw. Wij proberen dit concept te vermijden, daar het iets toevoegt dat overbodig lijkt. Hier hanteren we met graagte het “scheermes van Ockham”![7]

     

    1. zingeving missen. In feite hebben ze geen enkele “diepe” betekenis voor het individu. Het is van belang om dit zo te stellen, ter onderscheiding van de verondersteld onderliggende structuren uit de psychoanalyse. “Onbewuste motieven” beschouwen we eveneens als een onnodige toevoegingshypothese. Het is zelfs de vraag of aan deze elementen een belangrijke betekenis wordt gegeven in het dagelijks discours.

     

    Deze gedachtegang suggereert dat zingeving en persoonlijke betekenissen geen deel uitmaken van de elementaire gedragsprocessen. Speciaal in dit Darwin-jaar[8] lijkt het goed om te stellen dat een zinledige en richtingloze psychologie weleens nuttiger kan blijken, dan het vasthouden aan quasiverbanden die bij nadere beschouwing niet verder reiken dan het aangeven van incidentele relaties in specifieke situaties. In het dagelijks discours over eigen of andermans gedrag gebeurt dit juist heel veel. Dat dient dan grotendeels als ruis te worden opgevat.

     

    Als een serieuze kandidaat om als eerste “elementaire deeltje” of “elementaire factor” te worden aangemerkt, noemen we: korrelgrootte[9]. Dit zou een maat voor de detaillering van zowel het waarnemings- als handelingsgebied aangeven. We veronderstellen dat de korrelgrootte zo klein kan zijn, dat deze binnen het gebied van de permanente fluctuaties valt.

    Het is voor het eerst dat een veronderstelling wordt geformuleerd over nog te vinden structuren. Dit is een toetsbare onderneming en draagt dan in belangrijke mate bij aan het valideren van dit deel van het onderzoek.

     

    Misschien lukt het in een later stadium om een evolutionaire dimensie toe te voegen.

    Hoewel we vertrokken vanuit de sociaalpsychologische benadering, bereiken we nu eveneens de individueel-psychologische onderwerpen. Daarmee dekken we dan de gehele psychologie.

     

    Met het loslaten van de natuurkunde als inspiratiebron en het zoeken naar het “eigene” van gedrag en van de psychologie, keren we – althans voor een klein gedeelte – opnieuw terug naar diezelfde natuurkunde.

     

     

    *************



    [1] Heb dat ooit ergens gelezen. Weet je een verificatie voor deze bewering?

    [2] Hierover zal veel terug te vinden zijn in de dissertatie van Trudy Dehue; 1990; de regels van het vak; Nederlandse psychologen en hun methodologie, 1900-1985; Van Gennep, Amsterdam;

    [3] Denk hierbij aan Henri Bergson’s “temps dure”

    [4] Naar analogie van Heisenberg’s onzekerheidsrelaties, een begrip uit de quantummechanica.

    [5] Destijds werkzaam aan de Radboud Universiteit.

    [6] Dit wordt nog geverifieerd in de literatuur. Bedankt voor het toesturen van literatuur, Roosmarijn.

    [7] Ook wel: Occam’s razor

    [8] 200 jaar geleden geboren, zijn “origins of  species” verscheen 150 jaar geleden.

    [9] Misschien komt “schaalgrootte” in aanmerking als synoniem. Dit zal in de praktijk blijken.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    17-01-2009, 15:02 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    08-01-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.John schreef op 6 januari 2008:

     

    Ik parafraseer jouw commentaar op de bijdrage van Klaas, bij wijze van vingeroefening voor dit onderzoek.

     

    Ik lees het van Klaas geciteerde als: de individuele onzekerheid culmineert bij een groepsgebeuren zodanig, dat verwacht kan worden dat de groepsonzekerheid groter zal zijn dan de individuele.

    Dit lijkt me een juiste gedachtegang. In de groepsdynamiek wordt daar soms juist ten voordele gebruik van gemaakt. Ik denk aan psychodrama. Het is hier juist de feitelijke onbestuurbaarheid van een groepsgebeuren door een enkel individu die tot fascinerende situaties en inzichten kan leiden.

    De vraag rijst of onzekerheid steeds als geïsoleerde gebeurtenis bestaat of dat het individu of (sub-)groepen strategieën ontwikkelen om zich te handhaven. Overgeleverd blijven aan een toevalsproces zal waarschijnlijk tot tegenkrachten leiden die enerzijds als “coping mechanism” zijn op te vatten. Daarnaast kan het zijn dat deze tot ruis leiden in andere situaties of op andere tijdstippen, waardoor de winst daarvan sterk situatiegebonden of slechts tijdelijk geldig, kan blijken. Dat kan dan weliswaar voldoende zijn om het hoofd te bieden in die ene situatie. Minder ter zake doet dan soms het feit dat op een ander tijdstip en in een andere situatie dat gedrag juist schadelijk effect kan sorteren of tot ruis kan leiden, waardoor dan verwarring wordt geproduceerd.

     

    Dan jouw bewering over de “volksmenner” en diens geïnterviewd worden. Het is ons al lang bekend dat de voorspelbaarheid van gedrag zelden iets voorstelt, maar door velen volstrekt wordt overschat. Hoe minder men van gedrag afweet, hoe stelliger men soms met zekerheid een gedragsvoorspelling aandurft. Denk aan allerhande piskijkers, astrologen of Jomandoïde figuren: “ik krijg zojuist uit de andere wereld door, dat je binnenkort……”.

    De Assyriërs hadden naar ik meen de sterrenwichelaars als adviseur des konings, de Etrusken kenden de “haruspex”. Dat was iemand die uit de ingewanden van een geslacht dier veel kon aflezen. Ik heb de kift in: kon ik dat maar!

    Overigens begrijp ik na een reis naar het klassieke Griekenland dat de orakels die men in Delfi haalde, wel degelijk goede, persoonlijk relevante adviezen konden bevatten. Staar je namelijk niet blind op het feit dat het een hallucinerende priesteres was die – beïnvloed door zwavelhoudende aardgassen – wartaal uitsloeg. Voordat de reiziger in Delfi arriveerde, had hij een lange reis achter de rug. Met andere reisgenoten heeft hij dan al enige orde op zaken kunnen stellen ten aanzien van zijn probleem. Aangekomen bij Delfi neemt een priester een intake af. Diezelfde persoon vertaalt vervolgens het gebrabbel van de pythia in begrijpelijke taal. Ook de lange reis terug kan door de goden zodanig zijn begeleid, dat de betrokkene bij thuiskomst geheel anders tegen zijn actualiteit aankijkt, dan toen hij vertrok.

     

    Wat je vervolgens schrijft achter “En:”: anderen hebben al lang ingezien dat het niet moeilijk is om “alle weldenkende mensen”, “God” of: “iets binnenin mijzelf” tijdelijk of blijvend, individueel of collectief af te splitsen:

    Anton Constandse: “God is de buiksprekerpop van de gelovige”. Of een ander: “God schiep de wereld in zes dagen. Op de achtste dag schiep de mens: God.”

    Leuk toch?


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    08-01-2009, 13:50 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    07-01-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Roos de Klerk-Swart schrijft op 16 december 2008:

     

    Alvorens op de overige stukken die ik kreeg in te gaan, even een korte reactie op Klaas' bijdrage over de waarschijnlijkheidsleer:

    Ik vind het een heldere gedachtegang, ik heb alleen wat vraagtekens bij het volgende: Klaas schrijft: "Als het gaat om het gedrag van anderen in groepen dan wordt het steeds moeilijker om invloed te hebben op dat wat anderen doen naarmate de groep groter wordt." Je veronderstelt, lijkt het, een lineair verband tussen de mate van controle die het individu heeft / kan hebben en de groepsgrootte.

    Ik denk dat dat niet altijd opgaat. Het zal afhangen van de rol die een individu in een groep heeft. Even een extreem voorbeeld: Wat te denken van een "volksmenner" die in een toespraak zijn duizend toehoorders perfect weet te bespelen, maar in een scherp  - individueel - interview volledig door de mand valt?

    En: als je doet wat je wilt doen, onttrek je je dan werkelijk even aan de wetmatigheden van het toeval, zoals je schrijft? Of kan er ook wel sprake zijn van een institutie of persoon die de macht over jou heeft jou te laten denken dat je doet wat je wilt doen? Ik denk bijvoorbeeld aan de jonge moslima die "uit vrije wil" gesluierd gaat. (Druk uitoefenen kan in alle gradaties tussen grofheid en subtiliteit).

    Tot zover, want ik zit al bijna bij het filosofische thema van de "vrije wil" en dat is niet de bedoeling, dacht ik.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    07-01-2009, 07:24 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Klaas Linker schrijft op 11 december 2008:


    De waarschijnlijkheidsleer is belangrijk in het wetenschappelijk denken. Zoals Roos al opmerkte is dat niet nieuw in de Psychologie. Niettemin ben ik nog eens wat gaan nadenken hoe naar mijn idee de relatie tussen waarschijnlijkheid en gedrag gezien kan worden. In het algemeen lijkt mij dat waarschijnlijkheid, toeval, betrekking heeft op de uitkomsten van processen. Aangenomen kan worden dat gedrag ook de uitkomst van een proces is. Een proces dat enerzijds wordt beïnvloed door factoren in de persoon, anderzijds door factoren in de situatie.
    Naar mijn idee spreken we van toeval als we geen controle hebben over de uitkomst van een proces. Als we wel kunnen bepalen, of weten, wat de uitkomst is, dan is er geen sprake meer van toeval. Dat zou dan betekenen dat er minder sprake is van toeval als het om het eigen gedrag gaat en meer als het gaat om het gedrag van anderen. Daarmee komt er iets subjectiefs in het concept waarschijnlijkheid. Ik kan de rol van het toeval in mijn leven terugdringen als ik controle heb over mijn gedrag en invloed heb op het gedrag van anderen, op de situaties waarin ik terecht kom. Als het gaat om het gedrag van anderen in groepen dan wordt het steeds moeilijker om invloed te hebben op dat wat die anderen doen naarmate de groep groter wordt. Dan zal ik dus steeds meer statisticus moeten worden.
    Mijzelf 'ken ik het beste', dus bij mijzelf heb ik de meeste controle over de processen die uiteindelijk in gedrag resulteren. Als ik doe dat wat ik ook wil doen, dan heb ik me even kunnen onttrekken aan 'de wetmatigheden van het toeval'. Het komt mij voor dat dit in een basale theorie voor de psychologie een belangrijke aanname is!


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    07-01-2009, 07:22 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.John schreef op 6 januari 2009:

     

    Ik parafraseer jouw commentaar op de bijdrage van Klaas, bij wijze van vingeroefening voor dit onderzoek.

     

    Ik lees het van Klaas geciteerde als: de individuele onzekerheid culmineert bij een groepsgebeuren zodanig, dat verwacht kan worden dat de groepsonzekerheid groter zal zijn dan de individuele.

    Dit lijkt me een juiste gedachtegang. In de groepsdynamiek wordt daar soms juist ten voordele gebruik van gemaakt. Ik denk aan psychodrama. Het is hier juist de feitelijke onbestuurbaarheid van een groepsgebeuren door een enkel individu die tot fascinerende situaties en inzichten kan leiden.

    De vraag rijst of onzekerheid steeds als geïsoleerde gebeurtenis bestaat of dat het individu of (sub-)groepen strategieën ontwikkelen om zich te handhaven. Overgeleverd blijven aan een toevalsproces zal waarschijnlijk tot tegenkrachten leiden die enerzijds als “coping mechanism” zijn op te vatten. Daarnaast kan het zijn dat deze tot ruis leiden in andere situaties of op andere tijdstippen, waardoor de winst daarvan sterk situatiegebonden of slechts tijdelijk geldig, kan blijken. Dat kan dan weliswaar voldoende zijn om het hoofd te bieden in die ene situatie. Minder ter zake doet dan soms het feit dat op een ander tijdstip en in een andere situatie dat gedrag juist schadelijk effect kan sorteren of tot ruis kan leiden, waardoor dan verwarring wordt geproduceerd.

     

    Dan jouw bewering over de “volksmenner” en diens geïnterviewd worden. Het is ons al lang bekend dat de voorspelbaarheid van gedrag zelden iets voorstelt, maar door velen volstrekt wordt overschat. Hoe minder men van gedrag afweet, hoe stelliger men soms met zekerheid een gedragsvoorspelling aandurft. Denk aan allerhande piskijkers, astrologen of Jomandoïde figuren: “ik krijg zojuist uit de andere wereld door, dat je binnenkort……”.

    De Assyriërs hadden naar ik meen de sterrenwichelaars als adviseur des konings, de Etrusken kenden de “haruspex”. Dat was iemand die uit de ingewanden van een geslacht dier veel kon aflezen. Ik heb de kift in: kon ik dat maar!

    Overigens begrijp ik na een reis naar het klassieke Griekenland dat de orakels die men in Delfi haalde, wel degelijk goede, persoonlijk relevante adviezen konden bevatten. Staar je namelijk niet blind op het feit dat het een hallucinerende priesteres was die – beïnvloed door zwavelhoudende aardgassen – wartaal uitsloeg. Voordat de reiziger in Delfi arriveerde, had hij een lange reis achter de rug. Met andere reisgenoten heeft hij dan al enige orde op zaken kunnen stellen ten aanzien van zijn probleem. Aangekomen bij Delfi neemt een priester een intake af. Diezelfde persoon vertaalt vervolgens het gebrabbel van de pythia in begrijpelijke taal. Ook de lange reis terug kan door de goden zodanig zijn begeleid, dat de betrokkene bij thuiskomst geheel anders tegen zijn actualiteit aankijkt, dan toen hij vertrok.

     

    Wat je vervolgens schrijft achter “En:”: anderen hebben al lang ingezien dat het niet moeilijk is om “alle weldenkende mensen”, “God” of: “iets binnenin mijzelf” tijdelijk of blijvend, individueel of collectief af te splitsen:

    Anton Constandse: “God is de buiksprekerpop van de gelovige”. Of een ander: “God schiep de wereld in zes dagen. Op de achtste dag schiep de mens: God.”

    Leuk toch?


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    07-01-2009, 00:00 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    22-12-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Het vorige bericht aan jou, Klaas, leverde na aflevering veel problemen op. Hoe is het immers mogelijk dat we geen deugdelijke omschrijving kunnen geven van gedrag, het studieobject van de psychologie?

     

    Dit leidde tot een terugblik op het eigen handelen binnen dit project. Ik vertrok destijds vanuit de poging om een standaardmodel voor de psychologie te ontwikkelen analoog aan een eenheidstheorie, waar immers in de natuurkunde aan wordt gewerkt. Dat we in de psychologie niet in staat zouden zijn om het werkveld af te bakenen, stemt bij zo’n hoge ambitie natuurlijk extra somber.

    Vervolgens poogde ik een paar natuurkundige begrippen te inoculeren in de psychologie. Denk bijvoorbeeld aan de permanente fluctuaties, een analogie met Heisenberg’s onzekerheidsrelaties.

    Dit alles leverde toch wat wringende beelden op. Dat bleek mij onder andere in de correspondentie met jullie. Er was geen “goodness of fit”, om dit begrip uit de statistiek maar eens te gebruiken.

     

    Het vastlopen in het bepalen van het begrip “gedrag” leidde tot het inzicht dat wij naar het paard zoeken, waar we nota bene bovenop zitten. Deze hele onderneming lijkt immers terug te voeren tot de kernvraag: “wat is gedrag?” We zijn juist bezig om deze lacune op te vullen.

    Zo stuit ik op een paar punten die weliswaar nog uitvoerig dienen te worden onderzocht, maar die een paar zoekrichtingen aanduiden:

    • Gedrag wordt beter beschreven door waarschijnlijkheden en kansschattingen, dan door pertinenties en vaststaande structuren. Dit heeft consequenties die mijns inziens voor het dagelijks functioneren nog onvoldoende zijn doordacht en in de psychotherapie nog vaste voet aan de grond dienen te krijgen, althans als expliciet principe. De relatie tussen gedrag, zelfbeleving en de mogelijkheid om gedrag te veranderen, dienen vanuit deze zienswijze waarschijnlijk nog nieuwe wegen in te slaan. Belangrijke vragen die hieruit voortkomen zijn: hoe gedragen mensen zich ten aanzien van waarschijnlijkheden in hun waarnemingen en overig gedrag? Het vormt vermoedelijk een centraal onderwerp in het sociale verkeer. De vraag rijst dan hoe die processen er uit zien. Misschien blijkt het van de orde van betekenis van het werk van Watzlawick, c.s. [1]. Daarnaast bestaat er mogelijk een “gereedschapskist” om gedrag te regulieren. We gaan uitzoeken in hoeverre korrelgrootte en het gebruiken van schaaltypen tot de gereedschappen horen. Het kan wel eens zijn dat het gebruik van de schalen zoals die door De Groot (1961) werden geformuleerd niet dezelfde zijn, die wij in ons gedrag gebruiken. Ook hier is nog veel uit te zoeken.

    Het begin van het spoor is gevonden. Waar ons dat naar zal leiden, zoeken we later uit.

     

    • Het symmetrieprincipe. Populair geformuleerd door Johan Cruyff ter illustratie: “ieder voordeel heeft zijn nadeel” en dat geldt ook omgekeerd. Het is een goed idee om eenzijdige en narcistische theorievorming te voorkomen. Het betekent dat het ontwikkelen van theorieën over pathologisch gedrag niet apart gehouden dienen te worden van visies op ander – waaronder ook gewenst – gedrag. In feite herhalen we daarmee wat psychologen lang geleden formuleerden over de relatie tussen gezond en ziek functioneren, bij het opbouwen van dit vak.

     

    Destijds formuleerde ik een paar axioma’s. Daaraan stel ik strenge eisen. Indien er een falsifiëring van een axioma bestaat of zelfs indien er twijfel rijst over diens bestaansrecht, dan verliest het deze status als axioma. Ik herzie de eerdere versie en stel voorlopig slechts twee axioma’s, juist omdat axioma 3 tot twijfel leidt:

    1. Het individu is altijd actief;
    2. het individu treedt voortdurend ordenend op. Daartoe behoren onder meer attributies. Dit is nieuw. Attributies lijken voor ons in toenemende mate belangrijk. We gaan dit nader uitzoeken. De eerder genoemde gestaltvorming is een ander aspect. We noemden eerder al de taal als ordenend gereedschap.

    Voorheen vermeldde ik als punt drie een paar van die principes. Als axioma laten we dit voorlopig vervallen en zoeken eerst uit, wat mensen doen. Dit blijkt namelijk minder ingevuld, dan ik aanvankelijk dacht. Dat komt doordat ik deze principes toen ontleende aan de natuurkunde en niet direct uit het gedrag zelf afleidde. Korrelgrootte, schaalprincipes, chaospatronen, fractals, complexiteiten en nonlineariteit kunnen hier alle toe behoren. Wie weet waar wij nog op stuiten!

     

    Dit betoog verloopt van een ambitieuze naar een zeer voor de hand liggende opgave aan ons zelf. Dat zie ik als een teken van vooruitgang: de vraagstelling neemt toe aan realiteitsgehalte en scherpte en de manier van denken wordt waarschijnlijk eenvoudiger. Dat werd eerder geformuleerd als een nodig aspect van deze (fenomenologische) methode. Die kant gaan we inderdaad op.

    Dank u zeer, heer Occam!



    1.      [1] Watzlawick, Paul & Janet Helmick Beavin & Don D. Jackson; 1967; pragmatics of human communication, a study of interactional patterns, pathologies, and paradoxes; Norton, N.Y.

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    22-12-2008, 10:30 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    16-12-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    De stand van zaken is deze:

    1. Roos en Klaas reageerden op een eerste opzet van wat ik voortaan gemakshalve “het artikel” of “rompartikel” zal noemen;
    2. Ik reageerde al op het stuk van Roos. Je vindt die reactie op de weblog;
    3. Nu ben ik bezig met het beantwoorden van Klaas’ bericht over waarschijnlijkheid;

     

    Voor de aansluitende toekomst:

    1. De beide commentaren en replieken worden verwerkt in het rompartikel;
    2. Als kortlopend doel zie ik de noodzaak om binnen onze onderzoekskring voor allen duidelijk te maken waar we mee bezig zijn en waartoe dat nuttig is. Open staat nog de vraag naar de meerwaarde van dit onderzoek, vergeleken met de bestaande stroom empirische onderzoeken. Die ideeën daarover vormen zich en worden binnenkort opgeschreven;
    3. de volgende stap zal zijn om gedetailleerd af te dalen naar specifieke onderwerpen. Daartoe is het nodig om alle aantekeningen waarover ik beschik – ondergebracht in een “journaal”, een soort dagboek over dit onderzoek – door te werken. Steeds zijn jullie uitgenodigd om commentaren op mijn teksten, tevens ook op die van elkaar te geven. Vanuit mijn rol als “eindredacteur” zet ik een lijn uit en plaats alle commentaren zoveel mogelijk binnen die context. Zolang dat mogelijk blijkt, beschikken we daarmee over één toets van wetenschappelijke validiteit, lijkt me.

     

    De actuele stand van zaken is dat zojuist een commentaar van Roos op de elektronische mat viel. Ik ben nu bezig aan punt 3.

     

    Het valt me op dat ik mijn eigen denkproces niet kan versnellen. Zodra ik namelijk haast krijg, trek ik een soort intellectueel “vacuüm”. Er lijkt kortom, een “rijpingsproces” te bestaan dat ik niet kan ad libitum kan opstuwen.

    Pas op: Het wordt leuk!


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    16-12-2008, 16:01 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.
    Rens v.d. Schoot schrijft op 16 december 2008:
    Ik probeerde vanochtend me door alle stukken heen te worstelen van jou Klaas en Roos. Het is me echter niet geheel duidelijk wat de rode draad nu precies is. Is er al wel een concrete rode draad? Welk probleem moet worden opgelost of welk punt wordt gemaakt? Ik zie nu namelijk de discussie alle kanten op gaan, maar misschien mis het gewoon. Zou je wellicht in 1 a 2 zinnen kunnen proberen te zeggen waar het stuk over gaat of wat het centrale thema is?

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    16-12-2008, 15:45 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    14-12-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Antwoord op het bericht van Klaas Linker van 3 december 2008:

    Ik kijk enigszins beteuterd naar jouw opmerking “ook de neurologische activiteiten integraal tot ons gedrag moeten worden gerekend”. Even werd het zwart voor mijn ogen, want: wat is eigenlijk gedrag?

    Ik spoedde mij naar de boekenkast en trok daar een paar kilo boeken uit. Dit onderwerp mag natuurlijk niet onduidelijk blijven, bij een onderzoek dat over gedrag gaat!

    We kunnen immers ook spreken over het gedrag van: elementaire deeltjes; de zuigers in een explosiemotor; de peristaltiek van de darmen of van: kaliumchloraat met suiker (= boem!).

     

    Op zo’n moment vlij ik mij aan de borst van de Dikke Van Dale:

    1.      de wijze waarop iemand zich gedraagt, zijn handel en wandel, zijn wijze van doen, optreden en reageren;

    2.      de wijze waarop een stof of voorwerp reageert op bepaalde uitwendige omstandigheden en de veranderingen daarin.

     

    Collin’s English Dictionary stelt speciaal als psychologisch begrip:

    1.      manner of behaving or conducting oneself

    2.      (psychol):

    a.      the aggregate of all the responses made by an organism in any situation

    b.      a specific response of an organism to a specific stimulus or group of stimuli;

    3.      the action, reaction or functioning of a system……

     

    The American Heritage Science Dictionary geeft bij dit lemma:

    1.      the actions displayed by an organism in response to its environment;

    2.      one of these actions. …

    3.      the manner in which a physical system, such as a gas, subatomic particle, or ecosystem, acts or functions, especially under specified conditions.

     

    The Penguin Dictionary Psychology gaat zeer uitvoerig op dit onderwerp in. Voor ons doel lijken mij het volgende citaat uit een langere tekst van belang:

    There has been a long (and agonizing) tradition of attempting to put some set of coherent limits on the boundaries of denotation of this term. Doubtless, much of this drives from a well-meant but basically hopeless attempt to define psychology as ‘the science of behaviour’, a definitional gesture that has resulted in a fascinating kind of futility. The problem has been that as the range of phenomena included within the domain of psychology has increased there has been a need to expand the boundaries of can be legitimately called ‘behaviour’.

     

    Ik verschuil mij achter de brede rug van de Penguin en concludeer: alle gedrag staat ter discussie en is in principe toegankelijk voor onderzoek. Maar vraag nooit meer wat gedrag is!

    Ik heb het gevoel dat hier een illustratie plaats vindt van iets dat uit mijn theorie voortkomt, maar ik kan het niet vinden. De ervaring leert: broeden helpt! Plots breekt er dan een gezwel vol leuke invallen open. U hoort nog van mij!

     

    Over de snaartheorie heb ik in het antwoord aan Roos al iets gezegd. Voor ons is van belang dat we soms van een ogenschijnlijk puntverschijnsel een samenballing van uiteengaande vectoren maken. Zie dat eventueel als meerdere dimensies. Dat is namelijk de gelijkenis met de snaartheorie. Over dat onderwerp – in de psychologie, niet in de natuurkunde – ga ik nog uitvoerig schrijven, want daar ligt misschien een schat begraven.

     

    Jouw voorstel om de natuurkunde eens vanuit inzichten uit de psychologie te beschouwen, intrigeert me in hoge mate. Tijdens mijn kennismaking met dat vak hield me dat ook bezig en prikkelt zeker tot fantasieën. Het gaat dan vooral over de wijze waarop er zich theorieën vormen over natuurkundige onderwerpen. Daar is - zeker tegenwoordig - het één en ander aan de hand. Die theorieën nemen zo’n enorme vlucht dat sommigen zich afvragen of men nog met natuurkunde bezig is, of dat er een soort metafysica ontspruit die het verband met het oorspronkelijke substraat – immers de natuurkundige realiteit – volledig kwijt is. Ik beschik niet over een ingang om hier op verder te gaan en deze schoenmaker houd zich voorlopig graag bij zijn leest: de psychologie. Daar snap ik toch al zo weinig van.

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    14-12-2008, 00:00 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    13-12-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Klaas Linker schreef op 11 december 2008:

    De waarschijnlijkheidsleer is belangrijk in het wetenschappelijk denken. Zoals Roos al opmerkte is dat niet nieuw in de Psychologie. Niettemin ben ik nog eens wat gaan nadenken hoe naar mijn idee de relatie tussen waarschijnlijkheid en gedrag gezien kan worden. In het algemeen lijkt mij dat waarschijnlijkheid, toeval, betrekking heeft op de uitkomsten van processen. Aangenomen kan worden dat gedrag ook de uitkomst van een proces is. Een proces dat enerzijds wordt beïnvloed door factoren in de persoon, anderzijds door factoren in de situatie.
    Naar mijn idee spreken we van toeval als we geen controle hebben over de uitkomst van een proces. Als we wel kunnen bepalen, of weten, wat de uitkomst is, dan is er geen sprake meer van toeval. Dat zou dan betekenen dat er minder sprake is van toeval als het om het eigen gedrag gaat en meer als het gaat om het gedrag van anderen. Daarmee komt er iets subjectiefs in het concept waarschijnlijkheid. Ik kan de rol van het toeval in mijn leven terugdringen als ik controle heb over mijn gedrag en invloed heb op het gedrag van anderen, op de situaties waarin ik terecht kom. Als het gaat om het gedrag van anderen in groepen dan wordt het steeds moeilijker om invloed te hebben op dat wat die anderen doen naarmate de groep groter wordt. Dan zal ik dus steeds meer statisticus moeten worden.
    Mijzelf 'ken ik het beste', dus bij mijzelf heb ik de meeste controle over de processen die uiteindelijk in gedrag resulteren. Als ik doe dat wat ik ook wil doen, dan heb ik me even kunnen onttrekken aan 'de wetmatigheden van het toeval'. Het komt mij voor dat dit in een basale theorie voor de psychologie een belangrijke aanname is!


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    13-12-2008, 10:12 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    12-12-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    bericht van Klaas Linker, van 3 december 2008:

    Na lezing kwamen er een aantal punten bij mij naar boven waar ik nog vraagtekens bij zou willen plaatsen.
    Het eerste punt dat in mijn denkwereld nogal fundamenteel is heeft weer te maken met het concept gedrag. Bij het derde thema staat: "Daar gedrag een eindproduct lijkt van een gigantisch conglomeraat aan neuropsychologische activiteiten, . . ." Tot nu toe ben ik er altijd van uitgegaan dat ook de neurologische activiteiten integraal tot ons gedrag moeten worden gerekend. Het komt mij voor dat dit een punt is, dat nogal consequenties heeft voor een gedachtewisseling over de grondslag van niet alleen de psychologie, maar ook voor de wetenschapsbeoefening in het algemeen.
    In hoeverre een en ander met de snaartheorie heeft te maken zie ik niet zo. Trouwens ik vraag mij nu ook af of het wel zo voor de hand ligt om de natuurkunde als inspiratiebron te nemen. Een onderbouwing daarvan lijkt mij in elk geval toch wel wenselijk. Er lijken mij namelijk ook wel argumenten te zijn om de natuurkunde eens vanuit inzichten uit de psychologie te gaan beschouwen. Een natuurkundige theorie is tenslotte een 'denkbeeld' over iets uit 'de werkelijkheid'. Denkbeelden komen nu eenmaal voort uit 'neurologische activiteiten'.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    12-12-2008, 00:00 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    11-12-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Commentaar op de inbreng van Roos van 26 november 2008. Je richt je op de huidige versie van het overzichtsartikel.

     

     

    Om de portee van deze onderneming samen te vatten lijkt me het volgende van belang.

    We gaan uit van de ruwe grondstof: gedrag zoals dat in alle schakeringen en ogenschijnlijk ordeloze opeenvolgingen aan ons geestesoog voorbij trekt. Alleen het “beschouwen” op zichzelf levert geen bruikbaar resultaat op. Er dient een methode te worden gebruikt die aan criteria van wetenschappelijkheid voldoet. Ook moet de weg van ruw materiaal naar hypothese, steeds terug te vinden zijn. Om die reden besteden we aandacht aan de methodologie. Deze methode zal pas dan interessante resultaten opleveren, indien er – beoordeeld volgens verschillende schalen – op meerdere niveaus consistentie wordt bereikt. Hinderend is op dit moment dat schaalproblematiek juist een onderdeel uitmaakt van de bevindingen van dit onderzoek. We moeten dus extra waakzaam zijn tegen het aanwijzen van verkeerde oorzaken en gevolgen en andere mogelijk fictieve verbanden.

    Het onderzoeksveld bestaat uit (menselijk) gedrag en de beschrijvingen dienen dit domein adequaat weer te geven. De verdere bewerking van deze grondstof – de “fenomenen” – is niet aan de grenzen van dit domein gebonden en laat alle ruimte om daar buiten te treden. Anders bestaat namelijk het risico dat we in de “metafysica” van de jaren vijftig van de vorige eeuw verzeild raken. Deze diepzinnigheden lachen mij geenszins toe.

     

    Als één inspiratiebron gebruik ik een paar ideeën die ontleend worden aan de natuurkunde, om orde aan te brengen in die schijnbare ordeloze verzameling losse gebeurtenissen. Nonlineariteit, complexiteit en schaalgrootte zijn een paar onderwerpen uit die wetenschap.

    Daarnaast wordt voortdurend gekeken of de bereikte resultaten stroken met wat vooral de psychologie aan visies oplevert. Aldus werken we dan aan een consistent corpus van inzichten dat de afzonderlijke fenomenen overstijgt en aansluiting vindt bij wat de wetenschap al eerder voortbracht.

     

    Iets over de snaartheorie: deze theorie is binnen de natuurkunde omstreden. Van empirische verificatie zou geen sprake zijn. Wel zou een charme van deze theorie zijn, dat de relativiteitstheorie en de quantumfysica beide zijn onder te brengen in deze supertheorie. Er zijn voorstanders van deze visie, waaronder Robbert Dijkgraaf, mathematisch fysicus. Daartegenover bevinden zich theoretici die dit “puur wiskunde, maar geen natuurkunde[1]” vinden. Het heeft voor ons geen zin om daar in te duiken. Wel lijkt het me belangrijk om daaraan een principe te ontlenen, dat misschien bruikbaar is voor ons eigen onderwerp. Beschouw het als een voor de psychologie toevallige inspiratiebron. Over dat principe zullen we het nog hebben.

     

    Het lijkt mogelijk om evenveel werelden te veronderstellen, als er individuen zijn, schrijf je. Minder prettig is de gedachte dat er evenveel wetenschappelijke visies als individuen zouden bestaan. Dat zou immers afbreuk doen aan de eerder uitgesproken verwachting van de wetenschap dat dit een belangrijk gemeenschappelijk aspect omvat. Wij dienen ons in te zetten om te voorkomen dat zich dit voltrekt. Ik denk dat dat lukt.

     

    Je citeert:

    "Daar gedrag een eindproduct lijkt van een gigantisch conglomeraat aan neuropsychologische activiteiten . . ."

    en stelt dat dit consequenties heeft voor een gedachtewisseling over de grondslag, zelfs voor de wetenschapsbeoefening in het algemeen.

     

    Zo zie ik dat ook, Roos. Het betekent: afscheid nemen van ideeën die de indruk wekken dat we het over entiteiten hebben die een ondeelbare eenheid vormen, met een eenduidige structuur die in de tijd constant blijft. Hoogstens kunnen we (misschien?) stellen dat de buitengrenzen zijn af te bakenen. Wat tot het functioneren van een individu behoort en wat niet, vormt mogelijk zo’n buitengrens. Dat daarbinnen sprake is van een eenheid lijkt mijns inziens moeilijk vol te houden. Als verklarend substraat kan verwezen worden naar de neuropsychologie. Daar kan sprake zijn van onderlinge samenwerking, maar soms ook van tegenwerking van functioneel verschillende hersengebieden.

    Dat het zinvol kan blijken om de eenheidsidee op dit gebied open te breken blijke onder meer uit de schommelingen in het functioneren van mensen. Dit wordt duidelijk in de voortdurend wijzigende functie die fenomenen in wisselende contexten vervullen, leidend tot steeds andere implicaties. Dit wijst veeleer op diversiteit, instabiliteit en dynamiek, in plaats van rust en stabiliteit. Let eens op de wijze waarop discussies verlopen over onderwerpen met een gepretendeerde wetenschappelijke inhoud.

    Als voorbeeld een vergelijking met het somatisch functioneren bij het sporten. Hier is het besef van schommelingen in het functioneren immers volkomen aanvaard. Denk aan uitspraken van topsporters: “ik had vandaag mijn dag niet” of andersom: “het ging vandaag gemakkelijker dan gisteren”.

     

    Het lijkt me juist, om van een verschuiving in het beeld van het individueel functioneren te spreken. Doordat we nu meer weten dan vroeger, dienen we dienovereenkomstig onze beelden hieromtrent bij te stellen. Dat die beelden zich verwijderen van wat de man-in-de-straat vind, acht ik een teken van vooruitgang. Die theorieën deugen slechts in geringe mate en zullen in het algemeen bezien, dichtbij de 50/50 % trefkans liggen. Voor een individu, groep of binnen een bepaalde cultuur kan die trefkans natuurlijk hoger zijn, waardoor zo’n visie een grotere geldigheid kan bezitten. Bij het beoordelen van die trefkans dient de tijd- en grootte-schaal waarop beoordeeld wordt, te worden meegewogen.

    Wij streven naar visies – meestal geformuleerd in de vorm van hypotheses - die boven allerhande afzonderlijke fluctuaties in de gedachtevorming uitkomen. De uiteindelijke toetsing van onze hypotheses berust bij de empirische psychologie.

    Open staat de verplichting aan ons om te laten zien dat deze benadering tot boeiende veronderstellingen en een interessant mensbeeld leidt.

     

    Over jouw opmerking over de waarschijnlijkheidsleer:

    Je kent deze uit de wetenschapstheorie. De Groot en anderen die zich bezighouden met dit onderwerp, bouwen aan een methodologie en beantwoorden de vraag hoe je gegevens zo kunt verwerken, dat de uitkomsten aan standaarden van wetenschappelijkheid voldoen.

     

    Wij richten ons niet daarop. De waarschijnlijkheidsleer wordt hier gebruikt om aan het alledaags gedragsmatig functioneren een werkbare theorie mee te geven. Om alvast een blik vooruit te werpen, stel ik een paar vermoedens:

    -         mensen neigen naar het verwerken van informatie in een te hoog schaaltype. Voordeel: dat maakt veel conclusies mogelijk, leidend tot diepzinnige inzichten. Nadeel: juist daardoor wordt ruis geproduceerd die tot verwarring, pathologie en allerhande “geloven” leidt. Vaak zal de winst op de korte termijn gelden, terwijl op langere termijn deze vorm van intellectuele milieuvervuiling zichtbaar wordt;

    -         er lijkt aan de arme kant van het schaalcontinuüm – dus: aan de nominale kant - een schaal te bestaan, die in de natuurkunde als “scalair” bekend is. Men kent hem in het dagelijks functioneren gewoonlijk niet en weet er dientengevolge evenmin adequaat mee om te gaan. Tegelijkertijd heb ik het gevoel dat die schaal in ons bestaan werkzaam is. Dat leidt tot zinloze “waarom”-vragen en andere verwarringen.

     

    Jouw opmerking over de waarschijnlijkheidstheorie is nog niet ten volle te beantwoorden. Open staat namelijk de vraag, in hoeverre het zinvol is om buiten de huidige paden van de psychologie te treden en terug te keren naar de oorspronkelijke bron van inspiratie.

    Indien we uitkomen bij dat wat al lang bekend is en uitsluitend reeds lang betreden paden aanzien voor “nieuwe wegen”, dan weten we zeker dat dit geen zin heeft.

    Voorlopig laat ik me leiden door het vermoeden dat deze bron tot interessante doorkijkjes en hypotheses zal leiden. Ik geef toe dat het in dit stadium ontbreekt aan stevige argumenten. Die komen. Of niet. Dat gaan we nog meemaken!

     

     



    [1] Bijvoorbeeld: Jo van de Brand, hoogleraar natuurkunde, VU;


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    11-12-2008, 00:00 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    02-12-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

     

     

     

    Commentaar van Roos op het stuk van John (“Beginnetje” d.d. 26-11-’08)

     

    Bij de eerste zin:

    Ik heb enige moeite mij het begrip ‘wetenschap’ voor te stellen als ‘een persoonlijke instelling van de onderzoeker’.  Gelet op wat je aan het eind van het stuk schrijft, nl. “…dat er evenveel ‘werelden’ als individuen (…zouden kunnen) bestaan” zou dit impliceren, dat er evenveel wetenschappen als onderzoekers kunnen bestaan. Een interessante gedachte, maar één die mij persoonlijk wat te ver gaat!

     

    Bij punt 1, over de waarschijnlijkheidsleer:

    Ik denk dat er t.z.t. een onderscheid gemaakt moet worden tussen wetenschappelijk psychologisch onderzoek, dat al heel lang gebruikt maakt van waarschijnlijkheidsleer / statistiek enerzijds, en de waarschijnlijkheidsleer en de onzekerheidsrelaties als jouw inspiratiebron voor verklaring van menselijk gedrag (want daar gaat het je toch om?).

     

    Bij de snaartheorie kan ik mij weinig voorstellen, ik vind het erg abstract. Ik denk dat dit nog uitgebreid toegelicht en uitgewerkt moet worden.

     

    Wat betreft ‘onderlinge uitwisselbaarheid van wetenschappelijke kennis’en ‘solipsisme’:

    Er bestaan vast evenveel ‘werelden’ als individuen! De kwestie is: hoe ga je daar verder in je theorie mee om? De nadruk zou kunnen liggen op de overeenkomsten, de onderlinge verschillen en/of de relaties tussen die werelden.

     

    Roos de Klerk

    02-12-‘08

     

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    02-12-2008, 00:00 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    29-11-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Inleiding

     

    Wetenschap vatten wij op als een persoonlijke instelling van de onderzoeker en als een corpus van sociaal toegankelijke inzichten en onderzoeksresultaten. Wij willen weten en zoeken naar een systematische aanpak. Essentieel daarbij is dat onze bevindingen en veronderstellingen uitwisselbaar zijn tussen personen. Een individuele inval kan goud waard zijn, mits deze nader bewerkt wordt tot een openbaar toegankelijke entiteit. Door wetenschap aldus op te vatten vormt zaakgerichte kritiek tussen personen een vast onderdeel van het wetenschappelijk denken. De Groot (methodologie, 1961) spreekt hier van het wetenschappelijk forum.

     

    In de aanloop van dit project fungeert de natuurkunde als een belangrijke inspiratiebron. De volgende thema’s lijken voor de psychologie interessante mogelijkheden te bieden om te bezien of dezelfde thema’s – uiteraard op analogieniveau, niet als identieke processen – een rol spelen:

    1. In de quantummechanica speelt de waarschijnlijkheidsleer een belangrijke rol. Tot en met de relativiteitstheorie werden statistische schattingen als een testimonium paupertatis beschouwd, waar de natuurkunde geen boodschap aan hoort te hebben;

     

    1. de onzekerheidsrelaties van Heisenberg intrigeren voor de psychologie, als alternatief voor de veelal verbaal georiënteerde filosofieën over gedrag die met verabsoluteerde en afgeronde begrippen werken. Voor de psychologie geldt dat dit principe eigenlijk voortvloeit uit punt 1. In de waarneming en de cognities zien we dit principe terug.

     

    1. de snaartheorie hypothetiseert punten tot verzamelingen van dimensies op kleine schaal. Daar gedrag een eindproduct is van een gigantisch conglomeraat aan neuropsychologische activiteiten, lijkt dit een bruikbare gedachte. We komen dit onderwerp vooral in de tijdbeleving en in de communicatie tussen mensen tegen als schaalproblematiek.

     

    1. vergelijking van de maten uit de astronomie met die van de deeltjesfysica leidt tot schaalproblemen. Ook dit lijkt een interessant thema om te bezien in hoeverre we daar voor het gedrag iets aan hebben.

     

    Methode van onderzoek

     

    Dit onderzoek vertrekt vanuit de dagelijks ervaringen van individuen en richt zich op het structureren daarvan. In zoverre er louter beschrijving plaats vindt, gaat het om de fenomenologische methode. De bevindingen worden zoveel mogelijk ondergebracht in hypothetische theorieën en naar vermogen getoetst aan het corpus van de bestaande wetenschappelijke inzichten en daar semantisch en inhoudelijk mee verbonden. Ook vindt voor-empirische verificatie plaats door binnen het corpus van verzamelde indrukken zelf, te zoeken naar versterking of verzwakking van de door ons gestelde hypothese.

     

    Daar deze methode zoveel mogelijk vertrekt vanuit directe waarnemingen van individuen, bestaat de kans dat dit psychotherapeutisch nuttige ideeën oplevert. Dat is niet het hoofddoel, maar levert hopelijk wel een interessante bijvangst.

     

    Dit is een exploratie van eigen en andermans gedrag en dient derhalve voorin de empirische cyclus te worden gesitueerd, zoals Adriaan de Groot (1961) die formuleerde. De resultaten van dit onderzoek betreffen vermoedens, veronderstellingen en hypotheses.

    Voor empirische toetsing zal men meer systematisch gecontroleerd vervolgonderzoek moeten verrichten, met andere methoden. Dat valt buiten onze huidige opzet.

     

    Om opsluiting binnen dit domein van direct waarneembaar gedrag te voorkomen dient uitdrukkelijk gesteld dat de hypothesevorming niet uitsluitend wordt gevormd uit het materiaal dat zich binnen dit domein bevindt. Er wordt tevens gebruik gemaakt van het corpus aan bestaande inzichten op uiteenlopende gebieden van de psychologie, biologie en andere wetenschappen.

     

    Aanleiding voor dit onderzoek

     

    Geïnspireerd door de natuurkunde realiseerden wij ons, dat er in de psychologie niet zo iets bestaat als een “standaardmodel”. Dat vormde destijds de directe aanleiding om een onderzoek naar de psychologische concepten te starten.

    De huidige ontwikkeling ligt niet in lijn met deze startmotivatie. Het is nu veeleer een open exploratie, waarvan de uiteindelijke contouren nog niet zichtbaar zijn. Waar dit toe zal leiden valt op dit moment niet te voorspellen. Dank zij Skinneriaanse conditionering wordt de binding aan dit project in stand gehouden.

     

    Daar wij vertrekken vanuit individuele waarnemingen, bestaat de mogelijkheid dat er een soort “multiversum” ontstaat, analoog aan de kosmologie. Daarmee bedoelen we dat het mogelijk is dat zich een theorie aftekent die kan bestaan naast andere theorieën. We zouden het dan hebben over een “wereld” die bestaat als één element uit een verzameling van ongeteld veel mogelijke werelden. De verbindende schakel tussen de uiteenlopende mogelijkheden wordt dan mogelijk gevormd door de veronderstelling dat er evenveel “werelden”  als er individuen bestaan.

    Dit zou een onwenselijke ontwikkeling zijn, daar dit immers afbreuk doet aan hetgeen er in de inleiding gesteld werd over de onderlinge uitwisselbaarheid van wetenschappelijke kennis. We zouden dan uitkomen bij een solipsisme waar - althans op dit moment – aversie tegen bestaat.

    Zover is het gelukkig niet.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    29-11-2008, 00:00 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    09-11-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Roos de Klerk-Swart schreef:

     

    Alvast even een korte reactie op Klaas' opmerking over "gedrag":

    Ik denk dat de meest gangbare en in de psychologie gehanteerde definitie neerkomt op: "alle activiteit van het individu". Dus niet alleen waarneembaar (ik zou in het kader van de discussie bijna zeggen: 'stoffelijk' ) gedrag, maar ook: zien, denken, fantaseren, dromen. Voor mij heeft "daad" de connotatie van: doelbewust en waarneembaar gedrag en is het beperkter dan wat onder gedrag als boven aangegeven staat.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    09-11-2008, 11:27 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    26-08-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Klaas Linker schreef:

    Het beeld van de werkelijkheid volgens Nicolai Hartmann

     

    Het komt mij voor dat bij Hartmann een filosofische onderbouwing kan worden gevonden voor jouw streven om belangrijke inzichten van de natuurkunde ook in de psychologie te introduceren. Hierbij denk ik dan aan wat Störig schrijft op blz. 619 e.v.

    Zoals ik het begrijp geeft Hartmann, vanuit een wetenschappelijke zienswijze, een beschrijving van hoe de werkelijkheid is opgebouwd. Hij gaat daarbij uit van enkele vooronderstellingen.

    -         De werkelijkheid moet niet verward worden met stoffelijkheid. Bijvoorbeeld historische gebeurtenissen zijn niet stoffelijk, maar wel zeer werkelijk.

    -         De werkelijkheid is dynamisch, een voortdurend worden.

    -         In diepste wezen is de werkelijkheid onkenbaar, wij kunnen de werkelijkheid slechts benaderen.

    -         Objecten van onderzoek kunnen bestaan in verschillende niveaus in het zijn van de werkelijkheid.

     

    Hij onderscheidt vervolgens vier niveaus of lagen in het zijn van de werkelijkheid. De eerste laag is de laag van het stoffelijke zijn, het materiële. De tweede laag die van de levende materie, de biologie. Deze beide lagen zijn het domein van de ruimtelijke buitenwereld. De derde en vierde laag zijn vervolgens de laag van de psychische verschijnselen en de laag van de geestelijke, de culturele verschijnselen. De mens als verschijningsvorm bevindt zich in de werkelijkheid van elk de vier zijnslagen, terwijl een steen bijvoorbeeld zich alleen in de materiële zijnslaag bevindt. Wetmatigheden van een bepaalde zijnslaag werken door in de wetmatigheden van daar bovenliggende zijnslagen. Zo kunnen wij bijvoorbeeld maar op een heel beperkt aantal onderwerpen (één, hooguit twee?) onze aandacht geconcentreerd houden. Dit zien we terugkomen in de zijnslaag van het culturele, er zijn maar een heel beperkt aantal onderwerpen (één, hooguit twee?) die tegelijkertijd in het brandpunt van het nieuws staan. Deze doorwerking van wetmatigheden gaat steeds vanuit een onderliggende laag naar een daarboven liggende laag, niet andersom. In deze zienswijze is het vanzelfsprekend dat de wetmatigheden van de materiële werkelijkheid zich ook, eventueel in getransformeerde vorm, zullen manifesteren in de werkelijkheid van de psychische zijnslaag.

    Jouw streven om te onderzoeken hoe de wetmatigheden van de kwantummechanica zich manifesteren in de psychologie, lijkt mij vanuit het gedachtegoed van Hartmann te worden ondersteund. Wel zal je ervoor moeten blijven waken, dat niet de indruk ontstaat dat jij de natuurkunde gelijkstelt aan de psychologie, het moeten onderzoeksgebieden blijven die vanuit te onderscheiden zijnslagen worden benaderd. Dit zal denk ik betekenen dat er ten opzichte van de natuurkunde “iets” in de psychologie bij is gekomen; een natuurkundige wetmatigheid wordt “rijker” in de psychologie. Wat dat “iets” dan is zul je ook duidelijk moeten kunnen maken.

     

    Franeker, 24-8-2008


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    26-08-2008, 16:19 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    24-08-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    24 augustus 2008.

     

    Dag Roos,

     

    Hartelijk dank voor je bericht van 17 augustus 2008 (zie blog: 18-8).

    Jouw brief sluit naar mijn indruk enigszins aan bij wat Klaas Linker al eerder schreef. Toen drong nog niet zo goed bij mij door, wat hier aan de hand is. Jouw brief bracht het raderwerk ten volle op gang en geeft wat mij betreft aanleiding tot het wijzigen van het vertrekpunt van deze onderneming. Ik stel de volgende herziening aan jullie voor.

     

    Tot nu was het streven er op gericht de natuurkunde te gebruiken als inspiratiebron voor het ontwerpen van een standaardmodel voor de psychologie. Als vertrekpunt vond ik dat toen een nuttig uitgangspunt.

    Ik zag toen over het hoofd, dat ik daarmee onvoldoende aanlandde in de psychologie en daarmee op enige afstand van mijn vakgenoten voortboerde. Terwijl ik er van overtuigd raak dat dit project juist vraagt om een vloeiend contact met allen die geïnteresseerd zijn in dit onderwerp. Om daarin verbetering aan te brengen, lijkt het goed om de natuurkunde iets naar de achtergrond te verplaatsen. Niet iedereen zal zich immers door die wetenschap aangesproken voelen en misschien het idee hebben dat het een corpus alienum betreft, waar gedrag als onderzoeksobject ver vanaf staat.

     

    Ik kom dan op een herformulering van de opdracht aan onszelf, namelijk:

     

    “WAT WETEN WIJ VAN GEDRAG”?

     

    Ik zoek naar een innerlijk consistente theorie die al onze ervaringen op dit gebied, in zich verenigt. Deze theorie dient aan harde methodologische criteria te voldoen en niet louter als een heuristiek te fungeren of slechts locale geldigheid te bezitten. Met inachtname van deze beperking ligt er een wereld voor ons open om te experimenteren!

     

    Het bovenstaande kent uiteraard een alternatief: we kunnen immers ook louter anekdotes verzamelen of ons uitspreken voor a priori standpunten of visies op de mens. Wat mij aanvankelijk boeide in de Utrechtse School van destijds, zie ik nu als een onaanvaardbare tekortkoming. Men sprak toen van “wijsgerig-anthropologische” visies. Ik zag daar uiteindelijk weinig bruikbaars uit voortkomen. Het betekent dat je aldus de loop van het onderzoek vooraf beperkt in de mogelijke uitkomsten. Wetenschap kan zich niet laten voorprogrammeren. Wie dat doet komt in dat geval zijn eigen vooringenomenheden tegen en sluit nieuwe zienswijzen daardoor op voorhand uit. Bovendien sluit dat niet aan bij mijn waarneming dat het niet-begrepen gedeelte van mijn wereld met het groeien der jaren sneller in omvang groeide, dan het gedeelte van de wereld dat ik wel begrijp. Ik maak me sterk dat ik niet de enige op de wereld ben die tot dit inzicht is gekomen!?

     

    Ik zoek naar een goede theorie en verwacht daarvan dat die ook praktische betekenis heeft. Dit geloof komt ongetwijfeld voort uit mijn verbondenheid met de Verlichting. Ook zien we dat theorieën over de wijze waarop ons leven verloopt – in de psychotherapie “cognities” genoemd – mensen kunnen helpen om adequater te functioneren.

     

    Ik hoop dat voor onszelf nu veel barrières wegvallen, door het doel van deze onderneming te herformuleren. Hopelijk is daarmee de weg vrij om hier een eigen “laboratorium” in te richten en vrijelijk te experimenteren. Want er is veel werk te doen!

     

    Ik ben zeer benieuwd naar jullie reacties hierop.

     

    Mijn commentaar op jouw brief, Roos:

     

    • over het individueel-psychologische uitgangspunt. Het gaat niet om uitsluiten, wel om het uitbreiden van het repertoire aan visies. Daarmee geef ik je gelijk. Begrippen als motivatie en intentionaliteit blijven inderdaad noodzakelijk, ook omdat het gaat om het communiceren met individuen. Zij vormen immers de kleinste zich gedragende eenheid. 
    • Wat Harry Sullivan betreft gaat het mij eigenlijk alleen om zijn opmerking over het individu als “verzameling toevalligheden”. Dit past bij het uitgangspunt om de sociaalpsychologie als eerste oriëntatie te kiezen. Binnen het individuele domein heeft het inderdaad een functie. Daarnaast lijkt “individu” mij een overgewaardeerd begrip, dat andere aspecten van het gedragsmatig functioneren van mensen onderbelicht laat. Ik zie de sociaalpsychologische benadering als nuttige uitbreiding en als mogelijkheid om de overwaardering effectief te relativeren. waarschijnljik heeft deze veronderstelde vertekening van de realiteit een schadelijke kant. Die komen we vast nog wel tegen.
    • Terecht stel je dat “afzetten tegen” een risico impliceert. Zie het als een beginnersfout. Met het herformuleren van het oorspronkelijke uitgangspunt hoop ik aan dit bezwaar tegemoet te komen.
    • Van “continuüm” is alleen sprake bij een glijdende schaal. Ik denk niet dat dat hier het geval is. Ik geef de voorkeur aan de laagst mogelijke statistische schaal: indien mogelijk: de nominale schaal. Daar is sprake van scalairen, afzonderlijke gegevens die niet onderling te ordenen zijn, afgezien van hun scalaire waarde zelf.
    • Het begrip “toeval” hanteer ik niet als een verklarend begrip op zichzelf. In dat opzicht deel ik jouw visie dat dit een onwerkbaar begrip is. Wel poogt het stellingen te neutraliseren waarin een relatie of een causaal verband wordt aangeduid. Die ontkennende functie legitimeert mijns inziens het gebruik van dit begrip.
    • Je schrijft:

    In je voorbeelden denk ik te zien, dat je het eigenlijk over factoren van buitenaf (stimuli) hebt, waar je meent met grensoverschrijdende activiteiten van het individu zelf te maken te hebben. Jouw overleg met de overleden leraar Duits is m.i. gedrag dat zich in het hier en nu afspeelt, geïnspireerd door het contact dat je met hem had toen hij nog leefde (stimulus/-i plus herinnering). Dit gedrag vindt plaats binnen de individu John Horowitz, in het hier en nu (als je nu met hem zou overleggen). 

    Dit ben ik zonder voorbehoud met je eens. Ik noem dit voorbeeld om aan te geven dat de grenzen van gedrag de tijd, persoon, ruimte en tijd zijn overstijgen. Als jij spreekt over het hier-en-nu wijs je op de klokketijd, de strikt eigen identiteit - aangegeven met de twee voeten waarmee je op de aarde staat - en op de ruimtelijke feitelijkheid. De variabiliteit hiervan – denk bijvoorbeeld aan Henri Bergson’s “temps dure” – houdt me al lange tijd bezig. Deze fluïditeit vormt één belangrijke mogelijkheid om onze cognitieve grenzen te verleggen. Tegelijkertijd denk ik dat dit tevens een bron voor veel verwarring, mogelijk uitmondend in pathologie, tot gevolg heeft. Je ziet hier het symmetrieprincipe in actie. Daar schreef ik eerder al iets over.

     

    • Jouw vraag naar de betekenis van het begrip “ondeugdelijkheid” van cognities weet ik in dit stadium niet goed te beantwoorden. Daar komen we zeker gedetailleerder aan toe. Maar trouw aan het voorstel om volledig in te zetten op het ontwikkelen van een psychologische theorie zal dit ons zeker ook naar kentheoretische onderwerpen voeren. Dit onderwerp behoort daar immers toe.  
    • over het gebruik van woorden zoals die in het woordenboek voorkomen, het volgende. Zeker hebben die hun functie in het onderling afbakenen van begrippen, bijvoorbeeld om eigen cognities te socialiseren tot gemeenschappelijk aanvaarde begrippen. Ik stel dit aspect echter op de tweede plaats, omdat ik voorrang wil geven aan het gedrag zoals zich dat continu voltrekt. Geformaliseerd gebruik van begrippen is wel degelijk nuttig, maar ik neig er toe daaraan een minder prominente plaats toe te kennen dan vaak gedaan wordt. Door het accent te verleggen naar de niet geformaliseerde gedragsstroom ga je gedrag volgens mij anders zien. Ik trek me dat aan en zal zoveel mogelijk proberen duidelijk te maken dat het verleggen van dit accent in de waarneming tot interessante inzichten leidt.  
    • je geeft een waardevolle aanvulling op het thema: “intuïtief statisticus”. Dit is een onderwerp dat meer en meer invulbaar wordt. Er is nog veel te doen!

     

     Van harte gegroet,

    John.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    24-08-2008, 00:00 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    18-08-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Roos de Klerk-Swart schrijft:

    Dit is een reactie op het stuk van John, dd. 9 augustus, bijgewerkt op 13 augustus 2008.

     

    Ik denk toch dat het individueel-psychologische uitgangspunt onmisbaar zal blijken te zijn. Als je een theorie over menselijk gedrag wilt formuleren, kun je m.i. niet heen om begrippen als motivatie en intentionaliteit. Maar dat zal moeten blijken (of niet).

     

    Van Harry Stack Sullivan is de uitspraak: “We exist in relationships, not as individuals”. Het geloof in het bestaan van unieke individuen beschouwde hij als ‘the mother of all illusions’.

    Ik vind het nogal extreme uitspraken/opvattingen, minstens zo eenzijdig als die van Freud.

    H.S.S. zette zich sterk af tegen Freud en diens causaliteitsprincipe. Bovendien was hij als psychiater zeer gekant tegen Kraepelin’s diagnostische constructie.

    Je ‘afzetten tegen’ heeft het risico dat je terecht komt aan de andere kant van wat waarschijnlijk een continuüm is.

    Inmiddels zijn we er wel achter dat erfelijkheids- en omgevingsfactoren beide belangrijke determinanten van gedrag zijn. Het syndroom van Down wordt niet veroorzaakt door incompetente ouders, maar de omgeving is wel van invloed op de ontwikkeling van een Down-kind.

    Of H.S.S. ook het begrip ‘toeval’in zijn definitie heeft gehanteerd weet ik niet, maar het begrip ‘toeval’ lijkt me sowieso problematisch en tot onvruchtbare discussies leidend.

     

    Bij je stelling dat ‘de grenzen van die eenheid (het individu) vaak niet hetzelfde zijn als die van zijn gedrag, en dat ook de tijdsgrenzen verder reiken dan het ‘nu’’, zou ik wel enige kanttekeningen willen plaatsen.

    In je voorbeelden denk ik te zien, dat je het eigenlijk over factoren van buitenaf  (stimuli) hebt, waar je meent met grensoverschrijdende activiteiten van het individu zelf te maken te hebben. Jouw overleg met de overleden leraar Duits is m.i. gedrag dat zich in het hier en nu afspeelt, geïnspireerd door het contact dat je met hem had toen hij nog leefde (stimulus/-i plus herinnering). Dit gedrag vindt plaats binnen de individu John Horowitz., in het hier en nu (als je nu met hem zou overleggen).

    Ook het ruziemaken met of verwijten maken aan een gestorvene is gedrag dat zich in het hier en nu afspeelt.

    Ik denk niet dat je een hallucinant persoon bent, tenzij je van mening bent/was dat je leraar werkelijk aanwezig was in de betreffende situatie. Op grond van je contacten met de leraar toen hij nog leefde, kon je voorspellen wat hij, in je latere overleg met hem, zou vertellen of adviseren. Deze gedachten, herinneringen of fantasieën zou ik niet willen zien als overschrijding van (tijds-)grenzen van het individu.

     

    De vraag of e.e.a een belangrijke bron voor het in stand houden van ondeugdelijke cognities is, kan ik op grond van het bovenstaande niet beantwoorden, omdat ik vraagtekens heb bij je uitgangspunten. En hierbij zie ik nog een probleem: wat is het criterium voor ondeugdelijkheid? Is ‘ondeugdelijk’ hetzelfde als: ‘onjuist, aantoonbaar niet waar’? Of is het: ‘niet toetsbaar’?

     

    Wat betreft het als maatstaf hanteren van woordenboeken voor de omschrijving van begrippen: ik vind dat eerlijk gezegd nog niet zo’n gek criterium. In ieder geval lijkt een heldere omschrijving of definitie van begrippen, vanuit een woordenboek of anderszins, mij onontbeerlijk. Ik vrees dat je het paard van Troje in de vorm van ruis ( ‘projecties’) binnenhaalt, juist als je daarin het dagelijks taalgebruik als maatstaf wilt hanteren.

    Dat die “ruis” een interessant onderzoeksobject kan zijn, is een ander verhaal….

     

    En dan nu over de intuïtieve statisticus en de slakken:

     

    Eerst de – waarschijnlijk wat overbodige – opmerking dat de al of niet intuïtieve statisticus op grond van een steekproef een bewering over de populatie wil doen. Daar zit natuurlijk altijd een marge van onzekerheid in.

    Ik denk dat de meeste mensen genoegen nemen met de conclusie, dat het aantal slakken in de populatie (= de gehele tuin) waarschijnlijk zal zijn afgenomen als het aantal slakken in de steekproef (= binnen een bepaalde tijdseenheid aantal waargenomen slakken in de tuin)  verminderd is. Per individu zou het criterium “voldoende afgenomen” kunnen verschillen.

    Tevens kan men conluderen dat een steekproef waarin het aantal slakken 0 is, geenszins hoeft te betekenen dat het aantal slakken in de populatie ook 0 zal zijn.

    Mogelijke acties:

    • Acceptatie van dit gegeven, maar wel de gewassen in de gaten houden, af en toe een nieuwe steekproef nemen en zonodig opnieuw op jacht gaan. Of: de kans dat er slakken in de populatie zijn achtergebleven minimaliseren door slakkenkorrels te strooien. Deze strategieën zou ik ‘realistische beheersing’ of ‘controle’ willen noemen.
    • Geen onzekerheid (statistische schattingen) kunnen verdragen: steekproeven als volledig irrelevant beschouwen, alleen genoegen nemen met populatiegegevens (en die zijn er niet). Cognitie: slakken zijn schadelijk voor de tuin, dus moeten alle slakken weg. Dus: tot uitputtens toe doorgaan met controleren en slakken vangen, om zo de populatie uit te roeien.

    Hier hebben we dus te maken met de dwangneuroot, die geen onzekerheid kan verdragen, en die – in mijn ervaring -  slecht vatbaar is voor cognities als: de laatste slak is de slak die nog in de struiken zit. Wat beter werkt is: dwangmatig controleren proberen terug te dringen (gedrag als uitgangspunt nemen) en leren inzien dat adequate slakkenbestrijding goed genoeg is om de tuin niet  kaal te laten vreten. Zo kon je vruchteloze discussies over laatste, of aller- aller-laatste slakken omzeilen.

     

    Er schiet me nog een ander voorbeeld van de mens als intuïtieve statisticus binnen: ‘one-trial-learning’, generalisatie, vaak op grond van een traumatische ervaring.

    Bijvoorbeeld: een vrouw die in haar jeugd seksueel misbruikt is door haar vader: ‘geen enkele man is te vertrouwen’. Of: iemand die ooit misselijk werd in een autobus en daaruit de conclusie trekt dat autobussen als vervoermiddel vermeden moeten worden.

    Dus: onterechte conclusies over de populatie op grond van één steekproef (of soms meerdere).

    Roos

     

    16-08-2008

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    18-08-2008, 21:06 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    16-08-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Willem Kuiper schreef op 8 augustus 2008:

    Waarom laten jullie je inspireren door ontwikkelingen uit de natuurkunde en niet uit de scheikunde?  Als leek lijkt het mij dat er duidelijker verbanden zijn met de scheikunde of ligt dat te dicht bij elkaar om nieuwe inzichten op te doen?

     

    John antwoordt op diezelfde dag:

    Ik realiseer me dat het verhaal completer wordt wanneer ik de reden vertel, waarom ik denk dat psychologie iets van de natuurkunde kan leren.

    In dat vak had in de afgelopen eeuw een gigantische omwenteling plaats die thans voortduurt. Er heerst daar momenteel trouwens ook een malaisegevoel onder veel theoretici. Het vak maakte een dermate grote en snelle ontwikkeling door dat nu een soort depressie lijkt op te treden: hebben we wel iets bereikt? Of maakten we een pas op de plaats, maar dan met een lange omweg? Zit achter deze wereld niet een geheel andere, die we nog niet kennen?

    Ik heb het idee dat dit zo de vragen zijn waar men in die kring mee kampt.

    Interessant is dat een deel van een oude discussie terugkeert: de beroemde tussen Niels Bohr en Albert Einstein. Laatstgenoemde vond het maar niks, dat men gebruik moest maken van de waarschijnlijkheidsleer om de positie van elementaire deeltjes aan te geven. Einstein verloor weliswaar deze strijd ten gunste van het pragmatisme: zolang de berekeningen kloppen, nemen we de theorieën voor waar aan. Zo ongeveer verweerde Bohr zich.

    Maar de essentie van dat onbehagen was daarmee blijkbaar toch niet weggepoetst en keert nu terug. De inhoud van die discussie is meegegroeid met de huidige stand van zaken. In die tussenliggende 85 is namelijk ontzettend veel gebeurd!

     

    Intussen zorgde de natuurkunde voor een andere manier van denken over de relaties tussen oorzaken en gevolgen, over de grenzen van ons kennen en over de mogelijkheid om het verloop van processen te voorspellen. Zaken die voor de psychologie niet minder belangrijk zijn. Ik denk dat veel vakgenoten nog denkwijzen gebruiken uit de periode van Newton, de man die door zijn bijdrage aan de toenmalige natuurkunde model staat voor wat we thans de klassieke natuurkunde noemen. Die denktrant overschreed het gebied van de fysica verre. In de vroegere psychologie kom je Sigmund Freud tegen. In de klassieke psychoanalyse vind je dat starre denken in termen van oorzaken en gevolgen terug.

    Die klassieke traditie blijkt te zijn gefundeerd op een bepaald type proces: stabiele processen. In de loop der tijd ging men zien dat er daarnaast ook andere processen bestaan. Het gaat om non-lineaire processen, die instabiel zijn. Een voorbeeld van een instabiel proces uit onze directe omgeving:

    Op een bepaalde weg kan de verkeersintensiteit gedurende lange tijd toenemen, zonder problemen te veroorzaken. Bij het toenemen van de verkeersintensiteit ontstaat op den duur dan een instabiele situatie. Dat wordt duidelijk, wanneer het verkeer bijvoorbeeld nog slechts 1 % in intensiteit toeneemt. Als direct gevolg daarvan ontstaan dan plotseling files, die er voorheen nooit waren.

     

    Ik denk dat veel psychologische processen zich beter als non-lineaire processen laten beschrijven. Daarmee dient dan afstand te worden genomen van de klassieke natuurkunde als “rolmodel” voor het denken over psychologische processen.

    Vandaar die belangstelling voor de natuurkunde.

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    16-08-2008, 19:48 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Antwoord van John op Roos de Klerk-Swart, op 9 augustus 2008.

    Bijgewerkt op 13 augustus.

     

    Deze brief heeft betrekking op die van Roos van 4 augustus 2008

     

    Ik neem jouw brief door.

    Als ik refereer aan het opstel “een theoretische verkenning in de psychologie” van juli 2008, noem ik dat hieronder “mijn stuk”.

     

    Het bouwen van een standaardmodel voor de psychologie is een ver verwijderd doel. Je vindt de trouw aan dit doel terug in de strakke methodologie, waarin deze weg wordt voorbereid.

    Dichterbij liggen enkele vermoedens voor de kortere termijn. Ik noem:

    1. het symmetrie principe dat het in de praktijk goed lijkt te doen. Ik moet nog uitzoeken of dit een bruikbaar vertrekpunt, dan wel een empirische bevinding betreft;
    2. het vermoeden dat schaalgrootte een belangrijker functie vervult dan wij ons veelal realiseren en dat we daar op een weinig geschoolde manier mee omgaan;
    3. het vermoeden dat er een veel voorkomende neiging bestaat om bij het beoordelen van gedrag een hoger – “rijker” – schaaltype te hanteren, dan verantwoordbaar is. Dit leidt tot een grote belangstelling voor het denken in de nominale schaal, een relatief onbekend gebied. In mijn stuk wordt in dit verband verwezen naar scalars of scalairen;
    4. het vermoeden dat het begrip van permanente fluctuaties een nuttige toevoeging aan de gereedschapskist kan betekenen. Dit bestaat vermoedelijk uit voortdurende schommelingen ten opzichte van de achtergrond en van de verzameling waartoe een waarneming als element kan behoren. Mogelijk horen hier ook fluctuaties in kansschattingen bij. Dit onderwerp dient nog geheel op zijn houdbaarheid te worden onderzocht.

     

    Het sociaalpsychologisch uitgangspunt lijkt me beter hanteerbaar, dan het individueel-psychologische. Dit heeft te maken met het vertrekpunt: pogen om ons in de psychologie te laten inspireren door wat de natuurkunde voortbracht[1].

    Bij deze benadering is eigenlijk geen plaats voor intentionaliteit en individuele motivatie. Interessant vind ik dat ik dit uitgangspunt in het verdere gebruik vooralsnog niet mis. Het lijkt er zelfs op dat het personalistische uitgangspunt een minder profijtelijk uitgangspunt is dan het sociaalpsychologische. Maar mogelijk behoudt de individuele benadering tevens haar bestaansrecht.

    Ik beschik niet over de relevante tekst, maar meen me Harry S. Sullivan te herinneren “het individu is een toevallige verzameling van eigenschappen.” Bij hem lag het accent op het groepsmatige in het ontstaan van gedrag.

     

    Ik verkies de sociaalpsychologische benadering vooral vanuit de overweging dat gedrag zich dan gemakkelijker laat ordenen als een verzameling van feiten en mogelijkheden.

    Daarnaast beschouw ik intentionaliteit, keuzemogelijkheid, doelgerichtheid en motivatie als een probleem dat langs de klassieke – individualistische denktrant – minder succesvol blijkt dan men menigmaal hoopte en soms nog steeds gelooft. Dat maakt het gemis kleiner, indien wij deze begrippen voorlopig weglaten. Het probleem van “vrije” keuzemogelijkheid is in dit stadium trouwens nog niet goed op te lossen, zelfs al kiest men het individualistische uitgangspunt. Wel worden er via andere wegen vorderingen gemaakt. Denk daarbij aan recente neuropsychologische experimenten of onderzoek naar diergedrag. Waarmee ik het individualistische uitgangspunt overigens niet wil afserveren. Door een gevormde traditie wordt er mijns inziens meer van die klassieke benadering verwacht, dan er uitkomt. Voor ons doel lijkt het – althans in dit stadium - minder geschikt.

    Ik denk met deze relativering jouw visie te honoreren.

     

    Zowel voor de theoreticus alsook voor de clinicus is onze theoretische exercitie van betekenis, daar het immers gaat om een visie op ons eigen gedrag. Tijdens een behandeling wordt immers naar de meest effectieve techniek gezocht die de cliënt als gereedschap dient voor het inrichten van zijn verdere leven. Hier ontmoeten theoretici en practici elkaar in gedeeltelijk gemeenschappelijke doelstellingen.

     

    Mijns inziens is het begrip individu het best op te vatten als de kleinste zich gedragende eenheid. Het individu zit hier noodzakelijkerwijs aan vast: hij is immers zelf die kleinste eenheid. De grenzen van die eenheid zijn vaak niet dezelfde als die van zijn gedrag. Veel mensen richten zich immers overmatig op anderen en laten zich beïnvloeden door anderen. Ook de tijdsgrenzen reiken verder dan het “nu” van het individu.

    Nog in de jaren tachtig overlegde ik nog weleens met mijn vroegere leraar Duits van de middelbare school. Dit feit wordt pas vermeldenswaard als je weet dat die man toen al zo’n twintig jaar dood was.

    Er was slechts één individu: John. Die leraar bestond natuurlijk al lang niet meer. Is op grond van het bovenstaande te stellen dat ik dus een hallucinant persoon ben? Of dat ik “boodschappen uit de andere wereld” kreeg, zoals het “medium” Jomanda dat stelt?

    Ik mis het zelfinzicht om het met de eerste conclusie eens te zijn. Dus: misschien. Geruststellend is in dezen vooral dat het immers tot ieders alledaagse mogelijkheden behoort om de grenzen van het eigen individu te overschrijden. Dat gebeurt altijd en overal. Hier grijpt Watzlawick’s bewering aan dat je niet-niet kunt communiceren. Dat hangt immers niet alleen van die ene persoon, maar mede van andere mensen af en van hun perceptie van die persoon.

    Meermalen hoorde ik mensen ruzie maken of iets uitpraten met een gestorvene. Zelfs het tijdstip van overlijden werd iemand ooit nagedragen: “zij is er mooi op tijd tussenuit geknepen!”. Waarna een uitbarsting van woede volgde.

     

    Hier stuiten we op een belangrijke bron voor het in stand houden van ondeugdelijke cognities zoals we die tegenkomen in astrologie, handlezen, godsdiensten en zo meer.

    Een mooie taak voor de psychotherapeut om hier de bezem door te halen, lijkt me. Het is de vraag of dit al voldoende de aandacht van de psycholoog heeft. Weet jij het antwoord?

     

    Over de verstrengeling van de begrippen “situatie” en “omgeving” het volgende.

    Het gaat hier niet zomaar om het slordige gebruik van vaststaande begrippen en vereist een uitvoeriger toelichting.

    Ik stuit uiteraard op de vraag, wat kennis is. Denk hierbij aan de oude tegenstelling tussen idealisme en realisme in de filosofie. Filosofische formuleringen poog ik zoveel mogelijk te vermijden. De taal speelt daar vaak een te belangrijke rol. Dat houdt het risico in, dat het bedoelde substraat onvoldoende wordt gecontroleerd op inhoud en betekenis. Daardoor verwordt het dan soms tot louter wisselgeld en de gebruikers hebben van beide kanten het gevoel dat ze het over hetzelfde hebben. Dat kan ten onrechte zijn.

    Ik bewerk dit onderwerp zoveel mogelijk via afzonderlijke pragmatische veronderstellingen en formuleer zoveel mogelijk in termen van gedrag.

     

    Ik denk dat er pas sprake is van een zinvolle uitspraak, indien er voldoende afstand bestaat tussen twee afzonderlijke beweringen.

    Die afstand tussen de beweringen onderling is bijvoorbeeld 0 in de bewering: “Jan is Jan en hij doet zoals hij doet”. De argumentatiekracht is daarmee eveneens 0. Zou je denken.

    Nu ontstaat een belangrijke vraag naar de minimale afstand tussen twee beweringen, wil daar een inhoudelijke bewering aan te ontlenen zijn. Deze probleemstelling is geïnspireerd op het Heisenbergse onzekerheidsprincipe:

    Heisenbergs principe stelt onder meer een grens aan de nauwkeurigheid van metingen. Neem bijvoorbeeld de verbetering die de elektronenmicroscoop opleverde ten opzichte van de gewone lichtmicroscoop. Dat wordt veroorzaakt doordat elektronen een kortere golflengte hebben dan het zichtbare licht. Door die kortere golflengte wordt het waarnemingsraster kleiner. Binnen die grens is geen waarneming mogelijk. Daarnaast stelde Heisenberg voor dat men niet gelijktijdig plaats en impuls van een deeltje kan bepalen.

     

    We kunnen ons afvragen of dit ook geldt voor de permanente fluctuaties die we menen waar te nemen in het gedrag. Dat zou een waarnemingsgrens en een beslissingslimiet inhouden, die niet overschreden kan worden. Misschien moet daar aan toegevoegd worden: komt men wel binnen dat minimumgebied, dan vervalt de mogelijkheid om tot houdbare conclusies te komen die de kennis van het substraat vergroten.

    Anderzijds opent dit echter de mogelijkheid om eigen invullingen (“projecties” zou men vroeger zeggen) of communicaties van een heel andere orde aan te brengen. Dit dient te worden uitgezocht.

     

    Er ontstaat nu een hypothese die er als volgt uitziet: naarmate de ‘argumentatieruimte’ (term bedacht voor het verbaliseren van wat hierboven werd gesteld) kleiner wordt, ontstaat er meer ruis en tevens een mogelijkheid om irrelevante of andersoortige verbanden aan te brengen.

     

    Dat zo’n bewering (“Jan is Jan, ……) toch gedaan wordt kan betekenen dat de ander daarmee wordt uitgenodigd om Jan te beoordelen op een lager schaaltype:

    beoordeel Jan’s gedragingen als afzonderlijke scalairen die dus onderling geen verband houden. Kies de beoordelingsschaal zodanig laag, dat er geen vectoren zijn aan te wijzen en er dus geen richting met conclusies aan kan worden toegekend.

    Met andere woorden: neem zijn gedrag als uniciteit, zonder causaliteit of richting.

     

    Indien dit inderdaad blijkt, dan stuiten we hier op een nieuwe categorie in de wisselwerking tussen mensen, die bij Watzlawick c.s. niet voorkomt.

    Ik vermoed dat er nog veel onverklaarde fenomenen in de communicatie voorkomen, die thans mogelijk ten onrechte als ruis worden aangeduid, maar bij nader inzien toch informatie blijken te bevatten. Het onderzoeken waard!

     

    Wij veronderstellen dat, een gesproken tekst rijker is aan inhoud, naarmate de afstand tussen de afzonderlijke elementen onderling groter is. Wordt de marge kleiner dan neemt de kans toe dat we met ruis te maken hebben. Daarnaast zagen we zojuist dat V = 0 wel degelijk informatie kan bevatten.

     

    Op dit moment lijkt het verstandig te stellen dat we de afstand tussen afzonderlijke betekeniselementen (misschien voortaan aanduiden als “semanten”?) groot moeten houden, misschien zelfs te maximaliseren. Dit alles dient te worden uitgezocht.

    Daarin past niet zozeer dat we begrippen gebruiken die in het gebruik – niet zozeer in het woordenboek – momenten van overlapping kennen.

    Dit is mijn toelichting op het afraden om vaak gecontamineerde begrippen als “situatie” en “beleving” te gebruiken.

    Door te stellen dat die begrippen “slordig” gebruikt worden, lijk je als maatstaf te hanteren wat het woordenboek of de dictionaire aangeeft. Dat is een andere maatstaf dan te zien hoe mensen dat in het dagelijks taalgebruik hanteren. Aan dat laatste geef ik de voorkeur. Dat bespaart discussies hoe het eigenlijk hoort en wat goed of fout is. Een hele winst!

     

    Het formuleren van axioma’s had bij het begin van mijn onderzoek een functie. Ik deel jouw mening, dat het die functie nu niet meer heeft. Het zette destijds een paar kaders uit om te kunnen beginnen. Ik denk dat het tijd wordt om die axioma’s niet langer een belangrijke functie te geven.

    Aan het axioma over het altijd actief zijn houd ik nu hoogstens de stelling over: het individu is de kleinste bron van gedrag. Daar hebben we het al over gehad en is daarmee niet nieuw. Evenmin discutabel zoals jij terecht stelde.

     

    Jouw bedenking dat alle gedrag bestaat uit complexiteiten en non-lineaire processen lijkt mij eveneens terecht. De oorspronkelijke formulering stamt uit de tijd dat ik dit onderwerp net ontdekte. Er bestaat inderdaad twijfel over dat dit inderdaad het enig mogelijke type gedrag is. waarschijnlijk komen ook lineaire processen voor.

     

    Je vraagt je af :

    Hangt het onderscheid tussen simpel, lineair gedrag en complex, non-lineair gedrag niet af van het niveau waarop je een gebeurtenis/systeem bekijkt?

    Volgens mij hangt het niet alleen van het waarnemingsniveau af maar vormt het een eigenschap van het substraat. Het gaat volgens mij niet alleen om het niveau van beschouwen, want het heeft belangrijke consequenties. In mijn stuk verwijs ik naar Freud als psychologisch rolmodel voor het toepassen van het klassieke causaliteitsmodel, zoals voorbereid door Galilei, Descartes en Newton in de natuurkunde.

    Eén consequentie daarvan is dat de door Freud aangebrachte eenvoud in causale structuur zich niet empirisch laat bevestigen. Blijkbaar zit de mens anders in elkaar.

     

    Het onderwerp tijdbeleving ligt even stil. Jouw opmerking hierover kan nog van nut blijken.

     

    Over de mens als intuïtief statisticus het volgende.

    Het zoeken naar slakken kan daarbij model staan voor dit onderwerp:

    1. vanuit de waarneming van slechts enkele slakken moet je beslissen over de mate waarin het zichtbare gebied iets zegt over de grotere verzameling die je niet hebt gezien. Wijst hun aanwezigheid op meer slakken in het niet-onderzochte gebied? Met andere woorden: hoe is de verhouding van de steekproef tot de populatie?
    2. hoe groot is de kans dat er slakken in een bepaald gebied zijn achtergebleven in de rest van de struik op plant, op grond van de afname van de slakkendichtheid in de steekproef?

     

    Het leerproces verloopt interessant: heel langzaam leerde ik slakken vinden. Daarbij kom ik “false positives” en “false negatives” tegen, waardoor het kwadrant van beslissingsmogelijkheden ontstaat, bekend uit de informatietheorie. Al lerend treedt dan optimalisatie op, waardoor het aantal positieve treffers toeneemt en foute keuzen afnemen.

     

    Je kunt volgens mij stellen dat deze situatie specifiek een beroep doet op statistische schattingen. Daarmee is niet de vraag beantwoord, hoe groot de reikwijdte is van dit aspect van het gedragsmatig functioneren.

    Een paar vragen naar aanleiding van het bovenstaande:

    1. ligt hier een wortel voor het ontstaan van dwangmatigheid?
    2. Zijn in zo’n geval de cognities zo opgebouwd, dat daarin geen plaats is voor tolerantie?
    3. Probeert men permanente fluctuaties uit te bannen? Dat vooronderstelt dat deze in de wisselwerking tussen mensen een manipuleerbare rol spelen; dat moet nog worden aangetoond. Ik vermoed dat dit het geval is.
    4. Hoe kun je afleren er van uit te gaan, dat je “alle slakken uit jouw tuin kunt verwijderen”? Dat betekent: leren leven met de stelling: “de laatste slak is de slak die nog in de struiken zit”. Een deugdelijke cognitie, ook toepasbaar in ander verband.
    5. Is er überhaupt plaats voor kans, waarschijnlijkheid en onzekerheid of houdt men bij voorkeur aan cognities vast als juist/onjuist, waar/niet waar? Met andere woorden: gebruikt men uitsluitend een digitaal beslissingsysteem, terwijl een waarschijnlijkheidsmodel hier adequater ware?


    [1] Bij het opnieuw doorlezen lijkt dit een bruikbaar vertrekpunt, maar kan verder op elk moment verlaten worden: het gaat ons immers om de studie van gedrag.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    16-08-2008, 19:33 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    13-08-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Enkele opmerkingen over het stuk van John:

     

    “Een theoretische verkenning in de psychologie”

     

    van Roos de Klerk-Swart, opgetekend op 4 augustus 2008

     

    Allereerst: een interessante gedachte om, geïnspireerd door de natuurkunde / quantumfysica, te proberen tot een unificerende psychologische theorie te komen!

     

    Bij het stuk heb ik de volgende opmerkingen:

     

    • De stelling dat : “ Het sociaalpsychologische uitgangspunt geschikter lijkt dan het individueel-psychologische ” vraagt om nadere uitwerking en onderbouwing. Door individueel gedrag op te vatten als een toevalsgreep uit de verzameling…etc. wordt wel veel aan het toeval toegeschreven. Hoe zit het met doelgericht, gemotiveerd gedrag? Of heb ik het niet goed begrepen en zit je met deze opmerking op een ander denkniveau of zelfs in een andere dimensie?

    Het individueel gerichte, personalistische uitgangspunt wordt als onbevredigend ervaren, omdat b.v. begrippen als “situatie”en “beleving” verstrengeld zouden zijn.

    M.i. zijn deze begrippen niet verstrengeld, maar worden ze in de praktijk onvoldoende van elkaar onderscheiden. Het lijkt mij een omweg en complicerend om, vanwege een slordig gebruik van begrippen, uit te wijken naar een ander uitgangspunt (het sociaal psychologische), temeer daar je, zij het op een ander niveau, toch weer terechtkomt bij het individueel-psychologische.

    Waarschijnlijk heb je voor je keuze meer redenen dan in je stuk beschreven, dat zou verder uitgewerkt / verduidelijkt moeten worden.

     

    • Bij het eerste axioma: je kunt discussiëren over de stelling dat het individu altijd  actief is. Natuurlijk is het individu zelfs in zijn slaap actief, maar dan wel op een ander niveau. Verder kan het individu meer of minder actief zijn. M.i. kan dit axioma in zijn huidige formulering onvruchtbare discussies oproepen.

    Wat vind je ervan om de goeie ouwe term “gedrag” in dit axioma op te nemen? Zoals Watzlawick stelde, kan een mens niet niet-communiceren. Evenzo kan een mens zich niet niet-gedragen. Dus misschien zoiets als: ‘Bij het individu is altijd sprake van gedrag’?

     

    • Tweede axioma; geheel mee eens.

     

    • Bij het derde axioma: Voltrekt alle gedrag zich werkelijk volgens complexiteiten, m.a.w. is er altijd sprake van non-lineariteit? 

    Voorbeeld: je prikt jezelf per ongeluk met een speld. Gedrag: je vinger/hand in een reflex terugtrekken, waarbij bloed vloeit: een simpel, causaal verband, lijkt mij.

    Als je op micro-niveau gaat kijken, is de zaak complex(er). Er is activiteit van afferente en efferente zenuwbanen, pijnreceptoren, hersenen, het bloedvat en de stolling van het bloed, terugkoppeling van allerlei mechanismen als de stolling voltooid is etc. M.a.w. dezelfde kleine gebeurtenis heeft, op dit niveau bekeken, complexe gevolgen.

    Is er, m.b.t. gedrag, eigenlijk wel sprake van een echte tegenstelling tussen simpel-lineair en complex non-lineair ?Hangt het onderscheid tussen simpel, lineair gedrag en complex, non-lineair gedrag niet af van het niveau waarop  je een gebeurtenis/systeem bekijkt?

     

    Tot slot een kleine gedachtenassociatie m.b.t. de twee begrippen ‘(on)deelbaarheid van het individu’ en ‘tijdbeleving’: ik moest denken aan ‘dissociatie’ zoals b.v. bij de dissociatieve identiteitsstoornis (v/h multipele persoonlijkheidsstoornis). Dissociatie is een begrip dat ook uitgebreid in de hypnoseliteratuur voorkomt, o.a. bij tijdsbeleving. De tijdsbeleving in een hypnotische trance kan aanmerkelijk verschillen van die tijdens waakbewustzijn, maar dat wist je waarschijnlijk al.

     

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    13-08-2008, 00:00 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    29-07-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

     

     

    Een theoretische verkenning in de psychologie

     

    24 juli 2008

     

     

     

    INHOUD:

     

    Inleiding. 1

    Methodologie. 1

    Enkele inspirerende onderwerpen uit de natuurkunde. 2

    Standaardmodel 2

    Atoom en individu. 2

    Stabiliteit en chaos. 2

    Simpliciteit 3

    schaalgrootte. 4

    Onzekerheidsprincipe. 4

    Relativistische visie op gelijktijdigheid. 4

    Een standaardmodel voor de psychologie. 5

    schaaltypen. 6

    Schaalgrootte. 7

    Permanente fluctuaties. 7

    Onderwerpen die te weinig body hebben om ze op papier te zetten: 8

    literatuur 8

     

    Inleiding

     

    In deze verkenning gaan wij na, in hoeverre een paar ideeën uit de natuurkunde aan de algemene theorievorming in de psychologie kunnen bijdragen. Zie ook: Horowitz2006 en het commentaar daarop van Schoutens[1])2007.

    Methodologie

    Deze methode dient gekwalificeerd als fenomenologisch en staat voorin de empirische cyclus (De Groot1961).  Zij kent een naoorlogse traditie in de Utrechtse School, met coryfeeën als Buytendijk en Langeveld (Dehue1990). Destijds leidde dat tot veel metafysica (zie bijvoorbeeld Luypen1961). Ons onderzoek kan hoogstens veronderstellingen, vermoedens, ideeën en misschien een enkele toetsbare hypothese opleveren.

     

    Wij passen een principe van symmetrie toe. Vragen als “wat maakt de mens uniek”? worden vermeden. Steeds worden naast voordelen ook nadelen gezocht.

    Enkele inspirerende onderwerpen uit de natuurkunde

    Daar de natuurkunde ver gevorderd is in het kwantificeren en afbakenen van haar onderzoeksobjecten, zoeken we daar inspiratie voor ons eigen vak. Bovendien maakte de natuurkunde een stormachtige ontwikkeling door. Daar kunnen wij ons voordeel mee doen.

     

    Het denken volgens het klassiek natuurkundige model wordt door Störig2004 als volgt samengevat:

    De fysica van de 19de eeuw en alle daarop gefundeerde filosofie berustte op de volgende grondstellingen. ……Men aanvaardde een streng determinisme, een nergens onderbroken, strikt causale samenhang van alle natuurverschijnselen.……Al deze aannamen staan vanaf begin 20ste eeuw op losse schroeven.

    Störig, p. 598.

     

    In 1900 publiceert Max Planck over onderzoek dat het begin van de quantumfysica inluidt. In de loop van die eeuw ondergaan het determinisme en het strikt causale denken ingrijpende veranderingen. Vijf jaar en vijftien jaar later volgen publicaties van Einstein. Hoewel zijn theorie niet direct voor de psychologie van belang is, verandert deze wel ingrijpend het wereldbeeld binnen de natuurkunde zelf.

    In 1900 publiceert Sigmund Freud zijn Traumdeutung. Daarin zien we het klassiek causale denken in volle omvang.

     

    Standaardmodel

    In de natuurkunde wordt gezocht naar een unificerende theorie voor de quantumfysica en relativiteitstheorie.

    Volgens sommige natuurkundigen zou de snaartheorie in staat zijn om als standaardmodel te fungeren (o.a. Verlinde2006). Anderen menen echter dat dit slechts een wiskundige exercitie betreft, die aan de natuurkunde weinig bijdraagt (o.a. Van Den Brand2004).

    Atoom en individu

    Deze begrippen betekenen hetzelfde: ondeelbaar. Voor beide geldt echter tevens, dat er van ondeelbaarheid geen sprake is.

    Het atoom kent een eigen structuur met een veelheid aan deeltjes en krachten. Met de intree van de deeltjesfysica trad een nieuwe schaalverkleining op en blijkt een verdere onderverdeling mogelijk

     

    Voor het individu geldt dat het zich allerminst als een ondeelbare eenheid gedraagt. Met fMRI scans wordt dit bovendien zichtbaar.

    Zo’n onderverdeling als voor het atoom, bestaat in de psychologie niet. Dat verklaart dat bij de leek zowel eigenschappen van het individu zelf, alsook omgevingsfactoren vaak dooreengemengd worden. Wel kent men in de taal collectief aanvaarde indelingen, zoals “de wil”, “het geweten” of “het verstand”. Die zijn echter meer aan de taal, dan aan het waargenomen gedrag gebonden.

    Stabiliteit en chaos

    Het klassieke beeld van de natuurkunde hield in dat men zich richtte op stabiele processen die werden ontleed in eenvoudiger componenten. Deze zouden zich gedragen volgens een strikt causale ordening. Indien de beginwaarden van de parameters bekend zijn, dan zou de toekomst in principe te voorspellen zijn. Ook omgekeerd kan men vanuit het nu terugrekenen naar de beginsituatie.

     

    Een recentere ontwikkeling – ingezet in de jaren zestig van de vorige eeuw - houdt in dat er onderzoek wordt verricht naar processen die op de rand van instabiliteit verkeren en eventueel tot chaospatronen kunnen leiden. Deze worden complexiteiten genoemd. Daarmee werden ondermeer kustlijnen, boomgroei of de patroonvorming op de schilden van schildpadden tot onderwerp voor natuurkundig onderzoek.

    Duidelijk werd dat veel van de vroegere theorieën blijken gebaseerd op te eenvoudige premissen. De meteorologie wordt in dit verband vaak genoemd als het begin van deze nieuwe ontwikkeling.

     

    Wij zijn vertrouwd met het denken in stabiele systemen, die tot redelijk voorspelbare uitkomsten leiden. Maar er bestaan ook instabiele toestanden, die uitlopen op “chaos” (Gleick1989, Lewin1993):

     

    Unpredictable behaviour occurring in response to precisely deterministic laws. An essential feature of a chaotic system is that a small change in the initial conditions of an experiment (or of a situation in the real world) may have a very large influence on the outcome of the experiment. This means that what are called ‘predictive errors’ resulting from the imprecision of our knowledge about the initial conditions of the system get bigger as time passes, until, beyond a certain point, we cannot predict how the situation will develop at all.

    ……The fundamental feature of chaotic (that is, non-linear) systems is that if two identical systems are given slightly different nudges [stoten, duwtjes] (or if the same system starts out from the same place twice, in two very slightly different ways), the differences between them diverge exponentially fast.

    John Gribbin, 1998, p. 88-9.

     

    Gribbin1998 stelt dat er bij niet-chaotische situaties weliswaar ook afwijkingen [errors] optreden, maar dat deze in verhouding zijn met het verloop van de tijd, waardoor het toch mogelijk is om voorspellingen te doen. Het betreft dan uitsluitend lineaire processen. Dat maakt het cruciale verschil uit tussen chaotisch en niet-chaotisch gedrag.

     

    We kunnen ons afvragen in hoeverre chaotische toestanden in natuurkundige zin, ook een rol spelen in de psychologie.

     

    Bijna tegengesteld aan de complexiteit is de simpliciteit.

    It is the faith that nature operates according to simple rules, and that we humans can find those rules and set them down in mathematical form, usually on single sheets of paper.

    Kenneth Ford2004; p. 59

     

    Simpliciteit

    Dit begrip vormt mogelijk eveneens een aandachtpunt voor de psychologie. We kunnen ons namelijk de vraag stellen: hoe gedraagt men zich te midden van structuren die niet te bevatten zijn? Verloopt gedrag in zo’n geval volgens eenvoudige parameters? Wat zijn de positieve en negatieve aspecten daarvan? Een punt van aandacht.

    schaalgrootte

    Belangrijk voor de psychologie kan weleens de schaalgrootte – ook wel korrelgrootte genoemd – betekenen.

    In de natuurkunde is men er aan gewend dat er bij verschillende schaalgrootten specifieke regels gelden. Zo heeft zwaartekracht in de deeltjesfysica geen functie. Anderzijds werken veel kwantumfysische principes niet bij opschaling naar de direct waarneembare wereld.

    In de film “Star Trek” wordt dit principe bewust overtreden. Wat op deeltjesniveau geldt – entanglement (verstrengeling) - is in de film toegepast op complete personen. Een van de personages kan daardoor tijdloos worden overgebracht naar een andere planeet: “beam me up, Scotty!”

     

    Scalars of schaalinvariante maten zijn:

    a quantity, such as mass, length, or speed, whose only property is magnitude; a number.

    Science dictionary, 2005.

     

    Scalars kunnen niet worden ingepast in een causaal model. Vergelijk dit ter verduidelijking met vectoren: deze hebben naast grootte tevens een richting.

    Gutenberg en Richter[2] verrichtten onderzoek naar de relatie tussen de grootte en de frequentie van aardbevingen. Kleine bevingen blijken vaker voor te komen dan grote. Bij het uitzetten van hun grootte tegen hun frequentie in een log-log diagram verkrijgt men een rechte lijn. Dit wijst er op dat hier sprake is van schaalinvariantie (Gribbin2004, Gallos2006).

    Een consequentie hiervan is dat de kans dat er zich bijvoorbeeld bij de Andreasbreuk in Californië opnieuw een aardschok voordoet met dezelfde magnitude van 1906, een maand na die gebeurtenis even groot of klein is, als over een eeuw.

     

    Een ander voorbeeld van een schaalinvariante grootheid is de kustlijn van Noorwegen (Gribbin2004). Men kan zich deze voorstellen als oneindig kronkelend, naarmate men de schaal kleiner neemt.

    Onzekerheidsprincipe

    Sedert Werner Heisenberg in 1927 het onzekerheidsprincipe voorstelde, betekende dat een breuk met het klassiek deterministische denken, dat gebaseerd was op de natuurkunde van vooral Newton.

    Heisenberg toonde aan dat het niet mogelijk is om gelijktijdig plaats en impuls[3] van een quantumdeeltje te bepalen. Er bestaat een berekenbare ondergrens die principieel niet overschreden kan worden. Zie bijvoorbeeld: Zeilinger2005.

     

    Voor de psychologie lijkt het aantrekkelijk om zo’n onzekerheidsprincipe in de theorie in te bouwen. Daarmee wordt namelijk beter aangesloten bij de ervaring dat voorspellen van gedrag veel ingewikkelder en minder succesvol blijkt, dan menigmaal wordt aangenomen.

    Relativistische visie op gelijktijdigheid

    In de speciale relativiteitstheorie verlaat Einstein1905 het idee dat er één klokketijd bestaat die voor alle waarnemers die ten opzichte van elkaar bewegen, identiek zou zijn. Dit verschijnsel onttrekt zich overigens aan de menselijke maat, daar zich dit pas manifesteert bij onderling astronomisch hoge snelheden.

    In het gedeelte over de betekenis voor de psychologie worden factoren genoemd die het beeld van constantie aantasten. Dit leidt tot quasi-relativistische verschijnselen op vele gebieden van ons functioneren.

     

     

    We schakelen nu over naar de mogelijke betekenis van het bovenstaande voor de psychologie.

    Een standaardmodel voor de psychologie

    Het klinkt aantrekkelijk om naar een unificerende theorie in de psychologie te zoeken.

    Zo’n theorie zal dan ook een positieve invloed uitoefenen op de cognitieve gedragstherapie. Dat past immers bij het idee dat mensen vaak in moeilijkheden verkeren als gevolg van verkeerde cognities hoe het leven in elkaar steekt. Dit vormt een directe schakel tussen theorie en de klinische praktijk.

     

    Voor de clinicus is het individueel gerichte, personalistische uitgangspunt om gedrag te beschrijven naar ons idee niet altijd bevredigend. De gebruikte begrippen zijn soms namelijk onderling verstrengeld. Dat geldt bijvoorbeeld vaak voor de begrippen “situatie” en “beleving”.

     

    Het sociaalpsychologische uitgangspunt lijkt geschikter dan het individueel-psychologische. Individueel gedrag is daarbij dan op te vatten als een toevalsgreep uit de verzameling van mogelijke en feitelijk waargenomen gedragingen.

     

    Wij stellen een paar punten voor die misschien het begin van een model kunnen vormen en poneren deze als axioma’s. Deze punten worden geformuleerd vanuit het individu. Dat lijkt strijdig met het door ons gekozen, sociaalpsychologische uitgangspunt. Hier geldt echter, dat het individu de kleinste eenheid is die gedrag voortbrengt.

    Heeft dit punt consequenties voor de cognitievorming van het individu? Kan deze paradox tot verwarring leiden die soms behandeling behoeft?

     

    Wij stellen voor:

    1.         Het individu is altijd actief;

     

    2          Het individu treedt ordenend op.

    Bijzondere aandacht verdient de taal. Taal wordt gezien als één manier om te ordenen, zij het een zeer prominente. Dat heeft wellicht evolutionaire overlevingswaarde voor het individu en voor de groep. Het symmetrieprincipe volgend dient te worden nagegaan in hoeverre in het taalidioom ook verwarrende cognities zijn ingebouwd.

    Talen kennen onderling verschillen in de wijze van ordenen van het gedrag. Dit leidt er dan soms toe, dat de “verklarende” kracht die aan een bewering wordt toegekend, terugkeert naar de taal: “zo zegt men dat nu eenmaal in deze taal”. Het is zaak om deze cirkelgang te vermijden.

    Bij toepassing van het symmetrieprincipe stellen we dat er aan taalstructuren een nuttige, naast ook een vertroebelende functie dient te worden toegekend.

     

    Tot een geheel ander ordenend principe behoort bijvoorbeeld de Gestaltpsychologie. Deze houdt zich bezig met constanties in de waarneming waardoor gedrag mogelijk, in ieder geval vergemakkelijkt wordt. Hierin vindt men echter nauwelijks aanknopingspunten voor de voortdurende verandering die er in gedrag optreedt.

     

    3.         gedrag voltrekt zich volgens complexiteiten

    Dit heeft consequenties voor het zoeken naar causale verbanden, ook op individueel niveau.

    Complexiteit impliceert immers nonlineariteit. Dat maakt het voorspellen of terugrekenen in de tijd om oorzaken aan te wijzen moeilijker dan het klassieke causaliteitsmodel suggereerde.

    schaaltypen

    Mensen zijn voortdurend met elkaar en met de dingen om hen heen bezig en vormen zich meningen over elkaar. Daarbij valt op dat er veel ordinale of intervalschalen (De Groot1961) worden gebruikt, vaak zelfs intervalschalen met een vast nulpunt. Dit wordt dan soms gedaan op grond van de steekproef: N = Niemand.

     

    Zeldzaam is daarentegen het gebruik van een nominale schaal. Wij lijken moeite te hebben met het denken in dit schaaltype. Liever hanteren we hogere schaaltypen, waarschijnlijk omdat deze tot “diepere” inzichten en holistische panorama’s leiden.

    “gôh, jij hebt helemaal geen gezicht om Gozelinde te heten”;

    “ben jij in Weesp geboren? Had ik nou nooit achter je gezocht”.

    “niemand gedraagt zich zo gek als jij”.

    Iets dichter op onze huid, dus riskanter: “met zo’n IQ xml:namespace prefix = st1 ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:smarttags" />kan Wim nooit naar de havo”.

    Er zit vaak veel ruimte tussen wat voor grote groepen is vastgesteld en wat dit voor het individu betekent. Wij vermoeden dat dit door de psycholoog veelal cognitief wordt opgevangen door de statistische spreiding in het dagelijks gebruik te onderschatten. Daardoor schijnen de gevonden waarden immers gemakkelijker toepasbaar op het individu. De vakman zou dan hetzelfde doen wat wij bij de leek menen te zien: streven naar het beoordelen volgens een hoger schaaltype dan realistisch is.

    Het overgaan naar een armer schaaltype kan weleens een ander licht werpen op de wijze waarop de clinicus met testresultaten anders kan omgaan. Of is dit juist een manier om te begrijpen hoe de clinicus altijd al werkt?

    Wij stellen voor om de blik vooral te richten op de nominale schaal, de scalars in de natuurkunde. Het lijkt het onderzoeken waard of daarmee ook psychotherapeutische doelen gediend kunnen worden.

     

    Wij weten niet wat de herkomst van dit streven naar een hoger schaaltype is. Gaat het om een culturele ontwikkeling, ontstaan tijdens de Renaissance en Verlichting? Is het een gevolg van shaping, wegens het ervaren succes van de “diepe” inzichten en causale relaties die opschaling op de korte termijn oplevert? Indien dat zo is dan volgt daar uit dat men duidelijk minder last heeft van de falende verbanden die dit op langere termijn met zich meebrengt. Mogelijk een gevolg van het feit dat fictieve verbanden snel worden gelegd. Dat de gevonden relaties onjuist zijn, blijkt pas later of blijft ook op termijn onzichtbaar. Mensen zijn immers slechte terugblikkers.

     

    Zoals wij “mindfulness” begrijpen (Hellemans en Bögels2008) propageert deze stroming de nominale schaal een belangrijker plaats te doen innemen.

     

    Men kan zich afvragen of het gebruik van een te hoog schaaltype tot psychopathologie kan leiden.

    Schaalgrootte

    Een belangrijke gedragsvariabele lijkt de schaalgrootte. Hierin wordt vaak snel gewisseld, soms zelfs binnen eenzelfde gesproken zin. We denken dat bij uiteenlopende schalen ook verschillende gedragspatronen passen en dat dit een belangrijke functie vervult in het dagelijks leven, waarschijnlijk ook in de wisselwerking tussen mensen. Indien dat juist blijkt, dan dient gevoeligheid voor schaalgrootte een rol te spelen in vaardigheidstrainingen.

     

    We vermoeden dat dit punt een belangrijke rol speelt met betrekking tot de tijdsduur en het feitelijk gebruiken van tijd.

    Denk bijvoorbeeld aan de autorijder die de beschikbare ruimte van de veiligheidszones verbruikt. Daarbij ontstaat een verkleining in de tijdschaal: hij moet op iedere situatie razendsnel reageren om zich te handhaven. De afstanden en daarbij behorende tijdseenheden worden verkleind. Er lijkt een discrepantie tussen deze schaalverkleining en de schaalvergroting die optreedt door de risico’s die van deze rijwijze het directe gevolg zijn. Deze schaalwijziging heeft grote emotionele impact.

    Hoewel haar dissertatie niet over schaalwijziging gaat, verwijzen we naar Jolieke Mesken2006, in verband met emoties in het verkeer.

    Permanente fluctuaties

    Tijdens het gedragsmatig functioneren zijn er gelijktijdig veel cerebrale systemen actief met uiteenlopende taken en waarschijnlijk ook met een eigen tijdschaal. We sluiten in dezen aan bij Klaus Mainzer2002:

    Complex systems that consist of many interacting elements, such as gases and liquids, or organisms and populations, may exhibit separate temporal developments in each of their numerous component systems. The complete state of a complex system is therefore determined by statistical distribution functions of many individual states.

    Mainzer, 2002, p. XIV-XIV, introduction

     

    Iedere situatie is in feite nieuw en eenmalig. Aangeleerde gewoonten en constantiemechanismen – denk aan de Gestaltvorming in de waarneming - bevorderen continuïteit in ons functioneren, maar kunnen niet model staan voor de vele fluctuaties die gedrag kenmerkt.

     

    Er zijn hulpmiddelen die een gevoel van constantie in stand houden. De taal neemt daarin een belangrijk aandeel, zeker op schrift. Maar taal is meer dan geschreven tekst en wat in het woordenboek staat. Ons gaat het om het dagelijks spreken, in alle situaties die het menselijk functioneren bestrijken[4]. Dan zien we in de taal weerspiegeld wat zich ook overigens in het gedrag voltrekt. Er treden voortdurend fluctuaties op in onder meer:

    1. de wijze waarop de taal wordt gehanteerd. Er treden vaak kleine veranderingen op in de betekenis van woorden; in de grammatica vindt men tijdens het spreken verschuivingen in onderwerp en andere variabelen; de opstelling in de tijd of de groep waaraan men zichzelf of anderen toe rekent.
    2. de schaalgrootte. Dit wordt vooral duidelijk bij het debatteren. Er treden dan fluctuaties op in korte- en langetermijn perspectieven, in individuele en momentane, groepsmatige tegenover universele geldigheidsverklaringen.
    3. de tijd. Het verleden is geen gepasseerd station, maar kan vanuit het nu permanent gewijzigd worden. Dat kan bijvoorbeeld in ijkmoment (“dat gebeurde in 2001”) of in tijdsspanne (“zó lang kan dat nooit geduurd hebben).

     

    Om dit te kunnen waarnemen is het nodig om de waarnemingsschaal te verkleinen tot delen van een enkele gesproken zin. Tevens treden er voortdurend reparaties op om toch enige constantie te bereiken.

     

    Wij vermoeden dat er twee ruimten zijn, waarin de permanente fluctuaties optreden:

    1. een variabele lijkt gelijktijdig een element te kunnen uitmaken van meerdere verzamelingen.
    2. de achtergrond, waartegen de figuur (Gestalt) figureert. Mensen lijken in staat om snel van achtergrond te wisselen of (aspecten van) de figuur toe te kennen aan een andere verzameling. Dat vormt een bron voor verwarring en desoriëntatie. Daarnaast biedt het echter ook mogelijkheden tot het oplossen van obstakels.

    Hier lijkt humor aan te grijpen, door de ander onverwacht te confronteren met een wisseling van achtergrond of verzameling. Dit gebeuren vormt ook de basisvoorwaarde voor het creëren van nieuwe inzichten en grotere denkruimten.

     

    Indien dit beeld juist blijkt dan kan dat consequenties hebben bij sociale vaardigheidscursussen, psychotherapeutische interventies en misschien ook bij forensische verhoormethoden.

     

    [Ik heb een visuele voorstelling op het niveau van een metafoor; voor op ons symposium]

     

    Onderwerpen die nog te weinig body hebben om ze op papier te zetten:

    1. tijdsbeleving, “duur” of “tijdsduur”.
    2. de mens als intuïtief statisticus; hoewel dit ooit het vertrekpunt was voor mijn onderzoek, is de aandacht al doende verlegd naar andere onderwerpen.

     

    literatuur

     

    1.  Brand, J.F.J. van den; (2004). Hovo-cursus aan de VU: quantummechanica.

     

    1. Dehue, T; (1990). De regels van het vak; Nederlandse psychologen en hun methodologie, 1900-1985; Van Gennep, Amsterdam.

     

    1. Einstein, A.; (1905). Zur Elektrodynamik bewegter Körper.

     

    1. Ford, Kenneth W; (2004). The quantum world, quantum physics for everyone; Harvard University Press; ISBN 0-674-01342-5.

     

    1. Gallos, Lazaros; persoonlijk gesprek op 2 mei 2006; Benjamin Levich Institute, City College of New York (deze fysicus is specialist in netwerken);

     

    1. Gleick, James; (1989). Chaos, de derde wetenschappelijke revolutie; ISBN 90-254-6628-1; Contact, Amsterdam.

     

    1. Gribbin, John; (1998). Q is for Quantum, particle physics from A to Z ; Phoenix Press; ISBN: 1-84212-604-0.

     

    1. Gribbin, John; (2004). Deep simplicity; chaos, complexity and the emergence of life; Pinguin Books.

     

    1. Groot, Adriaan D. de; (1961). Methodologie; grondslagen van onderzoek en denken in de gedragswetenschappen; Mouton, ’s-Gravenhage.

     

    1. Hellemans, Joke & Susan Bögels; (2008). De kracht van mindfulness in de ggz; De Psycholoog juli/augustus.

     

    1. Horowitz, John L.; (2006). Quantumfysica en psychologie; essay voor de cursus Quantumlessen, UvA-IIS; digitaal beschikbaar.

     

    1. Lewin, Roger; (1993). Complexiteit; het grensgebied van de chaos; oorspr. complexity: life at the edge of chaos; ISBN 90-254-0276-3; Contact.

     

    1. Luypen, W; (1961). Existentiële fenomenologie; Het Spectrum, Aula.

     

    1. Mainzer, Klaus; (2002). The little book of time; origineel: Zeit, 1999; Springer Verlag,; ISBN 0-387-95288-8.

     

    1. Mesken, Jolieke; (2006) determinants and consequences of driver’s emotions; diss. RUG; uitg. SWOV; ISBN 90-807958-8-7.

     

    1. Reber, Arthur S. & Emily Reber; (2001). The Penguin dictionary of psychology; 3rd edition.

     

    1. Science dictionary; the American heritage; (2005). Houghton Mifflin, Boston & New York; ISBN 0-618-45504-3.

     

    1. Störig, Hans Joachim; (2004). Geschiedenis van de filosofie; Het Spectrum, 26ste druk,. ISBN 90-274-7073-1; (oorspronkelijk 1959: kleine Weltgeschichte der Philosophie).

     

    1. Schoutens, Kareljan; (2007). Commentaar op het essay van J. L. Horowitz: cursus quantumfysica en psychologie ; UvA-IIS; (digitaal beschikbaar).

     

    1. Verlinde, Eric P.; (2006). Cursus kwantummechanica; UvA.

     

    1. Zeilinger, Anton; (2005). Toeval! Hoe de kwantumfysica ons wereldbeeld verandert; oorspronkelijk: Einsteins Schleier; Veen Magazines, Diemen; ISBN 90-8571-0057.

     

     

    *********



    [1] Schoutens, hoogleraar theoretische natuurkunde aan de UvA; cursusleider

    [2] Charles Richter, 1900-1985; bekend als de naamgever van de magnitudeschaal voor aardbevingen

    [3] impuls = massa × snelheid

    [4] Als experiment in het vrije veld zijn familiebijeenkomsten heel geschikt.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    29-07-2008, 11:21 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    26-08-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.
    voorlopig geef ik mijn onderzoek de titel:

    Een voorstel voor een "standaardmodel" in de psychologie,
    gedrag opgevat als complexiteit;
    een hypothesevormende verkenning.

    In een fenomenologisch onderzoek probeer ik de ordening van menselijk gedrag zoals dat ook in de taal is terug te vinden, te verwisselen voor een ordening die beter bij gedrag past. De bestaande ordening is immers door traditie, taal en ook door religieuze ideeën gevormd.
    Vertrekkend vanuit enkele thema's uit de natuurkunde probeer ik tot een nieuwe ordening te komen.

    Als doel voor de lange termijn blijft dit streven zeker bestaan. Nu ik een eind op streek ben, buigt het onderzoek af in een andere richting: het beweegt zich naar kleinschaliger onderwerpen. Wel houd ik het zoeken naar een standaardmodel op de achtergrond als einddoel.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    26-08-2007, 00:00 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    12-08-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.
    zaterdag 11 augustus 2007
    In onderstaande teksten vind u een voorlopig nog weinig samenhangende verzameling van de ideeën die zich thans vormen over het gedrag van gedrag. Mijn gedachten hierover vertonen trouwens meer coherentie, dan uit deze teksten zal blijken.

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    12-08-2007, 10:10 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    06-08-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Aan de deelnemers van de HOVO-zomercursus

    “het vreemde in de natuurkunde”, augustus 2005

    Universiteit Leiden.

     

     

     

     

     

    Castricum, 1 september 2005.

     

     

    Geachte medecursisten,

     

     

    Ik gebruik deze cursus onder meer om inspiratie op te doen voor een onderwerp, dat mij al geruime tijd bezig houdt. Met dit bericht hoop ik belangstellenden te vinden, die aan dat onderwerp willen bijdragen. Daarbij ben ik op zoek naar een gesprekspartner die vooral vanuit de β-richting meedenkt.

     

    Het betreft de psychologie. Daar bestaan sedert ongeveer een halve eeuw veel empirisch gefundeerde theorieën, die op deelgebieden hun bestaansrecht bewijzen.

    Naar mijn mening ontbreekt het echter aan een theorie van hoger orde, waarin die deeltheorieën kunnen worden ingepast.

    Dit leidt er toe, dat veelgebruikte begrippen als gedrag, persoon, situatie en vele andere weliswaar vlot uitwisselbaar zijn en als verbaal “wisselgeld” dienen. Het blijven daarmee echter begrippen xml:namespace prefix = st1 ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:smarttags" />van een lage orde die eigenlijk nooit leiden tot verheldering. Evenmin fungeren ze als onmisbare basisbegrippen in een verhelderende theorie.

    Ik ben op zoek naar een theorie, die aan de hierboven geschetste behoefte tegemoet komt. Analoog aan de natuurkunde zoek ik naar een “Grand Unifying Theory”, “Theorie van Alles” of “Standaardmodel” voor de psychologie.

     

    Dat is een ambitieus doel. Het voordeel daarvan is ongetwijfeld, dat er nog geruime tijd werk valt te verrichten. Een ander voordeel is dat dit werk vanachter de schrijftafel kan worden verricht en gemakkelijk kan worden ingepast naast sociale verplichtingen en vakanties.

     

    Pas indien dit project enige inhoud heeft gekregen, wil ik dit in ruimere kring aan de orde stellen en bijvoorbeeld publiceren of een universitair instituut inschakelen.

     

    Als u er voor voelt om aan dit onderwerp bij te dragen en daarin samen te werken – wij zullen elkaar vooral via de elektronische post raadplegen – laat dat dan weten. Wie weet ontstaat er een vruchtbare samenwerking.

     

    Met vriendelijke groeten,

     

    John L. Horowitz,

    klinisch psycholoog, gepensioneerd

     


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    06-08-2007, 00:00 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    30-07-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    24-05-2007

    xml:namespace prefix = v ns = "urn:schemas-microsoft-com:vml" />EEN NIEUWE ONTWIKKELING:

    In het essay over "quantumfysica en psychologie" sluit ik een verband tussen natuurkundige en gedragsmatige processen nog uit. De vergelijking speelt zich daar af op het niveau van analogie, metafoor.

    Nieuw is het vermoeden, dat er wel degelijk een inhoudelijke overeenkomst tussen beide domeinen bestaat. Dit maakt het mogelijk om ook gedrag te beschouwen als processen, die een natuurkundig karakter hebben.

    De gedachten gaan in die richting, dat gedrag is op te vatten als processen die zich als complexiteiten gedragen. Er is daarbij niet alleen sprake van multifactoriële relaties. Ook treedt er wisselwerking op tussen de betrokken factoren. Zo ontstaan fractale structuren. Essentieel daaraan is, dat de zich vormende patronen onafhankelijk zijn van de schaal – ook wel “korrelgrootte” genoemd - die men toepast.

    Deze wisselwerking leidt er toe, dat het leggen van historische verbanden en het doen van voorspellingen moeilijker verloopt, dan men in het dagelijks discours gemeenlijk aanneemt. In de psychologie is dit trouwens al lang bekend. Het verklaart mijns inziens de zeer bescheiden statistische verbanden, die er bij onderzoek gewoonlijk gevonden worden.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    30-07-2007, 00:00 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    24-05-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    QUANTUMFYSICA EN PSYCHOLOGIE 
     


    ESSAY
    John L. Horowitz
    2006


    Inleiding
    Dit korte essay is geschreven in het kader van de cursus Quantumfysica aan het Instituut voor Interdisciplinaire Studies, aan de Universiteit van Amsterdam. Het behandelt een denkbare relatie tussen de quantumfysica en de psychologie.

    Een korte toelichting op deze gedragswetenschap, voor zover strikt nodig voor dit essay: psychologie onderzoekt gedragingen van mensen. Gedrag wordt hier in de eerste plaats beschouwd als losstaand van afzonderlijke individuen.

     

    Op zoek naar een “standaardmodel” voor de psychologie worden denkmodellen en hypotheses geformuleerd, die ook in de deelgebieden geldig dienen te zijn. In dit louter exploratieve stadium zijn de hypotheses uitsluitend gebaseerd op individuele ervaringen en overwegingen. Empirisch onderzoek lijkt me een wenselijk vervolg.

     

    Een vergelijking tussen beide wetenschappen kan zich op de volgende niveaus voltrekken:

    1. in de quantumfysica manifesteert zich een principe dat ook in het gedrag werkzaam lijkt. De natuurkunde treedt daarbij als inspirator op voor de psychologie, overigens zonder een vermoeden omtrent het bestaan van een gemeenschappelijk mechanisme. Deze gelijkenis voltrekt zich derhalve op louter fenomenologisch niveau;
    2. psychologie en quantumfysica ontmoeten elkaar op kentheoretisch niveau. Dat kan in principe in beide wetenschappen tot een nieuwe visie leiden. Hier is het echter uitsluitend de natuurkunde die de psychologie op ideeën brengt.

    Determinisme en kans

    1900 was een belangrijk jaar voor de natuurkunde, in mindere mate ook voor de psychologie. De quantumfysica begon immers met een publicatie van Max Planck1900.

    Sigmund Freud1900 schreef in dat jaar “Die Traumdeutung”, een belangrijke bijdrage aan de door hem ontwikkelde psychoanalyse. Het betreft een verhandeling over de veronderstelde werking van het “onbewuste”, zoals dat zou blijken uit dromen. Vanuit een zelfgerapporteerde droom wordt in de psychoanalyse op individueel niveau een causale voorgeschiedenis geconstrueerd. In de latere praktijk van de psychoanalyse zien we dat ook de toekomstige ontwikkeling van een persoon met vaak grote stelligheid wordt voorspeld.

    Dat de psychoanalyse nooit bevredigende onderzoeksresultaten opleverde, schrijf ik grotendeels toe aan het gebruik van het klassiek Newtoniaanse causaliteitsmodel. Dat blijkt ontoereikend voor het beschouwen van gedrag.

     

    Naast de quantumfysica kunnen ook andere verworvenheden van de natuurkunde aan een standaardmodel voor de psychologie bijdragen. Dit geldt mijns inziens voor theorieën over netwerkenGallos, 2006; Song, 2005, 2006 en over complexiteitenGleick, 1989.  Het voorspellen van gedrag blijkt – zeker voor het individu – een extreem moeilijke opgave. Al deze modellen vervangen het klassieke causaliteitsdenken en propageren waarschijnlijkheidsmodellen.

     

    Indien men het venster verruimt door uitspraken te doen voor welomschreven groepen van individuen, dan zijn kansmodellen al in ruime mate beschikbaar. Dit vormt danook de huidige praktijk van de psychologie. Betere statistieken komen ook voor het individu beschikbaar, naarmate men de werkzame processen en vooral ook hun onderlinge wisselwerkingen beter kent.

     

    Deze relaties functioneren op niveau 2.

    Superpositie en golffunctie

    In de Kopenhaagse interpretatie wordt voorgesteld, dat na een meting de golffunctie instort. Dit levert een zeer suggestieve gelijkenis op met gedrag. Er lijkt namelijk een groot verschil te bestaan tussen verwachtingen, hoop en voorspellingen enerzijds, tegenover de confrontatie met feiten anderzijds. Het aanvankelijk naast elkaar bestaan van diverse mogelijkheden – gelijkend op superpositie; suggestief is de “kat” van Schrödinger – leidt abrupt tot een nieuwe situatie, zodra de kans en de daarbij behorende mogelijkheden worden vervangen door een uiteindelijk feit. Deze sterke gelijkenis met het “instorten van de golffunctie” speelt zich af op niveau 1.

     

    Dit principe manifesteert zich vooral in afzonderlijke situaties van het individu. Wat binnen de ene situatie namelijk als “feit” geldt, kan in het verdere tijdsverloop alsnog hoop of toekomstfantasie – dus alsnog behorend tot de golffunctie en de kans op uiteenlopende realiseringen - blijken te behoren en zelfs terugblikkend een nieuwe betekenis krijgen. Het lijkt danook de moeite waard om na te gaan, in hoeverre mensen over adequate cognitieve technieken beschikken om deze uiteenlopende situatiestructuren uit elkaar te houden.

    Onbepaaldheidsrelaties

    Werner Heisenberg’s onzekerheids- of onbepaaldheidsrelaties bieden mijns inziens veel aanknopingspunten voor de psychologie. Deze gelijkenissen voltrekken zich op niveau 1.

     

    Gedragingen schijnen geordend als elkaar successief opvolgende eenheden. Ook in het taalgebruik vindt men deze ordening terug.

    Ieder gedrag lijkt echter uiteen te vallen in ongeteld veel onderdelen, die niet alle langs eenzelfde tijdlijn geordend zijn en met een voorlopig geschatte frequentie van omstreeks 10 per seconde verschijnen. Dat gedrag modulair is opgebouwd, werd eerder voorgesteld door Fodor1983.

     

    Voor het psychologische tijdsverloop van situaties lijkt het beeld bruikbaar van een rijdende trein. In de wagon kan men met de bewegingsrichting mee, of er tegenin lopen. De loopsnelheid in achterwaartse richting kan zelfs groter zijn dan de snelheid van de trein, over de rails gemeten. Daarmee wordt bedoeld, dat herstructurering van het verleden kan plaats vinden vanuit een later tijdstip. De tijdvector lijkt in dat geval te worden omgekeerd en in achterwaartse richting te lopen. Iets dergelijks kan zich trouwens ook naar de toekomst voltrekken. Dit heeft onder meer tot gevolg, dat het moeilijk is om gelijktijdigheden te bepalen.


     

    In 1796 werd een astronoom in Greenwich ontslagen, omdat hij de doorgang van een ster steeds ongeveer een seconde te laat vaststelde. De Duitse astronoom Bessel onderzocht dit en stelde vast dat het voor iedereen onmogelijk is om gelijktijdig twee voorvallen te constateren. (Linschoten1957).

    Deze auteur trok overigens niet dezelfde conclusie, die ik daar nu aan verbind.

     

    Een naturalistisch experiment: probeer in een stilstaande trein het moment te bepalen, waarop deze begint te rijden. Richt daarbij uw aandacht op wat zich bij u in de aanloop en daarna voltrekt. Ik voerde dit simpele experiment meermalen uit, op weg naar deze cursus. Zo werd zelfs de weg er naar toe een boeiende ontdekkingsreis!

     

    Wat zich gewoonlijk aan de directe waarneming onttrekt en middels de taal geordend en constant lijkt, vertoont met het verloop der tijd statistische strooiing in de betekenissen. Ook binnen het functioneren van eenzelfde persoon treedt grote strooiing in het gedrag op.

    Het vermoeden rijst, dat deze strooiingen de wisselwerking tussen mensen beïnvloeden en mogelijk ook het individu chronisch kunnen verwarren. Een bron voor psychopathologie?

    Indien deze fluctuaties inderdaad een rol spelen in de wisselwerking tussen mensen, dan ligt het voor de hand dat dit ook in het taalgebruik tot uiting komt. Die zoektocht is zojuist ingezet en levert nog geen resultaat op.

     

    Het lijkt, dat déjà-vu ervaringen, godsdienstige ideeën en paragnostische verschijnselen oorzakelijk kunnen worden toegeschreven aan deze strooiingsverschijnselen of zo men wil, aan de “golffunctie” van het gedrag. Indien de spreiding van de strooiing kan worden vastgesteld, kunnen er misschien grenzen van de communicatie tussen mensen of binnen het functioneren van een individu worden vastgesteld, analoog aan hetgeen Heisenberg deed voor de golflengte van elementaire deeltjes.

     

    Het lijkt dat deze fluctuaties tevens de plasticiteit in het gedrag mogelijk maken, die mensen enigermate onderscheidt van andere zoogdieren. Het begrip “bewustzijn” verwijst mogelijk naar ditzelfde verschijnsel. Statistische strooiing in het gedrag zou aldus evolutionaire overlevingswaarde kunnen hebben.

    Mogelijk geldt hier, wat de filosoof Johan Cruyff ooit stelde: “elk nadeel heb zijn voordeel”.

    Afronding

    Leentjebuur spelen bij de natuurkunde en speciaal bij de quantumfysica, werkt inspirerend en wijst misschien de weg naar een standaardmodel in de psychologie. In de vakliteratuur zijn daar meerdere voorbeelden van. Zie bijvoorbeeld Merri1995 of  Satinover2001.

    Analogieën met de onzekerheidsrelaties van Heisenberg en ook met de golffunctie van Schrödinger dringen zich voortdurend op. Is dit het begin van een “deeltjespsychologie”?

    Ten slotte: vormen de hier veronderstelde “gedragsdeeltjes” de onderliggende en verborgen laag in het gedrag, waar Sigmund Freud naar op zoek was? Een paar goede redenen om verder te zoeken.

     


     

    Literatuur

    1.      Fodor, Jerry A., the modularity of mind; an essay on faculty psychology; a Bradford Book, MIT Press, 1983.

    2.      Freud, Sigmund; Die Traumdeutung; Gesammelte Werke, Wien; 1900;

    3.      Gallos, Lazaros; persoonlijk gesprek op 2 mei 2006, Benjamin Levich Institute, City College of New York;

    4.      Gleick, James; chaos, de derde wetenschappelijke revolutie; 2de druk, 1989; oorspronkelijk: Chaos, 1987;

    5.      Linschoten, J; algemene functieleer. In: Langeveld, M.J. et al.; inleiding in de psychologie; Wolters, Groningen, 2de druk, 1957;

    6.      Merry, Uri; coping with uncertainty, insights from the new sciences of chaos, self-organization, and complexity; Praeger, xml:namespace prefix = st1 ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:smarttags" />Westport, Conn.; 1995;

    7.      Planck, M.; Über eine Verbesserung der Wienschen Spektralgleichung; Verhandl. dtsch. Phys.; Ges. 2, 202; 1900.

    8.      Satinover, Jeffrey; the quantum brain; John Wiley & Sons, New York, 2001;

    9.      Song, Chaoming & Shlomo Havlin & Hernán A. Makse; self-similarity of complex networks; Nature, vol. 433, January 2005;

    10.  Song, Chaoming & Shlomo Havlin & Hernán A. Makse; origins of fractality in the growth of complex networks; Nature Physics, vol. 2, April 2006.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (3 Stemmen)
    24-05-2007, 00:00 geschreven door John L. Horowitz
    Reacties (0)
    Archief per week
  • 17/06-23/06 2013
  • 14/01-20/01 2013
  • 31/12-06/01 2013
  • 25/04-01/05 2011
  • 13/12-19/12 2010
  • 06/09-12/09 2010
  • 26/07-01/08 2010
  • 19/07-25/07 2010
  • 14/06-20/06 2010
  • 15/02-21/02 2010
  • 08/02-14/02 2010
  • 11/01-17/01 2010
  • 26/10-01/11 2009
  • 24/08-30/08 2009
  • 27/04-03/05 2009
  • 06/04-12/04 2009
  • 02/03-08/03 2009
  • 23/02-01/03 2009
  • 09/02-15/02 2009
  • 02/02-08/02 2009
  • 26/01-01/02 2009
  • 12/01-18/01 2009
  • 05/01-11/01 2009
  • 22/12-28/12 2008
  • 15/12-21/12 2008
  • 08/12-14/12 2008
  • 01/12-07/12 2008
  • 24/11-30/11 2008
  • 03/11-09/11 2008
  • 25/08-31/08 2008
  • 18/08-24/08 2008
  • 11/08-17/08 2008
  • 28/07-03/08 2008
  • 20/08-26/08 2007
  • 06/08-12/08 2007
  • 30/07-05/08 2007
  • 21/05-27/05 2007
    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.

    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Blog als favoriet !

    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!