Dagboek
21 wij binnen bij Rimbout en we woonden en sliepen in een schoon hovenbuur ons boeren zegden we gaan niet verder, en al die mensen die in de zelfde straat hadden van ons vlugtelingen bin genomen dus we waren er heel goed, maar de zelfden nagt kregen wij al de spaanse griep zegden ze we waren erg ziek en me kregen medecijn van een dokteur de ziekte duurde niet lang, in alle geval we waren ingeschreven in Moorsel om soep en eten te halen, dat was zeker omtrend een uur gangs om soep te halen ik en mijn broeder een ketel en ik een schorte op gevuld met brood en we moesten nu en dan ons zetten van flauwte met die griep en zoo geladen, we geroohten tog bij onze boer en de wagens stonden gereed bespannen met de peerden en wij seffens op de wagens en weder weg zulle vooruit er was gevaar voor de peerden en mans volk en alzoo vooruit naar Moorsel Baerdeghem Opwijk in de tap geslapen het luidde ’s morgens ik zegde wat is er nu te doen in de kerk ’t is Allerheiligen zegden ze en alzoo blijven wij hier nog deez dag ook

