Naar de inhoud

Rollegem blogt ...

Categorie: Nostalgie

nostalgie

Ook trouwen met den tekst in goede in kwade dagen lezen we vanuit de gazette, zette voor sommige heren een danige bekommernis dat ze zelfs kuisheidsgordels bedachten. Deze dingen werden aan de vrouwen opgelegd om bij een lange afwezigheid van de brave man of vriend “onaangeroerd” te blijven. Dat “ding” was dus een beveiligingsmiddel tegen overspelige “inbraak”

Het object bestaat uit een in leder of smeedijzer gemaakte lendengordel, die voorzien was van wel bepaalde al dan niet versierde openingen voor de dagelijkse behoeften. Het instrument in kwestie werd met behulp van een kogelhangslot beveiligd, waarna de man met een gerust gemoed vandoor ging.

Dit object zou rond het jaar 1400 uitgevonden zijn in Italië, vandaar de benaming Florentijse gordel.

Ook heel wat sprokkelingen rapen over vruchtbaarheid uit onze gazetten, onder ander: dat in de Haute Marne mag een schotel dorperwten op een huwelijksmaal niet ontbreken. Het gebruik zou zijn oorsprong hebben in de Keltische vruchtbaarheidssymboliek, waarbij “erwtenkorrels” voor “ sperma” staan. In Duitsland behoren erwtenschotel in 1274 tot het bruidsmaal, want het zou de vruchtbaarheid aanzwengelen.

Korrels werden over het bruidspaar uitgestrooid, wat wel eens vergezeld ging van de niet mis te verstane wens van “ Geluk en rijke kinderzegen”.

Op Goede vrijdag was een oud gebruik dat men met een zak erwtenkorrels tegen de stam van de fruitbomen te slaan. En met kerstnacht liet men de hoenders erwten pikken, want ze zouden meer eieren leggen.

De Peulerwten werden in verband gebracht met het liefdesspel. Het genot van deze culinaire gewaardeerde groente werd spreekwoordelijk met minnelust vergeleken. Zo zegt een spreekwoord: “ Groene peulen en jonge vrouwen is een zachte spijze om te verdouwen”.

1 reactie Reageer op dit bericht

nostalgie

Ook vanuit mijn gazette kan ik meespreken over de ooievaar.

Kindertjesboom en ooievaar, kool en geboorteschip zijn symbolische voorstellingen die het in de verruimde geboortegrafiek het nog steeds doen. Zoethoudertjes voor kleine vraagstaartjes zijn het allang niet meer. Onze kleuters weten reeds best dat het kindje uit moeders buik groeit. Vroeger in mijn tijd kwamen uit de kool. Jongens uit de rode, meisjes uit de witte kool. In het Limburgse kwamen ze naar het schijnt uit de koolmijnen evenals in het Luikse. Aan de kust en langs de waterwegen kwamen ze per kinderboot. Maar de kinderbrenger bij uitstek dat was de ooievaar. Afgebeeld met in zijn snavel een doek waarin hij de baby vervoerd. Het zou zo ontstaan zijn rond het einde van de 18de eeuw in Duitsland en bij ons overgewaaid begin de 19de eeuw. Ooievaar, lepelaar, lepeldief breng ons kindje in de wieg.

De verbeterde communicatiemiddelen zorgden ervoor dat ook trein, wagen en vliegtuig de kindjes konden meebrengen.

Het geslacht werd sinds de oudheid bepaald volgens het gedrag van de moeder. Naargelang de vrouw rechts of links draagt is het een jongen of een meisje. Men trachtte zelfs het geslacht van het kind bij de geslachtsgemeenschap te beïnvloeden. Zo moest de vrouw haar linkerheup iets hoger houden als men een jongen wilde. Een kindje bij nieuwe maan verwerkt, zou volgens het volksgeloof gegarandeerd een meisje zijn. Wilde men absoluut een jongen dan zei men al gekscheren “ ge moet te bed gaan met de laarzen aan de voeten”, of “ ge moet u muts aanhouden”. De familie welke een meisje wilde beloofden en indien de wens vervuld was , dat hun dochter zeven jaar blauw zou gekleed worden. En dan was nog de proef met de zoutkorrel. Men hield een zoutkorrel tegen den tepel van de aanstaande moeder. Indien het zout niet smolt, mocht ze een jongen verwachten.

Het gezegde dat iemand “ heet gebakerd is” herinnerd aan de bakermat of –mand, waarin moeder en kind konden plaatsnemen en dicht bij het haardvuur kon worden geschoven. De vuurmand kwam later en was voorzien van een rooster waarop kolen werden gelegd. ( de bakermat is gemaakt van stro en kertelen van gekloofde bramen en ze is gevlochten volgens de wereldwijd bekende spiraaltechniek.) In de 18de eeuw moest de bakermat het afleggen tegen het vuur- en luiermand of het laag bakerstoeltje met hoge rugleuning.

De vroedvrouw was eerst louter uit hulpvaardigheid, later tegen betaling. Van een opleiding was er zeker geen sprake, er golden wel speciale regels. Zo moest de vrouw zelf kinderen gebaard hebben. Ze mocht zich zeker niet bedrinken. Het beroep had eerder een slechte reputatie, doch keek iedereen in het dorp met ontzag naar haar op. Men noemde haar de “ vroede” de wijze vrouw. Ook gebruikte men “ vroemoer” of nog “goede vrouw” of kortweg “moer” .

Het gebruik van geboorte kaartjes zou ontstaan zijn in de eerste helft van de 19de eeuw. Aanvankelijk kwamen ze allen voor in het Frans. De Nederlandstalige verschenen pas vanaf 1900. Het oudst bekende dateert uit 1846. Tot 1928 bleven beperkt tot een gedrukte tekst geboorteaankondiging, later duiken motieven op. Het is pas vanaf 1950 dat de namen van de peter en de meter vermeld worden samen met de kraaminrichting.

Reageer op dit bericht

Nostalgie

De vrijer vindt zijn lief altijd de mooiste.

 

Rond vrouw en lief zijn duizenden spreuken, spreekwoorden en fabels geweven. Allen bevatten zij een kern van waarheid, maar vaak doen zij alleen maar glimlachen, omdat de vrouw, ook in het verleden, niet zelden het mikpunt was van spot.

Zo zei men “jonge peulen en jonge vrouwen zijn licht verteerbaar.” Of zoete peren en jonge vrouwen blijven niet duren”

Dan hadden we nog “ De vrouw bouwt het huis of slaat het in gruis”

Guido Gezelle schreef: “ Vrouwen en peerden, niets preutser op de eerde” of zo schreef hij ook “ Van vroeg opstaan en late trouwen doet niemands hoofd pijn.”

Toen zei men:” een man zonder vrouw is een paard zonder teugel”. En naar de al oudere man durfde men nog te zeggen: “Oude mannen en jonge wijven, geeft veel kinderen en veel kijven”.

Een vrijgezel kreeg op zijn dertigste de sleutel van de ossewei. Die mocht dus wel bij de ossen gaan staan in de wei, maar een vrouw was er voor hem niet meer bij.”

Onze voorouders kenden zoveel spreuken, zoals bijvoorbeeld nog dit: “ men mag bij het zoeken niet te veeleisend zijn. Want, wie een paard of een wijf zoekt zonder gebreken, mag het werk wel laten steken”.

“Geld zoekt geld” of “ de liefde doet veel, maar geld doet de rest”. Maar als het teveel opviel, werd wel eens gemompeld: “ het is om het goed maar niet om het bloed”.

Om nog maar eens Gezelle te citeren; “ een vuile moeder heeft zelden propere dochters”.

En zoals de juffer is, is ook haar hond.

Laat dit U intussen een troost wezen; “ Hebt u u intussen een Boze griet, schiet u nooit voor de kop; maar stop bedaard een pijp, en lees het boek van Job.

Reageer op dit bericht

nostalgie

Ook de man was niet gespaard, hij moest de wieg maken. Ze was van hout of riet en moest kunnen schommelen, want de kleine zou beter inslapen. Vaak kwam de wieg via overlevering in het gezin terecht.

Bij de bevalling kwam dan de “achterwaring” ze werd gehaald door de vader wanneer “het water brak” maar vaak was ze op dat ogenblik in huis. Dat betekend dan ook die “de geboorte geschiede thuis”

De vader was bij het gebeuren niet aanwezig, het zou ongepast gewezen zijn.

De vader reed met de fiets het dorp rond voor de bekendmaking en meestal kwam hij niet meer nuchter thuis. Veelal werd het ook “doorgezegd” het duurde niet lang of heel het dorp wist het. Doopkaartjes waren slechts voor de hele rijke klasse van toepassing.

Den boreling kreeg uiteraard ook een peter en meter. Het was een ernstige aangelegenheid, het gebeurde volgens een strikt hiërarchische normen, en der werd zeker niet aan getornd. Bij het eerste kind waren de vader van de vader en de moeder van de moeder, peter en meter. Bij het tweede kreeg de moeder van de vader en de vader van de moeder het toegewezen. Bij de volgende kinderen ging het naar de ooms en tantes volgen in de volgorde, van de oudste naar de jongste en daar werd zeker niet aan geraakt. Er was geen sprake van een voorrecht, maar gewoon van een recht.

Het was de peter of de meter om een naam te geven aan het petekind. Bij gebrek aan inspiratie werd de heiligenkalender er bij gehaald en dan gaf vaak de dag van de geboorte de doorslag om een naam te geven. Kon de peter of de meter door ziekte of iets dergelijks op het doopfeest niet aanwezig zijn, dan werd er een plaatsvervanger gezocht. Die werd dan “Peetje of meetje lap” genoemd.

Het doopfeest was zeer formeel, er werd enkel op zondag gedoopt. Meestal na de hoogmis of na de vespers. De plaats van dopen was de dorpskerk, hij die doopte was de parochiepriester of een familielid priester. De doopviering was een aparte, vrij korte plechtigheid, welke niet in een mis werd ingekleed. Het doopkleed ging vaak van moeder op dochter over. Was er geen, dan werd dat door de moeder zelf gemaakt. Slechts zelden werd een kleed gekocht. De priester kreeg een kleine vergoeding, welke niet verplicht was, dat door peter en / of meter werd gegeven.

Na de doopplechtigheid ging de familie( beperkt tot het gezin, aangevuld met peter en meter) meestal op café, er werden zoveel mogelijk herbergen met een bezoek vereerd. Deze drink gelagen werden meestal betaald door de meter en / of de peter, minder vaak door de vader. Uiteraard was de moeder bij deze plechtigheid en viering niet aanwezig, zij moest geduldig wachten en hopen.

Wanneer men dan thuis kwam werd er dan toch iets gegeten. Bij de rijken een feestmaal, bij de werkende klasse veel minder. Het ging hem over een broodmaaltijd, bijvoorbeeld “Koekebrood” met kaas of hesp. Ook witloof met ham, konijn of kip. Men dronk daarbij bier of borrels, soms ook wel wijn.

Reageer op dit bericht

nostalgie

Uit de Leie gouw Jg. XXIV afl. 3-4 December 1982

 

Men zegt dat vandaag de jeugd niet meer te worden voorgelicht over de herkomst van de “Kleine kindjes” Vroeger was de geboorte omgeven met vele taboes. Men zocht ze duidelijk buiten het huis, in de “Lochting” (moestuin) daar waren soorten kolen genoeg waar aan de kinderen konden ontspruiten. Denken we maar aan de bloemkolen en savooikolen.

Wie geen “Lochting” had, ging zich beroepen op de bevaarbare rivieren of wateren waar een bevlagd schip voorbij kwam. Of was het de ooievaar die het kind van verre streken meebracht.

Sommigen kwamen van een groot warenhuis, een achterwaring( iemand die de rol vervulde van vroedvrouw, maar was niet gediplomeerd) of het was de dokter welke het meebracht. Het was zeker niet denkbaar dat men aan een kind zou vertellen hoe de vork aan de steel zat.

De volwassen wisten het natuurlijk maar al te goed, op alle soorten manieren wisten ze de zwangere vrouw te beschrijven. Zoals die vrouw is in “Positie” of “ ze doet mee”. Nog andere z’é(d) eur loaten goan, z’es (van) alzo, ze spoart, z’e (s) in verwachtinge, ze moe ne kliênen kopen of z’é verschoten.

Als het toen minder fatsoenlijker en volkser er aan toeging klonk het zo: ze zit vul, z’e(s) é/ tegen een poale gelôpen, ze zit dikke, z’e(s) tegen de noek van de toafel gelôpen, z’e(s) in dracht, z’è’t angen z’è(d) eur gat verbran(d) of z’è’t were zitten of nog straffer j’es/èt er bleuven ipzitten.

Juist zo als nu is wil men ook weten welke het geslacht is, ook vroeger was het zo, zou er een opvolger zijn; ga het een jongen of een meisje zijn.

Zo had men het direct beet, een zwanger vrouw heel dik met goede eetlust was gegarandeerd ne jongen.

Was het gebeurd in de roste moane, gegarandeerd ne jongen.

Ook het kleur van de urine speelde een rol. Zelfs na de geboorte van het vorige kind kon men reeds voorspellen wat het geslacht van de volgend kon zijn.

En dan waren er de zaken die bij een zwanger vrouw kwamen kijken. Zo mocht de zwanger vrouw zeker niet te hoog reiken, ander zou de navelstreng rond de hals van het kindje raken.

De vrouw mocht zeker niet schrikken, en zeker niet bij volle maan. Oppassen voor de nefaste gevolgen bij het eten van aardbeien, het kind kon hierbij “geboorteplekken” hebben.

Wat wel moest, was, dat de vrouw alles waar ze zin in had te eten, zeker niet mocht geweigerd worden want dan zou ze “verwateren” of “ankeren” wat zeker uit den boze is.

Zware zaken tillen was logischerwijze gevaarlijk, maar zeker was gevaarlijk naar gehandicapten en “mismaakte” kinderen kijken, of naar een man of vrouw uit het gebuurte te lonken.

Boter zeker niet zouten, geen lijken gaan begroeten en zeker de benen niet kruisen dat was taboe. Heel wat oude vrouwen welke bekend stonden als heksen, konden heel wat schade aanrichten, vooral als die “bes” van een zwarte kat vergezeld was.

Zij die kinderloos waren stond een zaak vast, het was de vrouw haar schuld, nooit deze van de man. Ze kon zich laten belezen, of op bedevaart gaan.

Een gezin “in blijde verwachting” had altijd iets om handen. Kleertjes maken, daar kwam heel wat naaiwerk bij te pas, denk aan doopkleedje. Maar opgepast niet te veel want dit kon een miskraam teweeg brengen.

Reageer op dit bericht

nostalgie

1981-XXIII maart I terug gevonden in de Leiegauw

 

Wist u dat in 1424 er een avond klokke bestond welke liet weten dat de inwoners hun haardvuur moesten afdekken met de vuurstolp. Kortrijkse wingeroen.

Dat de herbergen en teveernen moesten sluiten.

Avond klok uit het Frans = couvre-feu hier uit ontstond het Engels woord curfew. Een andere naam daarvoor was wingeroen uit het Frans vigneron, wat kon vergeleken worden met winglock.

De klok die de wijntappers aanmaande om het tappen te staken.

 

Biografie 1980 blz. 126 nr. 64 P Goussaert “ De Marionetten en omgeving

Molens: Mattelaer, de voormalige “ Tombroekmolen” te Luingne. Molenecho’s VII 1980 nr3

 

Jaargang XXIII December 1981 blz. 333, Zij waren ook heren van Komen en van Rollegem PH Despriet , twintig Zuidwestvlaamse hoeven Kortrijk 1920 II 129-132.

 

De hoogtepunten bij het vieren van een patroonheilige lag voor de jaren 1800 tot 1805 de jaren daarop volgende werden de processies definitief verboden door de bisschop.

De reden lag voor de hand: Te Moen hadden ze de St-Elooivieringen en die had (aldus de beschrijving van de St Laurentius kroniek in deze uitgave) een wrange nasmaak gekregen, omdat de ruiters met hun paarden in de kerk binnendrongen, waar de vroomheid onder invloed van overvloedige drank in de lokale herbergen, ontaard was tot vecht en scheldpartijen, vernieling en het afvuren van geweren, waarbij gewonden vielen. Aan die te onstuimige devotie werd dan ook kordaat paal en perk gesteld en vieringen beperkt tot een hoogmis met tentoonstelling en verering van de relikwie. Men vind dit ook terug in “Rond den Heerd” VIII 1873

 

Maart 1997 jg. XXXIX Afl.1

 

Schepenhuisstraat 53, eigendom van J.M. Foulon-De Puydt. Sedert 1898 eigendom van de Franse groothandelaar Jules Clarysse-Dumortier van Torkonje. Kasteel en park zijn beschermd bij M.B. van 17 juni 1992.

Het was een Frans edelman welke volgens traditie halverwege de 19de eeuw bouwde. De noordgevel is begrensd door twee octogonale torens met spitsboogvensters. Het muurvlak vertoond raadselachtige geel en rood geschilderde versieringen. (een “Trompe-l’œil)

Reageer op dit bericht

nostalgie

De bruid was in het wit.

 

De toeschouwers die zich altijd aan den ingang van de kerk in een erehaag opstellen constateren met groot genoegen: “ O kijkt zij is in het wit en in ’t lang”. Maar vanwaar komt het gebruik dat de bruid in ’t wit moet zijn? Het wit is nog maar goed een anderhalve eeuw in de mode lezen we in 1985 in de gazette, ook al is het dragen ervan vele eeuwen in onbruik geweest.

De Romeinse getrouwde vrouw, droeg als teken van haar gehuwde staat, een rechthoekig lapje, dat los over haar hoofd was gedrapeerd. Het jonge meisje pronkte met lang losvallende haar.

Deze ziens wijze was algemeen aanvaard tijdens de middeleeuwen. In de 16de eeuw is ze geheel uit de kledij van de getrouwde vrouw verdwenen. Pas in het begin van de 19de eeuw zien we de sluier opnieuw in het modebeeld weer verschijnen. Alle kleren die men op die dag droeg, konden ook op een andere dag worden gedragen. Die situatie duurt voort tot in de 19de eeuw, ze verandert echter met de Franse revolutie. Na die periode wordt de klassieke oudheid in al zijn aspecten tot inspirerend voorbeeld. Zo ontstond de witte bruidsjapon, compleet met sluier. De zedige hooggesloten hals is nog niet in.

Dat stelde wel problemen in de twintiger jaren van de vorige eeuw. Toen de vrouw zich de gelijke van de man begon te beschouwen veranderde het opnieuw. Ze probeerde zoveel mogelijk in kleding en gebaar Een mannelijk voorkomen te verkrijgen ( dat geldt uiteraard slechts voor de “snobs” uit de wereldsteden van dien tijd.) Arme “garçonne” uit 1925. Alles wat vrouwelijk aan haar mag heten was verborgen: geen charmante coiffure, geen boezem, geen heupen; de rok was kort en de sluier op een hoed vastgepind kwam tot op kniehoogte. De sluier was enkel als sieraad gedragen en bedekte het niet het gezicht. Afgezien van het wit zou men wel enige moeite hebben om in deze kortgerokte modieuze dame van 1925 een bruidje te ontdekken.

Sinds dien is het bruidstoilet mee geëvolueerd met de mode: langer, korter, wijder, sluiker. Ook de stoffen zijde, rayon, katoen, nylon alles op zijn tijd. Ook de sluier varieerde van meterslang tot enkele decimeter. Er zijn vele moeders en grootmoeders die zelf noodgedwongen zijn getrouwd zonder deze Feeërieke tooi en er alles voor over hadden om hun dochters en kleindochters dit “ wit “ wel te gunnen.

Reageer op dit bericht

nostalgie

Vrouw en vrij.

Pas op 30 april 1958 schafte het Belgische parlement de voogdij van de echtgenoot af. Daarmee werd een einde gemaakt aan wat de code Napoleon uit 1804 was gestipuleerd, namelijk dat de gehuwde vrouw in feite levenslang minderjarig bleef. Met ziel en lichaam was zij volgens de wet het bezit van de echtgenoot. Haar loon kwam hem toe, haar briefwisseling werd streng gecontroleerd en zij mocht slechts scheiden, een recht tijdens de revolutie verworven, om wel bepaalde redenen.

Reageer op dit bericht

nostalgie

Het minnen was vrijmoedig maar het huwelijk kort.

“ Wat is jongheyd zonder minnen, wat is leven zonder vreugd, hangt aan de liefde uwe zinnen en bemind als ij meugd” (16de en 17de eeuw)

Toch zou het verkeerd zijn zich voor te stellen dat onze voorouders een leven leidden dat louter een aaneenschakeling was van geneugten en losbandige avontuurtjes. Een gezinstichten, kinderen krijgen was de hoogste betrachting. Overal net als in de natuur, groeide nieuw leven maar de dood is altijd alom nabij. Precies omdat de dood vaak ongenadig was. “Kweken” ‘als konijnen’ deed men in die eeuwen niet en het krioelde zeker niet van de kinderen.. Men trouwde immers vrij laat:25 jaar voor een meisje en voor de jongen nog een paar jaar later. En als je dan weet dat men een gemiddelde leeftijd kende van 35 tot 40 jaar, is het duidelijk dat zelfs bij een bijzondere huwelijksvruchtbaarheid, het aantal kinderen zich in het beste geval 4 tot 5 beperkte. Trouwen deed men ook niet zozeer uit verliefdheid. Niet dat er nooit sprake was van liefde. Vaak bestond dit wel, soms al ten tijde van de verloving, maar vooral pas na het huwelijk. Ze ontstond en groeide door de samenleving(….). In de jaren 1670 tot 1830 zouden er dorpen geweest zijn waar meer dan een kwart van de vrouwen in verwachting waren voor ze trouwden.

Tot dan had bijna niemand omgekeken naar gewaagde zinspelingen en bij het zien van bloot was niemand geërgerd. In 1457 bij de intrede van Filips de Goede in Gent, zwommen naakte meisjes in de Leie.

Bij de intrede van Filips de Stoute te Antwerpen in 1494 schreef een getuige:” De stellages, waar met de meeste lust naar keken, waren naar de godinnen, die door naakte levende vrouwen waren voorgesteld”.

In de 16de eeuw een zuster schrijft: ‘ ’s Zomers, als het mooi weer was, ging de priorin na het bidden van de vespers met de communauteit ver van de abdij wandelen bij de vijver langs de weg naar Parijs, daar kwamen de monniken van Saint Martin de Pontoise, van niet ver uit de buurt om te dansen, wat gold als de normaalste zaak van de wereld. Het zou kunnen dat de indruk gewekt is dat onze voorouders zich voortdurend gedroegen als vrolijke flierefluiters. Niets is nochtans minder waar, zowel bij de elite als bij het merendeel van de bevolking, een gezin stichten en kinderen krijgen bleef de hoogste betrachting.

“Vruchtbaarheid is van oudsher van grote betekenis geweest. Kinderen waren een hulp in de huishouding of bedrijf en een garantie voor een onbezorgde oude dag”

In Frankrijk noemde men een vrouw zonder kinderen tussen de 15de en de 18de eeuw vaak een “Brehaigne” (onvruchtbaar) of nagenoeg de zelfde term waarmee een stuk grond werd aangeduid waarop niet te oosten viel. Een onderbreking in de generatieketen werd door een stamfamilie ervaren als een aanval op haar voortbestaan. Voor jonge echtgenoten zonder kinderen was dit een moeilijke situatie; ze voelden zich schuldig omdat ze van geen nut waren. De dood is gemakkelijk te aanvaarden wanneer je de hoop hebt in je kinderen voort te leven; een man en een vrouw zonder kinderen zijn aberratie, ze zijn als het ware dood omdat ze geen toekomst hebben. Geen wonder dat allerlei vruchtbaarheidriten op het platte land de gewoonste zaak van de wereld waren. Er zijn meer voorbeelden bekend waaruit blijkt dat een schoen meer betekenis kan hebben dan alleen die van schoeisel, want als symbool en wens van vruchtbaarheid werden vroeger wel schoenen naar een bruidspaar gegooid. Een schoen in de stad een klomp op het platteland. In Frankrijk ging men na de maaltijd in optocht naar de “bruidssteen” die de echtgenote moest beklimmen: ze ging dan op een klomp zitten en liet zich van de helling glijden en als de klomp bijgeval brak wanneer ze beneden kwam riep man “ ze heeft haar klomp gebroken!” De echtgenoot wist wat het betekende: “zijn bruid was geen maagd meer!”

Reageer op dit bericht

nostalgie

We leven nu in den tijd waarvan we denken dat wij de wereld gemaakt hebben, nochtans met ons honderd jaar dat we hier mogen verblijven zouden we dat zeker niet kunnen realiseren. We mogen dus van geluk spreken dat we elk om beurt mogen meehelpen om iets na te kunnen nalaten. Toen men de oerknal nabootste, klonk het als of nu wisten wie deze wereld in elkaar geknutseld heeft. Maar als men met de telescopen die hebben, en nog altijd bijbouwen, zien ze dat ze onlangs hoe meer niets zien. Men stelt vast dat wat we spotten zeggen: “ Het heelal is zo groot dat zelfs den eersten die gestorven is nog in de hemel niet geraakt is, laat staan dat hij al zou terug zijn om ons te zeggen wat er daar is”.

En hierbij kun je, je dan de vraag stellen, heeft de mens al iets hier niet gezet wat er niet was? We horen u al roepen hebt u soms de computer uitgevonden? Dan antwoorden wij u welke materie zit er in de computer, die niet van deze aarde was? Je hebt gelijk als je zegt dat je met de materie iets hebt gemaakt, waar we verbaasd van opkijken en zeggen de mens is toch zeer ontwikkeld om zo dingen te maken. Toch het is alsof een goochelaar, die zijn beide handen in de lucht houd en ons duidelijk maak ik heb niets in de handen niets in het mauwen, en hop daar is een duif, of zelfs veel grotere dingen. Toch perslot van de rekening was de duif er! Met ander woorden, wij maken gebruik van de materie, waar we grootse dingen mee maken, doch alles ligt ter onze beschikking. Iets of iemand, heeft het ons om het waardig te gebruiken.

Iedereen denkt er het zijne over, maar wij zijn het niet, die hier enkele jaren verblijven, die de wereld het heelal laten bestaan. Men zegt dat wij het kapot maken! Hoe, door oorlog te voeren, want vrede, ja hier in het westen herdenken we honderd jaar oorlog, maar is dat vrede? Rijken blijven rijk, armen arm! De ene vecht voor zijn voedsel, de ander werpt het weg. Landen willen onafhankelijk zijn ander verbieden het. Is dat vrede?

We weten allemaal dat de kerken leeglopen, het begon al toen men de heiligen verbande uit de kerk, vroeger stonden de pilaren, indien het mogelijk was vol met heiligen beelden. Toen dacht men dat de mensen alleen naar der kerk trokken om heiligen te aanbidden. ’t Was misschien wel iets overdreven, doch nu is het langs den anderen kant dat men overdrijft. We lazen onlangs nog in de gazette dat men overdreven veel bloemen zet op het kerkhof en dat alleen met Allerheiligen. Ik had een vriend, en zoals Joris Declercq het zegt: “Ne vriend is lijk ne stekkerdraad, Je kunt er vast aan raken. En ojje weg wilt goan, ’t doe zeer, je los te laten” (Ik hoop dat Menheer Declerq het mij niet kwalijk neemt dat ik het gebruik) maar het is waar. En iedere dag breng ik hem geen bloemen op zijn begraaf plaats, hij staat bij mij thuis in de kast, en iedere dag als ik aan tafel zit zitten we recht over elkaar, en ‘t is alsof hij hier zit zoveel jaren later met zijn “export” van thuis van Bellegem. Allerheiligen, dan herdenken wij al die heiligen die niet ergens vermeld staan, Allerzielen, zij die ons dierbaar zijn, werden zoals de verjaardag van iedereen op een dag echt in de bloemen gezet maar dan allen in een keer.

Of feestdagen voor sommigen zouden mogen verdwijnen, oordelen wij hier niet, maar wij denken, toen onze ouders of onze voorouders er voor streden om die gebruiken en in voege te brengen dat ze wel ergens gelijk hadden. Echter is dit hier niet wat we willen bereiken, we willen alleen eventjes kennis maken met wat er allemaal zogezegd lang voor onzen tijd bestaande was maar tussen haakjes toch in gebruik is. Denk maar even wanneer we nu de kerk binnen gaan voor wat men noemt de H. Mis, ( eucharistieviering) dan zien we bijna allemaal grijze hoofden of kale koppen, met andere woorden oudere mensen. Bij zeldzame gelegenheden jongeren, wellicht, wanneer ook zij vergrijzen, zien we ze daar opnieuw. (Zoals men spreekt over de vergrijzing de baby boem jaren, zouden er misschien te weinig baby’s nu bijkomen en terug een ander kleur inbrengen dan grijs?) En toch, je zou haast denken dat er kabouters op pad zijn want bij vele heiligenbeeltenissen staan vele kaarsjes te branden. Bij kapellen, bij de verscheidene grotten verdeelt over Vlaanderen. ’t Is echt opvallend. Vandaar onze aandachten om die voorbije dingen eens op te rakelen. Wij gaan snuisteren in oude documenten en dagbladen tijdschriften en van die dingen meer, bij het opkuisen en wegwerpen, dat zij die achter ons komen niet te veel van dien “briel” nog zouden vinden. Maar we konden het over ons hart niet krijgen om niemand te laten mee genieten van die vervlogen tijden. Soms hebben we het zelf meegemaakt, andere van in de verte te horen zeggen, maar met respect voor zij die het meegemaakt hebben. Ontdekken van wat vroeger bestond is een prachtige gelegenheid om even om te kijken. Was het werkelijk alles zo slecht, we denken het niet, dat het soms overdreven was ja, maar is nu alles goed? Denk eens we lezen dat men in Kortrijk de Leie boorden gaan verlagen, ze waren vroeger laag en ze verhoogd het! En zo kan men doorgaan, laten we het gewoon bekijken en elk neemt er het zijne van. Toch is er bij het bekijken van de heiligen welke we volgen, een zeer opvallend iets. Die bekeerlingen gingen aan de mensen zeggen wat er men hen gebeurd was. Nu gaan of de mensen naar de priesters.(kerk) Er zijn weinig priesters die naar de mensen toegaan, of toch? Veel lees genot!

Reageer op dit bericht

Meer van Rollegem blogt ...

↑ Terug naar de berichten