oud Rollegem
Na Napoleon, Willem van Oranje waren we Eindelijk vrij.
Op Pinksteren 2 juni 1802 werd kwam onze parochie in een heugelijke dag, Voor het eerst in lange tijd konden de gelovigen weer naar hun vertrouwde kerk om er de mis bij te wonen en om de sacramenten te ontvangen. Onze parochie werd nu ingedeeld onder het bisdom Gent Dekenij Menen.
Voor die tijd behoorde onze parochie tot het Bisdom Doornik, dekenij Kortrijk.
De gelovigen betaalden toen de verplichte kerkelijke tienden. Het was een soort van geestelijke belastingen. Iedere inwoner moest een tiende van zijn inkomsten afstaan aan de kerk, voor het onderhoud en herstel van de kerkgebouwen. Dat hield ook in de jaarwedde van de pastoor en den onderpastoor. Door deze kerkelijke belastingen werden de parochie grenzen zeer goed afgebakend. Hier was de kerkelijke en de burgerlijke grens gelijkmatig.
In een dagboek van de dorpsgemeenschap leest men het volgende:
“De pastoor trekt van den bisschop jaarlijks 446 guldes. Hij ontvangt nog regellmatig geldelijkesteun van het Capittel van Doornik; ook geniet hij uit de inkomsten van de uitvaarten, van 43 jaargetijden , van81 gezongen en 9 gelezen missen.
De onderpastoor ontvangt van de tienheffers 15 gulden en van de parochianen 90 guldes.
De koster woont en een huis voor nieten, hij mag jaarlijks rondgaan om eieren en graan en ontvangt zijn aandeel uit de kerkelijke diensten. Daarenboven is hij schoolmeester.
Het H.Sacrament wordt naar de zieken gedragen met lantaarn en bel. Den bedienaar gaat in het wit gekleed rond de plaatse, in het zwart op verdere afstand.
In de processie gaan de beelden en de relikwieën mee, ook de ramen of kaders gedragen door mannen te peerde.
Onze jonge koning Leopold II mobiliseerde ons leger tijdens de Frans-Duitse oorlog (juli1870 – februari 1871) om onze grenzen te bewaken. Zo kwamen Belgische soldaten terecht hier te Rollegem. Zij maakten deel uit van het 1ste Linieregiment,, 3de bataljon. Het waren voor de dorpsgenoten “spectaculaire bezettingsdagen”. Dagelijkse schietoefeningen in bepaalde weiden, lange marstochten langs de straten, brullende sergeanten. Het verblijf van de soldaten was in een boerenschuur, of in een herberg op stro. Terwijl de offiecieren konden beschikken over een zacht bed bij goede burgers. S’ avonds brachten de soldaten hun tijd door in de vele cafés bij een pint en “Toebak” geen mens die er aan dacht dat honderd kilometer verder zuidwaarts hevig gevochten werd. Het was februari 1871 toen ze ons dorp verlieten.
Wanneer koning Albert in 1941 nog eens mobiliseerde, dacht men als soldaat aan wat vader of grootvader verteld had over die mobilisatie “ Het zullen weer vrolijke tijden gaan worden!”
Maar….
















