St Antonius
De relieken van St-Antonius.
Gretig dier, beestachtige afgrond, wellust van het vlees, smartelijke tweestrijd, vlammende hartstocht, onoprechter trouw, praatzieke tong, gewapende furie, vurige afgunst, baaierd van roddel, bekoorlijke pest, monsterachtige leugen, veroorzaakster van schipbreuk, aanstichtster van haat, eerste zondares, onruststookster, ondergang van koninkrijken, woud van hoogmoed, grimmige tirannie, IJdelheid der ijdelheden, nietsontziende gedrevenheid, beeld van afgoden, jaloerse na-ijver. De bovenstaande vertaling uit het Latijn van een “ alfabet van vrouwenondeugden” uit 1450 is een weinig vrouwvriendelijke voorbeeld van de opvattingen die men in den tijd had over vrouwen. Het is afkomstig uit een moraaltheologisch werk van een zekere Antonius. Het werk is eeuwenlang herdrukt en nam in die tijd een vooraanstaande positie in. Antonius verantwoordt de opname van het alfabet in zijn boek met de noodzaak van een waarschuwing tegen het verderfelijke in de vrouw. Hij verklaart echter ook uitdrukkelijk dat het alfabet niet voor alle vrouwen geldt. Er zijn, zelfs in zijn visie, voortreffelijke vrouwen, waartoe natuurlijk in de eerste plaats de maagd Maria gerekend moet worden.
Het staat vast dat in het alfabet genoemde ondeugden van de vrouw in die tijd zeer bekend waren. Het waren geen vrijblijvende gemeenplaatsen, maar geaccepteerde denkbeelden. Dat leest we in de gazette.(20/1/1983)
We geloven niet dat deze zekere Antonius den onzen zal geweest zijn, want volgens de Gerard was “ het land van onzen Antonius, Egypte een geschenk van de Nijl, het land van de reusachtige piramiden, van dorre woestijn, hij werd er geboren, hij heeft er geleefd en is er gestorven.
En hij beschrijft hier verder, Egypte welke gesitueerd is in het noordoosten van Afrika, westwaarts van Palestina. De Sahara, een onmetelijke woestijn over heel Noord Afrika, welke reikt tot aan de Rode zee. De woestijn welke doorsneden word door een strook van 50 km breed en 1000 km lange landstrook, welke regelmatig overstroomd wordt door de Nijl en daardoor een vruchtbaar gebied afzet en het bewoonbare Egypte vormt. In dit dal van de “hemelse Nijl” bevinden zich steden en dorpen, alsook een enorme schat aan kunsten: reusachtige piramiden, verbazingwekkende sfinxen, monumentale tempels, het artistieke hoogtepunt van de Egyptische kunst! Al deze gebieden rond de Middellandse zee waren in het begin van onze tijrekening bezet door de Romeinen. Het vaderland van onze Antonius een Romeinse provincie bestond toen uit twee delen: Opper Egypte met Thebe als hoofdplaats en Neder Egypte met als hoofdplaats Memphis.
Buiten het Nijldal was enkel wildernis en woestijn. Hier waren de overblijfsels te vinden van de vroegere steengroeven waar de heersende Farao’s stenen lieten houwen om hun piramides en tempels mee te bouwen. Het is precies in dit woest gebied dat de diepgelovige kluizenaars zich kwamen vestigen. Of ze hier lang vertoefden, meestal tijdelijk, zelfs na enkele dagen, hoogstens na een jaar keerden ze al terug naar de bewoonde wereld.
. Zij voor het materialistische of wegens herhaalde christenvervolging. De eerste kluizenaar welke hier langer verbleef was de H. Paulus van Thebe. Hij verbleef in een schamele grot van zijn 15het levensjaar tot aan zijn dood. Hij werd 113 jaar oud!
Hier zou onzen Antonius meestal verblijven en rondzwerven na zijn vertrek uit zijn geboortedorp Come.
Hij werd er geboren in het jaar 251, het dorp noemt thans Keman-el-Arus gelegen bij de stad Heracleen ten zuiden van Memphis.
Zijn ouders waren ontzaglijk rijk en zeer godvruchtige Kopten. Kopten dat zijn Egyptische christenen die de leer van Christus beleden. Ze waren in de minderheid, en daardoor leefden ze meestal in dorpen, ze ontvluchten de steden uit schrik voor vervolging van de Romeinen.
Er waren ook joden, maar de meerderheid waren heidenen. Hun godsdienst was veelgoderij.
Zijn ouders waren zeer bezorgd over zijn opvoeding, hij werd groot gebracht in het vaderhuis, waar weinig tijd werd besteed aan studie of aan andere leervakken of kennis. Hij ging niet naar school daar de leraren heiden waren. Hij sprak alleen Koptich, een vorm van Egyptisch dialect, de taal van de streek. Hij was zeer vroom, spijts zijn grote rijkdom, hij woonde alle kerkelijk diensten mee, beoefende alle deugden van matigheid en versterving. Hij eerde vader en moeder, was onderdanig en hield van de eenzaamheid.
Hij verloor zeer vroeg zijn ouders op amper 20 jaar was hij al belast met de opvoeding van zijn jongere zus. Bij het afsterven van zijn ouders was hij in het bezit van een aanzienlijk erfdeel.
Na het overlijden gedurende een kerkdienst hoorde onzen Antonius volgende aangrijpende woorden: ”Ga, verkoop al uw bezittingen. Geef het geld aan de armen en gij zult een schat hebben in den hemel. Wees nooit verlegen voor de dag van morgen”
Deze evangelische woorden zouden het verdere leven van hem bepalen. Hij trok naar huis en deed wat hij vernomen had. Hij plaatste zijn zus in een maagdenklooster, waar ze later abdis is geworden.( Volgens de meest moderne onderzoekers is dit het eerste vrouwenklooster waarvab men een spoor ontdekt in de literatuur.)
Gerard schrijft als volgt: “Antonius behoorde niet tot het dagelijkse soort stervelingen, zoveel is duidelijk bij alles wat hierna volgt”.
Hij trok hierna na de onherbergzame woestijn, zijn besluit stond vast hij ging leven als de arme Job.
Hij leefde in kleine schamele hut, hij liep ongeschoeid, droeg een haren onderkleed, een mantel van schaapsvel met kap en zwarte lederen gordel. Hij bracht zijn dagen door in gebed en boetedoening, met lezing in de H. Schrift en allerlei handwerk.





