2.4 Van graven tot hertogen

Tijdens de vroege Middeleeuwen maakte Thuinas deel uit van het graafschap Bruningerode. Het oude graafschap strekte zich uit tussen de Dijle en de Grote Gete en behoorde tot het prinsbisdom Luik. In 987 had prinsbisschop Notger dit gebied in leen gekregen van de keizer van het Heilig Roomse Rijk, Otto III.
In hun streven om de handelsweg Brugge-Keulen te domineren lieten de steeds machtiger wordende graven van Leuven hun begerig oog op Bruningerode vallen. In 1013 behaalde de graaf van Leuven, Lambrecht I , bij Hoegaarden een belangrijke overwinning op prinsbisschop Balderik II. Hierdoor werd Thuinas bij het graafschap Leuven gevoegd. De nieuw verworven nederzetting bekleedde een sleutelpositie in de uitbreidingspolitiek van de graven en vormde een vooruitgeschoven vesting tegenover de Luikenaars. Dit resulteerde de aanleg van een afdoende verdedigingsgordel en het verwerven van stadsrechten. De stad werd rond 1014 voor de eerste maal ommuurd. De eerste omheining beperkte zich tot de bouw van een muur en de aanleg van een gracht rond de St.-Germanusheuvel. Het water dat de noordelijke gracht vulde was afkomstig van de Mene, een riviertje dat ten zuiden van de stad vloeide en dat in de 11de eeuw speciaal voor dit doel vergraven werd.

Naast Bruningerode verwierven de graven van Leuven omstreeks 1100 ook de graafschappen Brussel en Grez, het domein van Orthen (het latere ’s-Hertogenbosch) en het gebied rond de abdijen van Nijvel en Gembloers. Deze bezittingen vormden de kern van het latere hertogdom Brabant. Rond 1106 werd graaf Godfried I (1095-1139) tot hertog van Neder-Lotharingen en markgraaf van Antwerpen verheven, wat hem behoorlijk wat prestige opleverde. Ondanks zijn toenemend succes op territoriaal vlak verloor de hertog de interesse voor Tienen niet. Gedurende deze periode overlaadden Godfried en zijn opvolgers de stad met speciale voorrechten en fungeerde zij regelmatig als hertogelijke residentieplaats.











