Naar de inhoud

Bezoek Tienen 09/12/2010

Welkom op 9 december 2010
akke.beakke.be
in de zoetste stad van het ganse land.

Berichten van 2 november 2010

Tiense kloosters - Het begijnhof

Door de talrijke oorlogen in onze streken sneuvelden er veel mannen, waardoor er een chronisch vrouwen overschot was. Als beveiliging groepeerden zich geleidelijk aan deze alleenstaande vrouwen in gemeenschappen die later begijnhoven genoemd werden en een religieus karakter kregen.

Een begijnhof was een wereld op zich. Dit kwam doordat deze hoven aan de stadsrand gelegen waren en ook ommuurd waren. Begijnen waren godvruchtige vrouwen, wonend in aparte woningen maar verenigd in een gemeenschap. Ze waren aan een mystieke regel onderworpen, maar vormden geen kloosterorde. Wel droegen ze specifieke kleding, kwamen weinig buiten hun muren en betaalden belastingen, omdat ze niet onderworpen waren aan de gelofte van armoede. Verder onderwierpen ze zich aan het gezag van hun oversten, de zogenaamde regentessen of grootjuffrouwen. Wat ze bezaten, behielden ze zolang ze leefden.

Aan de hand van een brief uit november 1202 van Geldolf van Ryckel, abt van de Sint-Geertruiabdij te Leuven, zou men kunnen zeggen dat dit begijnhof al voor 1202 bestond. Vermoedelijk werd het begijnhof eerder rond 1240 gesticht is. Zeker is dat al in 1245 de bouwwerken aan hun kerk startten. In 1250 zegende een hulpbisschop deze in aanbouw zijnde kerk in. Door  verscheidene schenkingen vergrootten de begijnen gaandeweg hun domein. Enkele oude bronnen zeggen dat de gemeenschap al snel groeide naar 300 begijnen. In 1754 bestond het Begijnhof uit 57 huizen, naast het gemeenschappelijk Convent, de Infirmerie en het “Contoir”. Opvallend was dat vele van de begijnen van goede afkomst waren. Het aantal begijnen slonk echter zienderogen.

Tijdens de Franse revolutie werd het begijnhof afgeschaft en kwamen de goederen in handen van de Commissie der Burgerlijke Godshuizen. In 1823 waren er nog slechts 27 begijntjes overgebleven. Sommigen gaven onderwijs aan arme meisjes. Het laatste begijntje, Anne Catherine Kestens, stierf op de gezegende leeftijd van 79 jaar, op 19 maart 1866. Bij bombardementen in 1944 werden de 16e en 17e eeuwse huisjes van het begijnhof vernield. De vroeg-gotische kerk uit de 13e en 14e eeuw, die de oudste begijnhofkerk van België was, brandde af in september 1976. Daarvan rest nu alleen nog een ruïne  waarvan de westgevel en het koor de opvallendste elementen zijn. De spitsboogvenster  hebben nog hun maaswerk.

De gerestaureerde ruïne van de begijnhof kerk is vrij toegankelijk voor het publiek.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door jcob1374 om 22:48 Reageer op dit bericht Stuur door

Tiense kloosters - De cellebroeders

In de huidige Kapucijnenstraat bevond zich het kleine klooster van de Lollarden. Dit klooster werd rond 1300 door twee Brusselse broeders opgericht.  Deze Lollarden hielden zich toen vooral bezig met ziekenverzorging en het begraven van doden. ("lollen" betekent in het Middelnederlands "prevelen"). Vanaf 1441 werden ze Cellebroeders genoemd. Deze naam is afkomstig van het Latijnse “cella” wat kamertje betekent, waarin de broeders zelf woonden of waar ze de zieken en krankzinnigen verzorgden. Op het einde van de 16de eeuw had de stad veel te lijden onder oorlogsgeweld en besmettelijke ziekten. De Tiense bevolking werd op het einde van deze eeuw met een derde verminderd. Tot overmaat van ramp vielen vijandelijke troepen in 1589 de stad binnen waarbij het klooster vernield werd.

In de 17de eeuw schonk de stad de kloosterorde een nieuwe woonplaats in de Veldbornstraat op voorwaarde dat de broeders hun diensten aan de gemeenschap zouden voortzetten. Nieuwe gebouwen werden opgericht en in de 18de eeuw uitgebreid. Zo verrees in 1773 de kapel in Lodewijk XVI-stijl. Ook dit klooster werd niet gespaard tijdens de Franse overheersing. De broeders moesten vluchten en konden pas vijf jaar later terugkeren naar hun geplunderd klooster. 

De Cellebroeders kochten de huizen van Ponsaert, Ark van Noë en de Renesse aan. Toch was al het leed nog niet geleden. Op 30 juli 1930 ontstond er een brand in de gebouwen langs de kant de Renesse, waardoor men in 1931 een nieuw gebouw diende op te trekken.

Momenteel noemt de site "Broeders Alexianen Tienen" en is nu het een gerenommeerd  afkickcentrum voor drug en alcohol verslaafden.

http://www.alexianentienen.be/index.php

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door jcob1374 om 16:21 Reageer op dit bericht Stuur door

Tiense Kloosters - Bogaardenklooster

De bogaarden of beggaarden waren de mannelijke tegenhangers van de begijnen. Qua organisatie hadden zij veel overeenkomsten met de begijnen. Het was een groep vrome mannen, die men oorspronkelijk "beguini" en vanaf circa 1250 "beghardi" ging noemen. Zij leefden net als hun vrouwelijke tegenhangers in afzonderlijke woningen, die gegroepeerd waren rond een centraal kerkgebouw. Hoewel zij hetzelfde habijt droegen en mekaar onderling steunden door het organiseren van een aantal centrale voorzieningen, zoals ziekenverpleging en dodenbegraving, waren ze oorspronkelijk aan geen enkele orderegel verbonden. De bogaarden waren economisch vooral actief in de textielindustrie, die in deze periode in alle Brabantse steden een hoge bloei kende. Ze mochten een groot gedeelte van hun winsten voor eigen rekening bewaren, waardoor zij een vrij onafhankelijk  bestaan kenden. In de 13de en de 14de eeuw vielen ze, net als hun vrouwelijke tegenhangers, ten prooi aan een reeks vervolgingen op beschuldiging van ketterij. Daarna evolueerde de lekengemeenschap steeds meer naar een echte kloostergemeenschap met geestelijken en broeders. 

Om hun samenlevingsvorm enigszins te regulariseren namen de meeste bogaardenhuizen in de eerste helft van de 14de eeuw de regel van de reguliere derde orde Sint-Franciscus aan. Omdat de lakenindustrie toen ook over haar hoogtepunt heen was, onderwierpen de Tiense bogaarden zich aan het kapittel van Zepperen, waar zich het moederklooster bevond.

Tijdens de verwoesting van Tienen in 1635 gingen de oorspronkelijke gebouwen volledig in vlammen op, waarbij ook het kloosterarchief verloren ging.  Men ging snel met de wederopbouw van start en er werd ook aan bezitsuitbreiding gedaan, zodat de goederen van het klooster zich in de loop van de 17de eeuw uitstrekten tot aan de achterzijde van de woningen van het huidige Torsinplein. Ten tijde van de Franse revolutie werd het klooster opgeheven en herbestemd tot een gendarmeriekazerne. In de loop van de 19de eeuw werd het vroegere klooster in kleine loten verkocht en omgevormd tot particuliere woningen. 

Het huidige gebouw dateert uit de 18de eeuw. Het kwam op de plaats van andere oudere kloosterdependances. De voorgevel, bestaande uit vijf vensters en een deur, wordt bekroond met een driehoekig fronton met laadvenster. Op de zolderverdieping bevond zich een graanschuur. Het gelijkvloers bestond uit een ontvangstruimte en de gemeenschappelijke vertrekken van de kloosterlingen. Op de verdieping lagen de slaapvertrekken van de prior en andere hogere geestelijken. De gevels werden opgetrokken in bruinrode baksteen en zijn voorzien van hoekkettingen en raamomlijstingen uit witte Gobertangesteen. Ook de sokkel van de voorgevel en de dakrand met steigergaten zijn vervaardigd in kalkzandsteen.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door jcob1374 om 12:39 Reageer op dit bericht Stuur door

Meer van Bezoek Tienen 09/12/2010

↑ Terug naar de berichten