Naar de inhoud

Bezoek Tienen 09/12/2010

Welkom op 9 december 2010
akke.beakke.be
in de zoetste stad van het ganse land.

Berichten van 13 november 2010

Sint Germàànestoure (Sint-Germanustoren)

Als tussendoortje nog een liedje van "De Tiense Straatmuzikanten met als titel "Sint Germàànestoure". De Sint-Germanustoren is de toren van de hoofdkerk die de stad en de omgeving domineert.

http://detiensestraatmuzikanten.hetklikt.be/liedjes/liedjeszingen12.html

Hierna een poging om de tekst in het Tiens dialect te vertalen.

Sint Germàànestoure
            (Sint-Geramanus toren)

 

Dékkes moet ich noo nog pààze,

(dikwijls ik nu nog denken)
as ich no den toure zîen.

(als ik nu naar de toren kijk)

Vreuger spèlden heum e melodîeke,

            (vroeger speelde hij een melodietje)

zoe huët ge niks in de top tîen.

            (zo hebt u niets in de top tien)

As ich 's ooves in mé bèd lei,

            (Als ik ’s avonds in mijn bed lig)

huër ich het vantêêd vanèèr,

            (hoor ik het soms opniuew)

Mà dàd és dàn in mén druëme, jàà,

            (maar dan is dat in mijn dormen)

ich voenk het 'n schoeën èèr ... (twieë kirre)

            (ik vond het een mooie melodie… twee maal)

Schoeëne Sint Germàànestoure,

            (Mooie Sint-Germanustoren)

spélt dà lîeke noo nog ins –

            (speel dat liedje nu nog eens -)

Iederieën zult gêê bekoure,

            (iedereen zal gij bekoren)

do an ontsnapt ginne mins.

            (daaraan ontsnapt geen mens)

Rèchte Sint Germàànestoure,

            (Rechte Sint-Germanustoren)

makt mich lèk e kind zoe blêê

            (maak mij als een kind zo blij)

Bé dà lîeken aat mén kejoengesjoëre –

            (met het liedje uit mijn kwajongensjaren)

èn dà d'és al lank verbêê ... (twieë kirre)

            (en dat is al lang voorbij…twee maal)

As ich vreuger ins goenk wàndele bé mé lîef,

            (Als ik vroeger met mijn lief eens ging wandelen)

zoe hànd in hànd,

            (zo hand in hand)

Klingelde dà melodîeke,

            (klinkt dat melodietje)

èn wélle voenke dà plezànt.

            (en wij vonden dat plezant)

Noo és het àllemol verànderd,

            (Nu is het allemaal veranderd)

ne mins dàd és noo volle persei,

            (een mens dat is nu steeds gehaast)

Mà às gêê 't nog ins wilt speile,

            (Maar als gij het nog eens wil spelen)

zinge we 't allemoël mei ... (twieë kirre)

            (zingen we het allemaal mee)

 


Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door jcob1374 om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

4.3 Brouwerijen en stokerijen

De leemstreek rond Tienen leent zich uitstekend tot de teelt van graangewassen, granen die verwerkt werden tot meel en brood, maar ook tot bier en jenever. In de kadastrale atlas van Popp uit het midden van de 19de eeuw werden nog zes brouwerijen en acht jeneverstokerijen opgenomen. Van de 19de -eeuwse Tiense brouwerijen zijn er nog wat relicten bewaard. De acht Tiense stokerijen overleefden de Duitse koperopeisingen tijdens de Eerste Wereldoorlog en de wetten tegen het alcoholisme niet. Vooral de wet Vandervelde (1919) ter beteugeling van de openbare dronkenschap, betekende de doodsteek voor deze bedrijven.

De brouwerij ‘Den Anker’ was oorspronkelijk gelegen op de hoek van het Torsinplein en de Hoegaardenstraat en werd later geïncorporeerd in de brouwerij Pieraerts. Deze brouwerij werd in de volksmond ook wel de ‘Brouwerij der Dokters’ genoemd en brouwde het populaire ‘Zoegbier’. De sluitsteen van de inrijpoort van de oude brouwerijgebouwen bevindt zich nu in de St.-Katharinastraat. Hoe deze steen hier terecht kwam, is tot op heden een raadsel. Vermoedelijk werd hij in de gebouwen van de brouwerij Vandenschrieck ingemetseld na de overname van het bedrijf door Theophile Pieraerts in 1926.

De oorspronkelijke gebouwen van de brouwerij Vandenschrieck dateren uit de zeventiger jaren van de 19de eeuw. Brouwer Eugène Janssens liet hier tussen 1870 en 1873 een biermagazijn optrekken in de typische 19de-eeuwse Rundbogenstil (foto links). In het vroegere biermagazijn werd later het bedrijf van de gebroeders Vandenschrieck gevestigd. Deze brouwerij bezat bij het begin van de 20ste eeuw depots in Brussel, Antwerpen en Luik. Omstreeks 1928 werd de Tiense vestiging opgeslorpt door het Leuvense Artois.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door jcob1374 om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

4.2 Ambachtelijk Tienen

In de loop van de 18de eeuw kantelde de conjunctuur. Een gunstige demografische evolutie was vrijwel overal merkbaar. Tegen de achtergrond van deze evolutie was het pauperisme echter niet weg te denken. Algemeen wordt aangenomen dat 40 % van de huisgezinnen het totaal niet breed had. Ongeveer de helft hiervan was nu en dan aangewezen op steun van de Tafel van de Heilige Geest of van andere liefdadige instellingen. 8 % van de gezinnen werd als werkelijk arm beschouwd. Enkele jaren later was deze situatie enigszins gewijzigd en hadden ondernemende zelfstandigen nieuwe bedrijven gestart. Op 12 april 1762 kregen François de Haert en Louis Verlat vrijstelling van taksen voor het invoeren van grondstoffen. De stad verleende hen daarbij de toelating om hun stoffen te loden met het stadswapen (foto links). Ook andere meesters en corporaties leken mee te genieten van de verbeterde conjunctuur. Vooral de succesrijke activiteiten van de plaatselijke tingieters en beeldsnijders springen hierbij in het oog. Tot in de 19de eeuw vonden zij in de stad en de omgeving voldoende opdrachtgevers en afnemers voor hun koopwaren.

Dat de industriële ontwikkeling te Tienen zeer nauw verbonden is met de bloei en de evolutie van de landbouw in Hageland en Haspengouw staat volledig buiten discussie. De Brabantse leemstreek, een vanouds zeer vruchtbaar gebied, vormde de ideale groeibodem voor agrarische experimenten met ontginningsmethoden en de introductie van nieuwe teelten die de plaatselijke ambachtelijke verwerking stimuleerden. De ligging op de grens van twee bodemgesteldheden bepaalde tevens de oriëntatie van de landbouw. Ten noorden van de stad, in het minder rijke Hageland, primeerde de veeteelt. Ten zuiden legde men zich al vroeg toe op gewassen voor industriële verwerking.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door jcob1374 om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

4.1 Het middeleeuwse laken (2)

Een tijdelijke opflakkering kwam er bij het begin van de 16de eeuw toen een octrooi van Karel V uit 1517 Tienen de toelating verleende om de Gete bevaarbaar te maken (foto 2). Het plan dateerde van het einde van de 15de eeuw, maar was wegens de oorlog met Gelderland uitgesteld. De Gete werd uitgediept en van sluizen voorzien, zodat eind 1525 met een beperkte binnenscheepvaart gestart werd. De stad wist op deze manier een nieuwe vorm van welvaart te verwerven. De Tachtigjarige Oorlog stelde hier een abrupt einde aan. De Gete verzandde en de sluizen en bruggen werden weinig of niet onderhouden. Van scheepvaart was er bijgevolg geen sprake meer. Op economisch vlak kende de stad een absoluut dieptepunt dat door het débacle van 1635 verergerde. Tot 1660 zou de stad gebukt gaan onder de gevolgen van de verwoesting. Het herstel werd bijkomend vertraagd door de algemeen ongunstige conjunctuur waarin de streek zich bevond. Dorpen lagen er verlaten bij en de velden werden gezien de constante oorlogstoestand weinig of niet bewerkt. Tot aan het verdrag van Munster in 1648 was er zeker geen sprake van enige economische heropleving. In 1650 gaf Filips IV aan Tienen de toestemming om de Gete andermaal uit te baggeren. De Frans-Spaanse oorlogen en de Spaanse Successieoorlog bleven een heropbloei echter in de weg staan. Tijdens de voogdij van don Juan van Oostenrijk viel de scheepvaart in Tienen voorgoed stil.

 Op het einde van de 17de eeuw was Tienen nog een schim van de welvarende middeleeuwse stad die het ooit geweest was. In 1693 werden 740 gezinnen geteld, wat overeenkwam met 4.143 inwoners. Zoals in de meeste andere steden van de Zuidelijke Nederlanden kende het traditionele ambachtswezen gedurende deze periode een sterk verval. Zeker na de verwoesting van 1635 was de invloed van de ambachten sterk teruggelopen. Op economisch vlak won het brouwersambacht steeds meer aan invloed ten koste van de traditionele lakenindustrie.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door jcob1374 om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

4.1 Het middeleeuwse laken (1)

Nadat we de geschiedkundige feiten op een rijtje gezet hebben en hoe de stad door de eeuwen heen bestuurd werd bekeken hebben gaan we nu is zien hoe de Nijverheid in Tienen ontstond en zich verder ontwikklelde tot in de huidige tijd.

De economische groei van het middeleeuwse Tienen hing zeer sterk samen met de speciale aandacht van de Brabantse hertogen voor deze stad. Ook de commercieel gunstige ligging op de belangrijke oost-westelijke handelsroute was hier zeker niet vreemd aan. Vrij snel ontwikkelde zich dan ook een bloeiend gilden- en ambachtswezen.

In de 12de eeuw ontstond de gilde van de draperie (foto links) die de belangrijkste patriciërs van de stad groepeerde. Hierdoor genoot zij een uitgebreid aantal privileges en voorrechten, die haar tot een essentieel onderdeel van het politieke en sociale leven maakte. Via haar vertegenwoordiging in de naties van de stad oefende de lakengilde een rechtstreekse controle uit op de samenstelling van de stadsmagistraat. Anderzijds werden de voorzitter, de oud-meier en de zeven bestuursleden of gildedekens rechtstreeks door het stadsbestuur gekozen en benoemd. In praktijk kwam het erop neer dat zowel de leden van de magistraat als de vertegenwoordigers van de lakengilde uit dezelfde sociale klasse kwamen. In de tweede helft van de 13de en het begin van de 14de eeuw waren zij steevast afkomstig uit de Tiense geldaristocratie. Door belangrijke investeringen baanden zij de weg voor de interregionale en internationale handel. Al in 1337-1338 importeerden visionaire Tienenaars wol uit Engeland. Dit initiatief zou de basis vormen van een bloeiende textielindustrie. In de 14de eeuw kende Tienen zijn economisch hoogtepunt. Via de jaarmarkten van Frankfort am Main en de Noord-Duitse Hanze verwierf de Tiense lakennijverheid internationale bekendheid. Het standaardlaken werd verhandeld in Midden- en Zuid-Duitsland. Door tussenkomst van de Hanze werd het Tiense laken ook in Pruisen, Silezië, Polen en Hongarije op de markt gebracht.

Op het einde van de 15de eeuw verloor de Tiense lakennijverheid zijn internationale betekenis. De moeilijke politieke situatie tijdens de jaren tachtig en de hardhandige aanpak van Albrecht van Saksen in 1507 waren hier zeker niet vreemd aan. Bovendien ontbrak het de stad aan de nodige slagkracht om het vroegere welvaartspeil te herstellen. De vertegenwoordigers van de lakennijverheid bleven echter in zeer sterke mate de stadseconomie controleren zodat de stedelijke overheid zich voor de instandhouding van de textielindustrie bleef inzetten. Dit gebeurde onder meer door het verlenen van belastingsvermindering en het aantrekken van vreemde ambachtslieden.


Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door jcob1374 om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

Meer van Bezoek Tienen 09/12/2010

↑ Terug naar de berichten