3.4 De plaatselijke rechtspraak

De middeleeuwse rechtspraak was verdeeld over de hertogelijke en de stedelijke instellingen.
De schepenbank van Tienen was bevoegd in burgerlijke en criminele materie, de audiëntie van de burgemeesters en de raad behandelde alle gevallen van burgerlijke en criminele rechtspraak waar de beschuldigde als burger (poorter) van de stad niet de uitdrukkelijke wens uitsprak om voor de schepenbank te verschijnen, de tolkamer was bevoegd in handelsgeschillen en de gilde van de draperie controleerde de maten en gewichten en beslechtte alle geschillen hieromtrent.
Elke maandag werden de stadszaken door de voltallige magistraat, bestaande uit burgemeester, schepenen en raadsleden, behandeld. Op woensdag zetelden de rechtbank voor de burgers van de stad. Op vrijdag werd recht gesproken voor de omwonenden en niet-Tienenaars. De schepenbank was in eerste aanleg bevoegd voor burgerlijke zaken en in eerste en laatste instantie voor strafrechterlijke kwesties. In criminele zaken was tegen haar vonnis geen beroep meer mogelijk. Bovendien bezat zij meestal het halsrecht waardoor zij doodstraffen kon uitspreken. De (hoofd)meier stond in voor de uitvoering hiervan.
De costuymen of het gewoonterecht vormde de basis van de middeleeuwse rechtspraak. Deze rechtsregels werden oorspronkelijk mondeling overgeleverd. Indien er twijfel bestond over de toepassing of de interpretatie trokken de leden van de schepenbank op ‘hoofdvaart’ naar een belangrijkere rechtbank. Bedoeling was om hier om raad te vragen. De meeste schepenbanken hadden vaste hoofdrechtbanken waar zij ‘ten hoofde’ gingen. In de loop van de eeuwen namen de vorstelijke justitieraden deze functie over. Zij werden de vaste hoofdrechtbanken voor de stedelijke schepenbanken.





















