3.2 De inbreng van de hertog

Om de belangen van de vorst te verdedigen werden in de belangrijkste steden ook hertogelijke instellingen in het leven geroepen. Zij stonden voornamelijk in voor het innen van de belastingen en het instellen van gerechtelijke vervolging bij misdrijven. In Tienen waren dit de hoofdmeierij en de tolkamer.
In de 12de en het begin van de 13de eeuw werd het hertogdom Brabant opgesplitst in zes districten. Hertog Hendrik I lag grotendeels aan de basis van deze indeling. Aan het hoofd van elke entiteit stond een ambtenaar die oorspronkelijk gerekruteerd werd uit de directe omgeving van de hertog. Later werd hij gekozen uit de plaatselijke adel of het stadspatriciaat. In Vlaanderen werd de vorstelijke vertegenwoordiger algemeen aangeduid als baljuw. In Brabant had deze naam weinig bijval. Alleen Nijvel kende een baljuw, de overige districten werden geleid door een amman (Brussel), een meier (Leuven, Tienen, 's Hertogenbosch) of een schout (Antwerpen). De zes districten of hoofdomschrijvingen bestonden uit een aantal dorpen dat gegroepeerd was rond een ‘hoofdstad’. De hoofdmeierij Tienen was op haar beurt onderverdeeld in vier ondergeschikte entiteiten die men eveneens met de benaming meierij aanduidde. Dit waren Zoutleeuw, Halen, Kumtich en de meierij van de Gete.
De middeleeuwse meier of hoofdmeier was de plaatsvervanger van de landsheer in het hem toegewezen territorium. Hij oefende de vorstelijke macht uit op regionaal gebied en bezat administratieve, militaire en rechterlijke functies. Bij alle publieke ceremonies ging hij de stadsmagistraat vooraf. Als rechtstreekse vertegenwoordiger van de vorst zorgde hij voor de doorstroming van de verordeningen van het centrale naar het plaatselijke niveau. Op rechterlijk gebied was hij de maner van de schepenbank. Hij zat de schepenbank voor en spoorde de plaatselijke gerechtsdienaren aan om recht te spreken. De hoofdmeier stond ook in voor de arrestatie van de beschuldigden en de uitvoering van het vonnis. De militaire opdracht van de hoofdmeier was vrij belangrijk. Hij voerde niet alleen de plaatselijke legerbenden en stadsmilities aan, hij was ook verantwoordelijk voor de openbare orde en de veiligheid. Daarnaast stond hij in voor de wapen- en heerschouwingen en verleende af en toe assistentie bij belastingsinning.
De luitenant-meier was de adjunct van de hoofdmeier. Hij werd op zijn beurt bijgestaan door de vorsters of praters. Zij werden net als de hoofdmeier rechtstreeks door de vorst benoemd en moesten toezicht houden op de uitvoering van de bevelen van de hoofdmeier. De handhaving van de openbare orde rustte in hun handen.
De tolkamer was de tweede hertogelijke instelling. Zij speelde een zeer belangrijke rol in het hertogelijke bestuur. Haar bevoegdheid strekte zich naast de stad Tienen ook uit over de steden en gebieden van Aarschot, Zichem, Diest en Jodoigne. Aan het hoofd van de tolkamer stond de rentmeester van de domeinen. Hij werd in zijn functie bijgestaan door de gesworen erflaeten of gesworen coopluyden. De tolkamer inde de tollen en accijnzen op koopwaren en goederen en regelde, als tegenprestatie, het onderhoud van openbare wegen, rivieren, bruggen enz. De rentmeester hield ook toezicht op de betaling van de vorstelijke renten en cijnzen. Als rechtbank was de tolkamer bevoegd in handelsgeschillen. Het tribunaal van de tolkamer had als taak het vorstelijke domein te behoeden van alle mogelijke inbreuken en verdedigde de domaniale rechten van de vorst op regionaal vlak.






















