3.3 Het stadsbestuur

Het eigenlijke bestuur van de stad werd voor het eerst in januari 1478 vastgelegd door Maria van Bourgondië en haar gemaal Maximiliaan van Oostenrijk. Dit charter geeft ons voor het eerst een gedetailleerd overzicht van de samenstelling en de organisatie van het Tiense stadsbestuur tijdens de Middeleeuwen.
Twee stadsraden verzekerden het bestuur. De binnenraad of magistraat bestond uit twee burgemeesters, zeven schepenen en acht raadsleden. De buitenraad was eveneens samengesteld uit acht afgevaardigden die rechtstreeks uit de ambachten gerekruteerd werden. De leden van de binnenraad of magistraat bezaten zowel de wetgevende, de uitvoerende als de rechterlijke macht. Voor het treffen van buitengewone maatregelen diende de magistraat steeds de buitenraad te raadplegen. De magistraat benoemde tevens het stadspersoneel. De pensionaris en de secretaris waren de belangrijkste stadsambtenaren. Zij werden voor het leven aangesteld.
Wat de aanstelling van het stadsbestuur betreft speelden de ambachten, die verenigd waren in de ‘Acht Naties’, een toonaangevende rol. Elk jaar, acht dagen voor het feest van St. Jan de Doper, duidde elke natie zijn afgevaardigde aan. De acht gekozenen verenigden zich op het stadhuis en stelden een dubbele lijst van kandidaten samen. Uit deze lijst werd uiteindelijk de magistraat gekozen. De acht afgevaardigden der ambachten stonden ook rechtstreeks in voor de benoeming van de raadsleden van de binnenraad. Ondanks het feit dat het belang van de lakennijverheid in de loop van de 15de eeuw wegkwijnde, wist de gilde van de draperie zich op politiek vlak te handhaven. Samen met de kruisboogschutters, de handboogschutters en de kolveniers vormde zij de ‘Vier Leden van Tienen’, die in de loop van de Nieuwe Tijd de bevoegdheden van de middeleeuwse ‘Acht Naties’ overnamen. Tot aan de Franse revolutie zouden deze instellingen de plaatselijke politiek blijven domineren.






















