5.3 De IJzeren weg (1)

De belangrijkste acceleratie van de nieuwe industriële groei tijdens de eerste helft van de 19de eeuw was de aanleg van de spoorlijn Leuven-Tienen. De jonge Belgische natie toonde al van bij de aanvang interesse voor de uitbouw van een spoorwegennet. Uit economisch oogpunt wou men namelijk een verbinding tussen Schelde, Maas en Rijn tot stand brengen die over het eigen grondgebied liep. De trein, het uit Engeland afkomstige nieuwe transportmiddel, leek hiervoor een ideaal alternatief. Het project dat deze verbinding over Leuven en Tienen liet lopen, won geleidelijk meer aan steun. Hierdoor werden immers de meest geïndustrialiseerde en de dichtst bevolkte gebieden betrokken. Op 1 mei 1834 bekrachtigde Leopold I de wet op de spoorwegen. Hierbij werd de aanleg van een uitgebreid spoorwegennet voorzien waarbij alle grote Belgische centra met elkaar en met de belangrijkste buitenlandse handelspartners verbonden werden. Binnen het jaar werd met de werkzaamheden van start gegaan en op 5 mei 1835 spoorde de eerste trein tussen Mechelen en Brussel.
Op 21 september 1837 werd de nieuwe spoorlijn Leuven-Tienen ingereden. Op 2 april 1838 nam men de lijn Tienen-Waremme in gebruik (foto links). In de loop van de 19de eeuw werden ook de lijnen Tienen-Hoegaarden-Geldenaken-Namen en Tienen-Diest-Mol tot stand gebracht. Voor de opkomende Tiense industrie had het spoorverkeer een aantal belangrijke voordelen. De reisduur werd immers aanzienlijk ingekort, de transportonkosten werden gedrukt en voor de eerste maal in de geschiedenis kon men op een vrij gemakkelijke manier grote hoeveelheden goederen vervoeren.





















