ten tijd van toen
Voor wat de groenten betreft in de moestuin had men; kool, ui, prei, peterselie, rapen witte andijvie, bieslook, radijs, wortelen, rode biet, spruitjeskool, schorseneren, selder en asperges.
In den nieuwen tijd werd de landbouw voor een grootdeel seizoenwerk. Zwaar labeur, van zonsopgang tot zonsondergang. Er waren twee soorten werkers, het dienstpersoneel en de dagloners.
De eerste hadden eten op de hoeve en slaapgelegenheid, ze hadden dus slaap een inwoon, ergens wel in de bouverie , maar ze hadden een verblijf. De dagloners daarentegen leefden van de seizoenarbeid met als gevolg dat ze in de winter te kampen hadden met werkloosheid. Voor deze armen bood het telen van aardappelen voor eigen gebruik een soort bestaands veiligheid. Ook de kleine boer de “keuterboer”die eveneens niet breed had. Als welgekomen aanvulling van het bescheiden inkomen was het thuis weven belangrijk. Bij de telling in 1739 waren er hier 33 meesters, 52 knechten en 7 leerlingen. Vijfentwintig jaar later, waren er twee slagers en één herder met 60 schapen, twee molenaars, een molenbouwer en 12 huiswevers elk met één getouw.
Nog tien jaar later telde men op de plaats vijf herbergen waaronder drie met een uithangbord, op Tombroek een drankgelegenheid. En op het foreest was op de hofstede Brou was een herberg die hij open hield.
In 1765 telde ons dorp 1572 inwoners, eenentwintig jaar later was het al tot 1949 opgelopen.
Er werd eens een onderzoek( 1793) ingesteld naar mensen, die in ons dorp een fortuin hadden van meer dan 20.000 frank, het waren drie grondbezitters, die elders woonden, het ging om het “Goed te Bottelrie met een oppervlakte van 27 ha, met een waarde van 26.000fr. Het “Goed te Brasseye” een oppervlakte van 42 ha goed voor 43.700fr. en het “Hof van Rollegem” 34 ha en een molen samen goed voor de totaal waarde van 49.700fr. Een korte tijd nadien was er een lijst van alle eigenaars van Rollegemse gronden, hoeven en molens welke woonden buiten de kasselrij Kortrijk, ongeveer 203 ha waren in het bezit van een 25 vreemdelingen, of niet ingezetenen.
Een jaar na de Belgische onafhankelijkheid , telde ons dorp 2218 inwoners. Hier was nauwelijks een rol van betekenis betreffende industrialisatie, het dorp evolueerde zeer langzaam. Omstreeks 1850 waren er een 50 tal huizen rond de plaats en het kerkhof, Tombroek was bijna geheel onbewoond, evenals de zuidzijde van de Rollegemkerkstraat. De Wethuisstraat en de Lanteweg.
Er kwamen in de tweede helft van de negentiende eeuw enkele nieuwe impulsen, de vestiging van het klooster, de gemeenteschool, den aanleg van de Aalbeeksestraat in 1880, en den buurtspoorweg van Kortrijk-Moeskroen. Een grote nieuwigheid vormde de oprichting van huizen met verdieping op en bij de plaats. In die periode vormde dit zelfs een statussymbool. Ook op de wijk Tombroek en Forest nam de urbanisatie zienderogen toe.










