Dagboek
25 wij waren maar enkele uren weder op ons stroo al met eens al die mensen, zegden we gaan naar Moen terug nu ’t was zondag me zaten in de mis de priester zegt de belgen komen van Aalts de belgse soldaten de helden waar gaan ze tegen met muziek alle sosietijden natuurlijk we stonden te kijken ik zag een bende peerdevolk en ze hadden in hun handen een schaar ik zegde tegen een wat doet gij met die schaar, ewel zegt hij wij hebben een lijst van vrouwen die moeten hun haar afgesneden woorden, en ik hoorde seffens kom maar eens in dit straatje en ze sloegen gans het huis en meubels kapot en die vrouwen liepen op zolder maar het hielp niet in eenige oogenblikken was hun haar afgeknipt en haar en kamen vloog op straat ik ben alzoo in twee straten meegesleurd geweest met de massa van volk die daarnaar stonden te kijken van die mensen die hun haar afgeknipt wierden door die soldaten, ik zag t’hans andere soldaten saseurs te voet ik zegde tegen een kook van waar zijde gij van Moescroen, waar is mijn man, hij was vroeger bij de derde saseurs en nu is hij bij de kannoniers,’t is niet waar zegde hij de sasseurs was is nog sasseur dus er kwam een jongen soldat ’t huis van Vilvoorde hij kwam van de tram van Brussel de mensen namen hem vast en ze droegen hem in zijn huis binnen triomf

