gesneuvelden

50ste dag: vrijdag, 28ste juni.
Er is geen twijfel meer. Dit is onze laatste dag, vanavond zijn we thuis. Er vallen nog amper een honderdtal kilometer af te leggen en we zijn op van vóór zes uur. Ik sta er echter op dat we eerst flink morgenmalen.
Na het wassen, aan een van de pompen zetten we ons aan een troepentafel, onze laatste wellicht voor lange jaren en eten als wolven. Ik wist niet dat het mogelijk was dat een man, gans alleen, een doos conservenbonen, koud, zoals ze er uit komen, kon naar binnen spelen. Het is dan ook een goed verzadigde rennersploeg die even voor zeven uur de stalen paarden bestijgt en blij is het kamp vaarwel te mogen wensen!
En hier komt dan het ogenblik dat wel komen moest.0nze wegen moeten scheiden. Ik zou wel kunnen met de vijf andere meerijden, tot St Ghislain of beter Quievrain, maar dat verlengt mijn reis en ik zou graag even in Rijsel (mijn) familie gaan groeten. We stappen dus af, even buiten Peronne, waar de nationale baan N17 Parijs-Cambrai, enz. de baan N37 ontmoet, die over Bapaume en Arras de rechtse weg is naar Rijsel. Het afscheid duurt niet lang, er is wel een tikje weemoed omwille van een mooie kameraadschap waaraan thans een einde moet komen, doch na een belofte elkaar spoedig te schrijven, met de hoop op een later weerzien, bestijgen we weer onze trouwe fietsen en ik neem de linker baan, terwijl mijn vijf Antwerpenaars weldra uit het gezicht verdwenen zijn.
Een peloton infanteristen gaat mij voorop, ze stappen lustig zingend over den gladden macadam, ik blijf er een hele tijd achter. Wat is het toch soms een mooi gezond leven, dit van een soldaat, denk ik bij mezelf.
Doch waarvoor kunnen we morgen of overmorgen of over een paar weken niet staan, ergens in een veldslag, ’t zij hier, t zij in Engeland?
Zullen ze dààr wel levend geraken? Ze zijn nu aan het fluiten zo een fris en vrolijk muziek is dat in de blijde morgen!
In Lens stap ik even af om bij een haarkapper mijn baard te verkopen! Ik wordt er bezien als een eigenaardigheid, met mijn mengelmoes van allerlei uitrustingen en met mijn kleine damesfiets. Een vrouwtje vraagt mij, een brief voor haar te willen posten, in België en hiervoor krijg ik een ferm glas wijn, heel wat anders dan wat we de laatste dagen meestal te drinken hadden.

In Rijsel nog allen gezond en ook niet weinig verwonderd mij te zien. Als ik, tegen zeven uur of zowat, Moeskroen bereik zijn er hier en daar een paar kinderen uit de school die hun ogen niet kunnen geloven als ze me in zulk een verkleding zien voorbij fietsen. Thuis werd ik ontvangen als uit een andere wereld teruggekeerd.
Als ik hun vertel dat wij, Janssens en ik een ogenblik van zin geweest zijn, dieper Frankrijk in te rijden, naar de bergen van “Auvergne” en dat het slechts de vrees was geen eten te zullen vinden, die ons weerhield, dan vinden ze, dat we toch wel harteloos zouden geweest zijn. Wie weet, zei Janssens echter dikwijls of we nog ooit zulk een gelegenheid zullen hebben?
Hier eindigt dus het relaas van vijftig bewogen dagen, gedurende de welke sterke vriendschap werd gesloten, veel vreugde genoten, nu en dan gevaar gelopen en ten slotte veel geluk gehad in de beslissende ogenblikken.





























