oud Rollegem
Te Rollegem was het een mansi of leenhof, verhuurd aan de boer die een voorop bepaalde huur in natura betaalde.
Geld en in karweien(gratis werk). Onze boeren waren vrij, sommige waren lijfeigenen of laten.
Wij weten ook dat in zulke domeinen een gerechtshof werd samen gesteld.
De heer had hier als ambtenaren: een baljuw, een luitenant baljuw en een sergeant of veldwachter. Ze werden voor het leven benoemd, maar afzetbaar op grond van orde.
De burgerlijke administratie werd uitgeoefend door zeven schepenen, vernieuwd na een wettelijke periode en die cijnsrechten hadden in Kortrijk.
Uitsluitend voor feodale zaken waren de leenheren aangesteld door de baljuw of zijn luitenant die ze regelde. Van een baljuw zijn we zeker dat hij woonde in “la Porte Ferreé
(We komen er nog op terug)
De rechten van den Heer, in teksten vinden we het voornaamste terug: Cijnsheffing, in geld of natura als huur voor grond die boeren huren.
Het recht van karweien voor het onderhoud van voorbehouden gronden(vervoer, het bewerken van gronden)
Het banrecht of het verplichten tot het gebruik van bv; molens en ovens van de heer mits betaling van vergoeding bv. de heer nam één brood op twintig.
Hij mocht zich laten helpen door een meier en schepen, hij bepaalde de boeten, veroordeelde tot gevangenisstraffen en deed de veroordeelde aan de schandpaal tentoonstellen
Het jachtrecht over de ganse heerlijkheid. Jacht en visrecht, maar het eerste werd gedeeld met de heer van Moeskroen. Er waren ook tien achterlenen afhankelijk van Rollegem, waarvan acht binnen de grenzen van de parochie en twee op het gebied van Moeskroen.
De woning van de boer was een lemen hut (later vervangen door stenen muren) met stro gedekt en vloer in gestampte aarde. Meestal een enkele plaats die verlicht werd door de deur, ramen zonder ruiten. Vandaar dat men nu nog dergelijke grote plaatsen vindt op hofsteden.
Het is dan ook onnodig te zeggen dat het comfort ver te zoeken was in zulke gebouwen: kaarsen en toortsen, evenals olielampen verlichtten slechts karig de plaatsen, die dan nog smalle vensters hadden.Het houtvuur in de grote haarden kon slechts met moeite de vochtigheid van de muren en de koude weren.De meubilering was zeer eenvoudig: zij waren uit ruwe planken vervaardigd, zowel bedden, koffers, tafels als de krukken die voorhanden waren.
De boeren die een hard leven leidde, waren vaak het slachtoffer van epidemieën of hongerssnood. Hier op deze hofstede was er steeds een plaats ter beschikking voor het geval de heer hier wilde overnachten.