Als je naar Valencia rijdt langs de A7, zie je tientallen kilometers ervoor en erna
niets anders dan bomen met citrusvruchten: sinaasappels, citroenen, mandarijnen,
pomelo’s, clementines, limoenen, pompelmoezen enzovoort.
Valencia is ook gekend voor de Paella Valenciana, maar daar kom ik later op.
Ik kan u verzekeren dat het plaatselijk een stevige traditie inhoudt, zie foto hierbij.

De streek is heel rijk aan water, wat toelaat die miljoenen citrusbomen te irrigeren.
Het gebied grenst aan de Middellandse zee, maar er is zoveel zoet water
voorradig, dat men al zeer vroeg hiervan gebruik maakte om massaal rijst
te kweken.
Slechts enkele kilometers ten zuiden van het Calatrava-complex zit je in een
andere wereld: rijstvelden zover je kunt zien.
Het is een van de grootste zoetwaterbekkens van Spanje. Elke winter wordt een
massa water aangevoerd vanuit de Turia rivier, die Valencia bespoelt.
Het beschermde park is 20 000 ha groot, en is nog maar een fractie van vroeger.

In het rustige, slaperige dorpje El Palmar heb je toegang
tot het watergebied La Albufera.
Niet te verwarren met Albufeira in de Algarve (Portugal),
waar evenveel discoteken zijn, als hier reigers.
Het dorpje is heel eenvoudig te bereiken, met de wagen
of het openbaar vervoer.

In El Palmar zijn enkele kanalen gegraven,
die verbinding maken met de zee.
Langs die kanalen liggen de eenvoudige bootjes
van de vissers.

Stilaan, en niet fanatiek, wordt hier een infrastructuur
uitgebouwd om inkomsten te verwerven uit het (water)toerisme.
Sommige vissers beginnen hun bootjes te gebruiken om in het gunstige
seizoen toeristen rond te varen op het meer.

Wij worden zelf benaderd door ene Luis, die een bootje heeft, en actief
naar klanten zoekt. Normaal gaan de toeristen in een iets grotere boot met
zijn twintig het meer op voor 4€ per kop. Voor die prijs mag ook het lijf mee.
Luis stelt ons voor om voor 20€ een privé-tocht te doen, met hem als gids.
Dat is maar een eurotje meer, en het garandeert een privé-rondvaart.
Het is trouwens op dit uur nog te vroeg voor de grotere boot.
In Spanje komt alles wat later op gang natuurlijk.

We moeten nog even wachten, want Luis moet zijn boot nog uit zijn slaap halen.

Even later kunnen we vertrekken, en Luis stuurt het Perello-kanaal op,
weg van de zee.
Onderweg passeren we regelmatig vissers, die ons vriendelijk toewuiven.

Waar het kanaal uitmondt in het meer, zijn visgronden, waar paling wordt gevangen.
Deze vis, de anguila, is wel dunner dan de Belgische variant.

De vis wordt gevangen in fuiken, en alles is heel kleinschalig. Er is in het verleden
al zoveel oppervlakte van dit gebied ingepalmd voor andere bestemmingen, dat
de status van nationaal park nu toch garandeert dat er niet meer aan gemorreld
wordt, en alles blijft zoals het is.

Er is een uitgebreid vogelleven in het park, zowel met residentiële vleugelaars,
zoals reigers en ooievaars, als trekvogels.
De vertegenwoordigers van deze laatste groep kunnen hier in alle rust hun buikje
vol eten in de rijstvelden en rond het meer.
Ongeveer 250 verschillende vogelsoorten zijn al officieel geteld door het
ornithologisch centrum. Soms verblijven er 100 000 vogels tegelijk in het park.

Als we het kanaal verlaten hebben, stuurt Luis zijn boot het meer op.
De diepte van de plas varieert van één meter tot 2,5 meter.

Op sommige plaatsen staan rijen huisjes langs de oever, de zogenaamde
barracas.
Aan het einde van de Reconquista (de herovering van Spanje op de Moren)
hadden de verslagen moslims twee keuzes. Ofwel moesten ze zich bekeren,
ofwel moesten ze het land uit.
Toen was het wel eenvoudiger en drastischer dan vandaag.
Diegenen die wilden blijven, werden enkel nog getolereerd in de meest barre
streken, zoals de Alpujarras in de Sierra Nevada, of hier in deze toen desolate
moerassige streek.
Als je goed kijkt, dan zie je op de nok van elk dak een kruisje staan. Dat toonde aan
dat het huis werd bewoond door moslims die (zogezegd) bekeerd waren.

Na een tocht over het meer varen we terug door het kanaal op weg naar de
aanlegsteiger.
Luis heeft ons nu al zijn anecdotes verteld gedurende de 45’ op het meer.

Dit is weer een heel prettige ervaring die achter
de rug is, onder de ideale omstandigheden.
Bedankt weergoden, bedankt Luis.

En de pret is nog niet over. El Palmar staat er voor bekend
dat men er de beste paella’s van Spanje serveert.
Het is trouwens de geboorteplaats van dit befaamde gerecht.
We informeren Luis dat we hier graag paella willen eten.
Hij wil ons begeleiden naar het beste paella resto
van El Palmar, waar een vriend van hem chef is.
Vlak in de buurt van het resto neemt hij nog een foto
aan een lokale barraca.
De daken van deze historische woningen zijn natuurlijk van riet,
want daar heeft men genoeg van, en het was vroeger dus
de goedkoopste oplossing voor de arme bevolking.

We belanden in een typisch Spaans restaurant, waar alle muren bedekt zijn met
azulejos, kleurige tegels die de rol overnemen van schilderijen,
maar wel beter afwasbaar.
Op deze azulejo staat bijvoorbeeld een antieke “trilladora” afgebeeld.
Dat is een bescheiden fabriekje, waar de rijstkorrel wordt gescheiden van de
omhullende pel. Tegenwoordig gebeurt dat via elektrische motoren, maar vroeger
ging dat met de hand via een draaikruk.

Het is bijna vanzelfsprekend dat de paella hier is ontstaan. Honderden jaren
geleden hadden de plaatselijke bewoners niet veel om tussen de lippen te steken.
Altijd rijst natuurlijk, maar wat als garnituur?
De meesten hielden kippen voor het vlees en de eieren.
Daarenboven zaten er nogal wat eenden op het meer.
Ook heel lekker, als je ze kunt pakken.
In de duinen van de Albufarra zaten de konijnen rustig het duingras op te knabbelen.
En dan nog de slakken met hoofddeksel. Zelfs makkelijker te vangen dan konijnen.
Dat werden dan de hoofdingrediënten voor de Paella Campesina, de enige echte
originele boerenpaella.
Echte Paella Valenciana wordt in een grote pan boven houtvuur klaargemaakt
alleen dus met volgende ingrediënten: rijst, kip, konijn, eend, slakken (baguettes),
jonge sperziebonen, tomaten, olie, zout, saffraan, rood paprikapoeder en water.
Op onze foto kan je inderdaad al deze ingrediënten terugvinden.
Opdracht: zoek de slakken.
Als voorgerecht nemen we paling, dan paella voor vier en dan nog een stuk taart.
Van de paella hebben Greta en ikzelf bereidwillig de lokale slakken afgestaan
aan onze vrienden. Je moet iets over hebben voor de vriendschap.
De meeste paella’s in Spaanse restaurants zijn “toeristenpaella’s” : slakken worden
(voor het uitzicht) meestal vervangen door gamba’s, en eend of konijn kan al eens
ontbreken.
Vandaag is het rustig in El Palmar, maar in het weekend komt half Valencia (derde
stad van Spanje) hier paella eten.

Na de heerlijke lunch maken we nog een wandelstop in El Saler (zie kaartje
bovenaan).
Parkings zijn uitgebreid, veelvuldig aanwezig, en netjes aangelegd.

Alle stranden zijn kraaknet, en worden vooral gebruikt door Spaanse
vakantiegangers.
Internationaal toerisme staat nog in zijn kinderschoenen in Valencia.
Dat is wel aan het veranderen door Calatrava, door het Formule 1 circuit
en door de nieuwe jachthaven, gebouwd voor de start van de America’s Cup.
We kuieren helemaal rond een groot zoetwatermeer dat door een lange duinenrij
van de Middellandse Zee gescheiden wordt.
De dames zijn niet meer te houden en gaan zelfs tot aan het strand en de zee.
Het is hier een prachtige streek.
We gaan een volgende keer zeker nog in Valencia verblijven.
We’ll be back.
En dan nu naar Marbella.

Ik had nog meer foto's, maar Seniorennet knipt af op 20 stuks.
Misschien verbetert dat nog wel.
|