Naar de inhoud

Rollegem blogt ...

Categorie: gesneuvelden

gesneuvelden





Vuurkruis: werd toegekend aan militairen die in het bezit zijn van de "Vuurkaart". De "Vuurkaart" werd uitgereikt aan zij die aan het front onder vuur hebben gelegen

 

 

5De Dag: dinsdag, 14 mei.

        

 Van in den vroegen morgen komen al afgematte Franse troepen voorbij. Velen zijn te voet, andere liggen op een ouderwets legerkarretje. We hebben allen een droevig gedacht van wat zou gebeuren, ginder ver in het oosten. En toch zijn al ongeschoren zonverschroeide mannen nog vol opgewektheid.

        In een dreef waren er van nacht alle soorten wagens gelegerd, die ze nu stilaan aan het opkramen zijn. De mannen trekken het zich al niet veel aan dan de paarden! Ik heb de indruk dat iedereen dien vijand, ginds in het oosten, toch zo onbekommerd tegemoet gaat. Laten we hopen dat we niet een vreselijke ontgoocheling te gemoed gaan.





        Ineens komt uit Brugge het bevel: “ Alles bijeenverzamelen we verreizen”- Was onze zending hier dan zo weinig van belang dat we het ieder ogenblik konden laten staan?

 We zijn weldra in Brugge en ja, daar is ’t volle gang met de verhuizing. Ons kasteel wordt natuurlijk in een toestand gelaten zoals het er sinds zijn bouw geen heeft beleefd!

Hoe daar eenmaal weer een bewoonbaar huis zal kunnen van gemaakt worden?

Trapleuningen zijn in splinters, deurpanelen liggen midden de kamers, overal steken muren en ramen vol nagels en haken, zolderingen gapen, hele ruiten zijn er bijna niet meer te vinden, de W.C…, maar kom, “tirons un voile!(Laten we vergeten) En dat op 3 à4 dagen tijd! Wat een mentaliteit, en dat tegenover eigen volk, in eigen land!

           We geraken ten slotte aan het station we verwachten ons aan een paar uurtjes “ schoon leven” voor er een trein gereed is. We gaan er zo gemakkelijk mogelijk bij liggen, er wordt gerookt, gegeten, gedronken, gekaart en..gevloekt dat horen en zien vergaat. De twee uurtjes worden er vier, zes, we lopen ‘tallenkante om eten en drinken en schrijfpapier, postzegels en wat niet komt, is de trein! Ten einde raad zenden ze ons terug naar het “kantonnement” terug.

Het wordt de meest luie en zinloze dag van heel ons kakileven!

            We voorzien slechte dagen met weinig bevoorrading en elk koopt zoveel hij dragen kan! De melkerij ook is al gauw leeg gemolken.

 

Reageer op dit bericht

gesneuvelde



                                Mijn grootvader was gemachtigt een bij komende palm te hechten op het lint van het oorlogskruis. Koninklijk besluit nr 8901 van februari 1921 om de moed en de toewijding waarvan hij blijk heeft gegeven tijdens zijn lange aanwezigheid aan het front

Mijn grootvader is gemachtigd een bijkomende "Palm" te hechten op het lint van het "Oorlogskruis"

Koniklijk besluit NR. 8901 van februari 1921 om "De moed en de toewijding waarvan hij blijk heeft gegeven tijdens zijn lange aanwezigheid aan het front"

6de dag: woensdag, 15de mei

 

 

          Ik slip in de voormiddag even uit het kasteel weg tegen het verbod “Kortleven” in, tot bij de kapper. De laatste berichten over de toestand aan het front worden hier natuurlijk heftig besproken. Wij zelf, worden als een soort “experts” aanzien en ze zijn allen wat verwonderd dat we er zo weinig van weten te vertellen. Wij zijn zo spijtig dat we ginder ver niet een beetje in den dans gezeten hebben! Een beetje!...

         Hier komt echter ne piot binnen die “ze” wél gezien heeft! Hij was aan ons fameus kanaal. Weinig opwekkende en ook niet veel samenhangends weet die vent over den slag te vertellen. Het is altijd maar van vliegtuigen en bommen en mitrailleren en ..paniek en ..vluchten!

               Er moeten volgens hem massa’s Duitsers door onze scherpschutters weggemaaid zijn, maar altijd weer kwamen nieuwe opdagen, tot onze mannen door de jachtvliegtuigen van den vijand werden verdreven of gedood. Doch als we aan onzen verslaggever vragen of hij dat alles zelf gezien heeft en waar, dan heeft hij slechts ontwijkende antwoordden. Het zal ook wel niet een oog – maar een oorgetuige zijn, of zoals ze dat hier noemen: “Gezien van ene die ‘t horen zeggen heeft!” De vent is anders ontdaan genoeg hij ziet er nu nog bleek van.

Hij weet ook te verhalen van een tank die met ’n twaalftal die er als vliegen opzaten, te Mechelen in onze kazerne is komen binnengereden, gevlucht van het front. Een luitenant stuurde! Waarheid? Leugen?

           Vroeg in den namiddag weer naar het station, ditmaal niet naar het oud maar naar het nieuw. Natuurlijk is nog van een trein geen spraak. We liggen dan weer te wachten, langs de vesten. Wat een geluk dat het mooi weer is. Rond 16 uur geraken we op de kaai en, na veel geroep en tegenstrijdige bevelen mogen we eindelijk instappen. We hebben ons nu zelfs te haasten want spoedig komt er beweging in het konvooi. Het wordt een reis in stukjes en brokjes. Tussen Brugge en Torhout komen brave mensen aangelopen met wat ze zo vroeg op ’t jaar, voor eetbaars hebben in de “hovingen”: Rabarber! Er wordt een hele voorraad in een hoek van onze wagon gestapeld. Van honger omkomen, is niet zo erg als van den dorst!

In Torhout sleur ik een stuk beton van de N. M. B. S. of hoe dat ding heet, naar boven in onze “beestenwagen”. Het zal dien als stoel en tafel! Het is echter niet ver geraakt. Het nam te veel plaats in en was te hard!



           Hoe we reizen? Erbarmelijk slecht! We zitten met 30 à 40 man in een “fourgon”, (goederenwagen)drie van hen “logeren” in het soort bijgebouwtje dat wat hoger uitsteekt en dat gewoonlijk ten dienste staat van de treinwachters. Ik ben samen met een Mach. - geweerschutter en een bevoorrader de huurder van dit “appartement”. We hebben een M.G. met 180 patronen voor het geval dat er weer zouden luchtaanvallen gebeuren. Bewust van onze waardigheid en verantwoordelijkheid laten we niet gauw iemand in onze “ geschutstoren” binnen. Het is er niet zo heel aantrekkelijk, vuiler nog dan daar beneden, koel met het vallen van den avond. We hebben wel zo een soort stoel bij elk van de twee venstertjes, de 3de man zal op de vloer kunnen liggen. Wij, schutter en sergeant, zullen aan geen liggen moeten denken. Voor en achter hebben we een beetje uitzicht over de daken van de wagens. We zijn heel ver van de locomotief, dus minder in gevaar als ze ons zouden bekogelen. De officieren zijn bijna helemaal achteraan.

       

 Het is een rij van wel 25 wagens, van alle grote en model, daarbij ook platte “boomwagens”, door het keukenpersoneel bezet. We zien de schouwen van de veldkeukens.

Met de hoop, dat er binnen afzienbare tijd, soep en koffie tot hier zullen doorsijpelen!

  


       Als ’ t donkert, geraken wij tot Roeselare en daar schijnt het voorlopig te zullen bij blijven. Officieren zijn uitgestapt, wij hebben streng verbod gekregen dat te doen. Maar weldra zijn ten allen kante mannen opzoek naar drinkbaar water. De kilte van den avond verplicht ons weldra de deuren toe te rollen, elk zoekt op een menselijke wijze te gaan liggen. Wij kruipen onze gevechtstoren binnen zen zitten er nog uren lang ongemakkelijk, op den slaap te wachtend. Voor de eerste maal ondervindend wat het betekend niet eens een bos stro en een paar vierkante meter vloer te hebben om er het moede lijf uit te strekken voor den nacht.

 

 

 

 

 

Reageer op dit bericht

gesneuvelde

7de dag, donderdag,16 mei.

          ’s Morgens staan we nog altijd met onze miseries in Roeselare. Nu en dan geraken we een kilometer verder, maar dan komt er alweer een kink in de kabel en kwartieren lang staan we dan te wachten. In Izegem is het een geloop naar links en rechts om een fles bier, een liter melk, koffie, als er niets anders is, water! Huisvrouwen komen weldra met emmers fris, helder, deugddoend water. Er is natuurlijk, verbod er zelf op af te gaan. De stoutste vegen er, even natuurlijk, hun botten aan! Het ergste is telkens de onzekerheid nopens den duur van die intermezzo! U waagt u 100 meter ver, ge neemt plots iets verdachts te zien, ginder ver, in de richting van de locomotief, ge loopt op een draf tot bij u wagon-lit, en… ’t is een vals alarm geweest. Als u er dan eens zeker van zijd en u loopt 300 à 400 meter ver opzoek naar mondvoorraad, ja dan gilt plots de stoomfluit en u hebt nog juist de tijd om op de laatste wagens te bereiken, terwijl de trein, gelukkig niet sneller dan aan ‘n 15 à 20 per uur, weer een eind verder bolt! Het schijnt dat er zo al mannen achterbleven.

         Wij bereiken waarachtig in de namiddag Kortrijk. Hier is opeens alles in verwarring en in zenuwachtige spanning .



Er cirkelen, voor het eerst sinds we Brugge verlieten, enkele vliegtuigen, tamelijk laag, boven ons “land verhuiskonvooi”.We zitten, wij gedrieën, in onzen “periscooptoren” uit te zien naar..slachtoffers, de schutter met de vinger aan de trekker, wij alle drie aan het loeren. Plots een geronk vlakbij en daar scheert hij over de daken van de wagens. We hebben niet eens de tijd om te vuren. Ik heb zo vaag den indruk dat dit geen Duitser is; Ik beveel tot den schutter:

“ Niet zonder bevel vuren ik geloof dat het een Engelsman is!” Daar is er weer een! Als we gereed zijn om te vuren, roep ik op het laatste nippertje: “Niet schieten! ’t Is een Engelsman!”

we hadden hier gemakkelijk een decoratie kunnen verdienen. Ik geloof dat we er nogal zouden van langs gekregen hebben. We beginnen alle drie te zweten van, van ..ja, van wat zou het zijn? Van na – angst? Van blijdschap dat we niet vuurden. Wat moest die vent ook zulke dubbelzinnige “manœuvers” uithalen?

 

 

We zouden hem waarschijnlijk op verre niet getroffen hebben, dat ware, voor ons althans, het ergste niet geweest, maar wat zou hij gedaan hebben, hadden we hem een twaalftal kogels achterna gezonden? Hij kon heel den trein voor een Duits konvooi nemen!

             In Lauwe zien we, van heel dichtbij ditmaal, onze eerste Engelse soldaat. Het ventje ziet er nog jonger uit dan onze mannen van klas ’40. Hij staat bij een zware M.G. dat met een dreigend gebaar hemelwaarts wijst. Die zal toch wel beter de typen van vliegtuigen uit elkaar kennen dan wij? De ene en de andere roep een woord Engels toe, hij antwoord iets onverstaanbaar, voor ons althans, op iets dat hij waarschijnlijk evenmin verstond…. En we zijn weer weg, ditmaal zonder oponthoud tot… bij Moeskroen!

             Hier zie ik Lucien Lepoutre uit de Rollegemstraat en doe hem de groeten thuis overbrengen.

Wanneer zie ik ooit deze zo bekende heuvels terug? Het schijnt ons een beslissend afscheid te worden aan heel ons voorgaand leven. Het is dan ook met iets of wat beklemd gemoed dat we, een half uur later, de Franse grens overschrijden? Tussen Moeskroen en Toerkoenje. Het is ondertussen avond geworden en in de richting van Rijsel zien we tientallen schijnwerpers den donkeren nachthemel aftasten op zoek naar vijandelijke vliegtuigen die we veraf horen brommen.

Weer gaan we een nacht tegemoet met weinig slaap in een onmogelijke houding, met rukken en stoten van de trein, waardoor we telkens gevaar lopen uit onze “stelling” te worden geworpen. We sakkeren dan even op den onbekende machinist ginder ver vooraan en trachten weer, maar gewoonlijk tevergeefs, den slaap te hervatten. We zijn ’s morgens altijd wakker vóór er een spoor van licht in het oosten te ontwaren is!

 

 

 

Reageer op dit bericht

gesneuvelden

8ste dag: vrijdag 17de mei

 

 

Het is dus al een week oorlog ginds in België. Als we buiten zien om “sterrenhoogte” te nemen, besluiten we dat we dien nacht toch iets zijn vooruitgekomen! Hazebroek zijn we doorgereden en nu zitten we ergens rond St. Omer.

Ik zoek vruchteloos de bekende en onlangs, per fiets, bezocht “ Pont d’Ardres” te ontwaren. De soep en de koffiebedeling begint, eindelijk,te werken. Brood en wat er bij hoort bereiken ons ook, als ’t kan, dit is, in een van de onvoorziene en in duur onzeker stilstanden. Doch alles met een apothekersschaaltje gewogen.

Het is nog Belgisch soldatenbrood, al oudbakken, maar toch zo welkom!

’s Avonds zijn we al in “Boulogne”. Naast onze trein staan wagons vol oorlogsmateriaal, vooral vliegtuigonderdelen. We vragen ons af: Is er dan niet meer haast bij, daar die hier zomaar staan te wachten? Sperballons hangen tegen avondhemel te blinken en te wiegelen in de stalen van de ondergaande zon. We voelen ons hier tamelijk ver van het gevaar en van den oorlog.

         Traag, trager dan ooit glijden we weer zuidwaarts, langs de kust, de wind brengt ons een wilden geur van zee en zand en duingewas. De nacht is toch zo aangenaam en zacht en er schijnt ditmaal geen taptoe te zullen komen. We laten de benen bengelen, uit de open schuifdeuren, van tijd tot tijd wipt er ene af om aan iets dringend te voldoen en hij heeft al den tijd om de laatste wagen binnen te springen, zo traag rijden we door in de manschijn.

         Zouden ze ons hier dan afzetten om ergens stelling te bezetten of moeten we te voet verder? Neen, later op de nacht terwijl we weer het hopeloze gevecht aanvatten, voelen we de snelheid vergroten en we verwachten er ons aan dat we morgenvroeg , of liever, als ’t klaar wordt want nu is het al zaterdag, heel ver in Frankrijk zullen wakker worden.


Reageer op dit bericht

gesneuvelde

Mijn grootvader is gemachtigd een bijkomende palm te hechten op het lint van het Oorlogskruis.

9de dag: zaterdag, 18de mei.

 

Het valt niet zo uit! We hebben het laatste deel van de nacht in een uitholling tussen twee heuvelruggen geslapen, trein en personeel en passagiers in een woord iedereen. Nu, als ’t dag wordt kucht onze overbelaste locomotief de helling op. Doch als we achterom zien, bemerken we dat er daar nog ene aan puffen is!

Het wordt een sukkeldag. Zijn we zoveel zwaarder geworden of zijn de locomotieven moe, met twee raken ze bijna nog niet vooruit. Urenlang staan ze uit te blazen. Wij zelf zullen ook moeilijk onder stoom geraken met een paar onsen brood en de anderhalve sardien die we vanmorgen kregen.

        Gelukkig komen we wat later voorbij een Engels kamp. ’ t Is al thee en beschuiten en sigaretten dat we horen en zien. De kantinejuffrouw geven en geven, met twee handen ineens. Sommige zijn weeral gulzig en nemen uit de pakken waar ze kunnen.

         We kommen nu stilaan wat sneller vooruit. Zou ook de machinist wat thee en sigaretten gekregen hebben. Voorbij Eu en de Tréport, waar ditmaal Franse juffers onze honger en onze dorst komen stillen, mits betaling, natuurlijk: “ maar wat zijn vijf broden en twee vissen tegenover zulk een menigte?”

 


         In Aumale, rond 5uur, stopt de trein met een beslissende zucht van de locomotief: ’t schijnt een tijdje te willen duren.” Weldra zit het stationgebouw zo vol kaki en Vlaamse klanken als het dat wel nooit geweest is! Ik tracht van de bediende een van die mooie platen met modellen van Duitservliegtuigen los te krijgen, die hier aan de muur hangen, om ze in ons “fort” te hangen, maar die vent wil niet bijten. We zijn van zin er toch mee aan te gaan, maar hij is waarschijnlijk ook soldaat geweest en hij komt ze gauw losmaken om ze in zijn lade te schuiven tot we weg zijn!

         De stad ondergaat een grondig onderzoek naar brood, chocolade, Vache-qui-rit- kaas, bier, tabak en alle mogelijke eetwaren en…zuigwaren, maar…. Een trein is ons al voor geweest en ’ t waren waarschijnlijk ook Belgen want de magazijnen, tot 10 à 15 minuten van het station werden nogal gewetensvol “ bewerkt”!

         Plots weerklinkt het gefluit van de locomotief, ginder ver, in het station. Als er hier gene blijven hangen, dan nooit! Het is één deren naar de kaai, links rechts klauteren “kakipoppen “

 

Over het staketsel, velen springen nog op het nippertje op den al bollende trein. Er wordt geraamd dat er wel 30, andere gewagen van 60, achterblijvers zijn, maar het zal alles wel zo erg niet geweest zijn. Ten andere, er komen nog treinen.

Die onbekommerdheid vanwege de officieren wordt heftig besproken. Bijna nooit krijgen we te weten hoelang ongeveer de “rust” zal duren. Zouden ze ons gaarne kwijt spelen misschien?

        Ik zit in mijn “ clubzetel met een volle veldfles rode wijn en een lekker Frans witbrood..

Zo kunnen we toch weer een tijdje uithouden!

        Thans naderen we snel Parijs, we worden ’t gewaar aan de talrijke fabrieken, vooral links en ook daaraan dat er een drukker verkeer op de banen is. De vierde “treinnacht”, gaan we in met tenminste een tevreden maag. De moraal is opperbest, spijts onze ongemakkelijke “bedden”. We hadden tot nu toe af en aan wat last met het remwiel van de wagen dat horizontaal vlak vóór onze troon staat, wij hebben het nu vastgebonden. Als het op remmen aankomt, zullen we het, bij onze het, bij onze gewone snelheid wel tijdig kunnen los maken!

 

Reageer op dit bericht

gesneuvelde





Kruis van ridder in de orde van Leopold II met zwaarden: "Ter bijzondere verering voor de Oud-Strijder in het bezit van meerdere oorlogstitels"

10dag: zondag, 19de mei

 

Onze tweede oorlogszondag! De Eifeltoren is in ’t zicht als we onze deuren openrollen om zon en frisse lucht binnen te laten. Een geluk dat er sleten en gaten in die wagens zijn, het zou anders, na een 6 à7 uur gesloten zijn, nog heel wat erger “geuren”!

         In een kringbaan rond Parijs rijdend, komen we voorbij Versailles. Van het kasteel, dat ik verleden jaar bezocht heb is allen de buitenzijde van het park te zien!

         In een station voorbij de hoofdstad is er drinkgelegenheid.

Het was geloof ik, in Dourdan. We zitten al heel de voormiddag in de brandende zon, nergens was er tot nu toe iets te bemachtigen, nu is één rush naar de waterkraan. Ze is kort bij de trein. Het is levens gevaarlijk! Er wordt gedrumd en gestoten, getrokken en geduwd, om niet te geloven! Nu en dan geraakt er ene uit dat kluwen. Soldaten, druipnat en de haren in wanorde, de muts tussen de gordel, triomfantelijk aan zijn koele veldfles zuigend!

Het gaat er op zeker ogenblik zo erg aan toe, dat er een hitsegard zijn bajonet trekt en hadden enkele koelbloedige mannen, waar bij natuurlijk Vandiepenbeek, hem niet “CITO” ontwapend, hier zou warempel bloed gevloeid hebben bij al dat water! De vent is na een paar minuten gekalmeerd en staat daar nu beschaamd wegens zijn zotte kuren, beteuterd om zich heen te kijken.

         Intussen zijn een paar stationmannen met goud - en rood gerande kepies’ bij de kraan geraakt en trachten een orde vollen drinkdienst in te richten. Doch vlot van stapellopen, dat zal voorlopig nog het geval niet zijn; Ik hoor zeggen dat er nog een kraan is, doch 600 meter ver! Wat het, als we maar water hebben!

Ik krijg, als ik langs onze wagen voorbij stap, wel een dozijn veldflessen mee. Ze hangen aan mijn riem, aan mijn kleerhaken, ik ben een levende kapstok Ja, die kraan vind ik, maar het is een hele wandeling over sporen en wissels en hopen as.

         Van wassen en kammen en scheren is sinds 4 dagen nog geen sprake geweest. Bij gelegenheid de handen en de omgeving van de mond en neus even met de rest van het drinkwater op het ogenblik dat je er vers ziet in het bereik komen. Het is zelfs gebeurd dat we ’t grofste vuil met warme koffie van onze handen spoelden! Dat geeft ze een bruine tint! Op den duur zijn we nog naar de mode! Bruin van vel en slank van lijn!( Van het vasten en te weinig slapen?)

         Wat de WC. betreft, dat is nog een heel wat erger capitel! Voor een gewone “petite” is niet zo ingewikkeld. In een periode van”petitevitesse” springen wij “ er af “en wat later kunnen we, mits een “sprintje” de laatste wagen bereiken om dan, bij de eerste vertraging ( er zijn wel 6 snelheden, of beter “traagheden”!) weer tot hier te geraken. De mannen van de laatste wagens kunnen zoiets niet doen. Nu, die zullen er ook wel een “remedie” op gevonden hebben!

         Voor wat de kinderen op school “ ma grande” noemen zijn heel wat gunstiger omstandigheden van doen? Zoniet kan men op een volgende trein wachten! Het is dan ook, bij iedere stilstand “ te velde” hoe kort hij ook dure, een vlucht uit de wagens vanwege de mannen voor wie het “uur H “ gekomen is!

Met de “documenten” gereed in de hand de broek met de ene hand ophouden( want als ge ze op het “terrein” nog moet losmaken is dat een gevaarlijk tijdsverlies!) zie je ze overal uit de wagens glijden, in een struik of achter een haag verdwijnen en spoedig daarop, in minder dan geen tijd dat ge ‘t vertellen kunt, komen ze weer te voorschijn. En toch moeten ze soms spurt inzetten, willen ze zelfde wagen weer bereiken…

Onze brave Petit was zo eens bijna verdwenen in zulk een “rit tegen het uurwerk” of liever “tegen de trein”…. Hij is al niet te handig en was maar pas in zijn schuilplaats toen de trein al terug vertrok, met het gevolg dat Petit hem kon gaan achternalopen, de broek met beide handen ophouden. Op een gegeven ogenblik liep hij zo naast de wagens, maar kon er niet op, hij kon zij handen immers niet gebruiken. Opeen gegeven ogenblik liep hij zo naast de wagens, maar kon er niet op, hij kon zijn handen immers niet gebruiken. Wij barsten van het lachen! Hij verloor natuurlijk aldra veld en geraakte helemaal achteraan, vooral daar de trein er, als om hem te treiteren, nu ook nog meer vaart dan gewoonte achter zette. De laatste wagens zag Petit voorbijrijden…

Van verre zagen we hem stilvallen, met een wanhopig en dramatisch gebaar ons een vaarwel toewuiven en dan zijn broeklijsten vastmaken!... Gelukkig voor hem bleven we een kilometer verder weer staan, ditmaal voor langere tijd en zo kon Petit, hijgend en zwetend, zo rood als een pioen, ons weer vervoegen, midden het gelach en de spottende gelukwensen van heel den “stal” Hij viel seffens aan het eten! Wie zou daar ook geen honger bij krijgen, hij mag dan al “lutteur” van beroep zijn!


1 reactie Reageer op dit bericht

gesneuvelde





Kruis van Ridder in de Kroonorde met Zwaarden: Als nieuwe blijk van Prinselijke welwillenheid aan de Oud-Stijder

 

11 de dag: maandag, 20 mei

 

 

 

Het gaat vanmorgen heel wat sneller. “ Hij” krijgt echte trein manieren! Hoe is het mogelijk! Doch als we onze schuifdeur open rollen, zien we algauw van waar die plotse verbetering komt. We zijn op een elektrisch baanvak en dus zonder gepuf en rook dat we thans het zuiden in razen.

          Onze mannen gaan hier moeten mensen manier gaan krijgen. Tot hiertoe was met die ossenwagensnelheden alles toegelaten. Stoops en Borrey bijvoorbeeld en later nog andere mannen, verder vooraan, die woonden overdag meer op het dak dan binnenhuis. Soms waren ze zo zat als een Zwitser en dan kwamen ze daar boven waarachtig hun roes uitslapen! We hadden ze vlak vòòr ons venster, op de voorgaande wagen. Zo is er ook eenmaal, bij het naar beneden klauteren, tussen de twee wagens een vent van een ander peloton die bij Borrey en Stoops op “pinard-visite” gekomen was, bijna naar de haaien gegaan. De trein had juist een beetje snelheid( het was nog onze “oude”) en toen onze klauteraar halfweg tussen het dak en het achterplatformpje geraakt was, verminderde ineens de snelheid, de tweedakranden naderden elkaar tot op minder dan een voet afstand… Onze Slimmerik had nog juist de tijd om zijn borst van tussen de twee te laten neerzakken en een ogenblik scheen het alsof onze wagen hem de nek zou toe duwen, doch gelukkig hield de machinist opdat ogenblik op met remmen, de afstand vergrote en de zwarte krullenkop, op een paar meter van ons verdween achter de zwarte dakrand. Wij hadden nog meer dakbezoekers maar dien ene hebben we nooit meer gezien. Dit soort vermaningen waren de enige die een zeker uitwerksel hadden. De officieren hadden mooi te dreigen, soms zelfs kwamen ze persoonlijk de mannen onderhanden nemen, tucht zat er niet veel meer in. Elk deed waar hij lust in had.

Ze voelden te zeer dat zelfs onze “ bazen” niet goed wisten waar en hoe dit alles zou eindigen. De mannen redeneerden zo: Wat in den bak draaien! Er is er geen! Straks staan we misschien aan front en wie spreekt dan nog van straf. Daarbij: “ ventre creux n’a pas d’oreilles” (een lege buik heeft geen oren.)

            In de avond, heel laat, het is wel 11 uur komen we door “Saumur”. Van lichtdemping is hier nog geen spraak. Wij voelen ons hier zo ver van dat oorlogsgeweld. De kantine van het stationsgebouw werkt op volgas. U kunt er zich noch draaien noch keren. De gelukkigste bemachtigen bier, chocolade, beschuit….. tabak.

            We razen daarna door de nacht verder het zuidwaarts. De vaart is veel regelmatiger en we worden dan ook niet meer alle ogenblikken door onmenselijke schokken wakker, zoals dat tot nu toe het geval was.

 

 

 

 

 

3 reacties Reageer op dit bericht

gesneuvelde





Kruis van Ridder in de Leopoldsorde met Zwaarden: Als blijk van Koninklijk welwillendheid aan de Oud-strijder 1914-1918 derde bevordering

12de dag: dinsdag, 21 mei.

 

 

Een warme dag teweeg. We bollen volop door de wijnstreek. Wijn is ten andere ons hoofdvoedsel geworden. Overal waar maar mensen te zien zijn en een oponthoud ons toelaat met hen in verbinding te komen, daar worden de veldflessen, ja ook de eetbussen of “gamellen” gevuld, ook flessen geraken, tegen het verbod in, wederom, de wagens binnen.

        S’ Avonds zijn we in “Toulouse”. We hebben veel tijd, wordt er ons gezegd. Alleman de stad in. Doch er is weinig te bemachtigen. Hier is het al vol mannen van 18 tot 35 jaar, waarbij zelfs Vlamingen. Die reizen in gewone personenrijtuigen en ze hebben er met krijt allerlei “Hitler” weinig vleiende en alles behalve welwillende beloften en spreuken op gekrabbeld.

 Ik bezoek eens grondig onze locomotief. De machinist of mecanicien, een typisch Franse kop met donkere kijkers en zwarte krullen en bruin als een Sengalees, met een accent op zijn “ Marius ” vertelt me dat ze zomaar eventjes 800 ton aan 120 kilometer per uur kan meesleuren. Dat begint te tellen! Het ie er binnenin volstrekt niet geruststellend. Er is amper plaats genoeg tussen de afsluiting in “kiekendraad door te stappen, waarachter, om de 3 à 4 minuten reusachtige vonken met één drogen knal overspringen. Het ruikt er naar vet en olie. Ik ben bijna de enige van ons groepje dat durft binnenkom.

Borrey en Stoops komen uit de stad, zat als ze nog nooit geweest zijn. Er is thans geen sprake meer van nog op het dak te gaan liggen, ze moeten dus op hun smal balkonnetje hun roes uitslapen! De draden van de elektrische leiding komen immers op een paar voeten boven de daken en op sommige ogenblikken, als we onder een brug doorrijden, zo laag, dat wie op het dak ligt zeker en vast zou geraakt worden. Er werd trouwens al in een ander compagnie een man duchtig verbrand, een hele streep haar is van zijn kop geschroeid. John Vandiepenbeek, die toch op het dak gekropen was, heeft er ik weet niet meer in welke statie het was, een streling van mee gekregen. Gelukkig bolde de trein heel traag, het was bij het binnenrijden onder de spoorhallen. John rolde van op het dak tot naast de wielen. Hij moet door wat duizelig geworden zijn.

Hij heeft er een flinke bruine plek op het voorhoofd bij opgedaan, die hij nog lang zal meedragen!

             De kapitein weet ons te vertellen dat we morgen ter bestemming zullen zijn. Hij denkt dat L’Isle-Jourdin het eindpunt is. Het ligt op 33 km. Van hier. We hebben die naam nog nooit gehoord. Hij heeft zoiets Oostenrijks, zoiets helemaal vreemds.

 

 

 

 

1 reactie Reageer op dit bericht

gesneuvelde





Werd exclusief toegekend aan gewezen militairen wegens goede en trouwe dienst en die minstens één jaar gediend hebben tussen 16 december 1865 en 18 december 1909

13de dag, woensdag 22ste mei  

 

 

 

Eindelijk dan het bevel: “ U klaar maken om uit te stappen!” Het wordt een hele zaak om elk het zijne weer bijeen te krijgen en op een draagbare manier om het lijf te hangen. Doch gelukkig mogen de blauwe zakken in het station blijven liggen, ze zullen dan tot in het kantonnement vervoerd worden. Heremijntijd, wat oude, vervallen huizeke hier toch woekeren! We worden al een beetje ongerust. Als ze ons maar als ’t u belieft niet in zo ’n huis inkwartieren, nog liever in de bossen slapen!

          Doch we stappen almaar door over een brug, het stadje uit in westelijke richting. Het is nog heel vroeg in de morgen en we ontmoeten enkel enige vrouwtjes, klaarblijkelijk op weg naar de kerk. Ik bereken even bij mijzelf hoe lang het wel geleden is sinds we nog Godshuis konden binnentreden. Het is sinds Brugge, 10 dagen geleden. Wat een week we toch beleefd hebben in die stoffige spoorwagens!

We durven elkaar bijna niet bezien. Zo zwart, met zulke lange, woeste baarden, de piepjonge schachten uitgezonderd. Precies een bende frontratten!

          Wij krijgen inkwartiering langs de baan naar ” Lombez ”, op 500 à600 meter van het stadje in een hoeve. Doch niet binnen in de gebouwen, onder een soort afdak.

           We krijgen wederom geperst stro, ditmaal niet een halfuur ver te slepen. We maken er echte muren mee om de wind af te sluiten. Een  van de acrobaten van ons peloton durft van boven op zo een muur naar beneden springen, meer dan drie meter hoog;

Op de grond ziet er ten anderen niet hard uit, het lijkt een soort vergane mest, daar tussen de pijlers. Hij springt…Christenzielen, ik dacht dat hij voorgoed verdween! Tot over zijn knieën zinkt hij in de vette, stinkende mestpoel! Of hij succes heeft! Zelfs de adjudant lacht en gekt mee! Het is als een heruitgave van … Londerzeel!

         Die adjudant is weer wat erger geworden, sinds het gevaar zo ver ligt, maar de mannen werden ook wat driester!

         In de namiddag komt er me daar een zuiders onweertje opzetten dat niet van de poes is. We denken allen onmiddellijk aan onze blauwe zakken, die daar buiten liggen, tegen het stationsgebouw. Ze zullen er lief uitzien! Als alles voorbij is, worden we verzameld om ze te gaan halen. Ze zijn wel tweemaal zo zwaar als vroeger! En vuil! We sukkelen er mee tot op ons stro. Alles is met blauwe strepen bevlekt, hemden, hand – en zakdoeken, onderbroeken. Alle draden en touwen en alles wat als waspaal kan dienen wordt in beslag genomen en voor de rest van den dag is het één schrobben en spoelen en uitwringen en is de weide in een blekerij herschapen.

 

 

 

Reageer op dit bericht

gesneuvelde





Herinneringsmedaille van Regering van Zijne Majesteit Albert I

Deze werd toegekend aan de militair wegens goede en trouwe dienst tijdens de regeerperiode van Zijne Majesteit Albert I, tussen 18 december 1909 en 18 februari 1934 

                           14de dag: donderdag, 23ste mei

14de dag: donderdag, 23ste mei

 

 

Het is vandaag Vermote’s dag: scheren, scheren en nog eens scheren! Nu eerst valt het ons helemaal op, welke ontzettende baarden dat we gekweekt hebben van Brugge tot hier! Ik dacht dat Vermote door mijn “ stoppels “ niet zou geraakt zijn! Hij zweet er bij en ik nog veel meer.

        Keulemans heeft al de slijpsteen van de boer ontdekt en is nu zijn bajonet aan ’t slijpen dat ze snijd als een vliem!

       Het loopt hier vol kinderen. De boer is een Zwitser, Armand Burger, een ruwgebouwen, bruin gebrande kerel, met zwarte, venijnige oogjes en een wilden haarbos. Het ziet er een resolute gast uit! We zijn algauw met heel de familie op goede voet. Vooral de kinderen kunnen ons goed lijden. Het oudste, een meisje van 12 à 13 jaar, heeft werk tot over haar oren met melken en melk rond venten in het stadje. De anderen een jongentje van 7 à 8, een van 5 en een kleintje dat nog wat waggelend, rond sukkelt, zijn van ons niet weg te krijgen.

 De tweede vooral heeft een woordenschat die wellicht nog uit Zwitserland stamt, van moeder gedeeld! Je vais te foutreu un “ bratch “! Zegt hij met rollende r !

        De mensen van de streek verstaan we vooralsnog volstrekt niet, vooral als ze onder elkaar bezig zijn. Ze zijn heel vriendelijk tegenover ons en we denken bij ons zelf: “ Hier zijn we goed gevlogen.”



                    

         Eerst word ons logies ingericht en dat neemt heel de dag in beslag. We liggen op een 200 meter van de keuken, het magazijn is een beetje verder, alles ondergebracht in die kleine huisjes met hun vervallen zandstenen muren die met kalk bepleisterd werden en met licht af hellende pannendaken.

         Voor onze was en onze morgentoilet hebben we de beek in de weide met kristalhelder water.

         Als het avond wordt zijn we vermoeider dan ooit en het duurt niet lang vòòr de laatste achterblijver, niet meer zo heel nuchter, tastend en struikelend, tussen de slapende mannen komt gekropen zich gans gekleed, zoals de andere tussen zijn dekens te glijden….

 

Reageer op dit bericht

Meer van Rollegem blogt ...

↑ Terug naar de berichten