gesneuvelde


Mijn grootvader is gemachtigd een bijkomende "Palm" te hechten op het lint van het "Oorlogskruis"
Koniklijk besluit NR. 8901 van februari 1921 om "De moed en de toewijding waarvan hij blijk heeft gegeven tijdens zijn lange aanwezigheid aan het front"
6de dag: woensdag, 15de mei
Ik slip in de voormiddag even uit het kasteel weg tegen het verbod “Kortleven” in, tot bij de kapper. De laatste berichten over de toestand aan het front worden hier natuurlijk heftig besproken. Wij zelf, worden als een soort “experts” aanzien en ze zijn allen wat verwonderd dat we er zo weinig van weten te vertellen. Wij zijn zo spijtig dat we ginder ver niet een beetje in den dans gezeten hebben! Een beetje!...
Hier komt echter ne piot binnen die “ze” wél gezien heeft! Hij was aan ons fameus kanaal. Weinig opwekkende en ook niet veel samenhangends weet die vent over den slag te vertellen. Het is altijd maar van vliegtuigen en bommen en mitrailleren en ..paniek en ..vluchten!
Er moeten volgens hem massa’s Duitsers door onze scherpschutters weggemaaid zijn, maar altijd weer kwamen nieuwe opdagen, tot onze mannen door de jachtvliegtuigen van den vijand werden verdreven of gedood. Doch als we aan onzen verslaggever vragen of hij dat alles zelf gezien heeft en waar, dan heeft hij slechts ontwijkende antwoordden. Het zal ook wel niet een oog – maar een oorgetuige zijn, of zoals ze dat hier noemen: “Gezien van ene die ‘t horen zeggen heeft!” De vent is anders ontdaan genoeg hij ziet er nu nog bleek van.
Hij weet ook te verhalen van een tank die met ’n twaalftal die er als vliegen opzaten, te Mechelen in onze kazerne is komen binnengereden, gevlucht van het front. Een luitenant stuurde! Waarheid? Leugen?
Vroeg in den namiddag weer naar het station, ditmaal niet naar het oud maar naar het nieuw. Natuurlijk is nog van een trein geen spraak. We liggen dan weer te wachten, langs de vesten. Wat een geluk dat het mooi weer is. Rond 16 uur geraken we op de kaai en, na veel geroep en tegenstrijdige bevelen mogen we eindelijk instappen. We hebben ons nu zelfs te haasten want spoedig komt er beweging in het konvooi. Het wordt een reis in stukjes en brokjes. Tussen Brugge en Torhout komen brave mensen aangelopen met wat ze zo vroeg op ’t jaar, voor eetbaars hebben in de “hovingen”: Rabarber! Er wordt een hele voorraad in een hoek van onze wagon gestapeld. Van honger omkomen, is niet zo erg als van den dorst!
In Torhout sleur ik een stuk beton van de N. M. B. S. of hoe dat ding heet, naar boven in onze “beestenwagen”. Het zal dien als stoel en tafel! Het is echter niet ver geraakt. Het nam te veel plaats in en was te hard!

Hoe we reizen? Erbarmelijk slecht! We zitten met 30 à 40 man in een “fourgon”, (goederenwagen)drie van hen “logeren” in het soort bijgebouwtje dat wat hoger uitsteekt en dat gewoonlijk ten dienste staat van de treinwachters. Ik ben samen met een Mach. - geweerschutter en een bevoorrader de huurder van dit “appartement”. We hebben een M.G. met 180 patronen voor het geval dat er weer zouden luchtaanvallen gebeuren. Bewust van onze waardigheid en verantwoordelijkheid laten we niet gauw iemand in onze “ geschutstoren” binnen. Het is er niet zo heel aantrekkelijk, vuiler nog dan daar beneden, koel met het vallen van den avond. We hebben wel zo een soort stoel bij elk van de twee venstertjes, de 3de man zal op de vloer kunnen liggen. Wij, schutter en sergeant, zullen aan geen liggen moeten denken. Voor en achter hebben we een beetje uitzicht over de daken van de wagens. We zijn heel ver van de locomotief, dus minder in gevaar als ze ons zouden bekogelen. De officieren zijn bijna helemaal achteraan.
Het is een rij van wel 25 wagens, van alle grote en model, daarbij ook platte “boomwagens”, door het keukenpersoneel bezet. We zien de schouwen van de veldkeukens.
Met de hoop, dat er binnen afzienbare tijd, soep en koffie tot hier zullen doorsijpelen!

Als ’ t donkert, geraken wij tot Roeselare en daar schijnt het voorlopig te zullen bij blijven. Officieren zijn uitgestapt, wij hebben streng verbod gekregen dat te doen. Maar weldra zijn ten allen kante mannen opzoek naar drinkbaar water. De kilte van den avond verplicht ons weldra de deuren toe te rollen, elk zoekt op een menselijke wijze te gaan liggen. Wij kruipen onze gevechtstoren binnen zen zitten er nog uren lang ongemakkelijk, op den slaap te wachtend. Voor de eerste maal ondervindend wat het betekend niet eens een bos stro en een paar vierkante meter vloer te hebben om er het moede lijf uit te strekken voor den nacht.
















































