gesneuvelden

21ste dag: donderdag, 30ste mei. Deel I
Voor mij begint de dag eigenlijk al terwijl iedereen nog rustig ligt te grollen! Ik moet met J.J.B. Caron naar de infirmerie. Hij wordt geweldig geplaagd door buikpijn. Zijn buurman is mij komen wekken, daar ik juist “ sergeant van dag” ben. Ik stap dus, den braven Caron ondersteunend, door de hol klinkende straten van L’Isle-Jourdain, enige levende die in den schijn van de maansikkel nog buiten zijn. Het hospitaal is gemakkelijk genoeg te vinden, maar er binnen geraken, vraagt wat meer inspanning!
Eindelijk, wanneer ik al begin te vrezen dat ik heel de wijk wakker gemaakt heb, hoor ik de brede halldeur openen en iemand komt, sloffende op te grote pantoffels, de grendel, van de voordeur wegschuiven. “ De infirmier!” Hij schijnt het mij heel kwalijk te nemen dat Caron ziek werd en de nachtrust komt storen. Gelukkig is er weldra een andere soldaat, zelf in verpleging, die het zich nauwer ter harte neemt en de nodige “buikpijnstillende “ middelen bijhaalt.
Een infirmier of “ziekenverpleger” moest eigenlijk, natuurlijk als ’t om echte zieken gaat, een engel in… piottengedaante zijn!
Overdag krijgen we weer onze gewone wandeling te maken. Thans echter nemen we zoals zo vaak in Mechelen, opnieuw een echte “vijand onder handen”. Enkele mannen liggen in het bos opgesteld, dat ten zuiden van de baan op Lombez, een smalle heuvelkam begroeit. Daar zij houthakkers aan het werk. Ze interesseren ons natuurlijk veel meer dan ons eigen gedoe. Ik vraag hun welke die mooie bomen zijn, op de volgende heuvelglooiing, of het soms geen “pin(s) maritime” zijn? -“Non” zegt er mij een, “ce son des pin(s) parasols!” (pijnbomen) Een mens leert nog alle dagen bij!

Van Den Bulcke is niet mee, deze morgen, die heeft het middel gevonden om niet meer deel te nemen aan de gezamenlijke oefeningen en speelt maar liever hoeveknecht. Hij heeft nog enkel broek en schoenen aan en staat nu van ’s morgens tot ’s avonds onder bevel van… Armand Burger! Hij mest de koeien en ook de stier, een ontzaglijk stuk vee, hij gaat er reeds met de paarden opuit gelukkig een paar zachte dieren, hij rolt en egt, enz. Hij leeft dan ook opkosten van zijn nieuwe baas, behalve voor wat zijn soldij betreft! (Die krijgen we in Franse munt, werd ons beloofd, met vanzelfsprekend, de verhoging wegens de wisselkoers.) Ik denk dat er veel Van Den Bulcke benijden, want Burger ziet niet op een paar liter wijn. Hij vertelt dat hij zelf er in de oogsttijd, tot 12 à 15 liter per dag nodig heeft!
We trekken er dezen namiddag met een heel groepje ook op uit naar Burgers akker. Hij wil maïs zaaien maar eerst moet het onkruid uit de weg. Ik heb er nog nooit zoveel bijeen gezien! Er waren er tientallen hopen van wel een man hoog. Toen we nog maar half gedaan hadden met ons wieden stapte Burger al met de zaaizak over het onbewerkte veld en strooide met kwistig gebaar zijn maïs uit. Boeren op zijn Frans!
Het komt er niet nauw! We kregen natuurlijk onze glazen wijn te drinken. Burger had een kruik van 7 à 8 liter meegebracht en we waren met ons achten! Restjes naar huis meenemen doet hij nooit!





































