gesneuvelde
33ste dag: dinsdag, 11de juni.
Het is nog niet laat in de voormiddag of daar hebben we het al. De schoolbestuurder is vanmorgen of gisteravond binnengekomen en heeft er zijn woning overhoop gevonden en ontdekt dat er voor honderden en zelfs duizenden franken werd gestolen aan gouden en zilveren uurwerken, ringen, enz. Hij eist dan ook een streng onderzoek en voorbeeldige straffen.
De ene dader zal weldra de andere uitbrengen en onder de 5 à 6 ondervraagden zijn er een paar die zeker heel eenvoudig getuige waren van het misdrijf, hun verleden is er borg voor. We hebben bijvoorbeeld allen innig medelijden met Smet, de grootste en wellicht de braafste soldaat van ons peloton. De kapitein ziet het voor hen alles behalve rooskleurig in. Hij vreest, gezien de oorlogsomstandigheden, dat ze er het leven zouden kunnen bij inschieten.
Moet de Fransenoverheid de zaak in handen nemen, zegt hij, dan kunnen wij er niets meer aan doen. De beklaagden zitten er dus heel bedremmeld bij. Toch wil geen van hen de gestolen zaken te voorschijn halen, wellicht vrezend dat hij dan, als hoofdschuldige zou boeten voor allemaal.
Niets hebben de zorgvuldige opzoekingen in de ransels en blauwe zakken teweeggebracht. Bij gebrek aan cachot worden de booswichten maar in een klas opgesloten, met een schildwacht vóór de deur.

Vanavond zaten de officieren in de eetzaal van de leraars, wij waren al terug van de kazerne waar we lekker geavondmaald hadden, toen opeens een hele formatie vliegtuigen, vlak boven ons aan het mitrailleren gingen, naar elkaar, of naar een doel op de grond, dat weten we niet. De officieren, vertelden later de ordonnansen die hen bedienden, sprongen over de tafels om het eerst in de kelder te zijn. Wij zelf in plaats van de schuilplaatsen vlak naast ons te gebruiken, staan er op te zien, zoals we deden in Brugge, vier weken geleden. Tot de gevaarlijke vogels, de ene in zuidelijke richting, de andere in noordelijke richting verdwijnen. We laken eenparig de handelswijze van onze oversten die, zonder aan hun onderhorigen te denken, maar gauw hals over kop hun eigen vel redden. Was er gevaar, dan moesten ze ons de schuilplaats in drijven, was er geen, dan hoefden ze niet hals over kop in de kelder vluchten.
Als alles voorbij is horen we de officieren in hun eetzaal druk beraadslagen, waarschijnlijk over wat er nu te doen valt, gezien het front schijnt te willen de hoofdstad bereiken. Om aan de verdedigingswerken van Parijs te helpen arbeiden, zullen we wel te laat zijn! Ja, daar komt onze kapitein ons mededelen dat we vannacht van hier vertrekken. Hij leest ons een hele reeks mededelingen die waarschijnlijk van onzen aftocht, al lang werden gereedgehouden.
Elk mag maar zo en zoveel linnengoed en de aller- nodigste zaken meenemen want we gaan te voet tot “Etampes” waar we de trein ons zal opnemen! En we hebben maar drie nachten om daar te komen, overdag valt er niet te reizen uit vrees voor de vijandelijke vliegtuigen.
De kapitein heeft niet eens de tijd om alles af te lezen, want daar zijn alweer de vijandelijke jagers, hij springt van de hoop grond waarop hij stond en waaronder de schuilplaats ligt en verdwijnt weer als de bliksem, recht naar de deur van de eetzaal terwijl ook de andere officieren de kelder binnenbuitelen. Die zal wel veel veiliger zijn dan de lichte schuilgangen op de koer die enkel van takken en aarde gemaakt zijn.
Wij van onze kant gaan dus zonder verder bevelen af te wachten onze ransels “marsgereed maken”, met wat hartzeer sommige zaken achterlatende, want ditmaal voelen we heel goed dat we onze blauwe zakken nooit meer zullen weerzien, spijts de belofte dat ze per auto achterna zullen worden gestuurd! We zitten daarna onder de overdekte galerij te wachten tot het helemaal donker geworden is en stappen dan de wijd open poort uit, nauwe en pikdonkere, verlaten straatjes in, het onbekende tegemoet.






















een bij riviertje van de Cher












kogel! 


