gesneuvelden

46ste dag: maandag, 24ste juni.
Spijts de consigne ga ik van als het kan even de stad in. Er werd geplunderd volgens de regels der kunst. Waar de deur weerstond werden de vensters geforceerd.
In een kappersalon, een mode-instelling! Vind ik nog een ganse doos “Gibbs-sticks voor de baard.
Ik steek een van de twaalf op zak, dan word ik niet als “Pflünderer erschossen” zoals mij op aanplakbrieven ten allen kante beloofd word. Ik kan ook de weelderige begroeiing van mijn kaak en kin laten zien als verontschuldiging. Ik zoek iemand die mij kan of wil scheren en vind weldra in een leeg hotel een Franse vluchteling die samen met zijn vader een potteken aan het koken is. “aux frais de la princesse” Of die vent mij “kan” scheren weet ik niet, maar hij “wilt” toch. Hij heeft een “Gillette” bij en ik zeep mij dus goed in. Ik was al eens het slachtoffer van een Franse kapperbeul, en dan nog wel een vrouw, in 1939, doch ditmaal gaat het alle paal en perk te buiten. Ik bloed wel uit twintig snij- en scheerwonden, betaal twee frank, wat toch maar op tien centiem per wonde komt en neem me vast voor, nooit meer vrijwillig in handen van een zo een “schreper” te vallen! Doch de baarden geschiedenis zal gauw vergeten zijn want er is beter nieuws. Treinen vertrekken in noordelijke richting, dus nader België toe. Janssens en ik gaan even tot in de statie. Het “krioelt” er van vluchtelingen en Belgische en Franse troepen. Doch we voelen niet lang goesting om met zo een trein naar huis te rijden. Platte wagens, overbevolkt, een locomotief die ze nog moeten van water voorzien. Het zal nog iets anders worden dan Brugge- L’Isle-Jourdain! En hoeveel bruggen zijn al hersteld? En waar zal al dat volk aan eten geraken? Konden we maar weer een fiets of zes bemachtigen! Of liever vier, want Keulemans de onuitputtelijke heeft weer eens zijn talenten ten toon gespreid. In ons huis vond hij twee afgedankte fietsen die hij echter met wat hij overal bijeenscharrelde heel goed bruikbaar heeft gemaakt. Ze werden ten anderen ter gelegenheid van een onzer waterreizen al geproefd!

En hier valt ons dan plots een hemelse dauw in handen. Vier Belgische piotten zijn met elk een goede fiets de statie binnengekomen en willen nu per trein verder. Als we mogen, krijgt gij onze fietsen! Wij helpen dus smeken en parlementeren bij “bemanning en passagiers en eindelijk mogen onze vier inschepen. Wij delen hun maar onze bezwaren tegen deze reis niet mee, integendeel, we weten er niets dan goed van te voorspellen! En zo stappen we dan triomfantelijk, aan elke hand een fiets, de straat op. Een burger wil er ons ene ontfutselen, we leggen hem uit dat we eigenlijk met ons vieren zijn en hij laat ons gerust. Die politieagent daar, die krijgt een goed gebed voor zijn eeuwige zaligheid als hij ons niet aanspreekt. Hij doet het doet!..
Wij brengen de vier paarden in veiligheid, namelijk in de diepe kelder die we gisteren ontdekten. Zie zo onze garage staat vol!
Het trof, me daar in die statie, hoe de mensen onverschillig geworden zijn voor het gevaar. Een vrouw zat op een kist en toen ik haar deed opmerken dat die vol brandbommen stak, die ten anderen goed zichtbaar waren, was zij niet in het minst verwonderd of bevreesd. Een week geleden zou ze wel met een gil opgesprongen zijn!
Zo bezitten we dan weer zes fietsen die zelfs beter zijn dan onze andere. Het is dien avond een echt parlement dat in ons achterplaatsje vergadert. Niemand vreemds wordt binnengelaten zelfs een jongen uit het Antwerpse, die sinds enkele uren bij ons groepje tracht aan te sluiten, wordt onbarmhartig buiten de besprekingen gehouden. Hoe meer volk, hoe meer gevaar dat onze ontvluchtingpoging mislukt.




































