gesneuvelden



47ste dag; dinsdag, 25ste, juni.
Vandaag, als ’t God en de “Fritsen” belieft: ontvluchtingdag! Alles bijeenverzamelt wat we bezaten, ondermeer ook wat we hier rechtover in de kazerne vonden. We mogen al weer eens om water, als “Dolmetscher” mag ik nogal een en ander buiten het reglement verrichten en zo bepakking in onze kelder vervoeren. Er is onder ander een fijne wandelstok bij waar binnenin een soort metalen matrak steekt waarmee ge ingeval van nood mooi werk zou verrichten. Tegen avond weer eens beraadslagen. Een paar mannen aarzelen nog, doch andere drie hebben deze namiddag de “Picon” nogal aangesproken en zelfs de “Berger”, en die stemmen voor ontvluchting, zich van geen gevaar bewust. Al ben ik zelf nuchter, toch verklaar ik ook ronduit tegen de twee die aarzelen:”Doe wat gij wilt, ik probeer het”. En meteen gooi ik al de ransel over de schouders en maak hem vast. Dit geeft bij de twee de doorslag. Dat een nuchtere het ook aandurft is een teken dat het misschien wel zal gaan!
We staan daar dus met onze ransel op, te zien van door het venster of de schildwacht niet een ogenblik rechtover de kazernepoort zal wegtrekken en zodra hij dat doet vertrekken we er van door., twee van ons met een fiets aan de hand en wij allen beladen langs voor en achter. Het grootste gevaar komt van de andere Belgen die aan de deur een luchtje staan te scheppen. Ze vinden het natuurlijk vreemd dat wij er zo opuit trekken en roepen tallenkante:” Waar gaat ge naartoe?”
Die stommeriken, straks komt de schildwacht er op. Ik antwoord haastig:”Er zijn beestjes daar vanachter, wij gaan ergens anders wonen waar het beter is”! Ze schijnen dat onder elkaar te bespreken en wij wachten niet om te vernemen of ze het geloven! Ik zeg tot de mannen:” Niet lopen, dan schiet de eerste de beste Duitser die ons bemerkt! En als ze roepen, onmiddellijk stoppen of ze leggen ons neer!”
Een paar minuten verder staat een auto, als we daar maar voorbij geraken, dan is er al wat minder kans dat ze ons nog zien. Minuten van angstige spanning, ons hartje klopt en we zweten er van, eindelijk zijn we achter dien auto en nu is het de straathoek die onze volgende etappe afsluit. Als we daar eenmaal achter verdwenen zijn, jubel ik het uit:” Wij zijn al voor 50% gered!” Ja, nu zouden we al mogen lopen, maar we blijven voorzichtig. Eindelijk nog een straathoek en weldra zijn we aan onze fabriek met onze garage. Ongelukkig ben ik met mijn mooie wandelstok, ik breek hem bij een eerste poging om mijn paard te bestijgen. Op ons dooie gemak, om nergens achterdocht te verweken, rijden we de poort uit, de baan naar “Bazoches” op. Het zal nu wel 100% zijn dat we gered zijn. Niet te gauw jubelen! We zijn drie kilometer ver af, daar hebben we het al. Een soldaat staat midden de baan met de armen wijd open:”Stoppen!” Werkt de telefoon dan al en heeft deze kerel bericht gekregen dat wij ontsnapt zijn? Doch wat een blijde verrassing als hij ons vraagt:” Hebben sie noch etwas zu eisen?”- “Nicht all zu viel” antwoord ik maar. En hij reikt ons a.u.b. een paar grote dozen sardienen met een brood van een kilo! Nu worden we warempel nog gevoed door hen die we bedrogen. Ja, hoe lelijk hebben we onze feldwebel er in gekregen! Wat zal die morgen vroeg naar zijn “Dolmetscher” staan zoeken? En de Waalse luitenant?
Oei, oei, oei, daar komt nu achter ons een moto aan. Ik zie even om, een Duitse helm en regenmantel! Nu zijn we er aan? En hij valt stil als hij vlak voor ons is en doet ons teken te stoppen.
Wij geven ons nu toch zeker verloren, die kerel komt uit Orleans en weet alles van onze vlucht. Hij haalt een briefje uit zijn zak en…” Können si emir das ubersetzen,” Hé, het is een Frans bericht over een zieke vrouw ergens in een dorpje langs de baan. Ik vertaal hem gauw heel de zaak en hij is weer weg.
Wij zullen het vanavond niet lang trekken, morgen zullen we met minder gevaar reizen, dan zullen ze ons zeker niet meer zoeken. In Baclas, een paar uur voor Etampes vinden we een hoeve waar tientallen burgers een onderkomen gezocht hebben. Wij zijn liever alleen in het schuurtje maar daar boven op het stro liggen al twee mannen. Het is hier zaak, morgen onze fietsen nog terug vinden. We sleuren ze dan maar mee naar boven en liggen er om zeggen bovenop, niemand zal er mee gaan lopen of hij maakt ons wakker. Niemand is meer wantrouwend dan die zelf zijn bezit niet helemaal op regelmatige wijze verkreeg!



































