gesneuvelden


43ste dag: vrijdag, 21ste juni.
Deze morgen zijn wij allemaal stijf van het slapen in die vochtige ruimte en dan nog in ongemakkelijke houding. We zijn ook blij als de “Feldwebel” ons meedeelt dat we verhuizen. We gaan op het “Schlosz” wonen verteld hij ons.
En warempel, we mogen op het kasteel langs de grote baan van Orléans gaan wonen. Voor het ogenblik zitten we echter nog maar in de weide van het kasteel, als konijnen achter onze draadversperring. Stilaan zijn we honger gaan krijgen want de stukken brood waren deze morgen nog kleiner dan gisteren.
Er is echter weldra spraak van gekookt eten, het eerste sinds we onze lekkere kippensoep in Villefranche sur Cher in de steek moesten laten. Ze brengen door de poort van het park een heel stuk rundvlees binnen van wel 10 kilogram en een zak rijst. De “Feldwebel komt mij halen om als “Dolmetscher” of taalman in de keuken te blijven. Ik moet er aan de koks die Franse soldaten zijn, de bevelen uit het Duits vertalen. Nog geen slecht postje. In een keuken zult ge moeilijk van honger omkomen, zolang er tenminste iets te vinden is. Het duurt niet lang of we krijgen er een Duitse Kok op bezoek. Het staat hem allemaal niet aan. De koks hebben het vlees in stukken gesneden met het inzicht ze zo te braden en elk soldaat zijn stuk te geven, doch hij doet hen alles terug uit de kookketel nemen en in blokjes van een vingerhoed grootte snijden. Zo,en dan de rijst er bij en maar alles dooreen geroerd. Ja, hij heeft het bij het rechte eind, die kerel moet al heel wat soldatenmagen bediend hebben. Als alles goed aan het koken en aan het pruttelen is komt er een luitenant binnen. Die ziet er niet kwaad uit maar hij zegt toch in mooi Hoogduits: “ Als het niet goed is wanneer ik kom proeven, dan krijgt gij, als keukenoverste, den Kogel! Smakelijk!”
kogel!
We hebben, terwijl onze rijst verder gaar wordt, al de tijd om eens rond te lopen. Er is hier zowat van alles te vinden zodat we weldra over al het nodige beschikken, zowel keukengerief als kruiderijen om onze rol van keukenpiet goed te spelen. In de tuin staat een mooie ruime kapel en een schooltje van twee klassen, waarschijnlijk voor een deel van de bevolking, daar de dorpskerk nogal ver van dit deel van “La Ferté St Aubin” gelegen is. We zijn hier nogal vrij en lopen na ons middagmaal weer eens overal rond. Ook tot bij onze mannen ga ik eens zien, die zijn bezig een autobus, die in het park door een bom letterlijk tegen een boom werd geworpen, helemaal te pluimen. In de tuin wandelt een Franse priester die met droefheid in de stem over de toestand spreekt, die volgens hem hopeloos is voor Frankrijk. Het ware voor ons heel gemakkelijk, te vluchten, we hebben maar onze ransels uit de keuken te halen en langs den hof in de velden en de bossen te verdwijnen. Maar dan? Hoe aan eten geraakt. Ook mijn vijf makkers van het 57ste wil ik niet in de steek laten. Waarom de Fransen de vlucht niet nemen, dat begrijp ik niet. Maar ja, Frankrijk is ook zo groot, sommigen wonen wel 500 km. Hier vandaan. S’ Avonds mogen we al ons gepak in de kapel binnendragen en daar slapen.
Een Duitser van om en bij de veertig jaar zal de wacht houden. “Hij wil niet hebben”, zegt hij,” dat er gedurende de nacht meer dan een van ons terzelfder tijd buiten de kapel zij om aan een dringende behoefte te voldoen. Natuurlijk, wij verstaan dat ook, wij zouden heel gemakkelijk, de ene na de andere kunnen verdwijnen om niet meer terug te keren. Hij toont ons een oud damesschoentje en legt het op de bank naast de kapel. “Die buiten komt,” zegt hij, “ neemt het schoentje mee waar hij gaat en als dan een tweede buitenkomt, blijft hij op de bank zitten tot de eerste met het schoentje terugkomt. Zo iemand toch weggaat, zonder schoentje, dan schiet ik, en ik kan juist schieten, verzekert hij ons.” Een mus op 50 meter. Het moet eens waar zijn. Ik denk dat hij moe is en ergens zal gaan slapen. Dat schoentje zal dan in zijn plaats op schildwacht staan. Wat kan ons dat schelen? Wij slapen in de kapel zonder aan vluchten te denken, het doet eigenaardig aan al die mannen, er zijner wel 150, die op alle mogelijke plaatsen, tot zelfs op de trappen van het altaar en tegen de biechtstoelen liggen te snorken. Ons Heer zal het ons wel niet kwalijk nemen!



































