gesneuvelden

45ste dag: zondag, 23 juni.
We mogen verhuizen. De 23 Belgen, allen Vlamingen worden verzameld om rechtover de kazerne te gaan wonen. De Franse soldaten zien niet weinig schuw als ze ons zien vertrekken. Ze veronderstellen wellicht dat we ons aangeven als vrijwilligers voor het Duitse leger? De Feldwebel doet ons allen een kamer uitzoeken en het duurt niet lang of al wat maar tot bed kan dienen wordt op zijn plaats gesleept. Wij hebben voor ons gezessen een paar matrassen, dat we in een soort werkplaatsje t’ einde de koer openrollen. De Feldwebel laat ons maar begaan, “aber” zegt hij “niet mausen”! Wat denkt u wel, vriend.. veldezel? Hij legt ons ook uit dat we eigenlijk:” nicht gefangen zijn”, doch dat we niettemin het huis niet mogen verlaten. Dat is nu toch niet samen te knopen!
De dorst is onze ergste vijand. In de stad is de waterleiding onderbroken. Dus moeten water gehaald worden, willen we niet vergaan van de dorst. In de kelder liggen lege vaatjes. We halen er een drietal boven, de grootste is zo wat 50 liter groot en als we dan nog een karretje vinden in het gebuurte, dan zijn we helemaal uitgerust voor het waterhalen. Het is een lustig groepje, we zijn zo met een half dozijn en heel het spul heeft zo iets van een Vastenavond grap!
De stad is een warboel van vluchtelingen en Duitse troepen. Honden die vrij rond lopen worden door soldaten met een kogel in de kop afgemaakt. De legers willen van geen “Seuche” geen besmettelijke ziektes of zulke dingen weten. We zagen zo een grote trekhond, die een “verdachte” bleek te zijn, in de velden jagen door een Duitser, die hem dan kogels achternazond tot hij er eindelijk bij bezweek.
Wij zoeken alles af om wijn of tabak of essence te vinden, want alle “toeristen” smeken er ons om. Gratis geven we er 15 liter weg die we achter in een winkel opdiepen. Op straat liggen Belgische en Franse geweren op hopen de kolven aan splinters of de grendels er uit gehaald: Collectieve ontwapening.
Op een soort fabriekskoer ontdekken we een trap die naar onvermoede diepte schijnt te leiden. We durven niet eens tot beneden gaan, er leidt op ’n meter of acht diepte een gang naar links, in een inktzwarte duisternis. Als we eindelijk aan water geraakt zijn, een half uur buiten de stad, waar de mensen ons optimisme en onze goedgeluimdheid bewonderen en weldra delen, duwen we dan maar, onderweg een “koutje” voeren met een paar lustige Duitsers, ons karretje water naar huis. We zijn eigenlijk meer dan welgekomen en het duurt niet lang of het kleinste vat is leeg.

Er zijn 39 man, walen namelijk, bijgekomen en aan hun hoofd staat een luitenant. Wij waren 23, dat zijn er nu zomaar 62, eigenlijk een beetje veel voor een huis! Wie zag ooit zulk een kroostrijk gezin?
De luitenant is geweldig ongeduldig en wil naar huis gelijk hoe? “Ik trek alleen uit,”: verklaart hij mij. Dat is niet mooi van hem, zo zijn mannen in de steek dreigen te laten. Ik bekom van de Feldwebel dat we eens mogen naar de plaatsbevelhebber gaan smeken om naar België te mogen vertrekken. Ik heb bij die kolonel, want zo iets moet het geweest zijn, meer gesnauw en gedonder in de zoete Duitse taal mogen horen, dan ik ooit geleerd had. Het was al van:” Keine humanität” en 1918 en toen de luitenant mij vroeg:” Wat verteld hij daar allemaal”, dan heb ik hem een heel wat verzachte en humaniseerde vertaling van kolonels peroratie gegeven! Als we thuiskomen is er een kleine revolutie aan het uitbreken. Onze broers de Walen willen ons zo maar onzen besten huisraad opeisen. Ook de luitenant spreekt van matrassen afstaan, doch wij houden voet bij stuk. Eerst kwam, eerst nam! Wat?




































