Naar de inhoud

Bezoek Tienen 09/12/2010

Welkom op 9 december 2010
akke.beakke.be
in de zoetste stad van het ganse land.

Archief

5.1 De middeleeuwse stad (3)

Enkele buitenlandse bezoekers getuigden in de loop van de 18de eeuw over hun verblijf in de stad. Zij schetsten ons een vrij adequaat beeld van wat er nog restte van de middeleeuwse stad. In 1763 startte Leopold Mozart een grote Europese reis waarbij hij samen met zijn zoon Wolfgang Amadeus (foto links) en zijn dochter Nannerl achtereenvolgens München, Frankfurt, Aken, Brussel en Parijs aandeed. Op hun weg naar Brussel overnachtte het gezin te Tienen. Zij verbleven in de ‘Tinnen Schotel’, het enige hotel met klasse dat de stad op dat ogenblik rijk was. Toch was Leopold achteraf niet zeer lovend over zijn verblijf. In een brief aan zijn vriend Hagenauer noemde hij Tienen een stad die duidelijk over zijn hoogtepunt heen was. Hetzelfde verhaal horen wij bij de Engelsman Samuel Vernon die enkele jaren later (1766) Tienen aandeed. Hij noemde het: a town seemingly on the decline, having probably been sometime more considerable than the present.

In de loop van de 18de eeuw onderging de stad enkele grote veranderingen. Op 2 april 1705 werd de Gareelmakerijstraat (huidige Nieuwstraat) bijna volledig vernield. Dertig huizen dienden heropgebouwd te worden. Ook de straatnaam werd aangepast. Na de ramp van 1635, waarbij het stadhuis op de Veemarkt af brandde en herstellingswerken uitbleven, besloot men de administratieve diensten van de stad onder te brengen in een nieuw pand. Op 23 november 1711 nam het stadsbestuur de beslissing om over te gaan tot de koop van een bestaande woning. Het werd het huis Immens op de Dries (huidige Grote Markt). Na de aankoop startten de aanpassingswerken die meer dan vier jaar in beslag namen. Het originele huis in Vlaamse renaissancestijl werd in 1720 van een centrale pui, die dienst zou doen voor de afkondiging van officiële berichten, voorzien.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door jcob1374 om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

5.1 De middeleeuwse stad (2)

Tijdens de regering van Johanna van Brabant en Wenceslas van Luxemburg vatten de Tienenaars andermaal het plan op om de stadsomheining te vergroten. In de loop van de 14de eeuw werd een uitgebreide wal aangelegd waardoor er binnen de verdedigingsgordel heel wat onbebouwde ruimte overbleef (foto links). Of dit was uit misplaatste hoop op de toekomst of om de stadskern van artillerievuur te vrijwaren, is niet duidelijk. Zeker is dat de grote omheining ook de meest afgelegen stadswijken omsloot. De nieuwe verdedigingsgordel beperkte zich tot het opwerpen van aarden wallen (de ‘Leugenvesten’) en de bouw van een aantal nieuwe poorten en torens. Vrij spoedig bleek de verdediging moeilijk haalbaar. Bovendien was de bloei van de stad al duidelijk over haar hoogtepunt heen. In elk geval was de in 1360 gestarte aanleg meer dan honderd jaar later nog niet voltooid. Bovendien begonnen de hertogen van langsom hun interesse te verliezen. Tijdens de 14de eeuw kozen ze Brussel als hun vaste residentieplaats waardoor de plaatselijke residenties aan belang verloren. In 1372 schonk Johanna het voormalige ‘Hertogenhuis’, gelegen op de hoek van de huidige Hennemarkt en de O.-L.-Vrouwbroederstraat, aan de Karmelieten.

Op 29 maart 1512 verleende Maximiliaan van Oostenrijk aan de Tiense autoriteiten de toestemming om over te gaan tot aanpassingswerken. Hiervoor werd gebruik gemaakt van delen van de oude omheining. De Borggracht werd opnieuw de zuidelijke stadsgrens. De bestaande muur van de tweede omheining begrensde de stad in het noorden. In het oosten bracht men in 1537-1538 een nieuwe verbinding tot stand tussen de Oude Poort en het Sliksteen. In een tweede fase werd in het westelijke stadsdeel een muur opgetrokken tussen de Leuvensepoort en de Roos. Dit gebeurde in 1596 met de hulp van Spaanse soldaten . De inwoners van de stad werden van bij de aanvang van de werken verplicht om hun diensten te verlenen. Dit ‘vrijwilligerwerk’ kreeg een ruggensteuntje van de overheid toen Karel V in 1537 aan de magistraat de toelating gaf om werkweigeraars te bestraffen. Bij het begin van de 17de eeuw werden nog herstellingswerken uitgevoerd waardoor de versterking aan doeltreffendheid won. De derde omheining met zijn wallen en buitenpoorten zou gedurende de volgende decennia meermaals zijn degelijkheid bewijzen.

Tijdens het laatste traject van onze wandeling van het zwembad naar het station zullen we voor een deel langs het westelijk traject van de vierde en laatste door de Spanjaarden aangelegde omwalling van de stad  wandelen.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door jcob1374 om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

5.1 De middeleeuwse stad (1)

Tot slot van de geschiedenis van Tienen, nog een reeks bijdragen over hoe het uitzicht van de stad evolueerde door de eeuwen heen. We beginnen ons verhaal in de 12de eeuw omdat betrouwbare historische gegevens van voor deze periode (nog) ontbreken.

Tijdens de regering van Hendrik I (1190-1235) en zijn opvolgers kende Tienen een snelle economische groei. Gedurende deze periode verwierf de stad het recht om een wekelijkse marktdag te houden (1220). Dit stimuleerde haar ontwikkeling als commercieel centrum. Haar ligging op de belangrijke oost-westas maakte bovendien een deelname aan de internationale handel mogelijk. Daarnaast was de Brabantse lakenindustrie gedurende deze periode in volle expansie. Het bevolkingsaantal nam gestadig toe en de eerste omheining werd vrij snel te klein. Omdat er zich wijken buiten de muren begonnen te vormen, was een uitbreiding van het stadsterritorium noodzakelijk.

Volgens de 17de-eeuwse kroniekschrijver Gramaye startte men in 1194 met de constructie van de tweede omheining. Ter hoogte van de huidige Oude Vestenstraat werd een muur gebouwd en in het zuiden werd de Borggracht (1230) aangelegd. Op de splitsing tussen de Gete en de Borggracht werd een sluisgebouw gebouwd dat men de Nieuwe Sluis of Roos noemde (1233) (foto links). De gracht werd extra versterkt door de aanleg van verdedigingsmuren en torens. De uitbreiding van de omheining had tot gevolg dat de nieuwe wijk rond de Dries, waar zich de O.-L.-Vrouw-ten-Poelkapel bevond, binnen de stadskern kwam te liggen.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door jcob1374 om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

4.7 Werkhuizen Gilain

De Werkhuizen van Gilain of Ateliers de construction de machines à vapeur, mécaniques, chaudières à vapeur et filiature de laine kwamen tot stand in de lokalen van de afgeschafte St.-Sebastiaansgilde. Na de Franse revolutie besloot de uit Charleroi afkomstige mecanicien Jacques Joseph Gilain (foto links) hier een wolspinnerij te vestigen. Toen de textielindustrie in de Nederlanden af te rekenen kreeg met Engelse concurrentie schakelde Gilain in 1825 over op het vervaardigen van stoommachines voor de textielsector. In de jaren dertig van de 19de eeuw werd de productie uitgebreid met toestellen voor de verwerking van de florissante Haspengouwse voedingsindustrie. Vooral de pas opgerichte suikerfabrieken vormden een belangrijke afzetmarkt.

In het tweede kwart van de 19de eeuw breidde Jacques Joseph Gilain zijn oorspronkelijke spinnerij uit met een werkhuis dat aan de achterzijde uitgaf op de recent aangelegde spoorlijn. Hier specialiseerde hij zich in de fabricatie en de assemblage van stoommachines, die voornamelijk bestemd waren voor de voedingsindustrie. Gedurende een korte periode werden ook tram- en spoorweglocomotieven vervaardigd.

In 1879 werd het familiebedrijf omgevormd tot de Société anonyme des Ateliers de Construction J.J. Gilain met sociale zetel te Tienen (foto zie bijlage). Het kreeg toen de allures van een industriële vestiging met wereldklasse. De periode tussen beide wereldoorlogen vormde voor de Ateliers de Construction Mécaniques de Tirlemont een eerder woelige periode. Bij het begin van de jaren dertig moest de oude firma zelfs haar toevlucht nemen tot liquidatie. In 1934 werd een nieuwe maatschappij opgericht onder de naam Société Anonyme des Ateliers de Construction Mécanique de Tirlemont  of kortweg ACMT. In 1959 werd dit bedrijf opgenomen in het consortium van de Ateliers Belges Réunis of ABR. Onder druk van een nieuwe crisis werd de firma in 1962 verplicht om het centrum van Tienen te verlaten. De site ter hoogte van de Zijdelingsestraat bleef tot 1967 gehandhaafd.

Dat in Tienen ooit de beroemde seniorentrams gemaakt werden voor Antwerpen bewijst de PowerPoint presentatie in bijlage. "Het trammuseum van Berchem".

Bijlagen
Hoe vind je dit bericht? 4 stemmen
Geschreven door jcob1374 om 17:08 1 reactie Reageer op dit bericht Stuur door

4.6 De stille kracht

De Grote Gete en de Mene speelden een belangrijke rol in de industriële ontwikkeling van de stad. Het water werd niet alleen aangewend als hulpmiddel in het fabricatieproces, maar leverde ook de nodige energie om te komen tot het eindproduct. Molens (foto links) zetten de waterkracht om in bruikbare energie voor de verwerking van de grondstoffen. Ook andere natuurlijke krachtbronnen als wind en paardenkracht werden voor dit doel aangewend. Tot in de 19de eeuw, toen andere meer krachtige energiebronnen als stoom, organische brandstoffen en elektriciteit de ambachtelijke molens verdrongen, zou dit zo blijven.

Rond 1850 waren er te Tienen nog dertien molens bedrijvig waarvan vier bloemwatermolens, vijf olierosmolens, een bloemwindmolen, een oliewatermolen, een schorswatermolen en een aardappelmeelmolen.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door jcob1374 om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

4.5 Kouskesfabrieken

In de 19de eeuw telde de stad nog vijf bedrijven die gespecialiseerd waren in de fabricatie van wollen stoffen, flanel en kousen. De firma Bonneterie Elite werd in 1829 opgericht. Het oorspronkelijke gebouw was een ontwerp van architect Albert Geens en bevond zich op de plaats van de 19de -eeuwse leerlooierij van Charles Vrijsens. Van deze textielfabriek, die na de oorlog op de productie van nylonkousen overschakelde, is niets meer overgebleven.

Aan de overkant van de vroegere vesten was de Fabrique de Bonneterie Herve et Frères gevestigd. Deze firma had zich gespecialiseerd in het vervaardigen van kousen, sokken en kielen. Het bedrijf kwam tot stand op de vroegere site van de azijnstokerij Thielens. In 1902 werd het geheel overgenomen door Albert Petit, die de nog bestaande gebouwen inrichtte als opslagplaats voor steenkolen. Deze locatie werd uiteindelijk opgekocht door de uit Verviers afkomstige familie Herve, die in de vroegere Moutmolen aan de Getelaan een textielfabriekje uitbaatte. In 1912 dienden de gebroeders Herve een bouwaanvraag in om de originele infrastructuur van de oude azijnstokerij uit te breiden met ateliers voor de productie van kousen.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door jcob1374 om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

4.4 Leerlooierijen

De minder rijke gronden van het Hageland leenden zich uitstekend voor intensieve veeteelt, maar ook in het vruchtbare Haspengouw werd vee geteeld. Dit deed men ondermeer voor de bemesting nodig voor de verrijking van de akkers. Ook het  huidenvetters- of leerlooiersambacht dankte haar oorsprong aan de uitgebreide runderteelt in de regio. Het kende in Tienen een eeuwenoude traditie. De kadastrale atlas vermeldt nog vier leerlooierijen rond het midden van de 19de eeuw. Vanouds waren de belangrijksten gelegen langs de Gete en de Mene. Het water van de rivier werd immers gebruikt voor het spoelen van de huiden.

De 19de-eeuwse leerlooierij van Vrijsens is volledig verdwenen (foto links). Alleen de benaming ‘Huidvettersstraat’ verraadt nog de vroegere bedrijvigheid in deze stadswijk. Eén van de bekendste Tiense leerlooierijen, de Tannerie Kamp , was niet in deze straat gevestigd. Zij werd in 1910 in de Hoegaardenstraat opgericht op de plaats van de oude huidenvetterij Loyaerts.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door jcob1374 om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

Sint Germàànestoure (Sint-Germanustoren)

Als tussendoortje nog een liedje van "De Tiense Straatmuzikanten met als titel "Sint Germàànestoure". De Sint-Germanustoren is de toren van de hoofdkerk die de stad en de omgeving domineert.

http://detiensestraatmuzikanten.hetklikt.be/liedjes/liedjeszingen12.html

Hierna een poging om de tekst in het Tiens dialect te vertalen.

Sint Germàànestoure
            (Sint-Geramanus toren)

 

Dékkes moet ich noo nog pààze,

(dikwijls ik nu nog denken)
as ich no den toure zîen.

(als ik nu naar de toren kijk)

Vreuger spèlden heum e melodîeke,

            (vroeger speelde hij een melodietje)

zoe huët ge niks in de top tîen.

            (zo hebt u niets in de top tien)

As ich 's ooves in mé bèd lei,

            (Als ik ’s avonds in mijn bed lig)

huër ich het vantêêd vanèèr,

            (hoor ik het soms opniuew)

Mà dàd és dàn in mén druëme, jàà,

            (maar dan is dat in mijn dormen)

ich voenk het 'n schoeën èèr ... (twieë kirre)

            (ik vond het een mooie melodie… twee maal)

Schoeëne Sint Germàànestoure,

            (Mooie Sint-Germanustoren)

spélt dà lîeke noo nog ins –

            (speel dat liedje nu nog eens -)

Iederieën zult gêê bekoure,

            (iedereen zal gij bekoren)

do an ontsnapt ginne mins.

            (daaraan ontsnapt geen mens)

Rèchte Sint Germàànestoure,

            (Rechte Sint-Germanustoren)

makt mich lèk e kind zoe blêê

            (maak mij als een kind zo blij)

Bé dà lîeken aat mén kejoengesjoëre –

            (met het liedje uit mijn kwajongensjaren)

èn dà d'és al lank verbêê ... (twieë kirre)

            (en dat is al lang voorbij…twee maal)

As ich vreuger ins goenk wàndele bé mé lîef,

            (Als ik vroeger met mijn lief eens ging wandelen)

zoe hànd in hànd,

            (zo hand in hand)

Klingelde dà melodîeke,

            (klinkt dat melodietje)

èn wélle voenke dà plezànt.

            (en wij vonden dat plezant)

Noo és het àllemol verànderd,

            (Nu is het allemaal veranderd)

ne mins dàd és noo volle persei,

            (een mens dat is nu steeds gehaast)

Mà às gêê 't nog ins wilt speile,

            (Maar als gij het nog eens wil spelen)

zinge we 't allemoël mei ... (twieë kirre)

            (zingen we het allemaal mee)

 


Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door jcob1374 om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

4.3 Brouwerijen en stokerijen

De leemstreek rond Tienen leent zich uitstekend tot de teelt van graangewassen, granen die verwerkt werden tot meel en brood, maar ook tot bier en jenever. In de kadastrale atlas van Popp uit het midden van de 19de eeuw werden nog zes brouwerijen en acht jeneverstokerijen opgenomen. Van de 19de -eeuwse Tiense brouwerijen zijn er nog wat relicten bewaard. De acht Tiense stokerijen overleefden de Duitse koperopeisingen tijdens de Eerste Wereldoorlog en de wetten tegen het alcoholisme niet. Vooral de wet Vandervelde (1919) ter beteugeling van de openbare dronkenschap, betekende de doodsteek voor deze bedrijven.

De brouwerij ‘Den Anker’ was oorspronkelijk gelegen op de hoek van het Torsinplein en de Hoegaardenstraat en werd later geïncorporeerd in de brouwerij Pieraerts. Deze brouwerij werd in de volksmond ook wel de ‘Brouwerij der Dokters’ genoemd en brouwde het populaire ‘Zoegbier’. De sluitsteen van de inrijpoort van de oude brouwerijgebouwen bevindt zich nu in de St.-Katharinastraat. Hoe deze steen hier terecht kwam, is tot op heden een raadsel. Vermoedelijk werd hij in de gebouwen van de brouwerij Vandenschrieck ingemetseld na de overname van het bedrijf door Theophile Pieraerts in 1926.

De oorspronkelijke gebouwen van de brouwerij Vandenschrieck dateren uit de zeventiger jaren van de 19de eeuw. Brouwer Eugène Janssens liet hier tussen 1870 en 1873 een biermagazijn optrekken in de typische 19de-eeuwse Rundbogenstil (foto links). In het vroegere biermagazijn werd later het bedrijf van de gebroeders Vandenschrieck gevestigd. Deze brouwerij bezat bij het begin van de 20ste eeuw depots in Brussel, Antwerpen en Luik. Omstreeks 1928 werd de Tiense vestiging opgeslorpt door het Leuvense Artois.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door jcob1374 om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

4.2 Ambachtelijk Tienen

In de loop van de 18de eeuw kantelde de conjunctuur. Een gunstige demografische evolutie was vrijwel overal merkbaar. Tegen de achtergrond van deze evolutie was het pauperisme echter niet weg te denken. Algemeen wordt aangenomen dat 40 % van de huisgezinnen het totaal niet breed had. Ongeveer de helft hiervan was nu en dan aangewezen op steun van de Tafel van de Heilige Geest of van andere liefdadige instellingen. 8 % van de gezinnen werd als werkelijk arm beschouwd. Enkele jaren later was deze situatie enigszins gewijzigd en hadden ondernemende zelfstandigen nieuwe bedrijven gestart. Op 12 april 1762 kregen François de Haert en Louis Verlat vrijstelling van taksen voor het invoeren van grondstoffen. De stad verleende hen daarbij de toelating om hun stoffen te loden met het stadswapen (foto links). Ook andere meesters en corporaties leken mee te genieten van de verbeterde conjunctuur. Vooral de succesrijke activiteiten van de plaatselijke tingieters en beeldsnijders springen hierbij in het oog. Tot in de 19de eeuw vonden zij in de stad en de omgeving voldoende opdrachtgevers en afnemers voor hun koopwaren.

Dat de industriële ontwikkeling te Tienen zeer nauw verbonden is met de bloei en de evolutie van de landbouw in Hageland en Haspengouw staat volledig buiten discussie. De Brabantse leemstreek, een vanouds zeer vruchtbaar gebied, vormde de ideale groeibodem voor agrarische experimenten met ontginningsmethoden en de introductie van nieuwe teelten die de plaatselijke ambachtelijke verwerking stimuleerden. De ligging op de grens van twee bodemgesteldheden bepaalde tevens de oriëntatie van de landbouw. Ten noorden van de stad, in het minder rijke Hageland, primeerde de veeteelt. Ten zuiden legde men zich al vroeg toe op gewassen voor industriële verwerking.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door jcob1374 om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

Meer van Bezoek Tienen 09/12/2010

↑ Terug naar de berichten